Duikeenden in Nederland – deel IV

Kuifeenden

Na in deel II en III de grondeleenden besproken te hebben, is het in deel IV van de serie eenden, ganzen en zwanen in Nederland tijd om de duikeenden te bespreken. We bespreken vijf soorten duikeenden die met regelmaat in Nederland voorkomen. Daarnaast worden enkele dwaalgasten besproken.

Krooneend - duikeenden
Krooneend

Duikeenden

Duikeenden zijn een geslachtsgroep binnen de eendachtigen familie, die een aantal gezamenlijke uiterlijke kenmerken vertonen. Ze hebben hun naam te danken aan het feit dat ze onder water duiken om voedsel te vinden. Hier is het lichaam ook op aangepast. Ze hebben een smaller lichaam dan grondeleenden, wat het duiken vergemakkelijkt. De poten staan daarnaast meer naar achteren onder het lichaam. Dit zorgt er ook voor dat ze beter kunnen duiken, maar hierdoor lopen ze op het land meer rechtop dan bijvoorbeeld grondeleenden. Ze hebben daarnaast ook vaak een wat kortere hals.

Duikeenden zijn omnivoren. De een eet wat meer plantaardig voedsel, de ander wat meer dierlijk, maar vrijwel alle soorten eten zowel beide. Als plantaardig voedsel eten ze planten, plantenwortels en zaden en als dierlijk voedsel vis en ongewervelden, zoals slakken en (water)insecten.

Broedende duikeenden

Er zijn in Nederland vier soorten duikeenden te vinden die hier broeden (sommige in veelvoud, andere maar een enkele keer). Daarnaast zijn er nog eens drie soorten die hier wel voor komen (sommige maar een enkele keer), maar niet broeden.

Broedende duikeenden in Nederland:

Kuifeend (Aythya fuligula)Tafeleend (Aythya ferina)
Witoogeend (Aythya nyroca)Krooneend (Netta rufina)
Broedende duikeenden in Nederland

Lees ook: spechten in Nederland


Kuifeend (Aythya fuligula)

De eerste die we bespreken is de kuifeend. Dit zijn vrij forse eenden, welke een lichaamslengte van 40 tot 47 centimeter en een spanwijdte van 65 tot 72 centimeter bereiken. De mannetjes zijn opvallend wit-zwart gekleurd, waarbij de buik wit is. De vrouwtjes zijn onopvallender bruin gekleurd. In vlucht valt de witte baan over de slagpennen goed op. Daarnaast hebben ze een opvallend geel oog. Maar het meest kenmerkende is de kuif, die zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben. Echter is deze bij mannetjes wel een stuk groter.

Kuifeend (de Natuur van hier)
Kuifeend (de Natuur van hier)

Leefwijze en voedsel

Kuifeenden hebben een breed leefgebied. Ze zijn te vinden op meren, vijvers en plassen van alle maten. Ze komen daarnaast ook voor op rustig stromende rivieren. Het zijn sterke zwemmers, waardoor ze makkelijk tegen de stroming in kunnen zwemmen. Kuifeenden houden van begroeide oevers en eilanden waarin ze veilig kunnen broeden.

Ze besteden veel tijd op het water, op zoek naar voedsel. Hiervoor duiken ze onder water, op zoek naar van allerlei ongewervelde dieren, zoals slakken en zoetwatermossels. Daarnaast eten ze ook planten, zaden en algen.

Voortplanting en trekgedrag

Broeden gebeurt op een beschutte plek in de vegetatie aan de oever. Een legsel bestaat uit zes tot twaalf eieren. De broedduur is ongeveer 25 dagen. Na zo’n 45 dagen zijn de jongen vliegvlug. De kuifeend is een talrijke broedvogel in Nederland.

Nederlandse kuifeenden trekken in het najaar voornamelijk naar Zuid-Frankrijk. Ons land wordt dan echter massaal bezocht door kuifeenden uit Noord- en Centraal-Europa. Het is gedurende de wintermaanden één van de talrijkste duikeenden in ons land.

Kuifeend
Kuifeenden overwinteren in zeer grote aantallen in ons land

Tafeleend (Aythya ferina)

Tafeleenden zijn nog net wat groter dan kuifeenden, met een lichaamslengte van 42 tot 49 centimeter en een spanwijdte van 72 tot 82 centimeter. De mannetjes hebben een roodbruin hoofd met een rood oog. Daarnaast hebben ze een zwarte borst en stuit en is de rest van het verenkleed grijs gekleurd. Vrouwtjes zijn minder opvallend van kleur. Ze hebben een lichtbruin hoofd en stuit, de rest van het verenkleed is grijsbruin.

Tafeleend
Mannetjes tafeleenden hebben een prachtig roodbruin hoofd met een rood oog

Leefwijze en voedsel

De leefwijze van tafeleenden is vergelijkbaar met die van kuifeenden. Ze komen ook voor op meren, vijvers en plassen, maar daarnaast ook op rustig stromende rivieren. Ook qua gedrag en voedsel zijn ze vergelijkbaar, al is het menu iets plantaardiger van aard. Planten, wortelstokken van planten en zaden wordt gegeten. Als dierlijk voedsel ook voornamelijk ongewervelden in de vorm van slakken, mosselen en schaaldieren.

Voortplanting en trekgedrag

De tafeleend is een schaarse broedvogel. Een legsel bestaat uit zes tot twaalf eieren, welke in ongeveer 25 dagen worden uitgebroed. De jonge dieren zijn in het begin heel donker van kleur en kunnen na circa 50 dagen vliegen.

De tafeleenden die in Nederland broeden blijven ook gedurende de winter in ons land. Het aantal tafeleenden neemt in de winter fors toe, doordat individuen uit Noord- en Centraal-Europa hier komen overwinteren. Opvallend is dat de mannetjes vaak al beginnen met trekken als de vrouwtjes nog aan het broeden zijn. De vrouwtjes volgen dan later met de jongen.


Lees ook: waarom vliegen vogels in een v-vorm?


Witoogeend (Aythya nyroca)

De witoogeend is een eend met een lichaamslengte van 38 tot 42 centimeter en een spanwijdte van 63 tot 67 centimeter, waarmee deze net wat kleiner is dan de kuifeend. Ze hebben een kastanjebruine kop en nek en zijn zwart op de rug. De vleugels hebben bovenop een wat groenige schijn. Ze hebben daarnaast een witte buik en stuit en in vlucht valt de witte vleugelstreep goed op. Het opvallendste kenmerk (waarnaar de eend ook vernoemd is) is het witte oog. Vrouwtjes zijn wat valer gekleurd dan mannetjes, maar hebben wel grotendeels dezelfde kleurschakelingen.

Witoogeend - duikeenden
Witoogeend

Leefwijze en voedsel

Witoogeenden zijn vaak te vinden in grote groepen met andere duikeenden. Ze houden zich op, op grotere plassen met een rijke onderwaterbegroeiing en een rijke oevervegetatie. In de oevervegetatie broeden ze, de onderwaterbegroeiing is het grootste deel van hun voedsel. Ze zijn voornamelijk herbivoor en eten dan waterplanten, moerasplanten en zaden. Daarnaast bestaat een klein gedeelte van het menu uit dierlijk voedsel, in de vorm van ongewervelde dieren.

Voortplanting en trekgedrag

Witoogeenden zijn vrij zeldzaam in Nederland. Soms wordt er gebroed in Nederland, maar dat is zeker geen zekerheid. Ook komt het voor dat witoogeenden paren met andere duikeenden, wanneer beschikbare soortgenoten schaars zijn. De meeste broedparen bevinden zich in Oost-Europa.

Een legsel bestaat meestal uit 6 tot 11 eieren, welke in circa 26 dagen worden uitgebroed. Het duurt daarna nog eens 60 dagen voordat de jongen uitvliegen.

Ook als doortrekker en wintergast is de witoogeend maar in kleine aantallen vertegenwoordigd in ons land. Over heel Europa gezien is er ook een afnemende trend zichtbaar in de populatie witoogeenden.

Krooneend (Netta rufina)

De laatste duikeend die in Nederland broedt is de krooneend. Krooneenden zijn grote eenden die een lichaamslengte van 53 tot 57 centimeter en een spanwijdte van 84 tot 88 centimeter bereiken. Het opvallendste kenmerk is de grote, ronde bruinoranje kop en rode snavel van de mannetjes. Verder hebben de mannetjes een zwarte hals en buik, een lichtbruine rug met aangrenzend lichter gekleurde delen. Vrouwtjes zijn in diverse tinten bruin gekleurd. Daarnaast hebben vrouwtjes een donkere snavel met een rode vlek. Zowel bij mannetjes als bij vrouwtjes vallen de witte vleugelstrepen in vlucht goed op.

Tafeleend
De ronde, bruinoranje kop en rode snavel van mannetjes krooneenden vallen goed op

Leefwijze en voedsel

Krooneenden voelen zich thuis op vrij grote plassen, met een rijke onderwater- en oevervegetatie. De oevervegetatie biedt schuilmogelijkheden en een goede broedplek, de onderwatervegetatie biedt voedsel. Krooneenden zijn hoofdzakelijk planteneters. Vooral kranswieren worden gegeten. Daarnaast eten ze soms ook wat dierlijk voedsel, echter is dit beperkt.

Voortplanting en trekgedrag

De krooneend komt oorspronkelijk uit Azië, maar door afname van het leefgebied zijn ze uitgeweken naar Europa. Het eerste broedgeval in Nederland dateert uit 1942. Sinds de jaren ’90 neemt het aantal broedgevallen toe, echter is het nog steeds een vrij schaarse broedvogel.

In een nest op een rustige plek in de oevervegetatie worden 6 tot 12 eieren gelegd. Na zo’n 28 dagen broeden komen de eieren uit. De jongen kunnen na 45 tot 50 dagen vliegen.

Krooneenden zijn in Nederland deels standvogel en deels trekvogel. De wegtrekkende soorten overwinteren in Midden en Zuidwest-Europa.

Duikeenden – wintergasten

Naast broedende soorten is er ook nog een wintergast onder de duikeenden. Deze broedt meer noordelijk en bezoekt ons land in het najaar om hier te overwinteren.

Topper (Aythya marila)

De topper, of toppereend, lijkt veel op de wel in Nederland broedende kuifeend, maar toch zijn er een aantal verschillen op te merken. Met een lichaamslengte van 39 tot 56 centimeter en een spanwijdte van 71 tot 84 centimeter wordt de topper iets groter dan de kuifeend. Daarnaast ontbreekt de kenmerkende kuif bij de topper. Mannetjes toppers hebben een zwarte kop, hals en staart. Verder is de bovenkant grijs (bij de kuifeend wit) en de onderkant wit gekleurd. Ze hebben een blauwgrijze snavel, net zoals de vrouwtjes overigens.

Vrouwtjes zijn wat soberder gekleurd. Ze hebben een bruine kop en buik en een grijze rug. Opvallend is de lichtgekleurde ring om de snavel bij de vrouwtjes, een belangrijk kenmerk om ze te onderscheiden van de vrouwtjes kuifeenden.

Topper (Saxifraga - Jan Nijendijk)
Toppers lijken op kuifeenden, maar toch zijn er wel wat verschillen op te merken (Saxifraga – Jan Nijendijk)

Leefwijze en voedsel

Toppers vinden we meestal terug op wateren bestaande uit zout of brak water. Vaak zijn ze te vinden in de buurt van zee, op ondiepe kustwateren. Ze broeden op de toendra’s in het noorden. Overwinteren gebeurt meer zuidelijk, waarbij Nederland een belangrijke overwinteringsplek is. Vooral het IJsselmeer en de Wadden zijn dan van belang. Hier verzamelen zich dan grote groepen toppers. In februari start de terugtocht naar de broedgebieden. In de zomer ontbreekt de topper in ons land, op enkele losse exemplaren na.

Toppers zijn omnivoren en kunnen diep duiken om hun voedsel te vinden. Ze kunnen tot wel zes meter diep duiken en tot één minuut onder water blijven. Er worden voornamelijk schelpdieren, meestal in de vorm van mossels, gegeten. Daarnaast eten ze ook krabben en andere ongewervelde dieren, maar ook kleine vissen en plantaardig voedsel in de vorm van zeegras wordt gegeten. Er zijn zelfs gevallen bekend die kikkers eten, indien aanwezig.


Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Dwaalgasten

Nu zijn alle duikeenden besproken die hier op regelmatige basis voorkomen. Deze worden echter nog aangevuld met soorten die hier maar sporadisch gezien worden, de zogenaamde dwaalgasten. Deze zullen nog kort benoemd worden.

We starten met de kleine topper (Aythya affinis). Het kleinere broertje van de in Nederland overwinterende topper broedt in de Verenigde Staten en Canada en overwintert normaliter in Midden-Amerika en de Cariben. Zo nu en dan raakt er een uit koers en komt deze in Europa terecht. Vaak duiken ze dan in Engeland op, maar soms worden ze ook gezien in Nederland. Het totaal aantal waarneming ligt nu op iets meer dan 20 stuks.

Tot slot nog de ringsnaveleend (Aythya collaris). De ringsnaveleend is ook een duikeend die zich normaal begeeft in de Verenigde staten en overwintert in Midden-Amerika. Ook hiervan komen soms verdwaalde exemplaren in Europa terecht. In totaal is de ringsnaveleend nu ongeveer 50 keer waargenomen in Nederland.

Ringsnaveleend
De ringsnaveleend is een soort die hier gewoonlijk niet voorkomt, maar soms is er toch een verdwaald exemplaar te zien

Verder lezen

Deel 1 – familie eendachtigen in Nederland

Deel 2 – grondeleenden

Deel 3 – grondeleenden vervolg

Deel 4 – duikeenden

Deel 5 – stekelstaart, brilduiker en zaagbekken

Deel 6 – eider, ijseend en zee-eenden

Deel 7 – halfganzen

Deel 8 – zwarte ganzen

Deel 9 – grijze ganzen

Deel 10 – grijze ganzen vervolg

Deel 11 – zwanen

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Uilen in Nederland – deel III

We zijn aanbeland bij het derde en laatste deel van onze uilenserie ‘Uilen in Nederland’. In deel I bespraken we de algemene kenmerken van uilen, de kerkuil en de velduil. In deel II kwamen de steenuil en de ransuil aan bod. Dit derde deel sluit af met de oehoe en de bosuil. Ook worden er enkele dwaalgasten besproken.

De bosuil is goed aangepast op het leven in de bossen en valt door zijn verenkleed nauwelijks op tegen de boomschors (Saxifraga - Martin Mollet)
De bosuil is goed aangepast op het leven in de bossen en valt door zijn verenkleed nauwelijks op tegen de boomschors (Saxifraga – Martin Mollet)

Oehoe (Bubo bubo)

Deze opvallende uilen behoren tot de grootste uilen ter wereld. Hij lijkt door zijn oorpluimen weliswaar op de ransuil, maar de oehoe is maar liefst twee keer zo groot als de ransuil. Het gaat nu weer wat beter met de oehoe. Jarenlang is deze grote uil vervolgd, waardoor er nog maar weinig exemplaren over waren. Nog steeds heeft hij het zwaar. De oehoe heeft zijn naam aan zichzelf te danken: hij is naar zijn eigen geluid vernoemd (onomatopee).

De oehoe is de grootste uil die in Nederland (weer) broedt (Saxifraga - Bart Vastenhouw)
De oehoe is de grootste uil die in Nederland (weer) broedt (Saxifraga – Bart Vastenhouw)

Kenmerken

Zoals hierboven al benoemd, behoort de oehoe tot de grootste uilen ter wereld. Voor Nederland is het de grootste uil. De oehoe wordt tussen de 60-75 centimeter groot. Het vrouwtje is groter dan het mannetje. De spanwijdte bedraagt tussen de 160-190 centimeter. Het lichaam van de oehoe is groot. Bovenop het hoofd zitten twee oorpluimen van bijna tien centimeter. De grote, oranje ogen vallen ook op. De oehoe zelf daarentegen valt nauwelijks op in zijn natuurlijke habitat. Zijn verenkleed, bovenop lichtbruin tot donkerbruin met donkere vlekken en banden en van onder lichter van kleur met donkere lengtestrepen, vormt de perfecte camouflage tegen bomen of steenwanden. Door zijn grootte herken je de oehoe vrijwel gelijk. Daardoor is deze uil niet snel te verwarren met andere uilen.

