Goudvink – Herkenning, zachte zang, kenmerken & leefgebied

De goudvink, een rustige a-typische vinkachtige

Een van de onopvallendste vinkachtigen is de goudvink. Niet vanwege zijn verenkleed, want dat is – vooral van het mannetje – juist kleurrijk en opvallend, maar vanwege zijn teruggetrokken levenswijze. Goudvinken zijn stille vogels die zich zelden laten zien. Voor de geduldige natuurliefhebber, die ook het geluid van de goudvink kent, ligt een prachtige waarneming verscholen in het struikgewas. In deze blog lees je alles over deze gedrongen vinkachtige, zodat je hem de volgende keer niet ongemerkt voorbijloopt.

Inhoudsopgave

Kenmerken van de goudvink

De goudvink (Pyrrhula pyrrhula) is een kleurrijke vogel en goed te onderscheiden van de andere vinkachtigen. Het is een middelgrote vink met een gedrongen, ronde bouw en een korte staart. Goudvinken hebben een grote kop en een opvallende dikke, korte snavel. Ze ogen een stuk ´zwaarder´ dan andere vinken.

Ze bereiken een lichaamslengte van 14,5 tot 16 centimeter bereikt en een spanwijdte van 22 tot 29 centimeter. Het gewicht varieert van 21 tot 27 gram.

Het mannetje goudvink heeft een kleurrijk verenkleed
Het mannetje goudvink heeft een kleurrijk verenkleed

Het mannetje is een opvallende verschijning met zijn kleurrijke verenkleed. Ze hebben een oranjerode tot roze borst en buik. De kop en snavel zijn zwart en ze hebben een grijze rug. De vleugels zijn zwart met een opvallende witte vleugelstreep. Verder is de staart ook zwart en hebben ze een witte stuit, die vooral in vlucht goed opvalt. De intensiteit van de kleuren (vooral de oranjerode kleur van de borst) verschilt per individu en wordt bepaald door verschillende factoren (voeding, gezondheid, seizoen, etc.)

Bij goudvinken is er sprake van seksueel dimorfisme: mannetjes en vrouwtjes verschillen qua verenkleed duidelijk van elkaar. Het verenkleed van het vrouwtje is wat rustiger. De borst en buik zijn grijsbeige. Net zoals het mannetje heeft het vrouwtje een zwarte kopkap en zwarte vleugels met witte vleugelstreep en een. Het verenkleed is een stuk minder uitbundig als dat van het mannetje, waardoor vrouwtjes gauw over het hoofd worden gezien.

Bij de goudvink is er sprake van seksuele dimorfisme: man en vrouw hebben een verschillend verenkleed
Bij de goudvink is er sprake van seksueel dimorfisme: man en vrouw hebben een verschillend verenkleed

Adult goudvink vs. juveniel goudvink

Een juveniel goudvink is goed te onderscheiden van een volwassen goudvink. Het belangrijkste verschil is de kleur van de kop: deze is bij juveniele dieren nog niet zwart, maar is nog grijsbruin. De rest van het verenkleed lijkt wel op dat het van een volwassen vrouw goudvink, maar is meer grijsbruin en nog minder contrastrijk. Daarnaast hebben ze wel al de dikke, opvallende snavel.

Juveniele goudvinken zijn goed te herkennen, omdat ze nog geen zwarte kop hebben
Juveniele goudvinken zijn goed te herkennen, omdat ze nog geen zwarte kop hebben

Snavel

Opvallend bij de goudvink is de zeer krachtige, kegelvormige snavel. Bij volwassen vogels is de snavel zwart, bij juveniele dieren is deze meestal nog iets lichter en meer donkerbruin gekleurd. De snavel is perfect aangepast op het voedsel dat ze graag eten: knoppen en zaden van planten. Met behulp van de snavel weten ze zaden met gemak open te kraken en kunnen ze moeiteloos plantenknoppen eten.

Vluchtbeeld

In vlucht vallen vooral de witte vleugelstreep en de witte stuit op. Goudvinken kennen een rustige, golvende vlucht en blijven daarbij vaak opvallend laag tussen struiken en bomen. Ze verplaatsen zich meestal over korte afstanden en verdwijnen na een korte vlucht weer snel in de dekking. Hierdoor wordt de goudvink in vlucht vaak slechts kort waargenomen.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Goudvink
Wetenschappelijke naam Pyrrhula pyrrhula
Kenmerken Gedrongen bouw, dikke snavel, mannetje met roze tot oranjerode borst, zwarte kop
Zang Zachte, melancholische fluittonen; kenmerkende zachte roep “djuu” of “piu”
Habitat Bosrijk gebied; loof-, naald- en gemengd bos, struweelranden, parken en rustige, groene tuinen
Broeden in NL Vrij algemeen
Broedparen 25.000-40.000

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Zang en roep

De goudvink staat niet bekend als een uitbundige zanger. Integendeel: de zang van de goudvink is zacht, ingetogen en past perfect bij zijn teruggetrokken levenswijze. Vaak hoor je een goudvink al voordat je hem ziet, maar zelfs dan blijft het geluid subtiel en gemakkelijk te missen tussen andere natuurgeluiden.

De zang bestaat uit korte, zachte fluittonen met weinig variatie. Het zijn geen lange zangreeksen zoals bij veel andere zangvogels, maar eerder losse tonen die rustig worden herhaald. De zang is vooral in het voorjaar te horen, wanneer het mannetje zijn aanwezigheid kenbaar maakt vanuit een dichte struik of een lage boom. Ook dan blijft de goudvink meestal verborgen in het struikgewas.

Zang goudvink (Xeno Canto – Dominique Guillerme)

Minstens zo kenmerkend als de zang is de roep van de goudvink. Deze roep is een zachte, fluitende toon die vaak wordt omschreven als een kort “djuu” of “piu”. Deze contactroep wordt het hele jaar door gebruikt, zowel door mannetjes als door vrouwtjes, om onderling contact te houden. In de herfst en winter is de roep vaak het enige geluid dat een goudvink verraadt.

Roep goudvink (Xeno Canto – Timo Schnabel)

Voor wie de goudvink wil waarnemen, is luisteren dan ook minstens zo belangrijk als kijken. Door even stil te staan en bewust te luisteren, valt het zachte geluid soms ineens op. Pas daarna volgt vaak een korte, stille waarneming van deze bijzondere vinkachtige, voordat hij weer in de dekking verdwijnt.

Gedrag

Goudvinken zijn rustige vogels, die weinig opvallen. Dit zie je vooral terug in het gedrag. Waar andere vinken, zoals distelvinken en groenlingen, zich met hun uitbundige zang en kleurrijke verenkleed door het landschap bewegen, gedraagt de goudvink zich precies het tegenovergestelde. Met weinig geluid houdt de goudvink zich voornamelijk op in het dichte struikgewas en vliegt onopvallend van struik naar struik, op zoek naar voedsel.

Het voedsel wordt vooral gezocht in de lage tot middelhoge struiklagen. Soms gaan ze wat hoger een boom in om daar op zoek te gaan naar knoppen van bomen of bessen die alleen hier hangen, maar meestal blijven ze bij het voedsel dat ze vinden in de struiken. Ze kunnen lange tijd op één vaste plek zitten te eten, goed verscholen in het groen. In de winter kunnen goudvinken nog wel eens aangetroffen worden op de grond, maar dit zullen ze altijd op een enigszins beschutte plek doen.

Alhoewel ze in het broedseizoen een duidelijk territorium hebben, zijn goudvinken over het algemeen weinig territoriaal en niet agressief of luidruchtig . Buiten het broedseizoen leven ze in paartjes en soms in kleine groepen. Vaak zijn man en vrouw goudvink samen foeragerend te zien. In tegenstelling tot veel andere vinken zijn goudvinken zelden in grote zwermen te zien.

In de winter trekken goudvinken soms in kleine groepjes rond
In de winter trekken goudvinken soms in kleine groepjes rond

Trekgedrag

In het voorjaar zijn goudvinken iets actiever en zichtbaarder dan in de winter. Het zijn in Nederland geen trekvogels, al kunnen ze in de winter wel rondtrekken, op zoek naar voedsel. Wel krijgen we in de winter bezoek van meer noordelijk en oostelijk broedende individuen, al is dit ook beperkt. In sommige jaren kan er sprake zijn van een invasie van de ondersoort de Noordse goudvink (Pyrrhulla pyrrhulla pyrrhulla).

Waarneming uit het veld

Onze eerste goudvinken zagen we niet in Nederland, maar in België. En zoals het eigenlijk hoort bij de goudvink, hoorden wij ze ook eerst voordat we ze zagen. Het was op een koude winterdag tijdens een wandeling in de Ardennen. In het rustige en sobere landschap liepen we via een onverhard pad richting een typisch Ardennenbos. Het pad werd omzoomd door twee houtwallen, met dichte struiken en opgaande bomen.

Opeens hoorden we vanuit het dichte struikgewas een kort en zacht geluid, alsof de vogel die het geluid maakte zich bijna bezwaard voelde te laten horen. Meteen trok dit onze aandacht en wisten we dat we hier met een goudvink te maken hadden.

Na ons een korte tijd verdekt opgesteld te hebben, liet hij zich zien: een prachtig mannetje goudvink. En hij was niet alleen, want vrijwel direct volgde het vrouwtje. Kort lieten ze zich beide zien en gingen zelfs even op het pad zitten. Vrijwel direct verdwenen ze weer in de houtwal en lieten ze zich niet meer horen of zien. Wij vervolgden vol enthousiasme onze weg, een ervaring rijker!

Leefgebied en verspreiding

De goudvink is een bewoner van bossen. Loofbossen, naaldbossen en gemengde bossen kunnen allen een geschikt leefgebied zijn voor de goudvink. Ook zijn ze te vinden in bosranden en in overgangsgebieden naar bos. Een van de belangrijkste eisen die ze stellen aan het leefgebied is dat er voldoende ondergroei en struiken te vinden zijn. In deze struiklaag vinden ze beschutting, voedsel en kunnen ze broeden.

Bossen en landschapselementen met veel ondergroei zijn een geschikt leefgebied voor de goudvink (de Natuur van hier)
Bossen en landschapselementen met veel ondergroei zijn een geschikt leefgebied voor de goudvink (de Natuur van hier)

Daarnaast kun je goudvinken ook tegenkomen in een halfopen landschap met voldoende landschapselementen zoals heggen, houtwallen en struwelen. Het kleinschalig cultuurlandschap kan daarom ook geschikt zijn als leefgebied. Goudvinken houden niet van open, kale gebieden.

Verder zijn goudvinken ook nog aan te trekken in parken en soms in grote tuinen. Ook hier is het belang van voldoende ondergroei en dichte struiken essentieel. Daarnaast is rust een belangrijke factor, zeker bij tuinen is dit het geval. In grote, groene tuinen die in een geschikt leefgebied van de goudvink liggen kunnen (zeker in de winter) met bijvoeren van bijvoorbeeld zonnebloempitten nog weleens goudvinken worden gespot.

Goudvink eet zonnebloempitten in een tuin
Het is geen typische tuinvogel, maar in grote tuinen met voldoende dekking en rust kunnen soms goudvinken gezien worden

Verspreiding in Nederland

In Nederland tref je de goudvink voornamelijk aan in het oosten en zuiden van het land. Op onderstaande kaart van SOVON is dit goed zichtbaar. Dit is goed verklaarbaar omdat dit deel van ons land veel meer bebost is en hier een meer halfopen landschap te vinden is. In het westen en noorden van het land wordt het landschap voornamelijk gedomineerd door open landbouwgebieden en kusstreken, daar voelt de goudvink zich minder thuis. Enige uitzondering hierop zijn de duingebieden, waar meer dekking te vinden is in de vorm van struwelen en duinbossen.

Voedsel

De afgeronde snavel van de goudvink is perfect voor het eten van plantaardig voedsel. Ze eten zaden van verschillende soorten planten en knoppen en bessen van bomen. Het voedsel is bijna volledig plantaardig. Vooral in het voorjaar worden knoppen van bomen gegeten. De knoppen van esdoorns en fruitbomen zoals pruimen en kersen worden graag gegeten. Om deze reden zien fruittelers dan ook liever geen goudvinken in hun boomgaarden verschijnen.

Naast knoppen van bomen worden ook zaden en bessen gegeten. Bessen van meidoorn, liguster, kamperfoelie en andere soorten worden hoofdzakelijk in het najaar gegeten. Zaden lusten ze zowel van bomen (denk aan esdoorn en meidoorn) als van planten zoals distels, brandnetel en paardenbloemen.

Het eten wordt op een typische goudvinken manier verzameld: rustig en goed verscholen in het struikgewas of in de bomen. Vaak zitten ze dan ook redelijk laag bij de grond. Ze laten zich dan ook een stuk minder snel zien bij voedertafels in tuinen dan andere vinkachtigen.

Goudvink eet van paardenbloem
Op het menu van de goudvink staan zaden, bessen en knoppen van planten en bomen

Voortplanting

Goudvinken vormen vaak al in de herfst of in de winter een paar. Tijdens het broedseizoen blijven ze hun partner trouw en zorgen ze samen voor de jongen. Wanneer beide vogels overleven, kunnen paren meerder jaren bij elkaar blijven. Veldonderzoek heeft dit aangetoond. Dit levert de goudvink ook een voordeel op: ze kunnen al vroeg in het voorjaar starten met paren en nestbouw, terwijl veel andere soorten dan nog bezig zijn met paargedrag.

Het broedseizoen van de goudvink loopt over het algemeen van april tot en met juli. In een dichte struik of lage boom wordt goedverscholen een compact nest gebouwd. Vaak wordt het nest niet hoger dan een paar meter van de grond gemaakt. Het vrouwtje maakt het nest van takjes, gras, mos en veertjes.

Meestal hebben goudvinken 2 legsels per jaar, soms 3, dat bestaat uit 4 tot 6 lichtblauw/groenig gekleurde eieren met donkere stippen. Het vrouwtje broedt de eieren uit in meestal 13 tot 14 dagen. Het mannetje voert ondertussen voedsel aan voor het vrouwtje. Als de jongen goudvinken uit het ei zijn gekomen, krijgen ze insecten (eiwitrijk) en zachte plantendelen te eten. Na 16 tot 18 dagen zijn ze groot genoeg om uit te vliegen. Ze worden vervolgens nog 2 a 3 weken bijgevoerd door beide ouders.

Achteruitgang en bedreigingen

De goudvink is in Nederland geen uitgesproken zeldzame soort, maar de populatie kent door de jaren heen wel schommelingen. In sommige regio’s is zelfs sprake van een lichte afname. De goudvink kan lokaal minder worden door verlies van structuurrijke bosranden en heggen, maar er is geen brede landelijke achteruitgang zoals bij sommige andere soorten.

De belangrijkste oorzaak ligt in het verdwijnen van kleinschalige landschapselementen. Houtwallen, struweelranden en dicht begroeide perceelsgrenzen zijn op veel plekken verdwenen. Juist deze structuurrijke overgangen tussen bos en open terrein vormen het ideale leefgebied voor de goudvink. Zonder voldoende dekking en voedselrijke struiken wordt een gebied al snel minder geschikt.

Bij de goudvink is geen uitgesproken sterke landelijke achteruitgang te zien in Nederland (al is sinds 2019 de broedvogeltrend wel licht negatief), maar de beschikbaarheid van geschikte structuurrijke bossen blijft belangrijk voor de soort. In sommige regio’s, zoals Vlaanderen, blijkt de soort wel achteruit te gaan en staat zij op de Rode Lijst.

In Vlaanderen staat de goudvink als  'bijna in gevaar' op de Rode Lijst
In Vlaanderen staat de goudvink als ‘bijna in gevaar’ op de Rode Lijst

Veelgestelde vragen

Is de goudvink zeldzaam in Nederland?

Nee, de goudvink is geen zeldzame vogel, maar wel minder algemeen dan bijvoorbeeld de vink of groenling. In bosrijke gebieden komt hij vrij regelmatig voor, terwijl hij in open landbouwgebieden minder vaak wordt gezien. In Vlaanderen staat de goudvink wel op de Rode Lijst.

Wanneer kun je de goudvink het beste zien?

Goudvinken zijn het hele jaar aanwezig, maar in de winter zijn ze vaak iets zichtbaarder. Dan foerageren ze in kleine groepjes en zoeken ze soms parken of rustige tuinen op.

Waarom zie je goudvinken zo weinig?

Goudvinken leven teruggetrokken en houden zich graag schuil in dicht struikgewas. Vaak hoor je ze eerst – hun zachte, fluitende roep – voordat je ze daadwerkelijk ziet.

Wat eet een goudvink?

Goudvinken eten vooral knoppen van bomen en struiken, zaden en soms bessen. In het voorjaar kunnen ze knoppen van fruitbomen eten, wat hen vroeger minder populair maakte bij fruittelers.

Is de goudvink een trekvogel?

In Nederland is de goudvink voornamelijk een standvogel. Wel kunnen vogels uit noordelijker gebieden in de winter zuidwaarts trekken, waardoor het aantal goudvinken tijdelijk kan toenemen.

Zijn goudvinken monogaam?

Ja, goudvinken vormen meestal een vaste paarband. Vaak blijven koppels meerdere seizoenen bij elkaar en trekken ze ook buiten het broedseizoen samen op.

Komt de goudvink in tuinen voor?

Alleen in rustige, groene tuinen met voldoende struiken en beschutting. In dichtbebouwde of sterk opgeruimde tuinen is de kans klein dat je een goudvink ziet.

Meer vinken

Alleen in rustige, groene tuinen met voldoende struiken en beschutting. In dichtbebouwde of sterk opgeruimde tuinen is de kans klein dat je een goudvink ziet.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Groenling – Herkenning, zang, kenmerken & leefgebied

De kleurrijke vinkachtige de groenling

Als je denkt aan opvallende vogels in het Nederlandse landschap, denk je al snel aan de groenling. Deze opvallende vinkachtige kleurt tuinen en het landschap met zijn verenkleed in tinten groen en geel. In deze blog duiken we in de wereld van de groenling en bespreken we zijn kenmerken, zang en leefgebied. Ook ontdek je wat de groenling graag eet en hoe je deze naar je tuin kunt lokken. Lees verder en ontdek alles over deze bijzondere vogel!

Inhoudsopgave

Kenmerken van de groenling

De groenling (Chloris chloris) is een opvallende verschijning en goed te onderscheiden van de andere vinkachtigen. Groenlingen bereiken een lichaamslengte van 14,5 tot 16 centimeter en hebben een spanwijdte van 25 tot 27 centimeter. Het gewicht van volwassen groenlingen ligt meestal tussen de 25 en 35 gram.

De groenling, vooral het mannetje, is een opvallende verschijning met een verenkleed dat bestaat uit verschillende tinten groen en gele delen op de handpennen en staart.
De groenling, vooral het mannetje, is een opvallende verschijning met een verenkleed dat bestaat uit verschillende tinten groen en gele delen op de handpennen en staart.

Vooral het mannetje valt op door zijn verenkleed, dat bestaat uit verschillende tinten groen met opvallende gele delen. De randen van de handpennen zijn helder geel, net als de buitenste staartpennen. Deze gele accenten maken de groenling, zeker in vlucht, goed herkenbaar.

Het vrouwtje is minder bont gekleurd en heeft een meer bruingrijs verenkleed. Ook bij het vrouwtje zijn gele delen op de vleugels en staart zichtbaar, maar deze zijn duidelijk minder fel dan bij het mannetje.

Vluchtbeeld

In vlucht zijn groenlingen goed te herkennen aan de gele vleugelstrepen en het geel in de staart. Daarnaast hebben ze een kenmerkende golvende vlucht wanneer ze zich door het landschap verplaatsen.

Adult groenling vs. juveniel groenling

Juveniele groenlingen lijken qua verenkleed enigszins op het vrouwtje, maar zijn over het algemeen grijzer van kleur. Ze hebben bovendien een duidelijk gestreept verenkleed, wat vooral zichtbaar is aan de onderzijde. De snavel is bij juveniele vogels donkerder en nog niet zo krachtig en kegelvormig als bij volwassen groenlingen.

