Ongeveer gelijktijdig met de start van deze website hebben we een huis kunnen kopen met ongeveer 3500m2 grond erbij. Ons doel is deze 35 are de komende jaren om te turnen naar een natuurtuin waarbij er ruimte is voor allerlei wilde vogels en andere dieren. De voortgang hiervan houden we bij en delen we in een terugkerende blog met jullie.In deel zes bespreken we de afgelopen winterperiode en het begin van de lente.
4 mei 2024
Uilen
In deel V van de natuurtuin in ontwikkeling serie schreven we dat we sinds enkele tijd bezoek krijgen van maar liefst twee uilensoorten: de steenuil en de kerkuil. Deze bezoeken hebben zich gedurende de winter en het begin van de lente voortgezet.
Steenuilen
Te beginnen met de steenuiltjes. Nadat we deze in het najaar een enkele keer gezien hadden, bleef het stil. In de tussentijd hadden wij niet stil gezeten, via STONE (steenuilenwerkgroep) hadden we een nestkast aangeschaft en opgehangen in een van de notenbomen. Even leek het erop dat het meteen raak was. Enkele avonden (en nachten) in het vroege voorjaar hoorden we de steenuilen luidkeels roepen en elegante vluchten achter elkaar aan maken.
Steenuil bij de ingang van de nestkast (De Natuur van hier)
Helaas lijkt het er niet op dat het tot een succesvol broedpaar heeft geleid in onze nestkast. We hebben echter wel vernomen dat een paar honderd meter verderop een paartje aan het broeden is. Dus wie weet kunnen we volgend jaar wel een paartje in onze nestkast bewonderen. In deze video zijn het vrouwtje en mannetje samen voor de nestkast te zien.
Kerkuil(en)
Dan de kerkuil. Gedurende de winter heeft een kerkuil de nestkast dagelijks gebruikt als rustplek. Begin januari zagen we echter dat er naast een ongeringde kerkuil ook nog zo nu en dan een geringde kerkuil voor de camera verscheen. Er moeten dus minstens twee exemplaren de schuur gebruikt hebben tijdens de winter. Een keer is het gelukt om beide kerkuilen gelijktijdig op de wildcamera vast te leggen.
Sinds het begin van de lente zijn de kerkuilen niet meer dagelijks aanwezig in de nestkast. Ons vermoeden is dat er op een andere plek wordt gebroed. Wel zien we we de kerkuilen nog minstens een aantal keren per week voor de wildcamera verschijnen. In deze video zie je een van de twee kerkuilen de nestkast binnen komen. Ook kun je hier het (angstaanjagende) geluid horen wat kerkuilen maken.
Een selectie van momenten dat we de kerkuilen wisten vast te leggen met de wildcamera (De Natuur van hier)
Lente betekent ook trekvogeltijd. Dit voorjaar zagen (en hoorden) we maar liefst drie keer grote groepen kraanvogels over ons huis trekken. De waarneming van de grootste groep was het bijzonderste. Boven ons bleef een groep van ongeveer 100 kraanvogels een aantal minuten rondcirkelen, waarna er van diverse kanten kleine groepjes kraanvogels aansloten. Uiteindelijk vertrokken er zo’n 200 kraanvogels weer in noordelijke richting.
Kraanvogels verzamelen zich boven ons huis, om na een aantal minuten weer in een grote groep verder te trekken (De Natuur van hier)
Paringsgedrag en nieuwkomers
Er wordt ook weer gebroed in de natuurtuin dit jaar. In een van de nestkasten heeft een koolmezenpaar al jongen en de houtduif zit ook stevig te broeden in de taxus. Van onder andere merels, pimpelmezen, zwarte roodstaarten en tortelduiven hebben we paringsgedrag waargenomen, maar (nog) geen broedplekken in de tuin weten te ontdekken. Wellicht volgen deze later in het seizoen nog, of zitten ze niet ver van hier te broeden.
Daarnaast zien we dit jaar voor het eerst twee wilde eenden (mannetje en vrouwtje) gebruik maken van de poel in de tuin. Ook hebben we tot twee keer toe twee patrijzen waargenomen. De patrijzenpopulatie nam de afgelopen 40 jaar met bijna 90% (!) af in Europa, we zijn dus erg blij dat onze tuin aantrekkelijk genoeg is voor deze soort. Vanaf dit jaar worden aangrenzende akkers ook ingericht met patrijzenbeheer via het ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer). Hopelijk kunnen we de patrijs dan ook vaker gaan zien in onze tuin.
Een greep uit de wildcamera-collectie. V.l.n.r.: nijlgans, ekster, holenduif (De Natuur van hier)
Wildcamera’s Benieuwd geworden wat er zoal in jouw tuin te zien is, wanneer jij van huis bent of in bed ligt? Met behulp van een wildcamera kun je bewegingen in je tuin vastleggen via foto’s of videos. Via bol.com zijn wildcamera’s in alle prijsklassen te bestellen, dus toegankelijk voor iedereen. Besluit jij zelf een wildcamera aan te schaffen, dan kun je dat doen via deze link. Wij ontvangen hiervoor dan een kleine vergoeding (het kost jou niets extra’s), waardoor we dit soort content kunnen blijven maken.
Beheer natuurtuin
Wat betreft beheer is het een redelijk rustige periode geweest. We hebben in de voortuin een witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) aangeplant. Daarnaast hebben we nog twee sterappeltjes (een lokaal ras) aangeplant.
Daarnaast is het grasland door het wisselvallige weer (vooral héél véél regen) weer flink aan het groeien. Om meer kruiden te krijgen zijn we het, in het verleden intensief bemeste, grasland daarom zo’n 3x per jaar aan het maaien (inclusief afvoeren van het maaisel). De eerste maaironde wordt nu gefaseerd uitgevoerd. Tot slot hebben we voorbereidingen getroffen voor een kleine keverbank te maken, achterin de natuurtuin. Hierover in het volgende deel meer!
Resultaat
In totaal hebben we nu 355 soorten organismen in de natuurtuin waargenomen, verdeeld over 18 soortgroepen en 174 families. Enkele bijzondere waarnemingen deze periode waren de dwarsbandkakkerlak (zeldzaam), bruingemarmerde schildwants (zeer zeldzaam), ovale dennenspanner (zeldzaam) en pocota (zeer zeldzaam). Deze laatste is een zweefvlieg welke een hommel imiteert (mimicry).
Lang geleden bestond een groot deel van Nederland uit bos. Deze bossen werden op sommige plekken open gehouden door grote grazers, zoals het oeros en de wisent, én door natuurrampen, zoals bosbranden (na blikseminslag) en cyclonen. Tegenwoordig is er nog maar een fractie van deze hoeveelheid bos in Nederland te vinden. Het meeste heeft plaats moeten maken voor steden, dorpen en landbouw. Helaas is er van het originele oerbos niets meer over, maar gelukkig zijn er wel nog enkele relatief oude bossen te vinden. In deze blog maak je kennis met de mooiste bossen van Nederland.
Ondanks dat er door de eeuwen heen veel bos gekapt is, enerzijds als houtwinning, anderzijds om plaats te maken voor dorpen, steden en landbouw, zijn er toch nog tientallen bossen in ons land te vinden, met allemaal hun eigen kenmerkende eigenschappen en diersoorten. Uit al deze bossen hebben wij onderstaande selectie gemaakt, vijf van de mooiste bossen die Nederland te bieden hebben.
Het Deelerwoud, Gelderland
Het Drents-Friese Wold, Drenthe-Friesland
De Limburgse Hellingbossen, Limburg
Het Speulder- en Sprielderbos, Gelderland
De Oisterwijkse Bossen en Vennen, Noord-Brabant
Het Deelerwoud
We starten met het Deelerwoud wat ten noorden van Arnhem ligt, tussen Nationaal Park De Hoge Veluwe en Nationaal Park Veluwezoom. Het is een bos- en heidegebied van ruim 1200 hectare groot en is in het bezit van Natuurmonumenten. In het Deelerwoud zijn een van de oudste dennenbossen van ons land te vinden. Daarnaast zijn er eiken te vinden die stammen uit de tijd van het hakhoutbeheer.
Sinds zo’n 30 jaar beheert Natuurmonumenten het gebied ‘niet’. Het gebied wordt open gehouden door grote grazers zoals Schotse hooglanders en wild zoals edelherten en wilde zwijnen. Er worden alleen zo nu en dan jonge dennen gekapt, om de kans op bosbrand te verkleinen.
In het Deelerwoud zijn enkele van de oudste dennenbossen in Nederland te vinden (Saxifraga – Bart Vastenhouw)
Fauna
Doordat er sinds 2011 in grofweg het hele jaar niet meer gejaagd wordt, gaat het goed met het wild. Tijdens een bezoek heb je dus een goede kans op edelhert, damhert, ree en wild zwijn. Ook de boommarter is een spectaculaire soort die je kunt treffen (als je geluk hebt tenminste).
Voor vogelliefhebbers is er ook genoeg te beleven. Het is een prachtige plek om bijvoorbeeld de raaf te spotten. Het gebied kent enkele broedpaartjes en is vooral in de winter zeer aantrekkelijk voor raven. Dit komt door het feit dat er meer karkassen van grote grazers liggen (door een combinatie van minder beheer (‘opruimen’), géén jacht en de komst van de wolf).
Naast raven kun je verder, afhankelijk van het seizoen, zwarte specht, draaihals, klapekster, kepen, goudvink, kruisbekken en blauwe kiekendieven zien. De heide is daarnaast een uitstekende plek voor reptielen, zoals de adder en zandhagedis.
Goudvinken zijn wat schuwe vogels die je niet gauw ziet, maar als je het geluid kunt herkennen, maak je een stuk meer kans!
Op de grens van Drenthe en Friesland vinden we een van de grootste natuurgebieden van ons land, het Drents-Friese Wold. Ruim 6000 hectare bos- en heidegebied is hier aangewezen als Nationaal Park en is tevens Natura 2000 gebied. Het gebied spreidt zich uit over zuidwest Drenthe en zuidoost Friesland. Bekende dorpen op de grens van het Nationaal Park zijn Appelscha, Noordwolde, Diever en Vledder. Staatsbosbeheer beheert veruit het grootst deel van het gebied.
In het Drents-Friese Wold zijn naast heidegebieden en stuifduinen ook prachtige bossen te vinden (Saxifraga – Hans Dekker)
Het gebied kenmerkt zich door een afwisseling van bossen, heidevelden, stuifduinen en beekdalgraslanden. Met name de stuifduinen zijn bijzonder, omdat we deze op nog maar weinig plekken vinden in Nederland. De stuifduinen in het Drents-Friese Wold dreigden te verdwijnen door bebossing, maar door een groot deel bos te kappen hebben de duinen weer de ruimte gekregen om te gaan stuiven, waardoor dit bijzondere landschap behouden is gebleven.
Flora en fauna
Deze stuifduinen en de omliggende heidevelden brengen een bijzondere flora en fauna met zich mee. Op de heide kun je bijzondere flora vinden, zoals zonnedauw, lavendelhei en stekende wolfsklauw. Daarnaast komen er de zeldzame vlindersoorten het gentiaanblauwtje en de kommavlinder voor.
De stuifduinen en heide zijn daarnaast een van de weinige plekken waar reptielen het nog echt naar hun zin hebben in Nederland. Naast de zandhagedis komen hier ook alle slangen uit ons land voor: de ringslang, adder en de zeer zeldzame ringslang. Voor reptielen is rust in een gebied erg belangrijk. Respecteer daarom ook de regels in het gebied en blijf weg van plekken waar je als bezoeker niet mag komen.
De zeldzame gladde slang komt nog voor in het Drents-Friese Wold (Saxifraga – Mark Zekhuis)
Ook vogelaars komen in het Drents-Friese Wold aan hun trekken. Naast dat er veel spechtensoorten te vinden zijn, is het ook een goede plek om roofvogels te zien. Buizerds, haviken, blauwe kiekendieven en wespendieven zijn allemaal te zien in het gebied. Ook de raaf is een graag geziene gast in het Nationaal Park. Daarnaast is het Nationaal Park de laatste binnenlandse broedplek van de tapuit, welke als ‘bedreigd’ op de Nederlandse Rode Lijst staat.
Limburgse hellingbossen
In het meest zuidelijke stuk van ons land vind je ook prachtige bossen. Vanaf het smalste stukje Nederland wordt het heuvelachtig en liggen er verspreid over Zuid-Limburg diverse hellingbossen met karakteristieke flora en fauna. Doordat ze gelegen zijn op de hellingen van de heuvels, zul je de nodige hoogtemeters voor de kiezen krijgen, dus je kunt rustig spreken van uitdagende wandelingen.
De hellingbossen in Zuid-Limburg wisselen zich af met een halfopen landschap van struwelen, bomenrijen en kruidenrijke graslanden(De natuur van hier)
Het Savelsbos bij Maastricht, het Bunderbos in Bunde, het Bovenste en Onderste Bosch in Epen, het Danikerbos bij Geleen en het Vijlenerbos in Vijlen zijn enkele voorbeelden van bossen die de streek kenmerken. Holle wegen, oude bomen, bosbeekjes en fantastische vergezichten, je vindt het allemaal in de Zuid-Limburgse hellingbossen.
Een van de mooiste tijden om deze bossen te ontdekken is het voorjaar. In veel bossen zijn dan de voorjaarsbloeiers te zien, die de bossen al vroeg in het voorjaar kleur geven. Daslook, bosanemoon, bosviooltje en slanke sleutelbloemen zijn soms in grote aantallen aanwezig, als een soort bloementapijt. Een ander voordeel van de bossen in het vroege voorjaar bezoeken: er zitten vaak nog geen (of niet veel) bladeren aan de bomen en spechten zijn in deze tijd enorm actief. Dit geeft een goede kans op een waarneming en in Zuid-Limburg heb je kans op zowat alle in Nederland voorkomende spechtensoorten.
Naast spechten zijn er ook veel andere bijzondere vogels te zien, zoals in de bossen de taigaboomkruiper en op de open stukken kraanvogels en rode wouwen. Ook als zoogdierliefhebber is er van alles te ontdekken, want naast herten heb je diverse marterachtigen, zoals de das en de boommarter. Ook de wilde kat voelt zich sinds enige tijd weer thuis in een deel van deze bossen.
Een ree in het Vijlenerbos (De natuur van hier)
Tot slot zijn er ook nog bijzondere amfibieën te vinden. Allereerst de vuursalamander, de enige landsalamander van ons land, waarmee het niet goed gaat. Maar ook de vroedmeesterpad en geelbuikvuurpad zijn bijzondere soorten voor deze streek. Als je bezoek brengt aan deze bossen houd dan rekening met de kwetsbare flora en fauna in het gebied. Veel soorten zijn al zeldzaam voor Nederland en worden door diverse factoren bedreigd, probeer de recreatiedruk daarom zo laag mogelijk te houden.
Een ander prachtig bosgebied zijn de Speulder- en Sprielderbossen, welke behoren tot Natura 2000 gebied de Veluwe. Het gebied is zo’n 3.300 hectare groot en ligt in de gemeente Putten en Ermelo. Het Speulder- en Sprielderbos is gelegen op een stuwwal, welke ontstaan is in de laatste IJstijd. Het is een van de oudste bossen in ons land. Het meest bijzondere aan het bosgebied is toch wel het 300 hectare grote bos dat ook wel het bos van de dansende bomen wordt genoemd.
