Reptielen, niet de eerste dieren waar je aan denkt bij Nederland, maar we hebben er wel degelijk een aantal! In ons land kun je vier inheemse hagedissen en drie inheemse slangen vinden. In deze blogserie bespreken we de soorten uitgebreid en beschrijven we de beste gebieden voor reptielen in Nederland
De verschillende soorten reptielen in Nederland hebben het allemaal vrij lastig. Voor zowat alle soorten geldt dat de totale populaties in Nederland afnemen. Dit heeft alles te maken met het verdwijnen van het habitat waarin reptielen in Nederland leven.
De meeste reptielen zijn vooral te vinden op gevarieerde heideterreinen en daarnaast ook nog in het kleinschalige cultuurlandschap. Het heidelandschap, waarin een afwisseling te vinden is van dop- en struikheide, pijpenstrootje, jeneverbessen en open zandige plekken vormt een uitstekend landschap voor reptielen. Helaas wordt dit landschap steeds schaarser in Nederland.
Daarnaast vinden reptielen een geschikt leefgebied in het kleinschalige cultuurlandschap. Dit landschap bestaat uit kleine percelen, zoals kruidenrijke graslanden, omzoomd met hagen, struweelranden en -hagen, houtsingels en knotbomen. De overgangen van graslanden naar landschapselementen zijn structuurrijk, het ideale leefgebied voor reptielen en andere dieren. Helaas is dit landschap ook steeds minder te vinden in ons land.
Reptielen in Nederland
Onderstaand een lijst van de inheemse reptielen in Nederland.
Levendbarende hagedis
Zootoca vivipara
Zandhagedis
Lacerta agilis
Muurhagedis
Podarcis muralis
Hazelworm
Anguis fragilis
Ringslang
Natrix helvetica
Gladde slang
Coronella austriaca
Adder
Vipera berus
Taxonomie reptielen in Nederland (de Natuur van hier)
Vier soorten inheemse hagedissen is ons land rijk. Hagedissen kenmerken zich door het afgeplatte lichaam en de duidelijke kop-lichaam en staart verdeling. Er is echter ook een soort die er afwijkend uitziet en zelfs geen poten heeft, maar daarover later meer.
Net zoals alle andere reptielen zijn hagedissen koudbloedige dieren. Dat betekent dat het lichaam niet zoals bij ons zoogdieren automatisch warm blijft, maar dat ze de warmte van de zon op moeten zoeken om op te warmen en actief te worden. Voor hagedissen is het dus belangrijk dat ze in hun habitat schuilplekken én warme plekken zoals grote stenen, stapelmuren en open plekken op korte afstand van elkaar kunnen vinden.
De levendbarende hagedis was ooit zeer algemeen in ons land, maar de aantallen nemen sterk af (De Natuur van hier)
Hagedissen in Nederland
Van de vier soorten hagedissen behoren er drie tot de familie echte hagedissen en een soort behoort tot de familie hazelwormen. De drie uit de familie echte hagedissen zijn de levendbarende hagedis, zandhagedis en muurhagedis.
De levendbarende hagedis is de kleinste van het stel. Deze was ooit zeer algemeen, maar neemt de laatste jaren sterk af. De zandhagedis is een wat grotere en robuuster gebouwde hagedis. Ze zijn minder algemeen dan de levendbarende hagedis en komen vooral voor op de hoge zandgronden. Ook de zandhagedis neemt de laatste jaren sterk af. Ook de muurhagedis is een stukje groter dan de levendbarende hagedis. Muurhagedis komen van nature in Nederland voor enkel in en rondom Maastricht. Hier leeft een kleine en geïsoleerde populatie. Verspreid door het land komen echter losse exemplaren voor, vaak meegekomen met importproducten uit Midden- en Zuid-Europa.
Tot slot nog de hazelworm. Hazelwormen zien er op het eerste oog uit als slangen, maar het zijn pootloze hagedissen. De staart betreft ongeveer de helft van het lichaam en ze hebben dus geen poten. Hazelwormen komen op veel plekken voor, maar niet in Zeeland. De populatie in Nederland is vrij stabiel.
De hazelworm lijkt op het eerste oog een slang, maar het is een pootloze hagedis (Shutterstock)
Slangen
Net zoals hagedissen hebben slangen ook baat bij kleinschalige en structuurrijke gebieden. Heidelandschappen, kleinschalig landschap en voor de ringslang ook laagveen kunnen een geschikt habitat zijn. Slangen houden van heidegebieden met wat oudere heidestruiken, pijpenstrootje en pitrussen. Open plekken in het landschap zijn daarnaast ook cruciaal om op te warmen en te zorgen voor een geschikt microklimaat.
Ringslangen houden van waterrijke gebieden
Slangen in Nederland
Van de drie in Nederland levende slangen is er één giftig; de adder. De ringslang en gladde slang zijn beide niet giftig. De ringslang is de grootste slang in Nederland en kan wel tot 1,20 meter groot worden. De ringslang komt voornamelijk voor in waterrijke gebieden. De laatste jaren is er een kleine afname te zien van de ringslang.
De gladde slang blijft een stuk kleiner dan de ringslang en wordt tot maximaal 65 centimeter groot. Ze hebben ongekielde schubben, wat ze een gladde aanblik geven. Het aantal gladde slangen neemt de laatste jaren licht af. De derde slang,de adder, is de enige giftige slang in Nederland. Ze worden tot 60 centimeter groot en leven voornamelijk op de hogere zandgronden. Ook bij de adders is er een afname te zien.
De ongekielde schubben geven de gladde slang een glad uiterlijk (shutterstock)
Naast de vier inheemse hagedissen en de drie inheemse slangen in Nederland zijn er ook nog een dwaalgasten (soorten die hier sporadisch (op eigen kracht) voorkomen) en een aantal exoten die in meer of mindere mate in de Nederlandse natuur leven.
Dwaalgasten zijn zeeschildpadden zoals de soepschildpad en de lederschildpad. De meest bekende exoten zijn moerasschildpadden die klein gekocht werden in de dierenwinkel, maar na een aantal jaren uit werden gezet in het nabijgelegen natuurgebied. Voorbeelden hiervan zijn de geelbuik-, geelwang-, roodwang- en zaagrugschildpadden. Daarnaast zijn er ook nog enkele hagedissen die hier als exoot soms voorkomen. Voor meer exoten (en nog meer informatie over onze inheemse soorten) kijk op RAVON, hét instituut als het aankomt op reptielen (en amfibieën) in Nederland.
Roodwangschildpadden en andere moerasschildpadden zijn veel uitgezet nadat ze ongewenst werden als huisdier
Veelgestelde vragen
Welke reptielen leven er in Nederland?
In Nederland komen 7 verschillende inheemse reptielen voor, 4 hagedissen en 3 slangensoorten. De levendbarende hagedis, zandhagedis, muurhagedis, hazelworm, ringslang, gladde slang en adder. Daarnaast komen er soms dwaalgasten voor (zeeschildpadden) en exoten.
Wat is het verschil tussen reptielen en amfibieën?
Reptielen en amfibieën lijken veel op elkaar, maar er zijn toch een aantal verschillen. Zo kunnen amfibieën ook ademen via de huid en hebben amfibieën een gedaanteverwisseling. Dit is niet het geval bij reptielen. Meer lees je er hierover.
Waar in Nederland leven er reptielen?
De verspreiding van reptielen is verschillend per soort. Veelal komen ze voor op (hogere) zandgronden. Echte habitats zijn structuurrijke heidegebieden en kleinschalige landschappen.
Een van de belangrijkst dieren in het dierenrijk zijn toch wel de bijen. Deze kleine, vliegende insecten zorgen voor een aantal processen in de natuur die ook voor ons, de mens, cruciaal zijn. Helaas gaat het met de bijen wereldwijd niet goed. Tijd dus om uit te zoeken waarom bijen zo belangrijk zijn, waarom het niet goed gaat met deze geel-zwarte insecten en wat we kunnen doen om te zorgen dat het weer beter gaat met de bijen.
In Nederland leven ruim 350 soorten bijen (waarvan helaas meer dan de helft bedreigd is). Deze zijn onderverdeeld in drie groepen: de honingbij (1 soort), de hommels (ongeveer 20 soorten) en de solitaire bijen (ongeveer 330 soorten).
Honingbijen leven in grote volkeren (bestaande uit soms wel 40.000 individuen) en hebben een sterke sociale structuur. Hommels zijn vooral te herkennen aan hun dicht behaarde huid. Ook hommels leven (in de zomer) in volkeren, maar deze zijn veel kleiner dan bij de honingbij. Tot slot zijn er nog de solitaire bijen. Zoals de naam al zegt leven deze bijen alleen en kennen ze niet zo’n dergelijke sociale structuur als honingbijen. Bij solitaire bijen is er ook geen sprake van een koningin.
Net zoals met andere bestuivende insecten zoals zweefvliegen en vlinders, gaat het ook met de bijen niet goed. Meer dan de helft van de ruim 350 bijensoorten in ons land wordt bedreigd. Echter is het niet alleen Nederland waar bijenpopulaties het zwaar hebben. In meerdere delen in de wereld gaan populaties bijen achteruit, vanwege verschillende oorzaken.
Hommels zijn goed herkenbaar aan de dichte beharing op het lijf
Waarom gaat het niet goed met bijen?
Er zijn verschillende redenen waarom bijen het lastig hebben. Allereerst komt dit door de afname van geschikt leefgebied. In Nederland is de ruimte die we hebben beperkt. De bevolking groeit, dus er is steeds meer ruimte nodig om huizen te bouwen. Daarnaast is een groot deel van het landoppervlak in gebruik door de landbouw. Het aandeel natuur is hierdoor de afgelopen decennia afgenomen, waardoor veel diersoorten (waaronder bijen) in aantal sterk zijn afgenomen.
Verder hebben bijen veel last van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op grote schaal. Het is vrij normaal geworden dat groentes en andere landbouwproducten bespoten worden met bestrijdingsmiddelen, wat giftig is voor insecten en veel andere dieren. Residuen van bestrijdingsmiddelen komen in natuurgebieden en wegbermen terecht, daar waar onder andere bijen op zoek zijn naar nectar. De pesticiden hebben onder andere invloed op het zenuwstelsel van bijen en andere insecten.
Een andere bedreiging voor (specifiek) de honingbij is de varroamijt. De varroamijt komt oorspronkelijk voor in Azië, maar heeft zich door toedoen van de mens wereldwijd (met uitzondering van Australië) weten te verspreiden. Deze parasiet heeft een negatief effect op het gewicht van bijen, wat uiteindelijk ervoor zorgt dat de honingbijen minder goed is in navigeren en minder lang leeft. Als enkele bijen geparasiteerd worden is dit geen probleem, maar het kan er ook voor zorgen dat hele volkeren last ervan krijgen. Hierdoor kan een volledig bijenvolk bedreigd worden door de varroamijt.
Tot slot lijken bijen ook nog last te hebben van periodes van slecht weer, welke (soms) het gevolg zijn van klimaatverandering. Lange periodes van regen, koude temperaturen en hevige wind kunnen ervoor zorgen dat bijen niet of nauwelijks kunnen vliegen en daardoor ook niet voldoende voedsel binnen krijgen. Dit kan desastreuze gevolgen hebben voor het voortplantingsproces van bijen.
Bijen zijn om meerdere redenen belangrijk. Allereerst dragen bijen bij aan een rijke biodiversiteit en vervullen ze een belangrijke rol in ecosystemen. Ze vervullen een cruciale rol als bestuivers. Op het moment dat deze weg zouden vallen zouden veel plantensoorten die afhankelijk zijn van bestuiving ook uitsterven, inclusief de dieren die daarvan afhankelijk zijn.
Bijen vormen daarnaast ook een voedselbron voor een aantal dieren. Bijen worden gegeten door vogels zoals de wespendief en de bijeneter. Het bijenwas (wordt onder ander gebruikt als kraamkamer door sommige bijen) wordt gegeten door sommige nachtvlinders zoals de kleine en de grote wasmot. Daarnaast vangen spinnen ook bijen.
De kleurrijke bijeneter eet naast bijen en hommels ook wespen, vlinders, kevers en libellen
Tot slot kunnen bijen gezien worden als indicatorsoort voor de kwaliteit van natuur in een bepaald gebied. Als in een natuurgebied het aantal bijen en het aantal soorten bijen sterk achteruitgaat, dan is dit vaak een teken dat het met de algehele natuur in het gebied niet goed gaat.
Bestuiven
Nog even terug op het bestuiven, de cruciale rol die bijen (en andere insecten zoals zweefvliegen) spelen in een ecosysteem. Bijen eten nectar, dit vinden ze in de bloemen van bloemplanten. Terwijl ze van bloem tot bloem vliegen om voldoende nectar binnen te krijgen, nemen ze (onbewust) stuifmeel mee wat op hun lichaam blijft plakken. Het stuifmeel wordt op deze manier van de ene naar de andere bloem gebracht, waarmee de planten bestoven worden. Door deze symbiose tussen bestuiver en plant kunnen bloemplanten zich voortplanten zonder daadwerkelijk met elkaar in contact te komen.
Ongeveer 85% van alle wilde planten wordt bestoven door wilde bijen en andere insecten, waarbij bijen het grootste deel van deze rol op zich nemen. Zonder deze bestuivers zouden deze planten waarschijnlijk uitsterven, inclusief al het leven dat weer direct of indirect van die planten afhankelijk is.
Ook een aantal bomen en veel van ons groenten en fruit worden bestoven op deze manier. Onder andere appels, beren, bramen, courgette’s en paprika’s worden bestoven door bijen of andere insecten. Maar ook andere producten zoals zonnebloemolie, mosterd en honing kunnen we gebruiken dankzij het werk van bijen. Dit geeft wel aan hoe groot het (economisch) belang is van bijen en andere bestuivers.
Veel van ons dagelijkse voedsel wordt bestoven door bijen
Daarnaast kun je ook inheemse planten aanplanten in je tuin. Kies dan wel voor biologisch gewkeekt omdat deze geen gif bevatten en daardoor niet schadelijk zijn voor bijen en andere insecten. Zowel bij Sprinklr als bij Vivara is een breed assortiment aan biologisch gekweekte planten te vinden.