Snavel

De groenling heeft een krachtige, kegelvormige snavel, die uitstekend geschikt is voor het eten van harde zaden. Mannetjes hebben vaak een bleke, hoornkleurige snavel, die extra goed opvalt door het groene verenkleed. Bij vrouwtjes is de snavel doorgaans iets donkerder en minder opvallend, doordat deze minder contrasteert met het verenkleed. Juveniele dieren hebben een duidelijk donkerdere snavel, grijsbruine snavel.

Groenlingen hebben een stevige snavel, waarmee ze harde zaden gemakkelijk kunnen kraken (de Natuur van hier)
Groenlingen hebben een stevige snavel, waarmee ze harde zaden gemakkelijk kunnen kraken (de Natuur van hier)

De kleur van de snavel kan echter variëren per individu en per seizoen. Het is daarom geen sluitend determinatiekenmerk. maar wel een nuttige aanwijzing in combinatie met andere kenmerken.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Groenling
Wetenschappelijke naam Chloris chloris
Kenmerken Geelgroen verenkleed, zware snavel, geel in vleugel/staart
Zang Zware, nasale roep “tsjriep”; zang rollend en nasaler
Habitat Halfopen landschap; bosranden, bos met open plek, nabij stedelijke omgeving
Broeden in NL Zeer talrijk
Broedparen 58,000-90,000

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Zang en roep

De zang van de groenling is minder melodieus dan die van andere vinkachtigen, maar daardoor juist goed herkenbaar. Het is een raspend en schurend geluid, dat vaak wat metaalachtig aandoet. De zang bestaat uit rollende, trillende tonen die worden afgewisseld met korte fluittonen. Mannetjes kunnen deze langere tijd volhouden, vaak vanaf een hoge zangpost zoals een boomtop, struik of dakrand.

Wie de zang eenmaal kent, herkent de groenling snel. De klank kan op het eerste gehoor wat monotoon lijken, maar is zeer kenmerkend en onderscheidt zich duidelijk van de meer melodieuze zang van bijvoorbeeld de vink of distelvink.

Zang groenling (Xeno Canto – Jack Berteau)

Naast de zang laat de groenling regelmatig een korte roep horen. Deze roep klinkt scherp en wordt vaak omschreven als een “dzjèè” of “dju”. Je hoort deze roep vooral wanneer groenlingen in groepjes rondvliegen, bij contact tussen soortgenoten of bij lichte onrust.

Roep Groenling (Xeno Canto – Jordi Calvet)

De zangperiode van de groenling begint meestal al in februari en bereikt een piek in het voorjaar, van maart tot en met mei. Vooral in de vroege ochtend laten mannetjes zich dan horen. Ook buiten het broedseizoen kun je soms zang horen, maar dan minder frequent en intens.

Groenlingen zingen vaak vanaf een hoge zangpost
Groenlingen zingen vaak vanaf een hoge zangpost

Gedrag

Groenlingen zijn actieve vogels die hun voedsel zowel op de grond als laag in de vegetatie zoeken. Ze eten voornamelijk zaden, knoppen, bessen en jonge plantendelen en zijn daarbij vaak alert, maar niet bijzonder schuw. In groene tuinen, parken en halfopen landschap laten ze zich dan ook vaak goed bekijken.

Tijdens de broedperiode vertonen mannetjes territoriaal gedrag. Ze verdedigen hun territorium vooral door middel van zang, waarmee ze zowel soortgenoten op afstand houden als vrouwtjes proberen aan te trekken. Ook visueel laten mannetjes groenlingen zich zien: met wijd gespreide vleugels en staart blijven ze in de lucht hangen, waarbij het felle geel op vleugels en staart extra opvalt. Dit gedrag dient zowel om rivalen te imponeren als om vrouwtjes aan te trekken.

Buiten het broedseizoen verandert het gedrag duidelijk. Groenlingen trekken dan vaker in kleine groepen rond, soms samen met andere vinkachtigen en mezen. Dit gedrag zie je vooral in de winter, wanneer voedselplekken gedeeld worden en de korte, scherpe roepjes helpen om contact te houden binnen de groep.

Groenlingen maken dankbaar gebruik van aangeboden vogelvoer in tuinen
Groenlingen maken dankbaar gebruik van aangeboden vogelvoer in tuinen

Bij de voedertafel zijn groenlingen soms vaste gasten. Ze komen graag af op zaden zoals zwarte zonnebloempitten en kunnen richting kleinere vogels soms dominant zijn. Het gezamenlijk foerageren bij voedertafels maakt de groenling voor veel mensen een herkenbare en opvallende tuinvogel.

Waarneming uit het veld

Als wij aan groenlingen denken, dan denken we automatisch aan het voorjaar. Tijdens een van de eerste zonnige lentedagen, wanneer we door het ruige, halfopen landschap van de Grensmaas struinen, is het vaak een kwestie van tijd voordat de kenmerkende zang van een groenling klinkt. Hoog in een rozenstruik of meidoorn zit dan een mannetje te zingen, zichtbaar aanwezig en duidelijk bezig zich te tonen aan de vrouwtjes.

Wie vervolgens even onopvallend plaatsneemt achter een struik of boom, hoeft meestal niet lang te wachten. De groenling laat zich zien en toont zijn groene verenkleed, waarbij het geel op vleugels en staart extra opvalt. Op zo’n moment weet je: het voorjaar is echt begonnen!

Het halfopen landschap van de Grensmaas is een uitstekend leefgebied voor de groenling. Hier vinden ze dekking en voldoende voedsel en hebben ze tal van broedmogelijkheden (de Natuur van hier)
Het halfopen landschap van de Grensmaas is een uitstekend leefgebied voor de groenling. Hier vinden ze voldoende dekking. voedsel en talloze mogelijkheden om te broeden – precies wat de soort nodig heeft om zich thuis te voelen (de Natuur van hier)

Leefgebied en verspreiding in Nederland & België

Groenlingen houden van een halfopen landschap, waarin een mozaïek van struiken, bomen en open plekken te vinden is. Voorbeelden van geschikte leefgebieden zijn dorpsranden, groene tuinen, parken, houtwallen, rivierlandschappen en overgangszones naar bos (met een halfopen karakter).

De groenling is wijdverspreid, zowel in Nederland als in België. Regionaal is de groenling minder te vinden in het open agrarisch gebied waar geen structuur te vinden is. Op onderstaande kaart van SOVON is de verspreiding van de groenling duidelijk te zien.

In Nederland is de groenling overwegend een standvogel. In de winter vormen ze echter wel groepen en trekken ze gezamenlijk door het landschap. Sommige individuen trekken (vooral bij strengere winters) iets zuidelijker, meestal tot in Frankrijk, maar veruit de meeste blijven in ons land. in de winter krijgen we in Nederland wel bezoek van Scandinavische groenlingen, die hier overwinteren.

Leefgebied door het jaar heen

In het voorjaar en in de zomer broeden groenlingen in een struik of boom en leven dan meer in paarverband of leven dan in kleine groepjes. Gedurende het najaar en de winter zijn ze meer op voedsel vinden gericht en vormen ze grote groepen. In deze periode zoeken ze ook gezamenlijk naar voedsel op akkers of komen ze in tuinen om voedertafels te bezoeken.

Groenling in cultuurlandschap en tuinen

Aan de ene kant profiteren groenlingen van het door de mens gecreëerde landschap, maar aan de andere kant heeft het ook een negatief effect op ze. De aanleg van groene tuinen en parken heeft een positieve werking op de groenling, omdat ze hier een geschikt leefgebied vinden, waarin ze kunnen broeden en voedsel en beschutting vinden.

Daarnaast zijn ze ook kwetsbaar voor het menselijk landschap. Denk dan vooral aan de monoculturen in de landbouw, waar groenlingen simpelweg te weinig voedsel en structuur (zoals struiken en bomen) vinden. Daarnaast kunnen voederplaatsen in tuinen en parken een bron zijn van ziekteoverdracht. Het is dus belangrijk om deze altijd goed schoon te houden. Verderop in de blog vertellen we hier nog meer over.

Voedsel

De groenling is een echte zaadeter. Ze eten hoofdzakelijk zaden van kruiden en grassen. Ze zijn daarom ook vaak te vinden op plekken met ruigtes en veel zaaddragende planten. Onder andere zaden van paardenbloem, distels, weegbree en grassen worden gegeten. In het voorjaar en in de zomer worden daarnaast ook jonge plantendelen gegeten en worden er ook insecten gevangen in de broedtijd (voor de jongen). In het najaar en in de winter worden hoofdzakelijk zaden gegeten, maar ook in kleine hoeveelheden bessen. Zo komen groenlingen af op de rozenbottels in tuinen, hagen en bosschages.

Groenlingen zijn, zeker in de winter, ook graag geziene tuingasten. Ze struinen in groepjes dan de groene tuinen af en bezoeken dankbaar de voedertafels. Vooral zaden zoals zonnebloempitten zijn geliefd bij groenlingen, maar ook kwalitatief goede voedermengsels met veel oliehoudende zaden vallen in de smaak. Voer wel altijd biologisch vogelvoer, zo weet je zeker dat het niet giftig is voor de groenlingen en andere vogels die er op af komen.

Vooral in de winter komen groenlingen in groepjes af op voedertafels
Vooral in de winter komen groenlingen in groepjes af op voedertafels

Ze eten echter niet alles wat in de tuin wordt aangeboden. Vetbollen met weinig zaden laten ze links liggen en ook stukjes brood worden niet gegeten. Het zijn ook zeker geen typische insecteneters zoals bijvoorbeeld mezen dat (grotendeels) wel zijn.

Voortplanting

De broedperiode van groenlingen loopt van eind maart tot augustus. In het vroege voorjaar laten mannetjes hun baltszang veelvuldig horen, vaak vanuit een hoge zangpost zoals een struik of boom. Daarnaast toont het mannetje zijn prachtig gekleurde verenkleed aan het vrouwtje. Op basis van de zang en het gedrag van het mannetje kiest het vrouwtje een partner.

In een dichte struik of boom (bijvoorbeeld een hulst, meidoorn of conifeer) wordt goed verscholen een komvormig nestje gemaakt van takjes, grasjes, veertjes en mos. Het nest wordt gemaakt door het vrouwtje, terwijl het mannetje aandachtig de omgeving in de gaten houdt.

Meestal hebben groenlingen in een seizoen 2 legsels, soms (bij goede omstandigheden) 3. Er worden per legsel 4 tot 5 lichtblauwe tot witte eieren gelegd. Deze worden, hoofdzakelijk door het vrouwtje in 11 tot 14 dagen uitgebroed. Zodra de jongen uit het ei komen, zijn ze volledig afhankelijk van de ouders (het zijn nestblijvers en ze zijn kaal en blind bij de geboorte). Beide ouders zorgen voor voedsel voor de kleine groenlingen. Ze krijgen zachte zaden en insecten te eten. Na 13 tot 15 dagen vliegen de jongen uit. Ze worden dan nog een tijdje bijgevoerd door de ouders.

Groenlingen broeden graag in dichte struiken of bomen, zoals coniferen
Groenlingen broeden graag in dichte struiken of bomen, zoals coniferen

Achteruitgang van de groenling

De groenling was lange tijd een algemene en vertrouwde verschijning in het Nederlandse landschap en in tuinen. Sinds het begin van deze eeuw is daar echter verandering in gekomen. Vanaf ongeveer 2007 is er sprake van een sterke achteruitgang van de populatie, waarbij lokaal zelfs complete verdwijningen zijn waargenomen. De belangrijkste oorzaak hiervan is een infectieziekte die vooral groenlingen zwaar treft: trichomoniasis, ook wel bekend als geelknobbelziekte.

Deze ziekte wordt veroorzaakt door de eencellige parasiet Trichomonas gallinae, die het slijmvlies van de keel en slokdarm aantast. Besmette vogels krijgen moeite met slikken, vermageren snel en sterven vaak binnen korte tijd. Groenlingen zijn extra kwetsbaar doordat zijn van nature sociaal zijn en zich graag in groepjes ophouden, vooral bij voedselbronnen. Hierdoor kan de ziekte zich snel verspreiden, met name op plekken waar veel vogels samenkomen, zoals voedertafels en drinkplaatsen.

Het is belangrijk om te benadrukken dat het bijvoeren van vogels niet de oorzaak van de ziekte is, maar wel kan bijdragen aan de verspreiding ervan wanneer de hygiëne wordt verwaarloosd. Besmetting vindt plaats via speeksel en voedselresten, waardoor slecht schoongemaakte voedersilo’s en waterbakken een rol kunnen spelen. Ook in de natuur zelf kan de ziekte worden overgedragen, bijvoorbeeld bij natuurlijke voedselplekken of drinkpoelen.

Naast ziekte spelen mogelijk ook andere factoren een rol in de achteruitgang van de groenling, zoals verandering in het landschap en afname van zaaddragende kruiden. Toch wordt trichomoniasis gezien als de belangrijkste en meest actuele bedreiging voor de soort. Inmiddels lijkt de populatie zich voorzichtig te stabiliseren, maar het niveau van vóór 2007 is nog lang niet bereikt.

De groenling laat hiermee zien hoe kwetsbaar zelfs algemene vogelsoorten kunnen zijn wanneer ziekte en menselijk gebruik van het landschap samenkomen.

Wat kun je doen om de groenling te helpen?

Om de groenling te helpen kun je een aantal maatregelen nemen in je tuin. Uiteraard kun je in de herfst en in de winter bijvoeren, maar kies dan wel het juiste voedsel. Ga altijd voor biologisch voedsel omdat dit niet schadelijk is voor de leefomgeving én voor groenlingen. Laat goedkoop voer liever staan, dit is vaak van mindere kwaliteit en zit vaak vol met bestrijdingsmiddelen.

Net zo belangrijk is de hygiëne op de voederplekken en bij de drinkplaatsen, om te voorkomen dat de geelknobbelziekte zich onder de vogels verspreid. Maak daarom met regelmaat voederplekken, voedersilo’s, etc. grondig schoon. Ververs ook dagelijks het drinkwater. En als je een zieke vogel ziet: stop dan tijdelijk met bijvoeren zodat de ziekte zich (minder snel) verspreid.

Je tuin inrichten voor de groenling

Kijk ook eens kritisch naar de inrichting van je tuin, hier is vast ook nog wel wat verbetering aan te brengen voor de groenling en voor andere vogels. Laat bijvoorbeeld op een of meerdere plekjes wat rommelige hoekjes ontstaan en laat het hier verruigen. Laat zaaddragend planten zoals distels en paardenbloem staan. En als je gras hebt, maai dan niet alles in één keer.

Zorg daarnaast voor beschutting in je tuin. Groenlingen maken geen gebruik van nestkasten, maar wel van dichte bomen en struiken. Plant je tuin dus aan met inheemse struiken, bomen en klimplanten. Ook een inheemse, gemengde haag kan zeer interessant zijn voor groenlingen. Wij hebben bijvoorbeeld in onze natuurtuin veel klimop, sleedoorn, gele kornoelje en diverse rozen. Daarnaast is de hele tuin omzoomd door een brede gemengde haag. We zien hier dagelijks veel vogelsoorten (waaronder de groenling) gebruik van maken. Rust en beschutting is enorm belangrijk voor groenlingen.

Gebruik tot slot geen bestrijdingsmiddelen. Dit is giftig voor insecten en andere dieren die leven in je tuin. Ook vogels hebben last van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Laat deze middelen dus weg en geniet van de rijke biodiversiteit in je tuin! Dan volgen de groenlingen vanzelf.

De aanplant van inheemse struiken in tuinen kan de groenling helpen
De aanplant van inheemse struiken in tuinen kan de groenling helpen

Veelgestelde vragen

Hoe herken je de groenling?

De groenling is een middelgrote vink met een stevig, groen verenkleed. Mannetjes zijn opvallender gekleurd dan vrouwtjes en hebben felgele randen aan de vleugels en staart. In vlucht vallen vooral deze gele accenten en de golvende vlucht op. De krachtige, kegelvormige snavel is aangepast aan het eten van zaden.

Wat is het verschil tussen een mannetje en vrouwtje groenling?

Het mannetje groenling is helderder groen gekleurd en heeft duidelijker gele delen op vleugels en staart. Het vrouwtje is meer bruingrijs en minder contrastrijk. Ook is de snavel van het mannetje vaak iets bleker dan die van het vrouwtje, al is dit geen betrouwbaar determinatiekenmerk.

Waar leeft de groenling?

Groenlingen leven in halfopen landschappen met struiken, hagen en bomen. Ze komen voor in tuinen, parken, landbouwgebieden en natuurgebieden met ruigte. In Nederland is de groenling een standvogel, wat betekent dat hij het hele jaar door te zien is.

Wat eet een groenling?

De groenling eet vooral zaden van kruiden, grassen en bomen. Favorieten zijn onder andere zonnebloempitten, distelzaden en hennepzaad. Tijdens het broedseizoen eten groenlingen ook kleine insecten, vooral om hun jongen te voeren.

Waarom is de groenling achteruit gegaan?

Sinds het begin van deze eeuw is de groenling sterk in aantal afgenomen, vooral door de geelknobbelziekte (trichomoniasis). Deze ziekte verspreidt zich snel op plekken waar veel vogels samenkomen, zoals bij voedertafels. Slechte hygiëne kan de verspreiding versnellen.

Gebruikt de groenling een nestkast?

Nee, groenlingen maken geen gebruik van nestkasten. Ze bouwen hun nest liever in dichte struiken, hagen of klimop. Rust, beschutting en een natuurlijke tuin zijn belangrijker voor de groenling dan kunstmatige nestgelegenheid.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Distelvink (Putter) – Herkenning, zang, kenmerken & leefgebied

Distelvink (putter) soortpagina. Hier vind je alles over deze vinkachtige (de Natuur van hier)

De distelvink (putter) is een kleurrijke zangvogel uit de familie vinkachtigen die in grote delen van Nederland voorkomt. Met zijn rode masker en gele vleugelstrepen is het een van de meest opvallende vinken in ons landschap. Je ziet hem vooral in bloemrijke graslanden, in akkerranden en in tuinen met veel zaaddragende planten. Op deze pagina lees je hoe je de distelvink herkent, waar hij van leeft en hoe je distelvinken kunt helpen.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Kenmerken van de distelvink (putter)

De distelvink is bij de meeste mensen beter bekend onder de naam putter. De wetenschappelijke naam is Carduelis carduelis. De distelvink (putter) heeft zich de laatste jaren goed weten aan te passen aan het menselijke landschap, waardoor het goed gaat met deze vinkachtige in Nederland. Het is een opvallende verschijning, zowel qua verenkleed als qua zang. Distelvinken bereiken een lichaamslengte van 10,5 tot 13,5 centimeter en een spanwijdte van 21 tot 25 centimeter. Volwassen vogels wegen 14 tot 19 gram.

De distelvink (putter) heeft een kleurrijk verenkleed
De distelvink (putter) heeft een kleurrijk verenkleed

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Verenkleed man en vrouw

Waar er bij de vink sprake is van seksuele dimorfisme (een duidelijk verschil in verenkleed tussen man en vrouw), is dit bij de distelvink niet het geval. Man en vrouw distelvink (putter) lijken namelijk sterk op elkaar en hebben dus beide een kleurrijk verenkleed.

Distelvinken hebben een rood masker, met verder een zwart-witte kop. Ze hebben verder zwarte vleugels, met een opvallende gele vleugelstreep die vooral in vlucht erg goed opvalt. De slagpennen hebben witte toppen. Daarnaast hebben ze een zwarte staart met witte vlekken. De bovenzijde is overwegend bruin. Bij de borst wordt het verenkleed grijzer en de onderzijde is meer wit gekleurd.

Geslachtsonderscheid

Onderscheid tussen man en vrouw is dus minder goed zichtbaar als bij sommige andere vinken. Mannetjes en vrouwtjes zijn echter uit elkaar te houden, voor degene die goed kijken. Het opvallendste verschil zit hem in het rode masker. Bij mannetjes loopt het rood door tot achter het oog, bij vrouwtjes loopt het rood tot halverwege het oog. Mannetjes hebben daarnaast in het zomerkleed een dieper gekleurd masker en dieper gekleurde gele vleugelstreep. Tot slot hebben mannetjes over het algemeen een grotere snavel.

