Distelvink (Putter) – Herkenning, zang, kenmerken & leefgebied

Distelvink (putter) soortpagina. Hier vind je alles over deze vinkachtige (de Natuur van hier)

De distelvink (putter) is een kleurrijke zangvogel uit de familie vinkachtigen die in grote delen van Nederland voorkomt. Met zijn rode masker en gele vleugelstrepen is het een van de meest opvallende vinken in ons landschap. Je ziet hem vooral in bloemrijke graslanden, in akkerranden en in tuinen met veel zaaddragende planten. Op deze pagina lees je hoe je de distelvink herkent, waar hij van leeft en hoe je distelvinken kunt helpen.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Kenmerken van de distelvink (putter)

De distelvink is bij de meeste mensen beter bekend onder de naam putter. De wetenschappelijke naam is Carduelis carduelis. De distelvink (putter) heeft zich de laatste jaren goed weten aan te passen aan het menselijke landschap, waardoor het goed gaat met deze vinkachtige in Nederland. Het is een opvallende verschijning, zowel qua verenkleed als qua zang. Distelvinken bereiken een lichaamslengte van 10,5 tot 13,5 centimeter en een spanwijdte van 21 tot 25 centimeter. Volwassen vogels wegen 14 tot 19 gram.

De distelvink (putter) heeft een kleurrijk verenkleed
De distelvink (putter) heeft een kleurrijk verenkleed

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Verenkleed man en vrouw

Waar er bij de vink sprake is van seksuele dimorfisme (een duidelijk verschil in verenkleed tussen man en vrouw), is dit bij de distelvink niet het geval. Man en vrouw distelvink (putter) lijken namelijk sterk op elkaar en hebben dus beide een kleurrijk verenkleed.

Distelvinken hebben een rood masker, met verder een zwart-witte kop. Ze hebben verder zwarte vleugels, met een opvallende gele vleugelstreep die vooral in vlucht erg goed opvalt. De slagpennen hebben witte toppen. Daarnaast hebben ze een zwarte staart met witte vlekken. De bovenzijde is overwegend bruin. Bij de borst wordt het verenkleed grijzer en de onderzijde is meer wit gekleurd.

Geslachtsonderscheid

Onderscheid tussen man en vrouw is dus minder goed zichtbaar als bij sommige andere vinken. Mannetjes en vrouwtjes zijn echter uit elkaar te houden, voor degene die goed kijken. Het opvallendste verschil zit hem in het rode masker. Bij mannetjes loopt het rood door tot achter het oog, bij vrouwtjes loopt het rood tot halverwege het oog. Mannetjes hebben daarnaast in het zomerkleed een dieper gekleurd masker en dieper gekleurde gele vleugelstreep. Tot slot hebben mannetjes over het algemeen een grotere snavel.

Bij mannetjes distelvinken loopt het rode masker door tot achter het oog, bij vrouwtjes tot halverwege het oog. Daarnaast is het rode masker bij mannetjes feller gekleurd en hebben ze een iets grotere snavel. Op deze foto zijn de verschillen tussen mannetje en vrouwtje goed te zien (de Natuur van hier)
Bij mannetjes distelvinken loopt het rode masker door tot achter het oog, bij vrouwtjes tot halverwege het oog. Daarnaast is het rode masker bij mannetjes feller gekleurd en hebben ze een iets grotere snavel. Op deze foto zijn de verschillen tussen mannetje en vrouwtje goed te zien (de Natuur van hier)

Adult distelvink vs. juveniel distelvink

Waar man en vrouw distelvink lastig uit elkaar te houden zijn, zijn juveniele distelvinken goed te onderscheiden van de volwassen dieren. Juveniele distelvinken hebben een meer grijsbruin verenkleed met kleine zwarte vlekken. Ze hebben daarnaast een effen bruine kop. Wel hebben ze net zoals de volwassen exemplaren de zwarte vleugels met opvallende, gele vleugelstrepen. Hieraan kun je dus goed herkennen dat je met een (juveniele) distelvink te maken hebt.

Snavel

Distelvinken hebben een vrij lange en spitse snavel waarmee ze goed zaden kunnen eten (zelfs zaden die voor veel andere soorten onbereikbaar zijn, zoals de zaden van de kaardenbol). De snavel is in het zomerkleed volledig wit, in de winter wordt de snavelpunt donkerder. Mannetjes hebben verder nog een iets grotere snavel dan vrouwtjes.

Vluchtbeeld

In vlucht is de distelvink goed te herkennen aan de opvallende gele vleugelstrepen, die duidelijk afsteken tegen de zwarte vleugels. Het geel licht vooral op wanneer de vogel van plek naar plek vliegt. De vlucht is licht en golvend, met snelle vleugelslagen afgewisseld door korte glijmomenten. Distelvinken vliegen vaak in kleine groepjes en laten zich daarbij regelmatig horen met hun kenmerkende roep.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Distelvink
Wetenschappelijke naam Carduelis carduelis
Kenmerken Rood gezicht, zwart-witte kop, gele vleugelstrepen
Zang Vrolijk geratel met heldere fluittonen, vaak vloeiend
Habitat Platteland bij dorpen en boerderijen en in buitenwijken van steden
Broeden in NL Talrijk
Broedparen 46,000-58,000

Waarom heet de distelvink ook wel putter?

De naam putter wordt vaak verklaard vanuit het geluid dat de distelvink maakt: een helder, klingelend “put-put” dat vooral tijdens de vlucht te horen is. In de loop der tijd raakte deze naam ook verbonden met een minder fraai verleden, waarin distelvinken veelvuldig in kooitjes werden gehouden.
Omdat de naam distelvink verwijst naar het natuurlijke voedsel en gedrag van de vogel, gebruiken wij bij voorkeur deze benaming, met putter als aanvullende naam.

Zang en roep

De distelvink heeft een helder en levendig geluid, dat goed past bij zijn actieve en beweeglijke gedrag. De roep is een scherp, klingelend “tieteliet’ of “put-put”, vaak te horen wanneer de vogel overvliegt en contact houdt met soortgenoten.

Roep distelvink (Xeno-canto – Lee Alder)

De zang bestaat uit snelle reeksen trillers en heldere tonen, soms afgewisseld met korte pauzes. Vooral in het voorjaar zingen mannetjes er op los, vaak vanaf een hoge zangpost zoals een boomtop of een struik. Distelvinken zingen ook regelmatig in vlucht, wat bijdraagt aan hun opvallende aanwezigheid in het landschap.

Zang distelvink (Xeno-canto – Francesco Sottile)

Meer vogelgeluiden leren herkennen? Lees dan eens onze blog vogelgeluiden leren herkennen om de geluiden van de meest algemene tuinvogels te herkennen!

Mannetjes distelvinken gebruiken vaak een hoge boomtop of struik om vanuit daar hun melodieuze zang te laten horen, die zich wijd door het landschap versprijd (de Natuur van hier)
Mannetjes distelvinken gebruiken vaak een hoge boomtop of struik om vanuit daar hun melodieuze zang te laten horen, die zich weid door het landschap verspreid (de Natuur van hier)

Gedrag

Distelvinken zijn sociale vogels die buiten de broedtijd vaak in groepen te zien zijn. Gezamenlijk trekken ze door het landschap en zoeken ze naar voedsel. Dit doen ze al kwetterend en zingend, en vliegen zo van de ene plek naar de andere plek.

Paargedrag en nestbouw

In grote wintergroepen worden vaak al paartjes gevormd (al gebeurt dit soms ook in het vroege voorjaar). Het vrouwtje begint dan vervolgens met het maken van een nest in een boom of struik . Als nestmateriaal wordt van alles gebruikt: bladeren, grassen, mossen, korstmossen en veertjes. Het vrouwtje maakt zelf het nest, het mannetje draagt echter wel nestmateriaal aan. Meestal worden er twee legsels per seizoen gemaakt door de distelvink, soms drie. Per legsel worden er 4 tot 6 eieren gelegd die in ongeveer 10 dagen worden uitgebroed. Na 13 tot 18 dagen vliegen de jongen uit. De jongen worden dan nog een á twee weken bijgevoerd door de ouders.

Foerageergedrag en voedselkeuze

Het is seizoensafhankelijk hoe distelvinken naar voedsel zoeken. In de winter foerageren distelvinken vaak in grote, losse groepen, die regelmatig gemengd zijn met andere vinkachtigen, zoals vinken en kepen. Buiten de winter zoeken ze doorgaans in kleinere groepjes of paartjes naar voedsel. Tijdens de broedperiode is het foerageergedrag meer territoriaal en beperken distelvinken zich vooral tot de omgeving van het nest. Het voedsel (hoofdzakelijk zaden) wordt voornamelijk gezocht in open gebied, zoals bermen, graslanden en akkers met granen en onkruiden.

Een (deel van een) grote groep vinkachtigen in de winter, gezamenlijk op zoek naar voedsel op een akker met granen en kruiden die nog vol met zaden zitten. De totale groep bevatte minimaal 400 vogels en bestond onder ander uit distelvinken (putter), kepen en vinken (de Natuur van hier)
Een (deel van een) grote groep vinkachtigen in de winter, gezamenlijk op zoek naar voedsel op een akker met granen en kruiden die nog vol met zaden zitten. De totale groep bevatte minimaal 400 vogels en bestond onder andere uit distelvinken (putters), kepen en vinken (de Natuur van hier)

Distelvinken eten dus voornamelijk zaden. Vooral zaden van composietplanten zoals paardenbloem, distels en zonnebloemen worden gegeten. Ook kaardenbol is favoriet bij distelvinken. Met hun lange en spitse snavel kunnen ze goed bij de moeilijk bereikbare (voor veel andere vogels) zaden. In de winter eten ze daarnaast ook zaden van bomen zoals berk en els. Daarnaast bezoeken ze in de winter ook regelmatig voedertafels in tuinen, op zoek naar zonnebloempitten of andere zaden. De jongen krijgen veel insecten als voedsel. Dit is een belangrijke eiwitbron en energiemotor voor de jongen distelvinken die zo snel groeien.

Waarneming uit het veld

In onze natuurtuin is de distelvink een graag geziene gast. In ieder seizoen zien we de distelvinken terug in onze tuin en meestal zijn ze op zoek naar voedsel. Al druk roepend en zingend komen ze in paartjes of in kleine groepen de natuurtuin in en gaan dan op zoek naar zaaddragende planten. Achterin de tuin hebben we grote kaardenbol staan en dit is een ware distelvink magneet. Na de bloei in de zomer, blijven de stekelige bloemkoppen staan, die dan nog vol zitten met zaden. De distelvinken blijven terugkomen naar deze bloemkoppen en eten deze leeg tot de laatste zaden die erin zitten opgegeten zijn. Hiervan kunnen we vaak tot diep in de winter genieten (laat uitgebloeide bloemen dus altijd staan gedurende de winter!).

Maar ook de paardenbloem is geliefd bij distelvinken. Deze bloeit rijkelijk in ons kruidenrijk grasland en uitgebloeide paardenbloemen zijn een waar feestje voor de distelvinken. Onderstaande foto hebben we kunnen maken vanuit onze keuken. De distelvink kwam af op de uitgebloeide paardenbloem, die nog geen meter van het keukenraam stond. Door rustig vanaf de keukenvloer te kijken, konden we de distelvink aandachtig bekijken en fotograferen, terwijl deze zijn natuurlijke gedrag vertoonden. Fantastisch om dit vanuit je eigen huis te kunnen bekijken!

Distelvinken kunnen met hun lange, spitse snavel goed bij zaden bij composietplanten en andere zaaddragende planten (de Natuur van hier)
Distelvinken kunnen met hun lange, spitse snavel goed bij zaden bij composietplanten en andere zaaddragende planten (de Natuur van hier)

Leefgebied en verspreiding

De distelvink is een vogel van het open tot halfopen landschap, waar voldoende zaaddragende planten aanwezig zijn. Oorspronkelijk was de soort vooral te vinden in bloemrijke graslanden, langs bosranden en in open struweel. Tegenwoordig profiteert de distelvink ook van het door de mens gevormde landschap en is hij op veel meer plekken te zien.

In Nederland komt de distelvink vooral voor in agrarische gebieden met kruidenrijke akkerranden, in extensief beheerde graslanden, langs wegbermen en dijken, maar ook in tuinen, parken en buitenwijken. Voorwaarde is wel dat er voldoende natuurlijke voedselbronnen aanwezig zijn, zoals distels, paardenbloemen, kaardenbol en andere zaaddragende planten. Monotone, intensief beheerde graslanden zonder bloeiende kruiden zijn niet geschikt als leefgebied.

Kruidenrijke grasland vormt een belangrijk leefgebied voor de distelvink, vanwege de vele zaaddragende planten die erin voorkomen (de Natuur van hier)
Kruidenrijke grasland vormt een belangrijk leefgebied voor de distelvink, vanwege de vele zaaddragende planten die erin voorkomen (de Natuur van hier)

Tijdens de broedperiode zoekt de distelvink beschutting in struiken, hagen en kleine bomen, waar goed verborgen een nest kan worden gemaakt. Daarbij wordt vaak gekozen voor locaties in de buurt van open terrein, zodat voedsel gemakkelijker bereikbaar blijft. Buiten de broedtijd zijn distelvinken minder plaatsgebonden en zwerven ze door het landschap op zoek naar plekken met veel zaden.

De distelvink is in heel Nederland een algemene broedvogel, met hogere dichtheden in kleinschalige landbouwgebieden en in landschappen met veel groene structuren. Ook in stedelijke gebieden is de soort de laatste decennia duidelijk toegenomen, mede dankzij natuurrijke tuinen en het aanbieden van zaden bij voedertafels. Op onderstaande afbeelding van SOVON is de verspreiding van de distelvink in Nederland te zien.

Op Europese schaal komt de distelvink voor in grote delen van Europa, Noord-Afrika en West-Azië. In het noorden en oosten van Europa zijn distelvinken vaker trekvogels, terwijl populaties in Zuid- en West-Europa grotendeels standvogel zijn. Nederland ligt in een overgangsgebied, waar zowel standvogels als overwinterende vogels uit noordelijker gebied voorkomen.

Voortplanting

Distelvinken broeden van april tot en met juli en hebben meestal 2 en soms 3 legsels per jaar (afhankelijk van het aanbod insecten, hoofdvoedsel voor de jongen, gedurende het seizoen). Het nest wordt gemaakt in struiken, hagen of bomen, die in open of halfopen gebied staan. Voorbeelden van geschikte locaties om een nest te maken zijn tuinen, groene erven, parken, bosranden en houtwallen, in de buurt van open terrein om gemakkelijk en snel voedsel te kunnen vinden. Het vrouwtje bouwt een komvormig nest op een goed verscholen plek in de vegetatie. Het mannetje voert verschillend soort nestmateriaal aan: grassen, mossen, korstmossen en veertjes.

Meestal worden er 4 tot 6 eieren gelegd. De eieren zijn lichtblauw van kleur met donkere vlekken. Na 10 tot 12 dagen komen de eieren uit. Het vrouwtje broedt de eieren uit, het mannetje houdt de omgeving in de gaten en levert voedsel aan. Als de jongen geboren zijn dan krijgen ze hoofdzakelijk eiwitrijke insecten als voedsel. Na 13 tot 18 dagen vliegen de jongen uit. Ze worden dan nog ongeveer 2 weken bijgevoerd.

In stand houden van de populatie

Een bloemrijke omgeving is cruciaal voor het grootbrengen van de jongen. Nectarbloemen trekken immers insecten aan, het voedsel waar de jongen op worden grootgebracht. Belangrijkste redenen waarom nesten mislukken zijn dan ook een voedseltekort, aangestuurd door een insectenarme omgeving of door aanhoudende slechte weersomstandigheden. Daarnaast kan verstoring er ook voor zorgen dat een nest mislukt. Door verstoring kan het zijn dat de ouders onvoldoende voedsel aangevoerd krijgen, waardoor één of meerdere jongen het niet redden.

Essentieel is het voor de populatie distelvinken dat ieder paartje minimaal 2 en in sommige jaren 3 succesvolle legsels hebben. Niet alle jongen zullen volwassen worden en zelf ook aan broeden toekomen. Voor die tijd zal een deel van de nieuwe aanwas al uitgevallen zijn door verschillende redenen. Een deel van de jongen valt ten prooi aan predatoren (kiekendieven, boomvalken, huiskatten, etc.) en sommige komen om door voedselgebrek (op trek of doordat ze geen eigen territorium kunnen vinden).

Trekgedrag van de distelvink

De distelvink is een gedeeltelijke trekvogel. Een deel van de Nederlandse populatie blijft het hele jaar in ons land, terwijl andere distelvinken in de herfst en winter zuidelijker trekken of rondzwerven op zoek naar voedsel.

Vooral in de winter kunnen grote aantallen distelvinken worden gezien, soms aangevuld met vogels uit Noord- en Oost-Europa. Deze wintergroepen zwerven door het landschap en verzamelen zich op plekken waar veel zaden beschikbaar zijn.

In het voorjaar keren de trekkende distelvinken terug naar hun broedgebieden. De trekafstanden zijn over het algemeen beperkt en sterk afhankelijk van de weersomstandigheden en voedselbeschikbaarheid. Hierdoor verschilt het trekgedrag per jaar en per individu.

Distelvinken in de tuin

Distelvinken zijn steeds vaker bezoekers van tuinen, mits deze aan een aantal voorwaarden voldoen. Vooral groene tuinen met bloemen, kruiden en zaden worden bezocht. Daarnaast komen ze soms ook af op voedertafels, maar natuurlijke voedselbronnen zijn belangrijker voor ze.

Wil je dus distelvinken in je tuin, zorg dan eerst dat je de natuurlijke voedselbronnen op orde krijgt. Plant zaadplanten aan (of laat ze staan als ze spontaan opkomen), zoals grote kaardenbol, distels (zoals akkerdistel, kruisdistel en speerdistel), paardenbloemen, zonnebloemen, grote klit en teunisbloemen. Belangrijk hierbij is dat je uitgebloeide planten tot na de winter laat staan, zodat ze voldoende voedsel in de winter kunnen vinden. Zorg er dus voor dat je tuin niet te opgeruimd is. Als je planten gaat aanplanten, kies dan altijd voor biologische planten. Deze bevatten geen pesticiden en zijn dus niet giftig voor insecten en vogels!