De oehoe valt op door zijn grootte, de oorpluimen en zijn grote oranje ogen. Ook zijn roep is onmiskenbaar (Saxifraga - Mark Zekhuis)
De oehoe valt op door zijn grootte, de oorpluimen en zijn grote oranje ogen. Ook zijn roep is onmiskenbaar (Saxifraga – Mark Zekhuis)
De zware roep van de oehoe (xeno-canto.org – Thierry Thomas)

Voedsel en verspreiding

Deze grote uilen eten voornamelijk wat er op hun pad komt. Dit kunnen kleine zoogdieren, maar soms ook grotere zoogdieren zijn, zoals een vos. Roofvogels en andere uilen worden ook door de oehoe gegeten. Er zijn resten van buizerds en haviken aangetroffen in prooiresten van oehoes. Qua kleinere prooien zijn dit vaak muizen, ratten, vogels en amfibieën.

In kleine zoogdieren die de oehoe eet, zoals muizen, zit helaas vaak vergif. Toegediend door de mens, omdat ze als overlast worden ervaren. De oehoe (en andere roofdieren) krijgt dit dan ook binnen. Het gif wordt opgeslagen in de vetreserves, waardoor de oehoe er niet altijd gelijk iets van merkt. Maar in jaren met minder voedselaanbod worden de vetreserves van de oehoe aangesproken en komt het gif vrij. Dit is de reden waarom oehoes vaak niet ouder dan een jaar of 4-6 worden, terwijl ze een leeftijd kunnen bereiken van twintig jaar of zelfs nog ouder. Gebruik dus nooit gif, niet tegen dieren en niet in de tuin.

Deze uilen hebben zich door de jaren heen aangepast aan allerlei verschillende soorten landschappen en omgevingen. Zelfs in stedelijke omgeving duikt er af en toe eentje op. Een belangrijke voorwaarde voor een territorium is het voedselaanbod. Er moet jaarrond genoeg aanbod zijn. Water is een andere belangrijke voorwaarde, om te kunnen drinken en te badderen.

Verspreidingskaart oehoe 2023
Verspreidingskaart oehoe 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broeden

Door de jarenlange vervolging van de oehoe is er lange tijd geen broedsel geweest in Nederland. Sinds 1997 wordt er weer jaarlijks gebroed en verspreidt de oehoe zich meer door het land. Elk jaar in de herfst begint de paarvorming van de oehoe. De uilen blijven hun leven lang in hetzelfde territorium, maar wisselen wel eens van nest. Er wordt wel eens een oud nest van een roofvogel gebruikt, maar er wordt ook wel op de grond gebroed. Vaker worden nesten gevonden op richels van steengroeven, zoals bij Maastricht en Winterswijk. Kunstnesten in bossen worden ook gebruikt.

Gemiddeld worden er 3-5 eieren gelegd. De oehoe broedt vanaf het eerste ei, waardoor de eieren niet tegelijk uitkomen. De broedtijd neemt een dikke maand in beslag. De jonge oehoes zijn na tien weken vliegvlug. Voor die tijd klauteren ze al uit het nest. Daarna wordt hen de kneepjes van het jagen bijgebracht. Dit moeten de jonge uilen na 5 maanden zelf kunnen, want dan is het tijd om een eigen territorium op te zoeken. En daarvoor trekken de jongvolwassen oehoes ver, zo’n 100 kilometer. Soms zelfs nog verder.

Na enkele weken verlaten de jonge oehoes het nest als takkeling. Ze klauteren dan in de omgeving van het nest en worden nog gevoerd. Ze zijn nog niet vliegvlug (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Na enkele weken verlaten de jonge oehoes het nest als takkeling. Ze klauteren dan in de omgeving van het nest en worden nog gevoerd. Ze zijn nog niet vliegvlug (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Lees ook: arenden in Nederland


Bosuil (Strix aluco)

Waarschijnlijk heb je de bosuil nog nooit gezien, maar de kans is groot dat je hem wel eens hebt gehoord. Is het niet tijdens een avondlijke boswandeling, dan is het wel in een film. Het kenmerkende geroep van de bosuil draagt namelijk ver én wordt gebruikt in heel veel films en series, om de sfeer van de nacht op te roepen.

Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, komt de bosuil niet alleen in het bos voor. Deze uil is niet de meest kieskeurige en kan een woongebied vinden in verschillende soorten bossen, parken en soms ook rondom bebouwing, mits er voldoende groen aanwezig is.

Bosuilen bevinden zich graag in boomholtes. Hier brengen ze vaak slapend/rustend de dag door (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Bosuilen bevinden zich graag in boomholtes. Hier brengen ze vaak slapend/rustend de dag door (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Kenmerken

De bosuil is een middelgrote uil. Hij wordt zo rond de 40-42 centimeter groot. Een andere vogel van die grootte is bijvoorbeeld de zwarte kraai. De spanwijdte van de bosuil is tussen de 90-95 centimeter. Het vrouwtje is zwaarder dan het mannetje. De ogen van de bosuil vallen op, deze zijn groot en donker. Ook de kop van deze uil is relatief groot, het lichaam daarentegen is gedrongen. Bosuilen zitten graag in boomholtes, zoals op de foto hierboven. Maar ook zitten ze overdag op takken, tegen de boom aan gedrukt.

De bosuil heeft een gevarieerd verenkleed, van donkergrijs en donkerbruin tot donkerrood. Op de vleugels zijn lengtestrepen te zien en bevinden zich witte vlekken. Doordat de veren zo opgaan in boomschors, zie je de bosuil makkelijk over het hoofd.

Door de kleurschakeringen en het patroon van de veren is de bosuil perfect gecamoufleerd en lijkt hij onderdeel van de boomschors te zijn
Door de kleurschakeringen en het patroon van de veren is de bosuil perfect gecamoufleerd en lijkt hij onderdeel van de boom te zijn
Twee bosuilen in roep en zang naar elkaar (xeno-canto.org – David Tattersley)

Voedsel en verspreiding

De bosuil is de meest voorkomende uilensoort van Europa. Dat heeft onder andere te maken met de verschillende leefgebieden waar hij zich kan standhouden en zijn voedselkeuze. Ook in Nederland komt de bosuil bijna overal voor, maar minder in de weidse delen in het noorden van Nederland en Zeeland (zie afbeelding hieronder). De bosuil heeft in ieder geval (oude) bomen nodig. Het maakt dan niet veel uit of dit in een bos of een park is. In het leefgebied moeten ook genoeg mogelijkheden zijn om te rusten en te broeden.

Een ander belangrijke voorwaarde om zich ergens te kunnen vestigen, is het voedselaanbod. De bosuil is een behoorlijke alleseter. Aan de jongen wordt in het begin vooral regenwormen gevoerd. Later eet deze uil kevers en amfibieën, maar ook vogels en kleine zoogdieren als konijn, muis en mol. In omgevingen met meer bebouwing staan meer vogels op het menu en in natuurlijkere omgevingen meer kleine zoogdieren. De bosuil eet soms zelfs vis.

Bosuil verspreidingskaart 2023
Bosuil verspreidingskaart 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broeden

Man en vrouw bosuil zijn een koppel voor hun hele leven en leven altijd in hetzelfde territorium. De baltsperiode begint al vroeg, soms al in december. De eieren worden daardoor soms al in februari gelegd. De bosuil kan 1-7 eieren per broedsel leggen. Er wordt een legsel grootgebracht per jaar. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de kerkuil wordt bij de bosuil niet vanaf het eerste ei gebroed, maar vanaf het tweede of derde ei. De bosuil broedt ongeveer een maand. Afhankelijk van de omgeving kan er op verschillende plekken gebroed worden. Zo worden boomholtes gebruikt, maar ook wel oude nesten van bijvoorbeeld de ekster. In omgevingen met meer bebouwing kan de bosuil ook broeden in gebouwen. Nestkasten worden ook gebruikt door deze uil. Je kunt er eentje zelf maken met onze bouwtekening of er een nestkast kopen bij Vivara Natuurproducten. Bij Beleef de Lente wordt er al jaren een koppel bosuilen in hun broedperiode gevolgd.

Nadat de jongen uit de eieren zijn gekomen, brengen ze eerst een tijd in het nest door. Na enkele weken kunnen ze al hun weg naar buiten gaan zoeken, ze worden dan takkelingen. De jonge uilen brengen dan nog een tijdje door op een veilige plek op een tak. Ze worden nog gevoerd door de ouders. Na vier weken zijn de uilen vliegvlug en kunnen ze zelf op zoek gaan naar hun voedsel. De jonge uilen brengen nog een periode door in het territorium van hun ouders. Rond de herfst moeten ze dan echt uitvliegen en op zoek naar hun eigen gebied. Jonge bosuilen kunnen wel 50 kilometer trekken voor een eigen plek.

Jonge bosuilen brengen een tijdje door als takkeling in de bomen, voordat ze vliegvlug zijn (Saxifraga - Martin Mollet)
Jonge bosuilen brengen een tijdje door als takkeling in de bomen, voordat ze vliegvlug zijn (Saxifraga – Martin Mollet)

Lees ook: bouwtekening nestkast bosuil


Dwaalgasten

De zes broedende uilensoorten in Nederland zijn nu allemaal voorbij gekomen. Dat wil niet zeggen dat er in Nederland geen andere uilensoorten voorkomen. Er zijn een aantal dwaalgasten die hier wel eens voorkomen, maar (nog) niet broeden. Deze dwaalgasten worden vaak een paar dagen, maximaal een paar weken, gezien en vliegen vervolgens weer door.

Ruigpootuil

We beginnen gelijk met een uitzondering, want de ruigpootuil heeft wel enkele keren in ons land gebroed. In Drenthe zijn er broedgevallen bekend, maar helaas lijken alle uitgevlogen jongen het niet gered te hebben. Deze uilensoort broedt in Duitsland, niet ver weg van de grens. Dit is een soort die we misschien in de toekomst wel vaker kunnen gaan zien.

Dwerguil

Dit is de kleinste uilensoort van Europa. Hij wordt ook wel de musuil genoemd. De afgelopen twee decennia zijn er elf bevestigde waarnemingen van deze uil in Nederland. De dwerguil broedt in de Hoge Venen in België en in het Sauerland in Duitsland. Deze uil zou kunnen optrekken naar Nederland.

Om een dwerguil te zien, moet je goed opletten. Zowel qua grootte als qua kleur valt hij bijna niet op
Om een dwerguil te zien, moet je goed opletten. Zowel qua grootte als qua kleur valt hij bijna niet op

Dwergooruil

Er zijn in Nederland dertien bevestigde waarnemingen van deze uil. De dwergooruil is ook een kleine uil. Hij leeft vooral in het Middellandse zeegebied.

Sneeuwuil

De sneeuwuil leeft op de koude toendra’s in het noorden. Wanneer daar zeer strenge winters zich voordoen, wil de sneeuwuil nog wel eens wat afzakken en in Nederland aankomen als dwaalgast.

Uilen in Nederland deel I & deel II

Uilen in Nederland deel Ialgemene kenmerken uilen, kerkuil en velduil

Uilen in Nederland deel II: ransuil en steenuil

Wil je meer lezen over de natuur in Nederland en tips ontvangen hoe je zelf de gaafste soorten in de natuur kunt spotten? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!

Welke uilen heb jij allemaal al in Nederland in het wild gespot? Laat het ons weten in de comments!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials

Eenden, ganzen en zwanen in Nederland – deel I

Kuifeend

Waar water is te vinden, zijn ook meestal eenden te vinden. Eenden komen in Nederland in allerlei soorten en maten voor. De familie eendachtigen is een grote familie van watervogels, waartoe naast de eenden ook de ganzen en zwanen behoren. In deze blogserie bespreken we alle eendachtigen die in Nederland voorkomen.

Ook ganzen behoren tot de familie eendachtigen (de Natuur van hier)
Ook ganzen behoren tot de familie eendachtigen (de Natuur van hier)

De familie eendachtigen

De familie eendachtigen (Anatidae) behoort tot de orde eendvogels. Binnen deze orde zijn nog twee andere families te vinden: de hoenderkoeten en de eksterganzen. De eksterganzen is een familie waartoe maar één geslacht, met slechts één soort behoort, de ekstergans. De hoenderkoeten bestaan uit drie soorten, die alleen voorkomen in Zuid-Amerika. De familie eendachtigen (ook wel eenden, ganzen en zwanen genoemd) is veruit de grootste binnen de orde, met 53 geslachten en meer dan 170 soorten.

In Nederland komen, grofweg genomen, 42 soorten voor, verdeeld over 16 geslachten. De frequentie per soort verschilt echter sterk. Iedere soort houdt er zijn eigen strategie op na. Er zijn soorten die hier het hele jaar verblijven en hier broeden, soorten die hier enkel als wintergast aanwezig zijn en soorten die maar zelden gezien worden, de zogenaamde dwaalgasten. Door verschillende factoren (denk aan verandering van migratieroutes en verspreidingsgebied door klimaatverandering) veranderen deze strategieën ook. Nieuwe soorten komen en bestaande soorten verdwijnen op sommige momenten.

Onderstaand een lijst van eenden in Nederland. In deze lijst zijn alle eenden opgenomen die in het recente verleden gebroed hebben in ons land.

Kuifeend (Aythya fuligula)Tafeleend (Aythya ferina)
Witoogeend (Aythya nyroca)Krooneend (Netta rufina)
Krakeend (Mareca strepera)Smient (Mareca penelope)
Mandarijneend (Aix galericulata)Muskuseend (Cairina moschata)
Pijlstaart (Anas acuta)Wilde eend (Anas platyrhynchos)
Wintertaling (Anas crecca)Slobeend (Spatula clypeata)
Zomertaling (Spatula querquedula)Nonnetje (Mergellus albellus)
Middelste zaagbek (Mergus serrator)IJseend (Clangula hyemalis)
Brilduiker (Bucephala clangula)
Rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis)
Eider (Somateria mollissima)
Broedende eenden in Nederland

Dan zijn er nog een aantal eenden die hier wel met regelmaat voorkomen, maar niet broeden.

Topper (Aythya marila)Grote zee-eend (Melanitta fusca)
Grote zaagbek (Mergus merganser)Zwarte zee-eend (Melanitta nigra)
Niet broedende eenden in Nederland

Vervolgens de lijst van broedende ganzen in Nederland. In deze lijst zijn ook de halfganzen bergeend, casarca en nijlgans opgenomen.

Bergeend (Tadorna tadorna)Grauwe gans (Anser anser)
Casarca (Tadorna ferruginae) Sneeuwgans (Anser caerulescens)
Nijlgans (Alopochen aegyptiaca)Indische gans (Anser indicus)
Toendrarietgans (Anser serrirostris)Brandgans (Branta leucopsis)
Kolgans (Anser albifrons)Grote Canadese gans (Branta canadensis)
Broedende ganzen en halfganzen in Nederland

Dan zijn er nog een aantal ganzen die hier niet broeden, maar wel in ons land verblijven als wintergast. In deze lijst zijn enkel de wintergasten opgenomen die hier jaarlijks met meerdere exemplaren aanwezig zijn. De dwaalgasten zijn hier dus niet in terug te vinden.

Dwerggans (Anser erythropus)Kleine rietgans (Anser brachyrhynchus)
Taigarietgans (Anser fabalis)Roodhalsgans (Branta ruficollis)
Rotgans (Branta bernicla)

Tot slot nog de zwanen. Omdat dit er maar een paar zijn hebben we besloten deze in één lijst op te nemen en aanvullend erbij te zetten of ze hier als broedvogel te vinden zijn, of uitsluitend als wintergast.

  • Kleine zwaan (Cygnus bewickii) – broedt niet in Nederland, aanwezig als wintergast.
  • Knobbelzwaan (Cygnus olor) – hele jaar aanwezig, vrij talrijke broedvogel.
  • Wilde zwaan (Cygnus cygnus) – enkele succesvolle broedgevallen bekend in Nederland.
  • Zwarte zwaan (Cygnus atratus) – hele jaar aanwezig, schaarse broedvogel.

Lees ook: waarom trekken vogels naar het zuiden?


Algemene kenmerken

Een van de opvallendste kenmerken van eendachtigen is de vrijwel platte snavel. Daarnaast hebben ze een lange nek, relatief korte en puntige vleugels en zwemvliezen tussen de tenen. Naast de zwemvliezen zijn ze ook middels hun verenkleed uitstekend aangepast op het leven in het water. De veren zijn namelijk voorzien van speciale oliën, waardoor ze waterafstotend zijn. De korte, puntige vleugels zijn voorzien van stevige spieren, waardoor het goede vliegers zijn.

