Roofvogels in Nederland

Roofvogels in Nederland

Een van de sierlijkste vogels in de lucht zijn de roofvogels. Deze majestueuze dieren zijn de heersers van de lucht en altijd een beleving wanneer je er een spot. In Nederland kennen we veel verschillende soorten roofvogels, ieder met zijn eigen kenmerken. Van de kleine sperwer tot de vliegende deur, de zeearend. In deze blogserie komen ze allemaal voorbij!

Sperwer - roofvogels in Nederland
De sperwer is een van de kleinste roofvogels die je in Nederland kunt tegen komen. Vergis je echter niet door het formaat, het zijn zeer goede jagers.

Wat zijn roofvogels?

Met roofvogels wordt over het algemeen de ordes Falconiformes en Accipitriformes bedoeld. Echter blijkt uit onderzoek uit 2008 dat de Falconiformes, de valken, een eigen familie in een eigen orde vormen. Door dit onderzoek zijn ze een stapje dichter bij de papegaaiachtigen en zangvogels geplaatst dan de rest van de roofvogels. Ook de uilen vormen een aparte orde, maar dit was al langer bekend. De valken en uilen worden beide in een aparte blog(serie) besproken. In deze blogserie worden dus alleen de Accipitriformes besproken. Hiertoe behoren de families havikachtigen, gieren van de nieuwe wereld (niet in Nederland voorkomend), visarend en secretarisvogel (niet in Nederland voorkomend).


Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Wat nou precies roofvogels zijn is taxonomisch dus lastig uit te leggen. Qua uiterlijk en gedrag vertonen de twee ordes (Falconiformes en Accipitriformes) wel een aantal overeenkomsten. Al zijn er natuurlijk ook nog andere soorten met zulke kenmerken, zoals uilen en sommige zangvogels zoals klauwieren.

Roofvogels jagen op prooien en eten (in sommige gevallen) aas. De verschillende soorten jagen op allerlei prooidieren zoals zoogdieren, vogels, vissen en insecten. Torenvalken jagen vooral op muizen, boomvalken, steenuilen en wespendieven eten ook insecten en zeearenden jagen onder andere op eenden en op ganzen. Prooidieren worden gevangen in de lucht, op de grond en in het water. Ze staan (meestal) bovenaan de voedselketen en behoren tot de toppredatoren van een ecosysteem.

Welke roofvogels zijn er in Nederland?

Zoals gezegd zijn er van de orde Accipitriformes twee families waarvan soorten in Nederland voorkomen: de Accipitridae (havikachtigen) en de Pandionidae (visarend). De familie Pandionidae bestaat enkel uit de visarend, die sinds 2016 weer in Nederland broedt. Van de familie havikachtigen komen veel meer soorten voor in Nederland. Tot deze familie behoren onder andere de kiekendieven, wouwen en de arenden.

Visarend roofvogels in Nederland
De visarend verschilt in verschillende opzichten van de andere roofvogels, waardoor deze in een aparte familie is geplaatst

In totaal zijn er 12 soorten die in Nederland broeden:

Sperwer (Accipiter nisus)Havik (Astur gentilis)
Buizerd (Buteo buteo)Blauwe kiekendief (Circus cyaneus)
Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)Grauwe kiekendief (Circus pygargus)
Steppekiekendief (Circus macrourus)Wespendief (Pernis apivorus)
Rode wouw (Milvus milvus)Zwarte wouw (Milvus migrans)
Zeearend (Haliaeetus albicilla)Visarend (Pandion haliaetus)

Dan zijn er nog een aantal soorten die hier niet broeden, maar wel voorkomen, bijvoorbeeld als dwaal-, zomer- of wintergast. Voorbeelden hiervan zijn de ruigpootbuizerd, slangenarend, steenarend, grijze wouw, vale gier, lammergier en monniksgier.


Lees ook: op zoek naar bijzondere soorten in het Kempen~Broek


Taxonomie roofvogels in Nederland (De Natuur van hier)
Taxonomie roofvogels in Nederland. In deze taxonomische indeling zijn de valken buiten beschouwing gelaten. Deze worden in een andere deel besproken (De Natuur van hier)

De serie Roofvogels in Nederland

In totaal zijn er zes delen nodig om de orde Accipitriformes te bespreken. De valken, de orde Falconiformes, worden in een apart deel besproken. De uilen zijn al een keer in een driedelige blog besproken. Via onderstaand overzicht kom je bij de verschillende soorten terecht.

Roofvogels in Nederland – deel I

Buizerd, sperwer en havik – deel II

Kiekendieven – deel III

Wouwen en wespendief- deel IV

Arenden – deel V

Gieren – deel VI

Valken in Nederland

Uilen in Nederland – deel I

Uilen in Nederland – deel II

Uilen in Nederland – deel III

Zwarte wouw, een van wouwen die je in Nederland kunt zien
Zwarte wouw, een van wouwen die je in Nederland kunt zien

Tot slot

Dit was de eerste introductie in de orde Roofvogels. Wil je meer handige tips ontvangen over het herkennen van diersoorten, als eerste op de hoogte zijn van de laatste blogs en op de hoogte blijven van winacties? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief!

Niets meer missen? Volg ons via onze socials!

Halfganzen in Nederland – deel VII

Bergeenden

In deel VI van de blogserie eenden, ganzen en zwanen in Nederland zijn de eider, ijseend en zee-eenden besproken. In dit deel maken we de overgang van de eenden naar de ganzen en komen de halfganzen aan bod. Van deze bijzondere onderfamilie vinden we drie soorten in Nederland terug. In deze blog vertellen we er alles over.

Halfganzen

Halfganzen

Zoals al eerder in deze blogserie benoemd is er nog geen volledige overeenstemming gevonden over de taxonomische indeling van de eenden, ganzen en zwanen. Onder andere bij de indeling van de halfganzen is nog enige onduidelijkheid. In principe komen er in Nederland drie halfganzen voor: de bergeend, de casarca en de Nijlgans. De mandarijneend en de muskuseend hebben we eerder besproken bij de grondeleenden, maar zouden wellicht beter ook bij de halfganzen ingedeeld moeten worden. Het toont in ieder geval aan dat de grondeleenden en halfganzen nauw aan elkaar verbonden zijn.

Bergeend (Tadorna tadrona)
Casarca (Tadorna ferruginea)
Nijlgans (Alopochen aegyptiacus)
Halfganzen in Nederland

Bergeend (Tadorna tadorna)

De eerste halfgans die we bespreken is de bergeend. Deze grote eendensoort (of kleine ganzensoort?) bereikt een lichaamslengte van 58 tot 67 centimeter en een spannwijdte van 110 tot 133 centimeter. Mannetjes en vrouwtjes hebben hetzelfde verenkleed; overwegend wit met zwarte accenten en een brede bruine baan over de borst. De kop en hals zijn donkergroen tot bijna zwart gekleurd. Ze hebben een felrode snavel. Bij de mannetjes zit hier nog een knobbel op, deze ontbreekt bij de vrouwen, waardoor ze goed van elkaar te onderscheiden zijn.

Bergeenden - halfganzen
Bergeenden hebben een mooi gevarieerd verenkleed en een felrode snavel
Roep bergeend (Xerno Canto – Albert Lastukhin)

Leefwijze en voedsel

Bergeenden vinden we in Nederland voornamelijk langs de kust in de duinen en in kwelders. In mindere mate komen ze ook in het binnenland voor, meestal dichtbij de grote rivieren. In de nazomer verzamelen zich grote groepen bergeenden in de Waddenzee, om daar met z’n allen te ruien. Doordat ze in deze periode niet, of niet goed kunnen vliegen zijn ze in een grote groep veiliger.

Voedsel vinden bergeenden vooral foeragerend in ondiep water op slikvelden en andere vlakten. Het grootste deel van het menu bestaat uit kleine ongewervelden, zoals slakken, kreeftjes, regenwormen en insecten. Daarnaast wordt soms ook plantaardig voedsel gegeten.


Lees ook: arenden in Nederland


Voorplanting en trekgedrag

Bergeenden broeden voornamelijk in oude konijnenholen of andere holtes. Er worden zo’n acht tot tien eieren gelegd, welke in 28 dagen worden uitgebroed. Het vrouwtje broedt de eieren uit, het mannetje staat buiten op de uitkijken. Omdat ze graag in konijnenholen broeden zijn de duinen in het Nederlandse landschap het meest geschikte broedgebied.

Er zijn in Nederland tussen de 5000 en 8000 broedparen. Dit aantal is redelijk stabiel. Omdat de konijnenpopulatie wel jaarlijks afneemt, zijn er minder holen om in te broeden en moeten bergeenden op zoek naar andere geschikte broedplekken. Ze broeden daardoor tegenwoordig ook in dichte vegetatie.

Na het broeden trekken bergeenden naar de Waddenzee, om daar in grote groepen veilig te ruien. Hier verblijven ze meestal gedurende de winter, om in het voorjaar weer terug te keren naar het broedgebied. In strenge winters trekken bergeenden nog wel eens zuidelijker.

Bergeenden maken gebruik van creches. Enkele tientallen jongen worden dan tijdelijk verzorgd door enkele volwassen dieren (Saxifraga - Piet Munsterman)
Bergeenden maken gebruik van creches. Enkele tientallen jongen worden dan tijdelijk verzorgd door enkele volwassen dieren (Saxifraga – Piet Munsterman)

Casarca (Tadorna ferruginea)

De tweede halfgans die we bespreken is de casarca. Deze opvallende eendensoort wordt iets groter dan de bergeend. Ze bereiken een lichaamslengte van 61 tot 67 centimeter en een spanwijdte van 121 tot 145 centimeter. Zowel de mannen als de vrouwen hebben een helder oranjebruin verenkleed. Ze hebben een roomkleurige kop en een zwarte snavel. Mannetjes hebben in het zomerkleed een zwarte halsring. Opvallend zijn verder nog de witte vlekken op de boven- en ondervleugels waardoor ze in vlucht goed opvallen.

Casarca
De casarca heeft een exotisch uiterlijk
Roep Casarca (Xeno Canto – Johannes Dag Mayer)

Leefwijze en voedsel

De casarca is vooral een soort van het zuiden van Europa, noordelijk Afrika en zuidelijk Azië. In Centraal- en West-Europa is er een populatie ontstaan, waarschijnlijk vanuit watervogelcollecties.

Het menu van casarca’s is hoofdzakelijk plantaardig. Ze eten op land gras en planten en onder water grondelen ze, net zoals grondeleenden dat doen, naar onder water planten.


Lees ook: waarom vliegen vogels in een v-vorm?


Voortplanting en trekgedrag

Meestal worden er acht of negen eieren gelegd. Deze worden in ongeveer 28 dagen uitgebroed. In het oorspronkelijke leefgebied broeden ze in rotsholen of in boomholten. Hier worden ook boomholten gebruikt, maar soms wordt er ook gebroed in de oevervegetatie. In Nederland is het aantal broedparen beperkt tot enkele tientallen, dus vormt deze exoot (vooralsnog) geen problemen voor inheemse soorten.

De hoogste aantallen zijn in de zomer waar te nemen. Na het broeden verzamelen casarca’s zich (onder andere op het Eemmeer), om gezamenlijk te ruien. Na de rui trekken de casarca’s iets zuidelijker om te overwinteren. Uit onderzoek blijkt dat dit vooral in Zuid-Duitsland en Zwitserland is.

Casarca halfgans (Saxifraga - Bart Vastenhouw)
De casarca’s die in Nederland leven overwinteren in Zuid-Duitsland en Zwitserland (Saxifraga – Bart Vastenhouw)

Nijlgans (Alopochen aegyptiacus)

Tot slot nog een soort die zich, net als de casarca, ook heeft gevestigd in West-Europa vanuit watervogelcollecties. De ontwikkeling van deze populaties is echter in niets te vergelijken met die van de casarca’s. Nijlganzen hebben zich sinds 1967 dusdanig hard weten te ontwikkelen dat ze op de lijst van invasieve exoten terecht zijn gekomen en daardoor een bedreiging vormen voor inheemse soorten.

Nijlganzen zijn met de donkere oogvlek onmiskenbaar (De Natuur van hier)
Nijlganzen zijn met de donkere oogvlek onmiskenbaar (De Natuur van hier)

Nijlganzen zijn de grootste halfganzen in ons land, ze bereiken een lichaamslengte van 63 tot 73 centimeter en een spanwijdte van 134 tot 154 centimeter. Ze hebben een overwegend grijsbruin verenkleed, maar zijn overduidelijk te herkennen aan de donkere vlek rondom het oog en op de borst. Ze hebben zwarte vleugels met witte schouders en grote, roze poten.

Roep Nijlgans (Xeno Canto – Jorge Leitão)

Leefwijze en voedsel

De meeste nijlganzen zijn in het Westen en Noorden van ons land te vinden. Maar ook in het binnenland zijn nijlganzen te zien, vooral langs de grote rivieren. Verder kun je nijlganzen overal tegen komen waar water te vinden is.

Het menu van nijlganzen is hoofdzakelijk plantaardig. Op land eten ze bijvoorbeeld gras en planten. In het water zoeken ze ook naar plantaardig voedsel. Zowel oppervlakteplanten als onderwaterplanten worden gegeten.

Nijlgans halfganzen
Nijlgans in vlucht

Voortplanting en trekgedrag

Nijlganzen broeden in boomholten, onder struiken nabij water of in (oude) nesten van onder andere grauwe gans, reigers, ooievaars en buizerds. Ze zijn zeer fel in het verdedigen van hun eigen nesten, maar ook in het verdringen van andere soorten die al aan het broeden zijn. Dit is ook een van de hoofdredenen (naast het lange broedseizoen) dat de nijlgans zich zo explosief heeft ontwikkeld in West-Europa.

Meestal worden er 6 tot 9 eieren gelegd, welke in 28 tot 30 dagen worden uitgebroed. De meeste broedgevallen vinden plaats van april tot eind mei, maar buiten deze periode is zeker geen uitzondering. Nijlganzen kunnen vrijwel het gehele jaar broedend aangetroffen worden.

In West-Europa zijn nijlganzen standvogels. Na het broeden zwerven ze rond en hebben ze niet per see een vaste plek.


Lees ook: welke zeehonden leven er in Nederland?


De serie eenden, ganzen en zwanen in Nederland

In totaal zijn er elf blogs nodig om de talrijke familie eendachtigen te bespreken. Onderstaand een overzicht van de blogserie.