Daarnaast kun je natuurlijk ook nog bijvoeren, zeker in de winterperiode. Distelvinken zijn gek op zonnebloempitten. Verder zou je ook nog een zadenmix kunnen aanbieden. Kies wederom voor biologisch vogelvoer, dan weet je zeker dat het de vogels niet schaadt!

Biedt het voer aan in een voedersilo of op een voedertafel. Heb je een wat grotere tuin? Maak dan meerdere voederplekken en kies rustige plekken uit waar je het voer aanbiedt. Zorg tot slot ook nog voor een aantal struiken en bomen in je tuin, zodat ze een veilige plek hebben.

Interessante weetjes

Tot slot hebben we nog een aantal interessante weetjes over distelvinken (putters) op een rijtje gezet:

  • Distelvinken zijn gespecialiseerd in het eten van zaden van composietplanten, zoals distels en kaardenbol, waar veel andere vogels moeilijk bij kunnen.
  • De soort zingt niet alleen vanaf een zangpost, maar laat ook regelmatig zijn zang horen tijdens de vlucht.
  • Juveniele distelvinken missen het kenmerkende rode masker en hebben een meer onopvallend bruin verenkleed.
  • Distelvinken vormen buiten de broedtijd vaak grote groepen, soms samen met andere vinkachtigen.
  • De naam putter is afgeleid van de heldere roep die distelvinken laten horen tijdens de vlucht.
  • Distelvinken profiteren sterk van natuurrijke tuinen en bloemrijke bermen.
  • In de winter kunnen distelvinken uit Noord- en Oost-Europa in Nederland overwinteren.

Veelgestelde vragen

Is de distelvink een standvogel?

De distelvink is een gedeeltelijke trekvogel. Een deel van de Nederlandse distelvinken blijft het hele jaar in ons land, terwijl andere vogels in de winter zuidelijker trekken of rondzwerven op zoek naar voedsel. In de winter worden Nederlandse vogels vaak aangevuld met distelvinken uit Noord- en Oost-Europa.

Wat eet een distelvink in de winter?

In de winter bestaat het voedsel van de distelvink vooral uit zaden. Vooral zaden van distels, kaardenbol, paardenbloem, zonnebloem en bomen zoals berk en els worden gegeten. Ook biologisch vogelvoer, zoals zonnebloempitten en nigerzaad, wordt in tuinen graag benut.

Wanneer broedt de distelvink?

Distelvinken broeden meestal van april tot en met juli. In deze periode kunnen zij twee, en soms zelfs drie legsels grootbrengen. De timing hangt sterk samen met het voedselaanbod en de weersomstandigheden.

Waarom zie ik distelvinken vaak in groepen?

Buiten de broedtijd zijn distelvinken sociale vogels die graag in groepen leven. Door samen te foerageren vergroten ze de kans op het vinden van voedsel en zijn ze beter beschermd tegen predatoren. In de winter kunnen deze groepen behoorlijk groot worden.

Hoe kan ik distelvinken naar mijn tuin lokken?

Distelvinken voelen zich vooral thuis in tuinen met veel bloeiende en zaaddragende planten. Door planten zoals kaardenbol, distels en paardenbloemen te laten staan, bied je een natuurlijke voedselbron. In de winter kun je dit aanvullen met biologisch vogelvoer, zoals zonnebloempitten of nigerzaad.

Wat is het verschil tussen een distelvink en een putter?

Er is geen verschil: distelvink en putter zijn twee namen voor dezelfde vogelsoort. De naam putter is afgeleid van de kenmerkende roep van de vogel, terwijl de naam distelvink verwijst naar het voedsel en leefgedrag.

Is de distelvink een beschermde vogel?

Ja, de distelvink is in Nederland een beschermde inheemse vogelsoort. Het is niet toegestaan om de vogels, hun nesten of eieren te verstoren, te vangen of te verhandelen.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Vink – Herkenning, zang, kenmerken & leefgebied

De vink is een van de algemeenste vogels van ons land en daardoor vergeten we soms hoe wonderschoon ze zijn (de Natuur van hier)

De eerste vink die je hoort in februari, terwijl de lucht nog koud is, is het teken dat de lente voor de deur staat. Dit kleine, compacte en kenmerkende zangvogeltje is een typisch beeld voor veel Nederlanders. Het is dan ook de meeste geziene vinkachtige van Nederland. In deze blog verdiepen we ons in de herkenning, de zang en gedrag van deze vrolijke vogels. Daarnaast vind je verderop in de blog een handige kenmerkentabel. Kortom: je komt alles te weten over de vink. Dus de volgende keer dat je een vogel ziet en je blik valt op de witte vleugelstrepen, dan weet je: dit is een vink.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Kenmerken van de vink

We beginnen met het beschrijven van de vink (vogel), ook wel bekend als botvink, bokvink of boekvink. De wetenschappelijke naam van de vink is Fringilla coelebs. De vink is de meest algemene vinkachtige in Nederland. Vooral het mannetje is een opvallende verschijning, zowel qua verenkleed als geluid. Vinken bereiken een lichaamslengte van ongeveer 15 centimeter en een spanwijdte van 25 tot 28 centimeter. Volwassen vogels wegen zo’n 21 gram.

De witte vleugelstrepen zijn een van de opvallendste kenmerken van vinken (de Natuur van hier)
De witte vleugelstrepen zijn een van de opvallendste kenmerken van vinken (de Natuur van hier)

Snavel

Opvallend bij de vink (en vele andere vinkensoorten) is de korte, dikke en kegelvormige snavel. Deze krachtige snavel gebruiken ze om zaden open te breken, die boordevol zitten met eiwitten, vetten, vezels en mineralen. De snavel is grijs van kleur en hoewel deze gemaakt is om zaden open te breken, is deze tijdens de broedperiode ook verrassend handig voor insecten.

Vinken hebben net zoals andere in de familie een grote, stevige snavel (de Natuur van hier)
Vinken hebben net zoals andere in de familie een grote, stevige snavel (de Natuur van hier)

Verenkleed man

Vooral de mannetjes van de vinken zijn een opvallende verschijning. Net zoals bij veel andere vinkensoorten is er bij de vink ook sprake van seksuele dimorfisme: mannetjes en vrouwtjes van dezelfde soort verschillen duidelijk van elkaar in verenkleed. Het mannetje vink herken je onder andere aan het blauw-grijsachtige petje en oranje borst en wangen. In het voorjaar, tijdens de broedperiode, is het blauwgrijze petje feller dan de rest van het jaar. Ze hebben daarnaast zwarte staartveren, behalve de opvallende buitenste staartpen, deze is wit. De rest van het lichaam is overwegend bruin gekleurd.

Verenkleed vrouw

Het vrouwtje vink ziet er dus anders uit dan het mannetje vink. Vinkenvrouwtjes hebben een veel bruiner en opvallender verenkleed dan het mannetje vink. Het belangrijkste kenmerk om een vrouwtjesvink te herkennen zijn de twee witte vleugelstrepen. Hiermee zijn ze goed te onderscheiden van andere bruine vogels. De onderzijde van het verenkleed is grijsbruin gekleurd, de bovenzijde is donkerder, meer olijfgroen van kleur.

Het vrouwtje vink heeft een duidelijk ander verenkleed dan mannetje vink (de Natuur van hier)
Het vrouwtje vink heeft een duidelijk ander verenkleed dan mannetje vink (de Natuur van hier)

Adult vink vs. juveniel vink

Ook tussen juveniele vinken en adulte vinken zijn er duidelijke verschillen op te merken. Zo is er een duidelijk kleurenverschil in verenkleed. Volwassen dieren zijn veel helderder en contrastrijker gekleurd. Jonge dieren hebben vaak een vaal en gestreept verenkleed, waardoor ze minder opvallen en minder gauw gezien worden door predatoren.

Daarnaast ontbreekt bij juveniele vinken de kop- en borsttekening en zijn de kenmerkende vleugelstrepen valer. Ook de snavel is bleker van kleur. Een jonge vink is daarnaast te herkennen aan het gedrag: bedelen (snel en kort met de vleugels slaan) bij de ouders om voedsel. In de overgang naar het eerste winterkleed kunnen jonge dieren sterk op vrouwtjes lijken, omdat ze dan al een deel van het volwassen kleed ontwikkeld hebben.

Vluchtbeeld

Ook in vlucht zijn er een aantal kenmerken waarop je vinken gemakkelijk kunt herkennen. Zo vallen vooral de witte vleugelstrepen in vlucht op. Daarnaast zijn de buitenste staartpennen ook wit, de rest van de staartveren zijn zwart. Door deze twee duidelijke kenmerken zie je een vink al van ver aankomen.

In onderstaande tabel vind je de belangrijkste kenmerken van de vink overzichtelijk bij elkaar.


Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Vink
Wetenschappelijke naam Fringilla coelebs
Kenmerken Mannetje roodbruine borst en blauwgrijze kop, wit in vleugels; vrouwtje grijzer/bruiner
Zang Korte, felle “pink pink” roep; zang met vaste slottriller (vinkenslag)
Habitat Groene gebieden met beschutte plekken en voedsel
Broeden in NL Uiterst talrijk
Broedparen 400,000-500,000

Zang en roep

Naast het verenkleed zijn vinken (en vogels in het algemeen) natuurlijk ook te herkennen op zang en geluid. De zang van de vink is het beste te omschrijven als een zachte, energieke en aflopende strofe. De zang eindigt vrijwel altijd met de typische vinkenslag. Meestal begint de zang met een aantal snelle, rollende tonen dat vervolgens afloopt in toonhoogte. De zang eindigt met een fel en ritmisch trillertje. De zang is meestal al vanaf half februari te horen en gaat vaak door tot in juni.

Vink zang (Xeno Canto – Mannuel Grosselet)

De meest gebruikte roep van de vink klinkt als een metaalachtig “pink!”. De roep van de vink is vaak te horen vanuit een struik of boom in een tuin of park, of in de bosranden. In vlucht heeft de vink een iets andere roep, deze is zachter en klinkt meer als “tsjip”. Tijdens vlucht kunnen ze op deze manier met elkaar blijven communiceren. Wil je meer vogelgeluiden leren herkennen van algemene tuinvogels? Lees (en luister) dan deze blog!

Vink roep (Xeno Canto – Mannuel Grosselet)

Gedrag

Vinken zijn levendige en aanwezige zangvogels. Vanaf half februari zingt het mannetje volop, waarmee deze zijn territorium verdedigt. Andere mannetjes die in het territorium van een zingend mannetje terecht komen weten op deze manier dat dit territorium al bezet is. Als het tweede mannetje niet meteen zal vertrekken na het horen van de zang, dan schuwt het eerste mannetje niet om het tweede mannetje actief te verjagen.

Paargedrag en nestbouw

Met de typische zang probeert het mannetje het vrouwtje te verleiden. Daarnaast gebruikt hij zijn opvallende rode/oranje borst om het vrouwtje te verleiden. Door deze op te zetten laat het mannetje aan het vrouwtje zien hoe sterk en gezond hij is. Door subtiele lichaamstaal weet het mannetje of het vrouwtje bereid is om te paren (lees hier hoe vogels paren).

Het vrouwtje bouwt hoofdzakelijk het nest. Ze maakt een komvormig nestje met behulp van gras, kleine takjes, mos, haren van zoogdieren en veren van andere vogels. Het nest wordt gemaakt in een dichte struik of boom. Dit is ook de plek waar vinken een veilig plekje vinden om te slapen.

Vinken foerageren graag op de grond (de Natuur van hier)
Vinken foerageren graag op de grond (de Natuur van hier)

Foerageergedrag en voedselkeuze

Vinken foerageren veel op de grond. Hier zoeken ze, al hippend op en neer, naar zaden van planten, struiken en bomen en in tuinen naar vogelvoer. In het voorjaar eten vinken meer insecten, deze bevatten veel eiwitten en zijn daarom dus een goede energiebron voor de jongen. Ook kunnen de ouders zelf in deze drukke tijd de eiwitten goed gebruiken. In de winter eten ze vooral knoppen en zaden van planten, struiken en bomen. In tuinen komen vinken af op vogelvoer zoals zonnepitten en gemengd strooivoer.

In de winter laten vinken hun territorium los en zoeken ze elkaar op. Ze vormen dan samen met andere vinkachtigen (zoals groenlingen, sijzen, kepen en distelvinken) grote groepen. Gezamenlijk zoeken ze dan naar voedsel op akkers. Hier zijn vaak nog oogstresten te vinden, of foerageren ze op speciaal ingerichte akker (met overstaande zaden en zaadvormende kruiden). Ook in bosranden, houtwallen, parken en groene tuinen wordt gezamenlijk naar voedsel gezocht.

Het samentrekken in groepen doen vinken om verschillende redenen. In groepen zijn ze minder kwetsbaar voor roofvogels zoals kiekendieven. Ze kunnen daarnaast sneller voedsel vinden en verspillen minder energie tijdens het vinden van voedsel, doordat ze samen rusten en opvliegen.

Buiten het broedseizoen leven vinken vaak in grote gropen, vaak met andere soorten zoals distelvinken en keepen
Buiten het broedseizoen leven vinken in grote groepen, vaak met andere soorten zoals distelvinken en keepen (de Natuur van hier)

Waarneming uit het veld

Deze grote groep met vinken zagen we in november op een niet geoogste akker, aan de rand van een natuurgebied. Het was een enorm grote groep van naar schatting 400 zangvogels, bestaande uit vinken, kepen en distelvinken (putters). Op de akker waren nog volop zaden te vinden van granen, kruiden en cultuurgewassen, waar deze vinkachtigen dankbaar gebruik van maakte. Verderop was een torenvalk aan het jagen (boven dezelfde akker) en niet veel later dook er kort een vrouwtje blauwe kiekendief op. De aanwezigheid van de kiek zorgde voor paniek onder de zangvogels en duiven, maar na een aantal jachtvluchten vertrok de blauwe kiekendief weer. Het in groepsverband zoeken naar voedsel van de vinkachtige betaalde zich hier uit: samen zijn vinkachtigen alerter en beter beschermd tegen jagende roofvogels dan wanneer ze alleen zouden foerageren.

Leefgebied en verspreiding

De vink is in Nederland een zeer algemene broedvogel. Ze komen voor in veel verschillende leefgebieden. De belangrijkste voorwaarden zijn dat er veel bomen en struiken zijn en er voldoende voedsel te vinden is. Voorbeelden van leefgebieden zijn tuinen, parken en bosranden.

Typische leefgebieden

Vinken leven dus in gebieden waar veel groen te vinden is. Veel mensen kennen de vink als tuinvogel. Belangrijke eis om een vink in je tuin te zien is wel dat dit een groene tuin is met veel struiken en het liefst ook één of meerdere bomen (lees hier hoe je een boom aanplant en hier vind je meer tips voor inheemse struiken).

Naast tuinen vind je vinken ook in parken en op landgoederen waar vaak veel oude bomen te vinden zijn. Verder houden vinken zich ook op in bossen en bosranden. Dit gaat dan hoofdzakelijk om loof- en gemengde bossen. Ook zijn vinken (soms) in het agrarisch landschap te vinden. Een vereiste is dan wel dat er voldoende houtwallen, (struweel)hagen en bomen te vinden zijn.

Tot slot zijn vinken ook in overgangszones te vinden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan overgang van bosrand naar het open veld of van park naar grasland. Vaak is in deze overgangszones het meeste voedsel te vinden en is er voldoende dekking.

Regionale verspreiding binnen Nederland

De vink is zeer talrijk in Nederland, maar er zijn wel duidelijke regionale verschillen zichtbaar. Zo is de vink algemener in het oosten van ons land en is deze duidelijk minder aanwezig in de open polders en verstedelijkte omgevingen met te weinig groen. Op onderstaande kaart van SOVON is de verspreiding in Nederland goed zichtbaar.

Seizoensverschillen in leefgebied

Het leefgebied van de vink is daarnaast ook seizoensafhankelijk. In het voorjaar en de zomer zijn vinken territoriaal en verdedigen ze hun eigen plekje in een bosrand, park of tuin. In het najaar laten ze het territorium (tijdelijk) los en houden ze zich steeds meer op in grotere groepen met soortgenoten en andere vinkachtigen. Gezamenlijk zoeken ze dan naar voedsel in open terreinen, akkers en ruigtes.

Europese verspreiding

In Europa is de vink ook goed vertegenwoordigd. De vink komt voor in grote delen van West-Europa en tot ver in Oost-Europa. Vinken die in Noord-Europa broeden trekken in de winter (deels) naar het zuiden. Soorten die zuidelijker broeden zijn over het algemeen standvogels.

Habitatseisen

Samenvattend kunnen we dus stellen dat er een aantal habitatseisen zijn waaraan het leefgebied van een vink moet voloden:

  • De aanwezigheid van voldoende bomen en struiken: om te gebruiken als zangpost, beschutting en om een nest in te maken.
  • Voldoende open plekken: om te kunnen foerageren, vinken foerageren vaak op de grond.
  • Rustige plekken: tijdens het broedseizoen.

Als een tuin of gebied aan deze voorwaarden voldoet dan is de kans groot dat een vink zich er zal vestigen. Op deze manier kunnen vinken dus ook profiteren van het menselijk landschap, wanneer tuinen groen worden ingericht en er in steden voldoende parken en landgoederen te vinden zijn. Ook de aanleg van landschapselementen zoals gemengde hagen kan hier een positieve bijdrage aan leveren.

Groene tuinen zijn een geschikt leefgebied voor vinken (de natuur van hier)
Groene tuinen zijn een geschikt leefgebied voor vinken (de Natuur van hier)

Voortplanting

Vinken zijn een van de talrijkste broedvogels van ons land. Over het algemeen geldt: hoe groener de omgeving, hoe meer vinken er zullen broeden. In dit hoofdstuk bespreken we de voortplanting van de vink in Nederland.

Broedseizoen

Er wordt over het algemeen gebroed vanaf half maart tot uiterlijk half juli. De mannetjes zijn dan al vaak in februari te horen met hun bekende vinkenslag om hun territorium af te bakenen en om vrouwtjes te verleiden. Het broedseizoen van de vinken is afgestemd op het insectenaanbod. Ze weten het zo te timen dat wanneer de jongen uit het ei komen er voldoende insecten te vinden zijn om de jongen te voorzien van de nodige eiwitten.

Het nest van de vink

Als nestplaats wordt meestal een (oude) boom of stevige struik uitgekozen staande in een bosrand, park of tuin. Op een hoogte tussen de 1 en 5 meter wordt goed verscholen een compact, maar stevig nestje gemaakt.

