Hoe paren vogels?

Reigers

Vogels zijn gestroomlijnde en elegante dieren, maar als het op paren aan komt is het niet voor te stellen dat dit op een elegante manier gebeurt. De bouw van vogels zorgt ervoor dat een paring van vogels er vaak lomp en onhandig uitziet. Maar hoe paren vogels? En hoe vaak paren vogels? Deze en andere vragen worden beantwoord in deze blog.

Ooievaars

Wanneer paren vogels?

Voorjaar is de tijd dat vogels beginnen met paren en broeden. Trekvogels komen vanuit het overwinteringsgebied overgestoken naar het broedgebied. Standvogels worden ook weer luidruchtig als de bladeren aan de bomen en struiken beginnen te groeien en de temperatuur geleidelijk aan stijgt.

In Nederland broeden veel soorten in de periode van maart tot en met juli (broedseizoen). Er zijn echter ook soorten die al eerder broeden, zoals de bosuil en de blauwe reiger. Voorafgaand aan het broeden vindt logischerwijs de paring plaats.

Geslachtsrijp

Wanneer zijn vogels geslachtsrijp? Dat varieert erg per soort. De meeste zangvogels die onze tuin bezoeken zijn na ongeveer een jaar geslachtsrijp en kunnen dan paren. Maar er zijn ook uitzonderingen: ooievaars zijn na drie jaar geslachtsrijp, zeearenden na vier jaar en albatrossen beginnen pas met broeden na een jaar of zes. Over het algemeen is het zo dat hoe groter de vogel wordt, hoe langer het duurt voordat ze geslachtsrijp zijn


Lees ook: waar leven dassen?


Hoe vaak paren vogels?

De frequentie van paren verschilt ook sterk per vogelsoort. Er zijn vogels die maar één legsel per jaar hebben, maar Turkse tortels kunnen tot wel vijf legsels per jaar hebben. Het eerste legsel is vaak al eind februari en dit kan doorgaan tot in november! Andere soorten, zoals bijvoorbeeld de ransuil, legt maar één legsel per jaar (en paart dan ook maar één keer), een tweede legsel is uiterst zeldzaam.

Ransuil
De meeste uilen in Nederland broeden maar één keer per jaar

Vaak wordt er voor een succesvol legsel wel meerdere keren gepaard. In een periode van ongeveer een week paren man en vrouw vogel meerdere keren om zo de kans op bevruchte eicellen zo hoog mogelijk te maken. Iedere eicel wordt namelijk apart bevrucht. Aan iedere legsel gaan over het algemeen dus meerdere paringen vooraf.

Hoe paren vogels?

Voor de paring dienen trekvogels eerst terug te gaan naar het broedgebied. Tussen de al aanwezige standvogels zoeken de mannetjes een territorium en gaan daarna op zoek naar een geschikt vrouwtje. Bij de meeste soorten moeten mannetjes goed hun best doen om de vrouw ervan te overtuigen dat hij het meest geschikt is. Dit doen ze op bijzondere en uiteenlopende manieren.


Lees ook: waarom vliegen vogels in een v-vorm?


Dit doen ze allereerst met behulp van de zang. In het voorjaar zijn dan ook tal van vogelgeluiden te horen, de een nog luider en uitbundiger dan de ander. Daarnaast proberen mannetjes vrouwtje te verleiden met hun uiterlijk, vliegkunsten en andere baltsrituelen. Een van de bijzonderste baltsrituelen die je in Nederland kunt zien is die van de fuut. In het water bewegen man en vrouw met de borst tegen elkaar omhoog en schudden druk met het hoofd. Tijdens deze balts halen ze alles uit de kast en brengen ze elkaar zelfs cadeautjes.

Baltsende futen (Saxifraga - Jan Nijendijk)
Baltsende futen zijn een prachtig fenomeen om waar te nemen (Saxifraga – Jan Nijendijk)

De daad

Als het mannetje genoeg indruk gemaakt heeft op het vrouwtje, dan krijgt hij toestemming om te paren. Dit ziet er nogal lomp en onhandig uit. Het mannetje duikt bovenop het vrouwtje en is er vaak binnen een paar seconde weer vanaf.

Houtduif paring
De paring tussen vogels ziet er vaak onhandig uit

De meeste vogels hebben inwendige geslachtsorganen. Bij enkele soorten, zoals eenden en ganzen, hebben de mannetjes nog een uitwendig geslachtsorgaan in de vorm van een penis, maar de meeste soorten zijn deze tijdens de evolutie kwijtgeraakt. Bij deze vogels is enkel een cloaca te zien. Dit is een opening in het lichaam waar zowel de ontlasting als de genitale afscheidingen (ook de eieren) het lichaam verlaten.

Voor de paring is het noodzakelijk dat de cloaca van man en vrouw met elkaar in verbinding komen, de zogeheten cloaca kus. Dit gebeurt doordat de cloaca opzwelt met behulp van hormonen. Via kanaaltjes kan de man dan het sperma overbrengen in de cloaca van de vrouw, waarna de eicellen bevrucht worden. Dit gebeurt al vaak binnen één seconde. Tel daar het juist positioneren bij op en de hele paring duurt vaak niet meer dan een aantal seconden.

De paring bij ringmussen

Zijn vogels monogaam?

Binnen de klasse vogels worden er verschillende strategieën op nagehouden wat betreft paren. Er zijn een aantal vogelsoorten, zoals ganzen, zwanen en veel roofvogels welke een partner hebben voor het leven. Deze soorten zijn monogaam. Daarnaast is er nog een grote groep vogelsoorten, waaronder veel zangvogels, welke ieder broedseizoen een nieuwe partner zoeken. Tot slot zijn er ook nog soorten, zoals de heggenmus, waarbij zowel de mannetje als de vrouwtjes meerdere partners hebben. Vogels zijn dus bij lange na niet allemaal uitgesproken monogaam.

Grijze kroonkraanvogel
Kraanvogels, zoals deze grijze kroonkraanvogels zijn monogaam en hebben dus een partner voor het leven

Paren vogels met andere soorten?

Naast dat er vogelsoorten zijn welke met verschillende individuen van dezelfde soort paren, komt het ook voor dat twee verschillende soorten met elkaar paren. Dit wordt veelal vastgesteld bij eenden en andere watervogels. Bij de wilde eend is bijvoorbeeld vastgesteld dat deze met meer dan 40 andere soorten kan kruisen. Maar eenden zijn zeker niet de enige. Naar schatting is er bij zo’n 16% van alle vogelsoorten hybridisatie vastgesteld. Andere voorbeelden van soorten waarbij hybridisatie zeker is zijn mezen, kolibrie’s en meeuwen.


Lees ook: hoe maakt een bij honing?


Stekelstaarten, brilduikers en zaagbekken – eenden in Nederland – deel V

Nonnetje

Nadat in deel III en deel IV van de blogserie ‘eenden, ganzen en zwanen in Nederland’ de grondeleenden uitvoerig zijn besproken, komen in deel V de stekelstaarten, brilduikers en zaagbekken aan bod. Allereerst worden de soorten besproken die in Nederland broeden. Daarna volgen nog de winter- en dwaalgasten.

Stekelstaarten, brilduikers en zaagbekken

In dit deel van de serie behandelen we drie geslachtgroepen binnen de eendenfamilie: stekelstaarten (Oxyura), brilduikers (Bucephala) en de zaagbekken (Mergus, Mergellus, Lophodytes). Het geslacht stekelstaarten bestaat uit zes soorten wereldwijd, de brilduikers uit drie en de groep zaagbekken bestaat uit zes soorten wereldwijd. De laatste groep, de zaagbekken, zijn grote vogels die allemaal vis eten en hun naam te danken hebben aan de gekartelde rand van de bek (welke ze helpt bij het eten van vis).

Grote zaagbek mannetjes
Een groep mannetjes grote zaagbekken

Broedende soorten

Allereerst zullen de soorten besproken worden die in Nederland broeden. Daarna bespreken we nog een zaagbek die hier als wintergast te bewonderen is en zijn er nog een aantal dwaalgasten.

Rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis)

We trappen de lijst af met een exoot. De rosse stekelstaart komt van oorsprong uit Noord-Amerika, maar heeft zich in West-Europa weten te vestigen vanuit privé-collecties. Omdat deze rosse stekelstaart een bedreiging vormt voor de zeldzame, inheemse witkopeend, staat deze op de Europese lijst van invasieve exoten.

De rosse stekelstaart is een kleine eend, welke een lichaamslengte bereikt van 35 tot 43 centimeter. De spanwijdte varieert van 53 tot 62 centimeter. Het mannetje is overwegend kastanjebruin gekleurd, met een zwarte kop en hals, met witte wangen en een blauw snavel. Ze hebben een omhoog wijzende staart. Het vrouwtje is rossig bruin en heeft een zwarte snavel en licht gekleurde wangen.

Rosse stekelstaart (Saxifraga - Bart Vastenhouw)
Mannetje rosse stekelstaart heeft een blauwe snavel en een omhoog wijzende staart (Saxifraga – Bart Vastenhouw)

Leefwijze

Rosse stekelstaarten vinden we in Nederland voornamelijk op ondiepe binnenwateren, zoals moerassen. Het menu is zowel dierlijk als plantaardig. Hoofdzakelijk worden ongewervelden en waterplanten gegeten.

Uit de meest recente cijfers blijkt dat er zo’n 15 tot 30 broedparen in Nederland te vinden zijn. Meestal wordt er gebroed in de dichte oevervegetatie, maar veel is er niet bekend over het broedgedrag van rosse stekelstaarten in Nederland. De rosse stekelstaart is in Nederland hoofdzakelijk een standvogel.

Invasief

In Engeland wordt er actief beheer uitgevoerd voor het terugdringen van de populatie rosse stekelstaarten. Doordat deze hybridiseerd met de inheemse (maar niet zo algemene) witkopeend, vormt het een serieuze bedreiging voor de (genetische zuiverheid van de) witkopeend.


Lees ook: uilen in Nederland – deel I


Brilduiker (Bucephala clangula)

De eerste inheemse soort in deze blog is de brilduiker. Brilduikers worden 40 tot 51 centimeter groot en bereiken een spanwijdte van 77 tot 83 centimeter. Mannetjes hebben een donkergroene kop en twee kenmerkende vlekken bij de neus, welke lijken op een soort knijpbrilletje. Hieraan heeft deze eendensoort zijn naam te danken. Ze hebben verder gele ogen een zwarte rug en staart en een witte onderzijde. De flanken zijn fijn zwart gestreept. Vrouwtjes hebben een bruine kop met een grijs lichaam en een witte band in de nek. Ze hebben beide een zwarte snavel, echter heeft het vrouwtje er een gele vlek op. Zowel het mannetje als het vrouwtje heeft een wat puntig hoofd.

Brilduiker
De kenmerkende witte vlekken net naast de snavel doen lijken alsof de eend een knijpbril draagt

Leefwijze en voedsel

Brilduikers vinden we in Nederland voornamelijk in ondiepe wateren dichtbij de kust. Maar ook meren met aangrenzende bossen zijn geschikt als leefgebied. Ze eten voornamelijk dierlijk materiaal, in de vorm van waterinsecten, kreeftachtigen en mossels. In Nederland eten brilduikers hoofdzakelijk driehoeksmossel. Er worden echter ook soms waterplanten gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

De brilduiker zoekt een holte in boom dichtbij het water uit als broedplek. Holle bomen langs meren en rivieren zijn dus cruciaal voor deze eendensoorten. Ook oude spechtengaten worden gebruikt als broedplek. Hier in Nederland worden vaak holtes in oude knotbomen gebruik.

Het is echter een zeer schaarse broedvogel in Nederland. Het aantal broedpaartjes brilduikers in Nederland is jaarlijks maar beperkt tot een handjevol. Veel algemener zijn ze als wintergast in ons land. In het najaar krijgen we bezoek van duizenden brilduikers uit onder andere Scandinavië. Eind februari verlaten ze ons land weer om terug te keren naar hun broedgebied.

Nonnetje (Mergellus albellus)

Dan zijn we aangekomen bij de zaagbekken. De eerste zaagbek die we bespreken is het nonnetje, ook wel de kleine zaagbek genoemd. Deze is opgenomen in de lijst van broedende eenden in Nederland, terwijl het broedgebied eigenlijk een stuk noordelijker ligt. Toch zijn er de laatste jaren een aantal broedparen te vinden in ons land, de vraag is echter of het hier gaat om ontsnapte exemplaren of wilde exemplaren.

Nonnetjes bereiken een lichaamslengte van 38 tot 44 centimeter en een spanwijdte van 55 tot 69 centimeter. Vooral de mannetjes zijn ware prachtdieren. Het verenkleed is wit, met een zwart strepenpatroon en een zwart masker. Vrouwtjes zijn overwegend grijs en hebben een bruine kop. Beide geslachten hebben een stevige snavel, voorzien van een kleine haak en kartelrand, waarmee ze goed aangepast zijn op het eten van vis.

Nonnetje (Saxifraga - Piet Munsterman)
Het mannetje nonnetje heeft een fraai wit met zwart verenkleed (Saxifraga – Piet Munsterman)

Leefwijze en voedsel

Nonnetjes leven voornamelijk op zoet water. In Nederland zien we ze vooral in de winter, dan zijn deze prachtige eenden in groten getale te vinden op het Markermeer en IJsselmeer. Verder zijn ze ook te vinden op rivieren en omliggende plassen.

Het dieet van het nonnetje bestaat voor een groot deel uit vis. Vooral in de winter wordt voornamelijk vis gegeten. Welke vis is vooral afhankelijk van wat er in groot aantal aanwezig is. In het broedseizoen wordt er echter een stuk gevarieerder gegeten. Dan pakken ze ook ongewervelden, amfibieën en plantaardig voedsel.

Voortplanting en trekgedrag

In principe staan nonnetjes in Nederland te boek als doortrekkers en overwinteraars in grote aantallen), maar in 2010 werden er plots enkele succesvolle broedgevallen waargenomen in Friesland. Het kan hier natuurlijk gaan om ontsnapte exemplaren, maar daar waren geen aanwijzingen voor (ongeringd en puntgave vleugels). Het is niet uit te sluiten dat dit dus wilde vogels zijn, die veel zuidelijker zijn gaan broeden dan gebruikelijk is voor de soort.