Maar ook zonder in te zaaien of aan te planten kun je al wat doen om je tuin aantrekkelijker te maken. Door je gazon minder vaak te maaien geef je kruidachtige planten meer kans om in bloei te komen. De soorten kruiden die in je gazon komen, zoals paardenbloem, boterbloem en klaver, zijn uitstekende nectarplanten voor vlinders. Meer over bloemrijke gazons lees je hier.
Bloemrijke gazons zijn een ideaal nectarveld voor bijen (de Natuur van hier)
Gebruik in ieder geval geen bestrijdingsmiddelen in je tuin. Insecten, waaronder bijen kunnen hier slecht tegen. Bloemen komen soms nog wel in bloei, maar kunnen dan alsnog bestrijdingsmiddelen bevatten. Insecten worden gelokt door de bloemen, niet wetende dat er bestrijdingsmiddelen in zitten. De bestrijdingsmiddelen zorgen ervoor dat bijvoorbeeld het zenuwstelsel wordt aangetast, of dat de insecten dood gaan.
Daarnaast zijn er nog veel andere dingen die je kunt doen om je tuin meer geschikt te maken voor bijen en andere insecten. Je kunt bijvoorbeeld nog een bijenhotel (of insectenhotel) ophangen waarin bijen zich kunnen voortplanten of waarin ze kunnen overwinteren. Tot slot kun je je tuin op een nog natuurvriendelijkere manier beheren. In deze blog vind je meer tips hoe je dit aanpakt.
Bijen spelen een cruciale rol in onze natuur. Ze bestuiven bloemen, fruitbomen, en talloze andere planten. Helaas hebben veel bijensoorten het tegenwoordig moeilijk door het verdwijnen van bloemrijke landschappen en het gebruik van pesticiden. Meer dan de helft van de bijensoorten in Nederland is zelfs bedreigd.
Gelukkig kun je als tuinier echt een verschil maken. Door inheemse bijenplanten in je tuin te zetten, help je bijen aan voedsel én ondersteun je de biodiversiteit in de omgeving. Inheemse planten zijn namelijk perfect aangepast aan onze lokale insecten en produceren vaak veel nectar en stuifmeel.
In dit artikel ontdek je 25 van de beste inheemse bijenplanten voor een tuin vol leven. Van vroege bloeiers in het voorjaar tot nectarplanten die bijen tot laat in de herfst van voedsel voorzien. Met deze planten creëer je niet alleen een kleurrijke tuin, maar ook een waardevolle plek voor wilde bijen, hommels en andere bestuivers.
Omslagfoto: Slangenkruid met slangenkruidbij (de Natuur van hier)
Direct een overzicht van de belangrijkste bijenplanten:
Knoopkruid
Slangenkruid
Beemdkroon
Wilde marjolein
Boswilg
🌿 Meer inspiratie voor een natuurtuin? Wil je van je tuin een paradijs maken voor bijen, vlinders en andere diersoorten? In het e-book Meer natuur in je tuin laat Sandra stap voor stap zien hoe je met inheemse planten en andere maatregelen een levende tuin creëert. Met praktische tips, voorbeeldbeplanting en inspiratie voor iedere tuin.
Inheemse planten spelen een cruciale rol in het voortbestaan van wilde bijen. Deze planten zijn van nature in Nederland aanwezig en hebben zich samen met de lokale insecten ontwikkeld. Daardoor sluiten ze perfect op elkaar aan. Wilde bijen weten precies wanneer inheemse planten bloeien, hoe ze bij de nectar en het stuifmeel kunnen komen en welke soorten geschikt zijn voor hun voortplanting.
Veel uitheemse tuinplanten zien er aantrekkelijk uit, maar bieden vaak weinig tot geen voedsel voor bijen. Soms bevatten ze nauwelijks nectar of is de bloem zo gekweekt dat bijen er niet meer bij kunnen. Door juist te kiezen voor inheemse bijenplanten, zorg je voor een betrouwbare voedselbron en help je mee aan het herstellen van de biodiversiteit in je tuin. Zo maak je van je tuin niet alleen een mooie plek, maar ook een waardevolle leefomgeving voor bijen en andere insecten.
Met hun lange tong weten hommels goed bij de zoete nectar te komen (de Natuur van hier)
Waar moet een goede bijenplant aan voldoen?
Niet elke bloeiende plant is automatisch geschikt voor bijen. Een goede bijenplant voldoet aan een aantal belangrijke eigenschappen. Zo is het belangrijk dat de plant rijk is aan nectar en stuifmeel, zodat bijen er voldoende voedsel uit kunnen halen. Denk bijvoorbeeld ana planten zoals blauwe knoop en slangenkruid, die bekend staan om hun hoge nectarwaarde. Daarnaast moet de bloem goed toegankelijk zijn, zodat bijen daadwerkelijk bij de nectar kunnen komen.
Ook de bloeiperiode speelt een grote rol. Door planten te kiezen die verspreid over het seizoen bloeien, van het vroege voorjaar tot in de nazomer, zorg je ervoor dat bijen het hele jaar door voedsel kunnen vinden. Tot slot is het belangrijk om te kiezen voor inheemse, onbespoten planten. Deze zijn niet alleen beter afgestemd op lokale insecten, maar bevatten ook geen schadelijke stoffen die bijen kunnen verzwakken of doden.
De 25 beste inheemse bijenplanten
Hier geven we de 25 beste inheemse bijenplanten. De bloeiperiode van deze planten verschilt van het vroege voorjaar, tot echte zomerbloeiers en nazomerbloeiers. Door een mix van deze planten in je tuin te gebruiken, creëer je een bloemenboog waarvan bijen bijna het hele jaar kunnen profiteren.
Vroege bloeiers (maart – april)
Vroeg in het voorjaar (of beter gezegd; aan het einde van de winter) worden de eerste bijen en hommels op zonnige dagen langzaam wakker uit de winterslaap. Na een lange winterslaap zijn de insecten hongerig en gaan dan meteen op zoek naar stuifmeel en nectar. Er zijn dan echter nog weinig planten, struiken en bomen die dan in bloei staan, dus voldoende voedsel kan dan nog moeilijk te vinden zijn voor bijen en hommels. Met onderstaande soorten zorg je ervoor dat bijen en hommels in jouw tuin voedsel kunnen vinden.
Boswilg (Salix caprea)
Bloeitijd: maart – april
Standplaats: volle zon – halfschaduw
Hoogte: 6-10 meter
Een van de eerste inheemse bomen die na de winter bloeit is de boswilg. Met de productie van nectar en stuifmeel leveren ze in maart en april het broodnodige voedsel voor bijen en hommels die op warme dagen wakker worden en op zoek gaan naar eten. Ook vlinders vliegen graag op de katjes van de wilg.
De boswilg wordt 6 tot 10 meter hoog en staat het liefst op een open plek. Het liefst is de grond waarin de boswilg groeit vochtig, maar iets droger kunnen ze ook verdragen.
Boswilg biedt in het vroege voorjaar de benodigde nectar en stuifmeel voor bijen en hommels (de Natuur van hier)
Sleedoorn (Prunus spinosa)
Bloeitijd: maart-april
Standplaats: volle zon
Hoogte: 2-6 meter
Een van de eerst bloeiende inheemse struikvormers in Nederland is de sleedoorn. In de natuur vindt je deze struik veel in bosranden en in halfopen landschappen, maar sleedoorn is ook uitstekend te gebruiken in tuinen. Plant hem dan aan als solitaire struik, of gebruik deze in een gemengde haag.
De vroege bloemen (die verschijnen op het nog kale hout) bieden al vroeg in maart nectar aan honingbijen, hommels en wilde bijen. Ook veel vlinders – zoals sleedoornpage, gehakkelde aurelia en dagpauwoog – vliegen graag op de bloemen van sleedoorn. Voor sleedoornpage is het zelfs de waardplant. De bloei van sleedoorn loopt door in april en soms zelfs nog in mei.
Sleedoorn staat het liefst op een zonnige plek, maar een plekje in de halfschaduw wordt ook verdragen. De bodem is het beste droog tot matig vochtig. Naast insecten zijn ook vogels erg blij met sleedoorn. Het is een uitstekende broedplek voor zangvogels en de bessen zijn in trek bij lijsters. Op zoek naar nog meer inheemse struiken voor in de tuin? Kijk dan eens in onze blog waar we er 8 uitlichten.
Sleedoorn bloeit al in maart en is daarmee een ideale vroege bloeier. In deze periode worden bijen wakker en hebben ze nog niet veel andere planten of struiken die nectar als voedsel aanbieden (de Natuur van hier)
Gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis)
Bloeitijd: maart – mei
Standplaats: schaduw – halfschaduw
Hoogte: tot 40 centimeter
Ben je op zoek naar een inheemse vaste plant die vroeg bloeit, dan is gevlekt longkruid een geschikte kandidaat. Gevlekt longkruid staat het liefst op een plek in de schaduw of halfschaduw (bijvoorbeeld in een schaduwborder onder onder struiken of bomen) op een vochthoudende bodem.
De plant bloeit van maar tot en met mei. De roze-paarse bloemen bieden daarmee stuifmeel en nectar als de eerste bijen en hommels wakker worden uit de winterslaap en kan daarom een cruciale ecologische rol in je tuin spelen. Voedsel voor bijen en hommels is op dat moment nog schaars.
Gevlekt longkruid is in Zuid-Limburg inheems en in de rest van het land vooral bekend als stinsenplant (gebruikt bij landgoederen, boerenhoven, e.d.). De vaste plant is half wintergroen (bij strenge winters kan de plant bovengronds afsterven) en wordt vaak genegeerd door slakken vanwege het behaarde blad.
Gevlekt longkruid is bij diverse gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt te verkrijgen, waaronder Sprinklr. Op zoek naar andere planten voor in de schaduw? Kijk dan eens in onze blog over inheemse schaduwplanten.
Gevlekt longkruid is een ideale bijenplant voor in de schaduw vanwege de vroege bloei in het jaar
Gulden sleutelbloem (Primula veris)
Bloeitijd: maart – mei
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 30 centimeter
Een andere inheemse vaste plant die vroeg in het jaar bloeit is gulden sleutelbloem. Van nature komt deze plant voor in graslanden waar deze vaak in groten getale bloeit. Bijen en hommels vinden hier dan vroeg in het jaar ook bijzonder veel nectar als voedselbron/
Gulden sleutelbloem is dan ook ideaal om te gebruiken in de tuin. Je kunt de plant in de border gebruiken, maar misschien wel leuker is het om deze plant in een extensief beheerd bloemrijk gazon te gebruiken. Plant dan meerdere sleutelbloemen bij elkaar voor een natuurlijke effect. Gulden sleutelbloem staat het liefst in een ietwat vochtige, kalkhoudende bodem.
Onder andere de gewone sachembij komt af op de nectar in de bloemen van de gulden sleutelbloem. De bloemen verschijnen vaak al in maart en bloeien door tot en met mei en soms tot in juni. De bloemen zijn geel, met oranje vlekjes. Gulden sleutelbloem is te bestellen bij diverse gespecialiseerde winkels, waaronder Sprinklr en Vivara.
Gulden sleutelbloem voelt zich het meeste thuis in een extensief beheerd bloemrijk gazon
Paardenbloem (Taraxacum officinale)
Bloeitijd: maart – mei
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 40 centimeter
Een van de belangrijkste planten in deze lijst is de paardenbloem, die vaak vanzelf al in de tuin verschijnt. Met zijn vroege en rijkelijke bloei is het een van de belangrijkste voedselbronnen voor bijen, hommels, vlinders en andere insecten in het vroege voorjaar. Deze plant is zo belangrijk voor insecten dat uit onderzoek van de WUR blijkt dat maar liefst 107(!) soorten bijen zijn waargenomen op de paardenbloem. Daarmee trekt de paardenbloem de meeste soorten bijen aan. Deze mag dus absoluut niet ontbreken in een bijvriendelijke tuin.
Maar liefst 107 soorten bijen zijn waargenomen op de paardenbloem. Hier zie je het roodgatje, een solitaire bij uit het geslacht zandbijen (de Natuur van hier)
Hoofdzakelijk bloeit de paardenbloem in de periode maart tot en met mei, met de kenmerkende gele bloemen. Echter bij zachte winters kunnen in januari al bloeiende paardenbloemen worden aangetroffen. Wanneer op zonnige winterdagen de eerste bijen en hommels wakker worden, vinden ze vaak in die enkele bloeiende paardenbloem in de tuin het voedsel wat ze nodig hebben.
Heb je een gazon in de tuin, dan verschijnt de paardenbloem vanzelf. Gebruik geen bestrijdingsmiddelen, geen kunstmest en maai niet te vaak. Zo ontstaat er een kruidenrijk gazon met bloeiende paardenbloemen en andere bloeiende soorten. Dit is een van de belangrijkste dingen die je kunt doen voor bijen en hommels in je tuin.
In onze natuurtuin maaien we ons gazon maar een aantal keren per jaar en gebruiken we geen bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Zo onstaat er een kruidenrijk gazon wat vol zit met bijen, hommels en andere insecten (De Natuur van hier)
Voorjaarsbloeiers (april – mei)
Vanaf april stijgen over het algemeen de temperaturen en barst het voorjaar echt los. In deze periode bloeien veel planten en hebben bijen een grote keuze qua voedselaanbod. Met onderstaande planten zorg je ervoor dat ook in jouw tuin stuifmeel en nectar in overvloed beschikbaar is voor hongerige bijen en hommels.
Kruipend zenegroen (Ajuga reptans)
Bloeitijd: april – juni
Standplaats: halfschaduw – schaduw
Hoogte: tot 15 centimeter
Een ideale inheemse bodembedekker om bijen aan te trekken is kruipend zenegroen. Deze laagblijvende plant groeit het liefst op een vochthoudende grond op een plekje in de halfschaduw of schaduw, maar zelfs een plek in de zon verdraagt de plant goed. De plant breidt zich gemakkelijk uit met lange uitlopers waardoor er al gauw een tapijtje ontstaat.
Zenegroen bloeit rijkelijk van april tot en met juni, met opvallende rechtopstaande blauwpaarse bloemen, die in trek zijn bij bijen en hommels. Door de rijkelijke bloei levert de plant veel nectar en is daarom belangrijk voor bijen. Onder andere de blauwe metselbij en slakkenhuisbijen komen op de bloemen van kruipend zenegroen af.
Kruipend zenegroen is, biologisch gekweekt, verkrijgbaar bij diverse gespecialiseerde winkels, zoals Sprinklr en Vivara.