Vaak wordt de vork (splitsing van twee takken) van een boom of struik als basis genomen. Met behulp van takjes, gras, mos, veren en haren van andere dieren maakt (hoofdzakelijk) het vrouwtje een compact nest. Door het groene mos in het nest, de compacte vorm en de bladeren aan de bomen is het nest nauwelijks zichtbaar voor mensen en predatoren (zoals bijvoorbeeld huiskatten, kraaien of eekhoorns).

Dieren zoals eekhoorns, kraaien en huiskatten kunnen niet goed verscholen nesten van de vink roven (de Natuur van hier)
Dieren zoals eekhoorns, kraaien en huiskatten kunnen niet goed verscholen nesten van de vink roven (de Natuur van hier)

Legsel, broeden en jongen

Meestal heeft een vinkenpaar 1 legsel per seizoen maar soms 2. Er worden zo’n 3 tot 5 eieren gelegd per legsel. De eieren zijn glad en licht glanzen en kunnen sterk variëren qua kleur. In 10 tot 14 dagen worden de eieren door het vrouwtje uitgebroed.

De jongen zijn nestblijvers en blijven zo’n 12 tot 15 dagen op het nest. In deze tijd worden ze vooral, door man en vrouw, rupsen gevoerd. Na het uitvliegen blijven de jongen nog weken bij de ouders.

Tijdens de broedperiode krijgen de jongen vinken hoofdzakelijk insecten zoals rupsen gevoerd. Deze zijn eiwitrijke en bevorderen de groei. Later in het seizoen zullen ze steeds meer overstappen op een dieet wat meer uit zaden bestaat.

Verstoringsgevoeligheid

Het broedseizoen is voor vogels de belangrijkste én drukste periode van het jaar. Ze moeten in deze periode niet alleen voor zichzelf zorgen, maar hebben ook een aantal jongen groot te brengen. Dit zorgt ervoor dat vinken ieder uur daglicht in deze periode dienen te benutten en verstoring kan dan ook al gauw fatale gevolgen hebben voor één of meerdere jongen.

Het is dan ook absoluut aan te raden om tijdens het broedseizoen (van half maart tot half juli) geen snoeiwerkzaamheden uit te voeren en zoveel mogelijk andere manieren van verstoring te beperken. Snoei dus geen struiken en bomen in deze periode. En weet je of er ergens vinken zitten te broeden? Vermijd deze plek dan zoveel mogelijk voor een tijdje, zodat ze in alle rust kunnen zorgen voor de jongen.

De meeste vinken die broeden in Nederland zijn standvogels, maar een deel trekt ook naar het zuiden (de Natuur van hier)
De meeste vinken die broeden in Nederland zijn standvogels, maar een deel trekt ook naar het zuiden (de Natuur van hier)

Trekgedrag

De vink is in Nederland grotendeels een standvogel. Een klein deel van de vinken trekt echter wel weg in de winter, dit verschilt dus per populatie. Vinken die broeden in Noord- en Oost-Europa zijn wel meer uitgesproken trekvogels. Een deel hiervan brengt de winter ook in Nederland door. Nederlandse vinken die trekken, trekken over het algemeen niet heel ver naar het zuiden.

Tijdens de najaarstrek kunnen in september en oktober trekkende vinken worden waargenomen. De trek gebeurt vooral in grote groepen, vaak samen met andere vinkachtigen, gorzen en soms ook lijsters.

Vinken die overwinteren in Nederland vertonen iets ander gedrag dan tijdens het broedseizoen. Territoria worden minder/niet verdedigd en individuen zoeken vaak de bescherming van grote groepen op. In deze periode wordt er ook gezamenlijk in grote groepen gefoerageerd op akkers en in bosranden.

Vanaf half februari zoeken overwinteraars weer hun territorium op en komen trekvogels langzaam weer terug (voornamelijk in maart en april). Zo raken langzaam alle territoria weer gevuld en begint er weer een nieuw broedseizoen.

Vinken in de tuin

De vink is een graag gezien tuingast, mits je tuin goed is ingericht voor vinken. Vinken houden van tuinen waarin veel groen te vinden is, het liefst gelegen aan de rand van een dorp of in de buurt van een park. Te veel versteende tuinen en omgevingen worden gemeden door vinken.

Heb je nog geen vink in je tuin, maar wil je deze wel graag zien als tuinvogel? Plant dan inheemse struiken zoals meidoorn, sleedoorn, gewone vlier of hazelaar. Of plant een inheemse boom zoals veldesdoorn of boswilg. Via Sprinklr zijn deze struiken en bomen te verkrijgen. Deze zijn biologisch gekweekt, dus vrij van pesticiden waardoor deze niet giftig zijn voor insecten (en dus ook niet voor vinken).

Zorg er daarnaast ook voor dat er voldoende inheemse planten in je tuin staan. Deze trekken insecten aan, die belangrijk zijn als voedsel voor vinken in de broedperiode. Ook een gemengde haag van inheemse soorten zorgt voor meer insecten in je tuin.

Naast aanplanten van inheemse planten, struiken en bomen is het ook belangrijk om een of meerdere open plekjes te behouden in de tuin. Vinken foerageren namelijk graag op de grond. Op deze open plek (of op een voedertafel) kun je eventueel ook vogelvoer bijvoeren. Voer biologisch vogelvoer en ga voor gemengde zaden (eventueel gemengde met zonnepitten en granen). Gemengd vogelvoer en zonnepitten zijn biologisch verkrijgbaar bij Vivara. Met je aankoop draag je ook nog eens bij aan verschillende groene projecten verspreid door heel Europa! Zorg ervoor dat voeder plekken altijd schoon zijn en vrij van schimmels!

Gedrag van vinken in de tuin

Omdat de vink een veel voorkomende tuinvogel is, kun je verschillende soorten gedrag observeren van deze vogel. Zo kun je vinken foeragerend op de grond waarnemen. In het voorjaar maak je kans op een luid zingend mannetje, vanuit een hoge zangpost in je tuin.

Ook kan een vink natuurlijk in je tuin gaan broeden. Vinken broeden niet in nestkasten maar in een dichte struik of boom. Snoei daarom niet tijdens het broedseizoen (half maart-half juli). Katten kunnen een gevaar vormen voor broedende vinken. Maak je tuin dus onaantrekkelijk voor katten. Gebruik tot slot geen pesticiden in je tuin, dit is ook giftig voor vinken en andere vogels!

Welk gedrag van vinken heb jij gezien in je tuin? Laat het ons weten onderaan deze blog in de comments, of tag ons op Facebook of Instagram. Wij zijn erg benieuwd naar jouw verhaal!

Veelgestelde vragen

Hoe herken ik een man en of vrouw van de vink?

Het mannetje heeft een roodbruine borst en een blauwgrijze kop. Het vrouwtje is grijzer en bruiner, maar heeft net als het mannetje twee witte vleugelstrepen.

Wat eet de vink het liefst?

Vinken eten vooral zaden, granen en noten. In het voorjaar schakelen ze over op insecten, die belangrijk zijn voor het grootbrengen van de jongen.

Zie je vinken ook in de winter?

Ja, veel vinken blijven ’s winters in Nederland. Ze zijn dan vaak in groepen te zien op akkers, bosranden en in tuinen.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Vinken in Nederland: complete gids met soorten, herkenning & zang

Kneu (de Natuur van hier)

Vinken komen in allerlei vormen en kleuren voor. De familie van de vinkachtigen telt wereldwijd meer dan 180 soorten, waarvan er ongeveer 13 in Nederland voorkomen. Het zijn stuk voor stuk herkenbare zangvogels met een stevige, kegelvormige snavel en vaak een opvallende en melodieuze zang.

In deze uitgebreide gids bespreken we alle vinkensoorten die in Nederland voorkomen, inclusief kenmerken, zang, leefgebied en verspreiding. Verderop vind je per soort een overzichtelijke tabel met de belangrijkste kenmerken én handige tips om ze in het veld te herkennen.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Wat zijn vinken?

De vinkachtigen zijn een familie in de orde van de zangvogels, waar onder andere de vinken, sijzen, kruisbekken en kanaries tot behoren. Wereldwijd zijn er meer dan 180 soorten vinkachtigen, in Nederland komen er ongeveer 13 soorten voor.

Een opvallend kenmerk bij veel vinken is de (in verhouding) grote en krachtige snavel. Deze is vaak kort en kegelvormig. De krachtige snavel gebruiken ze om (overwegend) zaden te eten. Naast zaden wordt het menu door veel soorten aangevuld met insecten en bessen.

Daarnaast zijn veel vinken soorten goede zangers. Vaak hebben ze een krachtige en melodieuze zang met verschillende tonen en trillers. Soorten als de vink, sijs, groenling en distelvink staan bekend om hun gevarieerde en vaak uitbundige zang.

De gewone vink is veruit de bekendste en algemeenste vinkensoort in Nederland (de Natuur van hier)
De gewone vink is veruit de bekendste en algemeenste vinkensoort in Nederland (de Natuur van hier)

Alle vinken in Nederland (overzicht)

Hieronder vind je een overzicht van alle in Nederland voorkomende vinkensoorten. Bij elke soort bespreken we kenmerken, zang, voedsel, broeden en leefgebied. Op de soortpagina’s vind je per soort ook nog een uitgebreide tabel met alle kenmerken per soort.

Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Status Grootte Korte herkenning Soortpagina
Vink Fringilla coelebs Standvogel / trekvogel 14–16 cm M: blauwgrijze kop, oranje borst
Keep Fringilla montifringilla Wintergast 14–16 cm Oranje borst, zwarte kop (broedkleed)
Distelvink (Putter) Carduelis carduelis Standvogel 12–13 cm Rood gezicht, gele vleugelstrepen
Kneu Linaria cannabina Standvogel / broedvogel 13–15 cm M: rode borst; V: bruin
Groenling Chloris chloris Standvogel 15 cm Groengeel, dikke snavel
Appelvink Coccothraustes coccothraustes Standvogel 17–18 cm Zeer dikke snavel, massieve kop
Goudvink Pyrrhula pyrrhula Standvogel 14–16 cm M: fel oranje borst; V: grijziger
Sijs Spinus spinus Standvogel / wintergast 11–12 cm Geelgroen, zwarte kop (man)
Kruisbek Loxia curvirostra Standvogel / invasievogel 16–17 cm Kruisende snavelpunten
Roodmus Carpodacus erythrinus Trekkende broedvogel 13–15 cm M: framboosrood; V: bruin
Europese kanarie Serinus serinus Broedvogel / standvogel 11–12 cm Klein, geelgroen, fijne zang
Kleine barmsijs Acanthis cabaret Standvogel / wintergast 11–12 cm Gestreept, rood petje

Vinken herkennen

De vinken zijn kenmerkende vogels, die onderling weliswaar van elkaar verschillen, maar toch een aantal gezamenlijke kenmerken dragen. Op basis van deze kenmerken zijn vinken in het veld gemakkelijk te onderscheiden van andere zangvogels zoals gorzen en mezen.

Uiterlijke kenmerken

Vinken hebben een stevige kop met krachtige kaakspieren en een korte, kegelvormige snavel. Hiermee zijn ze in staat om harde zaden te kraken, een van de voornaamste voedselbronnen van veel vinkensoorten. Verder hebben de meeste vinken een compact lichaam, met een een lichaamslengte van 11 tot 18 centimeter en een spanwijdte tussen de 18 en 33 centimeter.

De meeste soorten vinken hebben een kleurrijk verenkleed, met duidelijke patronen op de vleugel of op de staart. Voorbeelden van vinken met een kleurrijk verenkleed zijn vink, groenling en appelvink. Daarnaast is er bij de meeste vinkensoorten sprake van seksueel dimorfisme: mannetjes en vrouwtjes van dezelfde soort verschillen duidelijk van elkaar in verenkleed. Over het algemeen hebben de mannetjes een wat feller en kleurrijker verenkleed en zijn vrouwtjes wat bruiner en doffer gekleed. Meest logische verklaring voor het onderlinge verschil is zodat vrouwtjes dan minder goed opvallen in de vegetatie als ze gaan broeden.

Voorbeelden van vinken waarbij seksuele dimorfisme duidelijk zichtbaar is zijn de vink en de goudvink. Bijappelvinken is het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes dan weer veel minder duidelijk.

Distelvinken zijn kleurrijke vogels (de Natuur van hier)
Distelvinken zijn, net zoals veel andere vinkensoorten, kleurrijke vogels (de Natuur van hier)

Zang en roep

Naast dat vinken er over het algemeen kleurrijk uitzien, hebben ze vaak ook een krachtige en melodieuze zang. Dit is vaak een rollende of snelle zang, met een bekende strofe erin (zoals de vinkenslag). Ondanks dat ze vrijwel allemaal een uitbundige zang hebben, zijn ze voor het geoefend oor goed uit elkaar te houden en daardoor heel goed op geluid te determineren.

De zang is vaak uitbundig en melodieus, maar naast de zang gebruiken vinkensoorten ook contactroepjes en alarmroepjes om met elkaar te communiceren. Dit zijn over het algemeen korte en krachtige roepjes die ze gebruiken om elkaar te waarschuwen of om met elkaar te communiceren.

Voedsel

De meeste vinkensoorten zijn uitgesproken zaadeters. Evolutionair zijn ze hier ook op aangepast met hun grote, krachtige snavel. Hiermee kunnen ze hardere zaden kraken dan de meeste andere zangvogels. Zaden van grassen, kruiden, cultuurgewassen, struiken en bomen worden allemaal gegeten.

Naast zaden pakken sommige soorten zo nu en dan ook insecten. Dit doen ze met name in de broedperiode wanneer de vraag naar eiwitten het hoogste is. Ze pikken dan insecten, larven, rupsen, bladluizen, etc. van de bladeren in de struiken en bomen en gebruiken deze hoofdzakelijk om aan de jonge dieren te voeren, om groei te stimuleren. Zelf kunnen de ouderdieren in deze drukke periode ook wat extra eiwitten gebruiken.

In het najaar worden er aanvullend door een aantal soorten ook bessen, knoppen en soms zelfs andere plantdelen gegeten. Het menu van vinken verschilt erg per seizoen en ze eten vooral wat er beschikbaar is.

In de winter kun je grote groepen (een paar honderd stuks, soms zelfs meer) vinken bij elkaar zien, die zich verzameld hebben op wintervoedselakkers. Buiten de broedperiode zijn ze minder territoriaal en zoeken ze elkaar op. Op deze manier zijn ze goed beschermd tegen predatoren en zoeken ze gezamenlijk voedsel op de akkers. In deze groepen zie je vaak verschillende soorten vinken zoals: vinken, keepen, groenlingen en distelvinken.

Een groep met verschillende soorten vinken heeft zich verzameld boven een wintervoedselakker. In deze groep vind je vinken, keepen en distelvinken (de Natuur van hier)
Een groep met verschillende soorten vinken heeft zich verzameld boven een wintervoedselakker. In deze groep vind je vinken, keepen en distelvinken (de Natuur van hier)

Leefgebieden van vinken

De verschillende soorten vinken in Nederland maken gebruik van diverse leefgebieden in het Nederlandse landschap. Zo zijn er soorten, zoals de appelvink, die hoofdzakelijk in loofbos leven. Andere soorten, zoals sijzen en kruisbekken komen meer voor in naaldbossen. Vinken, goudvinken en groenlingen komen daarnaast ook voor in groene tuinen en parken met veel struiken. Invasiesoorten zoals kruisbekken kunnen daarnaast ook in heideterreinen met veel naaldbomen voorkomen. Ook het rivierenlandschap kan een geschikt leefgebied zijn voor een aantal soorten als er een goede afwisseling te vinden is van uiterwaarden, struwelen, wilgen- en elzenbosjes.

Ook zijn er een aantal soorten regelmatig in agrarisch gebied terug te vinden. Kneu, distelvink, groenling en keepen zijn soorten die (in sommige seizoen) veelal in het cultuurlandschap aanwezig zijn, vaak op zoek naar voedsel.

Vinken in de tuin

Ook zijn er een aantal soorten graag geziene tuingasten. Ze komen vooral in de herfst en de winter naar tuinen, wanneer ze in hun directe omgeving minder voedsel kunnen vinden. Ze komen vooral af op zaden, zoals zonnepitten en gemengd strooivoer. Gebruik biologisch vogelvoer om te voorkomen dat vogels pesticiden binnen krijgen Hiervan kunnen ze ziek worden of zelfs dood gaan als ze teveel van bepaalde pesticiden binnen krijgen. Biologisch vogelvoer is hier te bestellen bij Vivara. Met je aankoop draag je ook nog eens bij aan natuurbeschermingsprojecten in heel Europa!

Veel soorten vinken foerageren graag op de grond. Strooi dus wat strooivoer en/of zaden op de grond en doe wat in een voederhuis. Sommige soorten eten ook uit voedersilo’s. De vinken zullen er als eerste op af komen, ook groenlingen zullen in de gaten hebben dat je voer aanbiedt. Bij voedselschaarste kunnen ook keepen, sijzen en distelvinken je tuin bezoeken.

Een aantal vinkensoorten zijn ook graag geziene tuingasten. Zo kun je de vink, distelvink (puttter) en groenlingen geregeld in tuinen zien.
Een aantal vinkensoorten zijn ook graag geziene tuingasten. Zo kun je de vink, distelvink (puttter) en groenlingen geregeld in tuinen zien.

Het belang van een groene tuin voor vinken

Naast vogelvoer aanbieden is het ook belangrijk om je tuin op de juiste manier in te richten voor vinken en andere vogels. Vinken houden niet van strak onderhouden tuintjes, maar van groene tuinen met veel planten, struiken en bomen. Plant zaadplanten zoals kruldistel en grote kaardebol en plant zaaddragende struiken en bomen zoals vlier, meidoorn, berk en els voor voldoende zaden in het najaar. Veel planten en struiken zijn te bestellen bij Sprinklr. Dit is allemaal biologisch gekweekt en dus niet schadelijk voor de vogels.

Zorg voor inheemse planten die zaad vormen in je tuin, hier houden vinken van (de Natuur van hier)
Zorg voor inheemse planten die zaad vormen in je tuin, hier houden vinken van (de Natuur van hier)

Trekgedrag van vinken

Qua trekgedrag zijn de vinken die te zien zijn in ons land een gevarieerde groep. Er zijn echte standvogels zoals de kneu en appelvink. Daarnaast zijn er ook soorten die deels standvogel zijn, maar ook deels zuidelijk trekken zoals distelvink, vink en groenling. De roodmus is een echte trekvogel en trekt helemaal naar India. Maar er zijn ook soorten die in de winter (gedreven door voedselschaarste) massaal naar ons land komen. Deze vogels noemen we invasievogels en zien we veel bij sijs en kruisbek.