Nonnetjes zijn broedconcurrenten van brilduikers. Ze broeden beide in holten van bomen die dicht aan het water staan. Deze strijd gaat er heftig aan toe, waarbij het nonnetje vaak dominant is. Wanneer de jongen uit het ei komen springen ze vrijwel direct het water in, op zoek naar voedsel.

Middelste zaagbek (Mergus serrator)

Een zaagbek die iets regelmatiger broedt in ons land is de middelste zaagbek. Middelste zaagbekkken worden 52 tot 58 centimeter groot en bereiken een spanwijdte van 70 tot 86 centimeter. Mannetjes hebben een zwarte kop met een wilde kuif. Daarop volgend een witte nek met een roestbruine borst. Verder hebben ze zwarte bovendelen en witte vleugelvlekken, welke ook in vlucht goed zichtbaar zijn. Vrouwtjes hebben een bruine kop met verder een overwegend grijsbruin verenkleed.

Middelste zaagbek man (Saxifraga - Henk Sierdsema)
Middelste zaagbekken hebben een opvallende, wilde kuif (Saxifraga – Henk Sierdsema)

Leefwijze en voedsel

De middelste zaagbek leeft hoofdzakelijk aan de kust, maar soms ook op binnenwateren. Overwinteren doen ze op zee. Ze zijn in het algemeen dus te vinden op zout en brak water. Het menu bestaat grotendeels uit vis. Met hun dunne maar krachtige, gekartelde snavel zijn ze instaat gladde vis te vangen. Naast vis worden er ook kreeftachtigen en insecten gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

In Nederland broeden er jaarlijks enkele tientallen vogels. Dit gebeurt met name in het delta-gebied. Middelste zaagbekken broeden soms in halfkolonies. De jongen kunnen ongeveer twee maanden nadat ze uit het ei zijn gekomen vliegen.

Ondanks dat er jaarlijks een aantal broedparen in ons land zijn, is de middelste zaagbek in Nederland toch meer een wintergast. Vanaf september bezoeken de middelste zaagbekken het overwinteringsgebied en zijn dan in groten getale te vinden.

Middelste zaagbek
Middelste zaagbek man en vrouw

Wintergasten & dwaalgasten

Dat waren de broedende soorten. Onderstaande eenden hebben nog nooit gebroed in ons land en zijn dan ook enkel als wintergast, of zelfs alleen als dwaalgast waar te nemen.

Grote zaagbek (Mergus merganser)

Tot slot nog de laatste zaagbek: de grote zaagbek. Deze zaagbek broedt niet in Nederland, maar overwinterd hier wel. Grote zaagbekken bereiken een lichaamslengte van 58 tot 66 centimeter en een spanwijdte van 82 tot 97 centimeter.

Grote zaagbekken hebben een langgerekt lichaam, wat vooral in vlucht opvalt. Ze hebben, net als de middelste zaagbek, een lange, smalle snavel met tandjes en een omlaag gebogen haak op het einde. Mannetjes hebben een zwartgroene kop, hals en rug. De rest van het verenkleed is contrasterend wit. Vrouwtjes hebben een roestbruine kop met een stekelige kuif. Verder is het verenkleed overwegend grijs.

Grote zaagbek vrouw met kuikens
Vrouwtjes grote zaagbekken lijken veel op vrouwen middelste zaagbek, maar zijn groter

Vrouwtje middelste- en grote zaagbek lijken veel op elkaar. De vrouwtjes van de grote zaagbek zijn logischerwijs groter. Daarnaast is de overgang van de bruine kop naar het witgrijs in de hals hard, bij middelste zaagbekken gaat dit meer vloeiend. Verder hebben ze (grote zaagbekken vrouwen) meer wit in de borst.

Leefwijze en voedsel

In tegenstelling tot middelste zaagbekken leven grote zaagbekken graag op grote meren en rivieren, voorzien van zoet water. In Nederland is de soort bijvoorbeeld veel te vinden op het IJsselmeer, maar ook op de grote rivieren zoals de Maas.

Grote zaagbekken zijn uitgesproken carnivoren. Het menu bestaat hoofdzakelijk uit vis, maar daarnaast worden ook andere dieren gegeten, zoals insecten amfibieën en kleine vogels.

Trekgedrag

Broeden doen grote zaagbekken niet in Nederland, maar meer in Scandinavië en Rusland. Rond oktober komen ze weer in Nederland terecht om te overwinteren. Ons land is een belangrijke overwinteringsplek voor de Noord-Europese populatie. De aantallen die hier overwinteren wordt sterk beïnvloed door hoe streng de winter is.

Grote zaagbek man
Grote zaagbek mannetjes hebben een contrasterend verenkleed

Dwaalgasten

Dan blijven nog de dwaalgasten over. Allereerst de buffelkopeend (Bucephala albeola), welke tot hetzelfde geslacht behoort als de brilduiker. Het is een soort die eigenlijk in Noord-Amerika broedt, waarvan enkele waarnemingen in Nederland. Volgens Dutch Avifauna zijn er echter meer gevallen bekend van ontsnapte kooivogels dan van echte wilde exemplaren.

Daarnaast kan de witkopeend (Oxyura leucocephala) nog wel eens opduiken. Deze soort broedt onder andere in Zuid-Spanje, maar wordt dus soms ook wel als dwaalgast in ons land gezien. Zoals je ziet lijkt deze soort erg op de exoot de rosse stekelstaart. In landen waar de witkopeend dan ook meer voorkomt vormt deze exoot ook een serieuze bedreiging voor de soort.

Witkopeend (Saxifraga - Jan van der Straaten)
De witkopeend broedt onder andere in Zuid-Spanje, maar wordt soms in ons land gezien (Saxifraga – Jan van der Straaten)

Tot slot nog de kokardezaagbek (Lophodytes cucullatus), wederom een soort uit Noord-Amerika. De soort wordt zo nu en dan gezien in Nederland, maar dit is een mix van ontsnapte kooivogels en echte dwaalgasten die de tocht over de oceaan doorstaan hebben.

Wat eten salamanders?

Salamander

Salamanders zijn prachtige amfibieën om te zien, maar wat eten deze kleine dieren eigenlijk? Eten ze dierlijk of plantaardig voedsel, of juist allebei? En eten alle salamanders hetzelfde? Zijn salamanders daarnaast ook zelf een lekker hapje voor andere dieren? In deze blog geven we op al deze vragen antwoord.

Salamander

Wat eten salamanders?

Het menu van salamanders is zeer uitgebreid en niet altijd hetzelfde. Het heeft er vooral mee te maken waar de salamander zich op dat moment bevindt. De meeste salamanders leven namelijk niet het hele jaar door op dezelfde plek.

Watersalamanders leven gedurende het jaar gedeeltelijk in het water en gedeeltelijk op land. Hierin verschilt het per soort hoe lang ze door brengen in het water. De vinpootsalamander en kamsalamander blijven een groot deel van het jaar in het water, andere watersalamanders keren na de voortplantingsperiode vaak snel weer terug naar land. Landsalamanders zoals de vuurslamander komen daarentegen bijna helemaal niet in het water.


Lees ook: salamanders in Nederland


Het menu op het land

Het menu op het land bestaat uit dierlijk voedsel. Dit vangen ze met behulp van hun kleverige tong. De manier waarop ze prooien vangen kan zowel op een actieve, als een passieve manier. Bij een actieve jacht gaat de salamander achter zijn prooi aan om hem te grijpen. Bij een passieve jacht wacht de salamander geduldig af in een hinderlaag, totdat er een prooi voorbij komt.

Tijdens deze jacht pakken ze al het dierlijk spul wat in hun mond past. Insecten (en de larven daarvan) zoals langpootmuggen en (dans)muggen worden graag gegeten. Ook wormen, slakken, naaktslakken en spinnen worden gegeten. Daarnaast kunnen grotere salamanders soms ook kleine salamanders grijpen. Juveniele landsalamanders zijn net zoals hun ouders, ze eten wat in de mond past. Dit zijn vaak prooien zoals fruitvliegjes en andere kleine insecten.

Triturus cristatus 4, Kamsalamander, Saxifraga-Kees Marijnissen
Bij kamsalamanders is het bekend dat ze soms kleinere soortgenoten eten (Saxifraga-Kees Marijnissen)

Het menu onder water

Ook in het water wordt er dierlijk gegeten. En ook hier pakken ze alles wat ze tegen komen en in hun mond past. Garnaaltjes, watervlootjes, kreeftachtigen, bootsmannetjes, muggenlarven, bloedzuigers en zelfs kikkervisjes worden gegeten.

Voor juveniele soorten geldt hetzelfde: ze eten wat in hun mond past. Vaak zijn dit watervlooien en andere kreeftachtigen zoals eenoogkreeftjes en kieuwpootkreeftjes.

Salamanders hebben wel tanden, maar dienen (net zoals bij kikkers en padden) alleen om een prooi vast te houden en niet om te scheuren. Dit betekent dat ze de prooi in zijn geheel door moeten slikken.


Lees ook: wat is het verschil tussen een amfibie en reptiel?


Eten alle salamanders hetzelfde?

In principe zijn alle salamanders carnivoor, maar afhankelijk van het formaat, de leefwijze en het leefgebied kan het menu toch onder soorten flink verschillen. Als voorbeeld: de vuursalamander (de grootste salamander van ons land) wordt tot 20 centimeter groot en leeft voornamelijk op land. De vinpootsalamander (de kleinste salamander van ons land) wordt negen centimeter en overwintert soms in water. Het menu van deze twee salamanders is dus logischerwijs een wereld van verschil.

Vuursalamander
De vuursalamander is de grootste salamander van ons land en kan tot 20 centimeter groot worden

Wanneer eten salamanders?

Salamanders zijn nachtactieve dieren. Overdag houden ze zich schuil op een veilige plek, zoals onder een steen of een boomstronk of in het hoge gras. ’s Nachts gaan salamanders erop uit en begint de jacht. Er wordt dan actief of passief op prooien gejaagd, welke in hun geheel worden ingeslikt.

Vanaf november tot ongeveer februari/maart (afhankelijk van het weer) houden salamanders een winterslaap. Tijdens deze periode houden ze zich schuil op een veilige plek en is het lichaam een lange periode inactief. In de periode voordat de winterslaap begint, vetten de dieren zoveel mogelijk op om deze periode te kunnen overleven. Salamanders zijn koudbloedige dieren, wat betekent dat de (lichaams-)temperatuur te laag is gedurende de winterslaap om eten te verteren. Drinken doen ze in de periode ook niet, maar vocht wordt uit de atmosfeer opgenomen via de huid.

Worden salamanders ook gegeten?

Salamanders zijn zelf ook een belangrijke (en voedzame) bron van voedsel voor veel verschillende diersoorten. Allereerst moeten salamanders waakzaam zijn voor vogels. Vogelsoorten zoals reigers en ooievaars eten salamanders, maar ook kraaiachtigen zoals de ekster en de gaai zullen een salamander grijpen als de kans zich voordoet. Ook voor roofvogels en uilen moeten salamanders uitkijken.

Ook voor zoogdieren moeten salamanders oppassen. Het is bekend dat salamanders onderdeel van het dieet zijn voor onder andere spitsmuizen, ratten, wasberen en zelfs egels. Daarnaast pakken gedomesticeerde katten ook salamanders. Gezien het groot aantal loslopende gedomesticeerde katten kan dit lokaal voor sommige bijzondere salamanderpopulaties een probleem vormen. Verder is ook bekend dat slangen soms salamanders eten.

De larven van salamanders

De larven van salamanders kennen ook predatoren. Een van de niet-natuurlijke predatoren in Nederland is de invasieve exoot de Amerikaanse stierkikker. Dit zijn zeer grote kikkers die logischerwijs veel eten en in poelen ervoor kunnen zorgen dat het voortplantingsucces van salamanders zeer laag is.

Poel na 1 seizoen
Wil je zelf salamanders in je poel, kies dan voor geen (of weinig) vis (bron foto: de Natuur van hier)

Daarnaast zijn vissen een belangrijke predator van salamanderlarven. Voortplantingspoelen van salamanders dienen dan ook visvrij te zijn om de voortplanting van salamanders in een gebied succesvol te laten zijn. Dit is dan ook de reden dat poelen die in de zomer korte tijd droog vallen uitermate geschikt zijn voor salamanders en andere amfibieën. Wil je zelf salamanders in je visvijver? Zorg er dan voor dat er niet te veel vis in zit en dat er visvrije plekken zijn waar salamanderlarven veilig kunnen opgroeien. Of beter nog: kies voor een visvrije poel en laat de salamanders, kikkers en padden in je tuin floreren!


Lees ook: poel aanleggen in de tuin


Op zoek naar bijzondere soorten in het Kempen~Broek

Kettingdijk maart 2024 (de Natuur van hier)

Een samenwerking tussen Tjif en Tjaf en de Natuur van hier

In deel I van deze blogserie gaan we samen met podcastmakers Tjif en Tjaf op zoek naar bijzondere vogels in het grensoverschrijdende natuurgebied Kempen~Broek. In dit gebied worden verschillende natuurgebieden zo goed mogelijk met elkaar verbonden en speelt water een belangrijke rol. Een uitstekende plek om op zoek te gaan naar een grote diversiteit aan vogels en andere dieren. In aflevering vier van seizoen vijf van Tjif en Tjaf hoor je welke soorten we hebben gezien. In deze blog lees je alvast de nodige informatie over het gebied en welke soorten je zoal tegen kunt komen.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Kempen~Boek

Kempen~Broek is een groot gebied dat zich uitstrekt over Noord-Brabant, Nederlands Limburg en Belgisch Limburg. Naast natuurgebieden zijn in het gebied ook dorpskernen, landbouwgebieden en recreatiegebieden te vinden. In het grensoverschrijdende project wordt er hard gewerkt om de natuurgebieden van noord tot zuid met elkaar te verbinden. Grofweg omvat Kempen~Broek de gemeenten Cranendonck, Weert, Nederweert, Bocholt (BE), Bree (BE), Kinrooi (BE) en Maaseik (BE).

In dit uitgestrekte gebied zijn weilanden, hooilanden, beekvalleien, moerassen, heiden, vennen en bossen te vinden. Een lappendeken van verschillende natuurtypen, waarbij water een cruciale rol speelt en droge en natte gebieden zich steeds afwisselen. Dit gevarieerde landschap kent een hoge biodiversiteit en herbergt een aantal bijzondere soorten.

Bekende natuurgebieden binnen het Kempen~Broek zijn de Weerter- en Budelderbergen, Tungelerwallen, De Luysen, Kettingdijk, Wijfelterbroek en Stramprooierbroek.