Kruipend zenegroen is een uitstekende inheemse bodembedekker die veel bijen aantrekt
Witte dovennetel (Lamium album)
Bloeitijd: april – oktober
Standplaats: halfschaduw
Hoogte: tot 60 centimeter
Een plant die minder gebruikt wordt als tuinplant, maar toch een echte bijenplant is, is witte dovenetel. Witte dovenetel bloeit vaak al in april en gaat door met bloeien tot ver in oktober met de typische roomwitte, lipvormige bloemen. De plant levert veel nectar en is daarom ontzettend belangrijk voor hommels en bijen.
Witte dovenetel staat het liefst op een plek in de halfschaduw, op een vochthoudende bodem. Een plekje aan de voet van een inheemse haag zou bijvoorbeeld perfect zijn. Ze breiden zich gemakkelijk uit via ondergrondse uitlopers, waardoor je er gauw een hele hoek mee in je tuin bedekt hebt. De combinatie van witte dovenetel met een inheemse haag is een garantie voor meer biodiversiteit in je tuin.
De bloemen van witte dovenetel bieden veel nectar, waardoor ze in trek zijn bij hommels en bijen
Pinksterbloem (Cardamine pratensis)
Bloeitijd: april – juni
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 40 centimeter
Als voorjaarbloeier past pinksterbloem ook perfect in een tuin waar voedsel voor bijen te vinden is. Van nature komt pinksterbloem voor in vochtige graslanden en bloeit daar vaak in grote aantallen. Je kunt deze plant dan ook prima toepassen in een extensief bloemrijk gazon, of vooraan in de border.
Van april tot en met juni bloeit pinksterbloem met lichtpaarse bloemen, die een goede nectarbron vormen voor bijen, hommels, zweefvliegen, kevers en vlinders. Daarnaast is het de waardplant van het oranjetipje.
Pinksterbloem is biologisch gekweekt te verkrijgen bij diverse gespecialiseerde winkels, zoals Sprinklr en Vivara.
Naast bijen bezoeken ook zweefvliegen en vlinders de bloemen van pinksterbloem. Verder is het ook de waardplant van het oranjetipje (de Natuur van hier)
Dagkoekoeksbloem (Silene dioica)
Bloeitijd: april – okbtober
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte tot 90 centimeter
De dagkoekoeksbloem is een prachtige vaste plant om te gebruiken in een border in de halfzon of volle zon. Het liefst staat de plant op een wat vochtige plek.
De roze bloemen verschijnen vaak al in april aan de plant en blijven aanwezig tot ver in het najaar. Door de lange bloei is het een uitstekende nectarplant voor bijen en hommels, zoals de rosse metselbij en de akkerhommel. Maar ook zweefvliegen en vlinders komen op de bloemen af. Het is daarnaast een waardplant voor een aantal nachtvlinders.
Als dagkoekoeksbloem op de juiste plek staat, breidt deze zich gemakkelijk uit in de tuin door verspreiding van zaden. Dagkoekoeksbloem is bij diverse gespecialiseerde winkels te verkrijgen, waaronder Sprinklr en Vivara.
Door de lange bloei is dagkoekoeksbloem een uitstekende bijenplant om in de border te gebruiken
Fluitenkruid (Anthriscus sylvestris)
Bloeitijd: mei – juni
Standplaats: zon – halfozn
Hoogte: tot 150 centimeter
Een lentebloeier die wat hoger wordt is fluitenkruid. Fluitenkruid kan tot 150 centimeter hoog worden en bloeit rijkelijk met witte samengestelde schermen, die enorm in trek zijn bij insecten.
In mei en juni verschijnen de witte schermbloemen aan de plant. De uitbundige bloei biedt een overvloed aan nectar en stuifmeel en zit dan ook vaak vol met wilde bijen, zweefvliegen, kevers en vlinders. Voor de fluitenkruidbij is er zelfs bijna volledig afhankelijke van. Deze bij verzamelt het stuifmeel enkel op schermbloemigen en in Nederland hoofdzakelijk op de bloemen van het fluitenkruid.
Fluitenkruid staat het liefst op een plek in de zon of halfzon en houdt van een ietwat vochtige bodem. In het landschap zie je de vaste plant vaak in wegbermen en langs sloten.
De rijkelijke bloei van fluitenkruid trekt veel insecten aan, waaronder wilde bijen, zweefvliegen en vlinders
Zomerbloeiers (mei – juli)
In de zomer zijn bijen en tal van andere insecten enorm actief en wordt er met volle kracht nectar en stuifmeel verzameld. Het is dus belangrijk om ervoor te zorgen dat er ook in deze periode een aantal planten in de tuin in bloei staan.
Gewone margriet (Leucanthemum vulgare)
Bloeitijd: mei – augustus
Standplaats: zon
Hoogte: tot 60 centimeter
Een echte Nederlandse plant die in trek is bij bijen, is gewone margriet. Deze vaste plant is niet weg te denken uit het Nederlandse landschap en komt voor in hooilanden, bermen en op dijken. Ook in een natuurlijke tuin is gewone margriet goed te gebruiken en trekt daar tal van insecten aan.
Bijen, waaronder groefbijen en maskerbijen, hommels, zweefvliegen, vlinders en kevers komen allemaal af op de bloemen die gevuld zijn met nectar en stuifmeel.
Gewone margriet wordt 30 tot 60 centimeter hoog en bloeit van mei tot en met augustus met witte lintbloemen en gele buisbloemen. Ze staat het liefst op een open plek in de volle zon, op een droge tot vochtige plek. Gewone margriet is bij verschillende gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt te bestellen, waaronder Sprinklr en Vivara.
Naast bijen zijn zweefvliegen, zoals deze puntbijvlieg, ook graag geziene gasten op de bloemen van gewone margriet
Gewone rolklaver (Lotus corniculatus)
Bloeitijd: mei – oktober
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 25 centimeter
Gewone rolklaver is een uitstekende laagblijvende, inheemse plant die enorm veel bijen aantrekt. Deze bodembedekker bloeit van mei tot en met oktober met kleine gele bloemetjes.
De bloemen bevatten veel nectar en stuifmeel en zijn daardoor enorm in trek bij bijen en hommels zoals de boommetselbij en steenhommel. De kleine en grote harsbij hebben zelfs een duidelijke voorkeur om in de bloemen van gewone rolklaver de nectar te verzamelen.
Ook vlinders zijn dol op gewone rolklaver. Naast dat ze de bloemen graag bezoeken voor nectar en stuifmeel, is het ook de waardplant van de dagvlinders het icarusblauwtje en het groentje en de waardplant van de dagactieve nachtvlinder de sint jansvlinder.
Gewone rolklaver staat het liefst op een plekje in de zon of halfzon, met een droge tot vochtige bodem. Ze hebben een voorkeur voor een licht kalkhoudende bodem, maar dit is geen vereiste. Rolklaver kan uitsteken toegepast worden in een bloemrijk gazon dat niet bemest en extensief gemaaid wordt. Daarnaast kun je deze ook prima als bodembedekker in een border gebruiken.
Gewone rolklaver bloeit lang en rijkelijk en levert daarmee veel voedsel voor bijen
Grote kattenstaart (Lythrum sallicaria)
Bloeitijd: juni – augustus
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 100 centimeter
Een andere prachtige zomerbloeier is grote kattenstaart. Deze vaste plant staat het liefst op een vochtige tot natte plek en kan daardoor ideaal als oeverplant bij een vijver worden gebruikt (hier vind je nog veel meer vijverplantentips).
Van juni tot en met augustus bloeit grote kattenstaart rijkelijk met roze bloemaren die in trek zijn bij insecten. Onder andere de kattenstaartdikpoot en steenhommel komen er op af. Daarnaast is het de waardplant van de dagvlinder het boomblauwtje.
Het liefst staat grote kattenstaart dus op een vochtige plek, in de zon of halfzon. Kattenstaart is bij diverse gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt te verkrijgen, waaronder Sprinklr en Vivara.
Grote kattenstaart bloeit met prachtige roze bloemaren die veel insecten aantrekken in de zomer
Knoopkruid (Centaurea jacea)
Bloeitijd: juni – september
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 100 centimeter
Knoopkruid geldt als een van de belangrijkste inheemse bijenplanten. Het is een typische plant van kruidenrijke graslanden, maar doordat we deze steeds minder hebben in Nederland is knoopkruid ook minder algemeen geworden.
Van juni tot en met september verschijnen er prachtige paars-roze bloemen op dunne stengels aan de plant die een grote hoeveelheid nectar produceren. Door de hoge nectarproductie worden de bloemen van knoopkruid druk bezocht door wilde bijen, hommels en vlinders. Onder andere de pluimvoetbij, tronkenbijen, zandbijen en behangersbijen kunnen op knoopkruid waargenomen worden. Daarnaast is het de waardplant van de in Nederland ernstig bedreigde veldparelmoervlinder.
De hoogte van knoopkruid verschilt van 30 tot 100 centimeter en is afhankelijk van de groeiplek. Het liefst staat de vaste plant op een zonnige tot halfzonnige plek in een droge tot licht vochtige bodem. Gebruik knoopkruid in een border of pas deze toe in een extensief bloemrijk gazon of kruidenrijk grasland.
Knoopkruid is bij diverse gespecialiseerde winkels te krijgen, biologisch gekweekt, onder andere bij Sprinklr en bij Vivara.
Knoopkruid is een van de belangrijkste inheemse bijenplanten en wordt door veel verschillende soorten wilde bijen bezocht
Slangenkruid (Echium vulgare)
Bloeitijd: juni – september
Standplaats: volle zon
Hoogte: 30 – 90 centimeter
Slangenkruid wordt vaak gezien als één van de beste bijenplanten van Europa. De felblauwe bloemen produceren grote hoeveelheden nectar en worden intensief bezocht door honingbijen, hommels en talloze soorten wilde bijen. Op zonnige dagen kun je deze plant letterlijk horen zoemen van de insecten.
Deze tweejarige plant groeit van nature op droge, zonnige plekken zoals dijken, bermen en zandige graslanden. Langs de oevers van de Grensmaas zien we deze soort ook regelmatig. Tijdens een van onze bezoeken zagen we hier zelfs de bijzondere slangenkruidbij nectar verzamelen uit de bloemen van deze plant.
In de tuin doet slangenkruid het daarom het beste op een arme, goed doorlatende bodem en een plek in de volle zon. De plant zaait zich vaak spontaan uit, waardoor je elk jaar opnieuw van bloemen kunt genieten.
Naast bijen trekt slangenkruid ook vlinders en andere bestuivers aan. Door zijn lange bloeitijd is het een waardevolle nectarbron in de zomer. Slangenkruid is bij diverse gespecialiseerde kwekers, zoals Sprinklr, biologisch gekweekt te bestellen.
Slangenkruid is een uitstekende drachtplant voor bijen, hommels en zweeefvliegen en trekt onder andere honingbijen, metselbijen en de speciale slangenkruidbij aan. Op de foto zie je een exemplaar van Slangenkruid langs de Grensmaas, die bezocht wordt door een slangenkruidbij (de Natuur van hier)
Muskuskaasjeskruid (Malva moschata)
Bloeitijd: juli – september
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 70 centimeter
Een prachtige zomerbloeier om bijen mee naar je tuin te lokken is muskuskaasjeskruid. Muskuskaaasjeskruid bloeit van juli tot september met prachtige lichtroze bloemen die enorm in trek zijn bij bijen en andere insecten.
Doordat de bloemen vrij open staan en schotelvormig zijn, kunnen bijen goed bij de nectar en het stuifmeel. Dit in combinatie met de lange bloei zorgt ervoor dat de bloemen druk bezocht worden, door onder andere de kleine klokjesbij. Het is daarnaast ook de waardplant van de zeer zeldzame malvabij en de vlinders het kaasjeskruiddikkopje en de distelvlinder.
Muskuskaasjeskruid staat het liefst op een zonnige tot halfzonnige plek in een vochtige bodem. De plant kan ook prima toegepast worden in een bloemenweide. Muskuskaasjeskruid is bij diverse gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt te verkrijgen, waaronder Sprinklr.
De open bloemen van muskuskaasjeskruid zijn enorm in trek bij bijen en andere insecten (Saxifraga-Hans Grotenhuis)
Hoogzomer (juni – augustus)
In de maanden juni, juli en augustus is het hoogzomer en bevat een dag veel zonuren. Veel tijd voor bijen en andere insecten dus om op zoek te gaan naar voedsel. Onderstaande planten bloeien in deze periode rijkelijk, waardoor ze druk bezocht worden door bijen in deze periode.
Wilde marjolein (Origanum vulgare)
Bloeitijd: juli – september
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 60 centimeter
In een tuin voor bijen mag wilde marjolein eigenlijk niet ontbreken. Deze prachtige vaste plant wordt tot 60 centimeter hoog en is een ware insectenmagnaat. Ze bloeit met roze tot purpere bloemen in de periode juli – september. Daarnaast verspreiden de bladeren een heerlijke geur als je erover wrijft en kunnen ze gebruikt worden in de keuken. Wij hebben deze alleskunner dan ook dichtbij de achterdeur staan, zodat we er altijd van kunnen genieten.
De vele bloemen van wilde marjolein produceren nectar met een hoog suikergehalte, tot wel 76%. Hierdoor valt het enorm in de smaak bij bijen, hommels, zweefvliegen en vlinders. Soorten die je er onder ander op kunt vinden zijn honingbijen, metselbijen, zandbijen en wespbijen. Maar ook hommels zoals de late hommel en koekoekshommel doen zich te goed aan de suikerrijke nectar.
Zet wilde marjolein op een plekje in de zon of halfzon. Ze staat het liefst op een droge tot vochtige plek en heeft een voorkeur voor een kalkhoudende bodem. Wilde marjolein is bij diverse gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt te verkrijgen, waaronder Sprinklr en Vivara.
De multifunctionele wilde marjolein mag eigenlijk niet ontbreken in een bij-vriendelijke tuin
Beemdkroon (Knautia arvensis)
Bloeitijd: juni – oktober
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 70 centimeter
Beemdkroon is ook een typische vaste plant om meer biodiversiteit mee in je tuin te krijgen. De plant kon je vroeger veel in het landschap vinden op dijken en in bermen, maar is tegenwoordig sterk achteruitgegaan.