Bij mannetjes distelvinken loopt het rode masker door tot achter het oog, bij vrouwtjes tot halverwege het oog. Daarnaast is het rode masker bij mannetjes feller gekleurd en hebben ze een iets grotere snavel. Op deze foto zijn de verschillen tussen mannetje en vrouwtje goed te zien (de Natuur van hier)
Bij mannetjes distelvinken loopt het rode masker door tot achter het oog, bij vrouwtjes tot halverwege het oog. Daarnaast is het rode masker bij mannetjes feller gekleurd en hebben ze een iets grotere snavel. Op deze foto zijn de verschillen tussen mannetje en vrouwtje goed te zien (de Natuur van hier)

Adult distelvink vs. juveniel distelvink

Waar man en vrouw distelvink lastig uit elkaar te houden zijn, zijn juveniele distelvinken goed te onderscheiden van de volwassen dieren. Juveniele distelvinken hebben een meer grijsbruin verenkleed met kleine zwarte vlekken. Ze hebben daarnaast een effen bruine kop. Wel hebben ze net zoals de volwassen exemplaren de zwarte vleugels met opvallende, gele vleugelstrepen. Hieraan kun je dus goed herkennen dat je met een (juveniele) distelvink te maken hebt.

Snavel

Distelvinken hebben een vrij lange en spitse snavel waarmee ze goed zaden kunnen eten (zelfs zaden die voor veel andere soorten onbereikbaar zijn, zoals de zaden van de kaardenbol). De snavel is in het zomerkleed volledig wit, in de winter wordt de snavelpunt donkerder. Mannetjes hebben verder nog een iets grotere snavel dan vrouwtjes.

Vluchtbeeld

In vlucht is de distelvink goed te herkennen aan de opvallende gele vleugelstrepen, die duidelijk afsteken tegen de zwarte vleugels. Het geel licht vooral op wanneer de vogel van plek naar plek vliegt. De vlucht is licht en golvend, met snelle vleugelslagen afgewisseld door korte glijmomenten. Distelvinken vliegen vaak in kleine groepjes en laten zich daarbij regelmatig horen met hun kenmerkende roep.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Distelvink
Wetenschappelijke naam Carduelis carduelis
Kenmerken Rood gezicht, zwart-witte kop, gele vleugelstrepen
Zang Vrolijk geratel met heldere fluittonen, vaak vloeiend
Habitat Platteland bij dorpen en boerderijen en in buitenwijken van steden
Broeden in NL Talrijk
Broedparen 46,000-58,000

Waarom heet de distelvink ook wel putter?

De naam putter wordt vaak verklaard vanuit het geluid dat de distelvink maakt: een helder, klingelend “put-put” dat vooral tijdens de vlucht te horen is. In de loop der tijd raakte deze naam ook verbonden met een minder fraai verleden, waarin distelvinken veelvuldig in kooitjes werden gehouden.
Omdat de naam distelvink verwijst naar het natuurlijke voedsel en gedrag van de vogel, gebruiken wij bij voorkeur deze benaming, met putter als aanvullende naam.

Zang en roep

De distelvink heeft een helder en levendig geluid, dat goed past bij zijn actieve en beweeglijke gedrag. De roep is een scherp, klingelend “tieteliet’ of “put-put”, vaak te horen wanneer de vogel overvliegt en contact houdt met soortgenoten.

Roep distelvink (Xeno-canto – Lee Alder)

De zang bestaat uit snelle reeksen trillers en heldere tonen, soms afgewisseld met korte pauzes. Vooral in het voorjaar zingen mannetjes er op los, vaak vanaf een hoge zangpost zoals een boomtop of een struik. Distelvinken zingen ook regelmatig in vlucht, wat bijdraagt aan hun opvallende aanwezigheid in het landschap.

Zang distelvink (Xeno-canto – Francesco Sottile)

Meer vogelgeluiden leren herkennen? Lees dan eens onze blog vogelgeluiden leren herkennen om de geluiden van de meest algemene tuinvogels te herkennen!

Mannetjes distelvinken gebruiken vaak een hoge boomtop of struik om vanuit daar hun melodieuze zang te laten horen, die zich wijd door het landschap versprijd (de Natuur van hier)
Mannetjes distelvinken gebruiken vaak een hoge boomtop of struik om vanuit daar hun melodieuze zang te laten horen, die zich weid door het landschap verspreid (de Natuur van hier)

Gedrag

Distelvinken zijn sociale vogels die buiten de broedtijd vaak in groepen te zien zijn. Gezamenlijk trekken ze door het landschap en zoeken ze naar voedsel. Dit doen ze al kwetterend en zingend, en vliegen zo van de ene plek naar de andere plek.

Paargedrag en nestbouw

In grote wintergroepen worden vaak al paartjes gevormd (al gebeurt dit soms ook in het vroege voorjaar). Het vrouwtje begint dan vervolgens met het maken van een nest in een boom of struik . Als nestmateriaal wordt van alles gebruikt: bladeren, grassen, mossen, korstmossen en veertjes. Het vrouwtje maakt zelf het nest, het mannetje draagt echter wel nestmateriaal aan. Meestal worden er twee legsels per seizoen gemaakt door de distelvink, soms drie. Per legsel worden er 4 tot 6 eieren gelegd die in ongeveer 10 dagen worden uitgebroed. Na 13 tot 18 dagen vliegen de jongen uit. De jongen worden dan nog een á twee weken bijgevoerd door de ouders.

Foerageergedrag en voedselkeuze

Het is seizoensafhankelijk hoe distelvinken naar voedsel zoeken. In de winter foerageren distelvinken vaak in grote, losse groepen, die regelmatig gemengd zijn met andere vinkachtigen, zoals vinken en kepen. Buiten de winter zoeken ze doorgaans in kleinere groepjes of paartjes naar voedsel. Tijdens de broedperiode is het foerageergedrag meer territoriaal en beperken distelvinken zich vooral tot de omgeving van het nest. Het voedsel (hoofdzakelijk zaden) wordt voornamelijk gezocht in open gebied, zoals bermen, graslanden en akkers met granen en onkruiden.

Een (deel van een) grote groep vinkachtigen in de winter, gezamenlijk op zoek naar voedsel op een akker met granen en kruiden die nog vol met zaden zitten. De totale groep bevatte minimaal 400 vogels en bestond onder ander uit distelvinken (putter), kepen en vinken (de Natuur van hier)
Een (deel van een) grote groep vinkachtigen in de winter, gezamenlijk op zoek naar voedsel op een akker met granen en kruiden die nog vol met zaden zitten. De totale groep bevatte minimaal 400 vogels en bestond onder andere uit distelvinken (putters), kepen en vinken (de Natuur van hier)

Distelvinken eten dus voornamelijk zaden. Vooral zaden van composietplanten zoals paardenbloem, distels en zonnebloemen worden gegeten. Ook kaardenbol is favoriet bij distelvinken. Met hun lange en spitse snavel kunnen ze goed bij de moeilijk bereikbare (voor veel andere vogels) zaden. In de winter eten ze daarnaast ook zaden van bomen zoals berk en els. Daarnaast bezoeken ze in de winter ook regelmatig voedertafels in tuinen, op zoek naar zonnebloempitten of andere zaden. De jongen krijgen veel insecten als voedsel. Dit is een belangrijke eiwitbron en energiemotor voor de jongen distelvinken die zo snel groeien.

Waarneming uit het veld

In onze natuurtuin is de distelvink een graag geziene gast. In ieder seizoen zien we de distelvinken terug in onze tuin en meestal zijn ze op zoek naar voedsel. Al druk roepend en zingend komen ze in paartjes of in kleine groepen de natuurtuin in en gaan dan op zoek naar zaaddragende planten. Achterin de tuin hebben we grote kaardenbol staan en dit is een ware distelvink magneet. Na de bloei in de zomer, blijven de stekelige bloemkoppen staan, die dan nog vol zitten met zaden. De distelvinken blijven terugkomen naar deze bloemkoppen en eten deze leeg tot de laatste zaden die erin zitten opgegeten zijn. Hiervan kunnen we vaak tot diep in de winter genieten (laat uitgebloeide bloemen dus altijd staan gedurende de winter!).

Maar ook de paardenbloem is geliefd bij distelvinken. Deze bloeit rijkelijk in ons kruidenrijk grasland en uitgebloeide paardenbloemen zijn een waar feestje voor de distelvinken. Onderstaande foto hebben we kunnen maken vanuit onze keuken. De distelvink kwam af op de uitgebloeide paardenbloem, die nog geen meter van het keukenraam stond. Door rustig vanaf de keukenvloer te kijken, konden we de distelvink aandachtig bekijken en fotograferen, terwijl deze zijn natuurlijke gedrag vertoonden. Fantastisch om dit vanuit je eigen huis te kunnen bekijken!

Distelvinken kunnen met hun lange, spitse snavel goed bij zaden bij composietplanten en andere zaaddragende planten (de Natuur van hier)
Distelvinken kunnen met hun lange, spitse snavel goed bij zaden bij composietplanten en andere zaaddragende planten (de Natuur van hier)

Leefgebied en verspreiding

De distelvink is een vogel van het open tot halfopen landschap, waar voldoende zaaddragende planten aanwezig zijn. Oorspronkelijk was de soort vooral te vinden in bloemrijke graslanden, langs bosranden en in open struweel. Tegenwoordig profiteert de distelvink ook van het door de mens gevormde landschap en is hij op veel meer plekken te zien.

In Nederland komt de distelvink vooral voor in agrarische gebieden met kruidenrijke akkerranden, in extensief beheerde graslanden, langs wegbermen en dijken, maar ook in tuinen, parken en buitenwijken. Voorwaarde is wel dat er voldoende natuurlijke voedselbronnen aanwezig zijn, zoals distels, paardenbloemen, kaardenbol en andere zaaddragende planten. Monotone, intensief beheerde graslanden zonder bloeiende kruiden zijn niet geschikt als leefgebied.

Kruidenrijke grasland vormt een belangrijk leefgebied voor de distelvink, vanwege de vele zaaddragende planten die erin voorkomen (de Natuur van hier)
Kruidenrijke grasland vormt een belangrijk leefgebied voor de distelvink, vanwege de vele zaaddragende planten die erin voorkomen (de Natuur van hier)

Tijdens de broedperiode zoekt de distelvink beschutting in struiken, hagen en kleine bomen, waar goed verborgen een nest kan worden gemaakt. Daarbij wordt vaak gekozen voor locaties in de buurt van open terrein, zodat voedsel gemakkelijker bereikbaar blijft. Buiten de broedtijd zijn distelvinken minder plaatsgebonden en zwerven ze door het landschap op zoek naar plekken met veel zaden.

De distelvink is in heel Nederland een algemene broedvogel, met hogere dichtheden in kleinschalige landbouwgebieden en in landschappen met veel groene structuren. Ook in stedelijke gebieden is de soort de laatste decennia duidelijk toegenomen, mede dankzij natuurrijke tuinen en het aanbieden van zaden bij voedertafels. Op onderstaande afbeelding van SOVON is de verspreiding van de distelvink in Nederland te zien.

Op Europese schaal komt de distelvink voor in grote delen van Europa, Noord-Afrika en West-Azië. In het noorden en oosten van Europa zijn distelvinken vaker trekvogels, terwijl populaties in Zuid- en West-Europa grotendeels standvogel zijn. Nederland ligt in een overgangsgebied, waar zowel standvogels als overwinterende vogels uit noordelijker gebied voorkomen.

Voortplanting

Distelvinken broeden van april tot en met juli en hebben meestal 2 en soms 3 legsels per jaar (afhankelijk van het aanbod insecten, hoofdvoedsel voor de jongen, gedurende het seizoen). Het nest wordt gemaakt in struiken, hagen of bomen, die in open of halfopen gebied staan. Voorbeelden van geschikte locaties om een nest te maken zijn tuinen, groene erven, parken, bosranden en houtwallen, in de buurt van open terrein om gemakkelijk en snel voedsel te kunnen vinden. Het vrouwtje bouwt een komvormig nest op een goed verscholen plek in de vegetatie. Het mannetje voert verschillend soort nestmateriaal aan: grassen, mossen, korstmossen en veertjes.

Meestal worden er 4 tot 6 eieren gelegd. De eieren zijn lichtblauw van kleur met donkere vlekken. Na 10 tot 12 dagen komen de eieren uit. Het vrouwtje broedt de eieren uit, het mannetje houdt de omgeving in de gaten en levert voedsel aan. Als de jongen geboren zijn dan krijgen ze hoofdzakelijk eiwitrijke insecten als voedsel. Na 13 tot 18 dagen vliegen de jongen uit. Ze worden dan nog ongeveer 2 weken bijgevoerd.

In stand houden van de populatie

Een bloemrijke omgeving is cruciaal voor het grootbrengen van de jongen. Nectarbloemen trekken immers insecten aan, het voedsel waar de jongen op worden grootgebracht. Belangrijkste redenen waarom nesten mislukken zijn dan ook een voedseltekort, aangestuurd door een insectenarme omgeving of door aanhoudende slechte weersomstandigheden. Daarnaast kan verstoring er ook voor zorgen dat een nest mislukt. Door verstoring kan het zijn dat de ouders onvoldoende voedsel aangevoerd krijgen, waardoor één of meerdere jongen het niet redden.

Essentieel is het voor de populatie distelvinken dat ieder paartje minimaal 2 en in sommige jaren 3 succesvolle legsels hebben. Niet alle jongen zullen volwassen worden en zelf ook aan broeden toekomen. Voor die tijd zal een deel van de nieuwe aanwas al uitgevallen zijn door verschillende redenen. Een deel van de jongen valt ten prooi aan predatoren (kiekendieven, boomvalken, huiskatten, etc.) en sommige komen om door voedselgebrek (op trek of doordat ze geen eigen territorium kunnen vinden).

Trekgedrag van de distelvink

De distelvink is een gedeeltelijke trekvogel. Een deel van de Nederlandse populatie blijft het hele jaar in ons land, terwijl andere distelvinken in de herfst en winter zuidelijker trekken of rondzwerven op zoek naar voedsel.

Vooral in de winter kunnen grote aantallen distelvinken worden gezien, soms aangevuld met vogels uit Noord- en Oost-Europa. Deze wintergroepen zwerven door het landschap en verzamelen zich op plekken waar veel zaden beschikbaar zijn.

In het voorjaar keren de trekkende distelvinken terug naar hun broedgebieden. De trekafstanden zijn over het algemeen beperkt en sterk afhankelijk van de weersomstandigheden en voedselbeschikbaarheid. Hierdoor verschilt het trekgedrag per jaar en per individu.

Distelvinken in de tuin

Distelvinken zijn steeds vaker bezoekers van tuinen, mits deze aan een aantal voorwaarden voldoen. Vooral groene tuinen met bloemen, kruiden en zaden worden bezocht. Daarnaast komen ze soms ook af op voedertafels, maar natuurlijke voedselbronnen zijn belangrijker voor ze.

Wil je dus distelvinken in je tuin, zorg dan eerst dat je de natuurlijke voedselbronnen op orde krijgt. Plant zaadplanten aan (of laat ze staan als ze spontaan opkomen), zoals grote kaardenbol, distels (zoals akkerdistel, kruisdistel en speerdistel), paardenbloemen, zonnebloemen, grote klit en teunisbloemen. Belangrijk hierbij is dat je uitgebloeide planten tot na de winter laat staan, zodat ze voldoende voedsel in de winter kunnen vinden. Zorg er dus voor dat je tuin niet te opgeruimd is. Als je planten gaat aanplanten, kies dan altijd voor biologische planten. Deze bevatten geen pesticiden en zijn dus niet giftig voor insecten en vogels!

Daarnaast kun je natuurlijk ook nog bijvoeren, zeker in de winterperiode. Distelvinken zijn gek op zonnebloempitten. Verder zou je ook nog een zadenmix kunnen aanbieden. Kies wederom voor biologisch vogelvoer, dan weet je zeker dat het de vogels niet schaadt!

Biedt het voer aan in een voedersilo of op een voedertafel. Heb je een wat grotere tuin? Maak dan meerdere voederplekken en kies rustige plekken uit waar je het voer aanbiedt. Zorg tot slot ook nog voor een aantal struiken en bomen in je tuin, zodat ze een veilige plek hebben.

Interessante weetjes

Tot slot hebben we nog een aantal interessante weetjes over distelvinken (putters) op een rijtje gezet:

  • Distelvinken zijn gespecialiseerd in het eten van zaden van composietplanten, zoals distels en kaardenbol, waar veel andere vogels moeilijk bij kunnen.
  • De soort zingt niet alleen vanaf een zangpost, maar laat ook regelmatig zijn zang horen tijdens de vlucht.
  • Juveniele distelvinken missen het kenmerkende rode masker en hebben een meer onopvallend bruin verenkleed.
  • Distelvinken vormen buiten de broedtijd vaak grote groepen, soms samen met andere vinkachtigen.
  • De naam putter is afgeleid van de heldere roep die distelvinken laten horen tijdens de vlucht.
  • Distelvinken profiteren sterk van natuurrijke tuinen en bloemrijke bermen.
  • In de winter kunnen distelvinken uit Noord- en Oost-Europa in Nederland overwinteren.

Veelgestelde vragen

Is de distelvink een standvogel?

De distelvink is een gedeeltelijke trekvogel. Een deel van de Nederlandse distelvinken blijft het hele jaar in ons land, terwijl andere vogels in de winter zuidelijker trekken of rondzwerven op zoek naar voedsel. In de winter worden Nederlandse vogels vaak aangevuld met distelvinken uit Noord- en Oost-Europa.

Wat eet een distelvink in de winter?

In de winter bestaat het voedsel van de distelvink vooral uit zaden. Vooral zaden van distels, kaardenbol, paardenbloem, zonnebloem en bomen zoals berk en els worden gegeten. Ook biologisch vogelvoer, zoals zonnebloempitten en nigerzaad, wordt in tuinen graag benut.

Wanneer broedt de distelvink?

Distelvinken broeden meestal van april tot en met juli. In deze periode kunnen zij twee, en soms zelfs drie legsels grootbrengen. De timing hangt sterk samen met het voedselaanbod en de weersomstandigheden.

Waarom zie ik distelvinken vaak in groepen?

Buiten de broedtijd zijn distelvinken sociale vogels die graag in groepen leven. Door samen te foerageren vergroten ze de kans op het vinden van voedsel en zijn ze beter beschermd tegen predatoren. In de winter kunnen deze groepen behoorlijk groot worden.

Hoe kan ik distelvinken naar mijn tuin lokken?

Distelvinken voelen zich vooral thuis in tuinen met veel bloeiende en zaaddragende planten. Door planten zoals kaardenbol, distels en paardenbloemen te laten staan, bied je een natuurlijke voedselbron. In de winter kun je dit aanvullen met biologisch vogelvoer, zoals zonnebloempitten of nigerzaad.

Wat is het verschil tussen een distelvink en een putter?

Er is geen verschil: distelvink en putter zijn twee namen voor dezelfde vogelsoort. De naam putter is afgeleid van de kenmerkende roep van de vogel, terwijl de naam distelvink verwijst naar het voedsel en leefgedrag.

Is de distelvink een beschermde vogel?

Ja, de distelvink is in Nederland een beschermde inheemse vogelsoort. Het is niet toegestaan om de vogels, hun nesten of eieren te verstoren, te vangen of te verhandelen.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Vink – Herkenning, zang, kenmerken & leefgebied

De vink is een van de algemeenste vogels van ons land en daardoor vergeten we soms hoe wonderschoon ze zijn (de Natuur van hier)

De eerste vink die je hoort in februari, terwijl de lucht nog koud is, is het teken dat de lente voor de deur staat. Dit kleine, compacte en kenmerkende zangvogeltje is een typisch beeld voor veel Nederlanders. Het is dan ook de meeste geziene vinkachtige van Nederland. In deze blog verdiepen we ons in de herkenning, de zang en gedrag van deze vrolijke vogels. Daarnaast vind je verderop in de blog een handige kenmerkentabel. Kortom: je komt alles te weten over de vink. Dus de volgende keer dat je een vogel ziet en je blik valt op de witte vleugelstrepen, dan weet je: dit is een vink.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Kenmerken van de vink

We beginnen met het beschrijven van de vink (vogel), ook wel bekend als botvink, bokvink of boekvink. De wetenschappelijke naam van de vink is Fringilla coelebs. De vink is de meest algemene vinkachtige in Nederland. Vooral het mannetje is een opvallende verschijning, zowel qua verenkleed als geluid. Vinken bereiken een lichaamslengte van ongeveer 15 centimeter en een spanwijdte van 25 tot 28 centimeter. Volwassen vogels wegen zo’n 21 gram.