Van onschatbare waarde

Van oorsprong is Kempen~Broek een groot waterbergend moerasgebied. Het landschap werd echter tegen het einde van de vorige eeuw grootschalig ontgonnen. Kanalen werden door het landschap getrokken om het water snel af te kunnen voeren. Het land werd hierdoor bewerkbaar en kon gebruikt worden als landbouwgrond.

Ecosysteemdiensten

Tegenwoordig wordt er echter op steeds meer plekken in het gebied ervoor gekozen om de oorspronkelijke staat weer terug te brengen. Voornamelijk aan de bovenloop van beken en rivieren wordt ervoor gekozen de gebieden weer in te richten als moeras om zo het water langer vast te houden in het gebied. Dit biedt tal van voordelen, omdat dit landschap ons voorziet van tal van ecosysteemdiensten.

Allereerst dus het vasthouden van water. Doordat het water in natte periodes langer wordt vastgehouden, wordt er voorkomen dat dorpen wateroverlast hebben. In drogere periodes kan daarentegen het water geleidelijk worden vrijgegeven wat oogstschade door langdurige droogte in de landbouw aanzienlijk kan beperken.

Andere ecosysteemdiensten zijn bijvoorbeeld het (water)filterend vermogen van het moeras, houtproductie en de CO2-opslag door bossen. Ook biedt het verkoeling en recreatiemogelijkheden.

Rewilding

Het gebied wordt op een bijzondere manier beheerd. Ark Rewilding heeft met haar partners een groot deel van de inrichting van het gebied verzorgd. Hierbij is ervoor gekozen om de natuurlijke processen (denk hierbij aan water en begrazing) zo veel mogelijk hun gang te laten gaan. Dit principe wordt ook wel rewilding genoemd. Hiervoor wordt er nauw samengewerkt met Natuurmonumenten, die het eindbeheer zal verzorgen.

Tauros

In het Kempen~Broek is ervoor gekozen om het gebied te begrazen met taurossen. Deze bijzondere runderen zijn voortgekomen uit een internationaal fokprogramma, waarbij getracht wordt een rund voort te brengen welke genetisch gezien zoveel mogelijk in de buurt komt van het oerrund, welke in 1627 is uitgestorven.

Tauros gedrag (Ark Rewilding)
Het bijzondere gedrag van taurossen in beeld gebracht (bron: Ark Rewilding)

Naast Kempen~Broek zijn taurossen ook terug te vinden in Nederland in het natuurgebied Maashorst, maar ook op plekken elders in Europa. De taurossen zijn zelfredzaam en zorgen voor jaarrond begrazing in het gebied. Doordat er de afgelopen jaren hard is gewerkt aan het verbinden van natuurgebieden, hebben de dieren een groot aaneengesloten gebied waarin ze kunnen grazen. Hierdoor ontstaat er een grote variatie in vegetatiestructuur, wat leidt tot bijzondere flora in het gebied.

De tauros is niet de enige grote grazer die je kunt tegenkomen in het Kempen~Broek. Er worden verder nog exmoorpony’s, konikpaarden, galloway runderen en Schotse hooglanders ingezet om het gebied open te houden.

Oog op de toekomst

Recent is er bekend geworden dat er een geldbedrag van circa een miljoen euro is vrijgemaakt om Kempen~Broek en de aangrenzende gebieden Nationaal Park Hoge Kempen en RivierPark Maasvallei beter met elkaar te verbinden en verder in te richten. Hiermee moet het gebied nog interessanter worden voor wildlife en zet men in op het aantrekken van topsoorten zoals de zeearend, visarend, otter en de zwarte ooievaar. Hiermee wordt het gebied nog aantrekkelijker voor natuurliefhebbers.

Kempen~broek
Soortenaantallen in het Kempen~broek (bron: kempenbroek.eu/nl)

Zoogdieren

Het Kempen~Broek kent een grote diversiteit aan dier- en plantensoorten. Naast bijzondere soorten als de boomkikker (Hyla arborea) en de grote weerschijnvlinder (Apatura iris) is het gebied ook een belangrijke plek voor tal van zoogdieren. We lichten er hier enkele uit.

Bever
(Castor fiber)

De bever, het grootste knaagdier van Europa, voelt zich prima thuis in de natte gebieden van het Kempen~Broek. Met een kop-romplengte van 70 tot 100 centimeter en een staart van 25-35 centimeter is het een fors dier welke zich opvallend goed in het water kan voortbewegen. De impact van de bever op het gebied is groot en zorgt voor een biodiversiteitsimpuls.

Bever
Bunzing

Bunzing
(Mustela putorius)

De bunzing, een wat kleinere marterachtige, die houdt van een bosachtig landschap. Bunzingen houden daarnaast ook van een vochtig gebied. Het zijn dan ook uitstekende zwemmers. Deze nacht-actieve zoogdieren zijn uitstekende jagers en eten zoal muizen, ratten en soms zelfs konijnen. Bunzings zijn goed te herkennen aan hun chocoladebruine vachtkleur en kenmerkende boevenmasker.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Wild zwijn
(Sus scrofa)

Een ander zoogdier dat zich thuis voelt in het Kempen~Broek is het wild zwijn, ook wel bekend als everzwijn. Deze imposante dieren bereiken een kop-romplengte van 130 tot 180 centimeter. Mannetjes kunnen tot wel 120 kilogram wegen. In andere landen kunnen ze zelfs een lichaamsgewicht van 200 kilogram bereiken!
Wilde zwijnen hebben een dikke, donkere vacht. Daarnaast hebben ze een langwerpige kop, met een afgeplatte snuit. Mannetjes hebben tot slot nog twee slagtanden. Het zicht van wilde zwijnen is slecht, maar daarentegen hebben ze een zeer goed gehoor en sterk reukvermogen. Het zijn echte bosbewoners en voelen zich het meeste thuis in eiken-beukenbossen, waar in het najaar voldoende voedsel (eiken- en beukennootjes) te vinden is. Daarnaast is de aanwezigheid van modderpoelen van groot belang. Met het nemen van modderbaden verzorgen ze namelijk de huid, waardoor ze in goede conditie blijven.

Foto: Saxifraga – Rudmer Zwerver

Wild zwijn (Saxifraga - Rudmer Zwerver)
Edelhert

Edelhert
(Cervus elaphus)

Het edelhert is het grootste op land levende zoogdier in Nederland. Volwassen mannetjes kunnen een schofthoogte van 125 centimeter bereiken en ze kunnen tot 200 kilogram wegen. Mannetjes krijgen een imposant gewei welke tot 15 kilogram kan wegen.
Ooit kwamen edelherten in heel Nederland voor, maar nu zijn ze enkel nog te vinden op een aantal toegewezen plekken, zoals de Hoge Veluwe en het Weerterbos. Daarbuiten geldt een nulstand, wat inhoudt dat ze worden afgeschoten als ze hier voorkomen. Van oorsprong zijn ze bewoners van open bossen, maar ze hebben zich weten aan te passen aan allerlei biotopen.
Edelherten zijn uitgesproken herbivoren. Ze eten zaden, knoppen en scheuten van bomen en struiken. Maar daarnaast eten ze ook grassen, heide, boomschors en wortels.

Vos
(Vulpes vulpes)

Een ander zoogdier dat verspreid over het Kempen~Broek voorkomt is de vos. Dit kleine roofdier (niet veel groter dan een kat) heeft een kop-romplengte van 50 tot 80 centimeter. De vacht is oranjebruin tot roodbruin van kleur. In de winter wordt deze dikker en grijzer.
Vossen zijn echte opportunisten en voelen zich thuis in vele soorten biotopen. Het meest zijn ze echter te vinden in de overgangsgebieden, waar het meeste voedsel te vinden is. Qua voedsel eten ze vrijwel al het dierlijk voedsel wat ze te pakken kunnen krijgen. Daarnaast wordt ook aas en (menselijk) afval gegeten. Vossen maken gebruik van dassenburchten, waar ze in sommige gevallen gelijktijdig gebruik van maken met een dassenfamilie.

Vos
Felis silvestris 7, Wilde kat, Saxifraga-Jan van der Straaten (1)

Wilde kat
(Felis silverstris)

De wilde kat is een forse kat (mede door zijn dikke vacht). Desondanks kunnen gedomesticeerde katten erg op de wilde kat lijken en kan een sluitende determinatie lastig zijn. De belangrijkst kenmerken zijn de dunne, donkere streep die over de rug loopt en de dikke staart voorzien van een zwarte punt en 3-5 zwarte banden.
Na een lange tijd van afwezigheid is de wilde kat sinds 2002 weer voor het eerst waargenomen in Nederland. In 2012 werd voor het eerst in (het Belgische deel) van Kempen~Broek een wilde kat waargenomen met behulp van een cameraval. Wilde katten stellen hoge eisen aan hun leefomgeving, maar desondanks lijkt het Kempen~Broek geschikt te zijn als leefgebied.

Foto: Saxifraga – Jan van der Straaten

Libellen

Ook libellenliefhebbers zijn in het Kempen~Broek op de juiste plek. Met 57 verschillende soorten libellen is het een van de beste plekken binnen de Benelux om op zoek te gaan naar deze vliegende insecten.

De nieuw ontwikkelde natte natuur in het Kempen~Broek, afgewisseld met droge, zanderige stukken blijkt perfect te zijn voor libellen (en andere insecten). De vele vennen en moerasgebieden herbergen een uitgebreide lijst aan juffers en libellen. Onder andere de bruine glazenmaker, vuurlibel, glanslibel, gaffelwaterjuffer, zwervende pantserjuffer, bosbeekjuffer en beekrombout zijn er te vinden.


Lees ook: wat is het verschil tussen juffers en libellen


Vogels

Het afwisselende landschap van het Kempen~Broek is daarnaast bij uitstek een fantastisch gebied voor vogelaars. De afwisseling van droge gebieden met natte gebieden zorgt ervoor dat je op een dag vogels kijken met gemak een lijst van enkele tientallen soorten bij elkaar kunt vogelen. Onderstaand een selectie van vogels die je in het gebied kunt tegenkomen. Benieuwd welke vogels wij gezien hebben tijdens ons bezoek aan Kempen~Broek? Luister dan de podcast aflevering (seizoen 5, aflevering 4) van Tjif en Tjaf!

Grauwe klauwier (bron foto: Tijmen Photography)

Grauwe klauwier
(Lanius collurio)

Een van de top vogelsoorten in het gebied is de grauwe klauwier. Deze zangvogels zijn maar een korte tijd gedurende het jaar te vinden in Nederland, van ongeveer mei t/m augustus. De rest van het jaar brengen ze door in (of onderweg naar/van) het overwinteringsgebied in Afrika.
Grauwe klauwieren komen voor in een ruig, halfopen landschap. Hier jagen ze op grote insecten, zoals kevers en bijen, hagedissen en kleine zoogdieren. Prooien bewaren ze op doornen van bramen en op prikkeldraad, om later op te eten. De mannetjes hebben een grijze kop en een zwart masker. De bovenkant is kastanjebruin en de onderkant is licht van kleur. De vrouwtjes zijn wat minder fel gekleurd, maar wel overwegend bruin met een grijzige kop. Beide geslachten hebben een flinke, zwarte haaksnavel.

Foto: Tijmen Photography

Zang grauwe klauwier (bron: Xeno canto – Ulf Elman)

Nachtzwaluw
(Caprimulgus europaeus)

De nachtzwaluw is een lange afstandstrekker, die overwintert in tropisch Afrika. In Nederland broeden ze in gebieden met zandverstuivingen, open dennenbossen en op heidevelden.
Overdag rusten ze op een tak in een boom en zijn dan haast onzichtbaar met hun goed gecamoufleerde verenkleed. In de schemering is de kenmerkende roep te horen. Ze beginnen dan ook te vliegen. Dit doen ze zeer behendig en zonder veel geluid te maken. Nachtzwaluwen zijn zeer wendbaar en bidden soms in de lucht. Nachtzwaluwen eten hoofdzakelijk nachtvlinders, maar andere grote insecten worden ook gegeten.

Nachtzwaluw
Zang nachtzwaluw (bron: Xeno-canto – Joost van Bruggen)
Roerdomp

Roerdomp
(Botaurus stellaris)

Ook het mysterie van het moeras is te vinden in het Kempen~Broek: de roerdomp. Deze compacte reiger leeft in het moeras, op plekken met meerjarig riet. Hier jagen ze op kikkers (en andere amfibieën), vissen en op muizen.
De roerdomp heeft een geelbruin verenkleed, met donkere vlekken en strepen. Verder hebben ze ook een zwarte kruin. Maar een roerdomp zie je niet zomaar. Ze zijn perfect gecamoufleerd in het riet en nemen een paalhouding aan (het imiteren van riet door rechtop te staan) om nog moeilijker zichtbaar te zijn.
De kans om er een te horen is echter een stuk groter. In het voorjaar maken ze namelijk een laag hoempend geluid wat ontzettend ver door het moeras kan dragen.

Zang roerdomp (bron: Xeno-canto – Radek Grochowski)

Blauwborst
(Luscinia svecica)

De blauwborst is een opmerkelijke verschijning, die in Nederland van maart tot september gezien kan worden. De mannetjes hebben een blauwe kin en borst, afgewerkt met een zwarte en roestbruine rand. De vrouwtjes zijn wat onopvallender gekleed, maar nog steeds goed te herkennen aan de witte wenkbrauwstreep en oranje staartbasis.
Nog mooier dan het verenkleed is de zang. De uitbundige zang van de blauwborst lijkt wat op die van de nachtegaal (die ook tot hetzelfde geslacht behoren). Ze zijn zeer goed in andere vogels imiteren. Kenmerkend aan de zang van de blauwborst is dat deze zich langzaam opbouwt en op het einde versnelt.
Het gaat goed met de blauwborst in Nederland. Zo goed zelfs dat ze niet meer op de Rode lijst staan. Dit heeft te maken met de toename van (riet)moeras in ons land.