Zaagbekken eenden
Een van de beste kenmerken van eendachtigen is de platte snavel

De meeste soorten zijn als adult hoofdzakelijk herbivoor (al eten sommige soorten ook zo nu en dan vis of ongewervelde dieren). Jonge dieren krijgen vaak eitwikrijk voedsel, in de vorm van ongewervelden, bijgevoerd. De zaagbekken eten voornamelijk vis en hebben dan ook een gekartelde snavel.

Een ander belangrijk kenmerk van eendvogels is dat ze een penis hebben, welke bij veel andere vogelsoorten ontbreekt.

Verschillen met andere eendvogels

Zoals eerder benoemd zijn de eendachtigen een familie binnen de orde eendvogels, samen met de hoenderkoeten en de ekstergans. Eendvogels waren er al in het Krijt, tijdens het laatste tijdperk van de dinosaurussen, en hebben zich in de loop der tijd geëvolueerd in alle soorten die er tegenwoordig zijn.

De hoenderkoeten en ekstergans worden met een reden binnen de eendvogels in een andere familie ingedeeld. In tegenstelling tot de eendachtigen hebben hoenderkoeten geen zwemvliezen tussen de tenen. De ekstergans heeft ook bijna geen zwemvliezen. Een ander belangrijk verschil tussen de ekstergans en de eendachtigen is dat de ekstergans gedeeltelijk ruit, eendachtigen ruien in één keer. Dit heeft als nadeel dat ze in die periode niet kunnen vliegen en zich schuil moeten houden in de begroeiing.

Ekstergans
De ekstergans behoort tot een monotypisch geslacht, wat betekent dat het de enige soort is binnen dit geslacht

Taxonomische indeling

Met 53 geslachten en ruim 170 soorten kunnen we spreken van een omvangrijke familie. De verdere onderverdeling is een beetje lastig te maken, omdat hier door wetenschappers nog geen eenduidig antwoord op is gegeven. Vaak worden de eendachtigen nog onderverdeeld in vijf onderfamilies, maar dit is dus nog niet algemeen geaccepteerd. Deze onderverdeling ziet er als volgt uit: de eenden, ganzen, Merginae (zaagbekken, brilduikers, ijseenden, eiders en zee-eenden), stekelstaarten en halfganzen. Voor het gemak zijn wij uitgegaan van de verdeling die vaak in de volksmond wordt gemaakt: de eenden, ganzen en zwanen.


Lees ook: vinken in Nederland – deel I


Het is daarnaast lastig aan te geven hoeveel soorten er exact in Nederland voorkomen. Er zijn soorten die hier broeden, als wintergast verblijven of enkel als dwaalgast. Maar ook in deze verdeling vinden regelmatig verschuivingen plaats door meerdere redenen. Mocht er volgens jou een soort ontbreken, die toch regelmatig voorkomt in Nederland, laat het ons dan weten in de comments. Zo proberen we een zo actueel mogelijk overzicht te geven van eendachtigen in Nederland.

Broedende eenden, ganzen en zwanen in Nederland

Om een visueel overzicht te creëren, hebben we per groep een taxonomische indeling gemaakt. In dit overzicht is duidelijk te zien welke soorten tot hetzelfde geslacht behoren en het meest aan elkaar verwant zijn. Om er voor te zorgen dat het leesbaar blijft, hebben we besloten enkel broedende soorten in dit overzicht mee te nemen. De winter- en dwaalgasten zijn hierin dus niet terug te vinden, maar worden wel in de blogserie besproken.

Taxonomie eenden in Nederland
Taxonomie eenden in Nederland (De Natuur van hier)

In de blogserie wordt verder gesproken over broedaantallen en in welke mate een soort als wintergast aanwezig is. Deze aantallen zijn gebaseerd op de laatst bekende informatie van de Vogelbescherming.

Taxonomie ganzen in Nederland (De natuur van hier)
Taxonomie ganzen in Nederland (De Natuur van hier)

De eenden en ganzen zijn in de blogserie nog verder onderverdeeld in bepaalde geslachtsgroepen. Zo spreken we van duikeenden, grondeleenden, zaagbekken en zee-eenden. Van de geslachtsgroepen stekelstaarten, brilduikers, ijseenden en eiders komen elk maar één soort voor. De ganzen worden verder onderverdeeld in halfganzen, zwarte ganzen en grijze ganzen.

Taxonomie zwanen in Nederland (De natuur van hier)
Taxonomie zwanen in Nederland (De Natuur van hier)

De serie eenden, ganzen en zwanen in Nederland

In totaal zijn er elf blogs nodig om de talrijke familie eendachtigen te bespreken. Onderstaand een overzicht van de blogserie.

Deel 1 – familie eendachtigen in Nederland

Deel 2 – grondeleenden

Deel 3 – grondeleenden vervolg

Deel 4 – duikeenden

Deel 5 – stekelstaart, brilduiker en zaagbekken

Deel 6 – eider, ijseend en zee-eenden

Deel 7 – halfganzen

Deel 8 – zwarte ganzen

Deel 9 – grijze ganzen

Deel 10 – grijze ganzen vervolg

Deel 11 – zwanen

Knobbelzwaan (de Natuur van hier)
Knobbelzwaan (de Natuur van hier)

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Uilen in Nederland – deel II

Ransuil in boom

In het eerste deel van onze uilenserie kun je lezen over de taxonomie van uilen en hun algemene kenmerken. Ook kwamen daar de kerkuil en de velduil aan bod. In dit tweede deel is de beurt aan de ransuil en de steenuil. Een middelgrote uil en het kleinste uiltje van Nederland.

Omslagfoto: Saxifraga – Mark Zekhuis

Bij deze ransuil kun je goed de oorpluimen zien. Deze zijn een stuk langer dan die van de velduilen (bron: Saxifraga - Martin Mollet)
Bij deze ransuil kun je goed de oorpluimen zien. Deze zijn een stuk langer dan die van de velduil (bron: Saxifraga – Martin Mollet)

Ransuil (Asio otus)

De ransuil wordt nog wel eens verward met de oehoe. Ze hebben beide opvallende oorpluimen, maar de oehoe is groter dan de ransuil en komt ook minder voor. Ransuilen zijn meer verwant aan velduilen. Ze behoren namelijk tot hetzelfde genus, Asio (zie taxonomie in deel I).

De ransuil komt helaas ook minder vaak voor dan vroeger en staat op de Rode Lijst. Net als bij de kerkuil en de velduil in deel I is ook de ransuil afhankelijk van de muizenstand. De natuurlijke cycli van de muizenstand is aangetast door de intensivering van de landbouw, waardoor ook de ransuil het de laatste jaren steeds moeilijker heeft. Maar ook de toename van haviken is een bedreiging voor de ransuil, want haviken jagen op ransuilen.

Kenmerken

Zoals eerder benoemd, vallen vooral de geeloranje ogen en de oorpluimen op. De ransuil wordt ongeveer 35-37 centimeter groot en heeft een spanwijdte van 85-100 centimeter. Het verenkleed van deze uil is overwegend donkergeel met zwartbruine strepen en vlekken. De onderzijde is lichter van kleur, maar ook daar zie je donkere strepen en vlekken.

De ransuilen: oranje of geeloranje ogen, lange oorpluimen en een duidelijke gezichtssluier (bron: Saxifraga - Martin Mollet)
De ransuil: oranje of geeloranje ogen, lange oorpluimen en een duidelijke gezichtssluier (Saxifraga – Martin Mollet)
Bedelroep van drie jonge ransuilen (xeno-canto – Alain Malengreau)

Verspreiding en voedsel

Ransuilen kun je in verschillende soorten landschappen tegenkomen, maar er moeten in ieder geval open velden aanwezig zijn met muizen. Muizen zijn het belangrijkste onderdeel op het menu van de ransuil. Maar ook kleine vogels worden gegeten, zoals mus, spreeuw of een vinkachtigen. Deze uil kwam vroeger juist meer voor in bossen, maar door de toename van haviken zijn ze daar vrijwel uit verdwenen. Ransuilen houden van landschapselementen als houtwallen, hagen en kruidenrijke akkers en akkerranden. Daarnaast zitten deze uilen ook wel in solitaire, hoge bomen. In de winterperiode (oktober-maart) zijn er soms grote groepen ransuilen op een roestplaats. Daar brengen ze met elkaar de winter door.

Volwassen uilen blijven bij de nestplaats, maar jonge ransuilen kunnen soms wel honderden kilometers trekken voor een nieuwe verblijfplaats. Er zijn daarom soms ook ransuilen uit Rusland en Noord-Europa in Nederland.

Verspreidingskaart ransuil 2023
Verspreidingskaart ransuil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broeden

Ransuilen gebruiken vaak oude nesten van kraaien of eksters. Hier ligt ook een van de redenen waarom het minder goed gaat met de ransuil: er zijn steeds minder nesten beschikbaar.

Ransuilen leggen vier tot zes eieren per legsel, maar dit is afhankelijk van het voedselaanbod. In jaren met weinig muizen kan het ook voorkomen dat er geen eieren gelegd worden. In het geval dat er wel eieren zijn, worden deze vanaf het eerste ei bebroed. De broedperiode van de ransuil is in de maanden maart en april. Na drie weken worden de jonge ransuilen zogenaamde takkelingen. Ze klimmen dan rond in de bomen rondom het nest. Je kunt in deze periode de jonge ransuilen goed horen: ze laten veelvuldig hun bedelroep horen (zie het audiofragment bij het kopje ‘voedsel en verspreiding’). Na zo’n vijf weken zijn de jongen vliegvlug en leren ze steeds meer zelfstandig te leven.

Een jonge ransuil als takkeling in een boom, waarschijnlijk nog in de buurt van het nest (Saxifraga - Jelmer Reyntjes)
Een jonge ransuil als takkeling in een boom, waarschijnlijk nog in de buurt van het nest. De oorpluimen zijn al zichtbaar (Saxifraga – Jelmer Reyntjes)

Help de ransuil een handje

Komt de ransuil bij jou in de buurt voor? Op Waarneming.nl kun je dat nagaan. Het is ook goed om je waarneming van een ransuil door te geven, zodat in kaart gebracht kan worden waar er bijvoorbeeld gebroed wordt. Mocht je het geluk hebben en er is een ransuil in jouw buurt, dan kun je verschillende dingen om hem te helpen. Zo kun je al beginnen met het niet bestrijden van muizen. Of in ieder geval geen gif te gebruiken. Zo scheep je de ransuil (en andere diersoorten) niet op met vergif in zijn eten. Wanneer je veel ruimte hebt, kun je landschapselementen aanleggen, zoals houtwallen en hagen. Rommelige hoekjes met ruige stukken zijn weer aantrekkelijk voor muizen, en dus ook voor de ransuil.


Lees ook: hoe plant ik een boom?


Steenuil (Athena noctua)

Kenmerken

De steenuil is de kleinste uil van Nederland. Hij is tussen de 21-23 centimeter groot en heeft een spanwijdte van 54-58 centimeter. Bij gevaar kan de steenuil zijn veren wat opzetten, zodat hij groter lijkt. Eigenlijk is de steenuil niet veel groter dan de merel, maar heeft ander postuur en oogt daarom groter. Opvallend aan deze uil zijn de gele ogen. Daarboven zijn opvallend lichte wenkbrauwen te zien. De rest van het verenkleed is voornamelijk bruin met witte vlekken. Steenuilen hebben een grappig loopje, waarbij ze op een ijsberende manier heen en weer lopen.

De steenuil is de kleinste uil van Nederland en is niet veel groter dan een merel
De steenuil is de kleinste uil van Nederland en is niet veel groter dan een merel
Een roepende steenuil (xeno-canto – Luca Baghino)

Voedsel en verspreiding

Ook het menu van de steenuil bestaat voornamelijk uit veldmuizen. Maar ook kleine vogels en grote insecten worden gegeten, waaronder nachtvlinders en meikevers. De steenuil houdt van een agrarisch cultuurlandschap, waar landschapselementen zijn te vinden als houtwallen, heggen en weilandjes die extensief begraasd worden. Steenuilen maken ook graag gebruik van weidepaaltjes, om vanaf te jagen. Oude holle fruitbomen of knotwilgen zijn ook belangrijk voor dit kleine uiltje.

Volwassen steenuilen blijven in de buurt van de nestplaats. Ook de jongen gaan niet heel ver weg, zij blijven vaak in een omtrek van enkele kilometers van het nest.

Verspreidingskaart steenuil 2023
Verspreidingskaart steenuil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broeden

Steenuilen zijn holenbroeders en hebben graag een holle boom om hun jongen in groot te brengen. Zo zijn knotwilgen en fruitbomen een geliefde broedplek. De broedperiode is in de periode april-mei. De steenuil legt 3-5 eieren en het duurt zo’n 24-28 dagen voordat de eieren uitkomen. Na een maand verlaten de jonge steenuiltjes het nest, maar ze zijn op dat moment nog niet vliegvlug. Dat duurt ongeveer nog twee weken. De jongen worden dan nog een dikke maand door de ouders verzorgd. Daarna is het dan tijd geworden om een eigen territorium te vinden. Jonge steenuilen blijven vaak binnen tien kilometer van de nestplaats.

Een jonge, nog niet vliegvlugge, steenuil zit in een boom (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Een jonge, nog niet vliegvlugge, steenuil zit in een boom (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Naast oude holle bomen kan de steenuil ook broeden in rustige hoekjes op een erf of in een oude schuur. Ook heeft de steenuil veel aan nestkasten, omdat ook voor deze uil de omgeving de laatste jaren drastisch is veranderd. De steenuil staat ook op de Rode Lijst. Broedende steenuilen zijn te volgen bij Beleef de Lente.

Helpende hand

Ook de steenuil kun je een handje helpen. Je kunt bijvoorbeeld een nestkast (bol.com) plaatsen. Je kunt er zelf ook eentje maken of een andere kopen, maar let er in ieder geval op dat de nestkast marterproof is. Door middel van een voorportaal in de nestkast, kan de marter niet (of minder makkelijk) bij de eieren en jongen. Wil je het hele broedproces van dichtbij volgen? Hang dan een nestkastcamera van Green Backyard op en volg alles live met prachtige beelden.

In het geval je drinkbakken voor vee hebt staan, kun je hier een steenuilvriendelijke geperforeerde binnenbak in plaatsen. Als een (jonge) steenuil dan in de bak water belandt, kan hij eruit klimmen.

Met behulp van wildcamera’s en nestkastcamera’s kun je het gedrag en broedproces van dichtbij volgen (de Natuur van hier)

Lees ook: poel aanleggen in de tuin


Uilen in Nederland – deel I & III

In de eerste blog van deze driedelige serie hebben we de algemene kenmerken en de eerste twee uilensoorten besproken. In dit tweede deel kwamen ransuil en steenuil aan bod. In deel drie zullen de oehoe, bosuil en dwaalgasten besproken worden.

Uilen in Nederland deel I: algemene kenmerken uilen, kerkuil en velduil.

Uilen in Nederland deel III: oehoe, bosuil en dwaalgasten

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Uilen in Nederland – deel I

Uilen zijn geruisloos en mysterieus. Je zult er niet snel eentje zien, maar wanneer je dat geluk wel hebt, zal de ontmoeting je altijd bij blijven. Er broeden verschillende soorten uilen in Nederland. Daarnaast zijn er ook af en toe dwaalgasten in ons land te vinden. Al deze soorten zullen in deze uilenreeks worden behandeld. Hier in deel I gaan we in op de algemene kenmerken van uilen en lichten we twee soorten uit.

De velduil is een voorbeeld van een uil die overdag jaagt
De velduil is een voorbeeld van een uil die overdag jaagt

Algemene kenmerken van uilen

Waarschijnlijk ken je het bekendste kenmerk van uilen wel: ze kunnen hun nek heel ver draaien. Uilen hebben veertien nekwervels, wat ervoor zorgt dat ze hun nek zowel ver heen en weer kunnen draaien als van boven naar beneden kunnen bewegen. Ter vergelijking: de mens heeft de helft zoveel nekwervels, namelijk zeven. Het is voor uilen belangrijk om hun nek op die manier te kunnen draaien, want ze kunnen niet opzij kijken en hun ogen zitten vast in de schedel.