De witte vleugelstrepen zijn een van de opvallendste kenmerken van vinken (de Natuur van hier)
De witte vleugelstrepen zijn een van de opvallendste kenmerken van vinken (de Natuur van hier)

Snavel

Opvallend bij de vink (en vele andere vinkensoorten) is de korte, dikke en kegelvormige snavel. Deze krachtige snavel gebruiken ze om zaden open te breken, die boordevol zitten met eiwitten, vetten, vezels en mineralen. De snavel is grijs van kleur en hoewel deze gemaakt is om zaden open te breken, is deze tijdens de broedperiode ook verrassend handig voor insecten.

Vinken hebben net zoals andere in de familie een grote, stevige snavel (de Natuur van hier)
Vinken hebben net zoals andere in de familie een grote, stevige snavel (de Natuur van hier)

Verenkleed man

Vooral de mannetjes van de vinken zijn een opvallende verschijning. Net zoals bij veel andere vinkensoorten is er bij de vink ook sprake van seksuele dimorfisme: mannetjes en vrouwtjes van dezelfde soort verschillen duidelijk van elkaar in verenkleed. Het mannetje vink herken je onder andere aan het blauw-grijsachtige petje en oranje borst en wangen. In het voorjaar, tijdens de broedperiode, is het blauwgrijze petje feller dan de rest van het jaar. Ze hebben daarnaast zwarte staartveren, behalve de opvallende buitenste staartpen, deze is wit. De rest van het lichaam is overwegend bruin gekleurd.

Verenkleed vrouw

Het vrouwtje vink ziet er dus anders uit dan het mannetje vink. Vinkenvrouwtjes hebben een veel bruiner en opvallender verenkleed dan het mannetje vink. Het belangrijkste kenmerk om een vrouwtjesvink te herkennen zijn de twee witte vleugelstrepen. Hiermee zijn ze goed te onderscheiden van andere bruine vogels. De onderzijde van het verenkleed is grijsbruin gekleurd, de bovenzijde is donkerder, meer olijfgroen van kleur.

Het vrouwtje vink heeft een duidelijk ander verenkleed dan mannetje vink (de Natuur van hier)
Het vrouwtje vink heeft een duidelijk ander verenkleed dan mannetje vink (de Natuur van hier)

Adult vink vs. juveniel vink

Ook tussen juveniele vinken en adulte vinken zijn er duidelijke verschillen op te merken. Zo is er een duidelijk kleurenverschil in verenkleed. Volwassen dieren zijn veel helderder en contrastrijker gekleurd. Jonge dieren hebben vaak een vaal en gestreept verenkleed, waardoor ze minder opvallen en minder gauw gezien worden door predatoren.

Daarnaast ontbreekt bij juveniele vinken de kop- en borsttekening en zijn de kenmerkende vleugelstrepen valer. Ook de snavel is bleker van kleur. Een jonge vink is daarnaast te herkennen aan het gedrag: bedelen (snel en kort met de vleugels slaan) bij de ouders om voedsel. In de overgang naar het eerste winterkleed kunnen jonge dieren sterk op vrouwtjes lijken, omdat ze dan al een deel van het volwassen kleed ontwikkeld hebben.

Vluchtbeeld

Ook in vlucht zijn er een aantal kenmerken waarop je vinken gemakkelijk kunt herkennen. Zo vallen vooral de witte vleugelstrepen in vlucht op. Daarnaast zijn de buitenste staartpennen ook wit, de rest van de staartveren zijn zwart. Door deze twee duidelijke kenmerken zie je een vink al van ver aankomen.

In onderstaande tabel vind je de belangrijkste kenmerken van de vink overzichtelijk bij elkaar.


Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Vink
Wetenschappelijke naam Fringilla coelebs
Kenmerken Mannetje roodbruine borst en blauwgrijze kop, wit in vleugels; vrouwtje grijzer/bruiner
Zang Korte, felle “pink pink” roep; zang met vaste slottriller (vinkenslag)
Habitat Groene gebieden met beschutte plekken en voedsel
Broeden in NL Uiterst talrijk
Broedparen 400,000-500,000

Zang en roep

Naast het verenkleed zijn vinken (en vogels in het algemeen) natuurlijk ook te herkennen op zang en geluid. De zang van de vink is het beste te omschrijven als een zachte, energieke en aflopende strofe. De zang eindigt vrijwel altijd met de typische vinkenslag. Meestal begint de zang met een aantal snelle, rollende tonen dat vervolgens afloopt in toonhoogte. De zang eindigt met een fel en ritmisch trillertje. De zang is meestal al vanaf half februari te horen en gaat vaak door tot in juni.

Vink zang (Xeno Canto – Mannuel Grosselet)

De meest gebruikte roep van de vink klinkt als een metaalachtig “pink!”. De roep van de vink is vaak te horen vanuit een struik of boom in een tuin of park, of in de bosranden. In vlucht heeft de vink een iets andere roep, deze is zachter en klinkt meer als “tsjip”. Tijdens vlucht kunnen ze op deze manier met elkaar blijven communiceren. Wil je meer vogelgeluiden leren herkennen van algemene tuinvogels? Lees (en luister) dan deze blog!

Vink roep (Xeno Canto – Mannuel Grosselet)

Gedrag

Vinken zijn levendige en aanwezige zangvogels. Vanaf half februari zingt het mannetje volop, waarmee deze zijn territorium verdedigt. Andere mannetjes die in het territorium van een zingend mannetje terecht komen weten op deze manier dat dit territorium al bezet is. Als het tweede mannetje niet meteen zal vertrekken na het horen van de zang, dan schuwt het eerste mannetje niet om het tweede mannetje actief te verjagen.

Paargedrag en nestbouw

Met de typische zang probeert het mannetje het vrouwtje te verleiden. Daarnaast gebruikt hij zijn opvallende rode/oranje borst om het vrouwtje te verleiden. Door deze op te zetten laat het mannetje aan het vrouwtje zien hoe sterk en gezond hij is. Door subtiele lichaamstaal weet het mannetje of het vrouwtje bereid is om te paren (lees hier hoe vogels paren).

Het vrouwtje bouwt hoofdzakelijk het nest. Ze maakt een komvormig nestje met behulp van gras, kleine takjes, mos, haren van zoogdieren en veren van andere vogels. Het nest wordt gemaakt in een dichte struik of boom. Dit is ook de plek waar vinken een veilig plekje vinden om te slapen.

Vinken foerageren graag op de grond (de Natuur van hier)
Vinken foerageren graag op de grond (de Natuur van hier)

Foerageergedrag en voedselkeuze

Vinken foerageren veel op de grond. Hier zoeken ze, al hippend op en neer, naar zaden van planten, struiken en bomen en in tuinen naar vogelvoer. In het voorjaar eten vinken meer insecten, deze bevatten veel eiwitten en zijn daarom dus een goede energiebron voor de jongen. Ook kunnen de ouders zelf in deze drukke tijd de eiwitten goed gebruiken. In de winter eten ze vooral knoppen en zaden van planten, struiken en bomen. In tuinen komen vinken af op vogelvoer zoals zonnepitten en gemengd strooivoer.

In de winter laten vinken hun territorium los en zoeken ze elkaar op. Ze vormen dan samen met andere vinkachtigen (zoals groenlingen, sijzen, kepen en distelvinken) grote groepen. Gezamenlijk zoeken ze dan naar voedsel op akkers. Hier zijn vaak nog oogstresten te vinden, of foerageren ze op speciaal ingerichte akker (met overstaande zaden en zaadvormende kruiden). Ook in bosranden, houtwallen, parken en groene tuinen wordt gezamenlijk naar voedsel gezocht.

Het samentrekken in groepen doen vinken om verschillende redenen. In groepen zijn ze minder kwetsbaar voor roofvogels zoals kiekendieven. Ze kunnen daarnaast sneller voedsel vinden en verspillen minder energie tijdens het vinden van voedsel, doordat ze samen rusten en opvliegen.

Buiten het broedseizoen leven vinken vaak in grote gropen, vaak met andere soorten zoals distelvinken en keepen
Buiten het broedseizoen leven vinken in grote groepen, vaak met andere soorten zoals distelvinken en keepen (de Natuur van hier)

Waarneming uit het veld

Deze grote groep met vinken zagen we in november op een niet geoogste akker, aan de rand van een natuurgebied. Het was een enorm grote groep van naar schatting 400 zangvogels, bestaande uit vinken, kepen en distelvinken (putters). Op de akker waren nog volop zaden te vinden van granen, kruiden en cultuurgewassen, waar deze vinkachtigen dankbaar gebruik van maakte. Verderop was een torenvalk aan het jagen (boven dezelfde akker) en niet veel later dook er kort een vrouwtje blauwe kiekendief op. De aanwezigheid van de kiek zorgde voor paniek onder de zangvogels en duiven, maar na een aantal jachtvluchten vertrok de blauwe kiekendief weer. Het in groepsverband zoeken naar voedsel van de vinkachtige betaalde zich hier uit: samen zijn vinkachtigen alerter en beter beschermd tegen jagende roofvogels dan wanneer ze alleen zouden foerageren.

Leefgebied en verspreiding

De vink is in Nederland een zeer algemene broedvogel. Ze komen voor in veel verschillende leefgebieden. De belangrijkste voorwaarden zijn dat er veel bomen en struiken zijn en er voldoende voedsel te vinden is. Voorbeelden van leefgebieden zijn tuinen, parken en bosranden.

Typische leefgebieden

Vinken leven dus in gebieden waar veel groen te vinden is. Veel mensen kennen de vink als tuinvogel. Belangrijke eis om een vink in je tuin te zien is wel dat dit een groene tuin is met veel struiken en het liefst ook één of meerdere bomen (lees hier hoe je een boom aanplant en hier vind je meer tips voor inheemse struiken).

Naast tuinen vind je vinken ook in parken en op landgoederen waar vaak veel oude bomen te vinden zijn. Verder houden vinken zich ook op in bossen en bosranden. Dit gaat dan hoofdzakelijk om loof- en gemengde bossen. Ook zijn vinken (soms) in het agrarisch landschap te vinden. Een vereiste is dan wel dat er voldoende houtwallen, (struweel)hagen en bomen te vinden zijn.

Tot slot zijn vinken ook in overgangszones te vinden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan overgang van bosrand naar het open veld of van park naar grasland. Vaak is in deze overgangszones het meeste voedsel te vinden en is er voldoende dekking.

Regionale verspreiding binnen Nederland

De vink is zeer talrijk in Nederland, maar er zijn wel duidelijke regionale verschillen zichtbaar. Zo is de vink algemener in het oosten van ons land en is deze duidelijk minder aanwezig in de open polders en verstedelijkte omgevingen met te weinig groen. Op onderstaande kaart van SOVON is de verspreiding in Nederland goed zichtbaar.

Seizoensverschillen in leefgebied

Het leefgebied van de vink is daarnaast ook seizoensafhankelijk. In het voorjaar en de zomer zijn vinken territoriaal en verdedigen ze hun eigen plekje in een bosrand, park of tuin. In het najaar laten ze het territorium (tijdelijk) los en houden ze zich steeds meer op in grotere groepen met soortgenoten en andere vinkachtigen. Gezamenlijk zoeken ze dan naar voedsel in open terreinen, akkers en ruigtes.

Europese verspreiding

In Europa is de vink ook goed vertegenwoordigd. De vink komt voor in grote delen van West-Europa en tot ver in Oost-Europa. Vinken die in Noord-Europa broeden trekken in de winter (deels) naar het zuiden. Soorten die zuidelijker broeden zijn over het algemeen standvogels.

Habitatseisen

Samenvattend kunnen we dus stellen dat er een aantal habitatseisen zijn waaraan het leefgebied van een vink moet voloden:

  • De aanwezigheid van voldoende bomen en struiken: om te gebruiken als zangpost, beschutting en om een nest in te maken.
  • Voldoende open plekken: om te kunnen foerageren, vinken foerageren vaak op de grond.
  • Rustige plekken: tijdens het broedseizoen.

Als een tuin of gebied aan deze voorwaarden voldoet dan is de kans groot dat een vink zich er zal vestigen. Op deze manier kunnen vinken dus ook profiteren van het menselijk landschap, wanneer tuinen groen worden ingericht en er in steden voldoende parken en landgoederen te vinden zijn. Ook de aanleg van landschapselementen zoals gemengde hagen kan hier een positieve bijdrage aan leveren.

Groene tuinen zijn een geschikt leefgebied voor vinken (de natuur van hier)
Groene tuinen zijn een geschikt leefgebied voor vinken (de Natuur van hier)

Voortplanting

Vinken zijn een van de talrijkste broedvogels van ons land. Over het algemeen geldt: hoe groener de omgeving, hoe meer vinken er zullen broeden. In dit hoofdstuk bespreken we de voortplanting van de vink in Nederland.

Broedseizoen

Er wordt over het algemeen gebroed vanaf half maart tot uiterlijk half juli. De mannetjes zijn dan al vaak in februari te horen met hun bekende vinkenslag om hun territorium af te bakenen en om vrouwtjes te verleiden. Het broedseizoen van de vinken is afgestemd op het insectenaanbod. Ze weten het zo te timen dat wanneer de jongen uit het ei komen er voldoende insecten te vinden zijn om de jongen te voorzien van de nodige eiwitten.

Het nest van de vink

Als nestplaats wordt meestal een (oude) boom of stevige struik uitgekozen staande in een bosrand, park of tuin. Op een hoogte tussen de 1 en 5 meter wordt goed verscholen een compact, maar stevig nestje gemaakt.

Vaak wordt de vork (splitsing van twee takken) van een boom of struik als basis genomen. Met behulp van takjes, gras, mos, veren en haren van andere dieren maakt (hoofdzakelijk) het vrouwtje een compact nest. Door het groene mos in het nest, de compacte vorm en de bladeren aan de bomen is het nest nauwelijks zichtbaar voor mensen en predatoren (zoals bijvoorbeeld huiskatten, kraaien of eekhoorns).

Dieren zoals eekhoorns, kraaien en huiskatten kunnen niet goed verscholen nesten van de vink roven (de Natuur van hier)
Dieren zoals eekhoorns, kraaien en huiskatten kunnen niet goed verscholen nesten van de vink roven (de Natuur van hier)

Legsel, broeden en jongen

Meestal heeft een vinkenpaar 1 legsel per seizoen maar soms 2. Er worden zo’n 3 tot 5 eieren gelegd per legsel. De eieren zijn glad en licht glanzen en kunnen sterk variëren qua kleur. In 10 tot 14 dagen worden de eieren door het vrouwtje uitgebroed.

De jongen zijn nestblijvers en blijven zo’n 12 tot 15 dagen op het nest. In deze tijd worden ze vooral, door man en vrouw, rupsen gevoerd. Na het uitvliegen blijven de jongen nog weken bij de ouders.

Tijdens de broedperiode krijgen de jongen vinken hoofdzakelijk insecten zoals rupsen gevoerd. Deze zijn eiwitrijke en bevorderen de groei. Later in het seizoen zullen ze steeds meer overstappen op een dieet wat meer uit zaden bestaat.

Verstoringsgevoeligheid

Het broedseizoen is voor vogels de belangrijkste én drukste periode van het jaar. Ze moeten in deze periode niet alleen voor zichzelf zorgen, maar hebben ook een aantal jongen groot te brengen. Dit zorgt ervoor dat vinken ieder uur daglicht in deze periode dienen te benutten en verstoring kan dan ook al gauw fatale gevolgen hebben voor één of meerdere jongen.

Het is dan ook absoluut aan te raden om tijdens het broedseizoen (van half maart tot half juli) geen snoeiwerkzaamheden uit te voeren en zoveel mogelijk andere manieren van verstoring te beperken. Snoei dus geen struiken en bomen in deze periode. En weet je of er ergens vinken zitten te broeden? Vermijd deze plek dan zoveel mogelijk voor een tijdje, zodat ze in alle rust kunnen zorgen voor de jongen.

De meeste vinken die broeden in Nederland zijn standvogels, maar een deel trekt ook naar het zuiden (de Natuur van hier)
De meeste vinken die broeden in Nederland zijn standvogels, maar een deel trekt ook naar het zuiden (de Natuur van hier)

Trekgedrag

De vink is in Nederland grotendeels een standvogel. Een klein deel van de vinken trekt echter wel weg in de winter, dit verschilt dus per populatie. Vinken die broeden in Noord- en Oost-Europa zijn wel meer uitgesproken trekvogels. Een deel hiervan brengt de winter ook in Nederland door. Nederlandse vinken die trekken, trekken over het algemeen niet heel ver naar het zuiden.

Tijdens de najaarstrek kunnen in september en oktober trekkende vinken worden waargenomen. De trek gebeurt vooral in grote groepen, vaak samen met andere vinkachtigen, gorzen en soms ook lijsters.

Vinken die overwinteren in Nederland vertonen iets ander gedrag dan tijdens het broedseizoen. Territoria worden minder/niet verdedigd en individuen zoeken vaak de bescherming van grote groepen op. In deze periode wordt er ook gezamenlijk in grote groepen gefoerageerd op akkers en in bosranden.

Vanaf half februari zoeken overwinteraars weer hun territorium op en komen trekvogels langzaam weer terug (voornamelijk in maart en april). Zo raken langzaam alle territoria weer gevuld en begint er weer een nieuw broedseizoen.

Vinken in de tuin

De vink is een graag gezien tuingast, mits je tuin goed is ingericht voor vinken. Vinken houden van tuinen waarin veel groen te vinden is, het liefst gelegen aan de rand van een dorp of in de buurt van een park. Te veel versteende tuinen en omgevingen worden gemeden door vinken.

Heb je nog geen vink in je tuin, maar wil je deze wel graag zien als tuinvogel? Plant dan inheemse struiken zoals meidoorn, sleedoorn, gewone vlier of hazelaar. Of plant een inheemse boom zoals veldesdoorn of boswilg. Via Sprinklr zijn deze struiken en bomen te verkrijgen. Deze zijn biologisch gekweekt, dus vrij van pesticiden waardoor deze niet giftig zijn voor insecten (en dus ook niet voor vinken).

Zorg er daarnaast ook voor dat er voldoende inheemse planten in je tuin staan. Deze trekken insecten aan, die belangrijk zijn als voedsel voor vinken in de broedperiode. Ook een gemengde haag van inheemse soorten zorgt voor meer insecten in je tuin.

Naast aanplanten van inheemse planten, struiken en bomen is het ook belangrijk om een of meerdere open plekjes te behouden in de tuin. Vinken foerageren namelijk graag op de grond. Op deze open plek (of op een voedertafel) kun je eventueel ook vogelvoer bijvoeren. Voer biologisch vogelvoer en ga voor gemengde zaden (eventueel gemengde met zonnepitten en granen). Gemengd vogelvoer en zonnepitten zijn biologisch verkrijgbaar bij Vivara. Met je aankoop draag je ook nog eens bij aan verschillende groene projecten verspreid door heel Europa! Zorg ervoor dat voeder plekken altijd schoon zijn en vrij van schimmels!

Gedrag van vinken in de tuin

Omdat de vink een veel voorkomende tuinvogel is, kun je verschillende soorten gedrag observeren van deze vogel. Zo kun je vinken foeragerend op de grond waarnemen. In het voorjaar maak je kans op een luid zingend mannetje, vanuit een hoge zangpost in je tuin.

Ook kan een vink natuurlijk in je tuin gaan broeden. Vinken broeden niet in nestkasten maar in een dichte struik of boom. Snoei daarom niet tijdens het broedseizoen (half maart-half juli). Katten kunnen een gevaar vormen voor broedende vinken. Maak je tuin dus onaantrekkelijk voor katten. Gebruik tot slot geen pesticiden in je tuin, dit is ook giftig voor vinken en andere vogels!