Deel 1 – familie eendachtigen in Nederland

Deel 2 – grondeleenden

Deel 3 – grondeleenden vervolg

Deel 4 – duikeenden

Deel 5 – stekelstaart, brilduiker en zaagbekken

Deel 6 – eider, ijseend en zee-eenden

Deel 7 – halfganzen

Deel 8 – zwarte ganzen

Deel 9 – grijze ganzen

Deel 10 – grijze ganzen vervolg

Deel 11 – zwanen

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Akkervogels in Nederland

Gele kwikstaart (de Natuur van hier)

Nederland bestaat voor een groot deel uit agrarisch gebied. Van oudsher zijn veel vogelsoorten gebonden aan dit landschap, wat bestond uit kleinschalige bloeiende akkerpercelen omringd met heggen en houtsingels. Dit landschap is de laatste decennia sterk veranderd, waardoor veel akkervogels het zwaar hebben. In deze blog aandacht voor de akkervogels die we in Nederland kennen.

Omslagfoto: gele kwikstaart (de Natuur van hier)

De patrijs is misschien wel het bekendste voorbeeld van een akkervogel in nood (de Natuur van hier)
De patrijs is misschien wel het bekendste voorbeeld van een akkervogel in nood (de Natuur van hier)

Wat zijn akkervogels?

Akkervogels zijn vogels die op of in de buurt van akkers broeden en daar ook hun voedsel vinden. Veelal broeden akkervogels op de grond, goed verscholen tussen de vegetatie of aan de voet van een haag. Akkervogels vinden voedsel in de vorm van granen en onkruidzaden, maar sommige soorten eten ook de insecten die op de bloemen afkomen. Er zijn ook een aantal roofvogels die in de akkers jagen op (zang)vogels en muizen.


Lees ook: de teloorgang van de zomertortel en de opkomst van de bijeneter


Akkervogels

De akkervogels zijn grofweg in te delen in de zangvogels, fazantachtigen, roofvogels & uilen en een overige categorie. Ieder met hun eigen levenswijze, op hun eigen plek in het akkerlandschap.

Zangvogels

Zoals in praktisch ieder biotoop zijn er zangvogels te vinden. De kleine, vlugge en luidruchtige vogels zorgen voor leven in de brouwerij. Binnen het akkerlandschap zijn er zangvogels die het kleinschalige landschap prefereren, maar ook soorten die houden van de open en weidse velden.

Zangers van het kleinschalige landschap

Een aantal zangvogels prefereren het kleinschalige landschap, waarin akker worden afgewisseld met landschapselementen zoals scheerheggen, struweelhagen en houtsingels. Kneuen leven in grote groepen en bewonen meidoornhagen en braamstruwelen. De ringmus voelt zich thuis in een kleinschalig landschap met akkers en bomen met holen, waarin ze kunnen broeden

Geelgorzen broeden in heggen en houtsingels en vinden voedsel (grotendeels zaden) op de akkers. Ook de grauwe gors kwam vroeger een stuk meer voor in Nederland, maar is tegenwoordig nog maar op enkele plekken te vinden in ons land.

Zangers van het open veld

Meer in het open terrein voelen andere zangvogels zich thuis. De bekendste hiervan is misschien wel de veldleeuwerik. Met zijn prachtige zang en sierlijke vlucht geven ze kleur aan het landschap. Helaas is de soort sinds de jaren ’70 met 95% afgenomen.

Ook kwikstaarten zijn bewoners van de open akkergebieden. De witte kwikstaart, gele kwikstaart en Engelse kwikstaart voelen zich thuis op de akkers. Ze broeden er veelal op de grond en struinen de akkers af op zoek naar insecten.

Gele kwikstaarten op de akkers
In Nederland komen verschillende soorten gele kwikstaarten voor. Twee daarvan zijn geregeld te vinden op akkers: de gele kwikstaart en de Engelse kwikstaart. De gele kwikstaart (man) heeft een gele keel en borst, en een prachtige blauwgrijze kop met een witte wenkbrauwstreep. De mannetjes van de Engelse kwikstaart hebben ook een gele keel en borst, maar een geelgroene kop.
De andere twee gele kwikstaarten zijn de grote gele kwikstaart en de Noordse kwikstaart. De grote gele kwikstaart leeft voornamelijk langs stromende beken en de Noordse kwikstaarten is enkel in ons land te bewonderen als doortrekker.

Wintervoedsel

Dan zijn er nog een aantal zangvogels die akkers gebruiken om in de winter voldoende voedsel te vinden. Op speciaal ingerichte akkers vinden soorten zoals graspiepers, groenlingen, vinken, en distelvinken in de winter voedsel in de vorm van zaden van granen, kruiden en grassen. Cruciaal voor deze soorten om de winter door te komen.

Fazantachtigen

Dan zijn er nog een aantal typische akkervogels die behoren tot de fazantachtigen. Drie soorten behorend tot deze familie komen voor in de Nederlandse akkers: de kwartel, de patrijs en de fazant. Deze grondbroedende vogels leggen over het algemeen veel eieren (meer dan 10 is vrij normaal) en voeden zich met zaden van grassen, onkruiden en granen en met insecten.

De kwartel is de kleinste van het stel. Ze hebben een donkerbruin verenkleed met lichtgele strepen. Maar zien doe je ze niet snel, je zult ze eerder horen. Het bekende kwik-me-dit, kwik-me-dat geluid is vooral op zomeravonden goed te horen in graanvelden.

De patrijs is een stukje groter dan de kwartel. Het is misschien wel hét bekendste voorbeeld van vogelsoorten die drastisch te leiden hebben gehad onder de intensivering van de landbouw. De populatie is sinds de jaren ’70 met 95%(!) afgenomen. De eens zo normale broedvogel is nu bijna een zeldzaamheid geworden.

Tot slot nog de fazant. Deze kleurrijke verschijning komt hier van origine niet voor maar is in het verleden (en nu nog steeds, maar dan illegaal) uitgezet als jachtwild. Fazanten zijn in Nederland het hele jaar door op akkerland te zien, het zijn standvogels.


Lees ook: Kraaien in Nederland – deel I


Roofvogels & uilen

Een van de kleinste roofvogels die je boven een akker zult zien is de torenvalk. Deze valk hangt vaak biddend boven een akker of grasland, op zoek naar veldmuizen. Torenvalken hebben een roodbruine rug. Het mannetje heeft een grijze kop en staart. Vrouwtjes zijn minder opvallend bruin en hebben een gebandeerde staart.

Daarnaast zijn er nog de slanke en elegante kiekendieven die graag gebruik maken van akkers. De grauwe kiekendief broedt nog met enkele tientallen, vooral in de provincie Groningen. Hier broeden ze vooral in graan- en luzerneakkers. Met de blauwe kiekendief is het minder goed gesteld in ons land. Deze is namelijk bijna uitgestorven als broedvogel in Nederland. Tot slot is er zo nu en dan nog een dwaalgast in de akkers in Nederland ontdekt: de steppekiekendief. Deze mysterieuze vogel van de steppes in Rusland is echter voor het eerst in 2017 tot broeden gekomen in Nederland, ergens in (wederom) Groningen.

Uilen

Dan zijn er ook nog een aantal uilen die gebruik maken van het (half)open akkerlandschap. Het kleinste uitlje van Nederland, de steenuil, is een typisch voorbeeld van kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Ook de ransuil en kerkuil maken gebruik van het open akkerveld om op muizen te jagen. Ransuilen broeden in bomen, kerkuilen broeden vaak ook op (boeren)erven in schuren.

Tot slot komt ook de velduil voor in het akkerlandschap. Wanneer de omstandigheden gunstig genoeg zijn kunnen ze er zelfs soms broeden. Het nest maken ze op de grond. Het zijn geen echte trekvogels, maar verplaatsen zich naar waar de omstandigheden het beste zijn.

Overige akkervogels

Dan zijn er nog een aantal akkervogels die niet in bovenstaande groepen in te delen zijn. Sommige soorten zijn typische akkervogels, andere komen naast het akkerlandschap ook nog in andere biotopen voor.

De zomertortel, een duivensoort die zich thuis voelt in het kleinschalige agrarische landschap. Helaas is de soort sterk afgenomen, onder andere door jacht in Zuid-Europa en de schaalvergroting in de landbouw. Een andere bijzondere akkervogel is de kwartelkoning. Kwartelkoningen laten zich lastig zien, een belangrijk aspect van het leefgebied is dan ook voldoende dekking. Mannetjes maken in het voorjaar een kenmerkend crex-crex geluid, dat tot ver te horen is.

Tot slot zijn er nog twee soorten die normaliter eerder tot de weidevogels worden gerekend, maar toch ook regelmatig op bouwland te vinden zijn. Dit geldt zowel voor de scholekster als voor de kievit. Beide soorten profiteren van het open land en de afwisseling van gras- en bouwland.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Eider, ijseend en zee-eenden in Nederland – deel VI

Eider

In deel V van de serie eenden, ganzen en zwanen in Nederland werden de stekelstaarten, brilduikers en zaagbekken besproken. In deel VI worden de eider, ijseend en zee-eenden besproken. Allereerst worden de broedende soort(en) besproken, vervolgens de soorten die ons land af en toe bezoeken.

Zee-eenden en consorten

De eendensoorten die in deze blog worden besproken horen, samen met de brilduiker en zaagbekken uit de vorige blog in deze reeks, tot de onderfamilie Merginae. Deze soorten zijn voornamelijk op, of in de buurt van zee te vinden. Het zijn grote eendensoorten, welke voornamelijk dierlijk voedsel eten. Ze hebben daarom ook een grote en krachtige snavel.

De eider behoort tot het geslacht Somateria, samen met de brileider en koningseider, welke niet in Nederland voorkomen (al wordt de koningseider heel soms gezien als dwaalgast en is de brileider recentelijk voor het eerst in Nederland waargenomen). De ijseend behoort tot een monotypisch geslacht, wat betekent dat het de enige soort binnen het geslacht is. De zee-eenden behoren tot het geslacht Melanitta, die zes soorten telt. Niet alle soorten hiervan komen voor in Nederland.

Koningseider
De koningseider is een voorbeeld van een prachtige dwaalgast die hier maar enkele keren gezien is
Eider (Somateria mollissima)IJseend (Clangula hyemalis)
Zwarte zee-eend (Melanitta nigra)Grote zee-eend (Melanitta fusca)
De te bespreken eenden in deze blog

Lees ook: waarom vliegen vogels in een v-vorm?


Eider (Somateria mollissima)

De eerste eend die we bespreken is de eider, ofwel eidereend. Dit zijn grote eenden die een lichaamslengte van 50 tot 71 centimeter bereiken en een spanwijdte van 95 tot 105 centimeter. Het is daarmee een van de grootste eenden van Europa. Mannetjes hebben een zwart-wit verenkleed, met een groenige vlek in de nek een rozige buik. Vrouwtjes zijn overwegend bruin gekleurd. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben een grote, driehoekige snavel. Eiders staan ook wel bekend om hun dons, wat wordt gezien als het zachtste dons ter wereld.

Eider
Het mannetje eider heeft een zwart-wit verenkleed met een olijfgroene vlek in de nek

Leefwijze en voedsel

Eiders leven hoofdzakelijk langs de kust, in zout water. Het zijn enorm goede vliegers en kunnen snelheden tot wel 113km/u bereiken. In Nederland zien we de eider voornamelijk in het Waddengebied.

Het voedsel is hoofdzakelijk dierlijk. Weekdieren zoals mossels, kokkels en krabben, maar ook kreeftachtigen worden gegeten. Deze worden in zijn geheel doorgeslikt, waarna de sterke maag ervoor zorgt dat de harde schelpen van schelpdieren verteert worden. Bij krabben worden eerst de scharen en dergelijke verwijderd, waarna het lichaam als geheel wordt doorgeslikt.

Voortplanting en trekgedrag

De eerste broedende eider in Nederland werd ontdekt op Vlieland in 1906. Sinds die tijd zijn de aantallen flink toegenomen, maar recentelijk ook weer afgenomen. Het vrouwtje gebruikt het dons van de borst (hier zit het zachtste dons) voor de nestbouw. Na zo’n 25 dagen komen de eieren (meestal 4 tot 6) uit. De jongen zijn na ruim twee maanden vliegvlug

Eiders zijn geen lange afstandstrekkers. In de koudere maanden zakken ze wat af langs de kust, tot in Zuid-Frankrijk. In de winter hebben we in Nederland overwinteraars van vogels die meer noordelijk broeden.

IJseend (Clangula hyemalis)

Een van de mooiste eenden die je in ons land kunt treffen (als je geluk hebt) is de ijseend. Deze eend komt hier voornamelijk als wintergast voor, maar is één keer tot broeden gekomen. IJseenden bereiken een lichaamslengte van 40 tot 47 centimeter en een spanwijdte van 73 tot 79 centimeter.

Het zijn dus relatief kleine zee-eenden. Het mannetje valt het meeste op, met zijn verlengde staartpennen die wel dertien centimeter lang kunnen worden! In zomerkleed hebben mannetjes een zwarte kop en borst en is de rest van het lichaam bruin, zwart en wit gekleurd. In de winter is het verenkleed van de man overwegend wit, met zwarte tekening. Het vrouwtje is wat meer bruinig gekleurd. In zomerkleed heeft het vrouwtje een donkere, bruine kop. In de winter is deze meer wit van kleur, vooral rondom het oog.

IJseend (Saxifraga - Bart Vastenhouw)
IJseenden zijn een van de fraaiste eendensoorten. Hier een mannetje in winterkleed (Saxifraga – Bart Vastenhouw)

Leefwijze en voedsel

Zoals gezegd zijn het in ons land voornamelijk wintergasten. Ze overwinteren dan veelal op zee, maar ook soms in diepere zoute of brakke wateren. In het broedgebied leven ze vooral op het toendralandschap en worden ze ook gezien in bergmeren.

Het menu van ijseenden is hoofdzakelijk dierlijk. Vissen, schelpdieren, garnalen en (water)insecten worden veel gevangen. IJseenden kunnen diep duiken om aan het voedsel te komen. Soms wordt ook plantaardig materiaal gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

In de regel broeden ijseenden dus veel noordelijker dan Nederland. Op de arctische toendra’s broeden ze in paartjes of in groepen. In Nederland heeft een paartje ijseenden voor het eerst gebroed in 2019, in Marker Wadden. Hoog uitzonderlijk, want het is tot nu toe ook bij dit ene broedgeval gebleven.