Verschil voor- en najaarstrek

Vogels trekken in het voor- en najaar, maar wist je dat deze twee trekbewegingen erg van elkaar verschillen? Dit geldt ook voor de soorten vinken die je tijdens de voorjaarstrek of najaarstrek ziet.

In het voorjaar trekken vinken en andere vogels in smallere, geconcentreerde stromen, waardoor de trek minder lang en opvallend is. De najaarstrek is de tijd waarin vogels weer vertrekken veel langer uitgestrekt. Daarnaast zijn er meer jonge vogels waardoor er simpelweg meer te zien is. Ook zijn de groepen dan vaak groter, wat spectaculaire beelden oplevert. Als het koud genoeg wordt in het noorden hebben we tijdens de najaarstrek ook meer kans op invasies van soorten zoals barmsijzen, kruisbekken, sijzen en keepen.

Vinken op trek herkennen
Wil je vinken op trek gaan spotten, dan zijn er een aantal dingen om rekening mee te houden. Ga op een open plek staan, het liefst hoog in het landschap, of zoek een trektelpost op. Denk aan duintoppen, uitkijkheuvels en dijken. Let op hoog overvliegende vogels die vaak in groepjes of in stromen voorbij komen. En leer de verschillende geluiden die alle soorten maken goed uit je hoofd, zo ga je veel meer zien. Ga het liefst vroeg in de ochtend en vergeet zeker je verrekijker niet!

Bescherming & bedreigingen

Hoewel de meeste vinkensoorten in Nederland nog stabiele populaties hebben, staan ze wel onder druk door veranderingen in hun leefgebied. Intensieve landbouw zorgt voor minder zaden, kruidenrijke akkerranden en struikgewas, waardoor soorten als kneu, groenling en barmsijs afnemen. Ook het verdwijnen van heggen, bosranden en struweelzranden maakt het moeilijker om geschikte broedplekken te vinden.

Daarnaast spelen predatie, ziektes en botsingen met ramen een rol. In de winter kunnen koude perioden leiden tot extra sterfte. Bescherming bestaat vooral uit het behouden en herstellen van natuurvriendelijke tuinen, hagen, struweelranden, zaaddragende planten, wintervoedselakkers en rustige broedgebieden. Door gevarieerde beplanting en minder bestrijdingsmiddelen kunnen zowel tuinen als landbouwgebieden een belangrijk toevluchtsoord voor vinken blijven.

Veelgestelde vragen over vinken in Nederland

Hoeveel vinkensoorten komen er voor in Nederland?

In Nederland worden jaarlijks ongeveer 13 soorten vinkachtigen gezien. Een aantal daarvan broedt hier (zoals vink, distelvink en groenling), terwijl andere soorten vooral doortrekker of wintergast zijn (zoals keep, barmsijs en kruisbek).

Wat is het verschil tussen een vink en een distelvink?

De gewone vink heeft een oranjerode borst, blauwgrijze kop (mannetje) en duidelijke witte vleugelstrepen. De distelvink is veel kleurrijker, met een rood gezicht, zwart-witte kop en felgele vleugelstrepen. Ook de zang van de distelvink is sneller en vrolijker dan de vinkenslag.

Welke vinkensoort hoor je het vaakst zingen in Nederland?

De vink is veruit de meest algemene zanger. Van februari tot juni is hij vrijwel overal te horen. Groenlingen en kneuen zingen ook veel, maar komen minder algemeen voor in tuinen.

Welke vinken zie je het vaakst in de tuin?

De drie meest voorkomende tuinsoorten zijn: vink, groenling en distelvink. Sijzen verschijnen vooral in de winter, afhankelijk van de hoeveelheid berken- en elzenzaad.

Waarom zie ik ’s winters soms grote groepen keep, sijs of barmsijs?

Dat zijn invasiesoorten: hun aantallen wisselen sterk per jaar, afhankelijk van voedselbeschikbaarheid in Noord- en Oost-Europa. In sommige winters zijn ze massaal aanwezig.

Wat eten vinken en andere vinkachtigen?

Het grootste deel van hun dieet bestaat uit zaden. In het voorjaar schakelen veel soorten over op insecten, omdat die meer eiwitten bevatten en belangrijk zijn voor de jongen.

Hoe kan ik vinken aantrekken in mijn tuin?

Plant inheemse struiken (zoals meidoorn en lijsterbes), laat vaste planten in zaad schieten en voer bij met zonnebloempitten of een zadenmix. Een rustige, groene tuin is ideaal voor vinken.

Welke vinkensoorten broeden in Nederland?

Broedvogels zijn onder andere de vink, distelvink, groenling, kneu, sijs en goudvink. Keep, barmsijs, kruisbek en grote kruisbek broeden hier niet structureel.

Wat is het verschil tussen een kruisbek en een grote kruisbek?

De grote kruisbek is groter, zwaarder gebouwd en heeft een stevige, diepe snavel. Zijn roep klinkt lager. De grote kruisbek is een zeldzame invasievogel, terwijl de gewone kruisbek vrijwel jaarlijks aanwezig is.

Wat is de zeldzaamste vink in Nederland?

De Europese kanarie, roodmus en grote kruisbek behoren tot de zeldzaamste soorten die in Nederland worden gezien.

Hoe herken ik het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes vinken?

Bij de meeste soorten zijn mannetjes fel gekleurd (rood, geel, blauw, groen tinten), terwijl vrouwtjes meer bruin of beige zijn. Bij sijzen zijn vrouwtjes sterk gestreept, terwijl het mannetje een zwarte kap heeft.

Waarom zingen vinken?

Vinken zingen om hun territorium af te bakenen, een partner aan te trekken en contact te houden met soortgenoten. De zangperiode loopt van februari tot juni, al zingen sommige soorten ook in de winter.

Meer lezen per soort

Wil je meer lezen over een specifieke vinkensoort? Ga dan via onderstaande link naar de betreffende soortpagina. De soortpagina’s zijn nog in aanbouw, dus het is nog niet mogelijk om door te klikken. Kom later terug om de soortpagina’s te bekijken!

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Natuurtuin in ontwikkeling deel IX – een zomer vol leven

Zwartstip-boktor Natuurtuin

Ongeveer gelijktijdig met de start van deze website kochten we een huis met ruim 3.500 m² grond. Ons doel: deze 35 are omvormen tot een natuurtuin vol leven — een plek waar vogels, insecten en andere dieren zich thuis voelen. In onze reeks Natuurtuin in ontwikkeling nemen we je mee in dat proces. In deel 9 kijken we terug op de lente en zomer van 2025.

23 april 2025 -15 november 2025

Wilde cichorei - Natuurtuin in ontwikkeling
Wilde cichorei

Inhoudsopgave

In het vorige deel van Natuurtuin in ontwikkeling bespraken we de winter en het vroege voorjaar. We zagen wat er allemaal voorbij kwam in de tuin op de wildcamera (o.a. steenmarter en kerkuil). Daarnaast bespraken we de vele vlindersoorten die we in het voorjaar al in het kruidenrijk grasland zagen. Ook deze periode hebben we weer bijzondere waarnemingen gedaan, dus lees snel verder.

Een levendige zomer in de natuurtuin

We hebben een droge zomer achter de rug. Waar er in het begin van het voorjaar nog wel wat regen viel, werd het later in de lente droger en hield dit ongeveer de hele zomer aan. Dit merkten we ook duidelijk aan het kruidenrijk grasland. Het gras groeide veel minder hard dan het jaar ervoor (waarin het erg nat was). Gedurende het jaar werd water schaarser en kwamen meer dieren drinken uit onze poel. In het steeds kruidenrijkere grasland wemelde het van de insecten en deden we ook op het gebied van flora nieuwe ontdekkingen.

Gewone oeverlibel (de Natuur van hier)
De gewone oeverlibel liet zich dit jaar voor het eerst in onze vijver zien, natuurlijk in de buurt van de aangelegde poel (de Natuur van hier)

Nieuwe soorten in onze tuin

In deze periode zijn we van 502 soorten naar 629 soorten gegaan. In het kruidenrijk grasland zagen we voor het eerst gewone brunel, slibbladige ooievaarsbek en gewone rolklaver. Door het juiste beheer uit te voeren krijgen we steeds meer kruiden in ons grasland, niet alleen qua soorten, maar ook qua aantal. Langzaam maar zeker worden stukken met dominant raaigras vervangen door stukken met verschillende grassoorten, zoals kropaar en rietzwenkgras, en kruiden zoals paardenbloem, duizendblad en wilde peen. Ook smeerwortel en knoopkruid vinden we op steeds meer plekken.

📥 Download de infographic van alle waargenomen soorten in onze natuurtuin (2022–2025) — inclusief foto’s en verhalen van bijzondere soorten.
Ontvang het gratis per e-mail en blijf op de hoogte van nieuwe natuurtuinupdates.
BINNENKORT DOWNLOADBAAR

Preview infographic natuurtuin in ontwikkeling deel IV (de Natuur van hier)
Preview infographic natuurtuin in ontwikkeling deel IV (de Natuur van hier)

Lees ook: tips voor het aanleggen van een natuurtuin


De ontwikkeling van ons kruidenrijk grasland heeft ook effect op de soorten insecten die we steeds meer vinden in onze tuin. Vlinders, wantsen, kevers, juffers en libellen komen in allerlei soorten en maten voor in alle hoeken van de natuurtuin.

Vlinders en wantsen

Nieuwe vlinders in de tuin waren onder andere de distelvlinder en het kaasjeskruiddikkopje. Vooral het kaasjeskruiddikkopje is een bijzondere soort in Nederland, in de infographic aan het eind van deze blog lees je waarom. Vooral in de groep van de wantsen hebben we veel nieuwe soorten waargenomen. Zo zagen we onder andere de pyjamawants, knoopkruidschildwants (ook over deze soort lees je meer in de infographic), gemaskerde roofwants en zeer zeldzame beemdkroonschildwants in de natuurtuin.

Kevers, zweefvliegen en bijen

Ook zagen we een aantal leuke keversoorten voor het eerst in onze tuin. Zo zagen we in mei de roodkopvuurkever en de bleekgele weekschildkever en in juni zagen we voor het eerst het klein vliegend hert! Binnen de groep van de (zweef)vliegen zagen we ook enkele bijzondere soorten: de gewone wolzwever, hommelreus en gewone driehoekszweefvlieg. Binnen de groep van de bijen zagen we deze periode onder andere voor het eerst de klaverdikpoot, die in groepsverband onder het blad van rode kornoelje slaapten. Verder zagen we ook de tronkenbij en de steenhommel.


Lees ook: De 8 beste inheemse struiken voor een diervriendelijke tuin


Juffers en libellen

Ondanks het feit dat we nog niet zoveel water in de natuurtuin hebben (op een kleine poel na) kunnen we toch ieder jaar rekenen op een aantal juffers en libellen in onze tuin. Zo zagen we deze periode voor de eerste keer een weidebeekjuffer in de tuin, maar ook de koraaljuffer en gewone oeverlibel lieten zich voor het eerst zijn. Dat belooft nog wat voor volgend jaar, als we klaar zijn met de natuurlijke zwemvijver (hierover later meer).

Beheer van kruidenrijk grasland

Veel van de nieuwe soorten vinden we in ons kruidenrijk grasland. Drie jaar geleden, toen we het huis kochten was het grasland nog erg rijk en stond er nagenoeg alleen maar raaigras in. Na een aantal jaren juist beheer uit te voeren komen er steeds meer kruiden (en andere grassoorten) in ons grasland, wat automatisch nieuwe insectensoorten aantrekt.

Verschralen en sinsusbeheer

De voedingsrijkdom van de bodem was erg (extreem) hoog toen we het kochten, bemesten is dus overbodig. Wat we wel doen is (in de beginfase) 2 á 3 keer per jaar maaien en afvoeren. Dit wordt ook wel verschralingsbeheer genoemd. Hierdoor neemt de voedingsrijkdom van de bodem af, waardoor raaigras minder dominant wordt en andere grassoorten en kruiden meer kansen krijgen.

Tijdens het maaien laten we steeds kruidenrijke stukken staan. Ieder maaibeurt laten we andere stukken staan, zodat er geen houtige gewassen in kunnen groeien. Dit wordt ook wel sinusbeheer genoemd. Laat bij iedere maaibeurt zo’n 15-25% staan. Laat ook gedurende winter stukken staan. Veel insecten gebruiken hoog gras als overwinteringsplek.

Meer weten over kruidenrijk grasland

Wil je meer weten over de verschillende graslandtypen en hoe je zelf van een raaigras naar een kruidenrijk grasland toe werkt? Lees dan het boek Ontwikkelen van kruidenrijk grasland van Wim Schippers. Hier staat echt alles in wat je moet weten over het ontwikkelen van een kruidenrijk grasland. Daarnaast lees je ook hoe je dit in stand houdt. Deze mag niet ontbreken in de kast van een kruidenrijk graslandbeheerder. Je bestelt het boek via onderstaande knop.

Ontwikkelen van kruidenrijk grasland (bol.com)c

Wat viel ons op na het maaien

Doordat we gefaseerd maaien en steeds stukken laten staan, lijken soorten die in het kruidenrijk grasland leven zich sneller te herstellen. Insecten zoals (micro)vlinders, sprinkhanen, kevers en wantsen werden niet volledig weggemaaid, omdat we steeds 15-25% lieten staan. Vanuit deze hoge stukken gras konden deze insecten zich weer gemakkelijk verplaatsen naar het vers gemaaide gras. Op deze manier kunnen insectensoorten zich beter herstellen en kunnen ze de hele levenscyclus doorlopen.

Waarom niet alles in één keer maaien een heel goed idee is (de Natuur van hier)

Terugblik en vooruitkijken

We hebben een productief jaar achter de rug, waarin we veel nieuwe soorten tegenkwamen in onze natuurtuin. Het langjarige, duurzame beheer van het grasland begint langzaam zijn vruchten af te werpen. Ook de scheerheg en struweelhaag die we 3 jaar geleden hebben aangeplant begint steeds groter te worden en trekt steeds meer biodiversiteit aan.

We zijn erg benieuwd hoe de natuurtuin zich volgend jaar verder gaat ontwikkelen. Alle ingrediënten voor een natuurtuin vol leven zijn aanwezig, dus het kan bijna niet anders dan dat we volgend jaar weer nieuwe soorten in onze tuin mogen verwelkomen.

Het enige wat nog in grote hoeveelheid ontbreekt is water. Daarom zijn we inmiddels gestart met de bouw van een natuurlijke zwemvijver met moerasfilter. Op onderstaande afbeelding zie je al een tipje van de sluier. Wil je weten hoe dit verder gaat? Houd de website dan goed in de gaten, in deel 10 van deze serie zullen we de aanleg van de natuurlijke zwemvijver uitvoerig bespreken.

📥 Download het overzicht van alle waargenomen soorten in onze natuurtuin (2022–2025) — inclusief foto’s en verhalen van bijzondere soorten.
Ontvang het gratis per e-mail en blijf op de hoogte van nieuwe natuurtuinupdates. BINNENKORT BESCHIKBAAR

Tot slot

Heb jij ook iets bijzonders gezien in je (natuur)tuin? Of wil je meer weten over het beheer van een natuurtuin? Laat het ons weten door een reactie onder deze blog achter te laten, of stuur ons een foto via social media (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer tips over inheemse planten, de aanleg van een natuurtuin of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

De 8 beste inheemse struiken voor een diervriendelijke tuin

Sleedoorn inheemse struiken

Natuurlijke tuinen zijn niet af zonder één of meerder inheemse struiken. Veel dieren, zoals insecten (bijen, hommels, vlinders), zoogdieren (egels) en vogels zijn in meerder opzichten afhankelijk van deze planten. Struiken (ook wel heesters genoemd) bieden daarnaast privacy en zorgen ervoor dat je tuin body krijgt. In alle opzichten mogen deze multifunctionele planten dus niet ontbreken in je tuin of op je erf. In deze blog geven we onze 8 beste tips voor inheemse struiken in een diervriendelijke tuin.

Inhoudsopgave

Waarom zijn inheemse struiken belangrijk?

Inheemse struiken/heesters zijn onmisbaar in een natuurlijke tuin. Je moete deze struiken zien als multifunctionele planten die bijna alle dieren in je tuin wat te bieden hebben. Het dichte struikgewas zorgt ervoor dat zangvogels er veilig in kunnen broeden. Een struweelhaag van meerdere inheemse heesters is ideaal voor egels en ander zoogdieren. Sommige heesters bloeien rijkelijk, wat een walhalla is voor insecten zoals bijen, hommels, zweefvliegen en dagvlinders. Daarnaast zijn sommige struiken uitstekende waardplanten voor tal van nachtvlinders. Tot slot krijgen veel heesters na de bloei nog bessen, die vaak erg in trek zijn bij vogels zoals lijsters (merels, zanglijsters, koperwieken, etc.), spreeuwen en in sommige gevallen zelfs de bijzondere pestvogel! Redenen genoeg dus om zelf ook aan de slag te gaan met inheemse struiken/heesters in je tuin!

1. Gele kornoelje (Cornus mas)

De eerste inheemse struik, of heester, die we bespreken is gele kornoelje. Een belangrijke heester voor de natuur, omdat de stuik al vroeg in het jaar bloeit. Tussen februari en april verschijnen de gele bloemen op de nog kale takken (gele kornoelje is niet wintergroen). In deze periode bloeien nog weinig andere planten en struiken, waardoor vroeg vliegende bijen en andere insecten de broodnodige nectar kunnen vinden in de bloemen van gele kornoelje.

Gele kornoelje inheemse struiken
Gele kornoelje krijgt al vroeg in het jaar gele bloemen op het nog kale hout

Gele kornoelje wordt tot 6 meter hoog, maar kan prima gesnoeid worden wanneer deze te groot zou worden. Snoeien is echter niet noodzakelijk, heb je de ruimte dan kun je de struik het beste laten groeien. Gele kornoelje stelt weinig eisen aan de standplaats, maar heeft wel een lichte voorkeur voor kalkhoudende grond. De heester staat het liefst op een plekje in de zon of halfschaduw, maar doet het op vrijwel iedere plek goed. Alleen extreem natte of extreem droge standplaatsen verdraagt de struik niet.

2. Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus)

Wilde kardinaalsmuts is een andere inheemse struik die absoluut een plekje in de natuurtuin verdient! Deze tot 6 meter hoog wordende heester bloeit van mei tot en met juni met onopvallende, lichtgroene bloemen. De echte sierwaarde van de wilde kardinaalsmuts zijn echter de rozerode bessen, die zeer in trek zijn bij vogels zoals lijsters (merels, zanglijsters) en mezen zoals koolmezen en pimpelmezen. De bessen verschijnen in de vroege herfst aan de struik.

Naast vogels maken ook nachtvlinders veelvuldig gebruik van wilde kardinaalsmuts. Of beter gezegd: de rupsen van nachtvlinders. Diverse soorten spanners en stippelmotten zetten de eitjes af op kardinaalsmuts. De rupsen voeden zich met de planten totdat ze groot genoeg zijn om te verpoppen naar nachtvlinder. Dit kan als resultaat hebben dat in het voorjaar hele struiken kaal gevreten zijn door de rupsen. De struik herstelt hier in principe vrij gemakkelijk weer van gedurende het seizoen.

Wilde kardinaalsmuts
Wilde kardinaalsmuts krijgt kleine, onopvallende lichtgroene bloemetjes, maar heeft veel andere sierwaarde zoals bessen en een prachtige rode herfstkleur

Wilde kardinaalsmuts stelt weinig eisen aan de standplaats. Staat het liefste op een plek in de halfschaduw, maar een plek in de volle zon wordt ook verdragen als de grond voldoende vochtig is. Ze hebben een voorkeur voor kalkhoudende grond. Een extra sierwaarde van de plant is de prachtige rode herfstkleur. Tevens is wilde kardinaalsmuts ook zeer goed te gebruiken in een wilde, gemengde haag. Een perfecte allround struik die dus niet in je tuin mag ontbreken!

3. Sporkehout (Rhamnus frangula)

De derde inheemse heester/struik in de lijst is sporkehout, die ook wel vuilboom wordt genoemd. Sporkehout kan tot 5 meter hoog worden en zal het op vrijwel iedere standplaats goed doen (al heeft deze struik graag wat licht, dus een plek in de volle schaduw is niet ideaal). Daarnaast heeft sporkehout een voorkeur voor een wat zuurdere grond.

Sporkehout
De bessen van sporkehout zijn in trek bij vogels zoals lijsters

De grootste troef die sprokehout in handen heeft is de lange bloeitijd. Deze inheemse struik bloeit van mei tot en met september. De bloemen zijn klein en stervormig en wit en groen van kleur. De struik bloeit rijkelijk en lang en is daarom zeer in trek bij nectar-etende insecten zoals bijen en zweefvliegen.


Lees ook: de beste inheemse vaste planten


Ook vlinders zijn gebaat bij de aanwezigheid van sporkehout. Het is een belangrijke waardplant voor het groentje, de citroenvlinder en het boomblauwtje. Daarnaast zijn er ook diverse nachtvlinders die gebruik maken van sporkehout. De bessen die in het najaar aan de struik komen zijn in trek bij veel vogels waaronder lijsters zoals de kramsvogel en grote lijster.

4. Hondsroos (Rosa canina)

Hondsroos is de volgende struik/heester die we tippen. Van nature vind je hondsroos in hagen, houtwallen, mantelvegetaties, struweelranden en als solitaire struiken in halfopen (begraasde) landschappen. Hondsroos groeit op een (matig) voedselrijke, niet te zure bodem. De bodem is droog tot vochtig.

Hondsroos
Hondsroos krijgt in juni en juli prachtige bloemen die druk bezocht worden door insecten

De sierwaarde van hondsroos zijn de bloemen en de rood-oranje rozenbottels. De bloemen verschijnen in juni en juli aan de struik en zijn witroze van kleur. De bottels zijn oranje-rood van kleur en worden tot 2 centimeter groot. Hondsroos kan tot 5 meter hoog worden, maar laat zich goed snoeien (en is daardoor ook heel goed te gebruiken in een natuurlijke gemengde haag).

Sierwaarde bloemen en rood-oranje rozenbottels. Bloeit in juni en juli met witroze bloemen. Kan tot 5 meter hoog worden, laat zich goed snoeien (daardoor ook ideaal om in een gemengde haag te gebruiken).

Het is een ontzettende biodiversiteitsbom. De nectar in de bloemen is in trek bij insecten zoals bijen en zweefvliegen. De rozenbottels zijn uitstekend voedsel voor vogels zoals kramsvogel en koperwiek. De stekels aan de takken zorgen voor een dicht struikgewas, waarin zangvogels veilig kunnen broeden. Daarnaast is het nog de waardplant voor diverse nachtvlinders. Hondsroos mag in een natuurlijke tuin dus eigenlijk niet ontbreken.

5. Eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna)

Een van de bekendste en aantrekkelijkste inheemse heesters is de eenstijlige meidoorn. Deze heester bloeit in mei en juni rijkelijk met witte bloemen. Daarna krijgt de struik rode besjes, die erg in trek zijn bij vogels.

Eenstijlige meidoorn
Eenstijlige meidoorn bloeit rijkelijk met witte bloemen

Meidoorn werd vroeger veel gebruikt, in de tijd dat er nog geen prikkeldraad was, als natuurlijke veekering. De stevige doorns kunnen tot 2,5 centimeter lang worden, waardoor het een ideale plant wordt om als haag te gebruiken rondom een weiland. Toen prikkeldraad kwam verdwenen de meidoornhagen langzaam uit het landschap en daarmee ook een groot stuk biodiversiteit.

Meidoorn is namelijk een zeer belangrijke plant voor allerlei dieren. Zangvogels kunnen veilig broeden in de doornstruik, vogels maken dankbaar gebruik van de eetbare bessen en insecten doen zich te goed aan de nectar die in overvloed aanwezig is door de vele bloemen. Tot slot is het een belangrijke waardplant. Tientallen nachtvlinders zijn er afhankelijk van, maar ook de dagvlinder groot geaderd witje heeft de meidoorn als waardplant.

Eenstijlige meidoorn wordt doorgaans tot 4,5 meter hoog en staat het liefst op een plek in de halfschaduw of zon. Daarnaast verlangt deze heester een droge tot vochtige standplaats.

6. Sleedoorn (Prunus spinosa)

Een van de belangrijkste heesters is wat ons betreft sleedoorn. Het is de eerste heester die aan het einde van de winter in bloei komt, waardoor het een zeer belangrijke nectarplant is voor vroeg vliegende insecten zoals vlinders, bijen, hommels en zweefvliegen.

Sleedoorn (de Natuur van hier)
De eerst bloeiende heester aan het einde van de winter is sleedoorn (de Natuur van hier)

Op het naakte hout krijgt sleedoorn vanaf maart prachtig witte bloemen. De bloei duurt tot ongeveer begin mei. Vanaf de zomer krijgt sleedoorn blauwe besjes, die tot diep in de winter op de struik te vinden zijn.

In het wild kom je sleedoorn tegen in heggen, struwelen, bosranden en als solitaire struik. De struik wordt over het algemeen tot 3 meter hoog. De heester verlangt het liefst een vochtig plekje in de halfschaduw of zon.

Vanwege de doorns is ook sleedoorn een belangrijke broedplek voor zangvogels. Daarnaast is het de waardplant van tientallen nachtvlinders (zoals de boogsnuituil, het donker klaverblaadje en het zwart weeskind). Ook dagvlinders gebruiken sleedoorn graag als waardplant: sleedoornpage, grote vos én groot geaderd witje. Dagpauwoog is een belangrijke bestuiver van sleedoorn.

7. Gelderse roos (Viburnum opulus)

Een andere leuke inheemse heester is Gelderdse roos, een mooie aanvulling op iedere tuin of erf. Deze tot ongeveer 3 meter hoog wordende heester krijgt opvallende witte, schermvormige bloemen en groeit van nature in beekdalen, hagen, struwelen en bosranden.

Gelderse roos
De Gelderse roos krijgt opvallende schermvormige, witte bloemen

Gelderse roos staat het liefst op een ietwat vochtige plek, in de halfschaduw of zon. De witte, schermvormige bloemen verschijnen in mei en juni aan de heester. Feitelijk gezien heeft de Gelderse roos twee soorten bloemen: de grote, opvallende, witte randbloemen én de hele kleine groenwitte bloemen in het midden. De grote randbloemen hebben als functie om insecten aan te trekken. De kleine witte, onopvallende bloemen bevatten daadwerkelijk de nectar waarvoor de insecten komen.

Na de bloei verschijnen de rode bessen aan de struik. Deze blijven lang aan de plant hangen, vaak tot diep in de winter. De reden dat de bessen zo lang blijven hangen is omdat ze heel bitter zijn. Pas wanneer er een goede nacht vorst overheen is gekomen verdwijnt de bittere smaak, iets wat vogels ook weten. Vooral lijsters en de bijzondere wintergast de pestvogel komen dan op de bessen af. Met één of meerdere Gelderse rozen heb je dus kans deze fotogenieke wintergast in je tuin of op je erf waar te nemen!

Inheemse heesters struiken pestvogel
Heb jij weleens een pestvogel in je tuin gezien?

8. Gewone vlier (Sambucus nigra)

Tot slot bespreken we nog de gewone vlier, welke veelal bekend is om zijn (vlier)bessen, waar diverse producten van gemaakt kunnen worden. Iedereen heeft wel eens vlierbessensap, -jam, likeur of pannenkoeken met vlierbloesem gehad!

Gewone vlier inheemse heester
Gewone vlier staat bekend om de bijna zwarte bessen waar diverse producten van gemaakt worden

Gewone vlier wordt tot 7 meter hoog en is daarmee een van de hoogst groeiende heesters uit deze lijst. De witte schermachtige bloemen verschijnen in mei, juni en soms in juli aan de struik. De bestuiving van de bloemen vindt plaats via insecten. Een aantal nachtvlinders, zoals de witte tijger, bijvoetdwergspanner en ligusterpijlstaart gebruiken de gewone vlier als waardplant.

Na de bloei verschijnen de bijna zwarte bessen aan de plant. Vooral spreeuwen zijn dol op deze bessen, die ook grotendeels verantwoordelijk zijn voor de verspreiding van het zaad dat in de bessen zit.


Lees ook: de beste inheemse bijenplanten


Gewone vlier stelt weinig specifieke eisen aan de standplaats en kan zowel in de zon als halfschaduw geplaatst worden. Alleen een plekje vol in de schaduw moet vermeden worden, omdat ze dan niet goed groeien.

Overzichtstabel

Zie je na het lezen van de 8 soorten door de bomen het bos niet meer? In onderstaande tabel vind je de belangrijkste kenmerken per soort nog eens terug.

Naam Belangrijkste kenmerken Bloemkleur Bloeiperiode Besdragend Goed voor (dieren)
Gele kornoelje (Cornus mas) Vroege bloei op kale takken; verdraagt snoei; voorkeur voor kalkrijke grond; zon of halfschaduw Geel Februari–april Ja Vroeg vliegende bijen, insecten
Wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) Lichtgroene bloemen; opvallende rozerode bessen; rode herfstkleur; goed in gemengde haag Lichtgroen Mei–juni Ja Vogels (lijsters, mezen), rupsen van nachtvlinders
Sporkehout / Vuilboom (Rhamnus frangula) Lange bloeitijd; stervormige wit-groene bloemen; voorkeur voor zure grond; zon/half schaduw Wit-groen Mei–september Ja Bijen, zweefvliegen, dagvlinders (citroenvlinder, groentje, boomblauwtje), vogels
Hondsroos (Rosa canina) Witroze bloemen; rood-oranje bottels; stekelig, goed in gemengde haag; tot 5 m hoog Wit-roze Juni–juli Ja Bijen, zweefvliegen, zangvogels (kramsvogel, koperwiek), nachtvlinders
Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) Witte bloemen; rode bessen; doornig; belangrijke waardplant; goed in zon/half schaduw Wit Mei–juni Ja Zangvogels, insecten, dagvlinder groot geaderd witje, nachtvlinders
Sleedoorn (Prunus spinosa) Vroege bloei; witte bloemen op naakt hout; blauwe bessen tot in winter; doornig Wit Maart–begin mei Ja Vroege bijen, vlinders (sleedoornpage, grote vos, groot geaderd witje), zangvogels, nachtvlinders
Gelderse roos (Viburnum opulus) Schermvormige bloemen; twee typen bloemen (rand- en binnenbloemen); rode bessen tot winter Wit Mei–juni Ja Insecten, vogels (lijsters, pestvogel)
Gewone vlier (Sambucus nigra) Witte schermbloemen; bijna zwarte bessen; tot 7 m hoog; veelzijdig gebruik bessen en bloesem Wit Mei–juli Ja Insecten, nachtvlinders, spreeuwen

Kant-en-klaar pakket

Dat waren onze 8 tips voor inheemse struiken/heesters voor een diervriendelijke tuin. Wil je écht een verschil maken, dan kun je het beste meerdere heesters aanplanten. Heb je hulp nodig bij een aantal leuke soorten samen te stellen? Via Sprinklr zijn een aantal kant-en-klaar pakketten te bestellen met daarin meerdere soorten heesters, ieder met zijn eigen specifieke doel. Eventueel is er een emmertje natuurlijk alternatief voor kunstmest bij te bestellen, om te zorgen voor een flitsende start van de heesters in je tuin of op je erf.

Heestermix Vogelparadijs

Met de heestermix Vogelparadijs lok je gegarandeerd vogels naar je tuin. In dit pakket zitten de heesters: eenstijlige meidoorn, gewone vlier, krentenboompje, wilde kardinaalsmuts en wilde lijsterbes. Allen krijgen ze bessen, onweerstaanbaar voor vogels zoals lijsters en spreeuwen. Ga maar klaar zitten met je verrekijker, want dat wordt genieten!

Heestermix Bijenparadijs

In het heesterpakket Bijenparadijs zitten vijf soorten heesters, die gegarandeerd gaan zorgen voor gezoem in je tuin. Gele kornoelje, Gelderse roos, sleedoorn, zoete kers en sprokehout zorgen er samen voor dat bijen van maart tot en met september je tuin komen bezoeken op zoek naar nectar. Ook de rijpe bessen van sommige heesters zullen bijen aantrekken. Garantie op een bijenparadijs dus!

Heestermix Bloeiparadijs

Voor wie houdt van bloemen moet voor het pakket Bloeiparadijs gaan. Hiermee verleng je de bloeiboog van je tuin ongetwijfeld. Egelantier, gele kornoelje, krentenboompje, sleedoorn en wilde kardinaalsmuts zorgen ervoor dat er bloemen in je tuin te vinden zijn, van februari tot diep in de zomer. De geurende bloemen van de egelantier en de bessen van krentenboompje, kardinaalsmuts en sleedoorn na de bloei maken het feestje in je tuin compleet!

Tot slot

Heb jij de keuze al gemaakt voor welke inheemse heesters je gaat! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of stuur ons een foto via social media van je nieuw aangeplante heesters (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer tips voor over inheemse planten, een klimaatbestendige tuin of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Droogte in je tuin? 10 duurzame oplossingen voor een groene oase!

Droogte tuin

De zomers in Nederland worden steeds warmer en droger. Planten verdorren, gras wordt geel en tuinen veranderen langzaam in stoffige vlaktes. Reden genoeg dus om bewust aan de slag te gaan met droogte in je tuin. In deze blog geven we je 10 duurzame en eenvoudige oplossingen voor een tuin die groener en klimaatrobuuster is, waardoor deze beter bestand is tegen droogte en warmte!

Droogte tuin
Steeds drogere zomers dwingen ons anders naar de tuin te kijken – tijd om maatregelen te nemen

Inhoudsopgave

1. Maak gebruik van regenwater: vang het op in een regenton

Een van de belangrijkste tips is om een deel van het regenwater op te vangen in periodes dat het veel valt. Zo kun je het gebruiken in periodes dat het langdurig droog en warm is. Voordeel: regenwater is gratis en ideaal om je planten mee water te geven. Er zijn verschillende manieren waarop je regenwater kunt opvangen, de meest bekende is met een regenton. Met een regenton vang je met gemak tientallen tot honderden liters water op, die je eenvoudig op een later moment kunt gebruiken. Tip: koop meerdere regentonnen en zet er één bij iedere regenpijp om nog meer water op te vangen. Heb je nog meer ruimte? Kijk dan ook eens naar ondergrondse opvang van regenwater.

Bekijk hier het aanbod regentonnen bij bol.com. Er zijn kleine regentonnen van 30 liter, maar ook waarmee je meer dan 600 liter kunt opvangen! Voor ieder wat wils dus!

2. Plant inheemse bomen en struiken voor schaduw

Als je minder overlast wil ervaren van droogte dan is het wijs om meer schaduw te creëren. Meer schaduw zorgt ervoor dat de tuin minder snel uitdroogt én dat het minder snel bloedheet wordt in je tuin. Win-win dus. Bomen en grote struiken zorgen voor meer schaduw in je tuin waardoor de bodem minder snel uitdroogt en de bodem minder snel opwarmt. Daarnaast verdampen bomen en struiken water om af te koelen, wat er automatisch voor zorgt dat de omgevingstemperatuur afneemt. Kies voor inheems en biologisch gekweekte soorten zoals meidoorn, hazelaar, Gelderse roos of vlier. Goed voor schaduw (kijk hier voor schaduwplanten die je kunt gebruiken onder bomen en struiken) én biodiversiteit!

Het belang van biologisch gekweekt
Waarom zou je kiezen voor biologische gekweekte planten? Over het algemeen zijn deze duurder en minder goed verkrijgbaar. Toch is het van zeer groot belang als je iets goeds wil doen voor de lokale biodiversiteit. Reguliere tuinplanten bevatten vaak pesticiden, welke giftig zijn voor dieren (zoals insecten) en de leefomgeving. Insecten die dus afkomen op de bloemen van regulier gekweekte planten lopen als het ware in een val. Ze komen af op de nectar om zich daarmee te voeden, maar deze bevatten vaak nog diverse pesticiden. De pesticiden zijn giftig voor ze en tast het zenuwstelsel aan en kan zelfs dodelijk zijn. Er is dus een grote kans dat insecten die nectar eten van reguliere tuinplanten een paar honderd meter verderop het loodje leggen. Het tegenovergestelde van wat je wil bereiken dus!