Uilen hebben grote ogen en kunnen alleen maar vooruit kijken. Hoewel de ogen groot zijn, kunnen uilen niet goed van dichtbij zien. De oogkleur van de uil verraadt iets over zijn levenswijze. Uilen met een

Taxonomie broedende uilen in Nederland (De natuur van hier)
Taxonomie broedende uilen in Nederland (De natuur van hier)

Stilte in de nacht

Een ander opvallend kenmerk is hun geruisloze vlucht. Dit heeft alles te maken met het verenkleed van de uil. Deze is anders opgebouwd dan de veren van andere soorten vogels. Uilen hebben donsveren en kamveren in hun verenkleed zitten. De donsveren zorgen voor een isolerende werking. De kamveren zien eruit als kleine kammetjes, waar de wind doorheen kan. Daardoor hoor je de wind niet op de veren en vliegt de uil geruisloos door de nacht.

Door de verschillende veren in het verenpak kan een uil geruisloos vliegen zo een prooi verrassen
Door de verschillende veren in het verenpak kan een uil geruisloos vliegen en zo een prooi verrassen

Gehoor

Oorpluimen: bij de velduil, ransuil en oehoe zijn duidelijke oorpluimen te zien. Andere uilen hebben deze niet. Dat betekent niet dat zij niet kunnen horen, want de oorpluimen hebben eigenlijk niks met het horen te maken. De oorpluimen laten de fysieke gesteldheid en status van de uil zien. Sterke en gezonde uilen hebben grote oorpluimen, waar zwakke, oude of zieke uilen kleine oorpluimen hebben.


Lees ook: arenden in Nederland


De oren zitten bij sommige soorten asymmetrisch. Dit is zo bij alle soorten van geslacht Asio en Tyto en bij sommige soorten van Strix, Bubo en Aegolius. Dit helpt met het lokaliseren van een mogelijke prooi. Wanneer het geluid op net twee verschillende plekken in de hersenen binnenkomt, kan de uil de locatie van het prooidier bepalen en toeslaan. Er zijn ook uilensoorten die symmetrisch zittende oren hebben. Het blijkt dat zij ’s nachts minder graag vliegen. Uilen met asymmetrische oren hebben daar geen moeite mee.

De bosuil hierboven draait zijn ver naar achteren. Uilen kunnen hun hoofd bijna helemaal draaien
De bosuil hierboven draait zijn nek ver naar achteren. Uilen kunnen hun hoofd bijna helemaal draaien

Verder heeft de uil een haaksnavel, welke nodig is om prooien in stukken te scheuren. Uilen hebben gevederde poten, die langer en smaller zijn dan je in eerste instantie zou vermoeden.

Broedende uilen in Nederland

Bijna overal ter wereld komen uilen voor, in allerlei soorten en maten. In Nederland kennen we zes soorten die hier broeden. Er duiken soms ook dwaalgasten op. Deze soorten broeden vrijwel nooit in Nederland, althans niet op dit moment. Al deze soorten zullen in de komende blogs besproken worden. Uilen die in Nederland broeden:

  • Kerkuil (Tyto alba)
  • Velduil (Asio flammeus)
  • Ransuil (Asio otus)
  • Steenuil (Athena noctua)
  • Oehoe (Bubo bubo)
  • Bosuil (Strix aluco)

Lees ook: hoe maakt een spin een spinnenweb?


Kerkuil (Tyto alba)

We beginnen gelijk met een beetje een vreemde eend in de bijt wat betreft de taxonomie van uilen: de kerkuil. Deze uil hoort, zoals hierboven te zien is in de taxonomie, niet tot de echte uilen. Het verschil zit in meerdere zaken. Zo is de vlucht van kerkuilen meer glooiend dan de vlucht van uilen die tot de echte uilen behoren. Ook is de staart van de kerkuil rechthoekig, die van echte uilen niet.

Kenmerken

Opvallend aan de kerkuil is het witte, hartvormige gezicht. De kerkuil is een vrij grote vogel en wordt tussen de 35-40 centimeter groot. De spanwijdte bedraagt tussen de 80-100 centimeter. Hoewel de kerkuil vaak wordt omschreven als witte vogel, zijn er vele nuances in het verenkleed. De kleurvariaties gaan van licht tot meer lichtbruin. De veren hebben een gespikkeld patroon. Aan de hand van de strepen op de handpennen kan bepaald worden of het om een mannelijk of vrouwelijk exemplaar gaat. Dit komt erg precies. Strepen die breder dan 7,5 millimeter zijn, duiden op een vrouwtje. Strepen onder de 7,5 millimeter breedte zijn van een mannetje.

Het witte, hartvormige gezicht van de kerkuil is een van de meest opvallende kenmerken
Het witte, hartvormige gezicht van de kerkuil is een van de meest opvallende kenmerken
Roep van de kerkuil (xeno-canto – Simon Elliott)

Verspreiding en voedsel

De kerkuil komt voor in cultuurlandschap waar kruidenrijke akkers/akkerranden, houtwallen, graslanden en akkers aanwezig zijn. In bossen zul je hem niet gauw vinden. Zijn naam verraadt al de voorliefde voor broedplekken: in kerken. Maar ook hoge schuren, liefst met hooi of stro worden graag gebruikt. Dit zijn plekken waar van oudsher altijd veel muizen voorkwamen, de prooidieren die bijna het gehele menu van de kerkuil beslaan. Helaas heeft ook de kerkuil te maken met het economische aspect van de landbouw. Doordat er geen ouderwetse opslagplaatsen meer worden gebruikt in opslagschuren, is het muizenaantal drastisch afgenomen en daarmee ook het voedsel voor de kerkuil. Daardoor is de kerkuil vrij afhankelijk geworden van nestkasten.

Verspreidingskaart kerkuil 2023
Verspreidingskaart kerkuil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broedperiode

In februari begint het paargedrag. Kerkuilen gaan op zoek naar nestgelegenheid en zijn beide vaker te vinden bij het nest. Kerkuilen maken niet zelf een nest met takken of nestmateriaal, maar zoeken een plekje in een holle boom (bij uitzondering) of in een schuur. Afhankelijk van het voedselaanbod (muizen) is het een groot of kleiner nest. Jaren waarin er weinig muizen zijn, wordt er soms zelfs helemaal niet gebroed.

Meestal legt het vrouwtje tussen de 4-6 eieren, maar wanneer er veel muizen zijn kunnen het zelfs twaalf eieren zijn. In goede muizenjaren kunnen er meerdere legsels zijn. De eieren worden tussen eind maart en mei gelegd en komen niet tegelijk uit, maar met enkele dagen er steeds tussen. Er kan best wat tijd tussen het eerste en laatste ei zitten. Daardoor zit er vaak ook veel verschil tussen het eerste en laatste kuiken. Bij Beleef de Lente kun je het broedproces goed volgen. Ook op ons eigen YouTubekanaal kun je enkele filmpjes vinden van de kerkuil, gemaakt met een wildcamera/nestcamera in eigen schuur in een nestkast.

Kerkuilen gebruiken paaltjes als zitplek om 's nachts vanaf te jagen
Kerkuilen gebruiken paaltjes als zitplek om ’s nachts vanaf te jagen

Tijdens het broeden zorgt de man voor het eten voor het vrouwtje. Kerkuilen hebben een sterke paarband en er worden rondom het nest geen andere kerkuilen geduld. Het vrouwtje is ongeveer een maand aan het broeden voordat de eerste eieren uitkomen. Na zo’n twee maanden zijn de kerkuiljongen vliegvlug en zullen ze de eerste rek- en strekoefeningen van de vleugels doen. Na nog zo’n twee weken worden de jongen steeds zelfstandiger en zullen ze minder door hun ouders worden gevoerd. Uiteindelijk vliegen de jongen uit en moeten ze op zoek naar een eigen territorium. Na een jaar zijn de jongen geslachtsrijp en kunnen ze hun eigen nest stichten.

Eigen nestkast met camera
Heb je zelf ook een nestkast hangen voor een kerkuil of een andere uilensoort, dan kun je een nestkastcamera ophangen en alles van dichtbij meemaken. Via Green Backyard zijn speciale camera’s te verkrijgen voor in nestkasten. Deze camera’s zijn van hoge kwaliteit en bieden je live beeld (dag en nacht) van activiteit in de kast. Onderstaande video (en andere video’s op ons YouTube kanaal) zijn gemaakt met camera’s van Green Backyard.

Een roepende kerkuil die de nestkast binnenkomt (de Natuur van hier)

Lees ook: tips voor het aanleggen van een natuurtuin


Velduil (Asio flammeus)

De velduil behoort tot de familie echte uilen. Hij valt op met zijn karakteristieke oorpluimen. Ook de ransuil en oehoe hebben deze. Zoals je aan het begin hebt kunnen lezen, hebben deze oorpluimen niks met hun gehoor te maken. De velduil is een grote uil die je ook overdag kunt zien. Velduilen kunnen vele kilometers afleggen. Velduilen zijn trekvogels en trekken in het voorjaar en het najaar. Ze hebben geen vaste trekroutes. Velduilen zijn echte zwervers en zijn altijd op zoek naar de beste plek met het meeste voedsel. In het najaar trekken velduilen naar het zuiden. Je hebt dan kans om een trekkende velduil langs de kust of op de Waddeneilanden te zien.

De felgele ogen van de velduil vallen erg op. Ook de korte oorpluimen zijn hier goed te zien
De felgele ogen van de velduil vallen erg op. Ook de korte oorpluimen zijn hier goed te zien

Kenmerken

Zoals je hierboven kunt zien, heeft de velduil felgele ogen. De oorpluimen van de velduil zijn vrij klein en niet altijd zichtbaar. De ronde gezichtssluier is ook opvallend. De velduil is een grote uil en kan ongeveer 40 centimeter groot worden. De spanwijdte bedraagt tussen de 95 en 110 centimeter. De velduil heeft lange vleugels.

De velduil is een vrij lichtgekleurde uil, van licht tot geelbruin. In vlucht valt goed op dat de velduil van onder heel licht gekleurd is, met donkere veren in de vleugels. De bovenkant van het verenkleed is juist gespikkeld van lichtbruin tot donkerbruin. Zo is deze uil tijdens het broeden goed gecamoufleerd.

Hier zijn de donkere tekeningen in de vleugel duidelijk te zien
Hier zijn de donkere tekeningen in de vleugel duidelijk te zien
De roep van de velduil, een roep die je niet gauw zult horen (xeno-canto – Lars Edenius)

Verspreiding en voedsel

Deze uil jaagt overdag. Hij leeft in graslanden en open velden, het liefst in een moerassige omgeving, ook wel bij veengebieden. Je kunt hem dan laag over de weilanden zien scheren, op zoek naar zijn favoriete maal: aardmuizen en veldmuizen. Net als de kerkuil heeft ook de velduil last van de intensivering van de landbouw en de ruilverkaveling van vroeger. Het is inmiddels een zeldzame broedvogel geworden en staat op de Rode Lijst.

Verspreidingskaart velduil 2023
Verspreidingskaart velduil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broedperiode

Velduilen maken een nest op de grond. Dit is een kwetsbare plek, makkelijk te roven door dieren als vos of marterachtigen. Het nest bestaat meestal uit 6-10 eieren, maar dit is afhankelijk van het voedselaanbod. Het vrouwtje broedt in de maanden april en mei. Het duurt ongeveer drie tot vier weken voor de eieren uit komen. Er zijn ook jaren waarin er niet gebroed wordt en jaren waarin er meer dan tien eieren uitgebroed worden. Net als bij de kerkuil hierboven komen de eieren met tijdverschil ertussen uit, dus er zit verschil in leeftijd van de opgroeiende jongen. Het vrouwtje broedt in een kleine kuil. Omdat het op een kwetsbare plek is, moeten de jongen zich al snel kunnen redden. Dit is ook zo bij bijvoorbeeld weidevogels. Na ongeveer twee weken zijn ze al in de omgeving rondom het nest.

Veelgestelde vragen

Welke uilensoorten zijn er in Nederland?

  • Kerkuil (Tyto alba)
  • Steenuil (Athena noctua)
  • Bosuil (Strix aluco)
  • Ransuil (Asio otus)
  • Velduil (Asio flammeus)
  • Oehoe (Bubo bubo)

Wat is de meest voorkomende uil in Nederland?

Op basis van de meest recente cijfers van Vogelbescherming is de steenuil de meest voorkomende uil van Nederland. Er zijn circa 8000-9500 broedparen. Het aantal broedparen is in de jaren ’90 afgenomen, maar lijkt (door gericht beheer) de laatste jaren stabiel te blijven.

Waarom maakt een uil geen geluid tijdens het vliegen?

Dit heeft te maken met de veren van de uil. Het verenpak bestaat uit verschillende soorten veren, waaronder donsveren en kamveren. Deze twee soorten veren zorgen ervoor dat het geluid wordt geïsoleerd en dat de wind door de veren heen gaat. Daardoor hoor je uilen niet vliegen.

Hoe kan het dat een uil zijn hoofd zo kan draaien?

Uilen hebben veertien nekwervels, waardoor ze hun nek flexibel kunnen draaien. Ze kunnen hun hoofd tot wel 270 graden draaien. Uilen moeten hun hoofd zo kunnen draaien, omdat hun ogen vastliggen in de schedel. Om dat te compenseren voor de jacht, kunnen ze hun nek zo draaien.

Hoe worden jonge uilen genoemd?

De jongen van uilen worden eerst kuikens, ook wel uilskuikens, genoemd. Je kent vast het woord vast wel van een keer dat het werd gebruikt om iets doms aan te duiden. Vroeger werd er gedacht dat uilen en hun kuikens dom waren. Misschien dat het gedrag van uilskuikens daar onbedoeld aan bij heeft gedragen, want ze kunnen zich wat onhandig gedragen. Jongen zijn na enkele weken zogenaamde takkelingen. Ze komen dan uit het nest, maar kunnen nog niet (goed) vliegen. Ze schuifelen heen en weer over de takken en vallen dan wel eens naar beneden. Dit is niet erg, want met hun scherpe klauwen klimmen ze weer naar boven.

Uilen in Nederland – deel II & III

In de eerste blog van deze driedelige serie hebben we de algemene kenmerken en de eerste twee uilensoorten besproken. In de volgende twee delen zullen de andere vier soorten uilen aan bod komen en worden de dwaalgasten kort besproken.

Uilen in Nederland deel II: ransuil en steenuil

Uilen in Nederland deel III: oehoe, bosuil en dwaalgasten

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Roek – Kraaiachtigen van Nederland – deel V

De roek is hier duidelijk te herkennen aan zijn grijze snavel en hoge voorhoofd

Iedereen kent ze wel: een kauw, zwarte en/of bonte kraai, ekster, gaai, wellicht zelfs een roek, de notenkraker of raaf. Het zijn de kraaiachtigen van Nederland. De familie kraaiachtigen (Corvidae) gaat echter verder dan onze Nederlandse bekenden, want in totaal bestaat de familie uit 128 soorten. Ze komen bijna overal op de wereld voor. Ze behoren tot de zangvogels, hoewel niet iedereen hun geroep als gezang zou kwalificeren.

Kraaiachtigen zijn intelligente wezens. Ze kunnen problemen (leren) oplossen, sommige soorten slagen voor de spiegelproef en ze communiceren met elkaar. In dit deel lichten we de roek uit.

Wil je de hele serie ‘kraaiachtigen van Nederland’ lezen? Klik dan hier om te beginnen met deel I.

Roeken hebben een prachtig glanzend verenkleed en een opvallende snavel
Roeken hebben een prachtig glanzend verenkleed en een opvallende snavel

De roek (Corvus frugilegus)

Roeken, vaak verward met zijn ongeveer even grote verwant de zwarte kraai. Ze zijn wat minder bekend dan bijvoorbeeld de zwarte kraai, ekster of raaf. Roeken komen niet overal evenveel voor, in tegenstelling tot de andere kraaiachtigen. Zo zie je de roek niet veel in het westen, maar meer in het oosten. Wat wel een overeenkomst tussen deze vogels van dezelfde familie is, is dat ze allemaal erg intelligent zijn. Zo dus ook de roek.

Uiterlijk

Roeken hebben een geheel zwart verenkleed. In de zon zie je een blauwige glans op de veren. Tot dusver is de roek moeilijk te onderscheiden van de zwarte kraai. Een handig ezelsbruggetje om ze te onderscheiden: een roek draagt een broek. Het lijkt net alsof een roek een broek aan heeft, omdat de veren ook het bovenste gedeelte van de poten bedekt.