Deze naam draagt dit stuk van het Speulderbos omdat de stammen van beuken bijna allemaal krom groeien, waardoor het lijkt alsof ze dansen. Het bos is op deze manier ontstaan doordat vroeger enkel de bomen met rechte stammen werden gekapt. Kromme stammen waren minder geschikt voor de verwerking ervan.
Het Speulderbos bij mist levert prachtige plaatjes op (Saxifraga – Jan Nijendijk)
Het Solse Gat
In het Speulderbos is daarnaast ook nog het Solse Gat te vinden, een pingoruïne die stamt uit de ijstijd. Een pingoruïne is een overblijfsel van een pingo, een bolvormige heuvel. Deze heuvel is ontstaan doordat bevroren grondwater (in de vorm van ijs dus) een dun laagje bevroren grond naar boven heeft geduwd. Na verloop van tijd, toen het klimaat warmer werd, smolt het ijs en bleef er uiteindelijk een soort kuil achter, de pinogruïne. Deze pingoruïne is vervolgens verder vergroot als gevolg van leemwinning, waarmee het Solse Gat ontstaan is.
In en rondom het Solse Gat komt bijzondere vegetatie voor. Zo zijn er onder andere de (zeldzame) waterplanten waterdrieblad en slangenwortel te vinden. Maar ook de prachtige voorjaarsbloeiers bosanemoon en slanke sleutelbloem.
Fauna
In het Speulder- en Sprielderbos blijft veel dood hout liggen, wat goed is voor de biodiversiteit. Veel dood hout zorgt voor veel (bijzondere) insecten, welke een goede basis vormen voor een gezond ecosysteem. Er zijn in het bosgebied ook veel verschillende vogelsoorten te vinden. Vinken zoals goudvinken, appelvink en (in sommige jaren) ook kruisbekken, maar ook spechten zoals de middelste bonte specht en de zwarte specht zijn er aanwezig. Uiteraard is ook in de avonduren de bosuil waar te nemen.
Er is met name ook veel grof wild te zien in de Speulder- en Sprielderbossen. Dit heeft er mee te maken dat het een redelijk voedselrijk bos is, waardoor het een hoge capaciteit van grote dieren kan verdragen. Herten zoals het ree en het edelhert komen er veelvuldig voor, maar ook het wild zwijn voelt zich er thuis. Kleinere zoogdieren zoals de vos, en marters als de das en de boommarter komen er ook voor.
Het wild zwijn is talrijk aanwezig in Natura 2000 gebied de Veluwe
Oisterwijkse Bossen en Vennen
Tot slot willen we nog een bosgebied in het zuiden van het land benoemen. In Noord-Brabant liggen de Oisterwijkse Bossen en Vennen, een aaneengesloten gebied van bossen, vennen en heiden van 750 hectare groot. Meer dan de helft hiervan wordt beheerd door Natuurmonumenten. Het is gelegen bij Tilburg en Oisterwijk. Samen met de Oude Hondsberg en Kampina vormen ze het Groene Woud. Het behoort daarnaast tot het Natura 2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen, een aaneengesloten dekzandlandschap. In de Oisterwijkse Bossen en Vennen zijn meer dan 80 verschillende vennen te vinden.
Oisterwijkse bossen en vennen (Saxifraga – Jan van der Straaten)
Flora en fauna
Het gebied kent een bijzondere en rijke flora en fauna. Kenmerkend zijn de wilde gagel, een struik die groeit op natte, zure, venige grond én veenmos, welke groeit in het veen. Maar ook een minder algemene soort zoals moerashertshooi is er te vinden. Vroeger broedde er de elegante zwarte stern in de vennen. Deze kreeg hier ook de toepasselijke bijnaam de venkraai. Dodaars, ook een Rode Lijst soort, komen gelukkig wel nog in het gebied voor. Daarnaast zijn er ook eendachtigen zoals wintertaling, tafeleend en grote zaagbek (voornamelijk in de winter) te zien. In de bossen zijn onder andere de bonte vliegenvanger en de appelvink, goudvink en kruisbek te vinden.
De vennen zijn tot slot een zeer goede plek om fraai gekleurde en bijzondere juffers en libellen waar te nemen. Zo zijn er de smaragdlibel en de koraaljuffer te vinden. Daarnaast ook de zeldzame gaffelwaterjuffer, bosbeekjuffer en venwitsnuitlibel. Al met al een rijk en gevarieerd gebied om meer dan eens te bezoeken.
De zwarte stern broedde vroeger in de Oisterwijkse vennen. Zou deze weer als broedvogel kunnen terugkeren?
Dit waren onze vijf mooiste bossen in Nederland. Welk bos vind jij het mooiste? Laat het ons weten in de comments.
Een goede manier om de natuur, vogels in het bijzonder, een handje te helpen is door het plaatsen van nestkasten. Door de toenemende verstedelijking, kunnen vogels soms lastig een geschikte broedplaats vinden. Nestkasten kunnen hier op een goedkope en efficiënte manier een oplossing voor bieden. Het aantal ringmussen in Nederland is sinds 1990 gehalveerd. Een beetje hulp in de vorm van een nestkast kan de ringmus dus wel gebruiken.
De ringmus (Passer montanus)
De ringmus is een kleine vogel die behoort tot de familie mussen en erg veel lijkt op de beter bekende huismus. Er zijn echter enkele verschillen op te merken. Ringmussen bereiken een lichaamslengte van 12,5 tot 14 centimeter en een spanwijdte van ongeveer 21 centimeter. Daarmee blijven ze een fractie kleiner dan de huismus.
Het roodbruine kopje en de zwarte wangvlek zijn opvallend bij de ringmus
De mannetjes en vrouwtjes ringmussen lijken sprekend op elkaar. Ze hebben een roodbruine kop, zwarte wangvlek en bef en een witte halsring. Verder zijn ze overwegend bruin gekleurd met een witte vleugelstreep. Vooral op basis van het roodbruine kopje in combinatie met de zwarte wangvlek zijn ze goed te onderscheiden van mannetje huismus.
Verspreiding
Ringmussen zijn in tegenstelling tot huismussen niet overal in de stad te vinden, maar meer aan de stads- en dorpsranden en op boerderijen. Ze zoeken graag het kleinschalig cultuurlandschap op, waar ze gebruik maken van hagen, solitaire bomen en struiken en van aangrenzend bouwland om te foerageren. Dit verklaart ook meteen de afname in de populatie. De laatste decennia is dit type landschap op veel plekken in ons land verdwenen, waar het plaats heeft moeten maken voor monocultuurlandschappen en steriele en weinig groene (boeren)erven. Daarnaast is heeft veel graanteelt (een belangrijke voedselbron voor de ringmus) plaats moeten maken voor grootschalige maïsteelt.
In oktober zijn de meeste ringmussen in ons land te vinden. Bijna alle ringmussen in ons land zijn standvogels, maar in oktober krijgen ‘onze’ ringmussen bezoek van ringmussen uit Noord- en Oost-Europa, die hun broedgebied tijdelijk verlaten om hier (of verderop in West-Europa) te overwinteren.
Het dieet van ringmussen is hoofdzakelijk plantaardig, aangevuld met dierlijk voedsel in de vorm van insecten. Ze eten hoofdzakelijk granen en zaden. Dit doen ze vaak in groepen, ook wel flocks genoemd, gemengd met andere zangvogels zoals huismussen en vinken. Al druk foeragerend over de grond zie je dan grote groepen zangvogels op zoek naar zaden of graanresten op boerenland. Vooral tijdens het broedseizoen wordt dit aangevuld met insecten. De jonge dieren krijgen in de eerste levensfase hoofdzakelijk eiwitrijk, dierlijk voedsel gevoerd.
Het efficiënter worden van de landbouw heeft ervoor gezorgd dat ringmussen steeds vaker niet voldoende voedsel kunnen vinden (Saxifraga – Piet Munsterman)
Ringmussen broeden van nature in boomholtes, hagen en struiken. Daarnaast maken ze ook dankbaar gebruik van nestkasten. Per legsel worden er twee tot zeven eieren gelegd. Het aantal legsels per jaar varieert tussen de twee en vier. Beide ouders dragen zorg voor het uitbroeden van de eieren, wat zo’n twee weken in beslag neemt. Wanneer de juveniele dieren uit het ei zijn gekomen, duurt het nog ruim twee weken voordat ze kunnen vliegen.
Nestkast ringmus
Een nestkast voor een ringmus ophangen kan dus een goed idee zijn, mits in de juiste leefomgeving. Soms gebruiken ringmussen ook koolmees of pimpelmees nestkasten.
Meestal worden nestkasten van hout gemaakt, op onze bouwtekening gaan we daar ook vanuit, omdat dit praktisch is en vaak het goedkoopste. Uit onderzoek blijkt echter dat nestkasten gemaakt van houtbeton vaak succesvoller zijn. Ze worden daarnaast ook sneller en meer gebruikt. Dit heeft er waarschijnlijk mee te maken dat ze warmte beter vast houden en dat het in de nestkast net een beetje warmer is.
Heb je dus geen zin om zelf een nestkast te maken en wil je het beste resultaat, bestel dan hier je duurzame houtbeton nestkast. Als je de kast via deze link besteld, dan bestel je hem bij Vivara en lever je met je aankoop ook nog eens een bijdrage aan de Nederlandse natuur!
Wil je wel graag zelf een nestkast voor een ringmus maken, gebruik dan gratis onderstaande bouwtekening. Op deze tekening staan alle gegevens die je nodig hebt om een goede nestkast te maken. Hierop vind je de afmetingen van de kast (en de invliegopening), welke houtsoort je het beste gebruikt en een zaagschema zodat je precies weet hoeveel hout je moet kopen. Bij veel bouwmarkten kun je het hout dat je koopt meteen in de juiste afmetingen laten zagen. Neem je bouwtekening dus mee naar de bouwmarkt, dat bespaart je een hoop werk.
Bouwtekening nestkast ringmus (De natuur van hier)
Als houtsoort kun je het beste beuken-, lariks- of eikenhout gebruiken. Daarnaast kan ook watervast multiplex gebruikt worden. Als dikte raden we 15 millimeter aan. Let bij het kopen van het hout op het FSC-keurmerk. Gebruik RVS schroeven om het hout mee vast te schroeven. RVS is beter bestand tegen roesten dan verzinkte schroeven, dus beter geschikt om buiten te gebruiken. Eventueel kun je het dak afwerken met dakleer, zodat het hout minder te verduren krijgt en de nestkast langer mee gaat.
Ophangen nestkast
Bij het ophangen van de nestkast is het belangrijk om met een aantal zaken rekening te houden. Hang de nestkast stevig op zodat deze niet valt. Hang de kast op ongeveer twee á drie meter hoogte, met de opening richting het noorden, noordoosten of oosten. Zo voorkom je dat het constant binnen regent en dat er minder overlast is van wind en zon. Zorg er daarnaast voor dat de kast niet goed bereikbaar is voor katten en andere roofdieren.
In het najaar (rond oktober) is het tijd om de nestkast schoon te maken. Gebruik hiervoor geen schoonmaakmiddelen, maar alleen heet water. Hang de nestkast daarna meteen weer op, want soms worden ze in de winter gebruikt als rustplek.
Ringmussen maken dankbaar gebruik van nestkasten als ze op de juiste plek hangen
Om een ringmus naar je tuin te lokken is het zaak om op de juiste plek te wonen. Ringmussen leven aan de rand van dorpen en steden, in een halfopen landschap. Belangrijk is dat er voldoende schuilplekken in de vorm van hagen, heesters en bomen in de buurt zijn. Daarnaast is het belangrijk dat ze voedsel kunnen vinden, op bijvoorbeeld graanakkers.
Hoe maak ik een nestkast voor een ringmus?
Een nestkast voor een ringmus kun je maken van lariks-, beuken- of eikenhouten planken. Watervast multiplex is ook geschikt. De nestkast moet circa 12x12x27cm groot zijn. Gebruik de bouwtekening (inclusief zaagschema) in deze blog.
Hoe hang ik een nestkast voor een ringmus op?
Hang de nestkast op een beschutte plek, op ongeveer twee á drie meter hoogte stevig op, buiten het bereik van katten en andere roofdieren. Zorg dat de nestkast met de opening naar het noorden, noordoosten of oosten hangt, zodat het niet binnen regent.
Wat kun je nog meer doen voor ringmussen?
Om het ringmussen nog meer naar de zin te maken in je tuin of op je erf, kun je de volgende dingen nog overwegen. Plant bijvoorbeeld een brede gemengde haag aan met inheemse soorten zoals meidoorn, egelantier en veldesdoorn aan.
Daarnaast kun je biologisch voedsel in de vorm van zaden en zonnepitten aanbieden. Laat tot slot op een rustige plek een rommelhoekje staan waar ook wat onkruid mag groeien. Ringmussen zijn gek op onkruidzaden en kunnen dit zo in overvloed in je tuin vinden.
Wil je meer bouwtekeningen voor nestkasten. inspiratie over inheemse planten of andere tuin- of natuurtips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!
Vlinders zijn erg geliefd in tuinen. Helaas gaat het met veel vlindersoorten tegenwoordig slecht, door het verdwijnen van bloemrijke graslanden, het gebruik van bestrijdingsmiddelenen intensieve landbouw. Daarom is het belangrijk om in je tuin veel te doen om de vlinders te helpen.
Door te kiezen voor inheemse planten bied je vlinders precies wat ze nodig hebben. Sommige van deze planten leveren nectar voor volwassen vlinders, terwijl andere planten dienen als waardplant voor rupsen. Zonder deze planten kunnen veel vlinders zich niet voortplanten.
In deze blog bespreken we 20 inheemse planten voor vlinders die geschikt zijn voor tuinen in Nederland. Met deze planten creëer je een tuin die aantrekkelijk is voor veel verschillende vlindersoorten, zoals de dagpauwoog en kleine vos.
Brandnetel is voor veel vlindersoorten, zoals deze gehakkelde aurelia, een belangrijke waardplant (De natuur van hier)
Meer inspiratie voor een natuurtuin? Wil je jouw tuin nog aantrekkelijker maken voor vogels en insecten? Download dan ons praktische e-book over meer natuur in je tuin. Hierin behandelen we alle facetten die nodig zijn om van iedere tuin een tuin vol leven te maken! Bekijk hier het e-book
Waarom inheemse planten belangrijk zijn voor vlinders
Vlinders zijn voor hun voortplanting afhankelijk van specifieke planten. Veel soorten leggen hun eitjes namelijk alleen op bepaalde waardplanten, waar de rupsen zich na het uitkomen mee voeden. Per vlindersoort kan de waardplant en nectarplant verschillen. Zonder inheemse planten kunnen vlinders hun levenscyclus niet voltooien, ze hebben dan geen plant voor eiafzet en/of om nectar te halen. Wanneer waardplanten verdwijnen, verdwijnen uiteindelijk ook de vlinders die ervan afhankelijk zijn.
In tuinen wordt bij het kiezen van planten vaak vooral gekeken naar de kleur of uitstraling van bloemen. Daardoor worden er regelmatig exotische tuinplanten gekozen. Sommige van deze soorten produceren wel nectar en kunnen daardoor volwassen vlinders aantrekken en voeden, maar ze zijn vaak niet geschikt als waardplant voor rupsen.