3. Kies droogtetolerante planten

Aanhoudende droogte dwingt je om anders na te denken over de planten die je kiest voor je tuin. Soorten als hortensia en hosta’s zullen gauw het kopje gaan laten hangen als de bodem uitdroogt. Beter kies je dus inheemse soorten die graag in de zon staan en het niet erg vinden om droge voeten te hebben. Hierdoor hoef je minder water te geven en zien je planten er een stuk florissanter uit. Kies voor soorten zoals wilde marjolein, duizendblad, zeepkruid of wilde cichorei. Naast dat ze het goed doen in droge periodes zijn ze ook nog eens aantrekkelijk voor bijen en vlinders. Wederom een win-win situatie dus!

Wilde cichorei droogte tuin
Wilde cichorei doet het uitstekend op een droge en zonnige standplaats en is ook nog eens in trek bij vlinders en bijen (de Natuur van hier)

Lees ook: de beste inheemse planten voor in de volle zon


4. Werk met bodembedekking en mulch

Zwarte grond (een kale bodem) in je border droogt snel uit. Daarnaast groeit er snel onkruid. Bedek de grond tussen de planten daarom met boomschors, houtsnippers, bladeren of stro. Dit zorgt ervoor dat de zon niet direct op de aarde schijnt, waardoor deze minder snel uitdroogt. Vocht wordt beter vastgehouden, het bodemleven wordt beschermd en onkruid heeft minder kans. Door met een bodembedekking te werken hoef je dus minder snel water te geven en minder vaak onkruid te trekken. Ook bodembedekkers kunnen helpen tegen minder uitdrogen. Kies bijvoorbeeld voor kleine maagdenpalm of ooievaarsbek. Hier vind je nog meer tips voor inheemse bodembedekkers!

5. Leg een vijver, poel of wadi aan

Water in je tuin hoeft niet meteen weg te lopen – vang het op! Leg een vijver, poel of wadi aan en leidt het regenwater hier naartoe. Maak flauwe en ondiepe oevers en plant deze aan met moerasplanten zoals gele lis, lisdodde, grote kattenstaart en koninginnekruid. Zo zorg je voor een groene oase in je tuin die zorgt voor verkoeling en de biodiversiteit in je tuin een boos geeft!

Poel aanleggen droogte tuin
Een poel in de tuin zorgt voor verkoeling én geeft een boost aan de biodiversiteit (de Natuur van hier)

6. Overweeg een groendak

Platte daken op schuurtjes en aanbouwen zijn ideaal om groendaken op aan te leggen. Relatief eenvoudig kan een sedumdak gerealiseerd worden. Deze groendaken staan er om bekend dat ze regenwater langer vasthouden en geleidelijk vrij geven. Een deel van het water verdampt meteen weer waardoor het helemaal niet afgevoerd hoeft te worden en als resultaat de omgeving verkoelt. Daarnaast zorgt het er ook nog eens voor dat je huis of schuur beter geïsoleerd is (zowel tegen warmte als tegen kou). Tot slot ziet het er ook nog eens prachtig uit!

7. Gebruik compost en verbeter de bodem

Een gezonde bodem met veel organisch materiaal werkt als een spons. Voeg compost toe om de structuur en het waterhoudend vermogen van de bodem te verbeteren. Hierdoor kan de bodem meer water vasthouden en droogt deze beter uit. Bovendien profiteert het bodemleven er van mee en kunnen planten beter wortelen, waardoor deze eerder de grond zullen bedekken met hun bladeren (waardoor deze dus weer minder snel uitdroogt). Dit werkt dus dubbelop!

8. Verminder verharding – tegels eruit, groen erin

Hoe meer verharding, hoe warmer het in de tuin is en hoe slechter het water de bodem in kan. Groen (planten, struiken en bomen) verdampen water via de huidmondjes in hun bladeren bij warm weer, waardoor de omgeving afkoelt. Hierdoor is je tuin koeler dan wanneer er alleen maar tegels liggen. Daarbij komt ook nog eens dat water in tegeltuinen geen kant op kan, alleen naar het riool. Het water wordt afgevoerd en ben je kwijt. In groene tuinen wordt het opgevangen in de bodem waardoor deze minder snel uitdroogt. Tegels er dus uit en groen erin!


Lees ook: van tegeltuin naar groene tuin


Tuintransformatie
Van tegeltuin naar groene tuin: het heeft zoveel voordelen (de Natuur van hier)

9. Plant in lagen: van bodembedekker tot boom

Plant je tuin aan net zoals een bosrand. Wie wel eens goed naar een bosrand heeft gekeken ziet dat deze geleidelijk is opgebouwd: bodembedekkende planten – kruidachtige planten – struiken en dan bomen. Deze gelaagdheid zorgt ervoor dat de verschillende lagen elkaar beschermen tegen zon en wind. Zo wordt er ook meer water vastgehouden, waardoor de bodem minder snel uitdroogt. Ga zo dus ook te werk in je tuin, om minder snel last te krijgen van droogte.

10. Geef slim water: weinig, maar gericht

Soms ontkom je er niet aan om toch water te geven, bij extreme droogte. Doe dit dan wel op een slimme manier. Geef water in de vroege ochtend of laat op de avond. Overdag in de volle zon verdampt veel van het water voordat het de grond in kan trekken. Geef daarnaast liever één keer in de week veel water dan iedere dag een beetje (wederom omdat kleine beetjes water veelal verdampen). Daarnaast kun je in je border een druppelslang gebruiken en bij bomen een gietrand, zodat het water niet wegspoelt en wél bereikbaar blijft voor de wortels.


Lees ook: hoe plant ik een boom?


Droogte tuin
Soms ontkom je er niet aan om water te geven

Tot slot: elke tuin kan bijdragen

Ook al heb je misschien een kleine tuin – iedere vierkante meter telt. Steden worden steeds warmer door het vele gebruik van tegels en andere verhardingen en (over het algemeen) weinig plek voor groen in de stad. Dit zorgt ervoor dat het leven in een stad minder aangenaam wordt. Door bewust om te gaan met water en te kiezen voor slimme, natuurlijke oplossingen, maak je jouw tuin weerbaar tegen droogte én help je de natuur een handje. Samen zorgen we dat hittestress in de tuin verleden tijd wordt!

Wil je meer tips voor een klimaatbestendige tuin. inspiratie over inheemse planten of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!

Welke maatregelen heb jij toegepast om droogte tegen te gaan? Laat het ons weten in de comments, of tag ons op een van onze socials (@denatuurvanhier)!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Blauwe vlinders herkennen in Nederland – foto’s en tips

Icarusblauwtje blauwe vlinders

Vlinders zijn er in allerlei afmetingen en kleuren. Blauwe vlinders vallen echter goed op, omdat ze qua kleur veel afwijken van andere vlinders. Er zijn echter veel verschillende soorten blauwe vlinders in Nederland, sommige die vrij algemeen voorkomen en sommige die zeldzaam zijn. In deze blog bespreken we alle blauwe vlinders die in Nederland voorkomen.

Boomblauwtje (Shutterstock)
Boomblauwtje (Shutterstock)

Inhoudsopgave

Overzichtstabel

Soort (Nederlands) Wetenschappelijke naam Spanwijdte Bovenzijde (man/vrouw) Onderzijde & kenmerken Vliegtijd Habitat & tips
Icarusblauwtje Polyommatus icarus 28–36 mm Mannetje egaal blauw, vrouwtje bruin met oranje vlekjes Onderzijde met twee wortelvlekken Mei–oktober (2–3 generaties) Kleinschalige graslanden, akkerranden, rups op vlinderbloemigen
Boomblauwtje Celastrina argiolus 26–34 mm Man blauw met dunne zwarte rand, vrouw lichtblauw met brede zwarte rand Zilvergrijze onderzijde met zwarte stippen Maart–oktober (2 generaties) Bomen en struiken, rups op klimop, vuilboom
Bruin blauwtje Aricia agestis 25–31 mm Bovenzijde bruin met oranje vlekjes (man/vrouw) Onderzijde lichtbruin met zwarte stippen, geen wortelvlekken Mei–oktober (2–3 generaties) Graslanden, bermen, Rode Lijst gevoelige soort
Heideblauwtje Plebejus argus 29–31 mm Mannetje helderblauw met zwarte band, vrouwtje bruin met oranje vlekjes Onderzijde: oranje rand met zwarte vlekjes Juni–augustus (1 generatie) Vochtige heide, symbiose met mieren, waardplant dopheide
Staartblauwtje Cupido argiades ± 25 mm Mannetje violetblauw, vrouwtje bruin Zilvergrijze onderzijde met zwarte stippen Sinds 2021 standvlinder Opkomst sinds waarnemingen in Limburg vanaf 2011

Icarusblauwtje (Polyommatus icarus)

In één oogopslag: mannetjes zijn egaalblauw van boven. Vrouwtjes zijn van boven meer bruin gekleurd met oranje vlekjes. Is te onderscheiden van andere blauwtjes door de twee wortelvlekken op de onderkant van de voorvleugel.

Het icarusblauwtje is het meest algemene blauwtje van ons land. Ze vliegen van mei tot en met oktober in twee, of soms drie, generaties. Icarusblauwtjes worden 2,8 centimeter tot 3,6 centimeter groot. Mannetjes zijn van boven egaal blauw met een witte franje (buitenste rand). Vrouwtjes zijn meer bruin gekleurd met oranje vlekjes. De vrouwtjes van het icarusblauwtje kunnen sterk op het bruin blauwtje lijken. Icarusblauwtjes zijn echter van andere soorten te onderscheiden door de twee wortelvlekken op de onderkant van de voorvleugel.

Waardplanten zijn diverse vlinderbloemigen, zoals gewone rolklaver, moerasrolklaver en kleine klaver. Ook nectar halen ze vaak uit bloemen van vlinderbloemigen, maar ook andere bloemplanten worden bezocht. De rupsen van het icarusblauwtje zijn lichgroen van kleur met een wat donkerdere groene streep op de rug. Overwintering gebeurt als rups, laag op een waardplant of in de strooisellaag.

Icarusblauwtjes komen in het hele land voor en verspreid zich via wegbermen door het land. Ze leven in allerlei kruidenrijke vegetaties zoals graslanden, akkerranden, wegbermen en dijken.

Boomblauwtje (Celastrina argiolus)

In één oogopslag: de mannetjes van het boomblauwtje hebben een geheel blauwe bovenzijde met een dunne zwarte rand. Vrouwtjes zijn lichtblauw van boven en hebben een brede zwarte rand. De onderkant is zilvergrijs met zwarte stippen.

Boomblauwtjes bereiken een spanwijdte van 2,6 tot 3,4 centimeter. Het is een algemene standvlinder en komt verspreid over het land voor. Alleen op kleigronden zijn ze wat minder goed verspreid.

Het boomblauwtje zie je over het algemeen echter wat minder goed. Dit komt omdat ze meestal wat hoger vliegen, in de toppen van bomen en struiken. Waardplanten zijn dan ook onder andere vuilboom, klimop en kardinaalsmuts. Naast nectar voeden boomblauwtjes zich ook met sap van bloedende bomen en honingdauw, een nectarachtige stof die wordt vrijgegeven door onder andere bladluizen.

De rupsen van boomblauwtjes zijn groen gekleurd met een witte lengtestreep. Het boomblauwtje vliegt in twee generaties per jaar en kunnen gezien worden van maart tot en met oktober. Ze komen vooral voor in gebieden met bossen. Akker(randen), tuinen, struwelen, boomgaarden, bosranden en (open plekken in) loofbossen kunnen een geschikt habitat vormen voor het boomblauwtje.


Lees ook: van tegeltuin naar groene tuin


Bruin blauwtje (Aricia agestis)

In één oogopslag: zowel bij mannetjes als vrouwtjes zijn de bovenzijde van de vleugels bruin met langs de achterrand oranje vlekjes. De onderzijde van de vleugels zijn lichtbruin met zwarte vlekjes.

Het bruin blauwtje bereikt een spanwijdte tussen de 2,5 en 3,1 centimeter en blijft daarmee iets kleiner dan het icarusblauwtje en het boomblauwtje. Zowel bij het mannetje als het vrouwtje zijn de bovenzijde van de vleugels bruin, met oranje vlekken langs de achterrand. De onderzijde van de vleugels is lichtbruin met zwarte vlekken. Het vrouwtje van icarusblauwtje kan sterk lijken op het bruin blauwtje. Bruin blauwtjes hebben echter geen wortelvlekken (vlekken aan de basis van de voorvleugel) op de onderzijde. Daarnaast zijn de bovenzijde van de vleugels van het icarusblauwtje (vrouwtje) weliswaar bruin, maar hebben deze vaak een blauwe basis.

De rupsen van het bruin blauwtje zijn groen met een paarsachtige streep over de lengte. Ze overwinteren als halfvolwassen rups in de strooisellaag. De waardplanten zijn reigersbek, ooievaarsbek en zonneroosje.

Het bruin blauwtje is een vrij schaarse standvlinder en komt voornamelijk voor in graslanden, wegbermen en op dijken. Ze staan als gevoelig op de Rode Lijst. Bruin blauwtjes zijn echter steeds beter verspreid door Nederland. Ze winnen vermoedelijk terrein door klimaatverandering, alleen in de meest noordelijke provincies worden ze nog minder waargenomen. Het bruin blauwtje vliegt van mei tot en met oktober in meestal twee, soms drie, generaties.

Heideblauwtje (Plebejus argus)

In één oogopslag: mannetje helderblauw met een zwarte band. Vrouwtje bruin met op de bovenzijde enkele oranje vlekjes. Op de onderzijde van de vleugels hebben ze aan de achterkant van de vleugel een oranje rand met zwarte vlekjes.

Het heideblauwtje bereikt een spanwijdte van 2,9 tot 3,1 centimeter. De bovenzijde van de vleugels zijn blauw met een zwarte rand en witte franje. Vrouwtjes hebben bruine vleugels met enkele oranje vlekjes aan de rand en een bruine franje. Op de onderzijde heeft het heideblauwtje aan de achterkant van de vleugel een oranje rand met zwarte vlekjes.

De rupsen zijn groen met een bruine lengtestreep. Ze leven in symbiose met mieren. De rupsen voorzien de mieren van een zoete voedingsstof (rijk aan suikers), in ruil daarvoor beschermen de mieren de rupsen en poppen tegen predatoren.

Het habitat van het heideblauwtje is vooral vochtige heide. De waardplant is de gewone dopheide. Rupsen eten van de uitlopers van de plant, terwijl de vlinders zich voeden met de nectar van de dopheide.

Het heideblauwtje is een schaarse standvlinder en staat op de Rode Lijst als kwetsbaar. De soort komt voornamelijk nog voor op de hogere zandgronden. In de duinstreek komt het heideblauwtje alleen nog voor op Texel. De afname van het heideblauwtje heeft met name te maken met de grote afname van heide in ons land. Daarnaast spelen verdroging en vergrassing van heide ook een rol. Het heideblauwtje vliegt in één generatie van juni tot en met augustus.


Lees ook: wat is een symbiose?


Buiten in het veld s het soms lastig om vlinders op naam te brengen. Je hebt geen internet, waardoor opzoeken en apps zoals ObsIdentify niet beschikbaar zijn. Met een zakgids kun je dan snel een vlinder opzoeken. De Zakgids Vlinders van de Benelux is hiervoor perfect. In deze gids vind je meer dan 100 soorten dagvlinders die in de Benelux voorkomen. De gids is rijkelijk geïllustreerd en van alle vlinders zijn de belangrijkste kenmerken terug te vinden. De gids is in zakformaat te verkrijgen, waardoor je hem dus gemakkelijk mee het veld in neemt. De zakgids is via deze link te bestellen bij bol.com.

Zakgids vlinders van de Benelux (bol.com)

Zeldzame blauwe vlinders

Daarnaast zijn er nog een aantal zeldzame vlinders, die maar sporadisch/een stuk minder algemeen te zien zijn in Nederland.

Allereerst het staartblauwtje (Cupido argiades). In 2011 werden een aantal exemplaren van deze soort ontdekt in Limburg. De jaren daarna heeft het staartblauwtje zich vanuit hier verder verspreid en wordt deze sinds 2021 beschouwd als standvlinder. Mannetjes hebben een violetblauwe bovenzijde en vrouwtje een bruine bovenzijde. De onderkant is zilvergrijs met zwarte stippen.

Het gentiaanblauwtje (Phengaris alcon) is een zeldzame standvlinder die op een aantal plekken voorkomt. Mannetjes hebben een volledig egale blauwe bovenzijde. Het vrouwtje is grijsbruin gekleurd.

Dan een soort die uit Nederland verdwenen was, maar weer geherintroduceerd: het pimpernelblauwtje (Phengaris teleius). De soort staat als ernstig bedreigd op de Rode Lijst. De bovenzijde van de vleugels is donkerblauw, met ene zwarte rand. Vrouwtjes hebben een bredere zwarte rand en zwarte vlekken. De soort komt voor in de Moerputten in Noord-Brabant.

Tegelijkertijd werd ook het donker pimpernelblauwtje (Phengaris nausithous) geherintroduceerd in de Moerputten. Helaas is deze daar inmiddels weer verdwenen. De soort heeft zich wel spontaan gevestigd in Limburg, maar ook daar is de situatie precair. Ook het donker pimpernelblauwtje staat op de Rode Lijst als ernstig bedreigd. Ze lijken erg op het pimpernelblauwtje maar zijn, zoals de naam al aangeeft, donkerder gekleurd.

Tot slot nog het dwergblauwtje (Cupido minimus). Het dwergblauwtje was verdwenen uit Nederland, maar in 2016 vestigde de soort zich weer in Nederland. De soort wordt bijna uitsluitend alleen maar in Limburg gevonden. De bovenzijde van de vleugels zijn bruin, en bij mannetjes zijn deze vanuit de basis blauw. De onderzijde is grijs met zwarte vlekken. Zoals de naam al zegt zijn ze erg klein: een spanwijdte van 1,6 tot 2,7 centimeter.

Een andere vlinder gezien?

Zat de vlinder die je hebt gezien hier niet tussen? Kijk eens bij onze andere blogs over vlinders, misschien staat hij daar wel in het lijstje.

Wat kun je zelf doen om vlinders te helpen?