Van juni tot en met oktober bloeit beemdkroon met prachtige lilakleurige bloemen. Deze trekken veel insecten aan: bijen, hommels, zweefvliegen en vlinders komen allen graag eten van de nectar. Doordat de plant lang bloeit, een hoge nectarproductie heeft en de nectar gemakkelijk bereikbaar is komen er veel insecten op af. Onder andere de breedbandgroefbij en de zeldzame knautiabij kunnen op beemdkroon gevonden worden. Deze laatste bij is er zelfs afhankelijk van.
Na de bloei vormt beemdkroon zaad, dat overigens graag wordt gegeten door vogels zoals distelvinken. Met het zaad dat niet wordt opgegeten zaait de plant zich gemakkelijk uit in de tuin. Het liefst staat beemdkroon op een zonnige tot halfzonnige plek, in een vochtige tot matige droge bodem. Kalk in de bodem houden ze van, maar dit is geen vereiste. Beemdkroon is bij diverse gespecialiseerde winkels te verkrijgen, waaronder Sprinklr en Vivara.
Beemdkroon bloeit lang en biedt enorm veel nectar, ideaal voor bijen dus
Wilde peen (Daucus carota)
Bloeitijd: juni – november
Standplaats: zon
Hoogte: tot 90 centimeter
Een andere lange bloeier is wilde peen. Deze plant bloeit met opvallende witte schermbloemen in de periode juni tot en met november. De lange bloeitijd zorgt ervoor dat bijen en hommels er veel voedsel kunnen vinden. Onder andere de tuinmaskerbij en zilveren zandbij vliegen op de bloemen van wilde peen. Daarnaast is het de waardplant van de kleurrijke dagvlinder de koninginnepage.
Ook na de bloei heeft de wilde peen nog sierwaarde in de tuin. De schermen buigen samen en vormen een soort bolletje, dat soms ook wel wordt vergeleken met een vogelnestje. De zaden die dan nog volop aanwezig zijn in de uitgebloeide schermbloemen trekken veel vogels aan, met name vinkachtigen.
Wilde peen staat het liefst op een zonnige plek in een droge tot matig vochtige bodem. Peen zaait zich gemakkelijk uit, dus in een mum van tijd geniet je van een zee van witte schermbloemen in je tuin.
De witte schermbloemen van wilde peen zijn een groot deel van het jaar een welkome voedselbron voor bijen en hommels
Wilde cichorei (Cichorium intybus)
Bloeitijd: juli – oktober
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 140 centimeter
Een soort die het vooral op kleigrond goed doet is wilde cichorei. Hoewel de cichorei van oorsprong niet van nature voorkomt in Nederland, wordt deze wel als inheems gezien. Het is een zogenaamde acrheofyt: een plant die voor 1492 is ingevoerd en daarom al eeuwen hier voorkomt in de natuur. De wilde cichorei is namelijk door de Romeinen meegenomen naar ons land.
Wilde cichorei bloeit met prachtige helderblauwe bloemen in de periode juli tot en met oktober. De bloemen zijn ’s ochtends op hun mooist en verwelken gedurende de middag. De dag erna verschijnen weer nieuwe, frisse bloemen. In de ochtend is deze plant dan ook vooral interessant voor insecten zoals bijen en hommels. In deze uren wordt de meeste nectar en stuifmeel geproduceerd. Onder andere de tronkenbij en pluimvoetbij kunnen dan op de bloemen gevonden worden. Naast bijen en hommels zijn ook zweefvliegen en vlinders regelmatig te zien op de bloemen.
Wilde cichorei staat dus het liefst op een (kalkhoudende) klei- of leemgrond. Een plekje in de zon of halfzon wordt geprefereerd, op een droge tot vochtige standplaats. Cichorei is bij diverse gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt te verkrijgen, waaronder Sprinklr en Vivara.
Van juli tot oktober biedt wilde cichorei een overvloed aan nectar voor bijen en andere bestuivers (de Natuur van hier)
Nazomer (augustus – oktober)
Ook als de zomer is afgelopen is er bij bijen en hommels nog behoefte aan nectar. Voordat de winter begint kunnen ze nog een energieboost gebruiken, die ze vinden in de bloemen van najaarsbloeiers. Zorg er dus altijd voor dat je een aantal van onderstaande najaarsbloeiers in je tuin hebt staan, zodat je ook het volgende jaar weer kunt genieten van bijen en hommels in je tuin.
Blauwe knoop (Succisa pratensis)
Bloeitijd: juli – september
Standplaats: zon
Hoogte: tot 80 centimeter
Blauwe knoop is een prachtige inheemse plant die vooral voorkomt in schrale graslanden. De lila-blauwe bloemen bloeien van juli tot september en trekken veel insecten aan, waaronder diverse bijen en vlinders. Door de relatief late bloei is blauwe knoop een waardevolle nectarbron in de nazomer, wanneer het voedselaanbod voor insecten afneemt.
De plant groeit het beste op een zonnige plek met een voedselarme, licht vochtige bodem. In een tuin komt blauwe knoop het meest tot zijn recht in een natuurlijke, bloemrijke border. Blauwe knoop is bij diverse gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt te verkrijgen, waaronder Sprinklr.
De prachtige lila-kleurige bloemen van blauwe knoop bloeien in de nazomer (Saxifraga – Hans Dekker)
Echte guldenroede (Solidago virgaurea)
Bloeitijd: juli – september
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 100 centimeter
Echte guldenroede bloeit in de nazomer met opvallend gele bloempluimen. Deze plant trekt veel insecten aam en vormt een belangrijke nectarbron voor bijen en vlinders in augustus en september.
Het liefst staat echte guldenroede op een plekje in de zon, in een droge tot matig vochtige bodem. Let er wel op dat je kiest voor de inheemse soort, aangezien sommige uitheemse soorten guldenroedes sterk kunnen woekeren en de biodiversiteit juist verminderen. Echte guldenroede is onder andere bij Vivara biologisch gekweekt te verkrijgen.
Echte guldenroede bloeit prachtig met gele bloempluimen (Saxifrage – Hans Grotenhuis)
Watermunt (Mentha aquatica)
Bloeitijd: juli – september
Standplaats: zon – halfschaduw
Hoogte: tot 80 centimeter
Watermunt is een sterke oeverplant die groeit op vochtige tot natte plekken, zoals langs vijvers en slootkanten. De lichtpaarse bloemen verschijnen in de zomer en trekken veel bijen, hommels en andere insecten aan.
Watermunt verspreidt een frisse muntgeur en kan zich gemakkelijk uitbreiden, waardoor hij geschikt is voor een natuurlijke tuin waar hij wat ruimte krijgt. Door zijn rijke bloei is het een waardevolle nectarplant, vooral in combinatie met andere oever- en moerasplanten.
De bloemen van watermunt trekken veel insecten aan (Saxifraga – Hans Dekker)
Struikhei (Calluna vulgaris)
Bloeitijd: juli – november
Standplaats: zon – halfzon
Hoogte: tot 100 centimeter
Struikhei is een typische plant van heidegebieden en zandgronden en bloeit van juli tot in november. De paarsroze bloemen vormen een belangrijke nectarbron voor bijen en andere insecten in een periode waarin veel planten al zijn uitgebloeid. Daarnaast is het de waardplant voor de dagvlinders het groentje, het boomblauwtje en het heideblauwtje en voor tal van nachtvlinders.
Het beste groeit struikhei op voedselarme, droge en zure grond en is daardoor vooral geschikt voor tuinen op zandgrond. De plant vormt dichte matten en kan goed gecombineerd worden met andere heideplanten of lage grassen. Voor wilde bijen is struikhei van groot belang in de late zomer.
Struikhei vormt een belangrijke voedselbron voor wilde bijen in de nazomer
Klimop (Hedera helix)
Bloeitijd: september – oktober
Standplaats: zon – schaduw
Hoogte: tot 8 meter
Klimop is een van de meest waardevolle planten voor insecten in de herfst. De onopvallende groenige bloemen verschijnen pas in september en oktober, maar zitten dan vaak vol met bijen en zweefvliegen. In deze periode is er nog maar weinig voedsel beschikbaar, waardoor klimop een cruciale rol speelt.
Daarnaast biedt klimop ook beschutting en nestgelegenheid voor allerlei dieren. Als klimplant tegen een schutting of hekwerk biedt klimop een uitstekende schuil- en nestplek voor allerlei zangvogels. Naast als klimplant, kun je klimop ook prima als bodembedekker toevoegen.
Klimop groeit zowel in de schaduw als in de zon. In de zon staat zal deze echter eerder én uitbundiger bloeien. Door klimop in je tuin toe te voegen verleng je het seizoen voor bestuivers aanzienlijk. Het is misschien wel de belangrijkste plant voor bijen in de herfst. Klimop is bij diverse gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt te verkrijgen, waaronder Sprinklr.
De geelgroene bloemen van klimop zijn een enorm belangrijke voedselbron voor bijen in het najaar
Hoe maak je een bijvriendelijke tuin?
Wil je jouw tuin echt aantrekkelijker maken voor bijen, dan is variatie de sleutel. Zorg voor een combinatie van vroege, zomerse en late bloeiers, zodat er van het vroege voorjaar tot in het najaar nectar en stuifmeel beschikbaar is.
Kies daarnaast voor zoveel mogelijk inheemse soorten en vermijd het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Door verschillende plantensoorten te combineren en de tuin iets minder strak te onderhouden, ontstaat vanzelf een leefomgeving waarin bijen zich thuis voelen.
Laat tot slot ook nog een stukje van je tuin met rust, zodat hier een rommelhoekje ontstaat. Hier groeien vaak vanzelf planten waar bijen op af komen. Daarnaast hebben ze hier een rustplek waar ze niet gestoord worden.
Extra tips om bijen te helpen
Met de volgende tips zorg je ervoor dat je tuin écht een paradijs wordt voor bijen en andere insecten. Dus kijk naast inheemse planten ook of je onderstaande punten goed in je tuin verwerkt hebt.
Zorg voor nestplekken
Wilde bijen hebben naast voedsel ook een plek nodig waar ze kunnen nestelen en overwinteren. Maar dit doen ze niet allemaal op dezelfde manier. Zorg er dus voor dat je verschillende plekken aanbiedt waar bijen een nest kunnen maken en waar ze kunnen overwinteren.
Zorg allereerst voor een zandige plek. Sommige bijen graven een gang in de grond om daarin te kruipen. Zorg dus voor een heuvel van zand of maak een stapelmuurtje waarbij je zand gebruikt. Andere bijen overwinteren in holle stengels van uitgebloeide planten. Zijn je planten dus in het najaar uitgebloeid, wacht dan met de stengels afknippen. Laat deze staan tot in het voorjaar, zodat bijen en andere insecten deze tijdens de winter kunnen gebruiken. Tot slot zijn er ook soorten die gebruik maken van insecten- en bijenhotels. Hang dus één of meerdere van deze hotels op, op een beschutte en rustige plek in de tuin.
Uitgebloeide planten (stengels) bieden geschikte overwinteringsplekken voor bijen en andere insecten
Kies voor biologische planten
Veel reguliere tuinplanten uit tuincentra bevatten bestrijdingsmiddelen (vaak meerdere soorten op één plant!) die schadelijk zijn voor insecten. Bijen en andere insecten die op de bloemen afkomen van deze planten krijgen vaak last van het zenuwstelsel en gaan soms zelfs dood ervan. Het is dan ook een van de belangrijkste redenen waarom het zo slecht gaat met bijen: het grootschalige gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Wil je dus iets goeds doen voor bijen en andere insecten, koop dan uitsluitend biologisch gekweekte plantend. Deze zijn vrij van pesticiden waardoor ze geen ecologische val vormen voor insecten. Via Sprinklr en Vivara is een breed scala aan biologische (en vaak inheemse) planten te verkrijgen.
Veelgemaakte fouten bij een bijvriendelijke tuin
Een veelgemaakte fout is dat er vooral wordt gekeken naar planten die er mooi uitzien, in plaats van naar de ecologische waarde. Exotische tuinplanten kunnen soms nectar aanbieden, maar zijn vaak ongeschikt als waardplant voor wilde bijen. Daarnaast verliezen sommige gecultiveerde soorten een belangrijk deel van de nectarproductie. Ze zien er dan wel mooi uit, maar hebben insecten vrijwel niets te bieden.
Ook zien we vaak dat tuinen te netjes worden onderhouden. Door alles strak te snoeien en uitgebloeide planten direct te verwijderen, verdwijnen belangrijke voedselbronnen en schuilplekken voor insecten.
Wil je meer inspiratie en praktische tips om van jouw tuin een natuurlijke, levendige plek te maken?
In het e-book van Sandra ga je met de vijf belangrijkste pijlers in een tuin aan de slag en maak je stap voor stap een tuin die bruist van het leven.
Met onderstaande bloeikalender zorg je ervoor dat er van het vroege voorjaar tot in het najaar altijd bloeiende planten in je tuin aanwezig zijn.
Maand
Inheemse bijenplanten
Februari
Boswilg
Maart
Boswilg, sleedoorn
April
Gevlekt longkruid, pinksterbloem
Mei
Fluitenkruid, gewone rolklaver
Juni
Knoopkruid, slangenkruid, beemdkroon
Juli
Wilde marjolein, grote kattenstaart
Augustus
Blauwe knoop, watermunt
September
Echte guldenroede, klimop
Oktober
Struikhei, klimop
November
Struikhei
Door planten te combineren die op verschillende momenten bloeien, zorg je voor een continue voedselbron voor bijen en andere insecten.
Conclusie: met deze planten help je bijen echt
Door je tuin in te richten voor bijen, kun je wilde bijen écht helpen. Begin met het aanplanten van inheemse en biologische gekweekte bloeiende planten. Ook als je al met 3 tot 5 soorten begint help je bijen al. Ook kleine tuinen kunnen van waarde zijn voor bijen.
Veel van deze inheemse planten die we genoemd hebben in deze blog komen we tegen tijdens onze natuurwandelingen in Nederland en België, waar we zien hoeveel bijen en andere insecten ervan profiteren. Hiermee kun je dus echt een verschil maken.
Gebruik verder geen bestrijdingsmiddelen, richt een aantal rommelhoekjes in en zorg voor nestgelegenheid en overwinteringsplekjes. Zo ontstaat er vanzelf een echte bijentuin.
Veelgestelde vragen over bijenplanten
Onderstaand de meest gestelde vragen over bijenplanten
Welke planten zijn het beste voor bijen?