Ook de snavel van de roek valt op. Eerst is de snavel zwart, maar na ongeveer acht maanden wordt de snavelbasis kaal. Daardoor zie je de onderliggende huid, die grijs is. De snavel van de roek is vrij groot en enigszins naar beneden gericht. Roeken hebben een vrij steil voorhoofd, waardoor hun kop in verhouding klein lijkt.

Roeken zijn ongeveer even groot als de zwarte kraai, tussen de 41 en 49 centimeter. De spanwijdte is tussen de 80 en 99 centimeter.

De grijze, kale snavel van de roek is hier duidelijk te zien. Ook zie je de metaalglans in het verenkleed goed
De grijze, kale snavel van de roek is hier duidelijk te zien. Ook zie je de metaalglans in het verenkleed goed

Zwarte kraai vs. roek

Beide vogelsoorten zijn intelligent, zijn ongeveer even groot en hebben een zwart verenpak. Zo klinkt het best lastig om ze van elkaar te onderscheiden. Toch valt dat wel mee, want er zijn enkele opvallende verschillen. Hierboven beschreven we dat roeken een broek dragen. Dit hebben zwarte kraaien niet. Daarnaast hebben zwarte kraaien een zwarte snavel. Roeken eerst ook, maar na acht maanden wordt de snavelbasis kaal en zie je de grijze huid. Ook zijn de snavels van roeken groter en die van zwarte kraaien smaller.

Wanneer je een roek of zwarte kraai in vlucht ziet, kun je ook verschillen ontdekken. Zo heeft de roek een dieper ingesneden vleugelhand en hebben ze meer glijmomenten in hun vlucht. De vleugelslag is ook wat sneller dan die van de zwarte kraai. Qua geluid lijken de twee wel weer erg op elkaar. De roek heeft een wat lichter geluid dan de zwarte kraai.

Ten slotte kun je ook aan het gedrag afleiden of het om een roek of om een zwarte kraai gaat. Over het algemeen zijn kraaien samen met hun partner aan het foerageren, waar roeken dit in groepsverband doen. Je ziet roeken vaak samen met kauwen in een weiland.

Een roek in vlucht laat zich vaak meterslang door de lucht glijden voordat hij landt
Een roek in vlucht laat zich vaak meterslang door de lucht glijden voordat hij landt

Gedrag

Roeken leven in kolonies. Een kolonie kan erg groot worden. Onderling communiceren roeken met elkaar, net als de andere kraaiachtigen. Ze communiceren over voedsel, voedselplekken en hebben sociale interacties met elkaar. Dit laatste zie je terug in bijvoorbeeld spelletjes. Roeken spelen met elkaar, door spullen te laten vallen en op te vangen. Ook schommelen ze samen op takken van bomen. Roeken die samen een paartje vormen, begroeten elkaar.

Het foerageren gebeurt in grote groepen, vaak vergezeld door groepen kauwtjes. De roek is van ’s ochtends vroeg tot laat op de dag actief aan het zoeken naar voedsel. Vaak zijn ze al actief voordat de zon opkomt. Dit heeft als voordeel dat er veel uren per dag beschikbaar zijn om voedsel te zoeken.

Roeken en kauwen zie je vaak samen foerageren in weilanden
Roeken en kauwen zie je vaak samen foerageren in weilanden

Intelligentie

Net als de andere kraaiachtigen uit deze blog zijn ook roeken intelligente vogels. Ze zijn nieuwsgierig en ze kunnen nieuwe dingen leren. Er is een eeuwenoud verhaal waarin wordt verteld dat een dorstige roek door middel van steentjes de waterspiegel in een kruik water liet stijgen, zodat hij kon drinken. Roeken kunnen dus ook problemen oplossen.

Deze nu vaak verguisde vogel werd vroeger juist als behulpzaam gezien. Hij hielp de mensen heel vroeger met het verzamelen van voedsel en haalde later door boeren ongewenste ongewervelden uit de akkers. Tegenwoordig wordt de roek ook wel ingezet met het helpen van afval opruimen. In ruil voor beloning komen ze stukjes afval brengen. Roeken weten al snel waar veel en goed voedsel te vinden is.

Slimme vogels, die roeken. Ze weten al snel waar ze voedsel kunnen halen en kunnen problemen oplossen
Slimme vogels, die roeken. Ze weten al snel waar ze voedsel kunnen halen en kunnen problemen oplossen

Wat staat er op het menu?

De roek is een echte alleseter. Ze eten ongewervelden, zoals emelten, slakken en wormen, maar ook insecten, menselijk afval, noten en eikels en vruchten als kers en pruim. Roeken hebben vaak een vast dagritme. In de ochtend pakken ze voedsel wat makkelijk voor het grijpen ligt. ’s Middags graven ze wat dieper voor eten. Dan zie je ze bijvoorbeeld in de weilanden foerageren. Hoe later het wordt, hoe meer moeite de roeken doen om aan voedsel te komen. Tijdens het foerageren in de weilanden zie je ze in groepen het terrein systematisch afwerken. Dit doen ze met hun kenmerkende loopje: plechtige, stijve passen met af en toe een hupje.

Naast bovengenoemde soorten voedsel, houden roeken ook van zaaigoed. En dat levert helaas problemen voor hen op. Dit gedrag wordt als ongewenst beschouwd en er kan een ontheffing tegen hun beschermde status worden aangevraagd, zodat er afschot mag plaatsvinden. Een doorn in het oog van natuur- en vogelliefhebbers.

Roeken zijn alleseters, van insecten en noten tot menselijk afval
Roeken zijn alleseters, van insecten en noten tot menselijk afval

Broeden en opvoeden

Zoals roeken in kolonies voedsel zoeken, zo broeden ze ook in kolonies. Deze kolonies kunnen erg variëren in grootte. Zo zijn er in Wenen zo’n 250.000 roekennesten in een grote kolonie. In Nederland vind je veel kolonies langs snelwegen en treinsporen. Bij de A50, ten noorden van Apeldoorn, is een grote broedkolonie. Een nest ziet er vaak wat slordig uit en zit in de toppen van hoge bomen.

Roeken zijn monogaam en vormen een paar voor het leven. Tijdens de baltsperiode zijn ze veel samen. Ze verzorgen elkaars veren, hebben snavelcontact en zonderen zich samen af van de rest van de kolonie. Ook brengen ze elkaar voedsel. Al vroeg in het jaar, rond maart, wordt begonnen met de nestbouw. Dit doen ze samen. Het paartje is trouw aan hun broedplek en komen hier in andere jaren terug om te broeden.

Samen het nest bouwen, foerageren, de jongen voeden. Roeken zijn monogame vogels
Samen het nest bouwen, foerageren, de jongen voeden. Roeken zijn monogame vogels

Samen maken ze het nest. Het nest wordt gebouwd van buigzame twijgen en de binnenkant wordt bekleed met andere materialen. Als het nest naar tevredenheid is, gaat de vrouw broeden. Ze legt tussen de drie en zeven eieren, meestal vier. De eieren zijn grijsgroen van kleur. Het vrouwtje broedt de eieren in 16-18 dagen uit. De eerste dagen worden het vrouwtje en de jongen door de man gevoerd, daarna gaat het vrouwtje ook mee op voedseljacht. De jongen zitten ongeveer een maand (30-36 dagen) in het nest. Rond de 42-45 dagen kunnen de jonge roeken echt goed vliegen en verlaten ze het nest definitief. De uitgevlogen jongen vormen samen met leeftijdsgenoten een jeugdgroep. Na een jaar begint de paarvorming en na twee jaar zijn ze geslachtsrijp.

Er wordt in kolonies gebroed en geleefd. Roeken zijn echte kolonievogels
Er wordt in kolonies gebroed en geleefd. Roeken zijn echte kolonievogels

Waar kom je de roek tegen?

Het leefgebied van de roek bevindt zich in cultuurlandschap. Dit is een landschap met weides en akkers, afgewisseld met bomen, bomenrijen, bosjes en heggen. Maar je hebt niet overal in het land evenveel kans om roeken te treffen. Je zult ze voornamelijk in het oosten van het land tegenkomen en minder in het westen. Grofweg kun je de lijn Harlingen-Arnhem-Gouda-Breda aanhouden: ten oosten hiervan komen roeken meer voor dan ten westen.

Roeken houden, net als veel andere kraaiachtigen, van vrijstaande, hoge groepen bomen. Daar bouwen ze hun nesten in, maar is ook hun schuil- en slaapplek. Je ziet ze veel langs snelwegen, treinsporen en langs kanalen. Roeken laten zich ook zien in menselijke omgeving, zoals dorpen en steden. In steden wennen roeken aan de mens en vliegen steeds later op.

Roeken zijn voornamelijk standvogels en blijven dus het hele jaar in Nederland. Tijdens de vogeltrek kunnen er roeken uit het noord-oosten van Europa deze kant opkomen. En ‘onze’ roeken kunnen ook overwinteren in het oosten van Engeland. De trek is in oktober-november en februari-maart.

Een roekenkolonie langs de snelweg (Saxifraga - Jan van der Straaten)
Een roekenkolonie langs de snelweg (Saxifraga – Jan van der Straaten)

De roek en de mens

Ook de roek heeft te lijden onder de mens. Er werd (en wordt) gebruik gemaakt van landbouwgif, die de roeken binnenkregen door het eten van voedsel uit akkers waar gif werd gebruikt. Het gebruik van gif in de bodem heeft invloed op de hele voedselpiramide die daar boven zit, van klein tot groot. Hierdoor kwam de roekenstand in 1970 tot een dieptepunt. Daarna herstelde de stand zich, maar vanaf 2000 zien we weer een daling in de aantallen. Dit heeft onder andere te maken met de ontheffing die aangevraagd mag worden om roeken af te schieten.

Wil je de roek helpen? Kies er dan voor om geen gif in de bodem te gebruiken, gooi geen (plastic) afval op straat en maak anderen hier ook bewust van.

De mens: een vriend of vijand voor de roek?
De mens: een vriend of vijand voor de roek?

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen zwarte kraai en roek?

Let op de snavel en de poten. Zwarte kraaien hebben een zwarte snavel, waar roeken een grijze snavel hebben. Ook de vorm verschilt. Daarnaast lijken roeken een broek aan te hebben, doordat hun verenkleed langer doorloopt. De zwarte kraai heeft dit niet.

Wat is het verschil tussen kauw en roek?

Als eerste valt gelijk de grootte op: de roek is behoorlijk groter dan de kauw. Verder hebben kauwtjes een verenpak wat grijs en een beetje zwart is, waar roeken geheel zwart zijn. Roeken hebben een grote, puntige snavel. Kauwtjes hebben lichte ogen. Je ziet ze wel veel samen foerageren in weilanden en dan zie je het verschil tussen beide erg goed.

Is een roek of kraai groter?

Roeken en zwarte kraaien zijn ongeveer even groot. Tijdens de vlucht kun je verschil in de vleugels zien. De vleugelhand van de roek is dieper ingesneden en ze maken meer glijmomenten tijdens de vlucht dan de zwarte kraai.

Hoe slim is een roek?

Net als andere kraaiachtigen is ook de roek erg intelligent. Ze gebruiken verschillende klanken om met elkaar te communiceren, kunnen problemen oplossen, nieuwe dingen leren en hebben sociale interactie onderling.

Lees gauw het volgende deel van onze serie: de raaf!

Vogelgeluiden leren herkennen

Huismussen

In het voorjaar hoor je in je tuin een symfonie van geluiden. Allerlei bekende tuinvogels laten hun beste zang horen, om een partner te vinden voor het aanstaande broedseizoen. Voor een leek is er geen onderscheid tussen al deze vogelgeluiden, maar wie zich er in verdiept zal steeds meer vogelgeluiden van elkaar kunnen onderscheiden. In deze blog bespreken we de zang (en laten we deze horen) van negen van de meest voorkomende tuinvogels.

Het geluid van vogels

Vogels kunnen verschillende soorten geluid maken, met verschillende doeleinden. Naast de bekende zang van zangvogels, hebben de meeste vogels verschillende soorten roepgeluiden om met elkaar te communiceren. Daarnaast zijn er nog vogels die geen zang kennen, maar andere geluiden maken, zoals ooievaars die klepperen en spechten die tegen een boom aan roffelen.

De zangvogels gebruiken geen stembanden om hun prachtige zang te produceren, maar hebben hiervoor een speciaal orgaan; de syrinx. Deze zit in de buurt van de luchtpijp en is dus niet aanwezig bij alle vogels. Hoe gespierder de syrinx, hoe uitgebreider het zangpakket van de vogel.

Hulpmiddelen bij het herkennen van vogelgeluiden

Voor de beginnende vogelaar is het bijna onmogelijk om alle geluiden van elkaar te kunnen onderscheiden. Gelukkig zijn er een paar hulpmiddelen en ezelsbruggetjes die je op weg kunnen helpen. Allereerst is het vooral belangrijk om te oefenen. Hoe vaker je er mee bezig bent, hoe sneller je de eerste vogelgeluiden kunt herkennen. Daarnaast kun je de app Merlin Bird ID op je telefoon installeren. Deze app kan een groot scala aan vogelgeluiden herkennen en is handig als je buiten in de tuin of in het veld bent.

Zingende vogel

Tot slot kunnen we nog het boek ‘Wat zingt daar?’ aanraden. Dit is een praktisch boek met veel achtergrondinformatie over vogels. Tevens is het boek zo opgebouwd dat je per maand kunt zien wat je in de natuur zoal kunt horen en kun je dus ook heel specifiek op zoek. Dit boek is daardoor een boek dat niet mag ontbreken in de boekenkast van een vogelaar. Via deze link (bol.com) is het boek te bestellen.

Koolmees (Parus major)

De koolmees, een van de meest voorkomende tuinvogels in ons land, heeft een zeer gevarieerde en uitbundige zang. De tweetonige zang van de grootste mees van ons land kan vergeleken worden met het geluid van een fietspomp. Het geluid bestaat maar uit twee tonen, maar hierin kent de koolmees veel variatie. De zang van de koolmees is, naast in de tuin, op veel andere plekken te horen zoals in parken en bossen. Maak zelf een nestkast voor de koolmees, zodat de veelzijdige zang van de koolmees voortaan ook in jouw tuin is te beluisteren.

De zang van de koolmees

Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)

pimpelmees

Het kleinere neefje van de koolmees is al een net zo graag geziene gast in de Nederlandse tuinen, de pimpelmees. Net zoals de koolmees is de pimpelmees van origine een bosvogel en kun je hem daar dus ook horen.

De zang van de pimpelmees kan omschreven worden als een fijne, heldere zang. Hij start met twee hogere tonen, gevolgd door een aantal lagere tonen. Die serie lagere tonen kan vergeleken worden met een belletje. Deze strofe herhalen ze regelmatig, waarna ze daarna nog verrassend kunnen gaan variëren in zang.

De zang van de pimpelmees

Lees ook: 10 tips voor meer vogels in je tuin

Roodborst (Erithacus rubecula)

Het roodborstje is met zijn rode, opvallende borst (bij mannetjes) een onmiskenbare tuinnvogel. Maar naast het in het oog springende uiterlijk kun je de roodborst ook goed herkennen aan zijn zang. Ze hebben namelijk een opvallende, melodieuze zang die vaak omschreven wordt als een kabbelend beekje of waterval. De strofes worden afgewisseld met kenmerkende pauzes van ongeveer drie seconden.

Als een van de weinige vogels is de zang van het roodborstje ook in de winter te horen. Ze verdedigen dan nog fel hun territorium en dulden dan geen enkele soortgenoot (ook de vrouwtjes niet). Uit onderzoek blijkt dat roodborstjes hun zang afstemmen op hun omgevingsgeluiden. Op plekken met veel verkeerslawaai zingen roodborsten vroeger in de ochtend, zodat ze goed hoorbaar zijn voor concurrenten en potentiële partners.

Roodborst

De zang van het roodborstje

Vink (Fringilla coelebs)

Vink

Een andere graag geziene gast in veel tuinen is de vink. Ze komen in het hele land voor en de mannetjes vinken laten hun zang al vroeg in het jaar horen. Vaak zijn de eerste vinken al in februari te horen, wanneer ze terugkeren van het overwinteringsgebied (de standvogels zijn ook vanaf half februari te horen).