Blauwborst
Zang blauwborst (bron: Xeno-canto – Thomas Bergman)
IJsvogel

IJsvogel
(Alcedo atthis)

Ook in het gebied te vinden, is de ijsvogel. Ze bereiken maar een lichaamslengte van maximaal 20 centimeter, maar toch zijn het zeer opvallende vogels. Dit komt met name door hun felle kleuren. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben contrasterende blauwe bovendelen en oranje onderdelen. Verschil is echter op te merken door te kijken naar de onderste snavel: bij mannen zwart, bij vrouwen (bijna volledig) oranje.
Vaak wordt de ijsvogel echter eerder gehoord dan gezien. Ze hebben namelijk een hoge, scherpe roep, welke ze ook in vlucht maken. Hierop volgt vaak dan de fel gekleurde flits die voorbij komt vliegen. Vanuit een schuilhut heb je ook het geluk om een jagende ijsvogel te zien. Vanaf een tak die vlak boven het water hangt wordt er dan actief op visjes gejaagd. Een perfect moment om je camera erbij te pakken.

Roep ijsvogel (bron: Xeno-canto – Albert Lastukhin)

Wielewaal
(Oriolus oriolus)

Een van de meest kleurrijke vogels die je in het Kempen~Broek kunt tegenkomen, is de wielewaal. En ondanks zijn felle kleuren moet je goed je best doen om er een te zien. Horen is echter een stuk makkelijker, voor degene die weet waar hij op moet letten.
De wielewaal is een echte tropische soort, welke overwintert in Midden- en Zuid-Afrika. Het is de enige soort uit de familie wielewalen en vijgvogels die in Nederland te zien is.
Mannetjes zijn opvallend geel-zwart gekleurd, vrouwen en juveniele dieren zijn wat groener van kleur. Ze leven (voornamelijk) in bos met populieren. Hier zitten ze hoog in de boomkronen, waardoor ze moeilijk te zien zijn. De zang is echter zeer opvallend en wie hem eenmaal weet, zal hem niet meer verleren.

Foto: Tijmen Photography

Wielenwaal (Tijmen Photography)
Zang wielewaal (bron: Xeno canto – Stephan Risch)
Middelste bonte specht

Middelste bonte specht (Dendrocoptes medius)

De middelste bonte specht is de zeldzaamste van de drie bonte spechten in Nederland, maar rukt op vanuit het zuiden en het oosten.
Ze komen voor in oude loofbossen, met een groot aandeel eiken. Dit vinden ze in het Kempen~Broek.
De middelste bonte specht is het best van de grote bonte specht te onderscheiden doordat het verenkleed rondom het oog helemaal wit is en door het rode petje. De kleine bonte specht is een stuk kleiner en heeft geen witte schoudervlekken, maar horizontale strepen.
De middelste bonte roffelt zelden, maar de wat klagende roep is dan wel weer goed te herkennen. Meestal zitten middelste bonte spechten hoog in de boomkronen. Hier zijn ze opzoek naar insecten en spinnen. Een klein gedeelte van het dieet is plantaardig. Zo wordt er in het voorjaar soms boomsap gedronken en eten ze in de zomer en het najaar ook noten.

Roep middelste bonte specht (bron: Xeno-canto – Joost van Bruggen)

Lees ook: spechten in Nederland


Zwarte specht
(Dryocopus martius)

Een andere opvallende verschijning in het bos is de zwarte specht. De zwarte specht is de grootste in Europa levende spechtensoort en kan tot wel 57 centimeter groot worden en een spanwijdte bereiken van 75 centimeter.
Het verenkleed is vrijwel geheel zwart, op het rode petje na. Het rood verraad ook of het om een man of vrouw gaat. Vrouwtjes hebben enkel een rood petje op de kruin, bij mannetjes begint het rood al op het voorhoofd en loopt taps toe tot op het achterhoofd.
Zwarte spechten zijn daarnaast goed te herkennen aan het geluid. De roep, welke ze ook in vlucht maken, is opvallend en kenmerkend.
Het menu bestaat hoofdzakelijk uit mieren, maar ook kevers worden gegeten. Zwarte spechten komen vooral voor in gemengde bossen met genoeg naaldhout. Het nest maken ze echter vaak in oude beukenbomen. Ze hakken jaarlijks een nieuw nest uit. Oude nesten worden vaak bezet door andere vogels en zoogdieren, zoals de bosuil en boommarter.

Zwarte specht
Roep zwarte specht (bron: Xeno-canto – Jelle Scharringa)
Buizerd

Buizerd
(Buteo buteo)

Ook voor rovers ben je in het Kempen~Broek aan het juiste adres. De meest algemene roofvogel in Nederland is de buizerd en logischerwijs komt deze dus ook voor in het Kempen~Broek.
Buizerds hebben een zeer gevarieerd verenkleed, van donkerbruin tot bijna helemaal wit. Ze hebben daarnaast brede vleugels met en een korte, brede staart die regelmatig gebandeerd is.
De buizerd houdt zich op bij bossen, afgewisseld met open plekken waar op voedsel wordt gejaagd. Veldmuizen, woelmuizen, konijnen en andere kleine zoogdieren worden veelal gegeten. Soms worden er ook vogels, vissen, amfibieën en aas gegeten. Het nest maken ze in een grote, stevige boom in de bosrand.

Roep buizerd (bron: Xeno-canto – João Tomás)

Havik
(Accipiter gentilis)

Een van de imposantste vogels die in de bossen van Kempen~Broek te vinden is, is de havik. Vooral de vrouwtjes zijn met een lichaamslengte van 58 tot 69 centimeter en een spanwijdte van 108 tot 127 centimeter een indrukwekkende verschijning.
Havikken hebben een donkergrijze bovenkant en een lichte onderkant met dunne grijze strepen. Volwassen exemplaren hebben een witte streep boven het hoofd.
Op het menu staan voornamelijk (hout)duiven en konijnen. Verder worden er ook andere vogels gegeten zoals kraaiachtigen en spreeuwen, maar ook zoogdieren zoals eekhoorns worden gegeten.
Prooien worden actief bejaagd en tijdens de jacht worden hoge snelheden (tot wel 80 km/u) bereikt. Soms worden er bij haviken ook (net zoals bij slechtvalken) stootduiken gezien.
De havik is over het algemeen een vrij stille vogel, enkel in de voortplantingstijd is het gekekker te horen.

Foto: Saxifraga – Martin Mollet

Accipiter gentilis 17, adult, Havik, Saxifraga-Martin Mollet
Roep havik (bron: Xeno-canto – Marek PaliÄka)
Wespendief (Tijmen Photography)

Wespendief
(Pernis apivorus)

Tot slot benoemen we nog een bijzondere roofvogel, waarvan we maar een paar honderd broedparen in Nederland hebben: de wespendief.
Wespendieven lijken qua verenkleed veel op buizerds, maar ze hebben overduidelijk een langere staart met drie, brede dwarsbanden. Mannetjes hebben een wat grijzige kop.
De naam van de wespendief verraadt al voor een groot deel zijn dieet. Wespendieven eten namelijk wespen, bijen en hommels. Ze eten zowel de larven als de volwassen exemplaren. Verder worden ook andere insecten (zoals kevers), kleine zoogdieren en reptielen gegeten.
Wespendieven houden van grote bossen met open terreinen, zoals kruidenrijke graslanden en heidevelden. Ze zijn maar kort in ons land te vinden (enkel om te broeden), van ongeveer mei t/m september. Ze trekken dan naar tropisch Afrika om te overwinteren.

Foto: Tijmen Photography

Roep wespendief (bron: Xeno-canto – Lars Edenius)

Luister de podcast!

Zoals je hebt kunnen lezen, is het Kempen~Broek een zeer gevarieerd landschap van een aaneenschakeling van natuurgebieden met allemaal hun eigen typische soorten. Genoeg te ontdekken dus. Wil je weten wat wij allemaal zijn tegengekomen tijdens ons bezoek aan het gebied? Luister dan naar aflevering 4 van het 5e seizoen van de podcastserie Tjif en Tjaf! In deze podcast nemen de podcastmakers je mee op hun vogelexpedities door het hele land.

Daarnaast kun je zowel de podcast Tjif en Tjaf als de Natuur van hier volgen op Instagram. Enkele foto’s gebruikt in deze blogserie zijn gemaakt door Tijmen Photography.

Zelf Kempen~Broek in

Ben je na het lezen van dit artikel en het luisteren van de podcast enthousiast geworden? Ga dan zelf het gebied in! Op een van onderstaande plekken kun je parkeren (en op een aantal plekken ook wat eten en/of drinken) en kan het avontuur beginnen.

Wat is een bos?

Bossen

Bossen zijn er in alle soorten en maten. Maar wanneer voldoet een bos aan de juiste kenmerken om het een bos te noemen? Is een groep van vijf bomen ook al een bos? En welke soorten bos zijn er allemaal? In deze blog beantwoorden deze en meer vragen om tot een duidelijke omschrijving te komen van de definitie bos.

Een bos is een oppervlakte van begroeiing waarin de boomlaag dominant is. De andere lagen; moslaag, kruidlaag en struiklaag hoeven niet per se aanwezig te zijn, maar zijn dat vaak wel (in wisselende aantallen). Een bos heeft een minimale oppervlakte van 0,5 hectare.

Bos
Vanaf hoeveel bomen spreken we van een bos?

Wat is een bos?

Een bos bestaat over het algemeen uit verschillende lagen. Zo zijn er de moslaag, kruidlaag, struiklaag en boomlaag vaak te vinden. Het is niet per see noodzakelijk dat iedere laag aanwezig is in een bos. De dominantie per kruidlaag kan daarnaast ook verschillen. Ondanks dat de verschillende definities van een bos uiteenlopen, is een dominante boomlaag over het algemeen wel aan de orde.

De minimale oppervlakte om over een bos te kunnen spreken is 0,5 hectare. In een bos kunnen ook open plekken aanwezig zijn. Dit zijn plekken waar de boomlaag ontbreekt, of een stuk minder dominant is. Dit kan een weiland zijn, maar er kan ook sprake zijn van grote plassen of vennen.

Ontwikkeling

Een bos ontstaat door spontane ontwikkeling of wordt door de mens aangeplant. Gedurende de jaren gaat een bos door verschillende ontwikkelingsfase. Allereerst start een bos in de open fase. In deze fase kent het bos een open structuur en bereikt veel zonlicht de bodem. Vervolgens komt het bos in de jonge fase. In deze fase hebben jonge bomen zich verspreid over het gebied weten te vestigen. Nog steeds bereikt het meeste zonlicht de bosbodem, maar is dit percentage wel minder dan in de vorige fase.

Hierna belandt het bos in de dichte fase. In deze fase zijn de aanwezige bomen flink gegroeid en kunnen de boomkronen elkaar raken. Nog steeds bereikt zonlicht de bodem, maar het percentage is in deze fase wel drastisch afgenomen. De hierop volgende fase noemt men de stakenfase. In deze fase hebben de boomstammen de eerste 2 á 3 meter geen zijtakken meer. Daarna komt het bos in de boomfase. In deze fase zijn de bomen volwassen geworden en vormen de kronen een dichte kroonlaag, waarin nog maar weinig zonlicht de bodem bereikt. Ten slotte raak het bos in de aftakelingsfase. In deze fase sterven er bomen en vallen er gaten in de kroonlaag. Nu komt er op steeds meer plekken weer zonlicht op de bodem.


Lees ook: de vijf mooiste bossen in Nederland


Welke soorten bos (in Nederland) zijn er?

Honderden jaren gelden bestond Nederland voor een groot gedeelte uit bos. Enkel grote grazers, zoals paarden en oerrunderen, én natuurrampen zoals bosbranden en orkanen zorgden voor open plekken. Tegenwoordig is nog maar zo’n 10% van Nederland bebost, daarmee behoort ons land tot de landen in Europa met het laagste percentage bosoppervlak.

De bossen die we in Nederland hebben zijn (gelukkig) niet allemaal hetzelfde. Bossen zijn op verschillende manieren onder te verdelen. Allereerst kan er onderscheid gemaakt worden op basis van het soort bomen dat er groeien. Zo zijn er in Nederland naaldbossen en loofbossen. Logischerwijs staan er in een naaldbos alleen maar naaldbomen (zoals spar, den en lariks) en in een loofbos alleen maar loofbomen (zoals beuk, eik en els). Een bos waarin zowel naald- als loofbomen voorkomen noemen we een gemengd bos.

Naaldbos
Naaldbossen bestaan overwegend uit naaldbomen zoals sparren, dennen en lariksen

Productie of natuurlijk?

Daarnaast kan er een onderscheid gemaakt worden op basis van de aard van een bos. Er bestaan productiebossen en natuurlijke bossen. In productiebossen ligt de nadruk op houtwinst of voedsel. In natuurlijke bossen ligt de nadruk op biodiversiteit, recreatie en andere ecosysteemdiensten. Natuurlijke bossen zijn over het algemeen gevarieerder en deze hebben vaak ook een zoomvegetatie en/of een mantelvegetatie (goed ingerichte voedselbossen kunnen dit ook hebben).

Zoom en mantel

Idealiter gaat een weiland, heideveld of landbouwperceel geleidelijk over naar een bos. Zo een type overgang begint dan met een zoom(vegetatie). In dit lijnvormig element groeien veel kruidachtige planten en ruigtekruiden. Hiertussen zijn veel waardplanten en drachtplanten te vinden voor bijen en vlinders. Daarnaast wordt de zoom gebruikt door sommige vogels om in te broeden en wordt het gebruikt als een soort snelweg waarin dieren zich van punt A naar B kunnen verplaatsen.


Lees ook: witte vlinders herkennen


De mantelvegetatie wordt gedomineerd door struiken. Dit is een zeer belangrijk lijnvormig element voor zoogdieren en vogels. Hierin wordt gebroed en kunnen kleine zoogdieren zoals muizen en marterachtigen zich veilig verplaatsen. Ook zijn een aantal inheemse struiken belangrijke waardplanten voor (nacht)vlinders. In natuurlijke mantels rondom Nederlandse bossen vind je soorten zoals braam, sleedoorn, meidoorn, en hondsroos. Deze mantels kunnen (wanneer ze de ruimte krijgen) erg soortenrijk zijn en zeer breed worden.

Geleidelijke overgangen naar bos zijn een bron van leven (Saxifraga - Jan van der Straaten)
Geleidelijke overgangen naar bos zijn een bron van leven (Saxifraga – Jan van der Straaten)

Bostypen

Bossen kunnen daarnaast onderverdeeld worden in verschillende typen, op basis van vochtigheid en vegetatie. BIJ12 heeft voor Nederland twaalf verschillende bostypen geclassificeerd (welke subsidiabel zijn), die grofweg zijn op te delen in vier categorieën: vochtige bossen, droge bossen, productiebossen en cultuurhistorische bossen. Deze vier categorieën zijn weer verder onder te verdelen in twaalf bostypen, ingedeeld op basis van vegetatie of beheertype. Deze twaalf typen zijn te vinden in onderstaande afbeelding.