Welk gedrag van vinken heb jij gezien in je tuin? Laat het ons weten onderaan deze blog in de comments, of tag ons op Facebook of Instagram. Wij zijn erg benieuwd naar jouw verhaal!

Veelgestelde vragen

Hoe herken ik een man en of vrouw van de vink?

Het mannetje heeft een roodbruine borst en een blauwgrijze kop. Het vrouwtje is grijzer en bruiner, maar heeft net als het mannetje twee witte vleugelstrepen.

Wat eet de vink het liefst?

Vinken eten vooral zaden, granen en noten. In het voorjaar schakelen ze over op insecten, die belangrijk zijn voor het grootbrengen van de jongen.

Zie je vinken ook in de winter?

Ja, veel vinken blijven ’s winters in Nederland. Ze zijn dan vaak in groepen te zien op akkers, bosranden en in tuinen.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Vinken in Nederland: complete gids met soorten, herkenning & zang

Kneu (de Natuur van hier)

Vinken komen in allerlei vormen en kleuren voor. De familie van de vinkachtigen telt wereldwijd meer dan 180 soorten, waarvan er ongeveer 13 in Nederland voorkomen. Het zijn stuk voor stuk herkenbare zangvogels met een stevige, kegelvormige snavel en vaak een opvallende en melodieuze zang.

In deze uitgebreide gids bespreken we alle vinkensoorten die in Nederland voorkomen, inclusief kenmerken, zang, leefgebied en verspreiding. Verderop vind je per soort een overzichtelijke tabel met de belangrijkste kenmerken én handige tips om ze in het veld te herkennen.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Wat zijn vinken?

De vinkachtigen zijn een familie in de orde van de zangvogels, waar onder andere de vinken, sijzen, kruisbekken en kanaries tot behoren. Wereldwijd zijn er meer dan 180 soorten vinkachtigen, in Nederland komen er ongeveer 13 soorten voor.

Een opvallend kenmerk bij veel vinken is de (in verhouding) grote en krachtige snavel. Deze is vaak kort en kegelvormig. De krachtige snavel gebruiken ze om (overwegend) zaden te eten. Naast zaden wordt het menu door veel soorten aangevuld met insecten en bessen.

Daarnaast zijn veel vinken soorten goede zangers. Vaak hebben ze een krachtige en melodieuze zang met verschillende tonen en trillers. Soorten als de vink, sijs, groenling en distelvink staan bekend om hun gevarieerde en vaak uitbundige zang.

De gewone vink is veruit de bekendste en algemeenste vinkensoort in Nederland (de Natuur van hier)
De gewone vink is veruit de bekendste en algemeenste vinkensoort in Nederland (de Natuur van hier)

Alle vinken in Nederland (overzicht)

Hieronder vind je een overzicht van alle in Nederland voorkomende vinkensoorten. Bij elke soort bespreken we kenmerken, zang, voedsel, broeden en leefgebied. Op de soortpagina’s vind je per soort ook nog een uitgebreide tabel met alle kenmerken per soort.

Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Status Grootte Korte herkenning Soortpagina
Vink Fringilla coelebs Standvogel / trekvogel 14–16 cm M: blauwgrijze kop, oranje borst
Keep Fringilla montifringilla Wintergast 14–16 cm Oranje borst, zwarte kop (broedkleed)
Distelvink (Putter) Carduelis carduelis Standvogel 12–13 cm Rood gezicht, gele vleugelstrepen
Kneu Linaria cannabina Standvogel / broedvogel 13–15 cm M: rode borst; V: bruin
Groenling Chloris chloris Standvogel 15 cm Groengeel, dikke snavel
Appelvink Coccothraustes coccothraustes Standvogel 17–18 cm Zeer dikke snavel, massieve kop
Goudvink Pyrrhula pyrrhula Standvogel 14–16 cm M: fel oranje borst; V: grijziger
Sijs Spinus spinus Standvogel / wintergast 11–12 cm Geelgroen, zwarte kop (man)
Kruisbek Loxia curvirostra Standvogel / invasievogel 16–17 cm Kruisende snavelpunten
Roodmus Carpodacus erythrinus Trekkende broedvogel 13–15 cm M: framboosrood; V: bruin
Europese kanarie Serinus serinus Broedvogel / standvogel 11–12 cm Klein, geelgroen, fijne zang
Kleine barmsijs Acanthis cabaret Standvogel / wintergast 11–12 cm Gestreept, rood petje

Vinken herkennen

De vinken zijn kenmerkende vogels, die onderling weliswaar van elkaar verschillen, maar toch een aantal gezamenlijke kenmerken dragen. Op basis van deze kenmerken zijn vinken in het veld gemakkelijk te onderscheiden van andere zangvogels zoals gorzen en mezen.

Uiterlijke kenmerken

Vinken hebben een stevige kop met krachtige kaakspieren en een korte, kegelvormige snavel. Hiermee zijn ze in staat om harde zaden te kraken, een van de voornaamste voedselbronnen van veel vinkensoorten. Verder hebben de meeste vinken een compact lichaam, met een een lichaamslengte van 11 tot 18 centimeter en een spanwijdte tussen de 18 en 33 centimeter.

De meeste soorten vinken hebben een kleurrijk verenkleed, met duidelijke patronen op de vleugel of op de staart. Voorbeelden van vinken met een kleurrijk verenkleed zijn vink, groenling en appelvink. Daarnaast is er bij de meeste vinkensoorten sprake van seksueel dimorfisme: mannetjes en vrouwtjes van dezelfde soort verschillen duidelijk van elkaar in verenkleed. Over het algemeen hebben de mannetjes een wat feller en kleurrijker verenkleed en zijn vrouwtjes wat bruiner en doffer gekleed. Meest logische verklaring voor het onderlinge verschil is zodat vrouwtjes dan minder goed opvallen in de vegetatie als ze gaan broeden.

Voorbeelden van vinken waarbij seksuele dimorfisme duidelijk zichtbaar is zijn de vink en de goudvink. Bijappelvinken is het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes dan weer veel minder duidelijk.

Distelvinken zijn kleurrijke vogels (de Natuur van hier)
Distelvinken zijn, net zoals veel andere vinkensoorten, kleurrijke vogels (de Natuur van hier)

Zang en roep

Naast dat vinken er over het algemeen kleurrijk uitzien, hebben ze vaak ook een krachtige en melodieuze zang. Dit is vaak een rollende of snelle zang, met een bekende strofe erin (zoals de vinkenslag). Ondanks dat ze vrijwel allemaal een uitbundige zang hebben, zijn ze voor het geoefend oor goed uit elkaar te houden en daardoor heel goed op geluid te determineren.

De zang is vaak uitbundig en melodieus, maar naast de zang gebruiken vinkensoorten ook contactroepjes en alarmroepjes om met elkaar te communiceren. Dit zijn over het algemeen korte en krachtige roepjes die ze gebruiken om elkaar te waarschuwen of om met elkaar te communiceren.

Voedsel

De meeste vinkensoorten zijn uitgesproken zaadeters. Evolutionair zijn ze hier ook op aangepast met hun grote, krachtige snavel. Hiermee kunnen ze hardere zaden kraken dan de meeste andere zangvogels. Zaden van grassen, kruiden, cultuurgewassen, struiken en bomen worden allemaal gegeten.

Naast zaden pakken sommige soorten zo nu en dan ook insecten. Dit doen ze met name in de broedperiode wanneer de vraag naar eiwitten het hoogste is. Ze pikken dan insecten, larven, rupsen, bladluizen, etc. van de bladeren in de struiken en bomen en gebruiken deze hoofdzakelijk om aan de jonge dieren te voeren, om groei te stimuleren. Zelf kunnen de ouderdieren in deze drukke periode ook wat extra eiwitten gebruiken.

In het najaar worden er aanvullend door een aantal soorten ook bessen, knoppen en soms zelfs andere plantdelen gegeten. Het menu van vinken verschilt erg per seizoen en ze eten vooral wat er beschikbaar is.

In de winter kun je grote groepen (een paar honderd stuks, soms zelfs meer) vinken bij elkaar zien, die zich verzameld hebben op wintervoedselakkers. Buiten de broedperiode zijn ze minder territoriaal en zoeken ze elkaar op. Op deze manier zijn ze goed beschermd tegen predatoren en zoeken ze gezamenlijk voedsel op de akkers. In deze groepen zie je vaak verschillende soorten vinken zoals: vinken, keepen, groenlingen en distelvinken.

Een groep met verschillende soorten vinken heeft zich verzameld boven een wintervoedselakker. In deze groep vind je vinken, keepen en distelvinken (de Natuur van hier)
Een groep met verschillende soorten vinken heeft zich verzameld boven een wintervoedselakker. In deze groep vind je vinken, keepen en distelvinken (de Natuur van hier)

Leefgebieden van vinken

De verschillende soorten vinken in Nederland maken gebruik van diverse leefgebieden in het Nederlandse landschap. Zo zijn er soorten, zoals de appelvink, die hoofdzakelijk in loofbos leven. Andere soorten, zoals sijzen en kruisbekken komen meer voor in naaldbossen. Vinken, goudvinken en groenlingen komen daarnaast ook voor in groene tuinen en parken met veel struiken. Invasiesoorten zoals kruisbekken kunnen daarnaast ook in heideterreinen met veel naaldbomen voorkomen. Ook het rivierenlandschap kan een geschikt leefgebied zijn voor een aantal soorten als er een goede afwisseling te vinden is van uiterwaarden, struwelen, wilgen- en elzenbosjes.

Ook zijn er een aantal soorten regelmatig in agrarisch gebied terug te vinden. Kneu, distelvink, groenling en keepen zijn soorten die (in sommige seizoen) veelal in het cultuurlandschap aanwezig zijn, vaak op zoek naar voedsel.

Vinken in de tuin

Ook zijn er een aantal soorten graag geziene tuingasten. Ze komen vooral in de herfst en de winter naar tuinen, wanneer ze in hun directe omgeving minder voedsel kunnen vinden. Ze komen vooral af op zaden, zoals zonnepitten en gemengd strooivoer. Gebruik biologisch vogelvoer om te voorkomen dat vogels pesticiden binnen krijgen Hiervan kunnen ze ziek worden of zelfs dood gaan als ze teveel van bepaalde pesticiden binnen krijgen. Biologisch vogelvoer is hier te bestellen bij Vivara. Met je aankoop draag je ook nog eens bij aan natuurbeschermingsprojecten in heel Europa!

Veel soorten vinken foerageren graag op de grond. Strooi dus wat strooivoer en/of zaden op de grond en doe wat in een voederhuis. Sommige soorten eten ook uit voedersilo’s. De vinken zullen er als eerste op af komen, ook groenlingen zullen in de gaten hebben dat je voer aanbiedt. Bij voedselschaarste kunnen ook keepen, sijzen en distelvinken je tuin bezoeken.

Een aantal vinkensoorten zijn ook graag geziene tuingasten. Zo kun je de vink, distelvink (puttter) en groenlingen geregeld in tuinen zien.
Een aantal vinkensoorten zijn ook graag geziene tuingasten. Zo kun je de vink, distelvink (puttter) en groenlingen geregeld in tuinen zien.

Het belang van een groene tuin voor vinken

Naast vogelvoer aanbieden is het ook belangrijk om je tuin op de juiste manier in te richten voor vinken en andere vogels. Vinken houden niet van strak onderhouden tuintjes, maar van groene tuinen met veel planten, struiken en bomen. Plant zaadplanten zoals kruldistel en grote kaardebol en plant zaaddragende struiken en bomen zoals vlier, meidoorn, berk en els voor voldoende zaden in het najaar. Veel planten en struiken zijn te bestellen bij Sprinklr. Dit is allemaal biologisch gekweekt en dus niet schadelijk voor de vogels.

Zorg voor inheemse planten die zaad vormen in je tuin, hier houden vinken van (de Natuur van hier)
Zorg voor inheemse planten die zaad vormen in je tuin, hier houden vinken van (de Natuur van hier)

Trekgedrag van vinken

Qua trekgedrag zijn de vinken die te zien zijn in ons land een gevarieerde groep. Er zijn echte standvogels zoals de kneu en appelvink. Daarnaast zijn er ook soorten die deels standvogel zijn, maar ook deels zuidelijk trekken zoals distelvink, vink en groenling. De roodmus is een echte trekvogel en trekt helemaal naar India. Maar er zijn ook soorten die in de winter (gedreven door voedselschaarste) massaal naar ons land komen. Deze vogels noemen we invasievogels en zien we veel bij sijs en kruisbek.

Verschil voor- en najaarstrek

Vogels trekken in het voor- en najaar, maar wist je dat deze twee trekbewegingen erg van elkaar verschillen? Dit geldt ook voor de soorten vinken die je tijdens de voorjaarstrek of najaarstrek ziet.

In het voorjaar trekken vinken en andere vogels in smallere, geconcentreerde stromen, waardoor de trek minder lang en opvallend is. De najaarstrek is de tijd waarin vogels weer vertrekken veel langer uitgestrekt. Daarnaast zijn er meer jonge vogels waardoor er simpelweg meer te zien is. Ook zijn de groepen dan vaak groter, wat spectaculaire beelden oplevert. Als het koud genoeg wordt in het noorden hebben we tijdens de najaarstrek ook meer kans op invasies van soorten zoals barmsijzen, kruisbekken, sijzen en keepen.

Vinken op trek herkennen
Wil je vinken op trek gaan spotten, dan zijn er een aantal dingen om rekening mee te houden. Ga op een open plek staan, het liefst hoog in het landschap, of zoek een trektelpost op. Denk aan duintoppen, uitkijkheuvels en dijken. Let op hoog overvliegende vogels die vaak in groepjes of in stromen voorbij komen. En leer de verschillende geluiden die alle soorten maken goed uit je hoofd, zo ga je veel meer zien. Ga het liefst vroeg in de ochtend en vergeet zeker je verrekijker niet!

Bescherming & bedreigingen

Hoewel de meeste vinkensoorten in Nederland nog stabiele populaties hebben, staan ze wel onder druk door veranderingen in hun leefgebied. Intensieve landbouw zorgt voor minder zaden, kruidenrijke akkerranden en struikgewas, waardoor soorten als kneu, groenling en barmsijs afnemen. Ook het verdwijnen van heggen, bosranden en struweelzranden maakt het moeilijker om geschikte broedplekken te vinden.

Daarnaast spelen predatie, ziektes en botsingen met ramen een rol. In de winter kunnen koude perioden leiden tot extra sterfte. Bescherming bestaat vooral uit het behouden en herstellen van natuurvriendelijke tuinen, hagen, struweelranden, zaaddragende planten, wintervoedselakkers en rustige broedgebieden. Door gevarieerde beplanting en minder bestrijdingsmiddelen kunnen zowel tuinen als landbouwgebieden een belangrijk toevluchtsoord voor vinken blijven.

Veelgestelde vragen over vinken in Nederland

Hoeveel vinkensoorten komen er voor in Nederland?

In Nederland worden jaarlijks ongeveer 13 soorten vinkachtigen gezien. Een aantal daarvan broedt hier (zoals vink, distelvink en groenling), terwijl andere soorten vooral doortrekker of wintergast zijn (zoals keep, barmsijs en kruisbek).

Wat is het verschil tussen een vink en een distelvink?

De gewone vink heeft een oranjerode borst, blauwgrijze kop (mannetje) en duidelijke witte vleugelstrepen. De distelvink is veel kleurrijker, met een rood gezicht, zwart-witte kop en felgele vleugelstrepen. Ook de zang van de distelvink is sneller en vrolijker dan de vinkenslag.

Welke vinkensoort hoor je het vaakst zingen in Nederland?

De vink is veruit de meest algemene zanger. Van februari tot juni is hij vrijwel overal te horen. Groenlingen en kneuen zingen ook veel, maar komen minder algemeen voor in tuinen.

Welke vinken zie je het vaakst in de tuin?

De drie meest voorkomende tuinsoorten zijn: vink, groenling en distelvink. Sijzen verschijnen vooral in de winter, afhankelijk van de hoeveelheid berken- en elzenzaad.

Waarom zie ik ’s winters soms grote groepen keep, sijs of barmsijs?

Dat zijn invasiesoorten: hun aantallen wisselen sterk per jaar, afhankelijk van voedselbeschikbaarheid in Noord- en Oost-Europa. In sommige winters zijn ze massaal aanwezig.

Wat eten vinken en andere vinkachtigen?

Het grootste deel van hun dieet bestaat uit zaden. In het voorjaar schakelen veel soorten over op insecten, omdat die meer eiwitten bevatten en belangrijk zijn voor de jongen.

Hoe kan ik vinken aantrekken in mijn tuin?

Plant inheemse struiken (zoals meidoorn en lijsterbes), laat vaste planten in zaad schieten en voer bij met zonnebloempitten of een zadenmix. Een rustige, groene tuin is ideaal voor vinken.

Welke vinkensoorten broeden in Nederland?

Broedvogels zijn onder andere de vink, distelvink, groenling, kneu, sijs en goudvink. Keep, barmsijs, kruisbek en grote kruisbek broeden hier niet structureel.

Wat is het verschil tussen een kruisbek en een grote kruisbek?

De grote kruisbek is groter, zwaarder gebouwd en heeft een stevige, diepe snavel. Zijn roep klinkt lager. De grote kruisbek is een zeldzame invasievogel, terwijl de gewone kruisbek vrijwel jaarlijks aanwezig is.

Wat is de zeldzaamste vink in Nederland?

De Europese kanarie, roodmus en grote kruisbek behoren tot de zeldzaamste soorten die in Nederland worden gezien.

Hoe herken ik het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes vinken?

Bij de meeste soorten zijn mannetjes fel gekleurd (rood, geel, blauw, groen tinten), terwijl vrouwtjes meer bruin of beige zijn. Bij sijzen zijn vrouwtjes sterk gestreept, terwijl het mannetje een zwarte kap heeft.

Waarom zingen vinken?

Vinken zingen om hun territorium af te bakenen, een partner aan te trekken en contact te houden met soortgenoten. De zangperiode loopt van februari tot juni, al zingen sommige soorten ook in de winter.

Meer lezen per soort

Wil je meer lezen over een specifieke vinkensoort? Ga dan via onderstaande link naar de betreffende soortpagina. De soortpagina’s zijn nog in aanbouw, dus het is nog niet mogelijk om door te klikken. Kom later terug om de soortpagina’s te bekijken!

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Natuurtuin in ontwikkeling deel IX – een zomer vol leven

Zwartstip-boktor Natuurtuin

Ongeveer gelijktijdig met de start van deze website kochten we een huis met ruim 3.500 m² grond. Ons doel: deze 35 are omvormen tot een natuurtuin vol leven — een plek waar vogels, insecten en andere dieren zich thuis voelen. In onze reeks Natuurtuin in ontwikkeling nemen we je mee in dat proces. In deel 9 kijken we terug op de lente en zomer van 2025.

23 april 2025 -15 november 2025

Wilde cichorei - Natuurtuin in ontwikkeling
Wilde cichorei

Inhoudsopgave

In het vorige deel van Natuurtuin in ontwikkeling bespraken we de winter en het vroege voorjaar. We zagen wat er allemaal voorbij kwam in de tuin op de wildcamera (o.a. steenmarter en kerkuil). Daarnaast bespraken we de vele vlindersoorten die we in het voorjaar al in het kruidenrijk grasland zagen. Ook deze periode hebben we weer bijzondere waarnemingen gedaan, dus lees snel verder.

Een levendige zomer in de natuurtuin

We hebben een droge zomer achter de rug. Waar er in het begin van het voorjaar nog wel wat regen viel, werd het later in de lente droger en hield dit ongeveer de hele zomer aan. Dit merkten we ook duidelijk aan het kruidenrijk grasland. Het gras groeide veel minder hard dan het jaar ervoor (waarin het erg nat was). Gedurende het jaar werd water schaarser en kwamen meer dieren drinken uit onze poel. In het steeds kruidenrijkere grasland wemelde het van de insecten en deden we ook op het gebied van flora nieuwe ontdekkingen.