Als je in je tuin alleen zulke planten hebt staan, kunnen vlinders er wel nectar vinden, maar kunnen ze zich niet voortplanten. Door aan te planten met inheemse planten, creëer je een tuin waarin vlinders voedsel kunnen vinden en hun eitjes kunnen afzetten. Zo kunnen vlinders hun volledige levenscyclus doorlopen.
Wil je aan de slag met inheemse beplanting in je tuin, maar heb je geen idee waar je moet beginnen? Lees dan onze gids ‘inheemse beplanting voor een natuurlijke en diervriendelijke tuin’. Hierin laten we stap voor stap zien waar je aan moet denken om met behulp van inheemse beplanting een tuin vol leven te creëren!
Pas op met vlinderstruik
Een goed voorbeeld hiervan is vlinderstruik. Deze wordt massaal aangeboden (en gekocht) in tuincentra, met de boodschap dat het een uitstekende vlinderplant is. Dit is deels waar, maar het is voor bijna geen enkele vlinder een waardplant in Nederland.
Tel daarbij op dat de vlinderstruik steeds vaker in natuurgebieden verschijnt en inheemse planten daar verdringt (invasieve exoot), waardoor deze dus eigenlijk een negatief effect heeft op bijzondere inheemse vlinders. Ook blijkt op veel planten uit tuincentra gif te zitten.
Nectarplanten en waardplanten
Veel mensen denken gelijk aan nectar als ze denken aan de behoeften van vlinders, maar waardplanten zijn minstens zo belangrijk. Het is dus van belang dat er zowel nectarrijke planten als waardplanten worden aangeplant in de tuin.
Nectarplanten
Dit zijn planten die voedsel leveren voor volwassen vlinders. Dit kan per soort verschillen. Inheemse planten zijn afgesteld op inheemse diersoorten en andersom, dus deze planten bieden vlinders meer dan exotische planten. Goede inheemse nectarplanten zijn onder andere:
Wilde marjolein
Koninginnekruid
Beemdkroon
Knoopkruid
Waardplanten Waardplanten zijn onmisbaar in de ontwikkeling van ei naar vlinder. Dit zijn planten waarop vlinders hun eitjes leggen. Soms legt de vlinder de eitjes in de buurt, waarna de rupsen de plant opzoeken. De rupsen eten vervolgens van deze plant, gaan groeien en verpoppen zich uiteindelijk in of nabij de waardplant. Vaak wordt gedacht dat rupsen alleen het blad eten, maar sommige rupsen eten ook stengels, wortels, bloemen of zelfs zaden.
Net als met nectarplanten hangt het van de vlindersoort af welke plant gebruikt wordt als waardplant. Als de rupsen van één plantensoort eten, noem je dat monofaag. Als er meerdere plantensoorten (maar wel van dezelfde plantenfamilie) worden gegeten, noem je dat oliofaag. Soorten die allerlei planten eten, noem je polyfaag.
Wat zijn de beste waardplanten voor vlinders?
Grote brandnetel: atalanta, dagpauwoog, distelvlinder, gehakkelde aurelia, kleine vos, landkaartje en heel veel soorten dagvlinders
Pinksterbloem: oranjetipje, klein geaderd witje, klein koolwitje
Sporkehout: citroenvlinder, groentje, boomblauwtje, diverse nachtvlinders
De vlinder legt de eitjes op, of in de buurt van de waarplant. De rupsen kunnen zo meteen beginnen met eten (Saxifraga – Pieter van Breugel)
Bloeikalender voor inheemse planten voor vlinders
Met onderstaande bloeikalender zorg je ervoor dat vlinders van het vroege voorjaar tot in de nazomer nectar kunnen vinden in je tuin. Door soorten te combineren die op verschillende momenten bloeien, ontstaat een continue voedselbron voor vlinders.
Koninginnekruid, grote kattenstaart, boerenwormkruid
September
Koninginnekruid, duizendblad, echte guldenroede
Inheemse planten en moment van bloei
Hieronder vind je een overzicht van de 20 beste inheemse planten voor vlinders. Deze zijn gesorteerd op het moment waarop ze bloeien. Na deze lijst worden de soorten besproken.
Vroege soorten
Boswilg
Pinksterbloem
Look-zonder-look
Gewone rolklaver
Zomersoorten
Knoopkruid
Slangenkruid
Beemdkroon
Duizendblad
Wilde marjolein
Wilde peen
Gewone margriet
Grote centaurie
Veldsalie
Nazomer
Koninginnekruid
Grote kattenstaart
Boerenwormkruid
Echte guldenroede
Belangrijke waardplanten
Grote brandnetel
Hop
Sporkehout
Welke vlinders trek je met deze planten?
Met de juiste inheemse planten kun je verschillende vlindersoorten naar je tuin lokken. Elke soort heeft namelijk zijn eigen voorkeur voor waardplanten en nectarbronnen.
Door verschillende waardplanten te combineren, vergroot je de kans dat meerdere vlindersoorten je tuin weten te vinden. Zo ontstaat er een levendige en natuurlijke tuin waarin vlinders zich thuis voelen.
20 inheemse planten voor vlinders
Dan is het nu tijd om de beste inheemse vlinderplanten te bespreken. Per soort vind je wanneer ze bloeien, de beste standplaats en hoe hoog de plant of struik wordt. Daarnaast vind je nog wat aanvullende informatie waarom het zo’n goede vlinderplant is.
Boswilg (Salix caprea)
Bloeitijd: maart-april
Standplaats: volle zon tot halfschaduw en vochtige, voedselrijke bodem
Hoogte: 6-10 meter
Soort: nectarplant & waardplant (nachtvlinders)
Boswilg bloeit als een van eerste struiken in Nederland. Daarom is het een belangrijke voedselborn voor insecten in het vroege voorjaar, wanneer er nog bijna niets bloeit. Al vanaf maart verschijnen de zachte katjes aan de takken, die rijk zijn aan stuifmeel en nectar. Er zijn in deze tijd van het jaar nog niet veel vlinders actief, maar vroege soorten zoals de citroenvlinder profiteert van de vroege bloei, evenals andere insecten. Daarnaast is de boswilg een waardplant voor verschillende nachtvlinders. Het is verder ook een uitstekende plant voor bijen in je tuin.
De struik groeit het beste op een zonnige tot halfschaduwrijke plek en kan uitgroeien tot een (kleine) boom.
De vroege bloei van boswilg is een welkome voedselbron voor vlinders in het vroege voorjaar (de Natuur van hier)
Pinksterbloem (Cardamine pratensis)
Bloeitijd: april-juni
Standplaats: zon, lichte schaduw en vochtige tot natte, voedselrijke grond
Hoogte: 20-60 cm
Soort: nectarplant & waardplant
Pinksterbloem is een typische voorjaarsplant die vaak groeit in vochtige graslanden en langs slootkanten. Helaas zie je deze plant niet meer zoveel als vroeger. De lichtpaarse bloemen verschijnen in april en mei en zijn een belangrijke nectarbron voor vroege vlinders. De plant staat vooral bekend als waardplant voor het oranjetipje, waarvan de rupsen zich voeden met de zaden en bloemen. Het is daarnaast ook de waardplant van het klein geaderd witje en het klein koolwitje. Pinksterbloem doet het goed in een natuurlijke tuin waar de bodem licht vochtig mag blijven.
Pinksterbloem is – biologisch gekweekt – verkrijgbaar bij diverse gespecialiseerde winkels, zoals Sprinklr en Vivara.
Pinksterbloem is een goede inheemse plant voor vroege insecten (De Natuur van hier)
Look-zonder-look (Alliaria petiolata)
Bloeitijd: april tot en met juni
Standplaats: half schaduw, vochtige en voedselrijke bodems (stikstofhoudend)
Hoogte: 15-90 cm (soms zelfs 100 cm)
Soort: waardplant
Look-zonder-look is een tweejarige plant die vaak groeit langs bosranden en op licht beschaduwde plekken. De kleine witte bloemen verschijnen in het voorjaar (van het tweede jaar, na overwintering) en trekken diverse insecten aan. Voor vlinders is deze plant vooral belangrijk als waardplant voor het oranjetipje en verschillende witjes. De rupsen eten van de bladeren en ontwikkelen zich hier tot pop. Look-zonder-look zaait zich gemakkelijk uit en past goed in een natuurlijke of iets verwilderde tuin. Het blad kun je eten. Het is een uitstekende plant om te gebruiken in de schaduw of halfschaduw.
Look-zonder-look is bij diverse gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt verkrijgbaar, waaronder Vivara.
Look-zonder-look is een waardplant voor verschillende vlindersoorten en biedt nectar aan allerlei insecten
Gewone rolklaver (Lotus corniculatus)
Bloeitijd: mei-september (soms zelfs oktober)
Standplaats: volle zon, vrijwel alle bodems
Hoogte: 10-30 cm
Soort: nectarplant & waardplant
Gewone rolklaver is een lage, kruipende plant met gele bloemen die van mei tot september bloeien. De plant groeit goed op droge, zonnige plekken en wordt vaak aangetroffen in bloemrijke graslanden. Voor vlinders is rolklaver een belangrijke nectarplant en tevens een waardplant voor verschillende blauwtjes, waaronder het icarusblauwtje en bruin dikkopje (ernstig bedreigd). Door zijn lange bloeiperiode vormt rolklaver een waardevolle aanvulling in een vlindervriendelijke tuin. In symbiose met een bacterie bindt gewone rolklaver stikstof uit de lucht, waardoor de plant de bodem verbetert. Gewone rolklaver doet het goed op een zonnige plek en droge grond.
Gewone rolklaver dient als waardplant voor onder andere het icarusblauwtje
Knoopkruid (Centaurea jacea)
Bloeitijd: juni tot en met september
Standplaats: volle zon, droog tot matig vochtig en schrale bodem
Hoogte: 60-120 cm
Soort: nectarplant & waardplant (nachtvlinders)
Knoopkruid is een van de beste nectarplanten voor vlinders in Nederland. De paarse bloemen verschijnen vanaf juni en trekken veel insecten aan, waaronder vlinders, hommels en bijen. In de zomer zijn hier vaak soorten te zien zoals de distelvlinder en het icarusblauwtje. Het is een waardplant voor veel verschillende nachtvlinders. Daarnaast is het de waardplant van de in Nederland ernstig bedreigde veldparelmoervlinder. Knoopkruid groeit goed in zonnige borders en bloemrijke graslanden/tuinen en kan zich gemakkelijk uitzaaien door haar eigen zaden.
Het prachtige knoopkruid is bij diverse gespecialiseerde winkels, biologisch gekweekt, te verkrijgen, waaronder Sprinklr en Vivara.
Knoopkruid is zowel een nectarplant als waardplant
Slangenkruid (Echium vulgare)
Bloeitijd: mei tot en met september
Standplaats: zonnig, droog en warme standplaats, voedselarme en zandige of rotsachtige bodem
Hoogte: 30-80 cm
Soort: nectarplant & waardplant (nachtvlinders)
Slangenkruid staat bekend om zijn opvallende blauwe bloemen en lange bloeiperiode. De bloemen zijn erg rijk aan nectar en trekken tal van insecten aan. Vlinders zoals de distelvlinder en de atalanta bezoeken deze plant regelmatig. Het is een waardplant voor talloze motten. Slangenkruid groeit het beste op droge, zonnige plekken met een arme bodem. Langs de oevers van de Grensmaas troffen wij slangenkruid aan, waar de bijzondere slangenkruidbij nectar haalde.
Slangenkruid is, biologisch gekweekt, te verkrijgen bij diverse speciaal winkels, waaronder Sprinklr.
Slangenkruid biedt aan veel verschillende insecten nectar en is daarmee een belangrijke nectarplant
Beemdkroon (Knautia arvensis)
Bloeitijd: juni-september
Standplaats: volle zon, drogere tot vochthoudende grond, niet te voedselrijk
Hoogte: 40-80 cm
Soort: nectarplant
Beemdkroon heeft lila bloemen die veel nectar produceren. Hij bloeit van mei/juni tot in de herfst. Deze plant trekt verschillende vlinders en andere insecten aan en wordt bezocht door soorten zoals bijvoorbeeld groot dikkopje, koninginnenpage, oranjetipje en zilveren maan (zeldzaam).
Beemdkroon groeit het liefst op een zonnige plek met een goed doorlatende, vochtige en kalkhoudende bodem. Beemdkroon staat op de Rode Lijst, dus voor zowel de plantensoort als voor de insecten die de plant nodig hebben, is het een goed idee om in je tuin aan te planten. Op zoek naar meer planten die het goed doen in de volle zon? Kijk dan eens in onze blog hierover, daar vind je nog meer suggesties voor inheemse planten in de volle zon.
Het prachtige beemdkroon is bij diverse gespecialiseerde winkels (biologisch gekweekt) te verkrijgen, zoals Sprinklr en Vivara.
Beemdkroon biedt voor veel vlinders en andere insecten heel veel nectar en stuifmeel
Wilde marjolein (Origanum vulgare)
Bloeitijd: juli tot en met september
Standplaats: zonnige, warme plek, goed doorlatende bodem, matig voedselrijk, kalkhoudend
Hoogte: 30-60 cm
Soort: nectarplant
Wilde marjolein is een uitstekende nectarplant voor vlinders. De roze bloemen verschijnen in juli en augustus en trekken veel insecten aan. De plant bloeit tot in september. Wilde marjolein groeit het beste op warme, zonnige plekken en is een vaste, winterharde plant.
Doordat de plant zoveel nectar bevat, komen er veel insecten en vlinders op af. Vlinders die op wilde marjolein af komen, zijn bijvoorbeeld het icarusblauwtje, bruin blauwtje, klein koolwitje, kleine vos, dagpauwoog, gehakkelde aurelia, bont zandoogje, atalanta, distelvlinder, kleine vuurvlinder en nog enkele meer. Een echte vlindertrekker dus, deze plant!
Wij hebben deze multifunctionele plant dicht bij huis staan, op een plekje in de volle zon en tegen de gevel. Want naast dat wilde marjolein ontzettend veel insecten aantrekt en prachtig bloeit, geurt de plant ook nog eens heerlijk en is het blad ook te gebruiken als smaakmaker in de keuken. Heerlijk over de pizza of in de pasta!
Wilde marjolein is, biologisch gekweekt, verkrijgbaar bij diverse winkels, waaronder Sprinklr en Vivara.
Wilde marjolein is zeer geliefd bij talloze vlinders en andere insecten, zoals bij deze bruine zandoogjes
Standplaats: volle zon, verdraagt droogte goed en een goed doorlatende, matig voedselrijke, droge tot normale (tuin)grond
Hoogte: 40-125 cm
Soort: nectarplant & waardplant (nachtvlinders)
Duizendblad bloeit lang en produceert veel nectar. De plant bloeit van juni tot november. De schermbloemen bloeien wit tot soms roze. Duizendblad kan goed tegen droogte en zie je vaak op verstoorde grond, maar hij past ook prima in een border.
Je kunt hier wel spreken van een vergeten groente: in de zeventiende eeuw werden de jonge bladeren gebruikt als spinazie of soep. Daarnaast heeft de plant veel verschillende geneeskundige werkingen. De plant groeit goed in droge tot matig vochtige grond.