Bostypen in Nederland (De Natuur van hier)
Bostypen in Nederland (De Natuur van hier)

Ecosysteemdiensten

Bossen zijn enorm belangrijk voor een gezonde leefomgeving. Ze leveren diverse ecosysteemdiensten die ervoor zorgen dat andere plekken leefbaar zijn. Zeker met het oog op klimaatverandering zal de aanwezigheid van voldoende bossen steeds belangrijker worden.

De eerste ecosysteemdienst die bossen leveren is biodiversiteit. Natuurlijk ingerichte bossen zijn een bron van biodiversiteit. Daarnaast is er in veel bossen volop ruimte voor recreatie. Zo kan er worden gewandeld, gefietst/gemountainbiket en zijn er nog tal van mogelijkheden om te recreëren. Verder wordt er hout en voedsel gewonnen in een bos. De (oude) bomen in een bos zorgen verder voor koolstoffixatie, maar koolstof wordt daarnaast ook vastgehouden in de bosbodem.

Ook op het gebied van waterbeheer zijn bossen van essentieel belang. Bossen (met name vochtige bossen) zijn in staat grote hoeveelheden water vast te houden. Dit zorgt ervoor dat omringende steden en landbouwgebieden minder wateroverlast ervaren. Niet alleen kunnen bossen water vast houden, ze zijn ook in staat water te filteren.

Tot slot doen alle bomen en planten in een bos aan fotosynthese. Hierbij worden suikers aangemaakt waarmee planten kunnen groeien. Een belangrijk nevenproduct bij dit proces is het vrijkomen van zuurstof, een essentieel onderdeel voor alle dieren (inclusief wij mensen) op aarde. Tot slot zorgen bossen voor verkoeling op aarde. Met een steeds warmer wordend klimaat kunnen bossen fungeren als natuurlijk zonnescherm, om dorpen en steden leefbaar te houden.


Lees ook: wat is een symbiose?


Bescherming

Er kan wel gesteld worden dat zonder bossen het leven op aarde een stuk minder aangenaam zou zijn. Desondanks wordt er jaarlijks een hoeveelheid bos gekapt, ter grootte van het land Portugal. Hiervan wordt maar ongeveer de helft terug geplant, dus jaarlijks verliezen we ongeveer 5 miljoen hectare aan bos. Ondanks alle ecosysteemdiensten die bossen ons leveren. Het is dus van groot belang dat bestaande bossen beter beschermd worden en dat er een (financiële) waarde gekoppeld wordt aan al de ecosysteemdiensten die bossen (en andere natuurtypen) leveren.

Boskap
Jaarlijks verliezen we wereldwijd zo’n 5 miljoen hectare bos

Veelgestelde vragen

Wat is de definitie van een bos?

Een bos is een oppervlakte van begroeiing waarin de boomlaag dominant is. De andere lagen: moslaag, kruidlaag en struiklaag hoeven niet per se aanwezig te zijn, maar zijn dat vaak wel (in wisselende aantallen). Een bos heeft een minimale oppervlakte van 0,5 hectare.

Waarom zijn bossen belangrijk?

Bossen zijn belangrijk omdat ze veel ecosysteemdiensten leveren, waardoor onze leefomgeving leefbaar is en blijft. Voorbeelden van deze ecosysteemdiensten zijn biodiversiteit, recreatie, waterzuivering en het leveren van zuurstof.

Welke dieren leven in een bos?

Het bos is een belangrijk leefgebied voor een grote verscheidenheid aan dieren. Zo zijn er veel zoogdieren zoals muizen, vossen, marters, wilde katten, herten en vleermuizen die leven in het bos. Daarnaast is het een belangrijke plek voor veel vogels zoals de houtsnip, bosuil, spechten, kruisbekken en de gaai. Verder zijn er nog tal van andere dieren zoals insecten, amfibieën en reptielen die gebruik maken van het bos.

Welke soorten bossen zijn er in Nederland?

In Nederland zijn zo’n 12 verschillende bostypen te vinden, onderverdeeld in 4 categorieën: vochtige bossen, droge bossen, productiebossen en cultuurhistorische bossen. In bovenstaande afbeelding zijn alle bostypen te zien.

Grondeleenden vervolg – eenden in Nederland – deel IV

slobeend

Na in deel III van de blogserie ‘eenden in Nederland’ de eerste vijf broedende grondeleenden van ons land te hebben besproken, is het nu tijd om in deel IV de overige vier broedende grondeleenden te bespreken. Daarnaast worden de dwaalgasten besproken, welke zo nu en dan ons land bezoeken.

Grondeleenden vervolg

In deel III van de eenden in Nederland serie heb je kunnen lezen over de algemene kenmerken van grondeleenden. Daarnaast zijn de eerste vijf broedende grondeleenden in ons land besproken: de wilde eend, pijlstaart, wintertaling, krakeend en de smient. In dit deel bespreken we de laatste vier broedende grondeleenden: de slobeend, zomertaling, mandarijneend en de muskuseend. Daarnaast zijn er nog tal van dwaalgasten die ons land sporadisch bezoeken. Sommige die hier per ongeluk terecht zijn gekomen (door een storm bijvoorbeeld) en ontsnapte exemplaren uit privé-collecties. Hiervan proberen we een zo actueel mogelijk overzicht te geven.

Mandarijneenden komen van oorsprong voor in Azië, maar ontsnapte exemplaren uit vogelcollecties hebben zich weten te handhaven en komen verspreid voor in West-Europa
Mandarijneenden komen van oorsprong voor in Azië, maar ontsnapte exemplaren uit vogelcollecties hebben zich weten te handhaven en komen verspreid voor in West-Europa

Lees ook: waarom trekken vogels naar het zuiden?


Slobeend (Spatula clypeata)

De slobeend is een middelgrote eend die een lichaamslengte bereikt van 44 tot 52 centimeter, met een spanwijdte van 70 tot 85 centimeter. Het meeste opvallende aan de slobeend is de grote, spatelvormige snavel die zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben. Deze gebruiken ze om voedsel te vinden.

Mannetjes slobeenden hebben een groene kop, met een witte borst, kastanjebruine flanken en lichtblauw op de voorvleugels (wat eigenlijk alleen goed in vlucht is te zien). De vrouwtjes zijn soberder bruin gekleurd. Ze lijken op vrouwtje wilde eend, maar de groene vleugelspiegel heeft geen witte rand en de snavel is kenmerkend.

Slobeend man en vrouw in vlucht
Slobeend man en vrouw in vlucht

Leefwijze en voedsel

De slobeend leeft in zoet en brak water en aangrenzende kruidenrijke graslanden. Ze worden ook wel tot de secundaire weidevogels gerekend, net zoals de wilde eend, krakeend en bergeend.

Slobeenden zijn echte voedselspecialisten. Hun grote, spatelvormige snavel filteren ze voedsel uit het water. Dit bestaat uit fyto- en zoöplankton (plantaardig en dierlijk plankton), maar daarnaast ook uit ongewervelden dieren en plantendelen zoals knoppen en zaden.

Voortplanting en trekgedrag

Slobeenden broeden in kruidenrijke graslanden. Het liefst in de buurt van ondiep en voedselrijk water. Ze leggen 7 tot 12 eieren en hebben meestal één legsel. De broedtijd bedraagt rond de 23 dagen.

De meeste slobeenden blijven gedurende de wintermaanden in ons land. Sinds de jaren ’60 is het aantal slobeenden afgenomen. De slobeend staat sinds 2004 op de Nederlandse Rode Lijst.


Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Zomertaling (Spatula querquedula)

De zomertaling is een wat kleinere eendensoort die een lichaamslengte van 37 tot 41 centimeter bereikt en een spanwijdte van 58 tot 68 centimeter. Het zijn sierlijk gekleurde eenden, waarbij vooral het mannetje opvalt. Naast het uiterlijk is ook de kikkerachtige roep van het mannetje opmerkelijk.

Het opvallendste kenmerk in het verenkleed van het mannetje is de paarsbruine kop, met dikke witte oogstreep die doorloopt tot op de hals. Verder hebben ze een bruine borst, met zwart-witte schouderveren en lichtgrijze vleugels. Het vrouwtje is onopvallender bruin en lijkt veel op vrouw wintertaling. Ze zijn echter groter en de kop is meer getekend. Ook zijn in vlucht de lichtgrijze voorvleugels te zien.

Zomertaling
Mannetjes zomertalingen hebben een fraai verenkleed

Leefwijze en voedsel

Zomertalingen houden van moerasgebieden met veel water- en oevervegetatie. Ze komend daarnaast ook voor in wat meer open water met graslanden. Het menu is zowel dierlijk als plantaarding, in de winter wordt echter hoofdzakelijk plantaardig voedsel gegeten. Andere seizoenen worden ook insecten en ongewervelden gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

Broeden doen zomertalingen het liefst op een plek in de oever, niet ver van de waterkant af. Zomertalingen leggen gemiddeld zo’n acht eieren, welke in 22 dagen worden uitgebroed.

De zomertaling trekt vanaf juli naar het overwinteringsgebied, hoofdzakelijk in de Sahel. In maart en april keren de zomertalingen weer terug in ons land. Het gaat niet goed met de zomertaling in Nederland. Sinds de jaren 60 is de populatie met 85% afgenomen.

Mandarijneend (Aix galericulata)

De mandarijneend is een van de kleurrijkste eenden die je in ons land kunt tegenkomen. Het is dan ook geen inheemse soort, maar een exoot die oorspronkelijk uit Azië komt. Doordat deze vogel geliefd is in vogelcollecties, hebben ontsnapte exemplaren zich weten te handhaven in onder andere Engeland, Schotland, België en Nederland. De soort vertoont echter geen invasieve kenmerken en is dan ook geen bedreiging voor inheemse soorten.

Het is een kleine eendensoorten welke een lichaamslengte bereikt van 41 tot 49 centimeter, met een spanwijdte van 65 tot 75 centimeter. De woerd heeft een rode snavel en een zeer kleurrijk verenkleed. Ze hebben een paarse kruin en borst, kastanjebruine bakkebaarden en een brede, witte wenkbrauwstreep welke doorloopt tot op de hals. Ze hebben daarnaast prachtige goudachtige zeilen, welke ze kunnen opzetten om een vrouwtje mee te verleiden. Het vrouwtje is grijsbruin gekleurd, met een witte wenkbrauwstreep, witte kin en gevlekte flanken.

Mandarijneend
Mannetjes mandarijneenden zijn een van de kleurrijkste verschijningen in de Nederlandse natuur

Leefwijze en voedsel

Mandarijneenden leven in bosrijke gebieden en parken met oude bomen bij wateren met een rijke oevervegetatie. In de zomer eten ze voornamelijk dierlijk voedsel, in de vorm van ongewervelden en kleine visjes. De rest van het seizoen eten ze voornamelijk plantaardig voedsel, zoals (boom)zaden en noten.

Voortplanting en trekgedrag

Mandarijneenden broeden in boomholtes of speciaal opgehangen nestkasten. Dit doen ze tot wel 10 meter hoogte. Tussen april en juni worden acht tot twaalf eieren gelegd, welke na ongeveer een maand uitkomen. De jongen verlaten het nest al na één dag, ze springen dan gewoon uit het nest in het water. Ze blijven hier nog zo’n 60 dagen in het water rond het nest hangen, totdat ze kunnen vliegen. In Nederland zijn jaarlijks een paar honderd paartjes mandarijneenden te vinden.

De mandarijneend is in Europa hoofdzakelijk een standvogel. In Azië vertonen ze wel trekgedrag. De ontstane populatie in Europa zou nog wel eens belangrijk kunnen worden voor de instandhouding van de soort wereldwijd. In Azië wordt de soort namelijk bedreigd en kent deze enkel in Japan een beschermde status.


Lees ook: arenden in Nederland


Muskuseend (Cairina moschata)

Tot slot nog de muskuseend, nog zo een soort die zijn oorsprong niet in Nederland vindt. Muskuseenden komen oorspronkelijk uit Midden- en Zuid-Amerika en was daar al gedomesticeerd voordat de Europeanen er kwamen. Spanjaarden hebben de gedomesticeerde muskuseend mee naar Europa genomen.

Het zijn grote eenden, met een lichaamslengte van 66-68 centimeter en een spanwijdte van 137-152 centimeter. De muskuseenden die in Nederland voorkomen lijken niet veel op de wilde muskuseend in Zuid-Amerika. Ze komen in Nederland voor in veel variaties. Meestal met een rode snavel en rode wratachtige knobbels op het gezicht. Het verenkleed is overwegend wit met zwart.

Muskuseend
Muskuseenden vinden hun oorsprong in Midden- en Zuid-Amerika

Grondeleend of halfgans?

De muskuseend wordt ingedeeld bij de grondeleenden, maar hierover bestaat geen consensus onder wetenschappers. Uit DNA onderzoek blijkt dat de muskuseend, maar ook de mandarijneend (alle Aix soorten), wellicht beter bij de halfganzen ingedeeld kunnen worden.

Leefwijze en voedsel

Muskuseenden leven in Nederland voornamelijk in parken en langs rivieren, vaak in de buurt van dorpen en steden. Het zijn echte alleseters. Van plantaardig voedsel zoals zaden, grassen en waterplanten, tot aan dierlijk voedsel in de vorm van ongewervelden, vissen en amfibieën zoals kikkers en padden.

Voortplanting en trekgedrag

De muskuseend broedt hoofdzakelijk in boomholtes, maar ook op de grond beschut tussen de vegetatie. Een legsel bestaat uit 8 tot 15 eieren, welk na zo’n 35 broeden uitkomen. De jongen kunnen na ongeveer 70 dagen vliegen.

In Nederland is de muskuseend een standvogel. Er zijn jaarlijks zo’n 100 broedparen te vinden. De aantallen blijven redelijk stabiel, waaruit geconcludeerd kan worden dat deze exoot geen invasieve kenmerken vertoont.

Dwaalgasten

Dit waren de negen broedende grondeleenden in Nederland. Naast deze broedende grondeleenden zijn er ook nog zo nu en dan enkele dwaalgasten te vinden. Verder zijn er ook nog ontsnapte exemplaren uit vogelcollecties in de natuur te vinden. Het is vaak niet eenduidig te zeggen of een vogel hier op eigen kracht is gekomen, of dat deze uit een prive-collectie is ontsnapt. Hier bespreken we de soorten waarvan het realistisch is dat ze op eigen kracht ons land bereikt kunnen hebben.