Vlinders hebben het zwaar, net als veel andere dier- en plantensoorten. Veel van hun leefgebied is onder invloed van de intensieve landbouw en meer menselijke omgeving (meer stenen, meer uitstoot) ingrijpend veranderd. Er zijn een aantal dingen die je kunt doen om vlinders en andere diersoorten te helpen.

Brandnetels, brandnetels, brandnetels

Zoals je hierboven hebt kunnen lezen, is de brandnetel een waardplant voor veel verschillende soorten vlinders. Brandnetels worden echter vaak als ongewenst gezien en worden daarom weggehaald. Dit heeft invloed op de hele levenscyclus van de vlindersoorten. Er is dan geen plek om de eitjes af te zetten, geen voedsel voor rupsen en geen plek om te verpoppen. Laat die brandnetels dus lekker staan (in ieder geval ergens een hoekje). En laat ze ook vooral in de winter tot en met de lente onberoerd.

Brandnetels zijn onwijs belangrijk voor veel vlindersoorten, zoals de gehakkelde aurelia (de Natuur van hier)
Brandnetels zijn onwijs belangrijk voor veel vlindersoorten, zoals de gehakkelde aurelia (de Natuur van hier)

Maak je tuin niet ‘winterklaar’

Rupsen verpoppen vaak op of rondom hun waardplant of in de lage vegetatie. Uitgebloeide planten en stengels worden gebruikt om de pop aan vast te maken. Een goede reden om je tuin niet zogenaamd winterklaar te hoeven maken. Niet alleen vlindersoorten, maar veel andere diersoorten gebruiken uitgebloeide planten om te overwinteren. Je kunt dit allemaal rustig laten staan. Wanneer er in het voorjaar weer warmere temperaturen aanbreken, beginnen veel diersoorten ook weer actief te worden en kun je de uitgebloeide stengels verwijderen.

Zorgen voor nectar

Bovenstaande maatregelen vragen er vooral om om met rust gelaten te worden. Maar je kunt ook actief je handen uit de mouwen steken en de vlinders voorzien van een lekker maaltje nectar. We raden aan om altijd te kiezen voor biologisch gekweekte planten en een groot aandeel inheemse soorten in je tuin. Uit meerdere onderzoeken, bijvoorbeeld door PAN-NL, blijkt dat er op veel planten uit tuincentra pesticiden zitten die insecten doden, ook nog na aankoop, wanneer ze in je tuin staan.

Zorg voor inheemse, biologische planten

Sprinklr heeft een groot aanbod aan biologisch gekweekte planten. Ze hebben daarnaast een speciaal pakket voor vlinders samengesteld. Dit pakket bestaat uit vijf verschillende soorten vaste planten. Met dit pakket zorg je ervoor dat vlinders tot diep in het najaar bloemen met nectar tot hun beschikking hebben. Daarnaast zit er pijpenstrootje in het pakket, voor veel vlinders een goede plant om de rupsen op te laten opgroeien. Vlinders zullen je dus heel dankbaar zijn wanneer je een vlinderpakket in je tuin plant!

Tot slot

Nu kun je blauwe vlinders herkennen en weet je wat je moet doen om meer vlinders naar je tuin te trekken. Wil je meer handige tips ontvangen voor een natuurvriendelijke tuin, als eerste op de hoogte zijn van de laatste blogs en op de hoogte blijven van winacties? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Wouwen in Nederland – Roofvogels deel IV

Zwarte wouw (Shutterstock)

In deel IV van de blogserie Roofvogels in Nederland is het tijd om de wouwen in Nederland te bespreken. Deze elegante roofvogels zijn bezig met een opmars vanuit het zuiden en inmiddels broeden er alweer twee soorten in ons land. En wellicht kunnen we in de nabije toekomst een derde wouwensoort als broedvogel in ons land verwelkomen. Naast de wouwen wordt ook de majestueuze wespendief in deze blog besproken. Lees dus snel verder!

Omslagfoto: zwarte wouwen (Shutterstock)

Wespendief
Wespendief

Inhoudsopgave

Rode wouw (Milvus milvus)

De eerste wouw die we bespreken is de rode wouw. Deze prachtige roofvogel haalt een lichaamslengte van 60 tot 72 centimeter, met een spanwijdte van 143 tot 171 centimeter. Ze hebben een oranjerood verenkleed, met een vrij lichte kop en lichte vlekken op de vleugels. De rode wouw heeft een diep gevorkte staart en heeft de vleugels vaak licht gebogen in vlucht.

Rode wouw
De diepgevorkte staart en het oranjerode verenkleed maakt de rode wouw onmiskenbaar

Leefwijze en voedsel

Rode wouwen komen veel voor in een halfopen landschap, waarin een afwisseling van bossen en extensieve landbouwgebieden te zien is. Vroeger werden ze zelfs in steden waargenomen, waar ze vaak aas aten. Echter, door vervolging zijn ze uit de steden verdwenen.

Ze eten desondanks wel nog steeds veel aas. Naast aas worden ook vogels en kleine en middelgrote zoogdieren (muizen, konijnen en jonge hazen) gegeten. Het zijn echter opportunisten en ze vangen wat er beschikbaar is. Naast vogels en zoogdieren worden ook wel eens reptielen en ongewervelden dieren gevangen.

Voortplanting en trekgedrag

In 1976 werd het eerste broedgeval in Nederland gemeld. Sinds 2010 zijn er jaarlijks broedgevallen bekend. De laatste jaren zijn er steeds enkele tientallen broedparen in ons land waargenomen.

Rode wouwen maken hun nest in hoge bomen. Ze maken niet ieder jaar een nieuw nest, maar knappen soms ook oude nesten op. Meestal worden er twee eieren gelegd. In een maand tijd worden de eieren uitgebroed. De jongen vliegen na zo’n 50 tot 60 dagen uit het nest.

De meeste rode wouwen trekken in het najaar naar Zuid-Europa en Noord-Afrika. Echter komt het steeds vaker voor dat er exemplaren in Nederland, of dichtbij de grens overwinteren.


Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Zwarte wouw (Milvus migrans)

De volgende roofvogel die we in deze blog bespreken is de zwarte wouw. De zwarte wouw blijft iets kleiner dan de rode wouw, met een lichaamslengte van 44 tot 66 centimeter en een spanwijdte van 120 tot 153 centimeter.

De zwarte wouw heeft een donkerbruin verenkleed, met een lichtere kop en ondervleugels. De buitenste slagpennen zijn zwart. De staart van de zwarte wouw is minder diep gevorkt dan deze van de rode wouw. De staart en vleugels zijn daarnaast ook wat korter.

Zwarte wouw
Zwarte wouwen hebben een donkerbruin verenkleed met lichtere en donkere delen

Leefwijze en voedsel

Ook in leefwijze zijn er verschillen op te merken met de rode wouw. Zo zijn zwarte wouwen meer watergebonden en komen ze vooral voor in halfopen en waterrijke gebieden. Rivierlandschappen met ooibossen en moerasachtige stukken zijn ideaal voor de zwarte wouw. In het buitenland worden zwarte wouwen vaak ook in de buurt van steden en vuilnisbelten gezien.

Het menu bestaat uit aas, vis, kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen. Daarnaast worden soms ook insecten en ongewervelden zoals regenwormen gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

Sinds 2009 is de zwarte wouw een jaarlijkse broedvogel in ons land. Het gaat echter maar steeds op enkele paartjes. De zwarte wouw maakt het nest in hoge bomen, vaak in de buurt van water. Ze hebben één legsel per jaar, waarin 2 tot 3 eieren worden gelegd. Na ongeveer een maand broeden komen de eieren uit. De jongen zijn na een kleine 50 dagen vliegvlug, maar worden dan nog enkele weken bijgevoerd door de ouders.

De zwarte wouw is een van de meest algemene roofvogels wereldwijd. In Nederland neemt de soort als broedvogel de laatste jaren toe. Eind augustus/september vertrekken de zwarte wouwen naar het overwinteringsgebied in Afrika, ten zuiden van de Sahara.


Lees ook: vogelen in RivierPark Maasvallei – Tips, soorten en podcast


Grijze wouw (Elanus caeruleus)

Dan de laatste wouwen van de drie, de grijze wouw. Al behoort deze wel tot een ander geslacht dan de rode en zwarte wouw. De grijze wouw bereikt een lichaamslengte van 30 tot 37 centimeter en een spanwijdte van 77 tot 92 centimeter. Hiermee is deze beduidend kleiner dan de andere wouwen en qua grootte meer te vergelijken met een torenvalk.

De grijze wouw heeft een witte kop met koraalrode ogen en een zwart masker. Verder hebben ze een blauwgrijs verenkleed, met zwarte schouders en zwarte vleugelpunten.

Grijze wouw (Shutterstock)
Grijze wouwen hebben een blauwgrijs verenkleed (Shutterstock)

Ze behoren niet tot het geslacht Milvus, maar tot het geslacht Elanus, grijze wouwen. Wereldwijd zijn er vier soorten die tot dit geslacht behoren. Mogelijk behoren de grijze wouwen tot een eigen familie (net zoals bijvoorbeeld de visarend) en worden ze in de toekomst buiten de familie havikachtigen geplaatst.

Leefwijze en voedsel

De grijze wouw komt vooral voor in Afrika en Azië, maar breidt zich verder uit naar Europa. Ze broeden inmiddels al in onder andere Frankrijk en Spanje en de verwachting is dat zich dit de komende jaren verder uitbreidt in andere Europese landen.

Het zijn bewoners van graslanden, savannes en landbouwgebieden met enkele bomen. Hier jagen ze op een diversiteit aan prooien. Kleine zoogdieren, reptielen, vogels en insecten staan onder andere op het menu. Ze jagen vanaf een uitkijkpunt of bidden in de lucht, zoals torenvalken doen.

Voorkomen in Nederland

Grijze wouwen broeden dus (nog) niet in Nederland, maar dit zou in de komende jaren zomaar eens kunnen veranderen. Tot 2015 was de grijze wouw een zeldzame dwaalgast in Nederland, maar sinds die tijd zijn het aantal waarnemingen sterk toegenomen. De verdere verspreiding richting het noorden is opmerkelijk en zou zomaar iets te maken kunnen hebben met klimaatverandering. Ze leven een vrij nomadisch bestaan en vogels blijven plakken in gebieden waar voldoende prooien te vinden zijn.


Lees ook: op zoek naar bijzondere soorten in het Kempen~Broek


Wespendief (Pernis apivorus)

Tot slot bespreken we in deel IV van de serie ‘Roofvogels in Nederland’ nog de wespendief. Dit is geen wouw, zoals de voorgaande drie, maar behoort tot het geslacht Pernis (ook wel wespendieven genoemd). In totaal zijn er wereldwijd vier soorten wespendieven, waarvan er maar één in Nederland voorkomt.

De wespendief bereikt een lichaamslengte van 52 tot 60 centimeter en een spanwijdte van 118 tot 150 centimeter. Wespendieven lijken veel op buizerds, en hebben ook een gevarieerd verenkleed, van lichtbruin tot donkerbruin. Duidelijke verschillen tussen wespendief en buizerd zijn echter: de wespendief is slanker en heeft een langere staart. Ze hebben daarnaast op de staart drie donkere dwarsbanden. Ook de kop is anders bij de wespendief. Deze is kleiner en steekt verder uit. Mannetjes hebben een wat grijze kop. Ze hebben tot slot een soepelere en tragere vleugelslag.

Wespendief (Shutterstock)
Wespendieven lijken veel op buizerd, maar er zijn enkele verschillen op te merken (Shutterstock)

Leefwijze en voedsel

Wespendieven leven vooral in loofbossen en gemengde bossen. De bossen dienen afgewisseld te zijn met open plekken, zoals graslanden en heidegebieden.

Qua voedsel zijn het echte specialisten. Het dieet bestaat voor het grootste deel uit de larven, poppen en volwassen exemplaren van wespen, bijen en hommels. Verder eten ze ook de honing en de honingraat. Vooral in de grond levende wespen staan op het menu, waarvan de nesten met de krachtige poten worden uitgegraven. Wespendieven zijn uitstekend aangepast op het speciale voedsel: de poten zijn voorzien van een dikke huid, waardoor ze minder gevoelig zijn voor steken. Ook op de kop hebben ze dikke, stugge veren. Het dieet vullen ze verder aan met andere insecten, reptielen, amfibieën en kleine zoogdieren.

Voortplanting en trekgedrag

De wespendief broedt vooral in het midden, oosten en zuiden van ons land. Ze maken het nest in de kruin van hoge bomen. Ze hebben één legsel per jaar, met meestal twee eieren. Na ruim een maand broeden komen de jongen uit, welke nog zo’n 40 dagen worden gevoerd voordat ze uitvliegen.

Wespendieven arriveren in mei en vertrekken op zijn laatst in september weer naar het overwinteringsgebied. Ze overwinteren in tropisch Afrika.

De serie Roofvogels in Nederland

In totaal zijn er zes delen nodig om de orde Accipitriformes te bespreken. De valken, de orde Falconiformes, worden in een apart deel besproken. De uilen zijn al een keer in een driedelige blog besproken. Via onderstaand overzicht kom je bij de verschillende soorten terecht.

Roofvogels in Nederland – deel I

Buizerd, sperwer en havik – deel II

Kiekendieven – deel III

Wouwen en wespendief – deel IV

Arenden – deel V

Gieren – deel VI

Valken in Nederland

Uilen in Nederland – deel I

Uilen in Nederland – deel II

Uilen in Nederland – deel III

Tot slot

Nu weet je hoe je de verschillende wouwen en de wespendief kunt herkennen. Wil je meer handige tips ontvangen over het herkennen van diersoorten, als eerste op de hoogte zijn van de laatste blogs en op de hoogte blijven van winacties? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

De beste inheemse bodembedekkers

Beste inheemse bodembedekkers

Inheemse bodembedekkers zijn de perfecte planten om te gebruiken in je tuin. Ze hebben vaak leuke bloemen die in trek zijn bij insecten en dekken de grond af, waardoor je ook nog eens minder onderhoud hebt! In deze blog bespreken we de 6 beste inheemse bodembedekkers. Lees dus snel verder!

Inhoudsopgave

Waarom kiezen voor inheemse bodembedekkers?

Bodembedekkers zijn ongelofelijk fijne planten om te gebruiken in je tuin, om diverse redenen. Allereerst zorgen ze ervoor dat je een stuk minder onderhoud hebt. Bodembedekkers hebben als eigenschap dat ze de bodem snel bedekken met hun bladeren, waardoor onkruid veel minder de kans krijgt om te groeien. Je border vol zetten met bodembedekkers zorgt er dus voor dat je minder tijd kwijt bent aan het wieden van onkruid. Ze vragen daarnaast weinig onderhoud. Bodembedekkers groeien nauwelijks in hoogte, waardoor ze bijna nooit gesnoeid hoeven te worden.

Het aanplanten van bodembedekkers zorgt er verder voor dat je andere planten in je border minder snel uitdrogen en je minder water hoeft te geven. Doordat de grond afgedekt is komt de zon niet tot op de grond, waardoor deze minder snel uitdroogt. Ook de andere planten in de border zijn dus blij met de bodembekkers! Tot slot zijn bodembedekkers ook heel goed voor de biodiversiteit in je tuin. De bloemen (die ze vaak in veelvoud hebben) trekken bijen, vlinders en andere insecten. Het dichte bladerpakket zorgt ervoor dat kleine dieren een schuilplek hebben en zich onopgemerkt door de tuin kunnen verplaatsen.

De 6 beste inheemse bodembedekkers

Dan is het nu tijd om de beste inheemse bodembedekkers te bespreken. We delen onze 6 favoriete inheemse bodembedekkers om te gebruiken in de tuin. Er zitten soorten tussen die je kunt gebruiken voor een plekje in de zon en soorten die je beter in de schaduw gebruikt.

Ga voor biologisch!
Een van de redenen waarom het zo slecht gaat met bijen en andere insecten is het gebruik van bestrijdingsmiddelen. In de landbouw, maar ook zeker bij het kweken van planten en door gebruik van particulieren. Wil je iets goeds doen voor insecten, koop dan uitsluitend biologisch gekweekte planten. Zo weet je zeker dat er geen bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt en dat bijen (en andere insecten) niet doodgaan wanneer ze de nectar uit jouw bloemen komen eten. Zo kun je dus écht genieten van de bloemenpracht in je tuin!


Lees ook: van tegeltuin naar groene tuin


Kruipend zenegroen (Ajuga reptans)

Kruipend zenegroen (Ajuga reptans)
Kruipend zenegroen (Ajuga reptans)

De eerste inheemse bodembedekker die we bespreken is kruipend zenegroen. Deze bodembedekker wordt tot 15 centimeter groot en bloeit met prachtige blauw-paarse kegelvormige bloemen in de periode april tot juni. Kruipend zenegroen breidt zich gemakkelijk via ondergrondse uitlopers uit, waardoor deze snel in je border of elders in de tuin toeneemt.

Kruipend zenegroen staat het liefst op een plekje in de halfschaduw of schaduw, op ietwat vochtige grond. Let op dat deze niet te vochtig staat. Bij voortdurend natte wortels zal de plant het niet redden. De nectar in de bloemen is in trek bij dagvlinders en bijen. Kruipend zenegroen vormt een dicht tapijt en is daarom ideaal om onder struiken en bomen te gebruiken.

Je bestelt kruipend zenegroen hier, biologisch gekweekt, bij Sprinklr!

Lievevrouwbedstro (Galium odoratum)

Lievevrouwebedstro (Galium odoratum) - inheemse bodembedekkers
Lievevrouwebedstro (Galium odoratum)

De volgende inheemse bodembedekker in de lijst is lievevrouwebedstro. Lievevrouwebedstro is een fijn plantje met witte, sterachtige bloemen. Ze staat het liefst op een vochtig plekje in de schaduw of halfschaduw, in humusrijke grond. Lievevrouwbedstro breidt zich gemakkelijk uit doormiddel van wortelstokken, waardoor je binnen een mum van tijd een dicht tapijt van lievevrouwebedstro hebt. Perfect voor de onderhoudsarme border en tuin dus! De bloemen verschijnen in mei en juni aan de plant en verspreiden een lekkere geur.

In het wild komt lievevrouwebedstro in Nederland voornamelijk in Zuid-Limburg voor. Het is familie van het welbekende glad walstro en kleefkruid. De bladeren en bloemen van lievevrouwebedstro zijn eetbaar. Zo wordt het gebruikt in Maitrank (een zoete witte wijn), maar kun je het ook gebruiken voor salade.