De beste planten voor bijen zijn inheemse soorten die rijk zijn aan nectar en stuifmeel, zoals knoopkruid, slangenkruid, beemdkroon en boswilg.
Wanneer bloeien bijenplanten?
Bijenplanten bloeien verspreid over het jaar. Vroege bloeiers zoals wilg en sleedoorn zijn belangrijk in het voorjaar, terwijl klimop juist in het najaar een cruciale voedselbron vormt.
Zijn alle bloeiende planten goed voor bijen?
Nee, zeker niet. Veel sierplanten zijn doorgekweekt en bevatten weinig nectar of stuifmeel. Inheemse planten zijn meestal veel waardevoller voor bijen.
Hoe maak ik mijn tuin aantrekkelijk voor bijen?
Door te kiezen voor inheemse planten, te zorgen voor bloei van voorjaar tot najaar en de tuin minder strak te onderhouden. Ook water en schuilplekken zijn belangrijk.
Wat is het verschil tussen nectarplanten en waardplanten?
Nectarplanten leveren voedsel voor volwassen insecten. Waardplanten zijn nodig voor de voortplanting, omdat insecten hier hun eitjes op leggen en larven van eten.
Tot slot
Ben je nog op zoek naar andere planten om je tuin mee in te richten? Kijk dan eens bij onze andere blogs voor: schaduwplanten, bodembedekkers, vijverplanten of planten voor vlinders. Ga vandaag aan de slag met inheemse planten en begin klein, zo groeit je tuin langzaam uit tot een biodiversiteitsparadijs!
Twijfel je nog welke planten het beste passen bij jouw situatie? In onze uitgebreide gids over inheemse beplanting leggen we stap voor stap uit waar je op moet letten en hoe je zelf een natuurlijke tuin opbouwt.
Wil je meer tips voor inspiratie over inheemse planten of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!
Zelf aan de slag met een natuurlijke tuin?
In het e-book Meer natuur in je tuin deelt Sandra praktische tips en inspiratie om van je tuin een levendige plek te maken voor bijen, vlinders en vogels.
Planten kiezen voor dat plekje in de volle zon in je tuin kan soms best lastig zijn. Niet alle tuinplanten kunnen de intensiteit van de zon en de droge omstandigheden verdragen. Gelukkig is er een ruime keuze aan inheemse planten die een plekje in de volle zon prefereren. Door te kiezen voor de juiste inheemse planten zorg je ervoor dat je planten niet staan weg te kwijnen én lever je een belangrijke bijdrage aan de lokale biodiversiteit. Een win-win situatie dus.
Een inheemse plant op de juiste plek zal rijkelijk bloeien. Hier staat wilde marjolein volop in bloei. Een ware magneet voor insecten (Saxifraga-Jan van der Straaten)
Op stukken in je tuin die in de volle zon liggen kunnen de omstandigheden behoorlijk extreem worden. Door klimaatveranderingen worden de weersomstandigheden steeds extremer. Dit betekent dat planten in de volle zon tegen hogere temperaturen bestand moeten zijn en langere periodes van droogte moeten overbruggen. Met onderstaande tips kun je ervoor zorgen dat je planten deze omstandigheden beter aan kunnen.
Zorg ervoor dat de grond tussen de planten afgedekt is. Een kale grond droogt sneller uit dan grond die afgedekt is, waardoor planten sneller dorst krijgen. Om de grond af te dekken kun je boomschors gebruiken, of een mulchlaag van plantenresten.
Heb je dit gedaan, maar droogt de grond dan nog steeds heel snel uit? Dan kun je er nog voor kiezen om een druppelslang aan te leggen. Dit maakt het water geven een stuk gemakkelijker. Een druppelslang geeft het water gelijkmatig af. In combinatie met een afdeklaag van boomschors of plantenresten zorgt ervoor dat het water niet onmiddellijk verdampt en de planten de kans krijgen het vocht op te nemen. De afdeklaag zorgt er tevens meteen voor dat de druppelslang niet zichtbaar is (en dat je geen of minder onkruid hoeft te plukken).
Hebben je planten het hele jaar gebloeid en is er in het najaar niet meer over dan een aantal uitgebloeide stengels? Laat deze dan staan tot in het voorjaar. Al lijken het maar een paar uitgebloeide stengels, deze zijn zeer belangrijk voor de overwintering van dieren. Insecten overwinteren in uitbloeide stengels en kleine dieren vinden schuilplaatsen tussen de planten. Op onderstaande afbeelding zie je zo’n uitgebloeid stukje kruiden. Deze heeft de hele winter als schuilplek gediend voor een haas. Als je goed kijkt zie je de oren van de haas (omcirkeld). Maar ook vogels zoals de roodborst en winterkoning vinden er in de schrale wintermaanden voedsel in. Voortaan de uitgebloeide kruiden laten staan dus!
Uitgebloeide kruiden bieden uitstekende schuilplaatsen en voedselplekken voor kleine zoogdieren en vogels. Als je goed kijkt zie je dat een haas dit stuk gebruikt als rustplek (De Natuur van hier)
Beemdkroon (Knautia arvensis)
De eerste plant voor in de volle zon die we bespreken is beemdkroon. Deze vaste plant wordt tot 60 centimeter hoog en bloeit met prachtige lilakleurige bloemen.
De bloei start in juni en loopt door tot in de herfst, vaak tot in oktober. Beemdkroon kan ook goed worden toegepast in bloemenrijke gazons en bloemenweiden.
Beemdkroon (Saxifraga-Ed Stikvoort)
Beemdkroon wordt druk bezocht door van allerlei insecten zoals dagvlinders, bijen en hommels. De knautiabij, welke op de rode lijst staat, is zelfs afhankelijk van beemdkroon. De sterke afname van beemdkroon in Nederland zorgt er dan ook voor dat de bij op de rode lijst staat.
Een andere vaste plant die een plekje in de volle zon goed verdraagt is duizendblad. Duizendblad wordt tot 50 centimeter hoog en heeft uitbundige witte, roze, of soms rode schermbloemen. De bloei start in juni en loopt door tot in november.
Duizendblad kan ook prima op groendaken en in bloemrijke gazons en bloemenweiden toegepast worden.
Duizendblad
Net zoals beemdkroon is duizendblad ook een zeer goede plant om insecten aan te trekken. Onder andere zweefvliegen, bijen, vlinders en hommels vliegen op de bloemen. De kortsprietwespbij en duinmaskerbij zijn twee voorbeelden van bijen die je op duizendblad kunt tegenkomen.
In een lijstje met planten voor in de volle zon mag gewone smeerwortel niet ontbreken. Gewone smeerwortel kan tot 1 meter hoog worden. Ze krijgt prachtige hangende bloemen, welke kunnen variëren van witte tot paars. De bloei start al in april en duurt tot en met augustus. Smeerwortel houdt wel van een wat vochtige grond, dus zorg ervoor dat deze niet te veel uitdroogt.
Smeerwortel (De Natuur van hier)
Gewone smeerwortel wordt veel bezocht door hommels zoals de akkerhommel, aardhommel en grashommel (zeldzaam). Alleen langtongige hommels kunnen bij de nectar. Hommels met een korte tong (zoals de akkerhommel) boren een gaatje aan de voet van de bloemkroon om bij de nectar te komen.
Dagkoekoeksbloem is ook zo’n prachtige vaste plant die een plek in de volle zon verlangt (of halfschaduw), mits deze wel op een vochtige plek staat. Belangrijk is dus om ervoor te zorgen dat de grond niet uitdroogt. Dagkoekoeksbloem wordt tot 80 centimeter hoog en bloeit van april tot en met oktober met grote roze bloemen, met vijf diep ingesneden kroonbladeren.
Dagkoekoeksbloem, (Saxifraga-Rutger Barendse)
Bijen, hommels, dagvlinders en nachtvlinders vliegen op de bloemen van dagkoekoeksbloem. Hoewel de bloemen overdag open zijn vindt bestuiving voornamelijk plaats door nachtvlinders. Dagkoekoeksbloem is de waardplant voor de gewone Silene-uil, maar ook de koekoeksbloem-spanner is een nachtvlinder die veelvuldig gebruik maakt van de plant.
De grote centaurie is nog zo’n prachtige inheemse plant die het prima doet in de zon. De plant kan tot wel 1,25 meter hoog worden en kent een rijkelijke bloei. De grote rozepaarse bloemen verschijnen in mei aan de plant en blijven doorbloeien tot en met augustus. Grote centaurie doet het beste op kalkhoudende tot kalkrijke bodems.
Grote Centaurie (Saxifraga-Peter Meininger)
Grote centaurie is voor insecten ook een erg belangrijke plant. Er vliegen veel bijen op grote centaurie, zoals groefbijen en de pluimvoetbij. Verder maken ook hommels en vlinders veelal gebruik van de bloemen. Soorten die je kunt aantreffen op de grote centaurie zijn de distelvlinder, verschillende parelmoervlinders en hommels zoals akkerhommel, aardhommel en steenhommel.
Een andere inheemse plant die in de volle zon gezet kan worden is wilde marjolein. Wilde marjolein wordt tot 60 centimeter groot en heeft een voorkeur voor kalkhoudende grond. De roze bloemen geuren heerlijk en bloeien van juli tot september. Wilde marjolein wordt veelal als specerij gebruikt in de Griekse en Italiaanse keuken en staat ook wel bekend als oregano.
Wilde marjolein
Wilde marjolein is een ware insectenmagneet. Van allerlei soorten insecten komen er op af, zoals zweefvliegen, (solitaire) bijen, hommels en dagvlinders. Enkele soorten die vaak gezien worden op wilde marjolein zijn: honingbij, metselbij, stadsreus, dagpauwoog, atalanta en vele anderen.
Tot slot nog de grote pimpernel. Deze vaste land is vrij zeldzaam geworden in Nederland. Grote pimpernel wordt tot 1 meter hoog, in sommige gevallen nog hoger, en bloeit met prachtige donkerrode bloemen. De bloeit begint in juni en loopt door tot en met september. Grote pimpernel verdraagt een plek in de volle zon, maar houdt wel van een wat vochtige bodem. Plant je hem dus in de volle zon dan moet je er wel voor zorgen dat de grond niet uitdroogt.
Grote pimpernel (Saxifraga -Hans Dekker)
Net zoals de overige inheems planten die besproken zijn in deze blog, is grote pimpernel ook een belangrijke plant voor een aantal insecten. Zweefvliegen, bijen, hommels en dagvlinders maken veelvuldig gebruik van de plant. Voor het pimpernelblauwtje en het donker pimpernelblauwtje is het zelfs de waardplant.
Twijfel je nog welke planten het beste passen bij jouw situatie? In onze uitgebreide gids over inheemse beplanting leggen we stap voor stap uit waar je op moet letten en hoe je zelf een natuurlijke tuin opbouwt.
In deel VI van de blogserie eenden, ganzen en zwanen in Nederland zijn de eider, ijseend en zee-eenden besproken. In dit deel maken we de overgang van de eenden naar de ganzen en komen de halfganzen aan bod. Van deze bijzondere onderfamilie vinden we drie soorten in Nederland terug. In deze blog vertellen we er alles over.
Zoals al eerder in deze blogserie benoemd is er nog geen volledige overeenstemming gevonden over de taxonomische indeling van de eenden, ganzen en zwanen. Onder andere bij de indeling van de halfganzen is nog enige onduidelijkheid. In principe komen er in Nederland drie halfganzen voor: de bergeend, de casarca en de Nijlgans. De mandarijneend en de muskuseend hebben we eerder besproken bij de grondeleenden, maar zouden wellicht beter ook bij de halfganzen ingedeeld moeten worden. Het toont in ieder geval aan dat de grondeleenden en halfganzen nauw aan elkaar verbonden zijn.
Bergeend (Tadorna tadrona)
Casarca (Tadorna ferruginea)
Nijlgans (Alopochen aegyptiacus)
Halfganzen in Nederland
Bergeend (Tadorna tadorna)
De eerste halfgans die we bespreken is de bergeend. Deze grote eendensoort (of kleine ganzensoort?) bereikt een lichaamslengte van 58 tot 67 centimeter en een spannwijdte van 110 tot 133 centimeter. Mannetjes en vrouwtjes hebben hetzelfde verenkleed; overwegend wit met zwarte accenten en een brede bruine baan over de borst. De kop en hals zijn donkergroen tot bijna zwart gekleurd. Ze hebben een felrode snavel. Bij de mannetjes zit hier nog een knobbel op, deze ontbreekt bij de vrouwen, waardoor ze goed van elkaar te onderscheiden zijn.
Bergeenden hebben een mooi gevarieerd verenkleed en een felrode snavelRoep bergeend (Xerno Canto – Albert Lastukhin)
Leefwijze en voedsel
Bergeenden vinden we in Nederland voornamelijk langs de kust in de duinen en in kwelders. In mindere mate komen ze ook in het binnenland voor, meestal dichtbij de grote rivieren. In de nazomer verzamelen zich grote groepen bergeenden in de Waddenzee, om daar met z’n allen te ruien. Doordat ze in deze periode niet, of niet goed kunnen vliegen zijn ze in een grote groep veiliger.
Voedsel vinden bergeenden vooral foeragerend in ondiep water op slikvelden en andere vlakten. Het grootste deel van het menu bestaat uit kleine ongewervelden, zoals slakken, kreeftjes, regenwormen en insecten. Daarnaast wordt soms ook plantaardig voedsel gegeten.
Bergeenden broeden voornamelijk in oude konijnenholen of andere holtes. Er worden zo’n acht tot tien eieren gelegd, welke in 28 dagen worden uitgebroed. Het vrouwtje broedt de eieren uit, het mannetje staat buiten op de uitkijken. Omdat ze graag in konijnenholen broeden zijn de duinen in het Nederlandse landschap het meest geschikte broedgebied.
Er zijn in Nederland tussen de 5000 en 8000 broedparen. Dit aantal is redelijk stabiel. Omdat de konijnenpopulatie wel jaarlijks afneemt, zijn er minder holen om in te broeden en moeten bergeenden op zoek naar andere geschikte broedplekken. Ze broeden daardoor tegenwoordig ook in dichte vegetatie.
Na het broeden trekken bergeenden naar de Waddenzee, om daar in grote groepen veilig te ruien. Hier verblijven ze meestal gedurende de winter, om in het voorjaar weer terug te keren naar het broedgebied. In strenge winters trekken bergeenden nog wel eens zuidelijker.