We starten met de Marmereend (Marmaronetta angustirostris). Vaak gaat het om ontsnapte exemplaren, maar gezien het verspreidingsgebied (broedt o.a. in Zuid-Europa) kan het niet uitgesloten worden dat sommige individuen hier op eigen kracht komen. Het zijn lichtbruin gekleurde eenden, met witte vlekken over het lijf en een donkere vlek op de zijkant van het hoofd.

Amerikaanse toeristen

Daarnaast krijgen we regelmatig bezoek uit Amerika. De Amerikaanse smient (Mareca penelope) wordt bijna jaarlijks in Nederland aangetroffen. Het mannetje heeft ten opzichte van de gewone smient een donkergroene baan rondom het oog, die doorloopt tot op het achterhoofd. Er zijn echter ook veel hybrides te vinden, dus het is niet altijd eenduidig te zeggen dat het om een Amerikaanse smient gaat.

Amerikaanse wintertaling
Het mannetje Amerikaanse wintertaling heeft een verticale witte streep in het verenkleed

Verder zien we ook zo nu en dan de Amerikaanse wintertaling (Anas carolinesis) in ons land. Ze zijn te onderscheiden van ‘onze’ wintertaling door het ontbreken van de horizontale witte flankstreep en het juist aanwezig zijn van de verticale witte streep op de zijborst. Jaarlijks worden er één of enkele individuen gezien in Nederland. Dit betreft altijd mannetjes, vrouwtjes zijn nauwelijks van de gewone wintertaling te onderscheiden.

De blauwvleugeltaling (Spatula discors) is ook een eend die van oorsprong in Amerika voorkomt. Ze worden hier af en toe gezien, maar het gaat hier meestal om ontsnapte exemplaren. Toch wordt er in sommige gevallen aangenomen dat het om wilde exemplaren gaat.

Blauwvleugeltaling
Blauwvleugeltalingen zijn prachtige eenden uit Amerika, die hier af en toe gezien worden

Bezoek uit het oosten

Tot slot nog de bronskopeend (Mareca falcata). Deze komt van oorsprong voor in Siberië, China en Japan. Als ze in Nederland gezien worden, gaat het vaak om ontsnapte exemplaren, maar er wordt ook aangenomen dat de soort op eigen kracht ons land kan bereiken. Het mannetje heeft een opvallende kastanjerode kop, waaraan het de naam te danken heeft.

Verder lezen

Deel 1 – familie eendachtigen in Nederland

Deel 2 – eenden – duikeenden

Deel 3 – eenden – grondeleenden

Deel 4 – eenden – grondeleenden vervolg

Deel 5 – eenden – stekelstaart, brilduiker en zaagbekken

Deel 6 – eenden – ijseend, eider en zee-eenden

Deel 7 – ganzen – halfganzen

Deel 8 – ganzen – zwarte ganzen

Deel 9 – ganzen – grijze ganzen

Deel 10 – ganzen – grijze ganzen vervolg

Deel 11 – zwanen

Natuurtuin in ontwikkeling – deel VI

Natuurtuin (De Natuur van hier)

Ongeveer gelijktijdig met de start van deze website hebben we een huis kunnen kopen met ongeveer 3500m2 grond erbij. Ons doel is deze 35 are de komende jaren om te turnen naar een natuurtuin waarbij er ruimte is voor allerlei wilde vogels en andere dieren. De voortgang hiervan houden we bij en delen we in een terugkerende blog met jullie. In deel zes bespreken we de afgelopen winterperiode en het begin van de lente.

4 mei 2024

Uilen

In deel V van de natuurtuin in ontwikkeling serie schreven we dat we sinds enkele tijd bezoek krijgen van maar liefst twee uilensoorten: de steenuil en de kerkuil. Deze bezoeken hebben zich gedurende de winter en het begin van de lente voortgezet.

Steenuilen

Te beginnen met de steenuiltjes. Nadat we deze in het najaar een enkele keer gezien hadden, bleef het stil. In de tussentijd hadden wij niet stil gezeten, via STONE (steenuilenwerkgroep) hadden we een nestkast aangeschaft en opgehangen in een van de notenbomen. Even leek het erop dat het meteen raak was. Enkele avonden (en nachten) in het vroege voorjaar hoorden we de steenuilen luidkeels roepen en elegante vluchten achter elkaar aan maken.

Steenuil
Steenuil bij de ingang van de nestkast (De Natuur van hier)

Helaas lijkt het er niet op dat het tot een succesvol broedpaar heeft geleid in onze nestkast. We hebben echter wel vernomen dat een paar honderd meter verderop een paartje aan het broeden is. Dus wie weet kunnen we volgend jaar wel een paartje in onze nestkast bewonderen. In deze video zijn het vrouwtje en mannetje samen voor de nestkast te zien.

Kerkuil(en)

Dan de kerkuil. Gedurende de winter heeft een kerkuil de nestkast dagelijks gebruikt als rustplek. Begin januari zagen we echter dat er naast een ongeringde kerkuil ook nog zo nu en dan een geringde kerkuil voor de camera verscheen. Er moeten dus minstens twee exemplaren de schuur gebruikt hebben tijdens de winter. Een keer is het gelukt om beide kerkuilen gelijktijdig op de wildcamera vast te leggen.

Sinds het begin van de lente zijn de kerkuilen niet meer dagelijks aanwezig in de nestkast. Ons vermoeden is dat er op een andere plek wordt gebroed. Wel zien we we de kerkuilen nog minstens een aantal keren per week voor de wildcamera verschijnen. In deze video zie je een van de twee kerkuilen de nestkast binnen komen. Ook kun je hier het (angstaanjagende) geluid horen wat kerkuilen maken.


Lees ook: tips voor het aanleggen van een natuurtuin


En verder in de natuurtuin

Lente betekent ook trekvogeltijd. Dit voorjaar zagen (en hoorden) we maar liefst drie keer grote groepen kraanvogels over ons huis trekken. De waarneming van de grootste groep was het bijzonderste. Boven ons bleef een groep van ongeveer 100 kraanvogels een aantal minuten rondcirkelen, waarna er van diverse kanten kleine groepjes kraanvogels aansloten. Uiteindelijk vertrokken er zo’n 200 kraanvogels weer in noordelijke richting.

Kraanvogel
Kraanvogels verzamelen zich boven ons huis, om na een aantal minuten weer in een groet groep verder te trekken (De Natuur van hier)

Paringsgedrag en nieuwkomers

Er wordt ook weer gebroed in de natuurtuin dit jaar. In een van de nestkasten heeft een koolmezenpaar al jongen en de houtduif zit ook stevig te broeden in de taxus. Van onder andere merels, pimpelmezen, zwarte roodstaarten en tortelduiven hebben we paringsgedrag waargenomen, maar (nog) geen broedplekken in de tuin weten te ontdekken. Wellicht volgen deze later in het seizoen nog, of zitten ze niet ver van hier te broeden.

Daarnaast zien we dit jaar voor het eerst twee wilde eenden (mannetje en vrouwtje) gebruik maken van de poel in de tuin. Ook hebben we tot twee keer toe twee patrijzen waargenomen. De patrijzenpopulatie nam de afgelopen 40 jaar met bijna 90% (!) af in Europa, we zijn dus erg blij dat onze tuin aantrekkelijk genoeg is voor deze soort. Vanaf dit jaar worden aangrenzende akkers ook ingericht met patrijzenbeheer via het ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer). Hopelijk kunnen we de patrijs dan ook vaker gaan zien in onze tuin.

Wildcamera’s
Benieuwd geworden wat er zoal in jouw tuin te zien is, wanneer jij van huis bent of in bed ligt? Met behulp van een wildcamera kun je bewegingen in je tuin vastleggen via foto’s of videos. Via bol.com zijn wildcamera’s in alle prijsklassen te bestellen, dus toegankelijk voor iedereen. Besluit jij zelf een wildcamera aan te schaffen, dan kun je dat doen via deze link. Wij ontvangen hiervoor dan een kleine vergoeding (het kost jou niets extra’s), waardoor we dit soort content kunnen blijven maken.

Beheer natuurtuin

Wat betreft beheer is het een redelijk rustige periode geweest. We hebben in de voortuin een witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) aangeplant. Daarnaast hebben we nog twee sterappeltjes (een lokaal ras) aangeplant.


Lees ook: hoe plant ik een boom?


Daarnaast is het grasland door het wisselvallige weer (vooral héél véél regen) weer flink aan het groeien. Om meer kruiden te krijgen zijn we het, in het verleden intensief bemeste, grasland daarom zo’n 3x per jaar aan het maaien (inclusief afvoeren van het maaisel). De eerste maaironde wordt nu gefaseerd uitgevoerd. Tot slot hebben we voorbereidingen getroffen voor een kleine keverbank te maken, achterin de natuurtuin. Hierover in het volgende deel meer!

Resultaat

In totaal hebben we nu 355 soorten organismen in de natuurtuin waargenomen, verdeeld over 18 soortgroepen en 174 families. Enkele bijzondere waarnemingen deze periode waren de dwarsbandkakkerlak (zeldzaam), bruingemarmerde schildwants (zeer zeldzaam), ovale dennenspanner (zeldzaam) en pocota (zeer zeldzaam). Deze laatste is een zweefvlieg welke een hommel imiteert (mimicry).

Natuurtuin kwartaal 1 2024
Natuurtuin overzicht (De Natuur van hier)

Lees ook: de beste waardplanten voor vlinders


De beste inheemse schaduwplanten

Vingerhoedskruid

Schaduwrijke plekken in de tuin zijn soms lastig aan te planten. De zon schijnt er maar weinig, waardoor het er erg vochtig en koel is. Door de juiste beplanting te kiezen kun je de schaduwrijke plekken toch goed opvullen met beplanting. Als je kiest voor inheemse planten zorg je er ook nog eens voor dat de lokale biodiversiteit er wat aan heeft. In deze blog geven we je de beste tips voor inheemse schaduwplanten.

Gele dovenetel

Bosanemoon (Anemone nemorosa)

We trappen af met de bosanemoon. Bosanemoon is een vaste plant welke in het vroege voorjaar in sommige bossen in ons land hele oppervlaktes bedekt met witte bloemen. Dit is een perfecte bodembedekker om te gebruiken onder struiken en bomen. De plant wordt niet hoger dan 25 centimeter en voelt zich prima in de volle schaduw. Ook een plekje in de halfschaduw kan de plant nog wel verdragen. De bloei duurt soms tot in mei en het is een drachtplant voor wilde bijen en honingbijen. Je bestelt de bosanemoon hier (bol.com).

Bosanemoon
Bosanemoon bloeit in het voorjaar met prachtige witte bloemen

Daslook (Allium ursinum)

Ben je opzoek naar een andere vaste plant met witte bloemen voor in de schaduw, dan is daslook een goede optie. Daslook bloeit in de periode april en juni met witte bloemen en is dan ook rijkelijk bloeiend te vinden in de duinen en in Zuid-Limburg. Daslook staat het liefst op een vochtige plek in de schaduw of halfschaduw en wordt 20 tot 40 centimeter groot.

Daslook
De witte bloemen van daslook vallen goed op en de bladeren kunnen gebruikt worden voor salades en soepen

Het is daarnaast een belangrijke drachtplant (een plant die voedsel levert in de vorm van nectar) voor wilde bijen, honingbijen en hommels. Het is daarnaast ook een eetbare plant voor onszelf, de bladeren kunnen gebruikt worden in salades en soepen en hebben een uiachtige smaak (behoort ook tot dezelfde familie als de ‘gebruikelijke’ ui). De plant kan ook een sterke uiachtige geur afgeven, waardoor deze soms wordt aangeplant om katten te weren uit de tuin. Deze schijnen niet van de sterke geur te houden.

Gele dovenetel (Lamium galeobdolon)

Wil je meer gele bloemen in je tuin, houd dan een schaduwrijk plekje vrij voor de gele dovenetel. Deze inheemse plant doet het uitstekend in de schaduw en halfschaduw en bloeit van april tot juni met prachtige, gele bloemen. De plant is een fijne bodembedekker, omdat hij 20 tot 60 centimeter groot wordt én zich vermeerderd door wortelstokken.

Gele dovenetel
Gele dovenetel is een drachtplant voor onder andere hommels en wilde bijen

Gele dovenetel is tevens een prima drachtplant voor diverse insecten, waaronder hommels en wilde bijen. Daarnaast is de plant eetbaar. Je kunt er thee van zetten en jonge blaadjes smaken voortreffelijk door een salade. Reserveer een plekje onder een grote boom of een aantal struiken voor deze multifunctionele inheemse plant.


Lees ook: tips voor meer bijen en vlinders in je tuin


Vingerhoedskruid (Digitalis purpurea)

Een van de mooiste inheemse planten van ons land is vingerhoedskruid. Deze twee- of meerjarige plant krijgt in de periode mei tot oktober een prachtige tros bloemen met kleuren die variëren van wit naar verschillende tinten paars, roze en rood. De bladeren van de rozetplant blijven laag bij de grond, maar de bloementros kan wel tot 1,50 meter hoog worden. Na de bloei vormt het vingerhoedskruid zaad en zaait zich gemakkelijk. Geef de plant dan ook de ruimte in je border of in je (natuur)tuin.

Vingerhoedskruid
Vingerhoedskruid, één van de mooiste bloeiende planten van Nederland

Vingerhoedskruid staat het liefst op een plek in de schaduw of halfschaduw. De uitbundige bloemen zijn een belangrijke nectarplant voor hommels en bijen. Het is een uitstekende plant voor het fotograferen van hommels en bijen. Ze blijven vaak lang in de bloem zitten om al het nectar eruit te krijgen en zitten dan vaak helemaal onder het stuifmeel.

Je bestelt vingerhoedskruid hier, bij Vivara. Met je aankoop steun je ook nog eens de groene parnters van Vivara, die onze inheemse natuur beschermen. Hieronder vallen onder andere Sovon, RAVON en De Zoogdiervereniging.