Omdat de nectar via de schermbloemen makkelijk te bereiken is, is het een geliefde plant bij vlinders (en andere insecten). Het is de waardplant van veel soorten motten. Dagvlinders als kleine vuurvlinder, kleine vos en oranje zandoogje bezoeken de plant voor nectar. De uitgebloeide bloemen in de winter kun je het beste laten staan, vogels pikken de zaden er dan uit. Een zeer veelzijdige plant.
In onze natuurtuin hebben we veel duizendblad in ons kruidenrijk gazon staan en bloeit hier rijkelijk. Doordat we het gazon gefaseerd maaien weten we de bloeitijd van duizendblad te verlengen en genieten we de hele zomer en herfst van de prachtige bloemen. Heb je geen duizendblad in je gazon? Dan kun je deze – biologisch gekweekt – verkrijgen in diverse kleuren bij onder andere Sprinklr en Vivara om duizendblad in je border of gazon aan te planten.
Duizendblad is met haar schermbloemen vol nectar zeer geliefd bij vlinders, motten en andere insecten
Wilde peen (Daucus carota)
Bloeitijd: juni-september (vanaf het tweede jaar, de plant heeft eerste koude nodig, om het jaar daarna te gaan bloeien)
Standplaats: volle zon tot halfschaduw, droge tot matig vochtige, kalkrijke en voedselarme tot matig voedselrijke bodem
Hoogte: 30-90 cm
Soort: nectarplant & waardplant
Dit is een van onze favorieten in onze natuurtuin. De bloei trekt zo veel leven aan, dat je elke keer een ander insect er op aantreft. Wilde peen vormt fijne witte schermbloemen die aantrekkelijk zijn voor veel insecten, omdat insecten met een korte tong ook makkelijk de nectar bereiken.
De plant is ook een waardplant voor de spectaculaire koninginnenpage, met haar opvallende rupsen. De rupsen hebben het blad en de bloemen nodig om te groeien. Daarnaast kun je ook blauwtjes, witjes en zandoogjes aantreffen op wilde peen.
Wilde peen groeit het best op zonnige plekken met een droge tot enigszins vochtige bodem. De bodem moet kalkhoudend en matig voedselrijk zijn, zoals op klei, zand of leem. De plant bloeit van juni tot en met september en vormt daarna de zaden. De bloem buigt dan naar binnen toe, waardoor hij lijkt op zijn bijnaam: een vogelnestje. Vogels (zoals vinken en putters) eten de zaden. ’s Avonds buigen de bloemhoofden naar beneden, om de volgende dag bij zonlicht zich weer op te richten.
Wilde peen is een plant die ontzettend veel leven trekt, je ziet er continu andere soorten insecten en vlinders op. De nectar is makkelijk te bereiken
Gewone margriet (Leucanthemum vulgare)
Bloeitijd: mei-juli (met soms uitloop tot in augustus/september)
Standplaats: volle zon, matig voedselrijke en goed doorlatende bodem
Hoogte: 40-80 cm
Soort: nectarplant
Vroeger zag je de gewone margriet veel, in de vele hooilanden die Nederland toen rijk was. Helaas zijn deze hooilanden er steeds minder. Als je deze mooie plant in je tuin hebt staan, wacht dan met maaien tot de bloem zaden heeft gevormd. Margriet zaait zichzelf makkelijk uit.
Gewone margriet produceert veel nectar en trekt daarmee vlinders en andere insecten aan. De plant is een mooie toevoeging aan een bloemrijke tuin. Ze heeft veel zon nodig. Vlinders die de gewone margriet bezoeken, zijn bijvoorbeeld het bruin en bont zandoogje, groot en klein koolwitje, icarusblauwtje, kleine vos, dagpauwoog, atalanta en de bijzondere dagactieve nachtvlinder de kolibrievlinder.
Gewone margriet is bij diverse gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt verkrijgbaar, waaronder Sprinklr en Vivara.
Margrieten kwamen vroeger algemeen voor in Nederland, maar zie je steeds minder vaak door de intensivering van de landbouw. Margriet is een mooie plant om in je tuin te gebruiken, want het trekt vele vlinders aan
Grote centaurie (Centaurea scabiosa)
Bloeitijd: juni-oktober
Standplaats: zonnige plek, droge tot matig vochtige, kalkrijke bodem
Hoogte: 30-120 cm
Soort: nectarplant
Grote centaurie bloeit met prachtige, opvallende paarse en roze bloemen. Het is een echte magneet voor vele soorten vlinders. Het is een hele goede plant om in je tuin te zetten, omdat het zorgt voor veel biodiversiteit. Er komen niet alleen veel vlinders op af, maar ook bijen, hommels, zweefvliegen en andere insecten. De zaden worden na het bloeien gegeten door vogels, zoals verschillende soorten vinkachtigen.
Vlinders die op grote centaurie af komen, zijn bijvoorbeeld de distelvlinder, dambordje (zeer zeldzaam) en dagpauwoog. Grote centaurie is verwant aan knoopkruid en korenbloem. In de tuin doet de plant het goed op allerlei soorten bodems. Wij hebben hem op zuiden tegen de gevel aan staan, vol in de zon. Hier staat deze vaste plant dicht bij een raam, zodat we veel kunnen genieten van de prachtige bloemen. Vroeger werd grote centaurie gebruikt voor huidproblemen en wondverzorging.
Grote centaurie is bij verschillende gespecialiseerde winkels -biologisch gekweekt- te verkrijgen, waaronder Sprinklr en Vivara.
Zet grote centaurie in je tuin en je zult veel verschillende soorten vlinders en andere insecten gaan zien (Foto: Saxifraga – Marijke Verhagen)
Veldsalie (Salvia pratensis)
Bloeitijd: juni tot en met augustus
Standplaats: zonnig, droge tot matig vochthoudende grond, goed doorlaatbaar
Hoogte: 40-75 cm
Soort: nectarplant
Veldsalie is een uitstekende plant in diverse soorten tuinen. Hij past goed in droge borders, bloemenweides en zonnige tuinen. De plant bloeit met paarsblauwe bloemen en produceert veel nectar. Veldsalie zorgt voor veel biodiversiteit, omdat er veel soorten insecten op af komen, waaronder ook verschillende soorten vlinders.
Veldsalie doet het goed op droge tot matig vochtige bodems, op verschillende typen grond, zo lang het bodemtype maar goed doorlatend is. Klei-, leem- en zandgronden zijn goed voor veldsalie. Bij gespecialiseerde winkels zoals Sprinklr en Vivara is veldsalie biologisch gekweekt verkrijgbaar.
Veldsalie bloeit met prachtige paarsblauwe bloemen waar onder andere vlinders graag nectar komen halen
Koninginnekruid (Eupatorium cannabinum)
Bloeitijd: juli tot en met september
Standplaats: zon tot half schaduw, op vochtige tot drassige en voedzame grond
Hoogte: 100-150 cm
Soort: nectarplant & waardplant (nachtvlinders)
Koninginnekruid is een van de beste vlinderplanten voor de nazomer. Bij oevers van poelen en vijvers doet koninginnekruid het goed, evenals vochtige borders. Deze plant krijgt tijdens de bloei roze tot rozerode schermachtige bloemen. Deze bloemen zijn erg geliefd bij vlinders. Op de plant aan onze natuurlijke vijver zien we regelmatig atalanta, dagpauwoog, distelvlinder en soms zelfs koninginnenpage! Andere vlinders die hier op af komen, zijn bijvoorbeeld keizersmantel, gehakkelde aurelia en kleine vos. De plant dient als waardplant voor verschillende nachtvlinders.
Een andere naam voor koninginnekruid is leverkruid. De plant werd namelijk van oudsher gebruikt tegen geelzucht, een leverziekte. Koninginnekruid is biologisch gekweekt verkrijgbaar bij onder andere Sprinklr en Vivara.
Koninginnekruid is zeer geliefd bij vlinders, zoals Spaanse vlag (zeldzame dagactieve nachtvlinder) en keizersmantel
Grote kattenstaart (Lythrum sallicaria)
Bloeitijd: juni – augustus
Standplaats: zon – halfzon, natte en voedselrijke bodem
Hoogte: tot 100 centimeter
Soort: nectarplant & waardplant
Een andere prachtige zomerbloeier is grote kattenstaart. Deze vaste plant staat het liefst op een vochtige tot natte plek en kan daardoor ideaal als oeverplant bij een vijver worden gebruikt (hier vind je nog veel meer vijverplantentips).
Van juni tot en met augustus bloeit grote kattenstaart rijkelijk met roze bloemaren die in trek zijn bij insecten. De plant heeft haar naam te danken aan de gelijkenis met een kattenstaart. Het boomblauwtje heeft de plant nodig als waardplant. De rupsen eten de bloemen en vruchten. Ook andere vlinders, zoals de grote vuurvlinder, en vele andere insecten kun je bij de bloemen aantreffen.
Het liefst staat grote kattenstaart dus op een vochtige plek, in de zon of halfzon. Kattenstaart is bij diverse gespecialiseerde winkels biologisch gekweekt te verkrijgen, waaronder Sprinklr en Vivara.
Grote kattenstaart heeft een prachtige bloei, die veel biodiversiteit aantrekt in de vorm van allerlei verschillende soorten insecten
Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare)
Bloeitijd: juli tot en met september
Standplaats: zonnig tot licht beschaduwd, voedselrijke en open bodem
Hoogte: 80-120 cm
Soort: nectarplant & waardplant (nachtvlinders)
Boerenwormkruid is een sterke vaste plant die goed groeit op droge grond. Het is een pionierplant, je ziet hem veel op verstoorde bodem. Hij bloeit met ronde knopjes van gele bloemhoofdjes. De gele bloemen verschijnen in de zomer en trekken verschillende insecten aan, waaronder verschillende soorten dagvlinders. Meerdere soorten nachtvlinders en ook wantsen hebben de plant nodig als waardplant.
Deze plant bloeit wat later in het jaar, waardoor je ook in de nazomer en begin najaar nog nectar kunt aanbieden aan vlinders en andere insecten in je tuin. De naam heeft de plant te danken aan zijn wormdrijvende kwaliteiten. Dieren in het wild eten van de plant om van wormen af te komen.
Vroeger werden er bosjes gedroogd boerenwormkruid opgehangen om insecten te weren. De geur werkt afschrikwekkend tegen insecten. Boerenwormkruid is, biologisch gekweekt, verkrijgbaar bij onder andere Sprinklr en Vivara.
Echte guldenroede (Solidago virgaurea)
Bloeitijd: juli-oktober
Standplaats: zonnig tot halfschaduw, matig voedselrijke tot vrije arme bodem, goed doorlaatbaar
Hoogte: 40-100 cm
Soort: nectarplant & waardplant (nachtvlinders)
Echte guldenroede vind je in de natuur in bosranden, bossen, heiden en op zandgronden. Omdat deze plant, net als boerenwormkruid, later in het seizoen bloeit, is het een belangrijke nectarbron voor vlinders in de nazomer.
Deze plant heeft veel nectar en is daarom geliefd bij zowel dag- als nachtvlinders. Je kunt op deze plant onder andere aantreffen: atalanta, dagpauwoog, citroenvlinder, groot en klein koolwitje, kleine vos, gehakkelde aurelia en oranje zandoogje. Daarnaast ook diverse nachtvlinders en microvlinders, maar ook bijen en zweefvliegen.
Echte guldenroede is dus een echte magneet voor meer leven in je tuin. Je bestelt echte guldenroede -biologisch gekweekt- bij Vivara.
Grote brandnetel (Urtica dioica)
Bloeitijd: juni-oktober/november
Standplaats: vochtige, natte gronden die stikstofrijk zijn, halfschaduw
Hoogte: 30-80 cm (met uitschieters naar boven)
Soort: waardplant
Grote brandnetel, wie kent hem niet? De een verafschuwt hem, de ander verwelkomt hem in de tuin. Als je vlinders een handje wil helpen, is brandnetel laten staan een zeer goed idee. Grote brandnetel is een van de belangrijkste waardplanten voor vlinders in Nederland, zoals voor de kleine vos, dagpauwoog, landkaartje en atalanta.
De plant maakt kleine, groenachtige bloemen aan in de oksels van de bladeren, die een soort pluimen vormen. Je ziet de plant veel in bossen, langs heggen, slootkanten, braakliggende grond en in voedselrijke tuinen. Wanneer je hem zijn gang laat gaan, kan hij wel tot twee meter groot worden. Die kans krijgt hij over het algemeen niet. Grote brandnetel is tweehuizig, dat betekent dat er mannelijke en vrouwelijke planten zijn.
Niet alleen voor vlinders is de plant van belang, ook wij als mens kunnen veel uit de plant halen. Grote brandnetel zit vol ijzer en je kunt hem gebruiken in de thee, soep of in stamppot. Het beste gebruik je hiervoor de jonge bladeren.
Rupsen van meerdere soorten vlinders eten in mum van tijd brandnetels kaal. Grote brandnetel is een ontzettend belangrijke waardplant voor verschillende soorten vlinders
Ook worden de bladeren gebruikt om neteldoek (of kaasdoek) van te maken. Deze doeken kun je gebruiken om vloeistoffen te filteren, kaas ermee te maken, uitlekken, het afdekken van deeg en ook wordt het wel gebruikt voor kleding. Een ontzettend veelzijdige plant dus!
Een echte aanrader om in je tuin te zetten of te laten staan. In onze natuurtuin hebben we meerdere hoekjes waar de brandnetel zijn gang mag gaan. En ieder jaar zijn we weer verrast door de vele rupsen die we erin zien. Zie onderstaande post van ons wat brandnetel oplevert voor je natuurtuin. We plukken daarnaast ook bladeren om er zelf thee van te maken.
Standplaats: zonnig tot halfschaduw, voedselrijke en vochthoudende grond, goed doorlaatbaar
Hoogte: 4-8 meter
Soort: nectarplant & waardplant
Hop is een sterke plant, die het goed doet op kalkrijke, leemachtige bodem. Het is een uitstekende inheemse klimplant, die je kunt zetten bij bijvoorbeeld schuttingen en muren. Wel moet je de plant wat steun geven bij het klimmen.
Van juli tot september verschijnen – aan de vrouwelijke planten – de kenmerkende hopbellen die ook als een van de belangrijkste ingrediënten van bier dient.
Naast dat deze hopbellen een prachtige sierwaarde hebben, zijn ze ook nog eens goed voor meer biodiversiteit in je tuin. De nectar en het stuifmeel in de hopbellen trekken bijen, hommels, vlinders en zweefvliegen aan. Tevens is hop de waardplant van een aantal vlinders zoals atalanta, gehakkelde aurelia, dagpauwoog en een aantal nachtvlinders.
Hop kan meer dan vier meter hoog worden en groeit ongelofelijk snel, dus regelmatige snoei is vereist. De plant is niet wintergroen, maar sterft in het najaar bovengronds af, waarna deze in het voorjaar weer uitloopt. De klimplant kent een windende groei, wat betekent dat deze een klimrek of spandraad nodig heeft om langs af te winden.
In onze natuurtuin gebruiken we hop als klimplant in een wilde, gemengde haag. Dit staat garant voor meer biodiversiteit in je tuin. Hop is, biologisch gekweekt, bij verschillende gespecialiseerde winkels verkrijgbaar, zoals Sprinklr.