Bergeenden maken gebruik van creches. Enkele tientallen jongen worden dan tijdelijk verzorgd door enkele volwassen dieren (Saxifraga – Piet Munsterman)
Casarca (Tadorna ferruginea)
De tweede halfgans die we bespreken is de casarca. Deze opvallende eendensoort wordt iets groter dan de bergeend. Ze bereiken een lichaamslengte van 61 tot 67 centimeter en een spanwijdte van 121 tot 145 centimeter. Zowel de mannen als de vrouwen hebben een helder oranjebruin verenkleed. Ze hebben een roomkleurige kop en een zwarte snavel. Mannetjes hebben in het zomerkleed een zwarte halsring. Opvallend zijn verder nog de witte vlekken op de boven- en ondervleugels waardoor ze in vlucht goed opvallen.
De casarca heeft een exotisch uiterlijkRoep Casarca (Xeno Canto – Johannes Dag Mayer)
Leefwijze en voedsel
De casarca is vooral een soort van het zuiden van Europa, noordelijk Afrika en zuidelijk Azië. In Centraal- en West-Europa is er een populatie ontstaan, waarschijnlijk vanuit watervogelcollecties.
Het menu van casarca’s is hoofdzakelijk plantaardig. Ze eten op land gras en planten en onder water grondelen ze, net zoals grondeleenden dat doen, naar onder water planten.
Meestal worden er acht of negen eieren gelegd. Deze worden in ongeveer 28 dagen uitgebroed. In het oorspronkelijke leefgebied broeden ze in rotsholen of in boomholten. Hier worden ook boomholten gebruikt, maar soms wordt er ook gebroed in de oevervegetatie. In Nederland is het aantal broedparen beperkt tot enkele tientallen, dus vormt deze exoot (vooralsnog) geen problemen voor inheemse soorten.
De hoogste aantallen zijn in de zomer waar te nemen. Na het broeden verzamelen casarca’s zich (onder andere op het Eemmeer), om gezamenlijk te ruien. Na de rui trekken de casarca’s iets zuidelijker om te overwinteren. Uit onderzoek blijkt dat dit vooral in Zuid-Duitsland en Zwitserland is.
De casarca’s die in Nederland leven overwinteren in Zuid-Duitsland en Zwitserland (Saxifraga – Bart Vastenhouw)
Nijlgans (Alopochen aegyptiacus)
Tot slot nog een soort die zich, net als de casarca, ook heeft gevestigd in West-Europa vanuit watervogelcollecties. De ontwikkeling van deze populaties is echter in niets te vergelijken met die van de casarca’s. Nijlganzen hebben zich sinds 1967 dusdanig hard weten te ontwikkelen dat ze op de lijst van invasieve exoten terecht zijn gekomen en daardoor een bedreiging vormen voor inheemse soorten.
Nijlganzen zijn met de donkere oogvlek onmiskenbaar (De Natuur van hier)
Nijlganzen zijn de grootste halfganzen in ons land, ze bereiken een lichaamslengte van 63 tot 73 centimeter en een spanwijdte van 134 tot 154 centimeter. Ze hebben een overwegend grijsbruin verenkleed, maar zijn overduidelijk te herkennen aan de donkere vlek rondom het oog en op de borst. Ze hebben zwarte vleugels met witte schouders en grote, roze poten.
Roep Nijlgans (Xeno Canto – Jorge Leitão)
Leefwijze en voedsel
De meeste nijlganzen zijn in het Westen en Noorden van ons land te vinden. Maar ook in het binnenland zijn nijlganzen te zien, vooral langs de grote rivieren. Verder kun je nijlganzen overal tegen komen waar water te vinden is.
Het menu van nijlganzen is hoofdzakelijk plantaardig. Op land eten ze bijvoorbeeld gras en planten. In het water zoeken ze ook naar plantaardig voedsel. Zowel oppervlakteplanten als onderwaterplanten worden gegeten.
Nijlgans in vlucht
Voortplanting en trekgedrag
Nijlganzen broeden in boomholten, onder struiken nabij water of in (oude) nesten van onder andere grauwe gans, reigers, ooievaars en buizerds. Ze zijn zeer fel in het verdedigen van hun eigen nesten, maar ook in het verdringen van andere soorten die al aan het broeden zijn. Dit is ook een van de hoofdredenen (naast het lange broedseizoen) dat de nijlgans zich zo explosief heeft ontwikkeld in West-Europa.
Meestal worden er 6 tot 9 eieren gelegd, welke in 28 tot 30 dagen worden uitgebroed. De meeste broedgevallen vinden plaats van april tot eind mei, maar buiten deze periode is zeker geen uitzondering. Nijlganzen kunnen vrijwel het gehele jaar broedend aangetroffen worden.
In West-Europa zijn nijlganzen standvogels. Na het broeden zwerven ze rond en hebben ze niet per see een vaste plek.
Veel mensen hebben salamanders in de tuin. Deze inheemse dieren weten de tuin razendsnel te vinden wanneer hier een poeltje of vijver aanwezig is. Maar hoe komen deze amfibieën in de tuin? En welke soorten salamanders worden zoal in tuinen gezien? Hoe zorg je ervoor dat je tuin nog meer geschikt is voor salamanders? In deze blog gaan we er dieper op in.
De salamanders die over het algemeen in tuinen worden aangetroffen zijn in Nederland watersalamanders. Dit betekent dat ze in de paartijd sterk gebonden zijn aan water. De eitjes worden in het water afgezet en de larve worden in het water geboren. Als volwassen exemplaren kunnen salamanders zich ook prima over land verplaatsen. Hierdoor zijn ze in staat om tussen verschillende poelen te migreren.
De afstand die salamanders afleggen om nieuwe poelen te koloniseren varieert en hangt af van een aantal factoren. Verschillende soorten leggen niet dezelfde afstanden af. Daarnaast bepalen de kwaliteit van het leefgebied en de bereikbaarheid van andere poelen hoever salamanders reizen. Bij de kamsalamander is het bekend dat ze een afstand van meer dan 1 kilometer tussen poelen kunnen overbruggen, al doen ze hier wel meerdere jaren over. Poelen die dichterbij liggen kunnen vaak al binnen één jaar bereikt worden.
Voor het leven van salamanders in tuinen is het belangrijk dat tuinen goed bereikbaar zijn. Tuinen moeten dus niet volledig afgesloten worden met betonnen of houten schuttingen, maar liever met groene hagen. Daarnaast moeten er in tuinen en in de openbare leefomgeving voldoende groen aanwezig zijn waarin salamanders zich kunnen verplaatsen.
Salamanders weten soms bijzonder snel nieuwe vijvers te vinden. Deze vijver werd in mei aangelegd en in oktober werd de eerste kleine watersalamander nabij de vijver waargenomen (De Natuur van hier)
Wat moet ik doen met een salamander in mijn tuin?
Het kan zijn, ook als je geen poel of vijver in je tuin hebt, dat je een salamander in je tuin of zelfs in huis vindt. Op het moment dat je een salamander in huis vindt is het belangrijk eerst je handen te wassen of handschoenen aan te doen, voordat je de salamander verplaatst. Salamanders ademen (onder andere) via de huid, dus kunnen schade oplopen door resten die aan je handen kleven van verzorgingsproducten, schoonmaakmiddelen, et cetera. Verplaatst salamanders alleen als het strikt noodzakelijk is (als ze bijvoorbeeld in huis zitten) en doe dit dan zo snel en efficient mogelijk. Salamanders zijn immers beschermd en vangen, vervoeren en verhandelen is verboden.
Zorg ervoor dat de salamander veilig is voor huisdieren zoals honden en katten. Salamanders leven zowel op het land als in het water, dus zorg voor een geschikt landhabitat als waterhabitat. Hoe je dat doet lees je verderop in de blog. Gebruik tot slot geen chemische bestrijdingsmiddelen voor onkruid, slakken of wat dan ook in je tuin. Salamanders zullen er als een van de eerste dieren last van hebben en vermoedelijk aan overlijden.
De salamander die het meest voorkomt in tuinen is met stipt de kleine watersalamander. De kleine watersalamander komt in vrijwel heel Nederland voor en ze hebben geen hele grote poelen nodig als voortplantingsbiotoop. Dit zorgt ervoor dat kleine visvrije en visarme vijvers en poelen in tuinen al snel geschikt zijn voor de kleine watersalamander.
Kleine watersalamander (Saxifraga-Kees Marijnissen)
Naast de kleine watersalamander worden alpenwatersalamander en kamsalamander ook wel eens in tuinen waargenomen, maar beduidend minder dan eerstgenoemde. Beide soorten komen echter niet in het gehele land voor en ze zijn ook wat veeleisender wat betreft voortplantings- en landbiotoop.
Hoe maak ik mijn tuin meer geschikt voor salamanders?
Zoals al eerder benoemd in deze blog leven salamanders zowel in het water als op het land. Wil je dus salamanders in je tuin dan zul je zowel een geschikt water- als landhabitat moeten creëren.
Waterhabitat
Als waterhabitat is het verstandig om een poel of vijver aan te leggen. Hierbij moet je op een aantal dingen letten. Allereerst is het belangrijk de poel visvrij te houden (of ten minste zo min mogelijk vis). Vissen eten namelijk de eitjes en larven van amfibieën, waardoor kikkers, padden en salamanders zich veel minder snel zullen vestigen in een visvijver. Daarnaast is het belangrijk dat de poel of vijver grotendeels in de zon ligt, er voldoende (inheemse) vijverplanten aanwezig zijn en de taluds/oevers niet te steil zijn, zodat salamanders gemakkelijk in en uit de poel of vijver kunnen. Voor meer tips lees onderstaande blog, daarin lees je precies hoe je een poel aanlegt in de tuin.
Ben je iets minder handig, of heb je gewoon niet zoveel zin om alles zelf uit te zoeken? Dan kun je ook nog kiezen voor een Tuiny poel. Dit is een starterspakket waarmee je een inheemse poel van zo’n 2m2 aanlegt. Daarnaast zit er een aanleginstructie bij waarin stap voor stap uitgelegd staat hoe je dit aanpakt.
Vijvers met veel oever- en watervegetatie, gecombineerd met een stenenhoop of stapelmuur is bijzonder geschikt voor salamanders
Landhabitat
Naast een poel of vijver is een geschikt landhabitat cruciaal voor salamanders. Dit kan op verschillende manieren gemaakt worden. Allereerst is het goed om wat inheemse, groenblijvende struikjes in de buurt van de poel te hebben. Verder is een stapeltje hout of een takkenril perfect voor salamanders om onder te schuilen en om onder te overwinteren. Ook het maken van een stapelmuurtje kan daarbij helpen.
Naast het aanleggen van een takkenril of een stapelmuurtje is het belangrijk om de tuin niet al te netjes op te ruimen. Zorg ervoor dat er altijd wat rommelhoekjes of een hoop afgevallen bladeren zijn. Dit zijn ideale schuilplaatsen voor salamanders en andere amfibieën. Tot slot willen we nog adviseren om geen gif te gebruiken, in de vorm van onkruidverdelger, muizen- en/of rattengif of slakken- of mierenpoeder. Salamanders ademen onder andere via de huid en zijn zeer gevoelig voor deze gifmiddelen. Ze zullen dan ook als een van de eerste dieren (vaak nog voor dat het ‘ongedierte’ er last van heeft) last ondervinden van deze middelen.
Nederland bestaat voor een groot deel uit agrarisch gebied. Van oudsher zijn veel vogelsoorten gebonden aan dit landschap, wat bestond uit kleinschalige bloeiende akkerpercelen omringd met heggen en houtsingels. Dit landschap is de laatste decennia sterk veranderd, waardoor veel akkervogels het zwaar hebben. In deze blog aandacht voor de akkervogels die we in Nederland kennen.
Omslagfoto: gele kwikstaart (de Natuur van hier)
De patrijs is misschien wel het bekendste voorbeeld van een akkervogel in nood (de Natuur van hier)
Akkervogels zijn vogels die op of in de buurt van akkers broeden en daar ook hun voedsel vinden. Veelal broeden akkervogels op de grond, goed verscholen tussen de vegetatie of aan de voet van een haag. Akkervogels vinden voedsel in de vorm van granen en onkruidzaden, maar sommige soorten eten ook de insecten die op de bloemen afkomen. Er zijn ook een aantal roofvogels die in de akkers jagen op (zang)vogels en muizen.
De akkervogels zijn grofweg in te delen in de zangvogels, fazantachtigen, roofvogels & uilen en een overige categorie. Ieder met hun eigen levenswijze, op hun eigen plek in het akkerlandschap.
Zangvogels
Zoals in praktisch ieder biotoop zijn er zangvogels te vinden. De kleine, vlugge en luidruchtige vogels zorgen voor leven in de brouwerij. Binnen het akkerlandschap zijn er zangvogels die het kleinschalige landschap prefereren, maar ook soorten die houden van de open en weidse velden.
Zangers van het kleinschalige landschap
Een aantal zangvogels prefereren het kleinschalige landschap, waarin akker worden afgewisseld met landschapselementen zoals scheerheggen, struweelhagen en houtsingels. Kneuen leven in grote groepen en bewonen meidoornhagen en braamstruwelen. De ringmusvoelt zich thuis in een kleinschalig landschap met akkers en bomen met holen, waarin ze kunnen broeden
Geelgorzen broeden in heggen en houtsingels en vinden voedsel (grotendeels zaden) op de akkers. Ook de grauwe gors kwam vroeger een stuk meer voor in Nederland, maar is tegenwoordig nog maar op enkele plekken te vinden in ons land.
GeelgorsKneu (de Natuur van hier)Groenling (de Natuur van hier)Distelvink (de Natuur van hier)Veldleeuwerik (de Natuur van hier)Witte kwikstaart
Zangers van het open veld
Meer in het open terrein voelen andere zangvogels zich thuis. De bekendste hiervan is misschien wel de veldleeuwerik. Met zijn prachtige zang en sierlijke vlucht geven ze kleur aan het landschap. Helaas is de soort sinds de jaren ’70 met 95% afgenomen.
Ook kwikstaarten zijn bewoners van de open akkergebieden. De witte kwikstaart, gele kwikstaart en Engelse kwikstaart voelen zich thuis op de akkers. Ze broeden er veelal op de grond en struinen de akkers af op zoek naar insecten.