In oktober vliegen ijseenden van het broedgebied naar de meer zuidelijk gelegen overwinteringsplaatsen. Hieronder valt ook Nederland, al is dit zeker niet de meeste bezochte overwinteringsplek. De meeste ijseenden overwinteren op de Oostzee.

Doortrekkers, wintergasten en dwaalgasten

De resterende eenden in deze blog broeden allen niet in ons land, maar zijn hier enkel als doortrekker, wintergast of dwaalgast aanwezig.

Zwarte zee-eend (Melanitta nigra)

De zwarte zee-eend bereikt een lichaamslengte van 44 tot 54 centimeter, met een spanwijdte van 79 tot 90 centimeter. Mannetjes zwarte zee-eenden zijn volledig zwart, enkel de vleugelpunten zijn iets minder zwart en neigen naar donkergrijs. De bovenkant van de snavel is geel. Het vrouwtje is bruin van kleur, de bovenkant van de kop is donker en ze hebben licht gekleurde wangen. De snavel is donker van kleur. Beide geslachten hebben een puntige staart.

Zwarte zee-eend (Saxifraga - Bart Vastenhouw)
Mannetje zwarte zee-eend (Saxifraga – Bart Vastenhouw)

Leefwijze en voedsel

Zwarte zee-eenden zien we hier in Nederland bijna uitsluitend op zout water, maar in het broedgebied broeden ze op zoetwatermeren en langzaam stromende rivieren. Het broedgebied van deze soort bevindt zich in het hoge noorden, onder andere in Rusland en het noorden van Scandinavië.

De zwarte zee-eend zien we in Nederland vooral als doortrekker en wintergast. In het verleden waren de aantallen wintergasten aan de Nederlandse Noordzeekust veel hoger dan tegenwoordig. Vermoedelijk heeft dit te maken met de overbevissing die plaatsvindt in de Noordzee.


Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Zwarte zee-eenden eten voornamelijk schelpdieren. Dit wordt verder aangevuld met kreeftachtigen. Wanneer ze op zoet water verblijven eten ze ook insecten, kleine vis en soms zelfs plantaardig materiaal. Het zijn zeer goede duikers, welke tot 30 meter diep kunnen duiken om bij de schelpdieren te komen.

Grote zee-eend (Melanitta fusca)

De laatste zee-eend die hier met enige regelmaat voorkomt is de grote zee-eend. De grote zee-eend wordt 51 tot 58 centimeter groot, met een spanwijdte van 86 tot 99 centimeter. Ze lijken veel op de zwarte zee-eend, maar hebben meer wit in het verenkleed. Ze hebben een witte achtervleugel, welke heel goed opvalt in vlucht en een kleine witte vlek onder het oog. De bovenzijde van de snavel is geel. Het vrouwtje is niet zwart, maar donkerbruin. Verder heeft het vrouwtje wel dezelfde witte delen in het kleed als de man. Grote zee-eenden zijn in Nederland vaak samen te zien met zwarte zee-eenden.

Zwarte zee-eend (Saxifraga - Tom Heijnen)
Grote zee-eenden zijn uitstekende duikers (Saxifraga – Tom Heijnen)

Leefwijze en voedsel

De grote zee-eend komt hier voor als wintergast en doortrekker. Broeden doen ze meer noordelijk. Hier broeden ze op zoewaterplassen. In Nederland verblijven ze vaak op zee, in de buurt van de kust. Het zijn zeer goede duikers, welke tot wel 40 meter diep kunnen duiken voor voedsel.

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit schelpdieren, zoals mosselen. Daarnaast worden ook kreeftachtigen en soms kleine vis gegeten. In het broedgebied staan ook insecten en plantaardig materiaal op het menu.

Het aantal overwinteraars is de laatste jaren afgenomen. Waarschijnlijk om dezelfde reden als bij de zwarte zee-eend: overbevissing in de Noordzee.

Dwaalgasten

Tot slot benoemen we nog een paar dwaalgasten die wel eens zijn waargenomen in Nederland. Allereerst de koningseider (Somateria spectabilis), waarvan eerder in de blog al een afbeelding voorbij kwam. Het leven van deze prachtige eendensoort is vooral verbonden aan de arctische kusten van Noord-Europa, Noord-Amerika en Noord-Azië. Een enkele keer duikt er een koningseider op voor de kust van Nederland. In januari (2025) werd in Nederland zelfs voor het eerst een brileider (Somateria fischeri) waargenomen. Deze fotogenieke soort houdt zich normaliter veel noordelijker op en is pas een aantal keren waargenomen in Europa.

Tot slot zijn er enkele meldingen bekend van de Amerikaanse zee-eend (Melanitta americana) voor de kust van Nederland. Deze zee-eend komt eigenlijk voor in Alaska en Canada, maar het komt dus wel eens voor dat een individu de tocht over de oceaan weet te volbrengen. Erg uitzonderlijk dus!

De serie eenden, ganzen en zwanen in Nederland

In totaal zijn er elf blogs nodig om de talrijke familie eendachtigen te bespreken. Onderstaand een overzicht van de blogserie.

Deel 1 – familie eendachtigen in Nederland

Deel 2 – grondeleenden

Deel 3 – grondeleenden vervolg

Deel 4 – duikeenden

Deel 5 – stekelstaart, brilduiker en zaagbekken

Deel 6 – eider, ijseend en zee-eenden

Deel 7 – halfganzen

Deel 8 – zwarte ganzen

Deel 9 – grijze ganzen

Deel 10 – grijze ganzen vervolg

Deel 11 – zwanen

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Hoe paren vogels?

Reigers

Vogels zijn gestroomlijnde en elegante dieren, maar als het op paren aan komt is het niet voor te stellen dat dit op een elegante manier gebeurt. De bouw van vogels zorgt ervoor dat een paring van vogels er vaak lomp en onhandig uitziet. Maar hoe paren vogels? En hoe vaak paren vogels? Deze en andere vragen worden beantwoord in deze blog.

Ooievaars

Wanneer paren vogels?

Voorjaar is de tijd dat vogels beginnen met paren en broeden. Trekvogels komen vanuit het overwinteringsgebied overgestoken naar het broedgebied. Standvogels worden ook weer luidruchtig als de bladeren aan de bomen en struiken beginnen te groeien en de temperatuur geleidelijk aan stijgt.

In Nederland broeden veel soorten in de periode van maart tot en met juli (broedseizoen). Er zijn echter ook soorten die al eerder broeden, zoals de bosuil en de blauwe reiger. Voorafgaand aan het broeden vindt logischerwijs de paring plaats.

Geslachtsrijp

Wanneer zijn vogels geslachtsrijp? Dat varieert erg per soort. De meeste zangvogels die onze tuin bezoeken zijn na ongeveer een jaar geslachtsrijp en kunnen dan paren. Maar er zijn ook uitzonderingen: ooievaars zijn na drie jaar geslachtsrijp, zeearenden na vier jaar en albatrossen beginnen pas met broeden na een jaar of zes. Over het algemeen is het zo dat hoe groter de vogel wordt, hoe langer het duurt voordat ze geslachtsrijp zijn


Lees ook: waar leven dassen?


Hoe vaak paren vogels?

De frequentie van paren verschilt ook sterk per vogelsoort. Er zijn vogels die maar één legsel per jaar hebben, maar Turkse tortels kunnen tot wel vijf legsels per jaar hebben. Het eerste legsel is vaak al eind februari en dit kan doorgaan tot in november! Andere soorten, zoals bijvoorbeeld de ransuil, legt maar één legsel per jaar (en paart dan ook maar één keer), een tweede legsel is uiterst zeldzaam.

Ransuil
De meeste uilen in Nederland broeden maar één keer per jaar

Vaak wordt er voor een succesvol legsel wel meerdere keren gepaard. In een periode van ongeveer een week paren man en vrouw vogel meerdere keren om zo de kans op bevruchte eicellen zo hoog mogelijk te maken. Iedere eicel wordt namelijk apart bevrucht. Aan iedere legsel gaan over het algemeen dus meerdere paringen vooraf.

Hoe paren vogels?

Voor de paring dienen trekvogels eerst terug te gaan naar het broedgebied. Tussen de al aanwezige standvogels zoeken de mannetjes een territorium en gaan daarna op zoek naar een geschikt vrouwtje. Bij de meeste soorten moeten mannetjes goed hun best doen om de vrouw ervan te overtuigen dat hij het meest geschikt is. Dit doen ze op bijzondere en uiteenlopende manieren.


Lees ook: waarom vliegen vogels in een v-vorm?


Dit doen ze allereerst met behulp van de zang. In het voorjaar zijn dan ook tal van vogelgeluiden te horen, de een nog luider en uitbundiger dan de ander. Daarnaast proberen mannetjes vrouwtje te verleiden met hun uiterlijk, vliegkunsten en andere baltsrituelen. Een van de bijzonderste baltsrituelen die je in Nederland kunt zien is die van de fuut. In het water bewegen man en vrouw met de borst tegen elkaar omhoog en schudden druk met het hoofd. Tijdens deze balts halen ze alles uit de kast en brengen ze elkaar zelfs cadeautjes.

Baltsende futen (Saxifraga - Jan Nijendijk)
Baltsende futen zijn een prachtig fenomeen om waar te nemen (Saxifraga – Jan Nijendijk)

De daad

Als het mannetje genoeg indruk gemaakt heeft op het vrouwtje, dan krijgt hij toestemming om te paren. Dit ziet er nogal lomp en onhandig uit. Het mannetje duikt bovenop het vrouwtje en is er vaak binnen een paar seconde weer vanaf.

Houtduif paring
De paring tussen vogels ziet er vaak onhandig uit

De meeste vogels hebben inwendige geslachtsorganen. Bij enkele soorten, zoals eenden en ganzen, hebben de mannetjes nog een uitwendig geslachtsorgaan in de vorm van een penis, maar de meeste soorten zijn deze tijdens de evolutie kwijtgeraakt. Bij deze vogels is enkel een cloaca te zien. Dit is een opening in het lichaam waar zowel de ontlasting als de genitale afscheidingen (ook de eieren) het lichaam verlaten.

Voor de paring is het noodzakelijk dat de cloaca van man en vrouw met elkaar in verbinding komen, de zogeheten cloaca kus. Dit gebeurt doordat de cloaca opzwelt met behulp van hormonen. Via kanaaltjes kan de man dan het sperma overbrengen in de cloaca van de vrouw, waarna de eicellen bevrucht worden. Dit gebeurt al vaak binnen één seconde. Tel daar het juist positioneren bij op en de hele paring duurt vaak niet meer dan een aantal seconden.

De paring bij ringmussen

Zijn vogels monogaam?

Binnen de klasse vogels worden er verschillende strategieën op nagehouden wat betreft paren. Er zijn een aantal vogelsoorten, zoals ganzen, zwanen en veel roofvogels welke een partner hebben voor het leven. Deze soorten zijn monogaam. Daarnaast is er nog een grote groep vogelsoorten, waaronder veel zangvogels, welke ieder broedseizoen een nieuwe partner zoeken. Tot slot zijn er ook nog soorten, zoals de heggenmus, waarbij zowel de mannetje als de vrouwtjes meerdere partners hebben. Vogels zijn dus bij lange na niet allemaal uitgesproken monogaam.

Grijze kroonkraanvogel
Kraanvogels, zoals deze grijze kroonkraanvogels zijn monogaam en hebben dus een partner voor het leven

Lees ook: hoe maakt een bij honing?


Paren vogels met andere soorten?

Naast dat er vogelsoorten zijn welke met verschillende individuen van dezelfde soort paren, komt het ook voor dat twee verschillende soorten met elkaar paren. Dit wordt veelal vastgesteld bij eenden en andere watervogels. Bij de wilde eend is bijvoorbeeld vastgesteld dat deze met meer dan 40 andere soorten kan kruisen. Maar eenden zijn zeker niet de enige. Naar schatting is er bij zo’n 16% van alle vogelsoorten hybridisatie vastgesteld. Andere voorbeelden van soorten waarbij hybridisatie zeker is zijn mezen, kolibrie’s en meeuwen.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

De teloorgang van de zomertortel en de opkomst van de bijeneter

Bijeneter vs. zomertortel

Een samenwerking tussen de Natuur van hier en de podcast Tjif en Tjaf

In een tweedelige blogserie gaat de Natuur van hier op pad met de crew van de podcast Tjif en Tjaf in het gevarieerde Limburgse landschap. In het tweede deel van de blogserie gaan we op zoek naar de zomertortel en bijeneter.

Deze soorten vertellen ons meer over hoe de natuur in Nederland de laatste decennia is veranderd. Waar het met de ene soort bijzonder slecht gaat door een veranderend landschap, wint de ander juist terrein in Nederland vanwege klimaatverandering. Of we ze gevonden hebben en welke soorten we nog meer hebben gezien en gehoord, hoor je in aflevering 5 van seizoen 5 van de podcast Tjif en Tjaf.

Bronnen omslagfoto: zomertortel (Saxifraga – Mark Zekhuis), bijeneter (Saxifraga – Joerg Mager)

Zomertortel (Streptopelia turtur)

Bron foto: Tijmen Photography

Uiterlijke kenmerken

De zomertortel is de kleinste duivensoort van Nederland. Qua maat zit hij net onder de Turkse tortel. Zomertortels hebben een blauwgrijze kop, die bij vrouwtjes wat bruiner is. De borst is zachtroze. Om de oranje ogen zit een rode rand van huid. Ook de poten zijn rood. In de nek vallen de zwart-witte streepjes op. Juveniele dieren hebben deze strepen nog niet en zijn daardoor goed te onderscheiden van de volwassen vogels. De vleugels hebben overlappende dekveren en deze zijn prachtig roestbruin getekend met zwarte vlekken, wat een schubachtig patroon geeft. De staart is ruitvormig en vooral bij het (op)vliegen zie je de witte rand aan het einde van de staart.

Je moet wat geluk hebben om een zomertortel te zien. Niet alleen omdat ze in aantallen schrikbarend hard achteruit gaan, maar ook omdat het rustige, schuwe vogels zijn. Waarschijnlijk zul je een zomertortel eerder horen dan zien. Ze hebben een erg kenmerkend geluid, wat je het beste kunt omschrijven als een dromerig, diep koerend, bijna spinnend, geluid turrrr turrrr turrrr.