Hop is een sterke klimplant die met aromatische hopbellen bloeit. Ze is een waardplant voor meerdere soorten vlinders en een lust voor het oog, dus genoeg redenen om deze klimplant ergens in je tuin of op je balkon te gebruiken
Sporkehout (Frangula alnus)
Bloeitijd: mei-september
Standplaats: zon tot halfschaduw, vochthoudende tot natte grond
Hoogte: 1,50 meter tot 5 meter
Soort: waardplant
De inheemse struik (of heester) sporkehout heeft een lange bloei en biedt daarmee voor lange tijd nectar aan insecten aan. Misschien ken je deze struik wel onder de andere bekende naam: vuilboom. Sporkehout of vuilboom heeft een hoge ecologische waarde.
De naam ‘vuilboom’ heeft een lange geschiedenis. Vroeger werden de bessen en gedroogde bast gebruikt als laxeermiddel. Op die manier hielp de plant om het lichaam te reinigen, oftewel te ontdoen van vuil (zoals verstoppingen of schadelijke stoffen). Let op wanneer je dit zelf wil testen: verse bessen en schors zijn giftig!
Een naam die met ere kan worden gedragen door deze snelgroeiende struik, is ook wel ‘koning van de biodiversiteit’. Hij is op meerdere manieren van groot belang voor de natuur. Het is de waardplant voor de citroenvlinder en het boomblauwtje. Hun rupsen eten uitsluitend de bladeren van sporkehout (en nauw verwante wegedoorn). Staat deze struik er niet, dan kunnen zij zich niet voortplanten.
Daarnaast biedt het door de lange bloei een constante nectarbron voor vele insectensoorten, ook als andere soorten allang zijn uitgebloeid. En tot slot bezoeken ook vogels deze plant graag, want na de bloei vormt de plant bessen die geliefd zijn bij bijvoorbeeld merel, grote lijster en kramsvogel.
Sporkehout (vuilboom) is biologisch gekweekt verkrijgbaar bij verschillende speciaalzaken, waaronder Vivara en Sprinklr.
Sporkehout is van groot belang voor biodiversiteit in je tuin: lange bloei en nectar voor vlinders en andere insecten en daarna bessen voor de vogels
Hoe maak je een vlindervriendelijke tuin
Om veel vlinders naar je tuin te trekken is het dus belangrijk om veel bloeiende, inheemse planten aan te planten. Denk er aan dat je zowel nectarplanten als waardplanten in je tuin gebruikt. Gebruik geen bestrijdingsmiddelen en andere pesticiden in je tuin, want daar zijn vlinder zeer gevoelig voor. Zorg er voor dat er van het voorjaar tot en met het najaar (maart-september/oktober) voldoende bloeien planten aanzwezig zijn voor het nodige nectar en stuifmeel. Zorg tot slot voor een niet te strakke tuin, waar ook ruimte is voor rommelhoekjes en uitgebloeide planten.
Veelgemaakte fouten bij vlinderplanten
Een van de meest voorkomende fouten is door alleen maar te focussen op (uitheemse) nectarplanten (denk bijvoorbeeld aan vlinderstruik). Deze bieden wel voedsel voor de volwassen dieren, maar rupsen kunnen er vaak niets mee. Het is dus net zo essentieel om ook voldoende waardplanten (bijvoorbeeld sporkehout) in je tuinplan op te nemen.
De nette en strakke tuinen zijn daarnaast ook een probleem voor vlinders en andere insecten. Rommelhoekjes bieden schuilplekken en uitgebloeide planten en hoge vegetatie bieden overwinteringsplekken. Ruim dus een keer wat minder op in je tuin en je doet veel dieren een plezier.
Uitgebloeide planten en rommelhoekjes zijn cruciaal voor vlinders en andere insecten (de Natuur van hier)
Een andere fout die vaak gemaakt wordt is dat er niet genoeg wordt nagedacht over de plantenkeuze, waardoor veel planten op hetzelfde moment bloeien en er op andere momenten vrijwel niets bloeit. Vlinders hebben het hele seizoen lang voedsel nodig in de vorm van nectar, kies dus voor planten die op verschillende momenten bloeien.
Afsluiting
Met de juiste inheemse nectarplanten en waardplanten kun je dus een natuurlijke tuin creëren waar veel vlinders op af komen. Wil je verder aan de slag met inheemse beplanting? Bekijk dan ook onze andere artikelen en ontdek hoe je stap voor stap een natuurlijke tuin kunt creëren met behulp van ons e-book.
Met behulp van ons praktische e-book maak je van jouw tuin een tuin vol leven en voorkom je beginnersfouten
Wil je meer tips voor over inheemse planten, een klimaatbestendige tuin of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!
Na deel I van de serie over eendachtigen in Nederland, waarin de algemene kenmerken en de taxonomische indeling van deze familie besproken werd, is het nu tijd om dieper in de soorten te duiken. We starten met de grondeleenden, deze worden in twee delen besproken. In totaal zijn er negen broedende grondeleenden en een scala aan dwaalgasten te vinden in ons land. In dit deel worden de eerste vijf broedende grondeleenden besproken.
Grondeleenden zijn een geslachtsgroep binnen de eendenfamilie, waarbij de soorten onderling een bepaald arsenaal aan gelijke kenmerken heeft. De naam is afgeleid van de manier waarop voedsel gezocht en gevonden wordt. In tegenstelling tot duikeenden duiken grondeleenden niet voor hun voedsel, maar doen ze dit op een grondelenede wijze. Dit betekent dat ze met hun hoofd onder water en hun kont naar boven gestoken in ondiep naar voedsel zoeken.
Er wordt dan voornamelijk plantaardig voedsel, zoals plantendelen, wortels en zaden gegeten. Ook wordt dierlijk voedsel gegeten, de ene soort meer dan de ander, maar in de regel eten ze hoofdzakelijk plantaardig voedsel.
Het lichaam van grondeleenden is hier ook op aangepast. Ze zijn minder gestroomlijnd dan duikeenden en hebben de poten meer onder het lichaam. Hiermee kunnen ze ook gemakkelijker op land lopen. Sommige soorten grazen zelfs gras op land. Ze liggen daarnaast minder diep in het water dan duikeenden doen. Ze kunnen moeiteloos vanuit het water opvliegen.
Broedende grondeleenden
In Nederland zijn er een negental broedende grondeleenden te vinden. Daarnaast zijn er nog tal van dwaalgasten te vinden. Deze komen maar af en toe voor in ons land en sommige dwaalgasten zijn afkomstig uit privé collecties. De negen broedende grondeleenden in Nederland:
Wilde eend (Anas platyrhynchos)
Slobeend (Spatula clypeata)
Pijlstaart (Anas acuta)
Zomertaling (Spatula querquedula)
Wintertaling (Anas crecca)
Mandarijneend (Aix galericulata)
Krakeend (Mareca strepera)
Muskuseend (Cairina moschata)
Smient (Mareca penelope)
Broedende grondeleenden in Nederland
Over de laatste twee soorten in deze lijst, de mandarijneend (het hele Aix geslacht overigens) en de muskuseend, bestaat nog discussie. Deze zouden wellicht onder de halfganzen ingedeeld moeten worden.
De bekendste grondeleend in ons land is toch wel de wilde eend. Wilde eenden bereiken een lichaamslengte van 50-62 centimeter en een spanwijdte van 90-98 centimeter. Het mannetje (de woerd) heeft een groene kop met een witte halsband en een bruine borst. Opvallend zijn de zwarte gekrulde staartveren. Het is de enige eendensoort waarbij de staartveren gekruld zijn. Verder valt de blauwe vleugelspiegel op (welke vrouwtjes ook hebben). Vrouwtjes zijn soberder gekleurd, met verschillende tinten bruin. Ze lijken daarmee veel op de vrouwtjes van de krakeenden. Belangrijk verschil is de kenmerkende blauwe (met wit omrande) vleugelspiegel.
Het mannetje lijkt in de nazomer/winter veel op het vrouwtje qua verenkleed, deze dragen dan hun eclipskleed. Mannetjes en vrouwtjes zijn dan nog van elkaar te onderscheiden aan de hand van de snavelkleur. Deze is bij mannetjes geelachtig en bij vrouwtjes zeemkleurig.
Het mannetje wilde eend heeft een bont verenkleed (de Natuur van hier)
Leefwijze en voedsel
Wilde eenden komen talrijk voor in hun verspreidingsgebied. In Europa is het zelfs de meest algemene eendensoort. Ze zijn veel te vinden op van allerlei wateren. Meren, plassen, vijvers en rivieren zijn allen geschikt. Bij voorkeur kiezen ze voedselrijke wateren die niet te diep zijn, zodat ze al grondelend hun voedsel kunnen zoeken. Meestal zoet water, maar dit is geen harde eis. Ze hebben weinig last van menselijke aanwezigheid en verstoring, ze zijn vaak ook te vinden op vijvers in stadsparken of in tuinen.
Het is hoofdzakelijk een planteneter, maar af en toe dierlijk voedsel wordt zeker niet overgeslagen. Vooral in de winter neemt het gedeelte dierlijk voedsel toe. Qua dierlijk voedsel wordt er zowel kleine vis als ongewervelden gegeten. Plantaardig voedsel wordt genuttigd in de vorm van zaden, plantenwortels en andere plantendelen. Daearnaast komt het ook voor dat ze op land op gras grazen.
Voortplanting en trekgedrag
Wilde eenden beginnen kennen een lang broedseizoen en beginnen vaak al in februari met broeden. Een legsel bestaat uit 1 tot 13 eieren, welke na ongeveer een maand zijn uitgebroed. De juveniele dieren blijven lang bij het nest, ze kunnen na 50 tot 70 dagen vliegen.
De wilde eenden in Nederland (en in andere gebieden met een gematigd klimaat) zijn hoofdzakelijk standvogels, wat betekent dat ze hier in de winter ook verblijven. In de winter krijgen ze echter wel gezelschap van meer noordelijk broedende individuen. Deze trekken over korte afstand om de winter meer zuidelijk door te brengen. Aan het einde van de winter verlaten deze individuen ons land weer om hun broedgebied op te zoeken.
Pijlstaart (Anas acuta)
Verwant aan de wilde eend is de pijlstaart, deze behoort tot hetzelfde geslacht (Anas). De pijlstaart bereikt een lichaamslengte van 51-66 centimeter en een spanwijdte van 80-95 centimeter. Mannetjes zijn opvallend gekleurd, met een bruine kop en een witte borst, welke in een punt doorloopt tot op het achterhoofd. De buik is ook wit, en ze hebben een zwart witte staart met uitzonderlijk lange staartveren, waaraan ze de naam te danken hebben. De rest van het verenkleed is overwegend grijs gekleurd. Verder valt de lange nek op bij pijlstaarten.
Vrouwtjes zijn een stuk minder opvallend gekleurd en hebben een verenkleed dat bestaat uit verschillende tinten bruin. Ook vrouwtjes hebben langere staartveren, maar niet zo lang als mannetjes. De langere staartveren kan gemakkelijk zijn om ze te onderscheiden van bijvoorbeeld vrouwtjes wilde eenden. Ze hebben daarnaast een zwarte snavel en een donkere kop.
Mannetjes pijlstaarten zijn bontgekleurde eenden met opvallend lange staartveren
Leefwijze en voedsel
Pijlstaarten komen voor op open wateren, die het liefst niet te diep zijn. In Nederland zijn pijlstaarten vaak te vinden in het Waddengebied of in de Delta. In winter komen ze soms ook voor op meren in het binnenland. Nederland ligt op de zuidgrens van het verspreidingsgebied van de pijlstaart.
Het zijn hoofdzakelijk planteneters. Voornamelijk plantenzaden worden gegeten. Met hun lange nek kunnen ze diep grondelen, dieper dan de meeste andere grondeleenden. In het broedseizoen wordt er naast plantaardig, ook dierlijk voedsel gegeten. Kleine visjes en waterinsecten staan dan op het menu.
Voortplanting en trekgedrag
Pijlstaarten leggen ongeveer 6 tot 12 eieren in een legsel. Ze doen er ongeveer 23 dagen over om deze eieren uit te broeden. Na 40-45 dagen kunnen de jongen vliegen.
De pijlstaart is het hele jaar in Nederland te zien, echter is het een uiterst schaarse broedvogel. Jaarlijks worden er enkele gevallen geregistreerd, meestal bevinden deze zich in het Waddengebied of in de Delta.
Het is een uitgesproken trekvogel welke vaak naar Zuid-Europa of Afrika trekt. Ze trekken in grote groepen, voornamelijk ’s nachts. Ze vliegen dan in de bekende v-formatie.
Wintertaling (Anas crecca)
De derde, en laatste, grondeleend van het geslacht Anas dat in Nederland voorkomt is de wintertaling. De wintertaling is de kleinste algemeen voorkomende eend in Nederland en tevens ook in Europa. Ze bereiken een lichaamslengte van 34-38 centimeter en een spanwijdte van 58-64 centimeter.
Mannetjes hebben een kastanjebruine kop met een groen vlek rondom het oog, die doorloopt tot op het achterhoofd. Ze hebben daarnaast een opvallend gespikkelde borst. Verder zijn ze overwegend grijs gekleurd, met een horizontale witte streep op de flanken. Het achterwerk is een combinatie van geel en zwart.
Vrouwtjes zijn onopvallend bruin gekleurd, met een groene spiegel (de achterkant van de vleugel). Op basis van de spiegel zijn vrouwtjes wintertalingen te onderscheiden van vrouwtjes zomertalingen, die er verder veel op lijken.
Wintertaling
Leefwijze en voedsel
Wintertalingen bevinden zich het liefst op ondiepe wateren met oeverbegroeiing. In de winter verzamelen wintertalingen zich vaak in grote groepen. Het zijn hoofdzakelijk planteneters. Ze eten veel plantenzaden, maar ook andere delen van planten en gras worden gegeten. Het voedsel vinden ze al grondelend of door water met hun mond te filteren. In het broedseizoen ligt het percentage dierlijk voedsel een stuk hoger. Dan worden (aquatische) insecten en ongewervelden gegeten.
Voortplanting en trekgedrag
Over het algemeen wordt er één legsel per broedseizoen gelegd, met daarin 5 tot 16 eieren. Deze worden in circa 23 dagen uitgebroed. De jongen verlaten het nest al snel, na zo’n 25-30 dagen zijn ze vliegvlug. Helaas is er een dalende trend waarneembaar in het aantal broedparen in Nederland.
Afhankelijk van het leefgebied zijn wintertalingen trek- of standvogels. De noordelijke populaties trekken in het najaar naar het zuiden. Ze vliegen dan tot in het Middelands-zeegebied of tot in Afrika. Het aantal wintertalingen in de winter in Nederland is afhankelijk van het weer in de winter en varieert sterk.
De krakeend is een middelgrote eend die een lichaamslengte bereikt van 46-57 centimeter, met een spanwijdte van 84-95 centimeter. Het verenkleed van mannetjes bestaat hoofdzakelijk uit een patroon van fijne, grijze streepjes. Daarnaast hebben ze een bruine kop met zwarte snavel en een overwegend zwarte stuit. De spiegel is wit, zowel bij de woerd als bij de vrouw. Vrouwtjes zijn verder bruin getekend en lijken veel op de vrouwen van de wilde eend. Belangrijkste kenmerken zijn de witte buik en spiegel en de gele snavel.