Gewone oeverlibel (de Natuur van hier)
De gewone oeverlibel liet zich dit jaar voor het eerst in onze vijver zien, natuurlijk in de buurt van de aangelegde poel (de Natuur van hier)

Nieuwe soorten in onze tuin

In deze periode zijn we van 502 soorten naar 629 soorten gegaan. In het kruidenrijk grasland zagen we voor het eerst gewone brunel, slibbladige ooievaarsbek en gewone rolklaver. Door het juiste beheer uit te voeren krijgen we steeds meer kruiden in ons grasland, niet alleen qua soorten, maar ook qua aantal. Langzaam maar zeker worden stukken met dominant raaigras vervangen door stukken met verschillende grassoorten, zoals kropaar en rietzwenkgras, en kruiden zoals paardenbloem, duizendblad en wilde peen. Ook smeerwortel en knoopkruid vinden we op steeds meer plekken.

📥 Download de infographic van alle waargenomen soorten in onze natuurtuin (2022–2025) — inclusief foto’s en verhalen van bijzondere soorten.
Ontvang het gratis per e-mail en blijf op de hoogte van nieuwe natuurtuinupdates.
BINNENKORT DOWNLOADBAAR

Preview infographic natuurtuin in ontwikkeling deel IV (de Natuur van hier)
Preview infographic natuurtuin in ontwikkeling deel IV (de Natuur van hier)

Lees ook: tips voor het aanleggen van een natuurtuin


De ontwikkeling van ons kruidenrijk grasland heeft ook effect op de soorten insecten die we steeds meer vinden in onze tuin. Vlinders, wantsen, kevers, juffers en libellen komen in allerlei soorten en maten voor in alle hoeken van de natuurtuin.

Vlinders en wantsen

Nieuwe vlinders in de tuin waren onder andere de distelvlinder en het kaasjeskruiddikkopje. Vooral het kaasjeskruiddikkopje is een bijzondere soort in Nederland, in de infographic aan het eind van deze blog lees je waarom. Vooral in de groep van de wantsen hebben we veel nieuwe soorten waargenomen. Zo zagen we onder andere de pyjamawants, knoopkruidschildwants (ook over deze soort lees je meer in de infographic), gemaskerde roofwants en zeer zeldzame beemdkroonschildwants in de natuurtuin.

Kevers, zweefvliegen en bijen

Ook zagen we een aantal leuke keversoorten voor het eerst in onze tuin. Zo zagen we in mei de roodkopvuurkever en de bleekgele weekschildkever en in juni zagen we voor het eerst het klein vliegend hert! Binnen de groep van de (zweef)vliegen zagen we ook enkele bijzondere soorten: de gewone wolzwever, hommelreus en gewone driehoekszweefvlieg. Binnen de groep van de bijen zagen we deze periode onder andere voor het eerst de klaverdikpoot, die in groepsverband onder het blad van rode kornoelje slaapten. Verder zagen we ook de tronkenbij en de steenhommel.


Lees ook: De 8 beste inheemse struiken voor een diervriendelijke tuin


Juffers en libellen

Ondanks het feit dat we nog niet zoveel water in de natuurtuin hebben (op een kleine poel na) kunnen we toch ieder jaar rekenen op een aantal juffers en libellen in onze tuin. Zo zagen we deze periode voor de eerste keer een weidebeekjuffer in de tuin, maar ook de koraaljuffer en gewone oeverlibel lieten zich voor het eerst zijn. Dat belooft nog wat voor volgend jaar, als we klaar zijn met de natuurlijke zwemvijver (hierover later meer).

Beheer van kruidenrijk grasland

Veel van de nieuwe soorten vinden we in ons kruidenrijk grasland. Drie jaar geleden, toen we het huis kochten was het grasland nog erg rijk en stond er nagenoeg alleen maar raaigras in. Na een aantal jaren juist beheer uit te voeren komen er steeds meer kruiden (en andere grassoorten) in ons grasland, wat automatisch nieuwe insectensoorten aantrekt.

Verschralen en sinsusbeheer

De voedingsrijkdom van de bodem was erg (extreem) hoog toen we het kochten, bemesten is dus overbodig. Wat we wel doen is (in de beginfase) 2 á 3 keer per jaar maaien en afvoeren. Dit wordt ook wel verschralingsbeheer genoemd. Hierdoor neemt de voedingsrijkdom van de bodem af, waardoor raaigras minder dominant wordt en andere grassoorten en kruiden meer kansen krijgen.

Tijdens het maaien laten we steeds kruidenrijke stukken staan. Ieder maaibeurt laten we andere stukken staan, zodat er geen houtige gewassen in kunnen groeien. Dit wordt ook wel sinusbeheer genoemd. Laat bij iedere maaibeurt zo’n 15-25% staan. Laat ook gedurende winter stukken staan. Veel insecten gebruiken hoog gras als overwinteringsplek.

Meer weten over kruidenrijk grasland

Wil je meer weten over de verschillende graslandtypen en hoe je zelf van een raaigras naar een kruidenrijk grasland toe werkt? Lees dan het boek Ontwikkelen van kruidenrijk grasland van Wim Schippers. Hier staat echt alles in wat je moet weten over het ontwikkelen van een kruidenrijk grasland. Daarnaast lees je ook hoe je dit in stand houdt. Deze mag niet ontbreken in de kast van een kruidenrijk graslandbeheerder. Je bestelt het boek via onderstaande knop.

Ontwikkelen van kruidenrijk grasland (bol.com)c

Wat viel ons op na het maaien

Doordat we gefaseerd maaien en steeds stukken laten staan, lijken soorten die in het kruidenrijk grasland leven zich sneller te herstellen. Insecten zoals (micro)vlinders, sprinkhanen, kevers en wantsen werden niet volledig weggemaaid, omdat we steeds 15-25% lieten staan. Vanuit deze hoge stukken gras konden deze insecten zich weer gemakkelijk verplaatsen naar het vers gemaaide gras. Op deze manier kunnen insectensoorten zich beter herstellen en kunnen ze de hele levenscyclus doorlopen.

Waarom niet alles in één keer maaien een heel goed idee is (de Natuur van hier)

Terugblik en vooruitkijken

We hebben een productief jaar achter de rug, waarin we veel nieuwe soorten tegenkwamen in onze natuurtuin. Het langjarige, duurzame beheer van het grasland begint langzaam zijn vruchten af te werpen. Ook de scheerheg en struweelhaag die we 3 jaar geleden hebben aangeplant begint steeds groter te worden en trekt steeds meer biodiversiteit aan.

We zijn erg benieuwd hoe de natuurtuin zich volgend jaar verder gaat ontwikkelen. Alle ingrediënten voor een natuurtuin vol leven zijn aanwezig, dus het kan bijna niet anders dan dat we volgend jaar weer nieuwe soorten in onze tuin mogen verwelkomen.

Het enige wat nog in grote hoeveelheid ontbreekt is water. Daarom zijn we inmiddels gestart met de bouw van een natuurlijke zwemvijver met moerasfilter. Op onderstaande afbeelding zie je al een tipje van de sluier. Wil je weten hoe dit verder gaat? Houd de website dan goed in de gaten, in deel 10 van deze serie zullen we de aanleg van de natuurlijke zwemvijver uitvoerig bespreken.

📥 Download het overzicht van alle waargenomen soorten in onze natuurtuin (2022–2025) — inclusief foto’s en verhalen van bijzondere soorten.
Ontvang het gratis per e-mail en blijf op de hoogte van nieuwe natuurtuinupdates. BINNENKORT BESCHIKBAAR

Tot slot

Heb jij ook iets bijzonders gezien in je (natuur)tuin? Of wil je meer weten over het beheer van een natuurtuin? Laat het ons weten door een reactie onder deze blog achter te laten, of stuur ons een foto via social media (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer tips over inheemse planten, de aanleg van een natuurtuin of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

De 8 beste inheemse struiken voor een diervriendelijke tuin

Sleedoorn inheemse struiken

Natuurlijke tuinen zijn niet af zonder één of meerder inheemse struiken. Veel dieren, zoals insecten (bijen, hommels, vlinders), zoogdieren (egels) en vogels zijn in meerder opzichten afhankelijk van deze planten. Struiken (ook wel heesters genoemd) bieden daarnaast privacy en zorgen ervoor dat je tuin body krijgt. In alle opzichten mogen deze multifunctionele planten dus niet ontbreken in je tuin of op je erf. In deze blog geven we onze 8 beste tips voor inheemse struiken in een diervriendelijke tuin.

Inhoudsopgave

Waarom zijn inheemse struiken belangrijk?

Inheemse struiken/heesters zijn onmisbaar in een natuurlijke tuin. Je moete deze struiken zien als multifunctionele planten die bijna alle dieren in je tuin wat te bieden hebben. Het dichte struikgewas zorgt ervoor dat zangvogels er veilig in kunnen broeden. Een struweelhaag van meerdere inheemse heesters is ideaal voor egels en ander zoogdieren. Sommige heesters bloeien rijkelijk, wat een walhalla is voor insecten zoals bijen, hommels, zweefvliegen en dagvlinders. Daarnaast zijn sommige struiken uitstekende waardplanten voor tal van nachtvlinders. Tot slot krijgen veel heesters na de bloei nog bessen, die vaak erg in trek zijn bij vogels zoals lijsters (merels, zanglijsters, koperwieken, etc.), spreeuwen en in sommige gevallen zelfs de bijzondere pestvogel! Redenen genoeg dus om zelf ook aan de slag te gaan met inheemse struiken/heesters in je tuin!

1. Gele kornoelje (Cornus mas)

De eerste inheemse struik, of heester, die we bespreken is gele kornoelje. Een belangrijke heester voor de natuur, omdat de stuik al vroeg in het jaar bloeit. Tussen februari en april verschijnen de gele bloemen op de nog kale takken (gele kornoelje is niet wintergroen). In deze periode bloeien nog weinig andere planten en struiken, waardoor vroeg vliegende bijen en andere insecten de broodnodige nectar kunnen vinden in de bloemen van gele kornoelje.

Gele kornoelje inheemse struiken
Gele kornoelje krijgt al vroeg in het jaar gele bloemen op het nog kale hout

Gele kornoelje wordt tot 6 meter hoog, maar kan prima gesnoeid worden wanneer deze te groot zou worden. Snoeien is echter niet noodzakelijk, heb je de ruimte dan kun je de struik het beste laten groeien. Gele kornoelje stelt weinig eisen aan de standplaats, maar heeft wel een lichte voorkeur voor kalkhoudende grond. De heester staat het liefst op een plekje in de zon of halfschaduw, maar doet het op vrijwel iedere plek goed. Alleen extreem natte of extreem droge standplaatsen verdraagt de struik niet.

2. Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus)

Wilde kardinaalsmuts is een andere inheemse struik die absoluut een plekje in de natuurtuin verdient! Deze tot 6 meter hoog wordende heester bloeit van mei tot en met juni met onopvallende, lichtgroene bloemen. De echte sierwaarde van de wilde kardinaalsmuts zijn echter de rozerode bessen, die zeer in trek zijn bij vogels zoals lijsters (merels, zanglijsters) en mezen zoals koolmezen en pimpelmezen. De bessen verschijnen in de vroege herfst aan de struik.

Naast vogels maken ook nachtvlinders veelvuldig gebruik van wilde kardinaalsmuts. Of beter gezegd: de rupsen van nachtvlinders. Diverse soorten spanners en stippelmotten zetten de eitjes af op kardinaalsmuts. De rupsen voeden zich met de planten totdat ze groot genoeg zijn om te verpoppen naar nachtvlinder. Dit kan als resultaat hebben dat in het voorjaar hele struiken kaal gevreten zijn door de rupsen. De struik herstelt hier in principe vrij gemakkelijk weer van gedurende het seizoen.

Wilde kardinaalsmuts
Wilde kardinaalsmuts krijgt kleine, onopvallende lichtgroene bloemetjes, maar heeft veel andere sierwaarde zoals bessen en een prachtige rode herfstkleur

Wilde kardinaalsmuts stelt weinig eisen aan de standplaats. Staat het liefste op een plek in de halfschaduw, maar een plek in de volle zon wordt ook verdragen als de grond voldoende vochtig is. Ze hebben een voorkeur voor kalkhoudende grond. Een extra sierwaarde van de plant is de prachtige rode herfstkleur. Tevens is wilde kardinaalsmuts ook zeer goed te gebruiken in een wilde, gemengde haag. Een perfecte allround struik die dus niet in je tuin mag ontbreken!

3. Sporkehout (Rhamnus frangula)

De derde inheemse heester/struik in de lijst is sporkehout, die ook wel vuilboom wordt genoemd. Sporkehout kan tot 5 meter hoog worden en zal het op vrijwel iedere standplaats goed doen (al heeft deze struik graag wat licht, dus een plek in de volle schaduw is niet ideaal). Daarnaast heeft sporkehout een voorkeur voor een wat zuurdere grond.

Sporkehout
De bessen van sporkehout zijn in trek bij vogels zoals lijsters

De grootste troef die sprokehout in handen heeft is de lange bloeitijd. Deze inheemse struik bloeit van mei tot en met september. De bloemen zijn klein en stervormig en wit en groen van kleur. De struik bloeit rijkelijk en lang en is daarom zeer in trek bij nectar-etende insecten zoals bijen en zweefvliegen.


Lees ook: de beste inheemse vaste planten


Ook vlinders zijn gebaat bij de aanwezigheid van sporkehout. Het is een belangrijke waardplant voor het groentje, de citroenvlinder en het boomblauwtje. Daarnaast zijn er ook diverse nachtvlinders die gebruik maken van sporkehout. De bessen die in het najaar aan de struik komen zijn in trek bij veel vogels waaronder lijsters zoals de kramsvogel en grote lijster.

4. Hondsroos (Rosa canina)

Hondsroos is de volgende struik/heester die we tippen. Van nature vind je hondsroos in hagen, houtwallen, mantelvegetaties, struweelranden en als solitaire struiken in halfopen (begraasde) landschappen. Hondsroos groeit op een (matig) voedselrijke, niet te zure bodem. De bodem is droog tot vochtig.

Hondsroos
Hondsroos krijgt in juni en juli prachtige bloemen die druk bezocht worden door insecten

De sierwaarde van hondsroos zijn de bloemen en de rood-oranje rozenbottels. De bloemen verschijnen in juni en juli aan de struik en zijn witroze van kleur. De bottels zijn oranje-rood van kleur en worden tot 2 centimeter groot. Hondsroos kan tot 5 meter hoog worden, maar laat zich goed snoeien (en is daardoor ook heel goed te gebruiken in een natuurlijke gemengde haag).

Sierwaarde bloemen en rood-oranje rozenbottels. Bloeit in juni en juli met witroze bloemen. Kan tot 5 meter hoog worden, laat zich goed snoeien (daardoor ook ideaal om in een gemengde haag te gebruiken).

Het is een ontzettende biodiversiteitsbom. De nectar in de bloemen is in trek bij insecten zoals bijen en zweefvliegen. De rozenbottels zijn uitstekend voedsel voor vogels zoals kramsvogel en koperwiek. De stekels aan de takken zorgen voor een dicht struikgewas, waarin zangvogels veilig kunnen broeden. Daarnaast is het nog de waardplant voor diverse nachtvlinders. Hondsroos mag in een natuurlijke tuin dus eigenlijk niet ontbreken.

5. Eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna)

Een van de bekendste en aantrekkelijkste inheemse heesters is de eenstijlige meidoorn. Deze heester bloeit in mei en juni rijkelijk met witte bloemen. Daarna krijgt de struik rode besjes, die erg in trek zijn bij vogels.

Eenstijlige meidoorn
Eenstijlige meidoorn bloeit rijkelijk met witte bloemen

Meidoorn werd vroeger veel gebruikt, in de tijd dat er nog geen prikkeldraad was, als natuurlijke veekering. De stevige doorns kunnen tot 2,5 centimeter lang worden, waardoor het een ideale plant wordt om als haag te gebruiken rondom een weiland. Toen prikkeldraad kwam verdwenen de meidoornhagen langzaam uit het landschap en daarmee ook een groot stuk biodiversiteit.

Meidoorn is namelijk een zeer belangrijke plant voor allerlei dieren. Zangvogels kunnen veilig broeden in de doornstruik, vogels maken dankbaar gebruik van de eetbare bessen en insecten doen zich te goed aan de nectar die in overvloed aanwezig is door de vele bloemen. Tot slot is het een belangrijke waardplant. Tientallen nachtvlinders zijn er afhankelijk van, maar ook de dagvlinder groot geaderd witje heeft de meidoorn als waardplant.

Eenstijlige meidoorn wordt doorgaans tot 4,5 meter hoog en staat het liefst op een plek in de halfschaduw of zon. Daarnaast verlangt deze heester een droge tot vochtige standplaats.

6. Sleedoorn (Prunus spinosa)

Een van de belangrijkste heesters is wat ons betreft sleedoorn. Het is de eerste heester die aan het einde van de winter in bloei komt, waardoor het een zeer belangrijke nectarplant is voor vroeg vliegende insecten zoals vlinders, bijen, hommels en zweefvliegen.

Sleedoorn (de Natuur van hier)
De eerst bloeiende heester aan het einde van de winter is sleedoorn (de Natuur van hier)

Op het naakte hout krijgt sleedoorn vanaf maart prachtig witte bloemen. De bloei duurt tot ongeveer begin mei. Vanaf de zomer krijgt sleedoorn blauwe besjes, die tot diep in de winter op de struik te vinden zijn.

In het wild kom je sleedoorn tegen in heggen, struwelen, bosranden en als solitaire struik. De struik wordt over het algemeen tot 3 meter hoog. De heester verlangt het liefst een vochtig plekje in de halfschaduw of zon.

Vanwege de doorns is ook sleedoorn een belangrijke broedplek voor zangvogels. Daarnaast is het de waardplant van tientallen nachtvlinders (zoals de boogsnuituil, het donker klaverblaadje en het zwart weeskind). Ook dagvlinders gebruiken sleedoorn graag als waardplant: sleedoornpage, grote vos én groot geaderd witje. Dagpauwoog is een belangrijke bestuiver van sleedoorn.

7. Gelderse roos (Viburnum opulus)

Een andere leuke inheemse heester is Gelderdse roos, een mooie aanvulling op iedere tuin of erf. Deze tot ongeveer 3 meter hoog wordende heester krijgt opvallende witte, schermvormige bloemen en groeit van nature in beekdalen, hagen, struwelen en bosranden.

Gelderse roos
De Gelderse roos krijgt opvallende schermvormige, witte bloemen

Gelderse roos staat het liefst op een ietwat vochtige plek, in de halfschaduw of zon. De witte, schermvormige bloemen verschijnen in mei en juni aan de heester. Feitelijk gezien heeft de Gelderse roos twee soorten bloemen: de grote, opvallende, witte randbloemen én de hele kleine groenwitte bloemen in het midden. De grote randbloemen hebben als functie om insecten aan te trekken. De kleine witte, onopvallende bloemen bevatten daadwerkelijk de nectar waarvoor de insecten komen.

Na de bloei verschijnen de rode bessen aan de struik. Deze blijven lang aan de plant hangen, vaak tot diep in de winter. De reden dat de bessen zo lang blijven hangen is omdat ze heel bitter zijn. Pas wanneer er een goede nacht vorst overheen is gekomen verdwijnt de bittere smaak, iets wat vogels ook weten. Vooral lijsters en de bijzondere wintergast de pestvogel komen dan op de bessen af. Met één of meerdere Gelderse rozen heb je dus kans deze fotogenieke wintergast in je tuin of op je erf waar te nemen!

Inheemse heesters struiken pestvogel
Heb jij weleens een pestvogel in je tuin gezien?

8. Gewone vlier (Sambucus nigra)

Tot slot bespreken we nog de gewone vlier, welke veelal bekend is om zijn (vlier)bessen, waar diverse producten van gemaakt kunnen worden. Iedereen heeft wel eens vlierbessensap, -jam, likeur of pannenkoeken met vlierbloesem gehad!

Gewone vlier inheemse heester
Gewone vlier staat bekend om de bijna zwarte bessen waar diverse producten van gemaakt worden

Gewone vlier wordt tot 7 meter hoog en is daarmee een van de hoogst groeiende heesters uit deze lijst. De witte schermachtige bloemen verschijnen in mei, juni en soms in juli aan de struik. De bestuiving van de bloemen vindt plaats via insecten. Een aantal nachtvlinders, zoals de witte tijger, bijvoetdwergspanner en ligusterpijlstaart gebruiken de gewone vlier als waardplant.