Geluid zomertortel (bron: Xeno-canto – SonoNatura)
Streptopelia turtur 5, Zomertortel, Saxifraga-Peter Meininger
De zomertortel heeft een kenmerkend verenkleed en is daardoor gemakkelijk te onderscheiden van de andere in Nederland voorkomende duivensoorten (foto: Saxifraga-Peter Meininger)

Leefwijze

Zomertortels zijn schuwe vogels. Ze laten zich niet gauw zien. Hieronder lees je alles over het leefgebied van de zomertortel, wat ze eten en hoe hun broedgedrag eruit ziet.


Lees ook: waar leven dassen?


Leefgebied van de zomertortel

Deze mooie duivensoort is de enige duivensoort in ons land die in het najaar wegtrekt om elders te overwinteren. Ze trekken vanaf de westkust van Europa naar tropisch Afrika. Deze reis is ontzettend gevaarlijk. De winter wordt in tropische temperaturen doorgebracht, waarna de vogels vanaf midden april weer terugkeren naar onder andere Nederland.

Zomertortels geven de voorkeur aan kleinschalig, extensief beheerd landbouwgebied, wat vooral niet te efficiënt in elkaar moet zitten. Op die manier kunnen ze rondscharrelen op akkers en in kruidenrijke weilanden, op zoek naar granen en zaden. Ze zitten graag op bijvoorbeeld stroomdraden in de buurt van akkers. Open bossen en bosranden, dichte struwelen en houtwallen worden gebruikt om in te broeden.

Streptopelia turtur 6, Zomertortel, Saxifraga-Mark Zekhuis (1)
Zomertortels zijn vaak te vinden in de buurt van graanakkers (bron: Saxifraga-Mark Zekhuis)

Voedsel

Het menu van zomertortels is niet heel ingewikkeld: hoofdzakelijk granen en (onkruid)zaden. Tijdens het scharrelen wordt er ook wel eens een insect, slak of blad van kruidachtige planten meegepikt. Jongen die net uit het ei zijn, krijgen de eerste dagen een soort melk uit de krop van de ouders. De krop is een holte in de keel van volwassen zomertortels (en andere duiven), waar voedsel wordt opgeslagen. De soort melk die de jongen eerst krijgen, wordt afgescheiden door een slijmvlies in de krop. Om bij deze voeding te kunnen komen, steekt het jong zijn kopje in de snavel van de ouder.

Broeden

Er wordt gebroed in bossen, bosranden, bosschages, houtwallen en struwelen. De zomertortel legt meestal twee eieren per legsel. Ze kunnen meerdere, tot wel drie, legsels per jaar hebben. Echter zijn het in de praktijk vaak maar één of twee legsels, vanwege het gebrek aan voedsel.

Zomertortels zijn monogame vogels. Tijdens de baltsperiode klimt het mannetje hoog in de lucht, waarna hij met een zweefvlucht weer naar beneden komt. In deze periode hoor je de roep het meest. Het nest maken ze met met dunne twijgjes en wordt bekleed met stukjes plant. De eieren zijn wit en worden door beide ouders uitgebroed. Toen de zomertortel nog talrijk was, verzamelden zich na de broedperiode groepjes van soms wel tientallen vogels op voedselrijke plekken, klaar voor de trek.

Zomertortel3
Zomertortels zijn monogaam, paartjes blijven het hele leven bij elkaar

Populatie zomertortel in Nederland

Het gaat heel erg slecht met de zomertortel. Niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. Dit heeft meerdere oorzaken. Het aantal broedparen in Nederland wordt geschat op 600 tot 900. Voor 1980 lagen de schattingen tussen 35.000-50.000 broedparen. In het westen van Europa is sinds 1970 meer dan 85% (!) van de populatie afgenomen.

In Nederland verdwijnt er steeds meer leefgebied door intensivering en pesticidengebruik van de landbouw. Er wordt steeds efficiënter en op grotere schaal gewerkt, met meer machines en andere opslagmanieren, waardoor er minder gemorst graan is om van te eten. Ook wordt er veel ‘onkruid’ bestreden door spuiten met gif (zoals glyfosaat). Resultaat: kale, vergiftigde vlaktes zonder foerageermogelijkheden. Niet alleen zomertortels hebben hier last van.

Broedvogeltrend Zomertortel (SOVON)
Broedvogeltrend zomertortel in Nederland (bron: SOVON)

Zomertortel in Europa

Zoals gezegd, heeft de afname meerdere oorzaken. Op Europees niveau is er de jacht op de trekroute. Op Malta en Cyprus wordt bijvoorbeeld ontzettend veel gejaagd op de zomertortel. Er wordt geschat dat er jaarlijks meer dan 1,4 tot 2,2 miljoen zomertortels worden geschoten bij de illegale jacht (bron: Vogelbescherming).

Maar ook op de overwinteringsplekken in Afrika heeft deze mooie duif het zwaar. Vanwege droogte verandert het landschap. Er zijn soms helemaal geen drinkplaatsen meer beschikbaar. Ook wordt er veel bosgebied, waar de zomertortel leeft, gekapt voor houtproductie.

Help de zomertortel

We kunnen – en moeten – de zomertortel in Nederland en Europa helpen. Zo is er een andere inrichting van het landbouwgebied nodig. Meer struweel en hagen en een kleinschaliger gebruik van landbouwgrond, zodat er meer stroken en gebieden ontstaan voor voedsel. Ook zou het pesticidengebruik teruggebracht moeten worden. Er is ook een internationale aanpak nodig, die de jacht overal verbiedt en erop toeziet dat deze regels nageleefd worden.

Woon je zelf in een omgeving waar zomertortels voorkomen? Dan kun je zelf de handen uit de mouwen steken om de zomertortel te helpen! Er zijn in binnen- en buitenland verschillende projecten opgezet waar voedselvelden worden aangelegd. Dit zijn kleine, kale akkers waar de zomertortels kunnen foerageren, op zoek naar zaden. Bijvoeren met granen en speciaal tortelduivenvoer lijkt ook te helpen (bron: Vogelbescherming).

Zomertortel 01-01-2020 - 01-01-2024

De zomertortel komt voor op plekken waar bosgebieden zich afwisselen met akkers. Hier vinden ze zowel broed- als foerageergebied.

Sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw zijn de aantallen drastisch afgenomen, door onder andere veranderend landschap. Hierdoor is de kans op een waarneming flink afgenomen.

Afbeelding: heatmap verspreiding zomertortel in Nederland 01-01-2020 – 01-01-2024 (bron: waarneming.nl)

Kijktip

Een zomertortel zul je niet gauw zien. Er zijn niet veel zomertortels meer en ze zijn erg schuw. Je zult er eerder eentje horen dan zien. Als je wel het geluk hebt, let dan op de bruine vleugels en de zwarte-witte streepjes in de nek. Vaak zitten ze op de topjes van onder andere berkenbomen.

Zomertortel

Bijeneter (Merops apiaster)

Paspoort

Naam: Bijeneter

Wetenschappelijke naam: Merops apiaster

Lichaamslengte: 25-29 centimeter

Spanwijdte: 36-40 centimeter

Uiterlijk: fel gekleurd. Mix van blauw, geel, oranje en bruin.

Voedsel: vliegende insecten zoals bijen, hommels, wespen en libellen.

Bijeneter

Uiterlijke kenmerken

De bijeneter heeft een felgekleurd verenkleed. De buik- en staartveren zijn blauw, evenals een deel van de vleugels. Bovenin zijn de vleugels oranje. De bijeneter heeft een gele rug en keel. De kop is kastanjebruin, wat doorloopt tot in de nek. Opvallend is ook de brede, zwarte oogstreep. De zwarte snavel is puntig en licht omlaag gebogen. Man en vrouw lijken sterk op elkaar.

Bijeneter
Het verenkleed van de bijeneter is een kleurrijke mix van geel, blauw en bruin (bron foto: Tijmen Photography)

Vanwege de verlengde middelste staartveren en korte poten, lijken ze qua bouw op zwaluwen. Net als zwaluwen zijn bijeneters behendige vliegers, die prooien al vliegend in de lucht kunnen grijpen. Bijeneters maken, zowel in vlucht als zittend, een gevarieerd rollend en fluitend geluid.

Geluid bijeneter (bron: Xeno-canto.org – Frederic Lionel)
Bijeneter
In vlucht zijn de vergelende middelste staartveren goed te zien (bron foto: TIjmen Photography)

Leefwijze van de bijeneter

Sinds halverwege de 20e eeuw broeden er bijeneters in Nederland. In welk soort leefgebied leven ze hier, wat eten ze en hoe ziet het broedgedrag eruit? Dit bespreken we hieronder.


Lees ook: uilen in Nederland deel III


Leefgebied

De bijeneter komt van nature vooral in zuidelijk Europa voor, vanwege de hogere temperaturen. Echter breidt de bijeneter zijn leefgebied sinds enkele decennia uit. Dit heeft te maken met klimaatverandering. Noordelijkere landen, zoals Nederland, worden steeds warmer en daarmee uitnodigender voor bijeneters. Daarnaast verdwijnt het leefgebied waar ze van oorsprong voorkomen steeds meer. Er is bijvoorbeeld vanwege droogte in het zuiden van Europa minder voedselaanbod.

Bijeneters hebben steilwanden bij water (rivieren, beken, plassen) nodig. Ze graven een nesttunnel in deze wanden van meer dan een meter lang. Afgravingen of zandhopen zijn ook geliefde broedplekken. De nabijheid van water is een vereiste. Het landschap rondom de steilwanden kan verschillen, van weilanden en kruidenrijke akkerranden tot bosranden.

Steilwanden zijn voor de bijeneter essentieel, daar worden de nestgangen ingegraven en de jongen grootgebracht
Steilwanden zijn voor de bijeneter essentieel, daar worden de nestgangen in gegraven en de jongen grootgebracht

Hoewel oeverzwaluwen ook steilwanden nodig hebben om te kunnen broeden en zij ook nestgangen graven, zie je bijeneters en oeverzwaluwen vaak niet op dezelfde plek. Oeverzwaluwen hebben een grovere bodemstructuur nodig, waar bijeneters een fijnere structuur prefereren. In Nederland gaat dit niet altijd op en zul je soms wel beide soorten in dezelfde steilwand kunnen zien.

In ons land is de bijeneter geen standvogel. Tijdens de vogeltrek verdwijnt hij weer, om het jaar erop vanaf mei weer terug te keren. Bijeneters trekken overdag en in grote groepen. Ze vliegen hoog in de lucht. Er wordt niet door alle bijeneters naar dezelfde plekken getrokken. Populaties uit het zuiden en westen van Europa trekken naar West-Afrika, populaties uit het oosten van Europa trekken naar zuidelijk Afrika.

Voedsel

De naam verklapt natuurlijk al een groot deel van het menu van deze exotische vogel. Toch vormen bijen niet overal de hoofdmoot van het voedsel. In Nederland worden er vooral wespen en hommels gegeten en in mindere mate bijen (Werkgroep Bijeneters). Verder staan er ook andere insecten op het menu, zoals libellen, vlinders en kevers. Bijeneters zijn gedeeltelijk immuun voor de steken van bijen. De angels van deze insecten verwijderen ze door langs takken te schuren of door de insecten op een harde ondergrond te drukken. Voedsel wordt gevangen tijdens de vlucht. Daar zie je goed hoe behendige vliegers deze vogels zijn. Bijeneters kunnen tot wel twaalf kilometer vanaf de kolonie vliegen voor voedsel.

Insecten als bijen, hommels en wespen vormen het hoofdvoedsel van bijeneters
Insecten als bijen, hommels en wespen vormen het hoofdvoedsel van bijeneters

Broeden

Tijdens de paarperiode probeert een mannetje een vrouwtje te versieren. Hij doet dit onder andere door haar insecten te brengen (bruidscadeau). Vanaf eind mei/begin juni worden er eieren gelegd. Er kunnen tussen de vier tot tien eieren gelegd worden, meestal zijn het er tussen de vijf tot acht. Bijeneters brengen één legsel per jaar groot. Er wordt in kolonieverband gebroed. Vanwege de diepe nestgang (meer dan een meter diep), zijn de nesten (meestal) veilig voor roofdieren. Zowel man als vrouw verzorgen de eieren en de jongen.

Er wordt vervolgens ongeveer drie weken gebroed. Na het uitkomen van de eieren gaan beide ouders aan de bak om de jongen van voedsel te voorzien. Omdat bijeneters afhankelijk van insecten zijn voor hun voedsel, hangt het broedsucces nauw samen met het weer. Wanneer er veel regen is, zijn er minder insecten te vangen. Natte zomers zijn daarmee funest voor het broedsucces.

Zowel man als vrouw bijeneter verzorgen de jongen na het uitkomen van de eieren
Zowel man als vrouw bijeneter verzorgen de jongen na het uitkomen van de eieren

De jongen blijven zo’n maand in het nest. Daarna vliegen ze uit. Ze hoeven dan niet gelijk te vertrekken, maar worden nog enkele weken door de ouders bijgevoerd. In die tijd leren ze net zulke behendige vliegers te worden als hun ouders. Wanneer de najaarstrek begint, vliegt de kolonie naar hun overwinteringsgebied.


Lees ook: de beste inheemse schaduwplanten


Populatie bijeneters in Nederland

In 1964 werd het eerste broedpaar van bijeneters ontdekt in ons land. Vanaf toen was het broedsucces van de bijeneter wisselend, tot de jaren 2000. Vanaf toen werd het broeden structureler, met vanaf 2010 jaarlijks bevestigde broedparen. In 2015 werden de meeste broedparen (12) geregistreerd. Afgelopen jaar (2023) zijn er 8 broedparen geregistreerd.

Broedvogeltrend Bijeneter (SOVON)
Broedvogeltrend Bijeneter in Nederland (bron: SOVON)
Bijeneter 01-01-2020 - 01-01-2024

Zoals gezegd breidt het broedgebied van de bijeneter zich verder noordelijk uit. In Nederland is deze trend ook zichtbaar. Waarnemingen van bijeneters komen vooral voor in het zuiden van ons land. Daarnaast worden ook veel individuen langs de kust waargenomen. Het is de komende jaren afwachten hoever de broedtrend zich doortrekt over de rest van Nederland.