De vink heeft een herkenbare zang, die door het hele land te horen is, maar per regio kan verschillen. In grote lijnen is de zang van de vink te omschrijven als een lange, snelle zang met op het einde enkele korte, hoge tonen, die ook wel de vinkenslag genoemd wordt.

De zang van de vink

Lees ook: vinken in Nederland – Deel I

Houtduif (Columba palumbus)

Dan door naar de meest voorkomende duif in Nederland, de houtduif. Deze grote duif is grijs van kleur en goed te herkennen aan de witte vleugelstreep en witte halsvlek, die overigens alleen bij volwassen dieren aanwezig is.

Ook het geluid is goed te onderscheiden van de ander duivensoorten, deze bestaat namelijk uit vijf tonen. Een handig ezelsbruggetje is dat je de vijf tonen kunt vervangen door: m’n opóe is dóód. Het geluid is daarnaast laag en schor. Naast de zang zijn de vleugels goed te horen van de duif. Bij opstijgen slaan deze boven én onder het lichaam tegen elkaar aan.

Houtduif (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers

De zang van de houtduif

Turkse tortel (Streptopelia decaocto)

Turkse tortel (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

De andere duivensoort die zich regelmatig in tuinen laat zien (en horen) is de Turkse torel. Deze parmantige duiven zijn meer roze-beige van kleur, hebben een donkere halsband en donkerrode irissen. Naast dat de Turkse tortel qua uiterlijk goed te onderscheiden is van de houtduif, is deze aan de zang ook gemakkelijk te herkennen.

In plaats van vijf tonen bestaat de zang van de Turkse tortel meestal uit drie tonen. Deze start met een korte toon, gevolgd door een lange toon en eindigend met wederom een korte toon. In deze drie tonen is m’n opoe te horen, een beetje korter dan bij de houtduif dus. De zang van de Turkse tortel is vrijwel het hele jaar te horen.

Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers

De zang van de Turkse tortel (Xeno-canto – Frank Roos)

Merel (Turdus merula)

De merel is wellicht een van de mooiste vogels om in je tuin te treffen. De mannetjes hebben een prachtige zang en de vogels zijn zeer actief, waardoor er dus altijd wat te beleven is.

Ondanks het usutuvirus (waar de merel veel last van heeft) is het nog steeds de talrijkste broedvogel in ons land.

Merels zijn luidruchtige vogels. Naast de prachtige zang van de mannetjes hebben ze ook een luide, hevige alarmroep. De uitbundige zang laat het mannetje vaak horen vanaf een hoge plek, vaak vroeg in de ochtend of op het einde van de dag. De zang kan omschreven worden als een lange, rollende zang, met veel variatie.

In hun zang verwerken merels ook imitaties van andere vogels en omgevingsgeluiden. Als je dus goed gaat luisteren naar de merel zul je horen dat iedere merel net wat anders klinkt.

Merel

Lees ook: tuinvogel uitgelicht: de merel

Winterkoning (Troglodytes troglodytes)

Een ander opvallend vogeltje die zich in veel tuinen laat zien is de winterkoning. Het is een van de kleinste vogels van ons land, maar heeft desondanks een zeer luide zang. De winterkoning is goed te herkennen aan het formaat, de bruine kleur en het omhoog staande staartje.

Zoals gezegd hebben ze een zeer luide, harde zang (zeker in vergelijking met het formaat). Ze beginnen al vroeg in het jaar te zingen. De zang wordt soms omschreven als een haperend wekkertje. De zang bestaat uit verschillende strofes met rollers en trillers erin verwerkt en meestal eindigend met een harde noot.

Winterkoning

De zang van de winterkoning (Xeno-canto – Uku Paal)

Huismus (Passer domesticus)

We sluiten af met de vogel die het meeste gezien wordt in de Nederlandse tuinen (volgens de nationale tuinvogeltelling): de huismus. Ondanks dat de huismus het meest gezien wordt, lopen de aantallen toch sterk terug.

Mannetjes en vrouwtjes verschillen qua uiterlijk sterk van elkaar. In geschikte tuinen vormen huismussen vaak grote families en zijn dan ook veelvuldig te horen. De zang beperkt zich tot een kenmerkend getjilp. In het tjilpen zijn veel variaties te ontdekken. Als je je eenmaal bewust bent van het getjilp van de huismus, hoor je hem overal.

Huismus

De zang van de huimus (Xeno-canto – Pascal Christe)

In deze blog hebben we de zang van enkele van de meest algemene tuinvogels besproken. Deze vogels zijn een uitstekend beginpunt om te starten met het herkennen van vogelgeluiden. Voor de meeste is er een handig ezelsbruggetje en veel zijn vanuit je eigen tuin te horen. Wanneer je deze eigen hebt gemaakt kun je er op uit en proberen ook de geluiden van andere vogels te herkennen. Welke vogels hoor jij allemaal in je tuin?

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

10 bijzondere trekvogels

Trekvogels

Elk jaar vertrekken miljoenen vogels uit Nederland richting Zuid-Europa of Afrika. Andere soorten trekken juist vanuit Scandinavië of het poolgebied naar ons land. Deze indrukwekkende verplaatsingen noemen we de vogeltrek.

Maar waarom nemen vogels het risico van zo’n lange reis? En welke soorten kun je in Nederland zien tijdens de trek?

Hieronder vind je een selectie van 10 trekvogels met bijzondere trekstrategieën. Dit is geen complete Nederlandse lijst, maar soorten met opvallende trekpatronen of ecologische bijzonderheden.

Wil je weten waarom vogels naar het zuiden trekken? Lees dan ook onze uitgebreide uitleg over dit bijzondere natuurfenomeen. En in deze blog leggen we uit waarom vogels in een V-vorm vliegen.



Wat zijn trekvogels?

Trekvogels zijn vogelsoorten die jaarlijks grote afstanden afleggen tussen hun broedgebied en hun overwinteringsgebied. Meestal trekken ze in het najaar naar warmere streken, waar meer voedsel te vinden is. In het voorjaar keren ze terug om hier te broeden.

Niet alle trekvogels leggen dezelfde afstand af. Er zijn:

  • Langeafstandstrekkers, zoals de Noordse stern, die duizenden kilometers afleggen.
  • Korteafstandstrekkers, die slechts naar Zuid-Europa trekken.
  • Deeltrekkers, waarbij een deel van de populatie blijft en een ander deel vertrekt.

Sommige soorten trekken overdag, andere juist ’s nachts. Ze navigeren onder meer op basis van de zon, sterren, het aardmagnetisch veld en herkenningspunten in het landschap.

Waarom trekken vogels?

De belangrijkste reden is voedsel. In de winter zijn insecten, amfibieën en kleine zoogdieren schaars in landen zoals Nederland. Door naar het zuiden te trekken, vergroten vogels hun overlevingskansen. Zodra het voorjaar aanbreekt en het voedselaanbod weer toeneemt, keren ze terug naar hun broedgebieden.

Het terugkeren naar hun broedgebieden doen vogels om meerdere redenen:

  • De dagen langer worden
  • Er meer voedsel beschikbaar is voor jongen
  • Concurrentie in overwinteringsgebieden toeneemt

De lente in Nederland is daardoor één groot spektakel van terugkerende trekvogels.

Kraanvogels tijdens de trek met zonsondergang
Vogels trekken in het najaar naar het zuiden, om daar meer voedsel te vinden

1. Ooievaar – Ciconia ciconia

De ooievaar is misschien wel de bekendste trekvogel van Nederland. In de jaren ’70 was deze grote, zwart-witte vogel bijna uitgestorven, maar dankzij beschermings- en herintroductieprogramma’s broedt hij weer volop in ons land.

Wat deze soort bijzonder maakt, is dat hij een deeltrekker is. Een aantal van de ooievaars trekt en het andere deel blijft.
Ongeveer 20% blijft in Nederland overwinteren, terwijl de rest naar Spanje of West-Afrika trekt. Andere vogels in Nederland die we kunnen bestempelen als deeltrekkers zijn roodborstjes, blauwe reigers en roerdompen. Deeltrekkers worden ook wel eens genoemd als twijfelaars.

Onderstaande foto hebben we gemaakt in onze achtertuin. Een grote groep ooievaars trok over tijdens de trek, gebruik makend van de thermiek.

Groep ooievaars in vlucht tijdens trek
Ongeveer 1/5e van de ooievaars blijft in Nederland. De rest trekt in het najaar naar het zuiden (De Natuur van hier)

2. Grutto – Limosa limosa

De grutto is onze nationale vogel én een icoon van het Nederlandse weidelandschap. Maar liefst 85% van de West-Europese populatie broedt in Nederland! Maar het gaat niet goed met de soort. Door voedselgebrek en verdroging in de (intensieve) landbouw nemen de aantallen af, met ongeveer 4% per jaar. Kuikens kunnen in het veranderde landschap weinig insecten vinden. Dit voedsel hebben ze nodig om op te groeien en om zich voor te bereiden op de jaarlijkse trek.

In augustus vertrekken grutto’s richting Zuid-West Europa en West-Afrika. Ze vliegen soms op hoogtes van 5 tot 6 kilometer. In februari keren ze terug, om hier te beginnen aan hun broedseizoen.

Grutto in weiland tijdens broedseizoen in Nederland
Het gaat al jaren niet zo goed met de grutto in Nederland. Het aantal broedvogels neemt jaarlijks met zo’n 4% af

3. Grote pijlstormvogel – Ardenna gravis

Nummer drie is een bijzondere zeevogel die juist naar het noorden trekt. Hij broedt in grote kolonies op een aantal eilanden in de Zuidelijke Atlantische Oceaan en trekt van het zuidelijke naar het noordelijke halfrond, naar onder andere Canada. De trek van deze stormvogel bestaat uit meer dan 7000 kilometer!

Tijdens hun terugtocht naar het broedgebied, vliegen ze ook over de Noordzee. Hier wordt hij soms waargenomen. Er zijn in Nederland slechts enkele waarnemingen van grote pijlstormvogels bekend.

Grote pijlstormvogel op zee
De grote pijlstormvogel trekt als een van de weinige soorten naar het noorden, in plaats van het zuiden

4. Noordse stern – Sterna paradisaea

De absolute kampioen onder de trekvogels. Hierboven kon je al lezen dat de grote pijlstormvogel een afstand aflegt van 7000 kilometer. Deze soort legt jaarlijks maar liefst tot 40.000 kilometer af tussen het noordelijk en zuidelijk halfrond. Ze broeden in kolonies op het noordelijk halfrond, in landen als IJsland, Schotland en ook Nederland. Nederland is wel het meest zuidelijke deel van het broedgebied, waardoor de aantallen jaarlijks schommelen.

Na de broedtijd begint de grote trektocht. Ze vliegen de Atlantische Oceaan over naar het zuidelijk halfrond, een tocht van zo’n 15.000 tot 20.000 kilometer. Voor het nieuwe broedseizoen aanbreekt, trekken ze dezelfde kilometers weer terug.

Een Nederlandse Noordse stern vestigde zelfs een record van 90.000 kilometer in één jaar. Dit is meer dan twee keer de aarde rond, in één jaar tijd!

Noordse stern tijdens trek boven zee
Noordse sternen zijn de koningen van de trek. De afstand tussen het broed- en overwinteringsgebied bedraagt zo’n 20.000 kilometer

5. Gierzwaluw – Apus apus

De gierzwaluw brengt bijna zijn hele leven vliegend door. Hij slaapt, eet en paart in de lucht. Ook deze vogel is een lange afstandstrekker. In augustus verlaat hij Nederland en vliegt tot in Centraal-Afrika. Hier wordt overwinterd, in een gebied tussen Mali en Congo.

Eind april/mei keren ze terug naar Nederland. Na een reis van ongeveer 6000 kilometer beginnen ze weer met broeden in Nederland. Gierzwaluwen keren altijd terug naar hun eerdere broedlocatie en vormen samen vaak een koppel voor het leven.

Gierzwaluw vliegend tegen blauwe lucht
De gierzwaluw is bijna constant vliegend in de lucht en gaat bijna nooit zitten (Saxifraga – Luc Hoogenstein)

6. Koekoek – Cuculus canorus

De koekoek staat bekend als broedparasiet. Een vorm van symbiose, die we alleen zien bij insecten en vogels. Ze leggen hun eieren in het nest bij een andere vogelsoort, en laten de jongen door deze vogels opvoeden. De eieren van de koekoek zijn zelfs qua uiterlijk evolutionair aangepast op de eieren van de pleegouders, zodat zij niets in de gaten hebben. Het koekoekjong stoot de andere kuikens vervolgens uit het nest en wordt grootgebracht door de pleegouders.

De ouders trekken vaak na de eileg in juni/juli al terug naar Afrika. De jongen volgen pas in het najaar. In april keren de vogels weer terug naar de broedgebieden. Koekoeken trekken over het algemeen ’s nachts en kunnen dan tot 50 kilometer per dag afleggen.

Koekoek zittend op tak tijdens voorjaar
Volwassen exemplaren van de koekoek vertrekken vaak al meteen na de eileg terug naar Afrika

7. Goudhaan – Regulus regulus

Met slechts 8,5 cm grootte en met een gewicht van nog geen 5 gram is dit de kleinste vogel van Europa. Toch trekt hij honderden kilometers naar Zuid-Europa. In Nederland is de goudhaan een broedvogel in voornamelijk sparrenbossen. Ze zijn vaak lastig te zien, omdat ze veel in de boomtoppen zitten. In het najaar, tijdens de trek, zijn ze beter te zien.

De goudhaan trekt ’s nachts en begint in september aan de trek. Rond maart-april keren ze weer terug naar hun broedgebied. In het najaar zijn er veel goudhaantjes te vinden op de Waddeneilanden, die vanuit de Scandinavische landen naar het zuiden trekken.

Goudhaan in sparrentak tijdens najaar
De goudhaan is met zijn gewicht van circa vijf gram de kleinste vogel van Europa

8. Kraanvogel – Grus grus

Sinds 2001 broedt de kraanvogel weer in Nederland, na jaren van afwezigheid, net zoals we bespraken bij de ooievaars. Tijdens de trek vliegen ze in kenmerkende V-formatie. Kraanvogels zijn een van de grootste vogels van Europa. Hun kenmerkende, trompetterende roep is al van grote afstand hoorbaar. Als je deze roep eenmaal hebt gehoord, zal die je altijd bijblijven.

Eind februari/begin maart keren de vogels terug uit hun overwinteringsgebied in Zuid-Europa en noordelijk Afrika. In oktober maken ze de trek weer andersom en zoeken ze warmere oorden op. Vanwege de zachtere winters door klimaatverandering zie je echter dat de overwinteringsgebieden aan het verschuiven zijn: steeds meer kraanvogels blijven in de winter in Frankrijk en Duitsland en soms zelfs in Nederland.

Kraanvogels in V-formatie tijdens trek
Kraanvogels trekken in grote groepen vanuit Zuid-Europa en Noord-Afrika eind februari weer terug naar hun broedgebied

9. Roofvogels

Wat veel mensen niet weten, is dat veel roofvogels ook in het najaar naar het zuiden trekken. Ze zoeken in de winter de gematigde gebieden op, om dezelfde redenen als andere vogels dit doen. Roofvogels trekken overdag, want ze maken gebruik van de thermiek. Dit zijn een soort warme luchtbellen in de lucht, waarop hij kan blijven zweven. Dit kost minder energie.

De trekstrategieën lopen onder trekkende roofvogels nogal uiteen. Sommige soorten, zoals valken, trekken over het algemeen alleen. Andere soorten, arenden bijvoorbeeld, verzamelen zich en trekken in groepen.

Zwarte wouw zwevend op thermiek tijdens trek
De zwarte wouw is een van de eerste roofvogels die naar het overwinteringsgebied trekt

10. Zangvogels

Veel kleine zangvogels trekken ’s nachts om predatie te vermijden. Ze verzamelen zich vaak in grote groepen om aan de trek te beginnen. Zo kun je in het najaar honderdduizenden sijzen, vinkenspreeuwen, leeuwerikken en graspiepers tegelijk te zien.

Ook sommige tuinvogels, zoals roodborstjes, merels en heggenmussen blijven niet altijd in Nederland. Van de meeste soorten overwinteren exemplaren hier, maar trekken er ook een aantal naar andere oorden, om in het voorjaar weer terug te keren. Het roodborstje die je bijvoorbeeld in de winter in je tuin ziet, is een ander exemplaar dan die je later in het voorjaar ziet. In de winter trekken vogels vanuit Scandinavië naar Nederland en ‘onze’ vogels nog zuidelijker. In het voorjaar gebeurt dat weer andersom.