Mannetjes krakeenden zijn overwegend grijs gekleurd en hebben een opvallende witte spiegel
Leefwijze en voedsel
Krakeenden zijn bewoners van voedselrijke wateren met een rijke oevervegetatie. Het feit dat er steeds meer voedselrijke wateren zijn bijgekomen heeft ervoor gezorgd dat de krakeend veel algemener is geworden. Niet alleen in Nederland, maar door heel Europa.
Het zijn voornamelijk planteneters. Dit vinden ze door te grondelen, maar ze kunnen ook duiken om bij de lekkerste planten te komen. Alle delen van planten worden gegeten. Voornamelijk in de winter wordt ook dierlijk voedsel, in de vorm van insecten en ongewervelden, gegeten.
Voortplanting en trekgedrag
Krakeenden broeden vaak pas laat in het jaar en beperken zich over het algemeen tot één legsel per jaar. Er worden dan 8 tot 12 eieren gelegd, welke in circa 25 dagen worden uitgebroed. De jongen kunnen na 45-50 dagen vliegen.
Noordelijke populaties zijn echte trekvogels en trekken tot in Noord-Afrika. Meer zuidelijk broeden populaties zijn overwegend standvogels.
Smient (Mareca penelope)
Tot slot bespreken we de smient. Smienten worden 45 tot 51 groot en bereiken een spanwijdte van 75 tot 86 centimeter. De woerd heeft een roodbruine kop, met een gele streep op het voorhoofd. Verder hebben ze een overwegend grijs verenkleed en een roze borst. Vrouwtjes zijn onopvallender bruingrijs gekleurd en hebben een witte buik en grijzige snavel.
Vooral ’s nachts is de kenmerkende fluitende roep van mannetjes goed te horen. Ze worden vanwege deze roep ook wel eens fluiteend genoemd.
Smienten broeden nauwelijks in Nederland, maar overwinteren hier massaal
Leefwijze en voedsel
Smienten komen voor op schone wateren met een rijke oeverbegroeiing. Daarnaast is het belangrijk dat er omliggend grasland te vinden is. ’s Nachts grazen ze op graslanden, overdag dobberen ze rustig op het water.
Ze zijn bijna volledig herbivoor. Naast gras eten ze alle delen van waterplanten en algen. In het broedseizoen eten vrouwtjes ook dierlijk voedsel.
Voortplanting en trekgedrag
Het legsel van smienten bestaat uit 7 tot 10 eieren, welke in ongeveer 23 dagen worden uitgebroed. Na 40 tot 45 dagen kunnen de jongen vliegen en verlaten ze het nest. In Nederland is het een uiterst schaarse broedvogel, met hoogstens enkele tientallen paartjes.
In de winter wordt ons land overvallen met smienten. Honderdduizenden smienten komen dan vanuit Scandinavië en Rusland om hier te overwinteren. Nederland is daardoor een van de belangrijkste plekken voor smienten in Europa.
Na in deel II en III de grondeleenden besproken te hebben, is het in deel IV van de serie eenden, ganzen en zwanen in Nederland tijd om de duikeenden te bespreken. We bespreken vijf soorten duikeenden die met regelmaat in Nederland voorkomen. Daarnaast worden enkele dwaalgasten besproken.
Duikeenden zijn een geslachtsgroep binnen de eendachtigen familie, die een aantal gezamenlijke uiterlijke kenmerken vertonen. Ze hebben hun naam te danken aan het feit dat ze onder water duiken om voedsel te vinden. Hier is het lichaam ook op aangepast. Ze hebben een smaller lichaam dan grondeleenden, wat het duiken vergemakkelijkt. De poten staan daarnaast meer naar achteren onder het lichaam. Dit zorgt er ook voor dat ze beter kunnen duiken, maar hierdoor lopen ze op het land meer rechtop dan bijvoorbeeld grondeleenden. Ze hebben daarnaast ook vaak een wat kortere hals.
Duikeenden zijn omnivoren. De een eet wat meer plantaardig voedsel, de ander wat meer dierlijk, maar vrijwel alle soorten eten zowel beide. Als plantaardig voedsel eten ze planten, plantenwortels en zaden en als dierlijk voedsel vis en ongewervelden, zoals slakken en (water)insecten.
Broedende duikeenden
Er zijn in Nederland vier soorten duikeenden te vinden die hier broeden (sommige in veelvoud, andere maar een enkele keer). Daarnaast zijn er nog eens drie soorten die hier wel voor komen (sommige maar een enkele keer), maar niet broeden.
De eerste die we bespreken is de kuifeend. Dit zijn vrij forse eenden, welke een lichaamslengte van 40 tot 47 centimeter en een spanwijdte van 65 tot 72 centimeter bereiken. De mannetjes zijn opvallend wit-zwart gekleurd, waarbij de buik wit is. De vrouwtjes zijn onopvallender bruin gekleurd. In vlucht valt de witte baan over de slagpennen goed op. Daarnaast hebben ze een opvallend geel oog. Maar het meest kenmerkende is de kuif, die zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben. Echter is deze bij mannetjes wel een stuk groter.
Kuifeend (de Natuur van hier)
Leefwijze en voedsel
Kuifeenden hebben een breed leefgebied. Ze zijn te vinden op meren, vijvers en plassen van alle maten. Ze komen daarnaast ook voor op rustig stromende rivieren. Het zijn sterke zwemmers, waardoor ze makkelijk tegen de stroming in kunnen zwemmen. Kuifeenden houden van begroeide oevers en eilanden waarin ze veilig kunnen broeden.
Ze besteden veel tijd op het water, op zoek naar voedsel. Hiervoor duiken ze onder water, op zoek naar van allerlei ongewervelde dieren, zoals slakken en zoetwatermossels. Daarnaast eten ze ook planten, zaden en algen.
Voortplanting en trekgedrag
Broeden gebeurt op een beschutte plek in de vegetatie aan de oever. Een legsel bestaat uit zes tot twaalf eieren. De broedduur is ongeveer 25 dagen. Na zo’n 45 dagen zijn de jongen vliegvlug. De kuifeend is een talrijke broedvogel in Nederland.
Nederlandse kuifeenden trekken in het najaar voornamelijk naar Zuid-Frankrijk. Ons land wordt dan echter massaal bezocht door kuifeenden uit Noord- en Centraal-Europa. Het is gedurende de wintermaanden één van de talrijkste duikeenden in ons land.
Kuifeenden overwinteren in zeer grote aantallen in ons land
Tafeleend (Aythya ferina)
Tafeleenden zijn nog net wat groter dan kuifeenden, met een lichaamslengte van 42 tot 49 centimeter en een spanwijdte van 72 tot 82 centimeter. De mannetjes hebben een roodbruin hoofd met een rood oog. Daarnaast hebben ze een zwarte borst en stuit en is de rest van het verenkleed grijs gekleurd. Vrouwtjes zijn minder opvallend van kleur. Ze hebben een lichtbruin hoofd en stuit, de rest van het verenkleed is grijsbruin.
Mannetjes tafeleenden hebben een prachtig roodbruin hoofd met een rood oog
Leefwijze en voedsel
De leefwijze van tafeleenden is vergelijkbaar met die van kuifeenden. Ze komen ook voor op meren, vijvers en plassen, maar daarnaast ook op rustig stromende rivieren. Ook qua gedrag en voedsel zijn ze vergelijkbaar, al is het menu iets plantaardiger van aard. Planten, wortelstokken van planten en zaden wordt gegeten. Als dierlijk voedsel ook voornamelijk ongewervelden in de vorm van slakken, mosselen en schaaldieren.
Voortplanting en trekgedrag
De tafeleend is een schaarse broedvogel. Een legsel bestaat uit zes tot twaalf eieren, welke in ongeveer 25 dagen worden uitgebroed. De jonge dieren zijn in het begin heel donker van kleur en kunnen na circa 50 dagen vliegen.
De tafeleenden die in Nederland broeden blijven ook gedurende de winter in ons land. Het aantal tafeleenden neemt in de winter fors toe, doordat individuen uit Noord- en Centraal-Europa hier komen overwinteren. Opvallend is dat de mannetjes vaak al beginnen met trekken als de vrouwtjes nog aan het broeden zijn. De vrouwtjes volgen dan later met de jongen.
De witoogeend is een eend met een lichaamslengte van 38 tot 42 centimeter en een spanwijdte van 63 tot 67 centimeter, waarmee deze net wat kleiner is dan de kuifeend. Ze hebben een kastanjebruine kop en nek en zijn zwart op de rug. De vleugels hebben bovenop een wat groenige schijn. Ze hebben daarnaast een witte buik en stuit en in vlucht valt de witte vleugelstreep goed op. Het opvallendste kenmerk (waarnaar de eend ook vernoemd is) is het witte oog. Vrouwtjes zijn wat valer gekleurd dan mannetjes, maar hebben wel grotendeels dezelfde kleurschakelingen.
Witoogeend
Leefwijze en voedsel
Witoogeenden zijn vaak te vinden in grote groepen met andere duikeenden. Ze houden zich op, op grotere plassen met een rijke onderwaterbegroeiing en een rijke oevervegetatie. In de oevervegetatie broeden ze, de onderwaterbegroeiing is het grootste deel van hun voedsel. Ze zijn voornamelijk herbivoor en eten dan waterplanten, moerasplanten en zaden. Daarnaast bestaat een klein gedeelte van het menu uit dierlijk voedsel, in de vorm van ongewervelde dieren.
Voortplanting en trekgedrag
Witoogeenden zijn vrij zeldzaam in Nederland. Soms wordt er gebroed in Nederland, maar dat is zeker geen zekerheid. Ook komt het voor dat witoogeenden paren met andere duikeenden, wanneer beschikbare soortgenoten schaars zijn. De meeste broedparen bevinden zich in Oost-Europa.
Een legsel bestaat meestal uit 6 tot 11 eieren, welke in circa 26 dagen worden uitgebroed. Het duurt daarna nog eens 60 dagen voordat de jongen uitvliegen.
Ook als doortrekker en wintergast is de witoogeend maar in kleine aantallen vertegenwoordigd in ons land. Over heel Europa gezien is er ook een afnemende trend zichtbaar in de populatie witoogeenden.
Krooneend (Netta rufina)
De laatste duikeend die in Nederland broedt is de krooneend. Krooneenden zijn grote eenden die een lichaamslengte van 53 tot 57 centimeter en een spanwijdte van 84 tot 88 centimeter bereiken. Het opvallendste kenmerk is de grote, ronde bruinoranje kop en rode snavel van de mannetjes. Verder hebben de mannetjes een zwarte hals en buik, een lichtbruine rug met aangrenzend lichter gekleurde delen. Vrouwtjes zijn in diverse tinten bruin gekleurd. Daarnaast hebben vrouwtjes een donkere snavel met een rode vlek. Zowel bij mannetjes als bij vrouwtjes vallen de witte vleugelstrepen in vlucht goed op.
De ronde, bruinoranje kop en rode snavel van mannetjes krooneenden vallen goed op
Leefwijze en voedsel
Krooneenden voelen zich thuis op vrij grote plassen, met een rijke onderwater- en oevervegetatie. De oevervegetatie biedt schuilmogelijkheden en een goede broedplek, de onderwatervegetatie biedt voedsel. Krooneenden zijn hoofdzakelijk planteneters. Vooral kranswieren worden gegeten. Daarnaast eten ze soms ook wat dierlijk voedsel, echter is dit beperkt.
Voortplanting en trekgedrag
De krooneend komt oorspronkelijk uit Azië, maar door afname van het leefgebied zijn ze uitgeweken naar Europa. Het eerste broedgeval in Nederland dateert uit 1942. Sinds de jaren ’90 neemt het aantal broedgevallen toe, echter is het nog steeds een vrij schaarse broedvogel.
In een nest op een rustige plek in de oevervegetatie worden 6 tot 12 eieren gelegd. Na zo’n 28 dagen broeden komen de eieren uit. De jongen kunnen na 45 tot 50 dagen vliegen.
Krooneenden zijn in Nederland deels standvogel en deels trekvogel. De wegtrekkende soorten overwinteren in Midden en Zuidwest-Europa.
Duikeenden – wintergasten
Naast broedende soorten is er ook nog een wintergast onder de duikeenden. Deze broedt meer noordelijk en bezoekt ons land in het najaar om hier te overwinteren.
Topper (Aythya marila)
De topper, of toppereend, lijkt veel op de wel in Nederland broedende kuifeend, maar toch zijn er een aantal verschillen op te merken. Met een lichaamslengte van 39 tot 56 centimeter en een spanwijdte van 71 tot 84 centimeter wordt de topper iets groter dan de kuifeend. Daarnaast ontbreekt de kenmerkende kuif bij de topper. Mannetjes toppers hebben een zwarte kop, hals en staart. Verder is de bovenkant grijs (bij de kuifeend wit) en de onderkant wit gekleurd. Ze hebben een blauwgrijze snavel, net zoals de vrouwtjes overigens.
Vrouwtjes zijn wat soberder gekleurd. Ze hebben een bruine kop en buik en een grijze rug. Opvallend is de lichtgekleurde ring om de snavel bij de vrouwtjes, een belangrijk kenmerk om ze te onderscheiden van de vrouwtjes kuifeenden.
Toppers lijken op kuifeenden, maar toch zijn er wel wat verschillen op te merken (Saxifraga – Jan Nijendijk)
Leefwijze en voedsel
Toppers vinden we meestal terug op wateren bestaande uit zout of brak water. Vaak zijn ze te vinden in de buurt van zee, op ondiepe kustwateren. Ze broeden op de toendra’s in het noorden. Overwinteren gebeurt meer zuidelijk, waarbij Nederland een belangrijke overwinteringsplek is. Vooral het IJsselmeer en de Wadden zijn dan van belang. Hier verzamelen zich dan grote groepen toppers. In februari start de terugtocht naar de broedgebieden. In de zomer ontbreekt de topper in ons land, op enkele losse exemplaren na.
Toppers zijn omnivoren en kunnen diep duiken om hun voedsel te vinden. Ze kunnen tot wel zes meter diep duiken en tot één minuut onder water blijven. Er worden voornamelijk schelpdieren, meestal in de vorm van mossels, gegeten. Daarnaast eten ze ook krabben en andere ongewervelde dieren, maar ook kleine vissen en plantaardig voedsel in de vorm van zeegras wordt gegeten. Er zijn zelfs gevallen bekend die kikkers eten, indien aanwezig.
Nu zijn alle duikeenden besproken die hier op regelmatige basis voorkomen. Deze worden echter nog aangevuld met soorten die hier maar sporadisch gezien worden, de zogenaamde dwaalgasten. Deze zullen nog kort benoemd worden.
We starten met de kleine topper (Aythya affinis). Het kleinere broertje van de in Nederland overwinterende topper broedt in de Verenigde Staten en Canada en overwintert normaliter in Midden-Amerika en de Cariben. Zo nu en dan raakt er een uit koers en komt deze in Europa terecht. Vaak duiken ze dan in Engeland op, maar soms worden ze ook gezien in Nederland. Het totaal aantal waarneming ligt nu op iets meer dan 20 stuks.
Tot slot nog de ringsnaveleend (Aythya collaris). De ringsnaveleend is ook een duikeend die zich normaal begeeft in de Verenigde staten en overwintert in Midden-Amerika. Ook hiervan komen soms verdwaalde exemplaren in Europa terecht. In totaal is de ringsnaveleend nu ongeveer 50 keer waargenomen in Nederland.