Bosaardbei (Fragaria vesca)

Een plant die zeker niet in deze lijst mag ontbreken is bosaardbei. Bosaardbei is inheems, wintergroen, eetbaar én belangrijk voor biodiversiteit in je tuin. Met een hoogte van 5 tot 30 centimeter is het een perfecte bodembedekker voor schaduwrijke plekken, onder bomen en struiken.

bosaardbei
Bosaardbei heeft naast de witte bloei ook een kenmerkende, kleine aarbei

De vele witte bloemen met gele kern zorgen voor een kleurrijk gezicht, vanaf mei tot soms wel in oktober! Gedurende het seizoen vormen zich ook de kleine, eetbare aardbeien aan de plant. De bladeren zijn daarnaast te gebruiken om thee te maken of in salades. Tot slot is het een drachtplant voor wilde bijen, honingbijen en hommels. Bosaardbei is via deze link te bestellen bij Vivara.nl.


Lees ook: natuurtuin in ontwikkeling – deel I


Wilde akelei (Aquilegia vulgaris)

Een andere inheemse plant met prachtige bloemen is wilde akelei. Wilde akelei staat het liefst op een licht zonnige plek, maar op een plekje in de halfschaduw doet deze plant het ook goed. In de periode mei tot en met juli bloeit wilde akelei met knikkende bloemen in de kleuren, paars, wit, rood en blauw. De echte inheemse soort heeft donkerblauwe bloemen. De plant wordt zo’n 40 tot 60 centimeter groot.

Wilde akelei
Wilde akelei bloeit met prachtige, knikkende bloemen

Van oorsprong komt wilde akelei voor in Zuid-Limburg en in Oost-Gelderland. Maar doordat wilde akelei veelvuldig in tuinen wordt gebruikt, kun je de plant overal in Nederland in de natuur tegenkomen. Wilde akelei zaait zich gemakkelijk uit en gaat daardoor een beetje ‘zwerven’ door de tuin. Het is een belangrijke drachtplant voor honingbijen en voornamelijk hommels. Met name hommels met een lange tong zoeken graag naar nectar in de bloem. Je bestelt wilde akelei hier bij Vivara (biologisch gekweekt!).

Donkere ooievaarsbek (Geranium phaeum)

Donkere ooievaarsbek is een vaste plant die het heel goed doet op een plekje in de zon, maar ook in de halfschaduw doet de plant het goed. Wanneer donkere ooievaarsbek in de schaduw staat zal deze iets minder bloemen hebben ten opzichte van een donkere ooievaarsbek in de zon, maar alsnog zal het een mooie toevoeging zijn in de tuin. De bloemen zijn paars tot lilazwart en zijn van mei tot september aanwezig. De donkere ooievaarsbek wordt 45 tot 60 centimeter groot. In de herfst krijgen de bladeren een beetje een oranje (herfst)kleur.

Donkere ooievaarsbek (Saxifraga - Jelle van Dijk)
Donkere ooievaarsbek doet het uitstekend op een zonnige plek, maar ook op een plekje in de halfschaduw weet de plant zich te handhaven (Saxifraga – Jelle van Dijk)

De donkere ooievaarsbek staat in Nederland te boek als ingeburgerd. Dit wil zeggen dat deze plant zich niet na de IJstijd spontaan heeft ontwikkeld (inheems), maar dat deze zich op eigen kracht (dus zonder hulp van de mens) in de periode daarna heeft weten te vestigen en wordt beschouwd tot de natuurlijke vegetatie van Nederland. De bestuiving van de plant wordt verzorgd door hommels, wilde bijen en honingbijen. Het is een waardplant voor het bruin blauwtje.

Gewone smeerwortel (Symphytum officinale)

Een andere dankbare inheemse plant voor in de tuin is gewone smeerwortel. Smeerwortel vind je in de natuur vaak in bermen en op dijken in het gras. Ze vallen op door hun uitbundige bloei, die kan variëren van paars tot roze en wit. De bloeiperiode valt in de periode april tot augustus. Smeerwortel wordt 30 centimeter tot 100 centimeter hoog en kan het beste staan op een plekje in de halfschaduw of in de zon.

Smeerwortel
Smeerwortel bloeit rijkelijk in de periode april tot augustus en trekt veel insecten aan

De bloemen worden voornamelijk bestoven door hommels. Deze kunnen met hun lange tong goed bij de nectar komen. Andere insecten zoals bijen bestuiven de bloem van de smeerwortel ook wel. Ze hebben een minder lange tong, maar maken een gaatje in de bloem waardoor ze toch bij de nectar kunnen komen. De geboorde gaten zijn te herkennen aan het bruine randje wat ze vaak hebben. Smeerwortel is hier te bestellen via bol.com.

Dubbelloof (Blechnum spicant)

Voor de echte schaduwplekken in je tuin, waar nauwelijks zon komt, zijn varens uitermate geschikt. Dubbelloof is zo’n fraaie inheemse varensoort die goed in de tuin gebruikt kan worden. De bladeren van dubbelloof ontvouwen zich in het voorjaar en worden 20 tot 65 centimeter groot. Varens vermeerderen zichzelf door het verspreiden van sporen. Ze nemen dus vanzelf toe ieder jaar. Naast een plekje in de schaduw verdraagt dubbelloof ook een halfschaduw plek, zolang deze maar niet in direct zonlicht en op een vochthoudende bodem staat. Een plekje onder grote bomen of struiken is uitstekend voor deze prachtige varensoort.

Dubbelloofvaren (Saxifraga - Ed Stikvoort)
Dubbelloofvaren is een perfecte inheemse schaduwplant voor in de tuin (Saxifraga – Ed Stikvoort)

Lees ook: de beste inheemse vaste planten


Tongvaren (Asplenium scolopendrium)

Tot slot nog een varensoort, maar totaal anders dan dubbelloof. Tongvaren is een unieke varensoort en heeft een leerachtig blad en is niet ingesneden, waarmee deze niet lijkt op de doorsnee varens. Het blad doet ook wel wat denken aan een lange tong, waaraan het de naam te danken heeft.

Tongvaren
Tongvaren heeft een leerachtig blad en het blad is niet ingesneden, waardoor deze anders lijkt dan de meeste varensoorten

Tongvaren staat graag op een plek in de schaduw of halfschaduw. De plant wordt 15 tot 50 centimeter groot. Kies een plek met goed doorlatende grond, zodat de wortels niet constant in het water staan. Ook een schaduwrijke plek op een stapelmuurtje is een uitstekende plek voor de tongvaren. Tongvaren is hier te bestellen, via bol.com.

De vijf mooiste bossen in Nederland

Beukenbos 2

Lang geleden bestond een groot deel van Nederland uit bos. Deze bossen werden op sommige plekken open gehouden door grote grazers, zoals het oeros en de wisent, én door natuurrampen, zoals bosbranden (na blikseminslag) en cyclonen. Tegenwoordig is er nog maar een fractie van deze hoeveelheid bos in Nederland te vinden. Het meeste heeft plaats moeten maken voor steden, dorpen en landbouw. Helaas is er van het originele oerbos niets meer over, maar gelukkig zijn er wel nog enkele relatief oude bossen te vinden. In deze blog maak je kennis met de mooiste bossen van Nederland.

Bos mist

Ondanks dat er door de eeuwen heen veel bos gekapt is, enerzijds als houtwinning, anderzijds om plaats te maken voor dorpen, steden en landbouw, zijn er toch nog tientallen bossen in ons land te vinden, met allemaal hun eigen kenmerkende eigenschappen en diersoorten. Uit al deze bossen hebben wij onderstaande selectie gemaakt, vijf van de mooiste bossen die Nederland te bieden hebben.

  • Het Deelerwoud, Gelderland
  • Het Drents-Friese Wold, Drenthe-Friesland
  • De Limburgse Hellingbossen, Limburg
  • Het Speulder- en Sprielderbos, Gelderland
  • De Oisterwijkse Bossen en Vennen, Noord-Brabant

Het Deelerwoud

We starten met het Deelerwoud wat ten noorden van Arnhem ligt, tussen Nationaal Park De Hoge Veluwe en Nationaal Park Veluwezoom. Het is een bos- en heidegebied van ruim 1200 hectare groot en is in het bezit van Natuurmonumenten. In het Deelerwoud zijn een van de oudste dennenbossen van ons land te vinden. Daarnaast zijn er eiken te vinden die stammen uit de tijd van het hakhoutbeheer.

Het Deelerwoud (Saxifraga-Bart Vastenhouw)

Sinds zo’n 30 jaar beheert Natuurmonumenten het gebied ‘niet’. Het gebied wordt open gehouden door grote grazers zoals Schotse hooglanders en wild zoals edelherten en wilde zwijnen. Er worden alleen zo nu en dan jonge dennen gekapt, om de kans op bosbrand te verkleinen.

In het Deelerwoud zijn enkele van de oudste dennenbossen in Nederland te vinden (Saxifraga – Bart Vastenhouw)

Fauna

Doordat er sinds 2011 in grofweg het hele jaar niet meer gejaagd wordt, gaat het goed met het wild. Tijdens een bezoek heb je dus een goede kans op edelhert, damhert, ree en wild zwijn. Ook de boommarter is een spectaculaire soort die je kunt treffen (als je geluk hebt tenminste).

Voor vogelliefhebbers is er ook genoeg te beleven. Het is een prachtige plek om bijvoorbeeld de raaf te spotten. Het gebied kent enkele broedpaartjes en is vooral in de winter zeer aantrekkelijk voor raven. Dit komt door het feit dat er meer karkassen van grote grazers liggen (door een combinatie van minder beheer (‘opruimen’), géén jacht en de komst van de wolf).

Naast raven kun je verder, afhankelijk van het seizoen, zwarte specht, draaihals, klapekster, kepen, goudvinken, kruisbekken en blauwe kiekendieven zien. De heide is daarnaast een uitstekende plek voor reptielen, zoals de adder en zandhagedis.

Goudvink
Goudvinken zijn wat schuwe vogels die je niet gauw ziet, maar als je het geluid kunt herkennen, maak je een stuk meer kans!

Lees ook: Natuurhuisje in La-Roche-en-Ardenne


Het Drents-Friese Wold

Op de grens van Drenthe en Friesland vinden we een van de grootste natuurgebieden van ons land, het Drents-Friese Wold. Ruim 6000 hectare bos- en heidegebied is hier aangewezen als Nationaal Park en is tevens Natura 2000 gebied. Het gebied spreidt zich uit over zuidwest Drenthe en zuidoost Friesland. Bekende dorpen op de grens van het Nationaal Park zijn Appelscha, Noordwolde, Diever en Vledder. Staatsbosbeheer beheert veruit het grootst deel van het gebied.

Drents-Friesewold (Saxifraga - Hans Dekker)
In het Drents-Friese Wold zijn naast heidegebieden en stuifduinen ook prachtige bossen te vinden (Saxifraga – Hans Dekker)

Het gebied kenmerkt zich door een afwisseling van bossen, heidevelden, stuifduinen en beekdalgraslanden. Met name de stuifduinen zijn bijzonder, omdat we deze op nog maar weinig plekken vinden in Nederland. De stuifduinen in het Drents-Friese Wold dreigden te verdwijnen door bebossing, maar door een groot deel bos te kappen hebben de duinen weer de ruimte gekregen om te gaan stuiven, waardoor dit bijzondere landschap behouden is gebleven.

Flora en fauna

Deze stuifduinen en de omliggende heidevelden brengen een bijzondere flora en fauna met zich mee. Op de heide kun je bijzondere flora vinden, zoals zonnedauw, lavendelhei en stekende wolfsklauw. Daarnaast komen er de zeldzame vlindersoorten het gentiaanblauwtje en de kommavlinder voor.

De stuifduinen en heide zijn daarnaast een van de weinige plekken waar reptielen het nog echt naar hun zin hebben in Nederland. Naast de zandhagedis komen hier ook alle slangen uit ons land voor: de ringslang, adder en de zeer zeldzame ringslang. Voor reptielen is rust in een gebied erg belangrijk. Respecteer daarom ook de regels in het gebied en blijf weg van plekken waar je als bezoeker niet mag komen.

Gladde slang (Saxifraga - Mark Zekhuis)
De zeldzame gladde slang komt nog voor in het Drents-Friese Wold (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Ook vogelaars komen in het Drents-Friese Wold aan hun trekken. Naast dat er veel spechtensoorten te vinden zijn, is het ook een goede plek om roofvogels te zien. Buizerds, haviken, blauwe kiekendieven en wespendieven zijn allemaal te zien in het gebied. Ook de raaf is een graag geziene gast in het Nationaal Park. Daarnaast is het Nationaal Park de laatste binnenlandse broedplek van de tapuit, welke als ‘bedreigd’ op de Nederlandse Rode Lijst staat.

Limburgse hellingbossen

In het meest zuidelijke stuk van ons land vind je ook prachtige bossen. Vanaf het smalste stukje Nederland wordt het heuvelachtig en liggen er verspreid over Zuid-Limburg diverse hellingbossen met karakteristieke flora en fauna. Doordat ze gelegen zijn op de hellingen van de heuvels, zul je de nodige hoogtemeters voor de kiezen krijgen, dus je kunt rustig spreken van uitdagende wandelingen.

Epen (De Natuur van hier)
De hellingbossen in Zuid-Limburg wisselen zich af met een halfopen landschap van struwelen, bomenrijen en kruidenrijke graslanden(De natuur van hier)

Het Savelsbos bij Maastricht, het Bunderbos in Bunde, het Bovenste en Onderste Bosch in Epen, het Danikerbos bij Geleen en het Vijlenerbos in Vijlen zijn enkele voorbeelden van bossen die de streek kenmerken. Holle wegen, oude bomen, bosbeekjes en fantastische vergezichten, je vindt het allemaal in de Zuid-Limburgse hellingbossen.


Lees ook: hike Epen (Zuid-Limburg) 21km


Flora en fauna

Een van de mooiste tijden om deze bossen te ontdekken is het voorjaar. In veel bossen zijn dan de voorjaarsbloeiers te zien, die de bossen al vroeg in het voorjaar kleur geven. Daslook, bosanemoon, bosviooltje en slanke sleutelbloemen zijn soms in grote aantallen aanwezig, als een soort bloementapijt. Een ander voordeel van de bossen in het vroege voorjaar bezoeken: er zitten vaak nog geen (of niet veel) bladeren aan de bomen en spechten zijn in deze tijd enorm actief. Dit geeft een goede kans op een waarneming en in Zuid-Limburg heb je kans op zowat alle in Nederland voorkomende spechtensoorten.