Een ander voorbeeld zijn merels. De meeste merels zijn standvogels, maar er zijn er ook die naar Spanje en Portugal trekken. Dit gebeurt ’s nachts. Onder de kleine zangvogels is het gebruikelijk om ’s nachts te trekken. Hierdoor wordt de kans dat ze ten prooi vallen een stuk kleiner. Hoe de kleine vogels zich ’s nachts weten te oriënteren, is nog een groot raadsel.

Roodborstje in winter in Nederlandse tuin
Roodborstjes trekken in het najaar naar het zuiden. De roodborstjes die we dan in Nederland zien, zijn broedvogels uit bijvoorbeeld Scandinavië

Zelf trekvogels spotten in Nederland

Wil je zelf trekvogels zien? Na deze lijst van tien bijzondere trekvogels ben je vast enthousiast geraakt om zelf trekvogels te gaan spotten. Daar hebben we nog enkele tips voor.

De beste perioden om trekvogels te zien, zijn:

  • Voorjaar: maart – april (van zuid naar noord)
  • Najaar: september – oktober (van noord naar zuid)

De beste momenten om op zoek te gaan naar trekvogels, is tegen de avond. De zon schijnt dan minder fel en dagtrekkers landen om een rustplaats te vinden. Bij schemering kun je ook betere foto’s maken met fijner licht.

Nederland ligt op de route van een aantal migratieroutes van veel trekvogels. De locaties waar je de meeste kans hebt op trekvogels:

  • Kustgebieden
  • Waddeneilanden
  • Met name Texel

Ga op iemand met iemand anders! Doordat je samen op pad gaat, kun je van elkaar leren en twee paar ogen zien meer dan één.

Is de trek alweer voorbij? Niet getreurd, er zijn natuurlijk ook altijd vogels in je omgeving en je tuin te spotten. Hoe natuurlijker en diervriendelijker je je tuin inricht, hoe meer vogels je zult zien.


Verrekijkers en telescopen

Een goede verrekijker is essentieel tijdens de trek. Een populair instapmodel is de Stern II 10×42 verrekijker van de Vogelbescherming, vanwege de compacte bouw en heldere beeldkwaliteit. We zijn zelf ook met dit model begonnen. Dit is een van de meest gekozen verrekijkers van Nederland.

Een ander fijn model om mee te beginnen of om een stapje hoger te gaan dan bovenstaand model, is de Buizerd II 10×42 van de Vogelbescherming.

Wat eigenlijk onmisbaar is om trekvogels te spotten, is een telescoop. Helemaal als je wil proberen om trekvogels over zee en langs de kust te zien. Een fijn model is bijvoorbeeld de Havik 65 met statief Grutto van de Vogelbescherming.


Boekentip

Wil je je verder verdiepen in trekvogels, dan is het Handboek trekvogels van Stanislas Wroza wellicht iets voor je. In dit boek worden ruim 450 soorten trekvogels besproken. Er wordt vooral aandacht besteed aan de geluiden die worden gemaakt, waardoor je sneller en meer trekvogels kunt herkennen. Ook wordt er verder ingegaan op opnameapparatuur die je zou kunnen gebruiken om trekvogels waar te nemen. Een niet te missen boek dus voor de echte trekvogelaar!


Veelgestelde vragen over trekvogels

Welke trekvogels zie je in Nederland?

Nederland ligt op de route van vele verschillende trekvogels. Van grote vogels zoals ooievaars en kraanvogels tot kleine zangvogeltjes en van roofvogels tot zeldzamere zeevogels.

Wanneer trekken de meeste vogels?

De najaarstrek piekt in september en oktober. De voorjaarstrek piekt in maart en april. Het hangt van de soort af wanneer ze precies vertrekken en weer aankomen. Ook hangt het van de soort af of ze ’s nachts of overdag trekken.

Waarom trekken vogels ’s nachts?

Vogels trekken vaak ’s nachts om roofdieren te vermijden en om energie te besparen. ’s Nachts is de lucht koeler en rustiger, wat beter is voor de vlucht. Hoe warmer de lucht, hoe meer inspanning. Overdag wordt gebruikt om voedsel te zoeken en te rusten. Daarnaast worden de maan en sterren gebruikt als navigatie.


Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Arenden in Nederland – Roofvogels deel V

Visarend

Lange tijd waren ze een zeldzaamheid in Nederland, maar er komen steeds meer arenden voor in Nederland. Deze gigantische vogels kennen de meeste van ons van vakanties in Frankrijk of Italië in de Alpen, of van de moerasgebieden in Oost-Europa. Maar tegenwoordig hoef je niet meer zo ver te gaan. Het gaat goed met de arenden in Nederland. Zo goed zelfs dat er van sommige soorten al meerdere broedparen in Nederland bekend zijn. In deel V van de blogserie roofvogels in Nederland geven we een overzicht van alle arenden in Nederland!

Grote krachtpatsers van de lucht

Arenden zijn grote vogels die van weinig andere wat te dulden hebben. Ze zijn groot van formaat, hebben een grote haaksnavel en krachtige poten met scherpe klauwen, welke ze gebruiken om hun prooien te pakken. Ze hebben daarnaast sterk ontwikkelde ogen, om van grote hoogte te speuren naar prooien op het land of in het water.

Zeearend (Saxifraga - Hans Dekker)
Arenden zijn goed te herkennen aan hun grootte in de lucht. Weinig andere (roof)vogels in Nederland zijn hiermee te vergelijken (Saxifraga – Hans Dekker)

Mannetjes en vrouwtjes lijken veel op elkaar, al zijn de vrouwtjes in de meeste gevallen groter. Jonge exemplaren doen er enkele jaren over om het volwassen verenkleed te ontwikkelen. Jonge dieren zijn op basis hiervan dan ook makkelijk te identificeren.

Alle arenden in Nederland behoren tot de orde Accipitriformes. Tot deze orde van vogels behoren onder andere ook de gieren. Bijna alle arenden worden onderverdeeld in de familie havikachtigen. Echter de visarenden behoren tot een eigen familie. Belangrijkste kenmerken waarom ze tot een aparte familie behoren zijn de poten en de tenen. Deze zijn meer aangepast op het vangen van vis.

Taxonomie arenden Nederland
Taxonomische indeling van de arenden in Nederland. Er is gekozen om alleen de drie meestvoorkomende soorten hierin op te nemen, en de dwaalgasten buiten beschouwing te laten. (De natuur van hier)

Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Zeearend (Haliaeetus albicilla)

De zeearend kwam vroeger talrijk voor in Nederland, maar was in de laatste decennia verdwenen uit Nederland (hoofdzakelijk door landbouwgif), net zoals op veel andere plekken in Europa. In de jaren ’90 was er het plan om de vogels weer terug uit te zetten in Nederland, maar dit plan is uiteindelijk niet doorgegaan. Niet veel later kwam de zeearend op eigen houtje, en sindsdien nemen de aantallen gestaag toe.

De zeearend is teruggekeerd als wintergast, maar sinds 2006 broedt de vogel weer in Nederland. Inmiddels is het aantal broedparen opgelopen tot meer dan 20. Er zijn zo’n 100 tot 150 exemplaren die overwinteren in Nederland. Het gaat dus goed met de zeearend. Dit komt onder andere doordat ze vrij dicht op elkaar kunnen broeden, mits er voldoende voedsel in het gebied te vinden is.

Zeearend (Shutterstock)
Volwassen zeearenden hebben een witte staart (Shutterstock)

Kenmerken

Met een lengte van 75 tot 95 centimeter en een spanwijdte van 2 tot 2,5 meter is de Europese zeearend de grootste roofvogel in Europa. In vlucht hebben ze opvallend diep gevingerde vleugels. Ze hebben een bruin gekleurd verenkleed met een witte staart (naast Europese zeearend worden ze ook witstaartzeearend genoemd). Ze hebben daarnaast krachtige, gele poten en een grote gele haaksnavel. Bij jonge dieren is de snavel meer zwart en moet de witte staart zich nog ontwikkelen. Daarnaast hebben ze donkere ogen, die als ze volwassen zijn geel worden. Jonge exemplaren zijn daardoor makkelijk te determineren.

Echte alleseters

Het menu van de zeearend is zeer gevarieerd. Ze jagen onder andere op aan het oppervlakte zwemmende vis. Deze worden met de grote, scherpe klauwen uit het water gevist. Naast vissen eten ze ook watervogels zoals meerkoeten, meeuwen en zelfs grauwe ganzen. Op het land jagen ze op hazen, otters en soms zelfs vossen. In de winter zijn het ook aaseters. Het zijn dus erg opportunistische dieren, wat hun terugkeer deels verklaart.

Zeearenden zoeken in hun leven een partner en blijven daar de rest van hun leven bij. Ze zijn monogaam dus. Ze hebben vaak meerdere nesten (twee tot drie), en kiezen ieder jaar het meest geschikte nest. De arenden blijven deze nesten uitbouwen, totdat de boom omvalt waarin het nest zich begeeft. Via Beleef de lente is ieder jaar een paartje zeearenden te volgen.

Uitgestrekte moerasgebieden met voldoende bomen is waar de zeearend zich thuis voelt. In Nederland zijn dit plekken zoals het Lauwersmeergebied in Friesland, de Oostvaardersplassen in Flevoland en de Biesbosch in Zuid-Holland en Noord-Brabant.


Lees ook: marters in Nederland


Visarend (Pandion haliaetus)

Sinds 2016 kennen we nog een andere arend die hier broedt, de visarend. Als doortrekker is het een vrij algemene soort (100-150 exemplaren) in de periodes augustus-september en april in ons land. Maar dat de visarend hier nu broedt is natuurlijk een mooi compliment naar het beter wordende natuurbeheer in Nederland. Het eerste broedpaartje in 2016 werd gevonden in de Biesbosch. Momenteel zijn er minstens zes broedparen in Nederland.

Visarend
Sinds 2016 is de visarend een broedvogel in Nederland. Inmiddels is het aantal broedparen opgelopen tot ten minste zes paren.

Een vreemde eend in de bijt

De visarend is een vreemde eend in de bijt, taxonomisch gezien. Zoals eerder benoemd behoort hij niet tot de familie havikachtigen waar alle andere arenden onder vallen, maar is het een aparte familie genaamd visarenden. Dit heeft dus te maken met de poten. Alle tenen van de visarend zijn even lang. Daarnaast wijzen bij andere arenden drie tenen naar voren en één naar achteren. Bij de visarend kunnen deze zowel naar voren als naar achteren wijzen. Bij de jacht op vissen worden twee tenen naar voren gericht en twee naar achteren, zodat de vis als een soort grijper gegrepen kan worden.

Voor een arendachtige, is de visarend vrij klein. Met een lichaamslengte van circa 55 centimeter en een spanwijdte van 150 tot 170 centimeter, is deze een stuk kleiner dan de Europese zeearend. In vlucht zijn ze goed te herkennen aan de overwegend witte onderkant, met donkere accenten en de geknikte vleugels (wat andere arenden niet hebben). De bovenkant is donkerbruin van kleur.

Waterrijke gebieden

Waterrijke gebieden zijn essentieel voor de visarend. Zoals de naam al doet vermoeden eet de visarend vis, uitsluitend vis. Ze leven dan ook in beboste gebieden met een hoge waterstand, zoals meren, plassen en rivieren. Ze hangen dan vaak biddend boven het water om vis te lokaliseren. Als ze een vis gezien hebben, duiken ze het water in om de vis te grijpen. Ze kunnen bij deze actie volledig kopje onder gaan. Ze vangen meestal vissen van ongeveer 200-300 gram, maar kunnen vissen tot wel 2 kilo uit het water halen!

Visarend (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Visarenden maken dankbaar gebruik van volwassen bomen die aan of in het water staan (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Bomen aan de rand van het water worden gebruikt als uitkijk- en rustplek. Daarnaast worden er nesten in gemaakt. Ze maken een groot nest boven in de boom. Na ongeveer 50 dagen vliegen de jongen uit, waarna ze nog één à twee maanden blijven terugkeren. Via Beleef de lente is vaak een broedend paar te volgen.

In april komen de visarenden vanuit Afrika naar Europa en in de maanden augustus en september keren ze weer terug. In deze periodes zijn visarenden geregeld waar te nemen in Nederland. Alle waterrijke gebieden in Nederland zijn dan kansrijk om een visarend te zien. Gebieden als de Biesbosch, de Delta en het IJselmeergebied zijn bij uitstek goede gebieden.

Slangenarend (Circaetus gallicus)

Tegenwoordig heb je in Nederland ook steeds meer kans om een slangenarend te zien. De soort broedt hier niet zoals de zeearend en de visarend, maar is wel steeds vaker te zien als zomergast. Er zijn jaarlijks één of meerdere exemplaren die van hun terugreis van Afrika naar Zuid-Europa iets te ver doorvliegen en in Nederland belanden. Vaak blijven deze dieren, totdat ze aan het einde van de zomer weer terugvliegen naar Afrika, in ons land.

Slangenarend (Saxifraga - Jan van der Straaten)
De slangenarend is inmiddels een vaste zomergast in ons land (Saxifraga – Jan van der Straaten)

De slangenarend wordt ongeveer 60-70 centimeter groot, ongeveer 1,5 keer zo groot als een buizerd. De spanwijdte bedraagt 160-170 centimeter. Op de bovenzijde is de arend bruin gekleurd en hebben ze een overwegend witte onderzijde, met donkere stippen in lijnvorm. Volwassen exemplaren hebben meestal een donkere kop, ook wel bivakmuts genoemd. Ze hebben grote gele ogen, wat ze enigszins op uilen doet lijken.

Slangen

Zoals de naam al doet vermoeden bestaat het meeste voedsel uit slangen, ongeveer 70% van het totale menu. Verder eten ze ook andere reptielen, amfibieën, vogels en soms kleine zoogdieren. Dit doen ze door hoog in de lucht te bidden en met hun uitstekend ontwikkelde ogen op de grond te speuren naar deze prooien.

Slangearend (Saxifrag - Martin Mollet)
Slangenarenden zijn van de onderkant overwegend wit, met donkere stippen die in een lijn over het lichaam en de vleugels lopen (Saxifraga – Martin Mollet)

In Nederland vinden we de soort vaak op heidegebieden en in halfopen bossen. Goede voorbeelden waar de afgelopen jaren slangenarenden zijn gezien zijn de Strabrechtse heide, het Fochteloërveen en de Veluwe. Door het hele land in de zomer te zien dus. In gebieden waar geen slangen zijn, weten deze dieren zich te voeden met kikkers, padden en konijnen. Aangezien roofvogels opportunisten zijn, is het niet uit te sluiten dat de soort hier ooit nog gaat broeden. Dit hadden immers de meeste mensen in eerste instantie ook niet gedacht van de zeearend en de visarend.

Dwaalgasten

Dan zijn er nog een aantal soorten die hier soms worden gezien, die een verkeerde afslag hebben genomen: de dwaalgasten. Hiervan worden slechts losse waarnemingen gedaan, die meestal ook weer binnen een paar dagen, of maximaal een paar weken, zijn vertrokken.

Steenarend
Het gaat goed met de steenarenden in West-Europa, bijvoorbeeld in landen zoals Schotland en Denemarken

Een van die dwaalgasten is de steenarend. De steenarend is in Nederland een zeer zeldzame soort, die gemiddeld maar één keer in de vier jaar gezien wordt, meestal in de wintermaanden. Het gaat echter goed met de steenarend in Europa, bijvoorbeeld in landen zoals Denemarken en Schotland. De kans dat we vaker (meestal jonge) steenarenden in Nederland gaan zien, is dan ook aannemelijk.

Dan is er nog een arendsoort die dicht tegen de Nederlandse grens broedt (Noord-Oost Duitsland), maar desondanks weinig gezien wordt in ons land. De schreeuwarend dankt zijn naam aan het geluid dat hij maakt en wordt meestal in Nederland gezien in de zomer en herfst.

Andere zeer zeldzame dwaalgasten in Nederland zijn de bastaardarend, die meer oostelijk in Europa voorkomt en de dwergarend, waarvan een paartje ooit in Duitsland gebroed heeft. Daarnaast wordt de havikarend heel soms waargenomen, die broedt in Zuid-Europa en de keizerarend, die zich normaliter meer zuidelijker en oostelijker bevindt. Als laatste kunnen we nog de steppearend benoemen, waarvan maar slechts zes gevalideerde waarnemingen bekend zijn.