De ringsnaveleend is een soort die hier gewoonlijk niet voorkomt, maar soms is er toch een verdwaald exemplaar te zien
Waar water is te vinden, zijn ook meestal eenden te vinden. Eenden komen in Nederland in allerlei soorten en maten voor. De familie eendachtigen is een grote familie van watervogels, waartoe naast de eenden ook de ganzen en zwanen behoren. In deze blogserie bespreken we alle eendachtigen die in Nederland voorkomen.
Ook ganzen behoren tot de familie eendachtigen (de Natuur van hier)
De familie eendachtigen (Anatidae) behoort tot de orde eendvogels. Binnen deze orde zijn nog twee andere families te vinden: de hoenderkoeten en de eksterganzen. De eksterganzen is een familie waartoe maar één geslacht, met slechts één soort behoort, de ekstergans. De hoenderkoeten bestaan uit drie soorten, die alleen voorkomen in Zuid-Amerika. De familie eendachtigen (ook wel eenden, ganzen en zwanen genoemd) is veruit de grootste binnen de orde, met 53 geslachten en meer dan 170 soorten.
In Nederland komen, grofweg genomen, 42 soorten voor, verdeeld over 16 geslachten. De frequentie per soort verschilt echter sterk. Iedere soort houdt er zijn eigen strategie op na. Er zijn soorten die hier het hele jaar verblijven en hier broeden, soorten die hier enkel als wintergast aanwezig zijn en soorten die maar zelden gezien worden, de zogenaamde dwaalgasten. Door verschillende factoren (denk aan verandering van migratieroutes en verspreidingsgebied door klimaatverandering) veranderen deze strategieën ook. Nieuwe soorten komen en bestaande soorten verdwijnen op sommige momenten.
Onderstaand een lijst van eenden in Nederland. In deze lijst zijn alle eenden opgenomen die in het recente verleden gebroed hebben in ons land.
Kuifeend (Aythya fuligula)
Tafeleend (Aythya ferina)
Witoogeend (Aythya nyroca)
Krooneend (Netta rufina)
Krakeend (Mareca strepera)
Smient (Mareca penelope)
Mandarijneend (Aix galericulata)
Muskuseend (Cairina moschata)
Pijlstaart (Anas acuta)
Wilde eend (Anas platyrhynchos)
Wintertaling (Anas crecca)
Slobeend (Spatula clypeata)
Zomertaling (Spatula querquedula)
Nonnetje (Mergellus albellus)
Middelste zaagbek (Mergus serrator)
IJseend (Clangula hyemalis)
Brilduiker (Bucephala clangula)
Rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis)
Eider (Somateria mollissima)
Broedende eenden in Nederland
Dan zijn er nog een aantal eenden die hier wel met regelmaat voorkomen, maar niet broeden.
Topper (Aythya marila)
Grote zee-eend (Melanitta fusca)
Grote zaagbek (Mergus merganser)
Zwarte zee-eend (Melanitta nigra)
Niet broedende eenden in Nederland
Vervolgens de lijst van broedende ganzen in Nederland. In deze lijst zijn ook de halfganzen bergeend, casarca en nijlgans opgenomen.
Bergeend (Tadorna tadorna)
Grauwe gans (Anser anser)
Casarca (Tadorna ferruginae)
Sneeuwgans (Anser caerulescens)
Nijlgans (Alopochen aegyptiaca)
Indische gans (Anser indicus)
Toendrarietgans (Anser serrirostris)
Brandgans (Branta leucopsis)
Kolgans (Anser albifrons)
Grote Canadese gans (Branta canadensis)
Broedende ganzen en halfganzen in Nederland
Dan zijn er nog een aantal ganzen die hier niet broeden, maar wel in ons land verblijven als wintergast. In deze lijst zijn enkel de wintergasten opgenomen die hier jaarlijks met meerdere exemplaren aanwezig zijn. De dwaalgasten zijn hier dus niet in terug te vinden.
Dwerggans (Anser erythropus)
Kleine rietgans (Anser brachyrhynchus)
Taigarietgans (Anser fabalis)
Roodhalsgans (Branta ruficollis)
Rotgans (Branta bernicla)
Tot slot nog de zwanen. Omdat dit er maar een paar zijn hebben we besloten deze in één lijst op te nemen en aanvullend erbij te zetten of ze hier als broedvogel te vinden zijn, of uitsluitend als wintergast.
Kleine zwaan (Cygnus bewickii) – broedt niet in Nederland, aanwezig als wintergast.
Knobbelzwaan (Cygnus olor) – hele jaar aanwezig, vrij talrijke broedvogel.
Wilde zwaan (Cygnus cygnus) – enkele succesvolle broedgevallen bekend in Nederland.
Zwarte zwaan (Cygnus atratus) – hele jaar aanwezig, schaarse broedvogel.
Een van de opvallendste kenmerken van eendachtigen is de vrijwel platte snavel. Daarnaast hebben ze een lange nek, relatief korte en puntige vleugels en zwemvliezen tussen de tenen. Naast de zwemvliezen zijn ze ook middels hun verenkleed uitstekend aangepast op het leven in het water. De veren zijn namelijk voorzien van speciale oliën, waardoor ze waterafstotend zijn. De korte, puntige vleugels zijn voorzien van stevige spieren, waardoor het goede vliegers zijn.
Een van de beste kenmerken van eendachtigen is de platte snavel
De meeste soorten zijn als adult hoofdzakelijk herbivoor (al eten sommige soorten ook zo nu en dan vis of ongewervelde dieren). Jonge dieren krijgen vaak eitwikrijk voedsel, in de vorm van ongewervelden, bijgevoerd. De zaagbekken eten voornamelijk vis en hebben dan ook een gekartelde snavel.
Een ander belangrijk kenmerk van eendvogels is dat ze een penis hebben, welke bij veel andere vogelsoorten ontbreekt.
Verschillen met andere eendvogels
Zoals eerder benoemd zijn de eendachtigen een familie binnen de orde eendvogels, samen met de hoenderkoeten en de ekstergans. Eendvogels waren er al in het Krijt, tijdens het laatste tijdperk van de dinosaurussen, en hebben zich in de loop der tijd geëvolueerd in alle soorten die er tegenwoordig zijn.
De hoenderkoeten en ekstergans worden met een reden binnen de eendvogels in een andere familie ingedeeld. In tegenstelling tot de eendachtigen hebben hoenderkoeten geen zwemvliezen tussen de tenen. De ekstergans heeft ook bijna geen zwemvliezen. Een ander belangrijk verschil tussen de ekstergans en de eendachtigen is dat de ekstergans gedeeltelijk ruit, eendachtigen ruien in één keer. Dit heeft als nadeel dat ze in die periode niet kunnen vliegen en zich schuil moeten houden in de begroeiing.
De ekstergans behoort tot een monotypisch geslacht, wat betekent dat het de enige soort is binnen dit geslacht
Taxonomische indeling
Met 53 geslachten en ruim 170 soorten kunnen we spreken van een omvangrijke familie. De verdere onderverdeling is een beetje lastig te maken, omdat hier door wetenschappers nog geen eenduidig antwoord op is gegeven. Vaak worden de eendachtigen nog onderverdeeld in vijf onderfamilies, maar dit is dus nog niet algemeen geaccepteerd. Deze onderverdeling ziet er als volgt uit: de eenden, ganzen, Merginae (zaagbekken, brilduikers, ijseenden, eiders en zee-eenden), stekelstaarten en halfganzen. Voor het gemak zijn wij uitgegaan van de verdeling die vaak in de volksmond wordt gemaakt: de eenden, ganzen en zwanen.
Het is daarnaast lastig aan te geven hoeveel soorten er exact in Nederland voorkomen. Er zijn soorten die hier broeden, als wintergast verblijven of enkel als dwaalgast. Maar ook in deze verdeling vinden regelmatig verschuivingen plaats door meerdere redenen. Mocht er volgens jou een soort ontbreken, die toch regelmatig voorkomt in Nederland, laat het ons dan weten in de comments. Zo proberen we een zo actueel mogelijk overzicht te geven van eendachtigen in Nederland.
Broedende eenden, ganzen en zwanen in Nederland
Om een visueel overzicht te creëren, hebben we per groep een taxonomische indeling gemaakt. In dit overzicht is duidelijk te zien welke soorten tot hetzelfde geslacht behoren en het meest aan elkaar verwant zijn. Om er voor te zorgen dat het leesbaar blijft, hebben we besloten enkel broedende soorten in dit overzicht mee te nemen. De winter- en dwaalgasten zijn hierin dus niet terug te vinden, maar worden wel in de blogserie besproken.
Taxonomie eenden in Nederland (De Natuur van hier)
In de blogserie wordt verder gesproken over broedaantallen en in welke mate een soort als wintergast aanwezig is. Deze aantallen zijn gebaseerd op de laatst bekende informatie van de Vogelbescherming.
Taxonomie ganzen in Nederland (De Natuur van hier)
De eenden en ganzen zijn in de blogserie nog verder onderverdeeld in bepaalde geslachtsgroepen. Zo spreken we van duikeenden, grondeleenden, zaagbekken en zee-eenden. Van de geslachtsgroepen stekelstaarten, brilduikers, ijseenden en eiders komen elk maar één soort voor. De ganzen worden verder onderverdeeld in halfganzen, zwarte ganzen en grijze ganzen.
Taxonomie zwanen in Nederland (De Natuur van hier)
De serie eenden, ganzen en zwanen in Nederland
In totaal zijn er elf blogs nodig om de talrijke familie eendachtigen te bespreken. Onderstaand een overzicht van de blogserie.
Naast dat bijen belangrijke bestuivers zijn, hebben ze nog een bijzondere eigenschap. Bijen produceren namelijk honing. Het bestuiven van bloemen is namelijk een neveneffect van het maken honing. De goudkleurige, zoete en stroperige honing die bijen maken is geliefd bij andere dieren zoals honingdassen en honingberen, maar ook wij als mens gebruiken het veel. Maar hoe maken bijen honing? In deze blog lees je er alles over.
Het natuurproduct honing wordt op een bijzondere wijze geproduceerd
Bijen maken honing met behulp van nectar. De nectar wordt vermengd met enzymen uit het speeksel die de nectar omzetten van complexe suikerketens naar enkelvoudige suikerketens zoals glucose en fructose. Het mengsel wordt in een cel in de honingraat gestopt. Vervolgens wapperen de bijen met hun vleugels het mengsel droog, waarna het de structuur van honing krijgt. De honing wordt afgewerkt met een waslaag, bijenwas, zodat het langer houdbaar is.
De link met bestuiven
Het maken van honing en het bestuiven van bloemen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het belangrijkste bestandsdeel van honing is nectar, die de bij gaat halen in de kern van bloemen. Wanneer de honingbij druk bezig is met het verzamelen van nectar, drukt het met zijn lichaam tegen de meeldraden aan, die het stuifmeel vast houden. Het stuifmeel komt op het lichaam van de honingbij te zitten, die vervolgens doorvliegt naar de volgende bloem om nog meer nectar te verzamelen. Hier wordt het stuifmeel afgegeven waarmee de nieuwe bloem bevrucht wordt.
Honingbijen bestuiven 80% van alle soorten bloemen en daarmee meer dan 130 soorten groenten en fruit die wij eten. Ondanks de essentiële rol in het ecosysteem, gaat het helaas erg slecht met de honingbij. Belangrijkste redenen hiervoor zijn het gebruik van pesticiden, droogte en habitatverlies.
Het is voornamelijk het geslacht honingbijen (Apis) dat honing produceert. Binnen dit geslacht zijn er zeven soorten te honingbijen te onderscheiden, waarbij de gewone honingbij of Europese honingbij (Apis mellifera) voor ons het bekendste is en welke de meeste honing produceert.
Honingbijen zijn het meest bekend om het produceren van honing
Het geslacht honingbij bestaat echter maar uit zeven soorten, terwijl er wereldwijd zo’n 20.000 soorten bijen beschreven zijn. Maken al die andere bijen dan geen honing? Sommige wel, maar in een veel kleinere hoeveelheid dan de echte honingbijen. Van hommels is bekend dat ze ook honing maken. Maar ook bijen uit het geslacht Melipona (komen voor in Midden- en Zuid-Amerika) en de Indian stingless bee (Tetragonula iridipennis) (voorkomend in India) produceren honing.
Waarom maakt een bij honing?
Naast nectar en stuifmeel eten bijen ook de honing die ze gemaakt hebben. Het produceren van honing is bedoeld als voedselvoorraad voor wanneer de andere voedselbronnen lastig te vinden zijn. Bijen werken in de lente en zomer, wanneer veel nectar en stuifmeel te vinden is, dus hard aan de honing om hier in de winter dankbaar gebruik van te maken. Ze produceren zelfs meer honing dan ze zelf nodig hebben, omdat ze weten dat de zoete honing vaak gestolen wordt door andere dieren.
In de winter zijn geen bloemen met nectar te vinden en zijn honingbijen dus afhankelijk van de honingvoorraad
Hoeveel honing maakt een bij?
Bijen werken als een volk samen om honing te produceren. De vraag ‘hoeveel honing produceert een bijenvolk per jaar’, is dan ook wat interessanter. Naar schatting produceert een bijenvolk honingbijen in een goed seizoen tot wel 50 kilogram honing. De hoeveelheden verschillen echter per seizoen en per soort.
Het maken van honing is een bijzonder proces, waarbij er door honderden bijen wordt samengewerkt. Het start met het halen van het belangrijkste ingrediënt, de nectar. De werkbijen vliegen naar de bloemen die nectar bevatten. Bijen vinden deze bloemen doordat ze ultraviolet licht kunnen zien. Bloemen hebben een zogenoemd honingmerk, dat zichtbaar is door ultraviolet licht.
Op zoek naar nectar
Als werkbijen bloemen met nectar gevonden hebben dan laten ze dit ook weten aan hun collega-werkbijen. Dit doen ze door een specifiek dansje te doen, waaraan de andere bijen kunnen herleiden welke kant, ten opzichte van de zon, ze op moeten vliegen om bij de nectarbloemen te komen. Hoe langer het dansje, hoe verder weg de bloemen zich bevinden.
Bijen bezoeken meerdere bloemen om voldoende nectar mee terug te nemen. Tijdens deze bezoeken vindt ook de bestuiving van bloemen plaats. De nectar haalt de bij met zijn lange, dunne tong uit de kern van de bloem en slaat deze op in de honingmaag. In het speeksel van de bij bevinden zich enzymen, welke worden gemengd met de honing in de honingmaag. Deze enzymen zijn zeer belangrijk voor het proces. De enzymen zorgen ervoor dat de complexe suikerketens van nectar worden omgezet in enkelvoudige suikers, glucose en fructose.
Met het zoeken naar nectar, bestuiven bijen en hommels ook bloemen
Enzymen
Wanneer de honingmaag vol is, keren de werkbijen terug naar de bijenkorf. Hier wordt de nectar overgegeven aan de bijen die in de korf blijven, de jongere bijen. Het overgeven van de nectar gebeurt van mond op mond, waarbij er steeds meer enzymen worden toegevoegd aan het mengsel.
Binnen in de korf gaat het mengsel over van bij naar bij, van mond naar mond. Het mengsel is gereed om in een cel in de honingraat te verwerken, echter is het dan nog erg vochtig. De bijen wapperen met hun vleugels het mengsel in de honingraat droog, totdat het juiste vochtigheidsgehalte bereikt is. De honing is op dat moment gereed, maar het proces is nog steeds niet klaar.