Gele kwikstaarten op de akkers In Nederland komen verschillende soorten gele kwikstaarten voor. Twee daarvan zijn geregeld te vinden op akkers: de gele kwikstaart en de Engelse kwikstaart. De gele kwikstaart (man) heeft een gele keel en borst, en een prachtige blauwgrijze kop met een witte wenkbrauwstreep. De mannetjes van de Engelse kwikstaart hebben ook een gele keel en borst, maar een geelgroene kop. De andere twee gele kwikstaarten zijn de grote gele kwikstaart en de Noordse kwikstaart. De grote gele kwikstaart leeft voornamelijk langs stromende beken en de Noordse kwikstaarten is enkel in ons land te bewonderen als doortrekker.
Gele kwikstaart (de Natuur van hier)Engelse kwikstaart
Wintervoedsel
Dan zijn er nog een aantal zangvogels die akkers gebruiken om in de winter voldoende voedsel te vinden. Op speciaal ingerichte akkers vinden soorten zoals graspiepers,groenlingen, vinken, en distelvinkenin de winter voedsel in de vorm van zaden van granen, kruiden en grassen. Cruciaal voor deze soorten om de winter door te komen.
Fazantachtigen
Dan zijn er nog een aantal typische akkervogels die behoren tot de fazantachtigen. Drie soorten behorend tot deze familie komen voor in de Nederlandse akkers: de kwartel, de patrijs en de fazant. Deze grondbroedende vogels leggen over het algemeen veel eieren (meer dan 10 is vrij normaal) en voeden zich met zaden van grassen, onkruiden en granen en met insecten.
De kwartel is de kleinste van het stel. Ze hebben een donkerbruin verenkleed met lichtgele strepen. Maar zien doe je ze niet snel, je zult ze eerder horen. Het bekende kwik-me-dit, kwik-me-dat geluid is vooral op zomeravonden goed te horen in graanvelden.
KwartelPatrijsFazant
De patrijs is een stukje groter dan de kwartel. Het is misschien wel hét bekendste voorbeeld van vogelsoorten die drastisch te leiden hebben gehad onder de intensivering van de landbouw. De populatie is sinds de jaren ’70 met 95%(!) afgenomen. De eens zo normale broedvogel is nu bijna een zeldzaamheid geworden.
Tot slot nog de fazant. Deze kleurrijke verschijning komt hier van origine niet voor maar is in het verleden (en nu nog steeds, maar dan illegaal) uitgezet als jachtwild. Fazanten zijn in Nederland het hele jaar door op akkerland te zien, het zijn standvogels.
Een van de kleinste roofvogels die je boven een akker zult zien is de torenvalk. Deze valk hangt vaak biddend boven een akker of grasland, op zoek naar veldmuizen. Torenvalken hebben een roodbruine rug. Het mannetje heeft een grijze kop en staart. Vrouwtjes zijn minder opvallend bruin en hebben een gebandeerde staart.
Daarnaast zijn er nog de slanke en elegante kiekendieven die graag gebruik maken van akkers. De grauwe kiekendief broedt nog met enkele tientallen, vooral in de provincie Groningen. Hier broeden ze vooral in graan- en luzerneakkers. Met de blauwe kiekendief is het minder goed gesteld in ons land. Deze is namelijk bijna uitgestorven als broedvogel in Nederland. Tot slot is er zo nu en dan nog een dwaalgast in de akkers in Nederland ontdekt: de steppekiekendief. Deze mysterieuze vogel van de steppes in Rusland is echter voor het eerst in 2017 tot broeden gekomen in Nederland, ergens in (wederom) Groningen.
Dan zijn er ook nog een aantal uilen die gebruik maken van het (half)open akkerlandschap. Het kleinste uitlje van Nederland, de steenuil, is een typisch voorbeeld van kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Ook de ransuil en kerkuil maken gebruik van het open akkerveld om op muizen te jagen. Ransuilen broeden in bomen, kerkuilen broeden vaak ook op (boeren)erven in schuren.
Tot slot komt ook de velduilvoor in het akkerlandschap. Wanneer de omstandigheden gunstig genoeg zijn kunnen ze er zelfs soms broeden. Het nest maken ze op de grond. Het zijn geen echte trekvogels, maar verplaatsen zich naar waar de omstandigheden het beste zijn.
VelduilKerkuil
Overige akkervogels
Dan zijn er nog een aantal akkervogels die niet in bovenstaande groepen in te delen zijn. Sommige soorten zijn typische akkervogels, andere komen naast het akkerlandschap ook nog in andere biotopen voor.
De zomertortel, een duivensoort die zich thuis voelt in het kleinschalige agrarische landschap. Helaas is de soort sterk afgenomen, onder andere door jacht in Zuid-Europa en de schaalvergroting in de landbouw. Een andere bijzondere akkervogel is de kwartelkoning. Kwartelkoningen laten zich lastig zien, een belangrijk aspect van het leefgebied is dan ook voldoende dekking. Mannetjes maken in het voorjaar een kenmerkend crex-crex geluid, dat tot ver te horen is.
Tot slot zijn er nog twee soorten die normaliter eerder tot de weidevogels worden gerekend, maar toch ook regelmatig op bouwland te vinden zijn. Dit geldt zowel voor de scholekster als voor de kievit. Beide soorten profiteren van het open land en de afwisseling van gras- en bouwland.
Kievit (de Natuur van hier)Kwartelkoning (Saxifraga-Mark Zekhuis)Zomertortel
In Marker Wadden vind je een van de nieuwste stukjes Nederland. Deze archipel is volledig door de mens aangelegd met als doel natuurherstel in het Markermeer. Op deze eilanden krijgt de natuur een kans om weer op te veren. Eén van de eilanden is te bezoeken, in deze blog bespreken we alles wat je hierover moet weten. Lees dus gauw verder, zodat je voorbereid op pad gaat!
Marker Wadden is een walhalla voor vogels, zoals deze visdief (De Natuur van hier)
Voor het ontstaan van de Marker Wadden moeten we een tijdje terug in de tijd, voordat er überhaupt sprake was van zoiets als Marker Wadden. Toen in 1932 de werkzaamheden aan de Afsluitdijk werden voltooid, veranderde de Zuiderzee in de Waddenzee en het IJsselmeer. In 1976 ontstond uiteindelijk het Markermeer, toen de Houtribdijk voltooid werd.
In 2016 werd er gestart met het realiseren van vijf eilanden, in het noordoosten van het Markermeer. De eerste vijf eilanden werden in 2021 opgeleverd, waarna er nog twee extra eilanden in 2023 werden opgeleverd. In totaal omvat het hele gebied zo’n 1300 hectare aan onder- en bovenwaternatuur. Het doel is om een natuur- en recreatiegebied van 10.000 hectare te creëren. Er worden eilanden aangelegd, onder water worden er paaiplaatsen voor vissen gecreëerd en er komen watergeulen en slenken in het gebied. Hiermee moet de biodiversiteit in het gebied enorm toenemen.
Nationaal Park Nieuw Land
Natuurmonumenten werkt hier samen met Rijkswaterstaat en Boskalis aan natuurherstel. De eilanden worden aangelegd met zand, klei en slib uit het Markermeer. Om de eilanden te beschermen tegen storm en water is vanuit het voorste eiland een dijk getrokken richting het oosten. Dit zorgt ervoor dat de achtergelegen eilanden in de luwte liggen.
Samen met de Oostvaardersplassen en Lepelaarsplassen behoren de Marker Wadden tot het Nationaal Park Nieuw Land, wat een totale oppervlakte heeft van zo’n 29.000 hectare. Zoals de naam al zegt is dit het jongste Nationale Park van Nederland.
Het hoofdeiland is het enige eiland dat op Marker Wadden te bezoeken is. De overige eilanden zijn volledig voor de natuur en enkel te bezoeken door onderzoekers. Op het hoofdeiland, wat ongeveer 250 hectare groot is, bevindt zich een haven, strand, bezoekerscentrum (volledig zelfvoorzienend) en is er nog veel meer te vinden.
De boot van Natuurmonumenten brengt je naar Marker Wadden (De Natuur van hier)
Haven en strand
Het hoofdeiland is ook het enige eiland met een haven. In de haven komt de boot van Natuurmonumenten aan om bezoekers over te brengen. Daarnaast is er ook ruimte voor zo’n 60 boten om aan te meren. Vlakbij het strand is een recreatiestrand van circa 700 meter lang te vinden.
De natuur ontdekken
Marker Wadden is een perfecte plek voor vogelaars en natuurliefhebbers. In totaal zijn er al 140 vogelsoorten waargenomen. Daarnaast zijn er ruim 190 soorten insecten en zijn er 19 vissoorten waargenomen.
Veel steltlopers vinden in de Marker Wadden een belangrijk foerageergebied (De Natuur van hier)
Op het eiland is twaalf kilometer aan wandelpad door de nieuwe natuur te vinden. Tijdens deze wandeling door een afwisselend landschap van moerasvegetaties en pioniersvegetaties vliegen de vogels je om de oren. Zwermen oeverzwaluwen, visdieven en diverse soorten meeuwen vliegen op en af. Steltlopers zoals tureluurs, kemphanen en bontbekplevieren trippelen door het ondiepe water op zoek naar voedsel en eenden, ganzen en zwanen dobberen op het water. Onderweg zijn er drie vogelkijkhutten en diverse kijkschermen te vinden om ongezien de vogels goed te bekijken.
Verrekijker Onmisbaar tijdens het bezoek aan Marker Wadden is een verrekijker. Een verrekijker zorgt ervoor dat je de vogels veel beter kunt bekijken en de specifieke kenmerken kunt zien van de verschillende soorten. Persoonlijk hebben we goede ervaringen met het merk Vortex. Voor een betaalbare prijs krijg je een kwalitatief goede verrekijker. Bekijk hier het assortiment op bol.com.
Ook is het mogelijk om te blijven slapen op het hoofdeiland. Natuurmonumenten heeft in samenwerking met Landal enkele natuurhuisjes weten te realiseren. Dit geeft je de mogelijkheid om in alle rust te genieten van de natuur in de ochtend en avonduren (vanuit de nederzetting).
Marker Wadden, nieuwe natuur in ontwikkeling
Veelgestelde vragen
Wat is er te doen op Marker Wadden?
Marker Wadden is een nieuw gecreëerde groep natuureilanden. Het hoofdeiland is te bezoeken. Op het eiland is twaalf kilometer aan wandelpad te vinden en diverse vogelkijkhutten. Een waar paradijs voor vogelaars en natuurliefhebbers.
Mag ik met een eigen boot naar Marker Wadden?
Ja, je kunt met een eigen boot naar Marker Wadden. De natuurhaven is tegen betaling beschikbaar en je kunt er zowel overdag als ’s nachts verblijven met de boot (verschillende tarieven). Houdt er rekening mee dat het een natuurhaven is en daardoor minder voorzieningen heeft. Klik hier voor meer informatie.
Mag ik mijn hond meenemen naar Marker Wadden?
Een hond meenemen naar Marker Wadden is enkel mogelijk als je met eigen boot komt. Via de veerdienst is het niet toegestaan. Als je een hond meeneemt naar Marker Wadden is het belangrijk dat deze aangelijnd is en enkel rondom de haven wordt uitgelaten. Op de rest van het eiland zijn honden niet toegestaan, om broedvogels rust te bieden.
Kan ik blijven slapen op Marker Wadden?
Ja, je kunt blijven slapen op Marker Wadden. Natuurmonumenten heeft samen met Landal enkele natuurhuisjes gerealiseerd. Ook met de boot kun je ’s nachts om Marker Wadden verblijven. Na zonsondergang is het echter niet toegestaan om de nederzetting en haven te verlaten.
In deel V van de serie eenden, ganzen en zwanen in Nederland werden de stekelstaarten, brilduikers en zaagbekken besproken. In deel VI worden de eider, ijseend en zee-eenden besproken. Allereerst worden de broedende soort(en) besproken, vervolgens de soorten die ons land af en toe bezoeken.
De eendensoorten die in deze blog worden besproken horen, samen met de brilduiker en zaagbekken uit de vorige blog in deze reeks, tot de onderfamilie Merginae. Deze soorten zijn voornamelijk op, of in de buurt van zee te vinden. Het zijn grote eendensoorten, welke voornamelijk dierlijk voedsel eten. Ze hebben daarom ook een grote en krachtige snavel.
De eider behoort tot het geslacht Somateria, samen met de brileider en koningseider, welke niet in Nederland voorkomen (al wordt de koningseider heel soms gezien als dwaalgast en is de brileider recentelijk voor het eerst in Nederland waargenomen). De ijseend behoort tot een monotypisch geslacht, wat betekent dat het de enige soort binnen het geslacht is. De zee-eenden behoren tot het geslacht Melanitta, die zes soorten telt. Niet alle soorten hiervan komen voor in Nederland.
De koningseider is een voorbeeld van een prachtige dwaalgast die hier maar enkele keren gezien is
De eerste eend die we bespreken is de eider, ofwel eidereend. Dit zijn grote eenden die een lichaamslengte van 50 tot 71 centimeter bereiken en een spanwijdte van 95 tot 105 centimeter. Het is daarmee een van de grootste eenden van Europa. Mannetjes hebben een zwart-wit verenkleed, met een groenige vlek in de nek een rozige buik. Vrouwtjes zijn overwegend bruin gekleurd. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben een grote, driehoekige snavel. Eiders staan ook wel bekend om hun dons, wat wordt gezien als het zachtste dons ter wereld.
Het mannetje eider heeft een zwart-wit verenkleed met een olijfgroene vlek in de nek
Leefwijze en voedsel
Eiders leven hoofdzakelijk langs de kust, in zout water. Het zijn enorm goede vliegers en kunnen snelheden tot wel 113km/u bereiken. In Nederland zien we de eider voornamelijk in het Waddengebied.
Het voedsel is hoofdzakelijk dierlijk. Weekdieren zoals mossels, kokkels en krabben, maar ook kreeftachtigen worden gegeten. Deze worden in zijn geheel doorgeslikt, waarna de sterke maag ervoor zorgt dat de harde schelpen van schelpdieren verteert worden. Bij krabben worden eerst de scharen en dergelijke verwijderd, waarna het lichaam als geheel wordt doorgeslikt.