Afbeelding: heatmap verspreiding bijeneter in Nederland 01-01-2020 – 01-01-2024 (bron: waarneming.nl)

Kijktip

Wanneer je graag een bijeneter wil zien, heb je zonnige dagen nodig met een zuidenwind. Je kunt ze soms ook zien jagen vanaf telefoondraden of (weide)paaltjes.

Bijeneter 3

Luister de podcast!

Zoals je hebt kunnen lezen, is er een groot contrast tussen de opkomst van de bijeneter en de teloorgang van de zomertortel in Nederland. Het is een prachtige ervaring om deze vogels te zien. Of dat ons is gelukt, kun je beluisteren in aflevering vijf van seizoen vijf van Tjif en Tjaf. In deze podcast nemen de podcastmakers je mee op hun vogelexpedities door het hele land. We zijn erg benieuwd wat je van de blog en podcast vindt. Laat het ons vooral weten in een reactie!

Daarnaast kun je zowel de podcast Tjif en Tjaf als de Natuur van hier volgen op Instagram. Enkele foto’s gebruikt in deze blogserie zijn gemaakt door Tijmen Photography.

Stekelstaarten, brilduikers en zaagbekken in Nederland – Deel V

Nonnetje

Nadat in deel IV van de blogserie ‘eenden, ganzen en zwanen in Nederland’ de duikeenden uitvoerig zijn besproken, komen in deel V de stekelstaarten, brilduikers en zaagbekken aan bod. Allereerst worden de soorten besproken die in Nederland broeden. Daarna volgen nog de winter- en dwaalgasten.

Stekelstaarten, brilduikers en zaagbekken

In dit deel van de serie behandelen we drie geslachtgroepen binnen de eendenfamilie: stekelstaarten (Oxyura), brilduikers (Bucephala) en de zaagbekken (Mergus, Mergellus, Lophodytes). Het geslacht stekelstaarten bestaat uit zes soorten wereldwijd, de brilduikers uit drie en de groep zaagbekken bestaat uit zes soorten wereldwijd. De laatste groep, de zaagbekken, zijn grote vogels die allemaal vis eten en hun naam te danken hebben aan de gekartelde rand van de bek (welke ze helpt bij het eten van vis).

Grote zaagbekken
Grote zaagbek mannetjes

Broedende soorten

Allereerst zullen de soorten besproken worden die in Nederland broeden. Daarna bespreken we nog een zaagbek die hier als wintergast te bewonderen is en zijn er nog een aantal dwaalgasten.

Rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis)

We trappen de lijst af met een exoot. De rosse stekelstaart komt van oorsprong uit Noord-Amerika, maar heeft zich in West-Europa weten te vestigen vanuit privé-collecties. Omdat deze rosse stekelstaart een bedreiging vormt voor de zeldzame, inheemse witkopeend, staat deze op de Europese lijst van invasieve exoten.

De rosse stekelstaart is een kleine eend, welke een lichaamslengte bereikt van 35 tot 43 centimeter. De spanwijdte varieert van 53 tot 62 centimeter. Het mannetje is overwegend kastanjebruin gekleurd, met een zwarte kop en hals, met witte wangen en een blauw snavel. Ze hebben een omhoog wijzende staart. Het vrouwtje is rossig bruin en heeft een zwarte snavel en licht gekleurde wangen.

Rosse stekelstaart (Saxifraga - Bart Vastenhouw)
Mannetje rosse stekelstaart heeft een blauwe snavel en een omhoog wijzende staart (Saxifraga – Bart Vastenhouw)

Leefwijze

Rosse stekelstaarten vinden we in Nederland voornamelijk op ondiepe binnenwateren, zoals moerassen. Het menu is zowel dierlijk als plantaardig. Hoofdzakelijk worden ongewervelden en waterplanten gegeten.

Uit de meest recente cijfers blijkt dat er zo’n 15 tot 30 broedparen in Nederland te vinden zijn. Meestal wordt er gebroed in de dichte oevervegetatie, maar veel is er niet bekend over het broedgedrag van rosse stekelstaarten in Nederland. De rosse stekelstaart is in Nederland hoofdzakelijk een standvogel.

Invasief

In Engeland wordt er actief beheer uitgevoerd voor het terugdringen van de populatie rosse stekelstaarten. Doordat deze hybridiseerd met de inheemse (maar niet zo algemene) witkopeend, vormt het een serieuze bedreiging voor de (genetische zuiverheid van de) witkopeend.


Lees ook: uilen in Nederland – deel I


Brilduiker (Bucephala clangula)

De eerste inheemse soort in deze blog is de brilduiker. Brilduikers worden 40 tot 51 centimeter groot en bereiken een spanwijdte van 77 tot 83 centimeter. Mannetjes hebben een donkergroene kop en twee kenmerkende vlekken bij de neus, welke lijken op een soort knijpbrilletje. Hieraan heeft deze eendensoort zijn naam te danken. Ze hebben verder gele ogen een zwarte rug en staart en een witte onderzijde. De flanken zijn fijn zwart gestreept. Vrouwtjes hebben een bruine kop met een grijs lichaam en een witte band in de nek. Ze hebben beide een zwarte snavel, echter heeft het vrouwtje er een gele vlek op. Zowel het mannetje als het vrouwtje heeft een wat puntig hoofd.

Brilduiker
De kenmerkende witte vlekken net naast de snavel doen lijken alsof de eend een knijpbril draagt

Leefwijze en voedsel

Brilduikers vinden we in Nederland voornamelijk in ondiepe wateren dichtbij de kust. Maar ook meren met aangrenzende bossen zijn geschikt als leefgebied. Ze eten voornamelijk dierlijk materiaal, in de vorm van waterinsecten, kreeftachtigen en mossels. In Nederland eten brilduikers hoofdzakelijk driehoeksmossel. Er worden echter ook soms waterplanten gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

De brilduiker zoekt een holte in boom dichtbij het water uit als broedplek. Holle bomen langs meren en rivieren zijn dus cruciaal voor deze eendensoorten. Ook oude spechtengaten worden gebruikt als broedplek. Hier in Nederland worden vaak holtes in oude knotbomen gebruik.

Het is echter een zeer schaarse broedvogel in Nederland. Het aantal broedpaartjes brilduikers in Nederland is jaarlijks maar beperkt tot een handjevol. Veel algemener zijn ze als wintergast in ons land. In het najaar krijgen we bezoek van duizenden brilduikers uit onder andere Scandinavië. Eind februari verlaten ze ons land weer om terug te keren naar hun broedgebied.

Zaagbekken

Dan zijn we aangekomen bij de zaagbekken. Deze bestaan uit de geslachten Mergellus, Lophodytes en Mergus, al is het geslacht Mergellus wellicht meer verwant aan de brilduikers. Als we uitgaan van de genoemde drie geslachten, dan zijn er wereldwijd zo’n zes soorten zaagbekken. Drie zaagbekken komen op regelmatige basis voor in Nederland.

Nonnetje (Mergellus albellus)
Middelste zaagbek (Mergus serrator)
Grote zaagbek (Mergus merganser)
Zaagbekken in Nederland

Nonnetje (Mergellus albellus)

De eerste zaagbek die we bespreken is het nonnetje, ook wel de kleine zaagbek genoemd. Deze is opgenomen in de lijst van broedende eenden in Nederland, terwijl het broedgebied eigenlijk een stuk noordelijker ligt. Toch zijn er de laatste jaren een aantal broedparen te vinden in ons land, de vraag is echter of het hier gaat om ontsnapte exemplaren of wilde exemplaren.

Nonnetjes bereiken een lichaamslengte van 38 tot 44 centimeter en een spanwijdte van 55 tot 69 centimeter. Vooral de mannetjes zijn ware prachtdieren. Het verenkleed is wit, met een zwart strepenpatroon en een zwart masker. Vrouwtjes zijn overwegend grijs en hebben een bruine kop. Beide geslachten hebben een stevige snavel, voorzien van een kleine haak en kartelrand, waarmee ze goed aangepast zijn op het eten van vis.

Kleinste van de zaagbekken
Nonnetje (Saxifraga – Piet Munsterman)

Leefwijze en voedsel

Nonnetjes leven voornamelijk op zoet water. In Nederland zien we ze vooral in de winter, dan zijn deze prachtige eenden in groten getale te vinden op het Markermeer en IJsselmeer. Verder zijn ze ook te vinden op rivieren en omliggende plassen.

Het dieet van het nonnetje bestaat voor een groot deel uit vis. Vooral in de winter wordt voornamelijk vis gegeten. Welke vis is vooral afhankelijk van wat er in groot aantal aanwezig is. In het broedseizoen wordt er echter een stuk gevarieerder gegeten. Dan pakken ze ook ongewervelden, amfibieën en plantaardig voedsel.

Voortplanting en trekgedrag

In principe staan nonnetjes in Nederland te boek als doortrekkers en overwinteraars in grote aantallen), maar in 2010 werden er plots enkele succesvolle broedgevallen waargenomen in Friesland. Het kan hier natuurlijk gaan om ontsnapte exemplaren, maar daar waren geen aanwijzingen voor (ongeringd en puntgave vleugels). Het is niet uit te sluiten dat dit dus wilde vogels zijn, die veel zuidelijker zijn gaan broeden dan gebruikelijk is voor de soort.

Nonnetjes zijn broedconcurrenten van brilduikers. Ze broeden beide in holten van bomen die dicht aan het water staan. Deze strijd gaat er heftig aan toe, waarbij het nonnetje vaak dominant is. Wanneer de jongen uit het ei komen springen ze vrijwel direct het water in, op zoek naar voedsel.

Middelste zaagbek (Mergus serrator)

Een zaagbek die iets regelmatiger broedt in ons land is de middelste zaagbek. Middelste zaagbekkken worden 52 tot 58 centimeter groot en bereiken een spanwijdte van 70 tot 86 centimeter. Mannetjes hebben een zwarte kop met een wilde kuif. Daarop volgend een witte nek met een roestbruine borst. Verder hebben ze zwarte bovendelen en witte vleugelvlekken, welke ook in vlucht goed zichtbaar zijn. Vrouwtjes hebben een bruine kop met verder een overwegend grijsbruin verenkleed.

Middelste van de zaagbekken
Middelste zaagbek man (Saxifraga – Henk Sierdsema)

Leefwijze en voedsel

De middelste zaagbek leeft hoofdzakelijk aan de kust, maar soms ook op binnenwateren. Overwinteren doen ze op zee. Ze zijn in het algemeen dus te vinden op zout en brak water. Het menu bestaat grotendeels uit vis. Met hun dunne maar krachtige, gekartelde snavel zijn ze instaat gladde vis te vangen. Naast vis worden er ook kreeftachtigen en insecten gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

In Nederland broeden er jaarlijks enkele tientallen vogels. Dit gebeurt met name in het delta-gebied. Middelste zaagbekken broeden soms in halfkolonies. De jongen kunnen ongeveer twee maanden nadat ze uit het ei zijn gekomen vliegen.

Ondanks dat er jaarlijks een aantal broedparen in ons land zijn, is de middelste zaagbek in Nederland toch meer een wintergast. Vanaf september bezoeken de middelste zaagbekken het overwinteringsgebied en zijn dan in groten getale te vinden.

Middelste zaagbekken man en vrouw
Middelste zaagbek

Wintergasten & dwaalgasten

Dat waren de broedende soorten. Onderstaande eenden hebben nog nooit gebroed in ons land en zijn dan ook enkel als wintergast, of zelfs alleen als dwaalgast waar te nemen.

Grote zaagbek (Mergus merganser)

Tot slot nog de laatste zaagbek: de grote zaagbek. Deze zaagbek broedt niet in Nederland, maar overwinterd hier wel. Grote zaagbekken bereiken een lichaamslengte van 58 tot 66 centimeter en een spanwijdte van 82 tot 97 centimeter.

Grote zaagbekken hebben een langgerekt lichaam, wat vooral in vlucht opvalt. Ze hebben, net als de middelste zaagbek, een lange, smalle snavel met tandjes en een omlaag gebogen haak op het einde. Mannetjes hebben een zwartgroene kop, hals en rug. De rest van het verenkleed is contrasterend wit. Vrouwtjes hebben een roestbruine kop met een stekelige kuif. Verder is het verenkleed overwegend grijs.

Grote zaagbek vrouw met kuikens
Vrouwtjes grote zaagbekken lijken veel op vrouwen middelste zaagbek, maar zijn groter

Vrouwtje middelste- en grote zaagbek lijken veel op elkaar. De vrouwtjes van de grote zaagbek zijn logischerwijs groter. Daarnaast is de overgang van de bruine kop naar het witgrijs in de hals hard, bij middelste zaagbekken gaat dit meer vloeiend. Verder hebben ze (grote zaagbekken vrouwen) meer wit in de borst.

Leefwijze en voedsel

In tegenstelling tot middelste zaagbekken leven grote zaagbekken graag op grote meren en rivieren, voorzien van zoet water. In Nederland is de soort bijvoorbeeld veel te vinden op het IJsselmeer, maar ook op de grote rivieren zoals de Maas.

Grote zaagbekken zijn uitgesproken carnivoren. Het menu bestaat hoofdzakelijk uit vis, maar daarnaast worden ook andere dieren gegeten, zoals insecten amfibieën en kleine vogels.

Trekgedrag

Broeden doen grote zaagbekken niet in Nederland, maar meer in Scandinavië en Rusland. Rond oktober komen ze weer in Nederland terecht om te overwinteren. Ons land is een belangrijke overwinteringsplek voor de Noord-Europese populatie. De aantallen die hier overwinteren wordt sterk beïnvloed door hoe streng de winter is.

De grootste van de zaagbekken
Grote zaagbek man

Dwaalgasten

Dan blijven nog de dwaalgasten over. Allereerst de buffelkopeend (Bucephala albeola), welke tot hetzelfde geslacht behoort als de brilduiker. Het is een soort die eigenlijk in Noord-Amerika broedt, waarvan enkele waarnemingen in Nederland. Volgens Dutch Avifauna zijn er echter meer gevallen bekend van ontsnapte kooivogels dan van echte wilde exemplaren.

Daarnaast kan de witkopeend (Oxyura leucocephala) nog wel eens opduiken. Deze soort broedt onder andere in Zuid-Spanje, maar wordt dus soms ook wel als dwaalgast in ons land gezien. Zoals je ziet lijkt deze soort erg op de exoot de rosse stekelstaart. In landen waar de witkopeend dan ook meer voorkomt vormt deze exoot ook een serieuze bedreiging voor de soort.