Bijenwas
Bijen bewaren de honing voor de momenten dat voedsel in de vorm van nectar schaars is. Om te zorgen dat het niet bederft, maken bijen nog een waslaagje over de honing heen. De zogenaamd bijenwas. Hiermee zorgen bijen ervoor dat de honing nog jaren goed blijft en ze altijd voldoende voedsel hebben.
Een bijna gevulde honingraat
Bijen helpen
Het maken van honing is dus een complex proces, waarbij een bijenvolk goed met elkaar samenwerkt. Tijdens het maken van honing vervullen bijen een uiterst belangrijke rol, die ook voor ons als mens cruciaal is: het bestuiven van bloemen. Dit zorgt ervoor dat bloemen zich kunnen vermeerderen en zo ook een belangrijke voedselbron zijn voor andere insecten en planteneters. Daarnaast produceren bloemplanten belangrijke gewassen in de vorm van groenten, fruit en noten.
Het gaat niet goed met de bijen in Nederland en ze kunnen dus wel een helpende hand gebruiken. Wil je zelf iets doen, maak dan je tuin bijvriendelijker, gebruik geen pesticiden en geef waarnemingen van wilde bijen door via waarneming.nl.
Een van de mooiste plekken om te hiken, op acceptabele afstand van Nederland, is wat ons betreft de Ardennen. De eindeloze bossen, machtige rivieren en pittige heuveltjes zorgen ervoor dat je hier als hiker volledig aan je trekken komt. Prima te doen als dagtocht, maar nog beter om een paar dagen te vertoeven! In deze blog beschrijven we een prachtige tocht die door het centrum van La Roche-en-Ardenne loopt en door de nog mooiere natuur er omheen.
Dit kun je verwachten:
Een prachtige hike van 15,9 kilometer door een uitdagend landschap (link naar de route GPX);
Het Ardennenlandschap: bossen, heuvels en rivieren;
De route door loopt door de prachtige stad La Roche-en-Ardennen, in het hart van de Ardennen.
*Zoals op onderstaande afbeeldingen te zien is, deden wij de hike in de winter. Op de omslagfoto is een beeld van La Roche-en-Ardenne (en het omliggende landschap) in de zomer te zien.
De route
Het kenmerkende landschap in de Ardennen (De natuur van hier)
De 15,9 kilometer lange route leidt je dwars door het kenmerkende landschap van de Ardennen, op en af. Onderweg worden meer dan 400 hoogtemeters bedwongen. De route start in het kleine dorpje Beausaint. Hier daal je af het bos in en loop je vervolgens een klein stukje langs een rivier af. Dan volgt de eerste serieuze klim. Door het dichte naaldbos klim je omhoog, waarna je getrakteerd wordt op een prachtig uitzicht over het gehucht Hives.
La Roche-en-Ardenne
De route vervolgt met een pittige afdaling, gedeeltelijk door het bos. De tweede helft van de afdaling heb je goed zicht op La Roche-en-Ardenne. Eenmaal afgedaald loop je La Roche-en-Ardenne binnen en kom je door een kunstpark waar veel over de historie van het stadje te lezen is. Als je onderweg graag ergens wat wilt eten of drinken dan is dit het moment. In La Roche-en-Ardenne zijn verschillende eet- en drinkgelegenheden.
Onderweg loop je langs de Ourthe, die hier La Roche-en-Ardenne doorkruist (De natuur van hier)
Nadat je de entree van het kasteel van La Roche-en-Ardenne hebt gezien, verlaat je het stadje via een steil pad, om uit te komen bij de schuilhut Belvedère. Vanuit hier heb je een prachtig uitzicht over de stad. Vervolgens daal je weer af om een laatste keer door het stadje te komen en weer terug de bossen in te gaan. Na een laatste stuk langs de Ourthe gelopen te hebben staat alweer de volgende pittige klim op je te wachten.
Nadat je deze klim bedwongen hebt, kijk je uit op een prachtige vallei. Verderop is een startplek voor paragliders. Stukken bos en meer open landschappen wisselen zich af terwijl je de route vervolgt. Onderweg passeer je nog een groot kruis, Croix de Jérusalem. De laatste kilometers naar het eindpunt zijn gemakkelijk en gaan voornamelijk bergaf.
Onderweg passer je Croix de Jérusalem (De natuur van hier)
Het landschap
Voor degene die kennis wil maken met het landschap van de Ardennen is dit de perfecte hike. Alle factoren die de Ardennen kenmerken zitten erin. De uitgestrekte bossen, voornamelijk naaldbossen, maar steeds vaker ook loof- en gemengde bossen. Maar ook de meer open stukken die volgden op een stuk bos, vaak begraasd door schapen of koeien. Ook de Ardennenrivier de Ourthe komt voorbij en daarnaast een stukje van een zijrivier van de Ourthe. En tot slot een typisch Ardennenstadje in de vorm van La-Roche-en-Ardenne.
Flora en fauna
Echte bewoners van de Ardense bossen zijn staartmezen
Liefhebbers van natuur kunnen hun hart ophalen in de Ardennen, want in dit landschap is allerlei bijzondere flora en fauna te vinden. Om te beginnen bij de flora, kijk eens naar de muurbeplanting wanneer je langs oude muren of rotsen loopt. Hierop zijn vaak zeldzame soorten te vinden die je op andere plekken niet of nauwelijks vindt. Varens als mannetjesvaren en de gewone eikvaren zijn nog vrij algemeen, maar tongvaren en steenbreekvaren zijn al een stuk zeldzamer. Maar ook andere muurplanten zoals muurbloem en muurleeuwenbek zijn het bekijken waard, omdat je deze niet zo vaak tegen komt.
Qua fauna is er minstens net zoveel moois te vinden. Wij deden de hike in de winter, zelfs dan is er nog voldoende leven op te merken. Als je langs rivieren loopt is het haast onmogelijk om geen beversporen te zien. Omgeknaagde bomen, loopsporen (de platte staart laat een opmerkelijk spoor na) en beverdammen volgen elkaar in rap tempo op.
Een beverdam in een zijrivier van de Ourthe (De natuur van hier)
Vogels
De Ardennen herbergen een leuke variëteit aan soorten vogels, afhankelijk van de tijd van het jaar dat je er bent. In de bossen vind je allerlei zangvogels, zoals mezen (koolmees, pimpelmees, kuifmees, en in grotere groepen staartmezen en de meer zeldzamere witkopstaartmezen) goudhanen en vinken. Wij waren op een rustig moment in het bos en hadden het geluk een koppeltje goudvinken te zien, die over het algemeen vrij schuw zijn en zich niet snel tonen. Maar ook spechten komen in veelvuldig voor in de bossen. Soms zijn zeldzamere soorten als de waterspreeuw en notenkraker ook waar te nemen.
In de Ardennen maak je een goede kans om een rode wouw in de lucht te zien
In de open stukken is ook van alles te ontdekken. Roofvogels zoals buizerds, torenvalken, kiekendieven en de zeldzamere rode wouw cirkelen vaak hoog in de lucht. Ook raven zijn soms goed waar te nemen in de Ardennen. In het najaar is het uitkijken naar kraanvogels en zwarte ooievaren. In de weilanden met struwelen omringd vind je soms ook de klapekster en grauwe klauwier.
Eten, drinken en slapen
Als je tijdens de hike onderweg wat wil eten of drinken, dan is de enige geschikte plek in La Roche-en-Ardenne. Hier zijn diverse gezellige eet- en drinkgelegenheden te vinden. Er is daarnaast ook een bakker en een supermarkt te vinden, om wat mee te nemen voor onderweg.
Ook mogelijkheden om te overnachten zijn het meest te vinden in het stadje La Roche-en-Ardennen. Ben je op zoek naar een wat rustigere plek, kijk dan eens bij een van onderstaande Natuurhuisjes waar we zelf zijn geweest en waar we een review over hebben geschreven.
Klik hier voor een natuurhuisje in de buurt van La Roche-en-Ardenne, van alle gemakken voorzien.
Klik hier voor een avontuurlijker natuurhuisje; overnachten in een dome boomhut in de buurt van Durbuy!
Zoek hier direct op Natuurhuisje naar een mooie overnachtingsplek in de Ardennen voor een onvergetelijk avontuur!
In het hart van de Ardennen ligt het historische plaatsje La Roche-en-Ardenne. Dit idyllische stadje met ruim 4000 inwoners kent een rijke historie, is omringd door prachtige natuur en biedt een hoop gezelligheid. Een perfecte uitvalbasis voor een vakantie dus. In deze blog tippen we een natuurhuisje in de buurt en laten we je kennis maken met het stadje aan de Ourthe.
Bron omslagfoto: De natuur van hier
La Roche-en-Ardenne
Natuurhuisje
Wij kozen ervoor om niet in een hotel te verblijven, maar een verblijf te zoeken via Natuurhuisje. Hier zijn werkelijk parels van vakantiehuisjes en optrekjes in de natuur te vinden. Daarnaast gaat van iedere boeking ook nog eens 2% naar bescherming van de lokale natuur, waardoor je ook nog op een positieve manier bijdraagt aan het behoud ervan. Voor ons verblijf in La Roche-en-Ardenne, kozen we natuurhuisje #54285 gelegen in het gehucht Hives, op een kleine 5 kilometer afstand van La Roche.
Het natuurhuisje is een absolute aanrader. Het is voorzien van een grote leefruimte met keuken, voorzien van alle gemakken (vaatwasser, oven, koffiezetapparaat, etc.). Daarnaast is er een ruime badkamer met comfortabele douche (en wasmachine en droger) te vinden, een apart toilet en een ruime slaapkamer. De eigenaren zijn daarnaast erg gastvrij en altijd bereid om advies of tips te geven.
Het Natuurhuisje is via de volgende link te boeken. Als je boekt via deze link, dan kan het zijn dat wij hiervoor een kleine commissie krijgen. Dit zou ons enorm helpen om meer van dergelijke content te creëren.
Sfeerimpressie van het Natuurhuisje in Hives, nabij La Roche-en-Ardenne (foto bron: Natuurhuisje.nl)
La Roche-en-Ardenne
Via een steile afdaling door het bos kom je na 4,2 kilometer aan in het stadje La Roche-en-Ardenne. La Roche is gelegen in een dal, aan de Ourthe (een zijrivier van de Maas). Het is een echte Ardennenstad, wat je terug ziet aan de klassieke bouw van de huizen en de naaldbossen op de achtergrond. In La Roche zijn voldoende eet- en drinkgelegenheden te vinden. Naast gezellige bars en restaurants is er ook onder andere een bakker, supermarkt en avondwinkel te vinden.
De stad kent een rijke historie en dit is ook terug te zien als je er rondloopt. In de stad staan nog tanks uit WOII, die doen denken aan de Slag om de Ardennen. In deze periode werd het stadje nagenoeg volledig plat gebombardeerd.
De grootste trekpleister stamt echter uit een tijd ver voor WOII. Boven de stad uit reikt namelijk Château Féodal de La Roche-en-Ardenne, een imposant kasteel dat tussen de 11e en 14e eeuw werd gebouwd. Voordat er een kasteel werd gebouwd, was er ook al leven te vinden. Het kasteel is namelijk gebouwd op ruïnes die stammen uit de tijd van de Kelten (rond het begin van de jaartelling).
Sfeerimpressie van Château Féodal de La Roche-en-Ardenne (De natuur van hier)
Het kasteel is door de jaren heen regelmatig gerenoveerd en gebruikt als vestiging tijdens diverse graafschappen, maar raakte de laatste paar honderd jaar in verval. Door brand, verwaarlozing en bombardementen in WOII is het kasteel in de staat waarin het nu verkeert. Absoluut een bezoek waard tijdens een verblijf in La Roche-en-Ardenne. Tip: bezoek het kasteel buiten het seizoen of aan het einde van de dag. Dan zijn de meeste andere toeristen al weg en waan je je even in die tijd dat het kasteel nog bruiste van leven en floreerde.
Natuur
Voor natuurliefhebbers is de Ardennen een klein paradijs op acceptabele afstand van Nederland. La Roche is gelegen in Nationaal Park Des Deux Ourthes. De twee Ourthes stromen hier al kronkelend door de valleien van het heuvelachtig landschap en bepalen de sfeer. De steile, rotsachtige heuvels zijn bedekt met loof- en (voornamelijk) naaldbossen, die onderdak bieden aan een verscheidenheid aan diersoorten.
Veel zoogdieren hebben er hun plek je gevonden. Herten, everzwijnen, vossen, wolven en zelfs wilde katten en lynxen leven in de uitgestrekte bossen in de Ardennen. Maar ook kleinere zoogdieren zoals boom- en steenmarter, dassen,bevers en wasberen zijn veelvuldig aanwezig.
Bevers zijn veelvuldig aanwezig in de Ardense bossen
Ook vogelliefhebbers zullen een bezoek aan de Ardennen waarderen. In de bossen zijn bijna alle soorten spechten te vinden die in België voorkomen, zoals de middelste bonte specht, grijskopspecht en zwarte specht. Maar ook klapekster, zwarte ooievaar en kraanvogel komen er voor. Daarnaast zijn de majestueuze kraaiachtigen de notenkraker en raaf er te vinden. Maar ook roofvogels als torenvalk, buizerd en rode wouw en blauwe kiekendief kunnen gezien worden in de open stukken.
De Ardennen zijn daarnaast een goede bestemming voor een actieve vakantie. Er zijn talloze buitenactiviteiten te bedenken. In de bossen liggen kilometers paden voor hikers, trailrunners en mountainbikers en op de rivieren kan in de zomer gekanood en geraft worden. De steile rotsen bieden daarnaast de mogelijkheid tot tokkelen, abseilen en paragliden.
Hiken
Wie het genieten van de natuur en actief bezig zijn wil combineren kan het beste gaan hiken. Zoals gezegd zijn er in de Ardennen kilometers aan paden te vinden die je naar de mooiste plekken in het bos en langs de rivier brengt en die de steilste klimmetjes voor je in petto hebben. Via onderstaande links zijn een aantal routes in de buurt van La Roche-en-Ardenne te vinden.
Via deze link boek je het Natuurhuisje waarin wij verbleven. We kunnen dit natuurhuisje van harte aanbevelen.
Veelgestelde vragen
Wat voor activiteiten zijn er te doen in La Roche-en-Ardenne?
In La Roche-en-Ardenne is van alles te doen. Je kunt het Chateau van La Roche-en-Ardennen bezoeken of je kunt een meer actieve buitenactiviteit doen. In de omgeving van La Roche kun je hiken, trailrunnen, mountainbiken, kanoën, raften, tokkelen en abseilen.
Waar kan ik overnachten in La Roche-en-Ardenne?
Je kunt in La Roche-en-Ardennen overnachten in een van de hotels, B&B’s of in een Natuurhuisje in de omgeving. Wij hebben overnacht in een Natuurhuisje in Hives (van alle gemakken voorzien), vlakbij La Roche-en-Ardenne.
Welke rivier stroomt door La Roche-en-Ardenne?
La Roche-en-Ardenne is gelegen aan de oever van de Ourthe, een zijrivier van de Maas. De Ourthe ontstaat doordat vlak voor La Roche-en-Ardenne de Westelijke Ourthe en Oostelijke Ourthe samenkomen.