Zeearenden
Zullen we in de toekomst meer arenden in de lucht boven ons land zien?

Tot slot

Nederland doet het goed onder de arenden. Wie had dertig jaar geleden kunnen bedenken dat twee grote arenden zich zo thuis zouden voelen in Nederland en dat ze zelfs hier zouden gaan broeden. En dat de slangenarend, een echte soort uit het Middellandse zee gebied, zich met steeds meer exemplaren iedere zomer in Nederland huisvest? De vraag is dan ook hoe dit verder gaat en welke arenden we in de toekomst nog meer mogen verwelkomen.

De serie Roofvogels in Nederland

In totaal zijn er zes delen nodig om de orde Accipitriformes te bespreken. De valken, de orde Falconiformes, worden in een apart deel besproken. De uilen zijn al een keer in een driedelige blog besproken. Via onderstaand overzicht kom je bij de verschillende soorten terecht.

Roofvogels in Nederland – deel I

Buizerd, sperwer en havik – deel II

Kiekendieven – deel III

Wouwen en wespendief – deel IV

Arenden – deel V

Gieren – deel VI

Valken in Nederland

Uilen in Nederland – deel I

Uilen in Nederland – deel II

Uilen in Nederland – deel III

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Zwarte kraai – Kraaien in Nederland – deel IV

Iedereen kent ze wel: een kauw, zwarte en/of bonte kraai, ekster, gaai, wellicht zelfs een roek, de notenkraker of raaf. Het zijn de kraaiachtigen van Nederland. De familie kraaiachtigen (Corvidae) gaat echter verder dan onze Nederlandse bekenden, want in totaal bestaat de familie uit 128 soorten. Ze komen bijna overal op de wereld voor. Ze behoren tot de zangvogels, hoewel niet iedereen hun geroep als gezang zou kwalificeren.

Kraaien zijn intelligente wezens. Ze kunnen problemen (leren) oplossen, sommige soorten slagen voor de spiegelproef en ze communiceren met elkaar. In dit deel lichten we de zwarte kraai uit.

Wil je de hele serie ‘kraaien Nederland’ lezen? Klik dan hier om te beginnen met deel I.

Een close-up van een zwarte kraai. De donkere ogen en bedekte snavelbasis zijn goed te zien
Een close-up van een zwarte kraai. De donkere ogen en bedekte snavelbasis zijn goed te zien.

De zwarte kraai (Corvus corone)

De zwarte kraai, al eeuwenlang geassocieerd met voornamelijk negatieve ideeën: de dood, vernieling, het eten van jonge vogels en hun geroep wordt geassocieerd met pech en ongeluk. Dit is niet altijd zo geweest, want de kraai staat ook symbool voor scheppingsvermogen en kracht. Mocht dit je niet zoveel zeggen, dan heeft de kraai nog veel meer voor je in petto. Hieronder nemen we je mee waarom de kraai zo’n fantastische vogel is.

Uiterlijk

De zwarte kraai is, de naam zegt het al, zwart van kleur. Wanneer het zonlicht er op de juiste manier op valt, zul je zien dat er ook een glans van groen en blauw-paars te zien is. Op het eerste oog helemaal zwart dus, maar voor wie verder kijkt dan zijn neus lang is, zal mooie schakeringen in het lichtspel ontdekken. Kraaien zijn tussen de 44 en 53 centimeter en wegen tussen de 400 en 600 gram. De spanwijdte van een zwarte kraai is rond de meter.

De zwarte kraai, met een zichtbare blauwige gloed over de zwarte veren. Ook de gevederde snavelbasis is goed te zien.
De zwarte kraai, met een zichtbare blauwige gloed over de zwarte veren. Ook de gevederde snavelbasis is goed te zien.

Andere kraaien lijken op de kraai, zoals de kauw, roek en raaf. De verschillen tussen kraaien en raven komen later in deze blog aan bod. Kraaien zijn groter dan kauwen en kauwen hebben meer grijs in hun verenkleed zitten. Ook zijn de ogen van de kauw licht van kleur, waarbij de ogen van de kraai donker zijn. Wil je meer over de kauw weten? Lees dan deze blog.

De roek

Dan nog een andere kraaiachtige die vaak wordt verward met kraaien: de roek. Roeken en kraaien zijn ongeveer even groot en hebben beide een zwart pak aan, maar er zijn ook verschillen. Naarmate je de verschillen kent en vaker hiernaar kijkt in het veld, zul je zien dat je de kraaien en roeken al vrij snel kunt onderscheiden. Roeken zie je vaak foerageren in grote groepen, al dan niet in het gezelschap van kauwen. Kraaien zijn vaak met zijn tweetjes op pad, man en vrouw.


Lees ook: arenden in Nederland


Qua uiterlijk hebben roeken meer een punthoofd, waar het hoofd van kraaien ronder is. Daarnaast is de snavel van roeken anders dan die van kraaien. Kraaiensnavels zijn donker en de basis is bedekt. Snavels van roeken zijn lichter van kleur en hebben een kale basis, waardoor de snavel groter en langer lijkt. Ten slotte kun je roeken herkennen aan hun broekje. Zij hebben veren op de dijen. Kraaien hebben dit niet.

De verschillen tussen de kraai en roek zijn duidelijk te zien. Let op de snavel, het hoofd en het broekje.
De verschillen tussen de kraai en roek zijn duidelijk te zien. Let op de snavel, het hoofd en het broekje.

Net als bij kauwen kun je soms ook kraaien zien die enkele witte veren ertussen hebben zitten. Ook bij hen duidt dat op verkeerde voeding, een ziekte of een erfelijke afwijking. Dit moet je niet verwarren met de bonte kraai, welke verderop in deze blog nog aan bod komt.

Gedrag

Kraaien zijn sociaal monogame wezens. Ze zijn met hun partner samen voor het leven. Maar laat je niet voor de gek houden: uit sommige onderzoeken blijkt dat kraaien ook wel eens voor een ander kiezen. Het DNA van de jongen komt namelijk niet altijd overeen met de heer des huizes.

Zoals hierboven ook al kort werd opgemerkt, zijn kraaien meer op zichzelf dan kauwen en roeken. Ze leven solitair, samen met hun partner. Samen hebben ze een territorium, die ze zo nodig fel verdedigen. Met hun partner scharrelen ze rond, op zoek naar voedsel.

Kraaien zijn sociaal monogaam en vrijwel altijd samen te vinden. Ze hebben samen een territorium, waarin anderen vrijwel niet geduld worden.
Kraaien zijn sociaal monogaam en vrijwel altijd samen te vinden. Ze hebben samen een territorium, waarin anderen vrijwel niet geduld worden.

Toch hebben kraaien onderling wel verbinding met elkaar. Hoewel ze in hun eigen territorium leven, helpen ze soortgenoten wel. Wanneer er een roofvogel of ander gevaar gezien wordt, waarschuwen ze kraaien in de buurt door middel van geroep. Soms vliegen ze ook al waarschuwend rond, zodat elke kraai weet: let op, gevaar! Vaak zie je zelfs een aantal kraaien duikvluchten uitvoeren op een rondvliegende buizerd. Kraaien schuwen gevaar wat dat betreft niet en zijn volhardend. Eigenlijk kun je wel stellen dat kraaien zangvogels zijn met roofvogel allure.

Zwarte kraaien leven meer solitair dan kauwen en roeken. Vaak zie je ze als paartje rondscharrelen. Kraaien kennen wel een soort alarmsysteem. Wanneer er gevaar dreigt, bijvoorbeeld door een roofvogel, zie je kraaien elkaar waarschuwen door middel van geluid, maar ze lijken ook boodschappers te gebruiken. Een kraai kan naar de nestplaatsen van kraaien in de omgeving vliegen, ondertussen luid roepend, om de anderen te waarschuwen.

Als je geïnteresseerd bent in het observeren van kraaien op een laagdrempelige manier, kunnen we je de boeken van Arie Pieters aanraden. Hij volgt al enkele jaren een paartje kraaien en heeft hier meerdere boeken over geschreven. Dit laat zien dat je met geduld en tijd het vertrouwen van deze mooie vogels kunt winnen. De boeken zijn te bestellen via bol.com.

Intelligentie

Niet alleen zijn kraaien sociaal monogaam, ze zijn ook sociaal intelligent. Dit houdt in dat een soort een bepaalde mate van intelligentie heeft, die zich uit in sociale interacties. Een voorbeeld hiervan hebben we een stukje terug al benoemd: kraaien waarschuwen elkaar voor gevaar, ook al leven ze in hun eigen territorium. Ook al zijn kraaien al langere tijd uitgevlogen, ze blijven elkaar kennen na het uitvliegen, wat van belang is voor de rangorde in een groep. Ze herkennen elkaar op basis van kleur (kraaien zien kleuren anders dan wij), stem, grootte en gedrag. Dode kraaien worden door soortgenoten aan onderzoek onderworpen.

Maar hun intelligentie reikt verder dan alleen sociale situaties. Kraaien zijn dol op noten, maar die zijn vaak moeilijk te kraken. Je kunt kraaien de noten op de weg zien laten vallen, in de hoop zo een opening te creëren, maar dat kan natuurlijk ook sneller: wie niet sterk is, moet slim zijn. Door de noten op de weg te leggen, rijden er auto’s overheen, waardoor de noot opengaat. Op de weg en dijk voor ons huis zijn vele restanten van notendoppen te vinden, gekraakt door verkeer.

Kraaien kennen meerdere manieren om een harde noot te kraken. Auto's zijn hierbij een handig hulpmiddel.
Kraaien kennen meerdere manieren om een harde noot te kraken. Auto’s zijn hierbij een handig hulpmiddel.

Kraaien zijn probleemoplossende en creatieve vogels. Ze kunnen raadsels oplossen, puzzels maken, gebruiken gereedschap om bij voedsel te kunnen en kunnen meerdere stappen doorlopen om tot een oplossing voor een probleem te komen. De intelligentie van kraaien wordt vergeleken met die van jonge kinderen tot een jaar of zeven.

De menukaart van de kraai

Kraaien zijn echte alleseters. Op het menu staat onder andere insecten, zaden, wormen, fruit, eieren, granen, afval, jonge vogels en knaagdieren. Ook jonge kiemplantjes gaan er graag in, een van de redenen waarom de kraai niet geliefd is. Vaak vliegen ze achter de tractor aan, die net allerlei kiemplantjes in de grond heeft gezet. Maar ook een slechts ploegende tractor is geliefd, want de net omgeploegde bodem zit vaak vol met wormen.

Een kraai, onderweg met een lekker hapje.
Een kraai, onderweg met een lekker hapje.

Let wel, kraaien zijn ook dol emelten. Deze larven kunnen behoorlijke schade toe richten aan je gazon, dus wees maar blij wanneer je een kraai aantreft die voor jou je gazon onderhoudt.

Ten slotte zijn kraaien ook aaseters. Ze ruimen kadavers op van bijvoorbeeld aangereden dieren. Dit voorkomt verspreiding van botulisme, een ernstige ziekte die veroorzaakt wordt door bacteriën. Zo blijkt de kraai vaak een helpende hand te zijn.

Broed- en opvoedtijd

Eind maart, begin april is het zover: tijd om aan de nestbouw te beginnen. Man en vrouw bouwen samen ongeveer een week aan het nest. Na die week hebben ze een groot nest gemaakt, vaak hoog in een boom. Vrouw begint daarna aan het leggen van de eieren, dit zijn er meestal 4-5. Het broeden neemt ongeveer 17-22 dagen in beslag. Alleen de vrouw broedt, waarbij de man haar komt voorzien van voedsel. Het broeden gebeurt in hun eigen territorium. Na het uitkomen van de eieren worden de jongen in 4-6 weken gevoed en grootgebracht. Na het uitvliegen blijven ze vaak nog enkele maanden in de buurt.

Een jonge kraai wil gevoerd worden en bedelt bij de ouder.
Een jonge kraai wil gevoerd worden en bedelt bij de ouder.

Er zijn ook kraaien die geen eigen territorium hebben. Dit zijn bijvoorbeeld nog jonge kraaien of kraaien met een mindere conditie. Kraaien hebben een goede conditie nodig om hun territorium te kunnen verdedigen tegen continu dreigend gevaar. Deze kraaien zonder eigen gebied verzamelen zich in zogenaamde vrijgezellengroepen.

Soms blijven jonge kraaien ook nog enkele jaren in de buurt van hun geboortenest. Wanneer er dan een nieuw broedsel is, helpen zij de ouders met opvoeden.

Waar kom je de kraai tegen?

Daar kunnen we heel kort over zijn: binnen Nederland vrijwel overal. De kraai heeft zich door de jaren heen vrij makkelijk aangepast en zie je in alle landschappen. Alleen in de steden zul je hem minder vaak treffen. Kraaien blijven graag op hun vaste stek, in hun eigen territorium. In kleinere tuinen zul je ze ook minder snel zien. In onze blog over onze natuurtuin kun je lezen over de bezoekjes van onder andere de kraai aan onze tuin. Ook hebben we een zwarte kraai gefilmd die zich tegoed doet aan een ei.

Op grotere schaal gezien kun je de zwarte kraai tegenkomen in West-Europa en Centraal-Europa. Wanneer je Oost-Azië bereikt, kom je een nauw verwant tegen. En in de gebieden daartussenin? Daar leeft een opvallend familielid van ze: de bonte kraai. Deze kraai is meer licht dan zwart. Het hoofd, de vleugels en de staart zijn wel zwart, de rest is licht van kleur. Zwarte en bonte kraaien kruisen zich wel met elkaar. Men is er nog niet over uit of dit twee verschillende soorten zijn.

De kraai zoals je hem misschien niet eerder zag: met een bont verenpak.
De kraai zoals je hem misschien niet eerder zag: met een bont verenpak.

Raaf versus kraai

Dan komen we bij een grotere neef van de kraai: de raaf. Een handige vuistregel om te onthouden hoe het zit met de grootte van deze vogels is dat kraaien kleiner zijn dan een buizerd en raven groter dan een buizerd. Het oor hoort ook dat er verschil in roep zit. Raven hebben een meer rollend geluid en kennen bovendien meer variaties. De snavel van de raaf is ook een stuk groter en zwaarder. Raven zie je ook wel eens zweven, zoals roofvogels dat ook doen. Ten slotte zit er ook nog verschil in de staart: bij de raaf is de staart meer ruitvormig.

Deze raaf is geringd, hij is onderdeel van een mythe: de raven van de Tower of London.
Deze raaf is geringd, hij is onderdeel van een mythe: de raven van de Tower of London.

Zowel kraaien als raven zijn standvogel in Nederland, maar raven zijn minder verspreid dan kraaien. Sterker nog: ze zijn nog niet zo lang weer terug in Nederland. Maar daarover meer in het volgende deel van deze serie.

De mens: vriend of vijand?

Dit heb je helemaal zelf in de hand. Laat je niet verleiden tot negatieve verhalen over de kraai, want na het lezen van deze blog weet jij wel beter.

Vrienden worden met een kraai? Kraaien zijn schuw en schrikachtig. Wellicht door het verleden, waarin er fel op ze gejaagd werd. Geef kraaien de ruimte en de tijd. Respecteer de afstand van de natuur, die we nu eenmaal zelf veroorzaakt hebben. Je kunt proberen het vertrouwen van een kraai te winnen. Benodigdheden: heel veel geduld, afwachten, afstand houden en wat lekkers (let op: kies iets wat van nature op het menu staat, geen menseneten!). De kraai zal met de tijd leren dat je te vertrouwen bent en zich misschien wel vaker of langer laten zien. Er zijn zelfs verhalen bekend waar de kraai zich zo vertrouwd voelde met de mens, dat hij cadeautjes mee bracht. Dit waren bijvoorbeeld glimmende voorwerpen. Kraaien leren soortgenoten welke mensen vriendelijk voor ze zijn en welke niet.

Kraaien kom je niet gauw tegen in kleinere tuinen. Ook zijn ze schuw, dus benader ze met respect.
Kraaien kom je niet gauw tegen in kleinere tuinen. Ook zijn ze schuw, dus benader ze rustig en met respect.

Na het lezen van deze blog kun je toch niet anders dan concluderen dat de kraai een prachtige en slimme vogel is?


Lees verder: Roek – kraaien in Nederland – deel V


Zoeken

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!