Witkopeend (Saxifraga - Jan van der Straaten)
De witkopeend broedt onder andere in Zuid-Spanje, maar wordt soms in ons land gezien (Saxifraga – Jan van der Straaten)

Tot slot nog de kokardezaagbek (Lophodytes cucullatus), wederom een soort uit Noord-Amerika. De soort wordt zo nu en dan gezien in Nederland, maar dit is een mix van ontsnapte kooivogels en echte dwaalgasten die de tocht over de oceaan doorstaan hebben.

De serie eenden, ganzen en zwanen in Nederland

In totaal zijn er elf blogs nodig om de talrijke familie eendachtigen te bespreken. Onderstaand een overzicht van de blogserie.

Deel 1 – familie eendachtigen in Nederland

Deel 2 – grondeleenden

Deel 3 – grondeleenden vervolg

Deel 4 – duikeenden

Deel 5 – stekelstaart, brilduiker en zaagbekken

Deel 6 – eider, ijseend en zee-eenden

Deel 7 – halfganzen

Deel 8 – zwarte ganzen

Deel 9 – grijze ganzen

Deel 10 – grijze ganzen vervolg

Deel 11 – zwanen

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Raaf – Kraaiachtigen van Nederland – deel VI

Iedereen kent ze wel: een kauw, zwarte en/of bonte kraai, ekster, gaai, wellicht zelfs een roek, de notenkraker of raaf. Het zijn de kraaiachtigen van Nederland. De familie kraaiachtigen (Corvidae) gaat echter verder dan onze Nederlandse bekenden, want in totaal bestaat de familie uit 128 soorten. Ze komen bijna overal op de wereld voor. Ze behoren tot de zangvogels, hoewel niet iedereen hun geroep als gezang zou kwalificeren.

Kraaien zijn intelligente wezens en daar is de raaf geen uitzondering op. Ze kunnen problemen (leren) oplossen, sommige soorten slagen voor de spiegelproef en ze communiceren met elkaar. In dit deel lichten we de raaf uit.

Bron omslagfoto: Saxifraga – Hans Dekker

Raven zijn zeer intelligente en sociale vogels (Saxifraga - Luc Hoogenstein)
Raven zijn zeer intelligente en sociale vogels (Saxifraga – Luc Hoogenstein)

Wil je de hele serie ‘kraaiachtigen van Nederland’ lezen? Klik dan hier om te beginnen met deel I.

De raaf (Corvus corax)

De raaf is een vogel welke al sinds mensenheugenis voorkomt op de aarde. Er is door de eeuwen heen verschillend naar de raaf gekeken. Er werden hem eigenschappen toegedicht als moed en wijsheid, maar ook die te maken hadden met onheil en de dood. De raaf werd lange tijd door de mens gezien als dankbare hulp, maar vanaf de Middeleeuwen is dat veranderd. Deze imposante vogel is zeer intelligent en heeft sterke sociale banden met zijn soortgenoten.

Uiterlijk

Raven zijn grote vogels en de grootste zangvogels van Nederland. Ze hebben ongeveer het formaat van een buizerd. Raven worden tussen de 55-75 centimeter groot, met een spanwijdte van 120-130 centimeter. Het mannetje is wat zwaarder dan het vrouwtje. Ze wegen tussen een kilo en anderhalve kilo. De raaf is de grootste vogel van de familie kraaiachtigen. Er zijn elf ondersoorten. In Nederland kennen we de Europese raaf.

Opvallend aan de raaf is zijn grote, zware snavel. De snavel is deels bedekt met veren. Ook het glanzend zwarte verenkleed van de raaf valt op. In het zonlicht kleurt het zwart naar tinten groen, blauw en paars. De wigvormige staart zie je het best tijdens de vlucht.

Het verenkleed van raven lijkt zwart, maar heeft een paarsblauwe met groene gloed (Saxifraga - Luc Hoogenstein)
Het verenkleed van raven lijkt zwart, maar heeft een paarsblauwe met groene gloed (Saxifraga – Luc Hoogenstein)

Raaf versus zwarte kraai

De raaf en zwarte kraai lijken behoorlijk op elkaar, vooral als je ze niet bij elkaar in de buurt ziet. Raven zijn echter een stuk groter dan zwarte kraaien. Raven kunnen 55-75 centimeter met 120-130 spanwijdte meten, zwarte kraaien worden zo’n 45-55 centimeter groot en hebben een spanwijdte van 100 centimeter. Ook qua gewicht zie je dit terug: zwarte kraaien wegen tussen de 400-600 gram, raven rond de 1500 gram.

Ook de snavel is verschillend. De snavel van de zwarte kraai lijkt in vergelijking met die van de raaf puntiger. Daarnaast is de snavel van de zwarte kraai ook kleiner. Bij de raaf meet de snavel ongeveer dezelfde lengte als het hoofd. Snavels van zwarte kraaien zijn kleiner. Verder zijn de veren op de snavel nog kenmerkend voor de raaf. Op de keel van de raaf zitten verlengde veren, waardoor de hals van de raaf dikker lijkt dan die van de zwarte kraai.

Tot slot kun je raven en zwarte kraaien in vlucht goed onderscheiden. Bij zwarte kraaien zie je in vlucht een ronde staart. Raven hebben een wigvormige staart die breed uitwaaiert. Raven gebruiken net als roofvogels de thermiek in de lucht om te zweven. Zwarte kraaien doen dit niet.

Raven hebben verlengde keelveren, waardoor de hals dikker lijkt (Saxifraga - Luc Hoogenstein)
Raven hebben verlengde keelveren, waardoor de hals dikker lijkt (Saxifraga – Luc Hoogenstein)

Gedrag

De raaf is een sociale vogel. Raven zijn paartjes voor het leven en ook trouw aan hun broedplek. In de periode van december-juni zul je ze vooral samen zien. Dit is de periode waarin raven hun relatie versterken en aan de broedperiode beginnen. De baltsperiode kenmerkt zich door samen glij- en zweefvluchten uit te voeren en samen te foerageren. De andere maanden van het jaar zie je de raaf ook wel samen met andere soortgenoten.

Raven leven voornamelijk als koppel, maar buiten het broedseizoen om ook wel in groepen (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Raven leven voornamelijk als koppel, maar buiten het broedseizoen om ook wel in groepen (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Lees ook: arenden in Nederland


Intelligentie

De raaf is, net als vele kraaiachtigen, een zeer intelligente vogel. Hij kan problemen oplossen om bijvoorbeeld aan voedsel te komen. De raaf weet dan gereedschap te gebruiken, zoals stokjes of steentjes. Zo zijn er bijvoorbeeld onderzoeken gedaan waarbij raven en andere kraaiachtigen het waterpeil moeten laten stijgen om bij voedsel te komen. Ze doen dat door steentjes in de buis water te gooien, waardoor het waterpeil stijgt en het voedsel opgegeten kan worden. Stenen worden ook gebruikt om voedsel te kraken. Stokjes worden gebruikt om ergens iets leeg te schrapen. Daarnaast verstopt de raaf voedsel en kan van meerdere voedselplekken de locatie onthouden en terugvinden.

De intelligentie van een raaf kun je vergelijken met het verstand van een vierjarig kind. Raven zijn net zo intelligent als mensapen. Ze kunnen gezichten van mensen onthouden en hebben sociale relaties onderling. In verhouding tot hun lichaam, heeft de raaf het grootste vogelbrein. De raaf kan ook geluiden imiteren. Daarnaast zijn ze ook sociaal intelligent.

Raven herkennen soortgenoten, maar ook mensen (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Raven herkennen soortgenoten, maar ook mensen (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Wat staat er op het menu?

De raaf is net als zijn familieleden een echte alleseter. Zijn menu ziet er divers uit. De raaf eet insecten, zaden en vruchten, maar ook kleine zoogdieren, vogeleieren en jonge vogels worden verorberd. Daarnaast is de raaf een echte opruimer: kadavers zijn een belangrijke voedselbron. Dit kunnen kadavers zijn van dieren die in het wild zijn gestorven of van dieren die bijvoorbeeld zijn aangereden door de mens en in de natuur zijn gelegd voor roofdieren. Raven produceren braakballen (net zoals uilen), waar onverteerde prooiresten in zitten, zoals botjes en vacht.

Een project wat de natuur voorziet van kadavers is bijvoorbeeld Dood doet Leven van ARK. Niet alleen de raaf heeft hier baat bij, maar ook bijvoorbeeld de rode en zwarte wouw, gieren en de zeearend. Tot de Middeleeuwen ruimden raven rottende kadavers op, maar mensen werden bang voor besmettelijke ziektes, waardoor de kadavers steeds efficiënter werden opgeruimd. Echter zijn kadavers in de natuur van groot belang voor aaseters, zoals verschillende soorten roofvogels, maar ook voor zoogdieren (dassen bijvoorbeeld), insecten, andere vogelsoorten en de bodem. ARK Rewilding maakt zich sterk voor kadavers in de vrije natuur.

Dood doet Leven (Jeroen Helmer - ARK natuurontwikkeling)
Dood doet Leven (Jeroen Helmer – ARK natuurontwikkeling)

Ook in het zoeken naar voedsel (kadavers) zie je de intelligentie van de raaf terug. In Yellowstone National Park is een interessante samenwerking onderzocht tussen de raaf en de wolf. Wanneer een raaf een kadaver vindt wat nog niet is aangetast, kan hij er moeilijk van eten. Daarvoor heeft hij de hulp nodig van de wolf. De wolf kan het kadaver openscheuren, waarna de raaf er ook van kan eten. Het blijkt dat wanneer de raaf een kadaver vindt, hij op zoek gaat naar een roedel wolven en deze naar het kadaver leidt. In Nederland is dit onderzoek ook gedaan op de Veluwe, waar raven en wolven voorkomen. Hier blijkt deze samenwerking (nog) niet. Wel is geconstateerd dat raven onderling communiceren over voedsel- en slaapplekken.

Broeden en opvoeden

Zoals al eerder benoemd, zijn raven monogame vogels. Ze vormen een paartje voor het leven en zijn ook trouw aan hun broedplek. Tijdens de baltsperiode in januari-februari versterken ze hun relatie. Dit doen ze door bijvoorbeeld samen glij- en zweefvluchten uit te voeren. Raven zijn erg goede vliegers en kunnen zich tijdens deze vluchten bijna helemaal draaien in de lucht.

Zowel man als vrouw bouwen aan het nest. Man zorgt voor de aanvoer van nestmateriaal, vrouw bouwt het nest. Nesten van raven bevinden zich op grote hoogtes, tot wel dertig meter hoog. Ze hebben een voorkeur voor hoge nestplaatsen in met name naaldbomen. Ook hoogspanningsmasten worden gebruikt om een nest te bouwen. Raven gebruiken ook wel oude haviknesten. Van nature zijn raven klif- en rotsbroeders. Dit zie je terug aan hun puntige nesten, gemaakt om niet van een steil klif te rollen.

Van nature broeden raven op steile klifwanden en zijn dus heel wat hoogte gewend (Saxifraga - Harry van Oosterhout)
Van nature broeden raven op steile klifwanden en zijn dus heel wat hoogte gewend (Saxifraga – Harry van Oosterhout)

Vanaf eind februari worden de eieren gelegd. Meestal worden er vier tot zes eieren gelegd, waarna er ongeveer drie weken wordt gebroed. Na het uitkomen van de eieren hebben de ouders het druk met het grootbrengen van hun kroost. Je hoort ze dan ook een stuk minder. De jongen blijven tussen de vier en zeven weken op het nest. Rovers als marters, kraaien en roofvogels worden fel van het nest geweerd. Na het uitvliegen blijven de jongen nog een tijdje in de buurt hangen. Na de zomer is het dan tijd om echt uit te vliegen.

Jonge raven leven met elkaar in groepen als zwervers. Deze pubers delen slaap- en voedselplekken met elkaar. In deze fase zijn de jonge dieren nog niet territoriaal en broeden ze ook nog niet. Ze ontmoeten hun partner in deze groepen. Na het vinden van een partner gaan de raven op zoek naar een eigen territorium. Dit rondzwerven voordat raven zich ergens samen vestigen, duurt zo’n drie jaar.

Raven hebben een hoge plek nodig om hun nest te kunnen maken, bijvoorbeeld in een hoge naaldboom (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Raven hebben een hoge plek nodig om hun nest te kunnen maken, bijvoorbeeld in een hoge naaldboom (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Lees ook: vinken in Nederland


Voorkomen in Nederland

De raaf kun je in verschillende typen landschap tegenkomen in Nederland, die wel aaneen gelegen moeten zijn. Meestal vind je ze in de buurt van bos, heide en extensieve landbouwgronden. Raven vliegen ver voor voedsel, tot wel dertig kilometer. Ze houden zich ook op in menselijke omgeving, want waar mensen leven, is voedsel (afval) te vinden. De vogel staat op de Rode Lijst en is een standvogel in Nederland.

De raaf heeft het zwaar te lijden gehad onder de mens. Gelukkig krabbelt hij weer wat op (Saxifraga - Luc Hoogenstein)
De raaf heeft het zwaar te lijden gehad onder de mens. Gelukkig krabbelt hij weer wat op (Saxifraga – Luc Hoogenstein)

De raaf en de mens

Tot aan de Middeleeuwen was de raaf een algemene vogel. Als opruimer van kadavers werd hij gewaardeerd. Met de tijd werden de steden echter steeds schoner en veranderde de kijk op raven. Ook op het platteland gebeurde dit. Hij zou een plaag zijn voor vee en wild en zou ziektes verspreiden. De vervolging begon, wat ertoe leidde dat deze imposante vogel nog maar zeldzaam voorkwam in Nederland. In 1928 was er nog een broedgeval in Nijkerk en in 1944 broedde het laatste paartje van Nederland, in de Vijlenerbossen in Limburg.

Al snel werden er pogingen gedaan om de raaf te helpen in Nederland. In 1936 werden er voor het eerst raven uitgezet op de Veluwe. Die vogels zijn echter verdwenen. Pas later, tussen de jaren 1969-1981, werden er weer pogingen gedaan. Dit keer succesvol. Vanaf 1976 broedt de raaf weer in Nederland. Er komen de laatste jaren steeds meer broedvogels bij.