Na de bloei verschijnen de bijna zwarte bessen aan de plant. Vooral spreeuwen zijn dol op deze bessen, die ook grotendeels verantwoordelijk zijn voor de verspreiding van het zaad dat in de bessen zit.


Lees ook: de beste inheemse bijenplanten


Gewone vlier stelt weinig specifieke eisen aan de standplaats en kan zowel in de zon als halfschaduw geplaatst worden. Alleen een plekje vol in de schaduw moet vermeden worden, omdat ze dan niet goed groeien.

Overzichtstabel

Zie je na het lezen van de 8 soorten door de bomen het bos niet meer? In onderstaande tabel vind je de belangrijkste kenmerken per soort nog eens terug.

Naam Belangrijkste kenmerken Bloemkleur Bloeiperiode Besdragend Goed voor (dieren)
Gele kornoelje (Cornus mas) Vroege bloei op kale takken; verdraagt snoei; voorkeur voor kalkrijke grond; zon of halfschaduw Geel Februari–april Ja Vroeg vliegende bijen, insecten
Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) Lichtgroene bloemen; opvallende rozerode bessen; rode herfstkleur; goed in gemengde haag Lichtgroen Mei–juni Ja Vogels (lijsters, mezen), rupsen van nachtvlinders
Sporkehout / Vuilboom (Rhamnus frangula) Lange bloeitijd; stervormige wit-groene bloemen; voorkeur voor zure grond; zon/half schaduw Wit-groen Mei–september Ja Bijen, zweefvliegen, dagvlinders (citroenvlinder, groentje, boomblauwtje), vogels
Hondsroos (Rosa canina) Witroze bloemen; rood-oranje bottels; stekelig, goed in gemengde haag; tot 5 m hoog Wit-roze Juni–juli Ja Bijen, zweefvliegen, zangvogels (kramsvogel, koperwiek), nachtvlinders
Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) Witte bloemen; rode bessen; doornig; belangrijke waardplant; goed in zon/half schaduw Wit Mei–juni Ja Zangvogels, insecten, dagvlinder groot geaderd witje, nachtvlinders
Sleedoorn (Prunus spinosa) Vroege bloei; witte bloemen op naakt hout; blauwe bessen tot in winter; doornig Wit Maart–begin mei Ja Vroege bijen, vlinders (sleedoornpage, grote vos, groot geaderd witje), zangvogels, nachtvlinders
Gelderse roos (Viburnum opulus) Schermvormige bloemen; twee typen bloemen (rand- en binnenbloemen); rode bessen tot winter Wit Mei–juni Ja Insecten, vogels (lijsters, pestvogel)
Gewone vlier (Sambucus nigra) Witte schermbloemen; bijna zwarte bessen; tot 7 m hoog; veelzijdig gebruik bessen en bloesem Wit Mei–juli Ja Insecten, nachtvlinders, spreeuwen

Kant-en-klaar pakket

Dat waren onze 8 tips voor inheemse struiken/heesters voor een diervriendelijke tuin. Wil je écht een verschil maken, dan kun je het beste meerdere heesters aanplanten. Heb je hulp nodig bij een aantal leuke soorten samen te stellen? Via Sprinklr zijn een aantal kant-en-klaar pakketten te bestellen met daarin meerdere soorten heesters, ieder met zijn eigen specifieke doel. Eventueel is er een emmertje natuurlijk alternatief voor kunstmest bij te bestellen, om te zorgen voor een flitsende start van de heesters in je tuin of op je erf.

Heestermix Vogelparadijs

Met de heestermix Vogelparadijs lok je gegarandeerd vogels naar je tuin. In dit pakket zitten de heesters: eenstijlige meidoorn, gewone vlier, krentenboompje, wilde kardinaalsmuts en wilde lijsterbes. Allen krijgen ze bessen, onweerstaanbaar voor vogels zoals lijsters en spreeuwen. Ga maar klaar zitten met je verrekijker, want dat wordt genieten!

Heestermix Bijenparadijs

In het heesterpakket Bijenparadijs zitten vijf soorten heesters, die gegarandeerd gaan zorgen voor gezoem in je tuin. Gele kornoelje, Gelderse roos, sleedoorn, zoete kers en sprokehout zorgen er samen voor dat bijen van maart tot en met september je tuin komen bezoeken op zoek naar nectar. Ook de rijpe bessen van sommige heesters zullen bijen aantrekken. Garantie op een bijenparadijs dus!

Heestermix Bloeiparadijs

Voor wie houdt van bloemen moet voor het pakket Bloeiparadijs gaan. Hiermee verleng je de bloeiboog van je tuin ongetwijfeld. Egelantier, gele kornoelje, krentenboompje, sleedoorn en wilde kardinaalsmuts zorgen ervoor dat er bloemen in je tuin te vinden zijn, van februari tot diep in de zomer. De geurende bloemen van de egelantier en de bessen van krentenboompje, kardinaalsmuts en sleedoorn na de bloei maken het feestje in je tuin compleet!

Tot slot

Heb jij de keuze al gemaakt voor welke inheemse heesters je gaat! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of stuur ons een foto via social media van je nieuw aangeplante heesters (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer tips voor over inheemse planten, een klimaatbestendige tuin of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Droogte in je tuin? 10 duurzame oplossingen voor een groene oase!

Droogte tuin

De zomers in Nederland worden steeds warmer en droger. Planten verdorren, gras wordt geel en tuinen veranderen langzaam in stoffige vlaktes. Reden genoeg dus om bewust aan de slag te gaan met droogte in je tuin. In deze blog geven we je 10 duurzame en eenvoudige oplossingen voor een tuin die groener en klimaatrobuuster is, waardoor deze beter bestand is tegen droogte en warmte!

Droogte tuin
Steeds drogere zomers dwingen ons anders naar de tuin te kijken – tijd om maatregelen te nemen

Inhoudsopgave

1. Maak gebruik van regenwater: vang het op in een regenton

Een van de belangrijkste tips is om een deel van het regenwater op te vangen in periodes dat het veel valt. Zo kun je het gebruiken in periodes dat het langdurig droog en warm is. Voordeel: regenwater is gratis en ideaal om je planten mee water te geven. Er zijn verschillende manieren waarop je regenwater kunt opvangen, de meest bekende is met een regenton. Met een regenton vang je met gemak tientallen tot honderden liters water op, die je eenvoudig op een later moment kunt gebruiken. Tip: koop meerdere regentonnen en zet er één bij iedere regenpijp om nog meer water op te vangen. Heb je nog meer ruimte? Kijk dan ook eens naar ondergrondse opvang van regenwater.

Bekijk hier het aanbod regentonnen bij bol.com. Er zijn kleine regentonnen van 30 liter, maar ook waarmee je meer dan 600 liter kunt opvangen! Voor ieder wat wils dus!

2. Plant inheemse bomen en struiken voor schaduw

Als je minder overlast wil ervaren van droogte dan is het wijs om meer schaduw te creëren. Meer schaduw zorgt ervoor dat de tuin minder snel uitdroogt én dat het minder snel bloedheet wordt in je tuin. Win-win dus. Bomen en grote struiken zorgen voor meer schaduw in je tuin waardoor de bodem minder snel uitdroogt en de bodem minder snel opwarmt. Daarnaast verdampen bomen en struiken water om af te koelen, wat er automatisch voor zorgt dat de omgevingstemperatuur afneemt. Kies voor inheems en biologisch gekweekte soorten zoals meidoorn, hazelaar, Gelderse roos of vlier. Goed voor schaduw (kijk hier voor schaduwplanten die je kunt gebruiken onder bomen en struiken) én biodiversiteit!

Het belang van biologisch gekweekt
Waarom zou je kiezen voor biologische gekweekte planten? Over het algemeen zijn deze duurder en minder goed verkrijgbaar. Toch is het van zeer groot belang als je iets goeds wil doen voor de lokale biodiversiteit. Reguliere tuinplanten bevatten vaak pesticiden, welke giftig zijn voor dieren (zoals insecten) en de leefomgeving. Insecten die dus afkomen op de bloemen van regulier gekweekte planten lopen als het ware in een val. Ze komen af op de nectar om zich daarmee te voeden, maar deze bevatten vaak nog diverse pesticiden. De pesticiden zijn giftig voor ze en tast het zenuwstelsel aan en kan zelfs dodelijk zijn. Er is dus een grote kans dat insecten die nectar eten van reguliere tuinplanten een paar honderd meter verderop het loodje leggen. Het tegenovergestelde van wat je wil bereiken dus!

3. Kies droogtetolerante planten

Aanhoudende droogte dwingt je om anders na te denken over de planten die je kiest voor je tuin. Soorten als hortensia en hosta’s zullen gauw het kopje gaan laten hangen als de bodem uitdroogt. Beter kies je dus inheemse soorten die graag in de zon staan en het niet erg vinden om droge voeten te hebben. Hierdoor hoef je minder water te geven en zien je planten er een stuk florissanter uit. Kies voor soorten zoals wilde marjolein, duizendblad, zeepkruid of wilde cichorei. Naast dat ze het goed doen in droge periodes zijn ze ook nog eens aantrekkelijk voor bijen en vlinders. Wederom een win-win situatie dus!

Wilde cichorei droogte tuin
Wilde cichorei doet het uitstekend op een droge en zonnige standplaats en is ook nog eens in trek bij vlinders en bijen (de Natuur van hier)

Lees ook: de beste inheemse planten voor in de volle zon


4. Werk met bodembedekking en mulch

Zwarte grond (een kale bodem) in je border droogt snel uit. Daarnaast groeit er snel onkruid. Bedek de grond tussen de planten daarom met boomschors, houtsnippers, bladeren of stro. Dit zorgt ervoor dat de zon niet direct op de aarde schijnt, waardoor deze minder snel uitdroogt. Vocht wordt beter vastgehouden, het bodemleven wordt beschermd en onkruid heeft minder kans. Door met een bodembedekking te werken hoef je dus minder snel water te geven en minder vaak onkruid te trekken. Ook bodembedekkers kunnen helpen tegen minder uitdrogen. Kies bijvoorbeeld voor kleine maagdenpalm of ooievaarsbek. Hier vind je nog meer tips voor inheemse bodembedekkers!

5. Leg een vijver, poel of wadi aan

Water in je tuin hoeft niet meteen weg te lopen – vang het op! Leg een vijver, poel of wadi aan en leidt het regenwater hier naartoe. Maak flauwe en ondiepe oevers en plant deze aan met moerasplanten zoals gele lis, lisdodde, grote kattenstaart en koninginnekruid. Zo zorg je voor een groene oase in je tuin die zorgt voor verkoeling en de biodiversiteit in je tuin een boos geeft!

Poel aanleggen droogte tuin
Een poel in de tuin zorgt voor verkoeling én geeft een boost aan de biodiversiteit (de Natuur van hier)

6. Overweeg een groendak

Platte daken op schuurtjes en aanbouwen zijn ideaal om groendaken op aan te leggen. Relatief eenvoudig kan een sedumdak gerealiseerd worden. Deze groendaken staan er om bekend dat ze regenwater langer vasthouden en geleidelijk vrij geven. Een deel van het water verdampt meteen weer waardoor het helemaal niet afgevoerd hoeft te worden en als resultaat de omgeving verkoelt. Daarnaast zorgt het er ook nog eens voor dat je huis of schuur beter geïsoleerd is (zowel tegen warmte als tegen kou). Tot slot ziet het er ook nog eens prachtig uit!

7. Gebruik compost en verbeter de bodem

Een gezonde bodem met veel organisch materiaal werkt als een spons. Voeg compost toe om de structuur en het waterhoudend vermogen van de bodem te verbeteren. Hierdoor kan de bodem meer water vasthouden en droogt deze beter uit. Bovendien profiteert het bodemleven er van mee en kunnen planten beter wortelen, waardoor deze eerder de grond zullen bedekken met hun bladeren (waardoor deze dus weer minder snel uitdroogt). Dit werkt dus dubbelop!

8. Verminder verharding – tegels eruit, groen erin

Hoe meer verharding, hoe warmer het in de tuin is en hoe slechter het water de bodem in kan. Groen (planten, struiken en bomen) verdampen water via de huidmondjes in hun bladeren bij warm weer, waardoor de omgeving afkoelt. Hierdoor is je tuin koeler dan wanneer er alleen maar tegels liggen. Daarbij komt ook nog eens dat water in tegeltuinen geen kant op kan, alleen naar het riool. Het water wordt afgevoerd en ben je kwijt. In groene tuinen wordt het opgevangen in de bodem waardoor deze minder snel uitdroogt. Tegels er dus uit en groen erin!


Lees ook: van tegeltuin naar groene tuin


Tuintransformatie
Van tegeltuin naar groene tuin: het heeft zoveel voordelen (de Natuur van hier)

9. Plant in lagen: van bodembedekker tot boom

Plant je tuin aan net zoals een bosrand. Wie wel eens goed naar een bosrand heeft gekeken ziet dat deze geleidelijk is opgebouwd: bodembedekkende planten – kruidachtige planten – struiken en dan bomen. Deze gelaagdheid zorgt ervoor dat de verschillende lagen elkaar beschermen tegen zon en wind. Zo wordt er ook meer water vastgehouden, waardoor de bodem minder snel uitdroogt. Ga zo dus ook te werk in je tuin, om minder snel last te krijgen van droogte.

10. Geef slim water: weinig, maar gericht

Soms ontkom je er niet aan om toch water te geven, bij extreme droogte. Doe dit dan wel op een slimme manier. Geef water in de vroege ochtend of laat op de avond. Overdag in de volle zon verdampt veel van het water voordat het de grond in kan trekken. Geef daarnaast liever één keer in de week veel water dan iedere dag een beetje (wederom omdat kleine beetjes water veelal verdampen). Daarnaast kun je in je border een druppelslang gebruiken en bij bomen een gietrand, zodat het water niet wegspoelt en wél bereikbaar blijft voor de wortels.


Lees ook: hoe plant ik een boom?


Droogte tuin
Soms ontkom je er niet aan om water te geven

Tot slot: elke tuin kan bijdragen

Ook al heb je misschien een kleine tuin – iedere vierkante meter telt. Steden worden steeds warmer door het vele gebruik van tegels en andere verhardingen en (over het algemeen) weinig plek voor groen in de stad. Dit zorgt ervoor dat het leven in een stad minder aangenaam wordt. Door bewust om te gaan met water en te kiezen voor slimme, natuurlijke oplossingen, maak je jouw tuin weerbaar tegen droogte én help je de natuur een handje. Samen zorgen we dat hittestress in de tuin verleden tijd wordt!

Wil je meer tips voor een klimaatbestendige tuin. inspiratie over inheemse planten of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!

Welke maatregelen heb jij toegepast om droogte tegen te gaan? Laat het ons weten in de comments, of tag ons op een van onze socials (@denatuurvanhier)!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Blauwe vlinders herkennen in Nederland – foto’s en tips

Icarusblauwtje blauwe vlinders

Vlinders zijn er in allerlei afmetingen en kleuren. Blauwe vlinders vallen echter goed op, omdat ze qua kleur veel afwijken van andere vlinders. Er zijn echter veel verschillende soorten blauwe vlinders in Nederland, sommige die vrij algemeen voorkomen en sommige die zeldzaam zijn. In deze blog bespreken we alle blauwe vlinders die in Nederland voorkomen.

Boomblauwtje (Shutterstock)
Boomblauwtje (Shutterstock)

Inhoudsopgave

Overzichtstabel

Soort (Nederlands) Wetenschappelijke naam Spanwijdte Bovenzijde (man/vrouw) Onderzijde & kenmerken Vliegtijd Habitat & tips
Icarusblauwtje Polyommatus icarus 28–36 mm Mannetje egaal blauw, vrouwtje bruin met oranje vlekjes Onderzijde met twee wortelvlekken Mei–oktober (2–3 generaties) Kleinschalige graslanden, akkerranden, rups op vlinderbloemigen
Boomblauwtje Celastrina argiolus 26–34 mm Man blauw met dunne zwarte rand, vrouw lichtblauw met brede zwarte rand Zilvergrijze onderzijde met zwarte stippen Maart–oktober (2 generaties) Bomen en struiken, rups op klimop, vuilboom
Bruin blauwtje Aricia agestis 25–31 mm Bovenzijde bruin met oranje vlekjes (man/vrouw) Onderzijde lichtbruin met zwarte stippen, geen wortelvlekken Mei–oktober (2–3 generaties) Graslanden, bermen, Rode Lijst gevoelige soort
Heideblauwtje Plebejus argus 29–31 mm Mannetje helderblauw met zwarte band, vrouwtje bruin met oranje vlekjes Onderzijde: oranje rand met zwarte vlekjes Juni–augustus (1 generatie) Vochtige heide, symbiose met mieren, waardplant dopheide
Staartblauwtje Cupido argiades ± 25 mm Mannetje violetblauw, vrouwtje bruin Zilvergrijze onderzijde met zwarte stippen Sinds 2021 standvlinder Opkomst sinds waarnemingen in Limburg vanaf 2011

Icarusblauwtje (Polyommatus icarus)

In één oogopslag: mannetjes zijn egaalblauw van boven. Vrouwtjes zijn van boven meer bruin gekleurd met oranje vlekjes. Is te onderscheiden van andere blauwtjes door de twee wortelvlekken op de onderkant van de voorvleugel.

Het icarusblauwtje is het meest algemene blauwtje van ons land. Ze vliegen van mei tot en met oktober in twee, of soms drie, generaties. Icarusblauwtjes worden 2,8 centimeter tot 3,6 centimeter groot. Mannetjes zijn van boven egaal blauw met een witte franje (buitenste rand). Vrouwtjes zijn meer bruin gekleurd met oranje vlekjes. De vrouwtjes van het icarusblauwtje kunnen sterk op het bruin blauwtje lijken. Icarusblauwtjes zijn echter van andere soorten te onderscheiden door de twee wortelvlekken op de onderkant van de voorvleugel.

Waardplanten zijn diverse vlinderbloemigen, zoals gewone rolklaver, moerasrolklaver en kleine klaver. Ook nectar halen ze vaak uit bloemen van vlinderbloemigen, maar ook andere bloemplanten worden bezocht. De rupsen van het icarusblauwtje zijn lichgroen van kleur met een wat donkerdere groene streep op de rug. Overwintering gebeurt als rups, laag op een waardplant of in de strooisellaag.

Icarusblauwtjes komen in het hele land voor en verspreid zich via wegbermen door het land. Ze leven in allerlei kruidenrijke vegetaties zoals graslanden, akkerranden, wegbermen en dijken.

Boomblauwtje (Celastrina argiolus)

In één oogopslag: de mannetjes van het boomblauwtje hebben een geheel blauwe bovenzijde met een dunne zwarte rand. Vrouwtjes zijn lichtblauw van boven en hebben een brede zwarte rand. De onderkant is zilvergrijs met zwarte stippen.

Boomblauwtjes bereiken een spanwijdte van 2,6 tot 3,4 centimeter. Het is een algemene standvlinder en komt verspreid over het land voor. Alleen op kleigronden zijn ze wat minder goed verspreid.

Het boomblauwtje zie je over het algemeen echter wat minder goed. Dit komt omdat ze meestal wat hoger vliegen, in de toppen van bomen en struiken. Waardplanten zijn dan ook onder andere vuilboom, klimop en kardinaalsmuts. Naast nectar voeden boomblauwtjes zich ook met sap van bloedende bomen en honingdauw, een nectarachtige stof die wordt vrijgegeven door onder andere bladluizen.

De rupsen van boomblauwtjes zijn groen gekleurd met een witte lengtestreep. Het boomblauwtje vliegt in twee generaties per jaar en kunnen gezien worden van maart tot en met oktober. Ze komen vooral voor in gebieden met bossen. Akker(randen), tuinen, struwelen, boomgaarden, bosranden en (open plekken in) loofbossen kunnen een geschikt habitat vormen voor het boomblauwtje.