Naast spechten zijn er ook veel andere bijzondere vogels te zien, zoals in de bossen de taigaboomkruiper en op de open stukken kraanvogels en rode wouwen. Ook als zoogdierliefhebber is er van alles te ontdekken, want naast herten heb je diverse marterachtigen, zoals de das en de boommarter. Ook de wilde kat voelt zich sinds enige tijd weer thuis in een deel van deze bossen.

Ree (De natuur van hier)
Een ree in het Vijlenerbos (De natuur van hier)

Tot slot zijn er ook nog bijzondere amfibieën te vinden. Allereerst de vuursalamander, de enige landsalamander van ons land, waarmee het niet goed gaat. Maar ook de vroedmeesterpad en geelbuikvuurpad zijn bijzondere soorten voor deze streek. Als je bezoek brengt aan deze bossen houd dan rekening met de kwetsbare flora en fauna in het gebied. Veel soorten zijn al zeldzaam voor Nederland en worden door diverse factoren bedreigd, probeer de recreatiedruk daarom zo laag mogelijk te houden.


Lees ook: Hike Noorbeek (Zuid-Limburg) 13km

Speulder- en Sprielderbos

Een ander prachtig bosgebied zijn de Speulder- en Sprielderbossen, welke behoren tot Natura 2000 gebied de Veluwe. Het gebied is zo’n 3.300 hectare groot en ligt in de gemeente Putten en Ermelo. Het Speulder- en Sprielderbos is gelegen op een stuwwal, welke ontstaan is in de laatste IJstijd. Het is een van de oudste bossen in ons land. Het meest bijzondere aan het bosgebied is toch wel het 300 hectare grote bos dat ook wel het bos van de dansende bomen wordt genoemd.

Deze naam draagt dit stuk van het Speulderbos omdat de stammen van beuken bijna allemaal krom groeien, waardoor het lijkt alsof ze dansen. Het bos is op deze manier ontstaan doordat vroeger enkel de bomen met rechte stammen werden gekapt. Kromme stammen waren minder geschikt voor de verwerking ervan.

Het Speulderbos bij mist levert prachtige plaatjes op (Saxifraga – Jan Nijendijk)

Speulderbos (Saxifraga - Jan Nijendijk)

Het Solse Gat

In het Speulderbos is daarnaast ook nog het Solse Gat te vinden, een pingoruïne die stamt uit de ijstijd. Een pingoruïne is een overblijfsel van een pingo, een bolvormige heuvel. Deze heuvel is ontstaan doordat bevroren grondwater (in de vorm van ijs dus) een dun laagje bevroren grond naar boven heeft geduwd. Na verloop van tijd, toen het klimaat warmer werd, smolt het ijs en bleef er uiteindelijk een soort kuil achter, de pinogruïne. Deze pingoruïne is vervolgens verder vergroot als gevolg van leemwinning, waarmee het Solse Gat ontstaan is.

In en rondom het Solse Gat komt bijzondere vegetatie voor. Zo zijn er onder andere de (zeldzame) waterplanten waterdrieblad en slangenwortel te vinden. Maar ook de prachtige voorjaarsbloeiers bosanemoon en slanke sleutelbloem.

Fauna

In het Speulder- en Sprielderbos blijft veel dood hout liggen, wat goed is voor de biodiversiteit. Veel dood hout zorgt voor veel (bijzondere) insecten, welke een goede basis vormen voor een gezond ecosysteem. Er zijn in het bosgebied ook veel verschillende vogelsoorten te vinden. Vinken zoals goudvinken, appelvink en (in sommige jaren) ook kruisbekken, maar ook spechten zoals de middelste bonte specht en de zwarte specht zijn er aanwezig. Uiteraard is ook in de avonduren de bosuil waar te nemen.

Er is met name ook veel grof wild te zien in de Speulder- en Sprielderbossen. Dit heeft er mee te maken dat het een redelijk voedselrijk bos is, waardoor het een hoge capaciteit van grote dieren kan verdragen. Herten zoals het ree en het edelhert komen er veelvuldig voor, maar ook het wild zwijn voelt zich er thuis. Kleinere zoogdieren zoals de vos, en marters als de das en de boommarter komen er ook voor.

Wild zwijn
Het wild zwijn is talrijk aanwezig in Natura 2000 gebied de Veluwe

Oisterwijkse Bossen en Vennen

Tot slot willen we nog een bosgebied in het zuiden van het land benoemen. In Noord-Brabant liggen de Oisterwijkse Bossen en Vennen, een aaneengesloten gebied van bossen, vennen en heiden van 750 hectare groot. Meer dan de helft hiervan wordt beheerd door Natuurmonumenten. Het is gelegen bij Tilburg en Oisterwijk. Samen met de Oude Hondsberg en Kampina vormen ze het Groene Woud. Het behoort daarnaast tot het Natura 2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen, een aaneengesloten dekzandlandschap. In de Oisterwijkse Bossen en Vennen zijn meer dan 80 verschillende vennen te vinden.

Oisterwijkse bossen en vennen (Saxifraga - Jan van der Straaten)
Oisterwijkse bossen en vennen (Saxifraga – Jan van der Straaten)

Flora en fauna

Het gebied kent een bijzondere en rijke flora en fauna. Kenmerkend zijn de wilde gagel, een struik die groeit op natte, zure, venige grond én veenmos, welke groeit in het veen. Maar ook een minder algemene soort zoals moerashertshooi is er te vinden. Vroeger broedde er de elegante zwarte stern in de vennen. Deze kreeg hier ook de toepasselijke bijnaam de venkraai. Dodaars, ook een Rode Lijst soort, komen gelukkig wel nog in het gebied voor. Daarnaast zijn er ook eendachtigen zoals wintertaling, tafeleend en grote zaagbek (voornamelijk in de winter) te zien. In de bossen zijn onder andere de bonte vliegenvanger en de appelvink, goudvink en kruisbek te vinden.

De vennen zijn tot slot een zeer goede plek om fraai gekleurde en bijzondere juffers en libellen waar te nemen. Zo zijn er de smaragdlibel en de koraaljuffer te vinden. Daarnaast ook de zeldzame gaffelwaterjuffer, bosbeekjuffer en venwitsnuitlibel. Al met al een rijk en gevarieerd gebied om meer dan eens te bezoeken.

Zwarte stern
De zwarte stern broedde vroeger in de Oisterwijkse vennen. Zou deze weer als broedvogel kunnen terugkeren?

Dit waren onze vijf mooiste bossen in Nederland. Welk bos vind jij het mooiste? Laat het ons weten in de comments.

Bouwtekening nestkast ringmus

Ringmus

Een goede manier om de natuur, vogels in het bijzonder, een handje te helpen is door het plaatsen van nestkasten. Door de toenemende verstedelijking, kunnen vogels soms lastig een geschikte broedplaats vinden. Nestkasten kunnen hier op een goedkope en efficiënte manier een oplossing voor bieden. Het aantal ringmussen in Nederland is sinds 1990 gehalveerd. Een beetje hulp in de vorm van een nestkast kan de ringmus dus wel gebruiken.

De ringmus (Passer montanus)

De ringmus is een kleine vogel die behoort tot de familie mussen en erg veel lijkt op de beter bekende huismus. Er zijn echter enkele verschillen op te merken. Ringmussen bereiken een lichaamslengte van 12,5 tot 14 centimeter en een spanwijdte van ongeveer 21 centimeter. Daarmee blijven ze een fractie kleiner dan de huismus.

Ringmus 2
Het roodbruine kopje en de zwarte wangvlek zijn opvallend bij de ringmus

De mannetjes en vrouwtjes ringmussen lijken sprekend op elkaar. Ze hebben een roodbruine kop, zwarte wangvlek en bef en een witte halsring. Verder zijn ze overwegend bruin gekleurd met een witte vleugelstreep. Vooral op basis van het roodbruine kopje in combinatie met de zwarte wangvlek zijn ze goed te onderscheiden van mannetje huismus.

Verspreiding

Ringmussen zijn in tegenstelling tot huismussen niet overal in de stad te vinden, maar meer aan de stads- en dorpsranden en op boerderijen. Ze zoeken graag het kleinschalig cultuurlandschap op, waar ze gebruik maken van hagen, solitaire bomen en struiken en van aangrenzend bouwland om te foerageren. Dit verklaart ook meteen de afname in de populatie. De laatste decennia is dit type landschap op veel plekken in ons land verdwenen, waar het plaats heeft moeten maken voor monocultuurlandschappen en steriele en weinig groene (boeren)erven. Daarnaast is heeft veel graanteelt (een belangrijke voedselbron voor de ringmus) plaats moeten maken voor grootschalige maïsteelt.

In oktober zijn de meeste ringmussen in ons land te vinden. Bijna alle ringmussen in ons land zijn standvogels, maar in oktober krijgen ‘onze’ ringmussen bezoek van ringmussen uit Noord- en Oost-Europa, die hun broedgebied tijdelijk verlaten om hier (of verderop in West-Europa) te overwinteren.


Lees ook: bouwtekening nestkast merel


Voedsel en voortplanting

Het dieet van ringmussen is hoofdzakelijk plantaardig, aangevuld met dierlijk voedsel in de vorm van insecten. Ze eten hoofdzakelijk granen en zaden. Dit doen ze vaak in groepen, ook wel flocks genoemd, gemengd met andere zangvogels zoals huismussen en vinken. Al druk foeragerend over de grond zie je dan grote groepen zangvogels op zoek naar zaden of graanresten op boerenland. Vooral tijdens het broedseizoen wordt dit aangevuld met insecten. De jonge dieren krijgen in de eerste levensfase hoofdzakelijk eiwitrijk, dierlijk voedsel gevoerd.

Ringmus (Saxifraga - Piet Munsterman)
Het efficiënter worden van de landbouw heeft ervoor gezorgd dat ringmussen steeds vaker niet voldoende voedsel kunnen vinden (Saxifraga – Piet Munsterman)

Ringmussen broeden van nature in boomholtes, hagen en struiken. Daarnaast maken ze ook dankbaar gebruik van nestkasten. Per legsel worden er twee tot zeven eieren gelegd. Het aantal legsels per jaar varieert tussen de twee en vier. Beide ouders dragen zorg voor het uitbroeden van de eieren, wat zo’n twee weken in beslag neemt. Wanneer de juveniele dieren uit het ei zijn gekomen, duurt het nog ruim twee weken voordat ze kunnen vliegen.

Nestkast ringmus

Een nestkast voor een ringmus ophangen kan dus een goed idee zijn, mits in de juiste leefomgeving. Soms gebruiken ringmussen ook koolmees of pimpelmees nestkasten.

Meestal worden nestkasten van hout gemaakt, op onze bouwtekening gaan we daar ook vanuit, omdat dit praktisch is en vaak het goedkoopste. Uit onderzoek blijkt echter dat nestkasten gemaakt van houtbeton vaak succesvoller zijn. Ze worden daarnaast ook sneller en meer gebruikt. Dit heeft er waarschijnlijk mee te maken dat ze warmte beter vast houden en dat het in de nestkast net een beetje warmer is.

Heb je dus geen zin om zelf een nestkast te maken en wil je het beste resultaat, bestel dan hier je houtbeton nestkast. Als je de kast via deze link besteld, dan bestel je hem bij Vivara en lever je met je aankoop ook nog eens een bijdrage aan de Nederlandse natuur!


Lees ook: bouwtekening nestkast bosuil


Bouwtekening nestkast ringmus

Wil je wel graag zelf een nestkast voor een ringmus maken, gebruik dan gratis onderstaande bouwtekening. Op deze tekening staan alle gegevens die je nodig hebt om een goede nestkast te maken. Hierop vind je de afmetingen van de kast (en de invliegopening), welke houtsoort je het beste gebruikt en een zaagschema zodat je precies weet hoeveel hout je moet kopen. Bij veel bouwmarkten kun je het hout dat je koopt meteen in de juiste afmetingen laten zagen. Neem je bouwtekening dus mee naar de bouwmarkt, dat bespaart je een hoop werk.

Bouwtekening nestkast ringmus
Bouwtekening nestkast ringmus (De natuur van hier)

Als houtsoort kun je het beste beuken-, lariks- of eikenhout gebruiken. Daarnaast kan ook watervast multiplex gebruikt worden. Als dikte raden we 15 millimeter aan. Let bij het kopen van het hout op het FSC-keurmerk. Gebruik RVS schroeven om het hout mee vast te schroeven. RVS is beter bestand tegen roesten dan verzinkte schroeven, dus beter geschikt om buiten te gebruiken. Eventueel kun je het dak afwerken met dakleer, zodat het hout minder te verduren krijgt en de nestkast langer mee gaat.

Ophangen nestkast

Bij het ophangen van de nestkast is het belangrijk om met een aantal zaken rekening te houden. Hang de nestkast stevig op zodat deze niet valt. Hang de kast op ongeveer twee á drie meter hoogte, met de opening richting het noorden, noordoosten of oosten. Zo voorkom je dat het constant binnen regent en dat er minder overlast is van wind en zon. Zorg er daarnaast voor dat de kast niet goed bereikbaar is voor katten en andere roofdieren.

In het najaar (rond oktober) is het tijd om de nestkast schoon te maken. Gebruik hiervoor geen schoonmaakmiddelen, maar alleen heet water. Hang de nestkast daarna meteen weer op, want soms worden ze in de winter gebruikt als rustplek.

Ringmus
Ringmussen maken dankbaar gebruik van nestkasten als ze op de juiste plek hangen

Lees ook: bouwtekening nestkast boomkruiper


Veelgestelde vragen

Hoe lok ik een ringmus naar mijn tuin?

Om een ringmus naar je tuin te lokken is het zaak om op de juiste plek te wonen. Ringmussen leven aan de rand van dorpen en steden, in een halfopen landschap. Belangrijk is dat er voldoende schuilplekken in de vorm van hagen, heesters en bomen in de buurt zijn. Daarnaast is het belangrijk dat ze voedsel kunnen vinden, op bijvoorbeeld graanakkers.

Hoe maak ik een nestkast voor een ringmus?

Een nestkast voor een ringmus kun je maken van lariks-, beuken- of eikenhouten planken. Watervast multiplex is ook geschikt. De nestkast moet circa 12x12x27cm groot zijn. Gebruik de bouwtekening (inclusief zaagschema) in deze blog.

Hoe hang ik een nestkast voor een ringmus op?

Hang de nestkast op een beschutte plek, op ongeveer twee á drie meter hoogte stevig op, buiten het bereik van katten en andere roofdieren. Zorg dat de nestkast met de opening naar het noorden, noordoosten of oosten hangt, zodat het niet binnen regent.

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!