Raven hebben ongeveer de grootte van een buizerd en zijn daarmee beduidend groter dan de zwarte kraai (Saxifraga - Piet Munsterman)
Raven hebben ongeveer de grootte van een buizerd en zijn daarmee beduidend groter dan de zwarte kraai (Saxifraga – Piet Munsterman)

Veelgestelde vragen

Waar komt de raaf voor in Nederland?

Op steeds meer plekken in Nederland kun je raven zien. De meeste kans maak je in de omgevingen van de Veluwe, de Oostvaardersplassen en de Utrechtse Heuvelrug. Let op hoge (naald)bomen en raven in vlucht.

Wat is het verschil tussen de raaf en de zwarte kraai?

Raven en kraaien lijken behoorlijk op elkaar, vooral als je ze niet naast elkaar kunt zien. Raven zijn echter groter, ze lijken een dikkere hals te hebben, ze hebben een grotere snavel die deels bedekt is met veren en tijdens de vlucht hebben ze een wigvormige staart, waar zwarte kraaien een meer ronde staart hebben. Ook het geluid is anders. Raven roepen hun kenmerkende kroa-kroa.

Hoe klinkt een raaf?

Raven hebben een groot repertoire aan geluiden. Het meest kenmerkende geluid is het kroa-kroa. Ze kunnen wel honderd verschillende geluiden maken en ook geluiden imiteren.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Grondeleenden in Nederland vervolg – deel III

slobeend

Na in deel II van de blogserie ‘eenden in Nederland’ de eerste vijf broedende grondeleenden van ons land te hebben besproken, is het nu tijd om in deel III de overige vier broedende grondeleenden te bespreken. Daarnaast worden de dwaalgasten besproken, welke zo nu en dan ons land bezoeken.

Grondeleenden vervolg

In deel II van de eenden in Nederland serie heb je kunnen lezen over de algemene kenmerken van grondeleenden. Daarnaast zijn de eerste vijf broedende grondeleenden in ons land besproken: de wilde eend, pijlstaart, wintertaling, krakeend en de smient. In dit deel bespreken we de laatste vier broedende grondeleenden: de slobeend, zomertaling, mandarijneend en de muskuseend. Daarnaast zijn er nog tal van dwaalgasten die ons land sporadisch bezoeken. Sommige die hier per ongeluk terecht zijn gekomen (door een storm bijvoorbeeld) en ontsnapte exemplaren uit privé-collecties. Hiervan proberen we een zo actueel mogelijk overzicht te geven.

Mandarijneenden - grondeleenden
Mandarijneenden komen van oorsprong voor in Azië, maar ontsnapte exemplaren uit vogelcollecties hebben zich weten te handhaven en komen verspreid voor in West-Europa

Lees ook: waarom trekken vogels naar het zuiden?


Slobeend (Spatula clypeata)

De slobeend is een middelgrote eend die een lichaamslengte bereikt van 44 tot 52 centimeter, met een spanwijdte van 70 tot 85 centimeter. Het meeste opvallende aan de slobeend is de grote, spatelvormige snavel die zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben. Deze gebruiken ze om voedsel te vinden.

Mannetjes slobeenden hebben een groene kop, met een witte borst, kastanjebruine flanken en lichtblauw op de voorvleugels (wat eigenlijk alleen goed in vlucht is te zien). De vrouwtjes zijn soberder bruin gekleurd. Ze lijken op vrouwtje wilde eend, maar de groene vleugelspiegel heeft geen witte rand en de snavel is kenmerkend.

Slobeenden grondeleenden
Slobeend man en vrouw in vlucht

Leefwijze en voedsel

De slobeend leeft in zoet en brak water en aangrenzende kruidenrijke graslanden. Ze worden ook wel tot de secundaire weidevogels gerekend, net zoals de wilde eend, krakeend en bergeend.

Slobeenden zijn echte voedselspecialisten. Hun grote, spatelvormige snavel filteren ze voedsel uit het water. Dit bestaat uit fyto- en zoöplankton (plantaardig en dierlijk plankton), maar daarnaast ook uit ongewervelden dieren en plantendelen zoals knoppen en zaden.

Voortplanting en trekgedrag

Slobeenden broeden in kruidenrijke graslanden. Het liefst in de buurt van ondiep en voedselrijk water. Ze leggen 7 tot 12 eieren en hebben meestal één legsel. De broedtijd bedraagt rond de 23 dagen.

De meeste slobeenden blijven gedurende de wintermaanden in ons land. Sinds de jaren ’60 is het aantal slobeenden afgenomen. De slobeend staat sinds 2004 op de Nederlandse Rode Lijst.


Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Zomertaling (Spatula querquedula)

De zomertaling is een wat kleinere eendensoort die een lichaamslengte van 37 tot 41 centimeter bereikt en een spanwijdte van 58 tot 68 centimeter. Het zijn sierlijk gekleurde eenden, waarbij vooral het mannetje opvalt. Naast het uiterlijk is ook de kikkerachtige roep van het mannetje opmerkelijk.

Het opvallendste kenmerk in het verenkleed van het mannetje is de paarsbruine kop, met dikke witte oogstreep die doorloopt tot op de hals. Verder hebben ze een bruine borst, met zwart-witte schouderveren en lichtgrijze vleugels. Het vrouwtje is onopvallender bruin en lijkt veel op vrouw wintertaling. Ze zijn echter groter en de kop is meer getekend. Ook zijn in vlucht de lichtgrijze voorvleugels te zien.

Zomertaling
Mannetjes zomertalingen hebben een fraai verenkleed

Leefwijze en voedsel

Zomertalingen houden van moerasgebieden met veel water- en oevervegetatie. Ze komend daarnaast ook voor in wat meer open water met graslanden. Het menu is zowel dierlijk als plantaarding, in de winter wordt echter hoofdzakelijk plantaardig voedsel gegeten. Andere seizoenen worden ook insecten en ongewervelden gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

Broeden doen zomertalingen het liefst op een plek in de oever, niet ver van de waterkant af. Zomertalingen leggen gemiddeld zo’n acht eieren, welke in 22 dagen worden uitgebroed.

De zomertaling trekt vanaf juli naar het overwinteringsgebied, hoofdzakelijk in de Sahel. In maart en april keren de zomertalingen weer terug in ons land. Het gaat niet goed met de zomertaling in Nederland. Sinds de jaren 60 is de populatie met 85% afgenomen.

Mandarijneend (Aix galericulata)

De mandarijneend is een van de kleurrijkste eenden die je in ons land kunt tegenkomen. Het is dan ook geen inheemse soort, maar een exoot die oorspronkelijk uit Azië komt. Doordat deze vogel geliefd is in vogelcollecties, hebben ontsnapte exemplaren zich weten te handhaven in onder andere Engeland, Schotland, België en Nederland. De soort vertoont echter geen invasieve kenmerken en is dan ook geen bedreiging voor inheemse soorten.

Het is een kleine eendensoorten welke een lichaamslengte bereikt van 41 tot 49 centimeter, met een spanwijdte van 65 tot 75 centimeter. De woerd heeft een rode snavel en een zeer kleurrijk verenkleed. Ze hebben een paarse kruin en borst, kastanjebruine bakkebaarden en een brede, witte wenkbrauwstreep welke doorloopt tot op de hals. Ze hebben daarnaast prachtige goudachtige zeilen, welke ze kunnen opzetten om een vrouwtje mee te verleiden. Het vrouwtje is grijsbruin gekleurd, met een witte wenkbrauwstreep, witte kin en gevlekte flanken.

Mandarijneend
Mannetjes mandarijneenden zijn een van de kleurrijkste verschijningen in de Nederlandse natuur

Leefwijze en voedsel

Mandarijneenden leven in bosrijke gebieden en parken met oude bomen bij wateren met een rijke oevervegetatie. In de zomer eten ze voornamelijk dierlijk voedsel, in de vorm van ongewervelden en kleine visjes. De rest van het seizoen eten ze voornamelijk plantaardig voedsel, zoals (boom)zaden en noten.

Voortplanting en trekgedrag

Mandarijneenden broeden in boomholtes of speciaal opgehangen nestkasten. Dit doen ze tot wel 10 meter hoogte. Tussen april en juni worden acht tot twaalf eieren gelegd, welke na ongeveer een maand uitkomen. De jongen verlaten het nest al na één dag, ze springen dan gewoon uit het nest in het water. Ze blijven hier nog zo’n 60 dagen in het water rond het nest hangen, totdat ze kunnen vliegen. In Nederland zijn jaarlijks een paar honderd paartjes mandarijneenden te vinden.

De mandarijneend is in Europa hoofdzakelijk een standvogel. In Azië vertonen ze wel trekgedrag. De ontstane populatie in Europa zou nog wel eens belangrijk kunnen worden voor de instandhouding van de soort wereldwijd. In Azië wordt de soort namelijk bedreigd en kent deze enkel in Japan een beschermde status.


Lees ook: arenden in Nederland


Muskuseend (Cairina moschata)

Tot slot nog de muskuseend, nog zo een soort die zijn oorsprong niet in Nederland vindt. Muskuseenden komen oorspronkelijk uit Midden- en Zuid-Amerika en was daar al gedomesticeerd voordat de Europeanen er kwamen. Spanjaarden hebben de gedomesticeerde muskuseend mee naar Europa genomen.

Het zijn grote eenden, met een lichaamslengte van 66-68 centimeter en een spanwijdte van 137-152 centimeter. De muskuseenden die in Nederland voorkomen lijken niet veel op de wilde muskuseend in Zuid-Amerika. Ze komen in Nederland voor in veel variaties. Meestal met een rode snavel en rode wratachtige knobbels op het gezicht. Het verenkleed is overwegend wit met zwart.

Muskuseenden, grondeleenden of halfganzen?
Muskuseend

Grondeleend of halfgans?

De muskuseend wordt ingedeeld bij de grondeleenden, maar hierover bestaat geen consensus onder wetenschappers. Uit DNA onderzoek blijkt dat de muskuseend, maar ook de mandarijneend (alle Aix soorten), wellicht beter bij de halfganzen ingedeeld kunnen worden.

Leefwijze en voedsel

Muskuseenden leven in Nederland voornamelijk in parken en langs rivieren, vaak in de buurt van dorpen en steden. Het zijn echte alleseters. Van plantaardig voedsel zoals zaden, grassen en waterplanten, tot aan dierlijk voedsel in de vorm van ongewervelden, vissen en amfibieën zoals kikkers en padden.

Voortplanting en trekgedrag

De muskuseend broedt hoofdzakelijk in boomholtes, maar ook op de grond beschut tussen de vegetatie. Een legsel bestaat uit 8 tot 15 eieren, welk na zo’n 35 broeden uitkomen. De jongen kunnen na ongeveer 70 dagen vliegen.

In Nederland is de muskuseend een standvogel. Er zijn jaarlijks zo’n 100 broedparen te vinden. De aantallen blijven redelijk stabiel, waaruit geconcludeerd kan worden dat deze exoot geen invasieve kenmerken vertoont.

Dwaalgasten

Dit waren de negen broedende grondeleenden in Nederland. Naast deze broedende grondeleenden zijn er ook nog zo nu en dan enkele dwaalgasten te vinden. Verder zijn er ook nog ontsnapte exemplaren uit vogelcollecties in de natuur te vinden. Het is vaak niet eenduidig te zeggen of een vogel hier op eigen kracht is gekomen, of dat deze uit een prive-collectie is ontsnapt. Hier bespreken we de soorten waarvan het realistisch is dat ze op eigen kracht ons land bereikt kunnen hebben.

We starten met de Marmereend (Marmaronetta angustirostris). Vaak gaat het om ontsnapte exemplaren, maar gezien het verspreidingsgebied (broedt o.a. in Zuid-Europa) kan het niet uitgesloten worden dat sommige individuen hier op eigen kracht komen. Het zijn lichtbruin gekleurde eenden, met witte vlekken over het lijf en een donkere vlek op de zijkant van het hoofd.

Amerikaanse toeristen

Daarnaast krijgen we regelmatig bezoek uit Amerika. De Amerikaanse smient (Mareca penelope) wordt bijna jaarlijks in Nederland aangetroffen. Het mannetje heeft ten opzichte van de gewone smient een donkergroene baan rondom het oog, die doorloopt tot op het achterhoofd. Er zijn echter ook veel hybrides te vinden, dus het is niet altijd eenduidig te zeggen dat het om een Amerikaanse smient gaat.

Amerikaanse wintertaling
Het mannetje Amerikaanse wintertaling heeft een verticale witte streep in het verenkleed

Verder zien we ook zo nu en dan de Amerikaanse wintertaling (Anas carolinesis) in ons land. Ze zijn te onderscheiden van ‘onze’ wintertaling door het ontbreken van de horizontale witte flankstreep en het juist aanwezig zijn van de verticale witte streep op de zijborst. Jaarlijks worden er één of enkele individuen gezien in Nederland. Dit betreft altijd mannetjes, vrouwtjes zijn nauwelijks van de gewone wintertaling te onderscheiden.

De blauwvleugeltaling (Spatula discors) is ook een eend die van oorsprong in Amerika voorkomt. Ze worden hier af en toe gezien, maar het gaat hier meestal om ontsnapte exemplaren. Toch wordt er in sommige gevallen aangenomen dat het om wilde exemplaren gaat.

Blauwvleugeltaling
Blauwvleugeltalingen zijn prachtige eenden uit Amerika, die hier af en toe gezien worden

Bezoek uit het oosten

Tot slot nog de bronskopeend (Mareca falcata). Deze komt van oorsprong voor in Siberië, China en Japan. Als ze in Nederland gezien worden, gaat het vaak om ontsnapte exemplaren, maar er wordt ook aangenomen dat de soort op eigen kracht ons land kan bereiken. Het mannetje heeft een opvallende kastanjerode kop, waaraan het de naam te danken heeft.

Verder lezen

Deel 1 – familie eendachtigen in Nederland

Deel 2 – grondeleenden

Deel 3 – grondeleenden vervolg

Deel 4 – duikeenden

Deel 5 – stekelstaart, brilduiker en zaagbekken

Deel 6 – eider, ijseend en zee-eenden

Deel 7 – halfganzen

Deel 8 – zwarte ganzen

Deel 9 – grijze ganzen

Deel 10 – grijze ganzen vervolg

Deel 11 – zwanen

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Grondeleenden in Nederland – deel II

Pijlstaart

Na deel I van de serie over eendachtigen in Nederland, waarin de algemene kenmerken en de taxonomische indeling van deze familie besproken werd, is het nu tijd om dieper in de soorten te duiken. We starten met de grondeleenden, deze worden in twee delen besproken. In totaal zijn er negen broedende grondeleenden en een scala aan dwaalgasten te vinden in ons land. In dit deel worden de eerste vijf broedende grondeleenden besproken.