Voortplanting en trekgedrag
De eerste broedende eider in Nederland werd ontdekt op Vlieland in 1906. Sinds die tijd zijn de aantallen flink toegenomen, maar recentelijk ook weer afgenomen. Het vrouwtje gebruikt het dons van de borst (hier zit het zachtste dons) voor de nestbouw. Na zo’n 25 dagen komen de eieren (meestal 4 tot 6) uit. De jongen zijn na ruim twee maanden vliegvlug
Eiders zijn geen lange afstandstrekkers. In de koudere maanden zakken ze wat af langs de kust, tot in Zuid-Frankrijk. In de winter hebben we in Nederland overwinteraars van vogels die meer noordelijk broeden.
IJseend (Clangula hyemalis)
Een van de mooiste eenden die je in ons land kunt treffen (als je geluk hebt) is de ijseend. Deze eend komt hier voornamelijk als wintergast voor, maar is één keer tot broeden gekomen. IJseenden bereiken een lichaamslengte van 40 tot 47 centimeter en een spanwijdte van 73 tot 79 centimeter.
Het zijn dus relatief kleine zee-eenden. Het mannetje valt het meeste op, met zijn verlengde staartpennen die wel dertien centimeter lang kunnen worden! In zomerkleed hebben mannetjes een zwarte kop en borst en is de rest van het lichaam bruin, zwart en wit gekleurd. In de winter is het verenkleed van de man overwegend wit, met zwarte tekening. Het vrouwtje is wat meer bruinig gekleurd. In zomerkleed heeft het vrouwtje een donkere, bruine kop. In de winter is deze meer wit van kleur, vooral rondom het oog.
IJseenden zijn een van de fraaiste eendensoorten. Hier een mannetje in winterkleed (Saxifraga – Bart Vastenhouw)
Leefwijze en voedsel
Zoals gezegd zijn het in ons land voornamelijk wintergasten. Ze overwinteren dan veelal op zee, maar ook soms in diepere zoute of brakke wateren. In het broedgebied leven ze vooral op het toendralandschap en worden ze ook gezien in bergmeren.
Het menu van ijseenden is hoofdzakelijk dierlijk. Vissen, schelpdieren, garnalen en (water)insecten worden veel gevangen. IJseenden kunnen diep duiken om aan het voedsel te komen. Soms wordt ook plantaardig materiaal gegeten.
Voortplanting en trekgedrag
In de regel broeden ijseenden dus veel noordelijker dan Nederland. Op de arctische toendra’s broeden ze in paartjes of in groepen. In Nederland heeft een paartje ijseenden voor het eerst gebroed in 2019, in Marker Wadden. Hoog uitzonderlijk, want het is tot nu toe ook bij dit ene broedgeval gebleven.
In oktober vliegen ijseenden van het broedgebied naar de meer zuidelijk gelegen overwinteringsplaatsen. Hieronder valt ook Nederland, al is dit zeker niet de meeste bezochte overwinteringsplek. De meeste ijseenden overwinteren op de Oostzee.
Doortrekkers, wintergasten en dwaalgasten
De resterende eenden in deze blog broeden allen niet in ons land, maar zijn hier enkel als doortrekker, wintergast of dwaalgast aanwezig.
Zwarte zee-eend (Melanitta nigra)
De zwarte zee-eend bereikt een lichaamslengte van 44 tot 54 centimeter, met een spanwijdte van 79 tot 90 centimeter. Mannetjes zwarte zee-eenden zijn volledig zwart, enkel de vleugelpunten zijn iets minder zwart en neigen naar donkergrijs. De bovenkant van de snavel is geel. Het vrouwtje is bruin van kleur, de bovenkant van de kop is donker en ze hebben licht gekleurde wangen. De snavel is donker van kleur. Beide geslachten hebben een puntige staart.
Zwarte zee-eenden zien we hier in Nederland bijna uitsluitend op zout water, maar in het broedgebied broeden ze op zoetwatermeren en langzaam stromende rivieren. Het broedgebied van deze soort bevindt zich in het hoge noorden, onder andere in Rusland en het noorden van Scandinavië.
De zwarte zee-eend zien we in Nederland vooral als doortrekker en wintergast. In het verleden waren de aantallen wintergasten aan de Nederlandse Noordzeekust veel hoger dan tegenwoordig. Vermoedelijk heeft dit te maken met de overbevissing die plaatsvindt in de Noordzee.
Zwarte zee-eenden eten voornamelijk schelpdieren. Dit wordt verder aangevuld met kreeftachtigen. Wanneer ze op zoet water verblijven eten ze ook insecten, kleine vis en soms zelfs plantaardig materiaal. Het zijn zeer goede duikers, welke tot 30 meter diep kunnen duiken om bij de schelpdieren te komen.
Grote zee-eend (Melanitta fusca)
De laatste zee-eend die hier met enige regelmaat voorkomt is de grote zee-eend. De grote zee-eend wordt 51 tot 58 centimeter groot, met een spanwijdte van 86 tot 99 centimeter. Ze lijken veel op de zwarte zee-eend, maar hebben meer wit in het verenkleed. Ze hebben een witte achtervleugel, welke heel goed opvalt in vlucht en een kleine witte vlek onder het oog. De bovenzijde van de snavel is geel. Het vrouwtje is niet zwart, maar donkerbruin. Verder heeft het vrouwtje wel dezelfde witte delen in het kleed als de man. Grote zee-eenden zijn in Nederland vaak samen te zien met zwarte zee-eenden.
Grote zee-eenden zijn uitstekende duikers (Saxifraga – Tom Heijnen)
Leefwijze en voedsel
De grote zee-eend komt hier voor als wintergast en doortrekker. Broeden doen ze meer noordelijk. Hier broeden ze op zoewaterplassen. In Nederland verblijven ze vaak op zee, in de buurt van de kust. Het zijn zeer goede duikers, welke tot wel 40 meter diep kunnen duiken voor voedsel.
Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit schelpdieren, zoals mosselen. Daarnaast worden ook kreeftachtigen en soms kleine vis gegeten. In het broedgebied staan ook insecten en plantaardig materiaal op het menu.
Het aantal overwinteraars is de laatste jaren afgenomen. Waarschijnlijk om dezelfde reden als bij de zwarte zee-eend: overbevissing in de Noordzee.
Dwaalgasten
Tot slot benoemen we nog een paar dwaalgasten die wel eens zijn waargenomen in Nederland. Allereerst de koningseider (Somateria spectabilis), waarvan eerder in de blog al een afbeelding voorbij kwam. Het leven van deze prachtige eendensoort is vooral verbonden aan de arctische kusten van Noord-Europa, Noord-Amerika en Noord-Azië. Een enkele keer duikt er een koningseider op voor de kust van Nederland. In januari (2025) werd in Nederland zelfs voor het eerst een brileider (Somateria fischeri) waargenomen. Deze fotogenieke soort houdt zich normaliter veel noordelijker op en is pas een aantal keren waargenomen in Europa.
Tot slot zijn er enkele meldingen bekend van de Amerikaanse zee-eend (Melanitta americana) voor de kust van Nederland. Deze zee-eend komt eigenlijk voor in Alaska en Canada, maar het komt dus wel eens voor dat een individu de tocht over de oceaan weet te volbrengen. Erg uitzonderlijk dus!
De serie eenden, ganzen en zwanen in Nederland
In totaal zijn er elf blogs nodig om de talrijke familie eendachtigen te bespreken. Onderstaand een overzicht van de blogserie.
In Nederland maak je kans om twee zeehonden te zien: de gewone zeehond en de grijze zeehond. Maar waar heb je nou de meeste kans om deze geweldige zeezoogdieren te zien? In deze blog bespreken we de beste plekken om zeehonden te zien. Daarnaast bespreken we ook wat de beste tijd in het jaar is om op zoek te gaan en hoeveel zeehonden er in Nederland leven.
Wanneer heb je de meeste kans om zeehonden te zien?
Als je graag zeehonden wil zien, dan is het goed te weten wanneer je hiervoor het beste op pad kunt gaan. Je hebt namelijk niet altijd even veel kans om er een te zien. Het leven van zeehonden hangt nauw samen met eb en vloed.
Tijdens vloed zijn zeehonden in zee, op jacht naar vis. Tijdens eb liggen ze vaak op zandbaken die door eb droog zijn komen te liggen. Hier verzamelen zich dan zeehonden (van verschillende soorten) en liggen ze met tientallen en soms wel honderden samen. Het beste ga je dus op pad tussen twee uur voor laagwater en twee uur na laagwater. De meeste kans heb je bij rustig weer. Zeehonden zijn gevoelig voor verstoring, houd dus altijd rekening met onderstaande regels om ze zo min mogelijk te verstoren.
Houd voldoende afstand, altijd minstens 30 meter;
Laat honden thuis. Als ze wel mee zijn houd ze dan aangelijnd en blijf op ruime afstand zodat de zeehonden zich niet bedreigd voelen;
Blijft rustig en veroorzaak geen overlast zodat de zeehonden niet verstoord worden.
Ondanks dat je een goede kans maakt om zeehonden te spotten als je gebruik maakt van bovenstaande tips, heb je nooit een garantie. Het is immers natuur en deze laat zich niet regisseren. Wil je zekerheid, ga dan naar het Zeehondencentrum. Hier worden zieke en gewonde zeehonden opgevangen en weer uitgezet als ze voldoende fit zijn. Daarnaast is er een bezoekerscentrum, waar je van alles te weten komt over zeehonden.
Hoeveel zeehonden leven er in Nederland?
Zeehonden leven in Nederland voornamelijk in het Waddengebied en in de Delta. In het internationale Waddengebied wordt de totale populatie gewone zeehonden op ongeveer 40.000 dieren geschat. Hiervan leeft ongeveer 25% in het Nederlandse gedeelte. Daarnaast werden er nog 7800 grijze zeehonden geteld in het Nederlandse gedeelte van de Waddenzee.
In de Delta zijn ook gewone en grijze zeehonden geteld. Hier kwamen in 2022 zo’n 1500 gewone zeehonden en bijna 3500 grijze zeehonden. Grofweg kan er dus gesteld worden dat er momenteel circa 22.000 zeehonden (gewone en grijze) leven in Nederland. Bovenstaande cijfers zijn afkomstig van het Compendium voor de leefomgeving.
Veruit de meeste zeehonden leven in Nederland in de Waddenzee
Zeehonden kijken
Zeehonden spotten in Nederland kan dus op meerdere plekken. Om de dieren niet te verstoren is het belangrijk om eerder genoemde regels in acht te nemen. Om de dieren toch goed van een afstand te kunnen bekijken is het raadzaam om een verrekijker of telescoop aan te schaffen. Zo kun je van een veilige afstand de dieren rustig bekijken.
Verrekijker Als je zeehonden wil gaan spotten is een verrekijker geen overbodige luxe. Met behulp van een verrekijker kun je vanaf gepaste afstand de zeehonden goed bekijken en kun je het natuurlijke gedrag van deze dieren goed waarnemen. Maar de ene verrekijker is de andere niet. Als je besloten hebt om een verrekijker aan te schaffen, let dan goed op de volgende punten: – Vergroting – Helderheid – Gebruiksgemak
Ga voor een verrekijker 8×42 of 10×42. Het eerste getal staat voor de vergroting: 8×42 kan dus 8x vergroten, 10×42 kan 10x vergroten. Omdat zeehonden vaak in zee zwemmen, of op zandbanken rusten is het wijs om voldoende vergroting te kiezen. Zo krijg je de zeehonden goed in beeld. Het tweede getal staat voor de diameter van het objectief. Hoe groter de diameter, hoe meer licht er wordt opgevangen en hoe helderder het beeld.
Houd tenslotte ook rekening met het gebruiksgemak. Meer vergroting en een grotere diameter is leuk, maar hiermee wordt de verrekijker ook automatisch zwaarder en lastiger te hanteren. Ga dus voor jezelf na wat je het belangrijkste vindt en maak vervolgens je keuze. Denk ook na over je budget. Als je een beperkt budget hebt dan is bijvoorbeeldVortexeen goede keuze. Hier hebben we persoonlijk goede ervaringen mee. Maakt het budget niet zoveel uit, dan kun je natuurlijk voor een Zeiss of Swarovski gaan!
Veruit de meeste zeehonden in Nederland leven in de Waddenzee, dus op de Waddeneilanden en in de rest van het Waddengebied maak je een goede kans om zeehonden te zien.
Texel
Op Texel maak je een goede kans op zeehonden bij de zandbank De Razende Bol. Hier zijn bij laag water bijna altijd zeehonden te zien. Voor de beste zeehondenervaring boek je een boottocht. Zo kom je veel dichterbij de dieren, zonder dat je ze afschrikt, en de boottochtleiders weten precies waar ze moeten zijn. Daarnaast kun je ook een bezoek brengen aan Ecomare. Hier leer je alles over de zee en zijn zeehonden van dichtbij te bekijken.
Overige eilanden
Ook vanaf de andere eilanden zijn zeehonden te zien. Op de zandbanken rondom zijn vaak vaste groepen zeehonden te zien. Op Engelsmanplaat, een zandbak tussen Ameland en Schiermonnikoog, rusten soms honderden zeehonden. Een andere goede plek is de zandbank de Richel, in de buurt van Vlieland. Op sommige eilanden kunnen ook boottochten geboekt worden, om nog dichter bij zeehonden in de buurt te komen.
Vanaf een boottocht heb je kans om zwemmende zeehonden van dichtbij te zien
Kraamkamer van de Wadden
In de Dollard, de monding van de Eems, is ook een goede kans om zeehonden te spotten. Er is hier zelfs een speciaal kijkscherm geplaatst, om zeehonden van dichtbij te kunnen bekijken. Omdat de zandbanken hier dichtbij de kust liggen en je achter een scherm staat, kun je zeehonden van heel dichtbij zien zonder dat ze het in de gaten hebben.
Zeehonden kijken in het Deltagebied
Een goede plek in het Deltagebied om zeehonden te zien is in het Grevelingenmeer, bij Brouwersdam. Hier leven ze vooral bij het eilandje Stampersplaat. Ook hier worden excursies georganiseerd om de zeehonden van dichterbij te kunnen bekijken. Daarnaast kunnen zeehonden ook gespot worden in de Ooster- en Westerschelde. Goede plekken zijn hier de Roggenplaat en de Plompe Toren. Tot slot kun je bij laagwater vanuit uitzichtpunt het Groene Punt in natuurgebied Voornes Duin ook nog zeehonden zien.