Lees ook: van tegeltuin naar groene tuin


Bruin blauwtje (Aricia agestis)

In één oogopslag: zowel bij mannetjes als vrouwtjes zijn de bovenzijde van de vleugels bruin met langs de achterrand oranje vlekjes. De onderzijde van de vleugels zijn lichtbruin met zwarte vlekjes.

Het bruin blauwtje bereikt een spanwijdte tussen de 2,5 en 3,1 centimeter en blijft daarmee iets kleiner dan het icarusblauwtje en het boomblauwtje. Zowel bij het mannetje als het vrouwtje zijn de bovenzijde van de vleugels bruin, met oranje vlekken langs de achterrand. De onderzijde van de vleugels is lichtbruin met zwarte vlekken. Het vrouwtje van icarusblauwtje kan sterk lijken op het bruin blauwtje. Bruin blauwtjes hebben echter geen wortelvlekken (vlekken aan de basis van de voorvleugel) op de onderzijde. Daarnaast zijn de bovenzijde van de vleugels van het icarusblauwtje (vrouwtje) weliswaar bruin, maar hebben deze vaak een blauwe basis.

De rupsen van het bruin blauwtje zijn groen met een paarsachtige streep over de lengte. Ze overwinteren als halfvolwassen rups in de strooisellaag. De waardplanten zijn reigersbek, ooievaarsbek en zonneroosje.

Het bruin blauwtje is een vrij schaarse standvlinder en komt voornamelijk voor in graslanden, wegbermen en op dijken. Ze staan als gevoelig op de Rode Lijst. Bruin blauwtjes zijn echter steeds beter verspreid door Nederland. Ze winnen vermoedelijk terrein door klimaatverandering, alleen in de meest noordelijke provincies worden ze nog minder waargenomen. Het bruin blauwtje vliegt van mei tot en met oktober in meestal twee, soms drie, generaties.

Heideblauwtje (Plebejus argus)

In één oogopslag: mannetje helderblauw met een zwarte band. Vrouwtje bruin met op de bovenzijde enkele oranje vlekjes. Op de onderzijde van de vleugels hebben ze aan de achterkant van de vleugel een oranje rand met zwarte vlekjes.

Het heideblauwtje bereikt een spanwijdte van 2,9 tot 3,1 centimeter. De bovenzijde van de vleugels zijn blauw met een zwarte rand en witte franje. Vrouwtjes hebben bruine vleugels met enkele oranje vlekjes aan de rand en een bruine franje. Op de onderzijde heeft het heideblauwtje aan de achterkant van de vleugel een oranje rand met zwarte vlekjes.

De rupsen zijn groen met een bruine lengtestreep. Ze leven in symbiose met mieren. De rupsen voorzien de mieren van een zoete voedingsstof (rijk aan suikers), in ruil daarvoor beschermen de mieren de rupsen en poppen tegen predatoren.

Het habitat van het heideblauwtje is vooral vochtige heide. De waardplant is de gewone dopheide. Rupsen eten van de uitlopers van de plant, terwijl de vlinders zich voeden met de nectar van de dopheide.

Het heideblauwtje is een schaarse standvlinder en staat op de Rode Lijst als kwetsbaar. De soort komt voornamelijk nog voor op de hogere zandgronden. In de duinstreek komt het heideblauwtje alleen nog voor op Texel. De afname van het heideblauwtje heeft met name te maken met de grote afname van heide in ons land. Daarnaast spelen verdroging en vergrassing van heide ook een rol. Het heideblauwtje vliegt in één generatie van juni tot en met augustus.


Lees ook: wat is een symbiose?


Buiten in het veld s het soms lastig om vlinders op naam te brengen. Je hebt geen internet, waardoor opzoeken en apps zoals ObsIdentify niet beschikbaar zijn. Met een zakgids kun je dan snel een vlinder opzoeken. De Zakgids Vlinders van de Benelux is hiervoor perfect. In deze gids vind je meer dan 100 soorten dagvlinders die in de Benelux voorkomen. De gids is rijkelijk geïllustreerd en van alle vlinders zijn de belangrijkste kenmerken terug te vinden. De gids is in zakformaat te verkrijgen, waardoor je hem dus gemakkelijk mee het veld in neemt. De zakgids is via deze link te bestellen bij bol.com.

Zakgids vlinders van de Benelux (bol.com)

Zeldzame blauwe vlinders

Daarnaast zijn er nog een aantal zeldzame vlinders, die maar sporadisch/een stuk minder algemeen te zien zijn in Nederland.

Allereerst het staartblauwtje (Cupido argiades). In 2011 werden een aantal exemplaren van deze soort ontdekt in Limburg. De jaren daarna heeft het staartblauwtje zich vanuit hier verder verspreid en wordt deze sinds 2021 beschouwd als standvlinder. Mannetjes hebben een violetblauwe bovenzijde en vrouwtje een bruine bovenzijde. De onderkant is zilvergrijs met zwarte stippen.

Het gentiaanblauwtje (Phengaris alcon) is een zeldzame standvlinder die op een aantal plekken voorkomt. Mannetjes hebben een volledig egale blauwe bovenzijde. Het vrouwtje is grijsbruin gekleurd.

Dan een soort die uit Nederland verdwenen was, maar weer geherintroduceerd: het pimpernelblauwtje (Phengaris teleius). De soort staat als ernstig bedreigd op de Rode Lijst. De bovenzijde van de vleugels is donkerblauw, met ene zwarte rand. Vrouwtjes hebben een bredere zwarte rand en zwarte vlekken. De soort komt voor in de Moerputten in Noord-Brabant.

Tegelijkertijd werd ook het donker pimpernelblauwtje (Phengaris nausithous) geherintroduceerd in de Moerputten. Helaas is deze daar inmiddels weer verdwenen. De soort heeft zich wel spontaan gevestigd in Limburg, maar ook daar is de situatie precair. Ook het donker pimpernelblauwtje staat op de Rode Lijst als ernstig bedreigd. Ze lijken erg op het pimpernelblauwtje maar zijn, zoals de naam al aangeeft, donkerder gekleurd.

Tot slot nog het dwergblauwtje (Cupido minimus). Het dwergblauwtje was verdwenen uit Nederland, maar in 2016 vestigde de soort zich weer in Nederland. De soort wordt bijna uitsluitend alleen maar in Limburg gevonden. De bovenzijde van de vleugels zijn bruin, en bij mannetjes zijn deze vanuit de basis blauw. De onderzijde is grijs met zwarte vlekken. Zoals de naam al zegt zijn ze erg klein: een spanwijdte van 1,6 tot 2,7 centimeter.

Een andere vlinder gezien?

Zat de vlinder die je hebt gezien hier niet tussen? Kijk eens bij onze andere blogs over vlinders, misschien staat hij daar wel in het lijstje.

Wat kun je zelf doen om vlinders te helpen?

Vlinders hebben het zwaar, net als veel andere dier- en plantensoorten. Veel van hun leefgebied is onder invloed van de intensieve landbouw en meer menselijke omgeving (meer stenen, meer uitstoot) ingrijpend veranderd. Er zijn een aantal dingen die je kunt doen om vlinders en andere diersoorten te helpen.

Brandnetels, brandnetels, brandnetels

Zoals je hierboven hebt kunnen lezen, is de brandnetel een waardplant voor veel verschillende soorten vlinders. Brandnetels worden echter vaak als ongewenst gezien en worden daarom weggehaald. Dit heeft invloed op de hele levenscyclus van de vlindersoorten. Er is dan geen plek om de eitjes af te zetten, geen voedsel voor rupsen en geen plek om te verpoppen. Laat die brandnetels dus lekker staan (in ieder geval ergens een hoekje). En laat ze ook vooral in de winter tot en met de lente onberoerd.

Brandnetels zijn onwijs belangrijk voor veel vlindersoorten, zoals de gehakkelde aurelia (de Natuur van hier)
Brandnetels zijn onwijs belangrijk voor veel vlindersoorten, zoals de gehakkelde aurelia (de Natuur van hier)

Maak je tuin niet ‘winterklaar’

Rupsen verpoppen vaak op of rondom hun waardplant of in de lage vegetatie. Uitgebloeide planten en stengels worden gebruikt om de pop aan vast te maken. Een goede reden om je tuin niet zogenaamd winterklaar te hoeven maken. Niet alleen vlindersoorten, maar veel andere diersoorten gebruiken uitgebloeide planten om te overwinteren. Je kunt dit allemaal rustig laten staan. Wanneer er in het voorjaar weer warmere temperaturen aanbreken, beginnen veel diersoorten ook weer actief te worden en kun je de uitgebloeide stengels verwijderen.

Zorgen voor nectar

Bovenstaande maatregelen vragen er vooral om om met rust gelaten te worden. Maar je kunt ook actief je handen uit de mouwen steken en de vlinders voorzien van een lekker maaltje nectar. We raden aan om altijd te kiezen voor biologisch gekweekte planten en een groot aandeel inheemse soorten in je tuin. Uit meerdere onderzoeken, bijvoorbeeld door PAN-NL, blijkt dat er op veel planten uit tuincentra pesticiden zitten die insecten doden, ook nog na aankoop, wanneer ze in je tuin staan.

Zorg voor inheemse, biologische planten

Sprinklr heeft een groot aanbod aan biologisch gekweekte planten. Ze hebben daarnaast een speciaal pakket voor vlinders samengesteld. Dit pakket bestaat uit vijf verschillende soorten vaste planten. Met dit pakket zorg je ervoor dat vlinders tot diep in het najaar bloemen met nectar tot hun beschikking hebben. Daarnaast zit er pijpenstrootje in het pakket, voor veel vlinders een goede plant om de rupsen op te laten opgroeien. Vlinders zullen je dus heel dankbaar zijn wanneer je een vlinderpakket in je tuin plant!

Tot slot

Nu kun je blauwe vlinders herkennen en weet je wat je moet doen om meer vlinders naar je tuin te trekken. Wil je meer handige tips ontvangen voor een natuurvriendelijke tuin, als eerste op de hoogte zijn van de laatste blogs en op de hoogte blijven van winacties? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Wouwen in Nederland – Roofvogels deel IV

Zwarte wouw (Shutterstock)

In deel IV van de blogserie Roofvogels in Nederland is het tijd om de wouwen in Nederland te bespreken. Deze elegante roofvogels zijn bezig met een opmars vanuit het zuiden en inmiddels broeden er alweer twee soorten in ons land. En wellicht kunnen we in de nabije toekomst een derde wouwensoort als broedvogel in ons land verwelkomen. Naast de wouwen wordt ook de majestueuze wespendief in deze blog besproken. Lees dus snel verder!

Omslagfoto: zwarte wouwen (Shutterstock)

Wespendief
Wespendief

Inhoudsopgave

Rode wouw (Milvus milvus)

De eerste wouw die we bespreken is de rode wouw. Deze prachtige roofvogel haalt een lichaamslengte van 60 tot 72 centimeter, met een spanwijdte van 143 tot 171 centimeter. Ze hebben een oranjerood verenkleed, met een vrij lichte kop en lichte vlekken op de vleugels. De rode wouw heeft een diep gevorkte staart en heeft de vleugels vaak licht gebogen in vlucht.

Rode wouw
De diepgevorkte staart en het oranjerode verenkleed maakt de rode wouw onmiskenbaar

Leefwijze en voedsel

Rode wouwen komen veel voor in een halfopen landschap, waarin een afwisseling van bossen en extensieve landbouwgebieden te zien is. Vroeger werden ze zelfs in steden waargenomen, waar ze vaak aas aten. Echter, door vervolging zijn ze uit de steden verdwenen.

Ze eten desondanks wel nog steeds veel aas. Naast aas worden ook vogels en kleine en middelgrote zoogdieren (muizen, konijnen en jonge hazen) gegeten. Het zijn echter opportunisten en ze vangen wat er beschikbaar is. Naast vogels en zoogdieren worden ook wel eens reptielen en ongewervelden dieren gevangen.

Voortplanting en trekgedrag

In 1976 werd het eerste broedgeval in Nederland gemeld. Sinds 2010 zijn er jaarlijks broedgevallen bekend. De laatste jaren zijn er steeds enkele tientallen broedparen in ons land waargenomen.

Rode wouwen maken hun nest in hoge bomen. Ze maken niet ieder jaar een nieuw nest, maar knappen soms ook oude nesten op. Meestal worden er twee eieren gelegd. In een maand tijd worden de eieren uitgebroed. De jongen vliegen na zo’n 50 tot 60 dagen uit het nest.

De meeste rode wouwen trekken in het najaar naar Zuid-Europa en Noord-Afrika. Echter komt het steeds vaker voor dat er exemplaren in Nederland, of dichtbij de grens overwinteren.


Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Zwarte wouw (Milvus migrans)

De volgende roofvogel die we in deze blog bespreken is de zwarte wouw. De zwarte wouw blijft iets kleiner dan de rode wouw, met een lichaamslengte van 44 tot 66 centimeter en een spanwijdte van 120 tot 153 centimeter.

De zwarte wouw heeft een donkerbruin verenkleed, met een lichtere kop en ondervleugels. De buitenste slagpennen zijn zwart. De staart van de zwarte wouw is minder diep gevorkt dan deze van de rode wouw. De staart en vleugels zijn daarnaast ook wat korter.

Zwarte wouw
Zwarte wouwen hebben een donkerbruin verenkleed met lichtere en donkere delen

Leefwijze en voedsel

Ook in leefwijze zijn er verschillen op te merken met de rode wouw. Zo zijn zwarte wouwen meer watergebonden en komen ze vooral voor in halfopen en waterrijke gebieden. Rivierlandschappen met ooibossen en moerasachtige stukken zijn ideaal voor de zwarte wouw. In het buitenland worden zwarte wouwen vaak ook in de buurt van steden en vuilnisbelten gezien.

Het menu bestaat uit aas, vis, kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen. Daarnaast worden soms ook insecten en ongewervelden zoals regenwormen gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

Sinds 2009 is de zwarte wouw een jaarlijkse broedvogel in ons land. Het gaat echter maar steeds op enkele paartjes. De zwarte wouw maakt het nest in hoge bomen, vaak in de buurt van water. Ze hebben één legsel per jaar, waarin 2 tot 3 eieren worden gelegd. Na ongeveer een maand broeden komen de eieren uit. De jongen zijn na een kleine 50 dagen vliegvlug, maar worden dan nog enkele weken bijgevoerd door de ouders.

De zwarte wouw is een van de meest algemene roofvogels wereldwijd. In Nederland neemt de soort als broedvogel de laatste jaren toe. Eind augustus/september vertrekken de zwarte wouwen naar het overwinteringsgebied in Afrika, ten zuiden van de Sahara.


Lees ook: vogelen in RivierPark Maasvallei – Tips, soorten en podcast


Grijze wouw (Elanus caeruleus)

Dan de laatste wouwen van de drie, de grijze wouw. Al behoort deze wel tot een ander geslacht dan de rode en zwarte wouw. De grijze wouw bereikt een lichaamslengte van 30 tot 37 centimeter en een spanwijdte van 77 tot 92 centimeter. Hiermee is deze beduidend kleiner dan de andere wouwen en qua grootte meer te vergelijken met een torenvalk.

De grijze wouw heeft een witte kop met koraalrode ogen en een zwart masker. Verder hebben ze een blauwgrijs verenkleed, met zwarte schouders en zwarte vleugelpunten.

Grijze wouw (Shutterstock)
Grijze wouwen hebben een blauwgrijs verenkleed (Shutterstock)

Ze behoren niet tot het geslacht Milvus, maar tot het geslacht Elanus, grijze wouwen. Wereldwijd zijn er vier soorten die tot dit geslacht behoren. Mogelijk behoren de grijze wouwen tot een eigen familie (net zoals bijvoorbeeld de visarend) en worden ze in de toekomst buiten de familie havikachtigen geplaatst.

Leefwijze en voedsel

De grijze wouw komt vooral voor in Afrika en Azië, maar breidt zich verder uit naar Europa. Ze broeden inmiddels al in onder andere Frankrijk en Spanje en de verwachting is dat zich dit de komende jaren verder uitbreidt in andere Europese landen.

Het zijn bewoners van graslanden, savannes en landbouwgebieden met enkele bomen. Hier jagen ze op een diversiteit aan prooien. Kleine zoogdieren, reptielen, vogels en insecten staan onder andere op het menu. Ze jagen vanaf een uitkijkpunt of bidden in de lucht, zoals torenvalken doen.

Voorkomen in Nederland

Grijze wouwen broeden dus (nog) niet in Nederland, maar dit zou in de komende jaren zomaar eens kunnen veranderen. Tot 2015 was de grijze wouw een zeldzame dwaalgast in Nederland, maar sinds die tijd zijn het aantal waarnemingen sterk toegenomen. De verdere verspreiding richting het noorden is opmerkelijk en zou zomaar iets te maken kunnen hebben met klimaatverandering. Ze leven een vrij nomadisch bestaan en vogels blijven plakken in gebieden waar voldoende prooien te vinden zijn.


Lees ook: op zoek naar bijzondere soorten in het Kempen~Broek


Wespendief (Pernis apivorus)

Tot slot bespreken we in deel IV van de serie ‘Roofvogels in Nederland’ nog de wespendief. Dit is geen wouw, zoals de voorgaande drie, maar behoort tot het geslacht Pernis (ook wel wespendieven genoemd). In totaal zijn er wereldwijd vier soorten wespendieven, waarvan er maar één in Nederland voorkomt.

De wespendief bereikt een lichaamslengte van 52 tot 60 centimeter en een spanwijdte van 118 tot 150 centimeter. Wespendieven lijken veel op buizerds, en hebben ook een gevarieerd verenkleed, van lichtbruin tot donkerbruin. Duidelijke verschillen tussen wespendief en buizerd zijn echter: de wespendief is slanker en heeft een langere staart. Ze hebben daarnaast op de staart drie donkere dwarsbanden. Ook de kop is anders bij de wespendief. Deze is kleiner en steekt verder uit. Mannetjes hebben een wat grijze kop. Ze hebben tot slot een soepelere en tragere vleugelslag.

Wespendief (Shutterstock)
Wespendieven lijken veel op buizerd, maar er zijn enkele verschillen op te merken (Shutterstock)

Leefwijze en voedsel

Wespendieven leven vooral in loofbossen en gemengde bossen. De bossen dienen afgewisseld te zijn met open plekken, zoals graslanden en heidegebieden.

Qua voedsel zijn het echte specialisten. Het dieet bestaat voor het grootste deel uit de larven, poppen en volwassen exemplaren van wespen, bijen en hommels. Verder eten ze ook de honing en de honingraat. Vooral in de grond levende wespen staan op het menu, waarvan de nesten met de krachtige poten worden uitgegraven. Wespendieven zijn uitstekend aangepast op het speciale voedsel: de poten zijn voorzien van een dikke huid, waardoor ze minder gevoelig zijn voor steken. Ook op de kop hebben ze dikke, stugge veren. Het dieet vullen ze verder aan met andere insecten, reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren.

Voortplanting en trekgedrag

De wespendief broedt vooral in het midden, oosten en zuiden van ons land. Ze maken het nest in de kruin van hoge bomen. Ze hebben één legsel per jaar, met meestal twee eieren. Na ruim een maand broeden komen de jongen uit, welke nog zo’n 40 dagen worden gevoerd voordat ze uitvliegen.

Wespendieven arriveren in mei en vertrekken op zijn laatst in september weer naar het overwinteringsgebied. Ze overwinteren in tropisch Afrika.

De serie Roofvogels in Nederland

In totaal zijn er zes delen nodig om de orde Accipitriformes te bespreken. De valken, de orde Falconiformes, worden in een apart deel besproken. De uilen zijn al een keer in een driedelige blog besproken. Via onderstaand overzicht kom je bij de verschillende soorten terecht.

Roofvogels in Nederland – deel I

Buizerd, sperwer en havik – deel II

Kiekendieven – deel III

Wouwen en wespendief – deel IV

Arenden – deel V

Gieren – deel VI

Valken in Nederland

Uilen in Nederland – deel I

Uilen in Nederland – deel II

Uilen in Nederland – deel III

Tot slot

Nu weet je hoe je de verschillende wouwen en de wespendief kunt herkennen. Wil je meer handige tips ontvangen over het herkennen van diersoorten, als eerste op de hoogte zijn van de laatste blogs en op de hoogte blijven van winacties? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!