Grondeleenden
Wilde eenden

Grondeleenden

Grondeleenden zijn een geslachtsgroep binnen de eendenfamilie, waarbij de soorten onderling een bepaald arsenaal aan gelijke kenmerken heeft. De naam is afgeleid van de manier waarop voedsel gezocht en gevonden wordt. In tegenstelling tot duikeenden duiken grondeleenden niet voor hun voedsel, maar doen ze dit op een grondelenede wijze. Dit betekent dat ze met hun hoofd onder water en hun kont naar boven gestoken in ondiep naar voedsel zoeken.

Er wordt dan voornamelijk plantaardig voedsel, zoals plantendelen, wortels en zaden gegeten. Ook wordt dierlijk voedsel gegeten, de ene soort meer dan de ander, maar in de regel eten ze hoofdzakelijk plantaardig voedsel.

Het lichaam van grondeleenden is hier ook op aangepast. Ze zijn minder gestroomlijnd dan duikeenden en hebben de poten meer onder het lichaam. Hiermee kunnen ze ook gemakkelijker op land lopen. Sommige soorten grazen zelfs gras op land. Ze liggen daarnaast minder diep in het water dan duikeenden doen. Ze kunnen moeiteloos vanuit het water opvliegen.

Broedende grondeleenden

In Nederland zijn er een negental broedende grondeleenden te vinden. Daarnaast zijn er nog tal van dwaalgasten te vinden. Deze komen maar af en toe voor in ons land en sommige dwaalgasten zijn afkomstig uit privé collecties. De negen broedende grondeleenden in Nederland:

Wilde eend (Anas platyrhynchos)Slobeend (Spatula clypeata)
Pijlstaart (Anas acuta)Zomertaling (Spatula querquedula)
Wintertaling (Anas crecca)Mandarijneend (Aix galericulata)
Krakeend (Mareca strepera)Muskuseend (Cairina moschata)
Smient (Mareca penelope)
Broedende grondeleenden in Nederland

Over de laatste twee soorten in deze lijst, de mandarijneend (het hele Aix geslacht overigens) en de muskuseend, bestaat nog discussie. Deze zouden wellicht onder de halfganzen ingedeeld moeten worden.


Lees ook: de beekprik, rivierprik en zeekprik


Wilde eend (Anas platyrhynchos)

De bekendste grondeleend in ons land is toch wel de wilde eend. Wilde eenden bereiken een lichaamslengte van 50-62 centimeter en een spanwijdte van 90-98 centimeter. Het mannetje (de woerd) heeft een groene kop met een witte halsband en een bruine borst. Opvallend zijn de zwarte gekrulde staartveren. Het is de enige eendensoort waarbij de staartveren gekruld zijn. Verder valt de blauwe vleugelspiegel op (welke vrouwtjes ook hebben). Vrouwtjes zijn soberder gekleurd, met verschillende tinten bruin. Ze lijken daarmee veel op de vrouwtjes van de krakeenden. Belangrijk verschil is de kenmerkende blauwe (met wit omrande) vleugelspiegel.

Het mannetje lijkt in de nazomer/winter veel op het vrouwtje qua verenkleed, deze dragen dan hun eclipskleed. Mannetjes en vrouwtjes zijn dan nog van elkaar te onderscheiden aan de hand van de snavelkleur. Deze is bij mannetjes geelachtig en bij vrouwtjes zeemkleurig.

Wilde eend, man (de Natuur  van hier)
Het mannetje wilde eend heeft een bont verenkleed (de Natuur van hier)

Leefwijze en voedsel

Wilde eenden komen talrijk voor in hun verspreidingsgebied. In Europa is het zelfs de meest algemene eendensoort. Ze zijn veel te vinden op van allerlei wateren. Meren, plassen, vijvers en rivieren zijn allen geschikt. Bij voorkeur kiezen ze voedselrijke wateren die niet te diep zijn, zodat ze al grondelend hun voedsel kunnen zoeken. Meestal zoet water, maar dit is geen harde eis. Ze hebben weinig last van menselijke aanwezigheid en verstoring, ze zijn vaak ook te vinden op vijvers in stadsparken of in tuinen.

Het is hoofdzakelijk een planteneter, maar af en toe dierlijk voedsel wordt zeker niet overgeslagen. Vooral in de winter neemt het gedeelte dierlijk voedsel toe. Qua dierlijk voedsel wordt er zowel kleine vis als ongewervelden gegeten. Plantaardig voedsel wordt genuttigd in de vorm van zaden, plantenwortels en andere plantendelen. Daearnaast komt het ook voor dat ze op land op gras grazen.

Voortplanting en trekgedrag

Wilde eenden beginnen kennen een lang broedseizoen en beginnen vaak al in februari met broeden. Een legsel bestaat uit 1 tot 13 eieren, welke na ongeveer een maand zijn uitgebroed. De juveniele dieren blijven lang bij het nest, ze kunnen na 50 tot 70 dagen vliegen.

De wilde eenden in Nederland (en in andere gebieden met een gematigd klimaat) zijn hoofdzakelijk standvogels, wat betekent dat ze hier in de winter ook verblijven. In de winter krijgen ze echter wel gezelschap van meer noordelijk broedende individuen. Deze trekken over korte afstand om de winter meer zuidelijk door te brengen. Aan het einde van de winter verlaten deze individuen ons land weer om hun broedgebied op te zoeken.

Pijlstaart (Anas acuta)

Verwant aan de wilde eend is de pijlstaart, deze behoort tot hetzelfde geslacht (Anas). De pijlstaart bereikt een lichaamslengte van 51-66 centimeter en een spanwijdte van 80-95 centimeter. Mannetjes zijn opvallend gekleurd, met een bruine kop en een witte borst, welke in een punt doorloopt tot op het achterhoofd. De buik is ook wit, en ze hebben een zwart witte staart met uitzonderlijk lange staartveren, waaraan ze de naam te danken hebben. De rest van het verenkleed is overwegend grijs gekleurd. Verder valt de lange nek op bij pijlstaarten.

Vrouwtjes zijn een stuk minder opvallend gekleurd en hebben een verenkleed dat bestaat uit verschillende tinten bruin. Ook vrouwtjes hebben langere staartveren, maar niet zo lang als mannetjes. De langere staartveren kan gemakkelijk zijn om ze te onderscheiden van bijvoorbeeld vrouwtjes wilde eenden. Ze hebben daarnaast een zwarte snavel en een donkere kop.

Pijlstaart
Mannetjes pijlstaarten zijn bontgekleurde eenden met opvallend lange staartveren

Leefwijze en voedsel

Pijlstaarten komen voor op open wateren, die het liefst niet te diep zijn. In Nederland zijn pijlstaarten vaak te vinden in het Waddengebied of in de Delta. In winter komen ze soms ook voor op meren in het binnenland. Nederland ligt op de zuidgrens van het verspreidingsgebied van de pijlstaart.

Het zijn hoofdzakelijk planteneters. Voornamelijk plantenzaden worden gegeten. Met hun lange nek kunnen ze diep grondelen, dieper dan de meeste andere grondeleenden. In het broedseizoen wordt er naast plantaardig, ook dierlijk voedsel gegeten. Kleine visjes en waterinsecten staan dan op het menu.

Voortplanting en trekgedrag

Pijlstaarten leggen ongeveer 6 tot 12 eieren in een legsel. Ze doen er ongeveer 23 dagen over om deze eieren uit te broeden. Na 40-45 dagen kunnen de jongen vliegen.

De pijlstaart is het hele jaar in Nederland te zien, echter is het een uiterst schaarse broedvogel. Jaarlijks worden er enkele gevallen geregistreerd, meestal bevinden deze zich in het Waddengebied of in de Delta.

Het is een uitgesproken trekvogel welke vaak naar Zuid-Europa of Afrika trekt. Ze trekken in grote groepen, voornamelijk ’s nachts. Ze vliegen dan in de bekende v-formatie.

Wintertaling (Anas crecca)

De derde, en laatste, grondeleend van het geslacht Anas dat in Nederland voorkomt is de wintertaling. De wintertaling is de kleinste algemeen voorkomende eend in Nederland en tevens ook in Europa. Ze bereiken een lichaamslengte van 34-38 centimeter en een spanwijdte van 58-64 centimeter.

Mannetjes hebben een kastanjebruine kop met een groen vlek rondom het oog, die doorloopt tot op het achterhoofd. Ze hebben daarnaast een opvallend gespikkelde borst. Verder zijn ze overwegend grijs gekleurd, met een horizontale witte streep op de flanken. Het achterwerk is een combinatie van geel en zwart.

Vrouwtjes zijn onopvallend bruin gekleurd, met een groene spiegel (de achterkant van de vleugel). Op basis van de spiegel zijn vrouwtjes wintertalingen te onderscheiden van vrouwtjes zomertalingen, die er verder veel op lijken.

Wintertaling - grondeleenden
Wintertaling

Leefwijze en voedsel

Wintertalingen bevinden zich het liefst op ondiepe wateren met oeverbegroeiing. In de winter verzamelen wintertalingen zich vaak in grote groepen. Het zijn hoofdzakelijk planteneters. Ze eten veel plantenzaden, maar ook andere delen van planten en gras worden gegeten. Het voedsel vinden ze al grondelend of door water met hun mond te filteren. In het broedseizoen ligt het percentage dierlijk voedsel een stuk hoger. Dan worden (aquatische) insecten en ongewervelden gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

Over het algemeen wordt er één legsel per broedseizoen gelegd, met daarin 5 tot 16 eieren. Deze worden in circa 23 dagen uitgebroed. De jongen verlaten het nest al snel, na zo’n 25-30 dagen zijn ze vliegvlug. Helaas is er een dalende trend waarneembaar in het aantal broedparen in Nederland.

Afhankelijk van het leefgebied zijn wintertalingen trek- of standvogels. De noordelijke populaties trekken in het najaar naar het zuiden. Ze vliegen dan tot in het Middelands-zeegebied of tot in Afrika. Het aantal wintertalingen in de winter in Nederland is afhankelijk van het weer in de winter en varieert sterk.


Lees ook: de vos in Nederland


Krakeend (Mareca strepera)

De krakeend is een middelgrote eend die een lichaamslengte bereikt van 46-57 centimeter, met een spanwijdte van 84-95 centimeter. Het verenkleed van mannetjes bestaat hoofdzakelijk uit een patroon van fijne, grijze streepjes. Daarnaast hebben ze een bruine kop met zwarte snavel en een overwegend zwarte stuit. De spiegel is wit, zowel bij de woerd als bij de vrouw. Vrouwtjes zijn verder bruin getekend en lijken veel op de vrouwen van de wilde eend. Belangrijkste kenmerken zijn de witte buik en spiegel en de gele snavel.

Krakeend
Mannetjes krakeenden zijn overwegend grijs gekleurd en hebben een opvallende witte spiegel

Leefwijze en voedsel

Krakeenden zijn bewoners van voedselrijke wateren met een rijke oevervegetatie. Het feit dat er steeds meer voedselrijke wateren zijn bijgekomen heeft ervoor gezorgd dat de krakeend veel algemener is geworden. Niet alleen in Nederland, maar door heel Europa.

Het zijn voornamelijk planteneters. Dit vinden ze door te grondelen, maar ze kunnen ook duiken om bij de lekkerste planten te komen. Alle delen van planten worden gegeten. Voornamelijk in de winter wordt ook dierlijk voedsel, in de vorm van insecten en ongewervelden, gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

Krakeenden broeden vaak pas laat in het jaar en beperken zich over het algemeen tot één legsel per jaar. Er worden dan 8 tot 12 eieren gelegd, welke in circa 25 dagen worden uitgebroed. De jongen kunnen na 45-50 dagen vliegen.

Noordelijke populaties zijn echte trekvogels en trekken tot in Noord-Afrika. Meer zuidelijk broeden populaties zijn overwegend standvogels.

Smient (Mareca penelope)

Tot slot bespreken we de smient. Smienten worden 45 tot 51 groot en bereiken een spanwijdte van 75 tot 86 centimeter. De woerd heeft een roodbruine kop, met een gele streep op het voorhoofd. Verder hebben ze een overwegend grijs verenkleed en een roze borst. Vrouwtjes zijn onopvallender bruingrijs gekleurd en hebben een witte buik en grijzige snavel.

Vooral ’s nachts is de kenmerkende fluitende roep van mannetjes goed te horen. Ze worden vanwege deze roep ook wel eens fluiteend genoemd.

Smient
Smienten broeden nauwelijks in Nederland, maar overwinteren hier massaal

Leefwijze en voedsel

Smienten komen voor op schone wateren met een rijke oeverbegroeiing. Daarnaast is het belangrijk dat er omliggend grasland te vinden is. ’s Nachts grazen ze op graslanden, overdag dobberen ze rustig op het water.

Ze zijn bijna volledig herbivoor. Naast gras eten ze alle delen van waterplanten en algen. In het broedseizoen eten vrouwtjes ook dierlijk voedsel.

Voortplanting en trekgedrag

Het legsel van smienten bestaat uit 7 tot 10 eieren, welke in ongeveer 23 dagen worden uitgebroed. Na 40 tot 45 dagen kunnen de jongen vliegen en verlaten ze het nest. In Nederland is het een uiterst schaarse broedvogel, met hoogstens enkele tientallen paartjes.

In de winter wordt ons land overvallen met smienten. Honderdduizenden smienten komen dan vanuit Scandinavië en Rusland om hier te overwinteren. Nederland is daardoor een van de belangrijkste plekken voor smienten in Europa.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Verder lezen

Deel 1 – familie eendachtigen in Nederland

Deel 2 – grondeleenden

Deel 3 – grondeleenden vervolg

Deel 4 – duikeenden

Deel 5 – stekelstaart, brilduiker en zaagbekken

Deel 6 – eenden – eider, ijseend en zee-eenden

Deel 7 – halfganzen

Deel 8 – zwarte ganzen

Deel 9 – grijze ganzen

Deel 10 – grijze ganzen vervolg

Deel 11 – zwanen

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Zoeken

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!