Je bestelt lievevrouwbedstro hier, biologisch gekweekt, bij Sprinklr!

Kleine maagdenpalm (Vinca minor)

Klein maagdenpalm (Vinca minor)
Kleine maagdenpalm (Vinca minor)

Een andere uitstekende inheemse bodembedekker is kleine maagdenpalm. Deze groenblijvende bodembedekker heeft een leerachtig blad en krijg blauwe bloemen die zichtbaar zijn van april tot augustus. Kleine maagdenpalm doet het op zo’n beetje iedere plek goed. Je kunt hem gebruiken in de schaduw, halfschaduw, maar ook een plekje in de zon verdraagt deze bodembedekker.

Kleine maagdenpalm breidt zich vanzelf uit via bovengrondse uitlopers die vanzelf weer wortels gaan vormen. Hierdoor kun je snel een kale plek in de border, in het gras of elders in de tuin laten bedekken met deze prachtige bodembedekker!

Je bestelt kleine maagdenpalm hier bij Sprinklr, biologisch gekweekt!

Beemdooievaarsbek (Geranium pratense)

Beemdooievaarsbek (Geranium Pratense)
Beemdooievaarsbek (Geranium pratense)

Dan zijn we aangekomen bij beemdooievaarsbek. Deze inheemse bodembedekker wordt wat hoger dan de meeste andere in deze lijst: tot 75 centimeter. De prachtige helderblauwe bloemen verschijnen van juni tot en met augustus aan de plant. De bloemen zijn zeer in trek bij allerlei insecten zoals bijen, dag- en nachtvlinders en zweefvliegen. Het is daarnaast de waardplant van het bruin blauwtje, een prachtige blauwe vlinder.

Beemdooievaarsbek verlangt een plekje in de halfschaduw of in de volle zon. De plant is niet wintergroen, maar schiet in het voorjaar weer fris uit en bedekt dan snel weer de hele bodem.

Je bestelt beemdooievaarsbek hier, biologisch gekweekt, bij Sprinklr!


Lees ook: een poel aanleggen in de tuin


Gewone brunel (Prunella vulgaris)

Gewone brunel (Prunella vulgaris) inheemse bodembedekkers
Gewone brunel (Prunella vulgaris)

De volgende inheemse bodembedekker in de lijst is gewone brunel, die ook wel bijenkorfje wordt genoemd. Gewone brunel heeft van mei tot en met september paarse bloemetjes die enorm in trek zijn bij wilde bijen en hommels.

Gewone brunel staat het liefst op een plekje in de zon of halfschaduw op een ietwat vochtige plek. De plant is wintergroen en kan naast als bodembedekker ook prima in een bloemrijk gazon worden toegepast.

De bladeren en bloemen van gewone brunel zijn eetbaar. Ze kunnen gebruikt worden in thee, soepen, salades en in stoofpotjes en zijn rijk aan vitamine C, K en B1. Naast dat het een prachtig plantje in de border is, is het ook nog eens een uitstekend plantje voor in de keuken!

Je bestelt gewone brunel hier, biologisch gekweekt, bij Sprinklr!

Bosaardbei (Fragaria vesca)

Bosaardbei (Fragaria vesca) inheemse bodembedekkers
Bosaardbei (Fragaria vesca)

Tot slot nog de bosaardbei. Deze inheemse bodembedekker lijkt veel op de gewone aardbei, maar heeft wat kleinere vruchten. De aardbeitjes zijn heerlijk zoet en kunnen gebruikt worden voor jam, siroop en vruchtensalades. De bladeren kunnen daarnaast ook gebruikt worden in salades of thee.

Bosaardbei krijgt witte bloemen die bloeien van juni tot en met september. De bloemen worden druk bezocht door wilde bijen, hommels en zweefvliegen. Het is daarnaast de waardplant voor de aardbeivlinder. Bosaardbei is wintergroen en breidt zich gemakkelijk uit, waardoor dit een ideale bodembedekker voor in de border is. Reserveer een plekje in de halfschaduw of zon voor deze multifunctionele bodembedekker!

Bosaardbei is hier te bestellen bij Sprinklr, biologisch gekweekt!

Bodembedekkers combineren met andere inheemse planten

Dit waren onze zes beste tips voor inheemse bodembedekkers in de tuin. Bodembedekkers laten zich goed combineren met andere planten. Combineer ze met inheemse vaste planten, inheemse klimplanten, inheemse schaduwplanten, inheemse planten voor in de volle zon of waardplanten voor vlinders. Op deze manier maak je van je tuin een groene oase vol leven en biodiversiteit!

Tot slot

Nu weet je welke inheemse bodembedekkers je in je tuin kunt gebruiken. Wil je meer handige tips ontvangen voor een natuurvriendelijke tuin, als eerste op de hoogte zijn van de laatste blogs en op de hoogte blijven van winacties? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Kiekendieven in Nederland – Roofvogels deel III

Grauwe kiekendief (Shutterstock) kiekendieven

Nadat in deel II van Roofvogels in Nederland de buizerd, sperwer en havik besproken zijn, is het in deel III van deze serie tijd voor de verschillende soorten kiekendieven die in Nederland voorkomen. Maak kennis met deze majestueuze roofvogels die ons land kleur geven.

Omslagfoto: grauwe kiekendief (Shutterstock)

Inhoudsopgave

Het geslacht Circus

Tot het geslacht Circus, oftewel kiekendieven, behoren zestien soorten middelgrote roofvogels. Ze onderscheiden zich ten opzichte van veel andere roofvogels omdat de meeste soorten op de grond broeden. Ze jagen veelal op kleine zoogdieren en op vogels, maar het menu verschilt per soort. Ten opzichte van bijvoorbeeld buizerds zijn kiekendieven wat slankere roofvogels en hebben ze relatief lange en smalle vleugels. Vier van de zestien soorten kiekendieven hebben in een recent verleden gebroed in Nederland, deze soorten worden verder besproken in deze blog.

Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)

We starten met de grootste kiekendief van de vier, de bruine kiekendief. Bruine kiekendieven bereiken een lichaamslengte van 43 tot 54 centimeter en een spanwijdte van 115 tot 145 centimeter. Vrouwtjes worden groter dan mannetjes.

Het mannetje heeft daarentegen het opvallendste verenkleed. Ze hebben zwarte vleugelpunten en een verder hoofdzakelijk bruin verenkleed met een grijze staart en grijze delen in de vleugels. Vrouwtjes zijn volledige bruin met okergele delen in en rondom de kop. Het verenkleed zorgt ervoor dat de vrouw minder opvalt wanneer ze in het riet op het nest zitten. Ook juveniele dieren zijn minder opvallend gekleurd en hebben een bruin en zwart verenkleed.

Bruine kiekendief
Het mannetje bruine kiekendief heeft zwarte vleugelpunten en een grijze staart met daarnaast ook grijze delen in de vleugels

Leefwijze en voedsel

De bruine kiekendief leeft voornamelijk in een open moerasgebied met rietkragen. Soms komen ze ook voor in het boerenland op akkers, wanneer er voldoende voedsel te vinden is.

Ze hebben een uitgebreid menu en jagen op kleine zoogdieren zoals muizen, jonge konijnen en hazen en op vogels. Daarnaast vangen ze verder ook nog onder andere kikkers. Bruine kiekendieven hebben een opvallende jachtvlucht. Ze zweven dan laag boven de grond of een rietkraag en hebben hun vleugels in de bekende v-vorm. Ze maken dan lange glijvluchten en bidden op zoek naar hun prooi. Wanneer ze deze gevonden hebben storten ze zich naar beneden en grijpen ze de prooi met de lange, krachtige, gele poten.


Lees ook: spechten in Nederland


Voortplanting en trekgedrag

Het nest maken bruine kiekendieven verscholen in het riet. Mannetjes kunnen in een seizoen meerdere vrouwtjes hebben, die dan kort bij elkaar broeden. Een legsel bestaat meestal uit drie tot zes eieren, welke na iets meer dan een maand worden uitgebroed. Na 35 tot 40 dagen zijn de jongen vliegvlug. Ze worden dan nog enige tijd bijgevoerd door de ouders.

Bruine kiekendieven overwinteren hoofdzakelijk in Zuid-Europa en Noord-Afrika. Kleine aantallen overwinteren ook in Zuidwest Nederland. Het is de meest algemene kiekendief in ons land, maar de aantallen nemen helaas wel al jaren af.

Kiekendieven op trek volgen
Kennisorganisatie Grauwe kiekendief – Kenniscentrum Akkervogels (GKA) doet veel onderzoek naar kiekendieven. Ze doen onder andere monitoring in het leefgebied van kiekendieven in Nederland en ze zenderen kiekendieven om ze te kunnen volgen op trek. Via de website kun je een aantal kiekendieven op trek volgen. Je kunt precies zien waar ze overwinteren, welke route ze nemen en waar en hoe vaak ze onderweg tussenstops maken. Met de gegevens wordt er meer kennis vergaard over kiekendieven en kunnen ze beter beschermd worden.

Grauwe kiekendief (Circus pygargus)

Dan volgt de kleinste en slankste kiekendief van het stel. De grauwe kiekendief kan een lichaamslengte bereiken van 39 tot 49 centimeter, met een spanwijdte van 102 tot 123 centimeter.

Mannetjes van de grauwe kiekendief zijn van boven grijs gekleurd met zwarte vleugelpunten en zwarte strepen op de ondervleugels. Een goed verschil met mannetje blauwe kiekendief zijn de vier zichtbare vleugelpunten in vlucht, in tegenstelling tot de vijf die zichtbaar zijn bij de blauwe kiekendief. Vrouwtjes zijn bruin gekleurd met zwarte banden op de vleugels en staart. Vrouwtjes grauwe kiekendieven zijn slanker dan vrouwtjes blauwe kiekendieven.

Grauwe kiekendief (Shutterstock) kiekendieven
Grauwe kiekendieven zijn het kleinste en de slankste van het stel (Shutterstock)

Leefwijze en voedsel

Vroeger bewoonde de grauwe kiekendieven in Nederland hoogveengebieden, duinen en moerassen. Tegenwoordig zijn ze noodgedwongen vooral in akkergebied te vinden, omdat er te weinig ander leefgebied beschikbaar is. Nesten zijn in agrarisch gebied helaas kwetsbaar voor maaimachines en predatie. Door een intensief beschermingsprogramma van onder andere Vogelbescherming en Kenniscentrum Akkervogels is de grauwe kiekendief als broedvogel in Nederland behouden. De grauwe kiekendief heeft de status ‘ernstig bedreigd’ op de Rode Lijst.

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit muizen. Daarnaast worden ook vogels gegeten. In het overwinteringsgebied eten ze vooral sprinkhanen.

Voortplanting en trekgedrag

Grauwe kiekendieven maken ieder jaar een nieuw nest, waarin drie tot vijf eieren worden gelegd. Na ongeveer een maand broeden komen de jonge uit het ei. Na 28 tot 42 dagen vliegen de juveniele dieren uit. Ze worden dan nog zo’n twee weken bijgevoerd.

Het zijn lange-afstandstrekkers en ze vertrekken naar het overwinteringsgebied tussen eind juli en september. Ze trekken tot ver in Afrika. Ten zuiden van de Sahara in landen als Mali en Nigeria overwinteren ze, wanneer ze vanaf half april weer terugkeren in het broedgebied.

Blauwe kiekendief (Circus cyaneus)

Dan zijn we aangekomen bij de derde kiekendief die in Nederland voorkomt, de blauwe kiekendief. Blauwe kiekendieven bereiken een lichaamslengte van 42 tot 50 centimeter en een spanwijdte van 100 tot 121 centimeter. Ook hier worden vrouwtjes groter dan mannetjes. Mannetjes zijn effen blauwgrijs, met zwarte vleugelpunten en een witte stuit. Ook het vrouwtje (en de juveniele dieren) is een prachtige verschijning om te zien. Ze hebben een bruin verenkleed met zwarte banden op de vleugels en de staart. Ze hebben een witte stuit, waardoor ze goed te onderscheiden zijn van vrouwtje bruine kiekendief. Blauwe kiekendieven zijn wat forser gebouwd dan grauwe kiekendieven.

Blauwe kiekendief (Shutterstock) kiekendieven
Mannetjes blauwe kiekendieven zijn spectaculaire roofvogels om te zien (Shutterstock)

Leefwijze en voedsel

Blauwe kiekendieven houden van open en vochtige gebieden. Duinen, akkers (graanvelden) en in andere landen (vroeger ook in Nederland) heidegebieden. ’s Winters zie je overwinterende vogels ook wel in weilanden, maar vooral ook op wintervoedselakkers waar nog voldoende voedsel te vinden is.

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kleine zoogdieren, zoals muizen en jonge konijnen of hazen. Verder worden er ook vogels gegeten en in sommige gevallen amfibieën, reptielen of insecten.

Voortplanting en trekgedrag

De blauwe kiekendief broedt op de grond, in hoge vegetatie zoals droog riet of graan. Ze hebben één legsel waarin 3 tot 7 eieren in ruim een maand worden uitgebroed. Na 32-42 dagen zijn de jongen vliegvlug. Ze blijven dan nog een tijd in de buurt van de ouders.

In Nederland broeden ze alleen nog op een aantal plekken. In 1998 waren er nog 102 broedparen, in 2024 waren er hier helaas nog maar 3 van over (zie SOVON voor meer cijfers). Om het tij te keren heeft Vogelbescherming in 2024 een beschermingsplan opgesteld. Hierin presenteren ze diverse maatregelen om de blauwe kiekendief als broedvogel te behouden.

Blauwe kiekendieven trekken in het najaar naar West- en Zuid-Europa. In de winter komen Scandinavische exemplaren naar ons land om hier te overwinteren.


Lees ook: akkervogels in Nederland


Steppekiekendief (Circus macrourus)

Tot slot nog de meest mysterieuze van de vier: de steppekiekendief. Deze kiekendief kwam hier tot voor kort alleen maar als dwaalgast voor, maar in 2017 werd er plots een broedpaar vastgesteld in een graanakker in Groningen.

De steppekiekendief wordt 40 tot 48 centimeter groot en bereikt een spanwijdte van 100 tot 121 centimeter. De mannetjes zijn goed te herkennen, maar vrouwtjes zijn zeer lastig te onderscheiden van grauwe en blauwe kiekendief. Het mannetje heeft een bijna volledig lichtgrijs verenkleed met enkel op de vleugelpunten een zwarte witvormige vlek. Het zijn slanke, sierlijke vogels met smalle vleugels en een lange staart.

Steppekiekendief man (Shutterstock)
De wigvormige zwarte vlekken op het verder overwegend lichtgrijze verenkleed vallen goed op bij het mannetje steppekiekendief (Shutterstock)

Leefwijze en voedsel

Van oorsprong komt de steppekiekendief dus niet als broedvogel voor in Nederland. Ze broeden hoofdzakelijk op steppes in landen als Kazachstan, Mongolië en Rusland. Tegenwoordig worden ze echter steeds vaker gezien in agrarisch gebied in Oost- en West-Europa. Naast in Nederland zijn er ook nog broedgevallen bekend in onder andere Frankrijk, Spanje, Tsjechië en Finland.

Het voedsel van de steppekiekendief varieert en verschilt mogelijk ook per leefgebied. Zo eten ze kleine zoogdieren zoals muizen en jonge konijnen. Daarnaast worden vogels zoals veldleeuweriken en graspiepers gegrepen, maar worden er ook insecten en reptielen gegeten.

Voortplanting en trekgedrag

Broeden doen steppekiekendieven dus op de steppes of in agrarisch gebied. Net zoals andere kiekendieven broeden ze op de grond en stelt het nest niet zoveel voor. Vaak is het niet meer dan wat gras, bladeren en stengels. Er worden meestal drie tot vijf eieren gelegd.

Steppekiekendieven trekken in het najaar naar het zuiden. Afhankelijk van waar ze broeden naar een ander gebied. Zo zijn er steppekiekendieven die in tropisch Afrika overwinteren en exemplaren die in India overwinteren. Door afname van steppelandschap en intensivering van de landbouw neemt het aantal steppekiekendieven helaas af.

Steppekiekendief vrouw (Shutterstock) kiekendieven
Bij kiekendieven komen ook mengparen voor. Dit zijn twee verschillende soorten kiekendieven die paren en een nest proberen groot te brengen (Shutterstock)

Mengparen
Wist je dat er bij kiekendieven regelmatig mengbroedparen voorkomen? Dit zijn broedparen van twee verschillende soorten kiekendieven. Vaak mislukt het nest echter, maar soms lukt het de twee vogels wel om succesvolle jongen groot te brengen. Benieuwd welke soorten kiekendieven het wel gelukt is om met elkaar te paren en succesvolle jongen groot te krijgen? Lees dan het boek ‘Dwaalgast in het graan’ van Ben Koks & Elvira Werkman! Daarin wordt dit onderwerp ruimschoots behandeld.

Dwaalgast in het graan

Wil je meer te weten komen over de mysterieuze steppekiekendief?

Dan is het boek ‘Dwaalgast in het graan’ van Ben Koks & Elvira Werkman een must-read. In dit boek gaan Ben en Elvira op zoek naar antwoorden nadat de steppekiekendief in 2017 voor het eerst in Nederland broedde. Hoe komt het dat de steppekiekendief opeens broedt op een plek 2500 kilometer verder dan het dichtstbijzijnde bekende nest? Op deze en veel meer andere vragen geven de schrijvers antwoorden. Het boek is te bestellen via bol.com en bevat 285 bladzijdes.

Veel gestelde vragen

Hoeveel soorten kiekendieven zijn er in Nederland?

In Nederland komen vier soorten kiekendieven voor. De bruine kiekendief, de blauwe kiekendief, de grauwe kiekendief en de steppekiekendief. Allen broeden ze in Nederland, al heeft de steppenkiekendief nog maar twee keer in Nederland gebroed (broedt ‘normaal’ in landen als Kazachstan en Rusland). Van de blauwe kiekendief broeden er helaas nog maar enkele paartjes, waar het er in 1998 nog meer dan 100 waren.

Hoe herken je een kiekendief?

Kiekendieven zijn slank gebouwde, middelgrote roofvogels, met relatief lange vleugels en staart. Ze jagen op een kenmerkende manier: laag zwevend en flappend boven het riet of een akker, waarbij ze regelmatig bidden en draaiend hoger in de lucht te zien zijn. Bij kiekendiefparen zie je ook vaak prooioverdrachten in de lucht.

Wat zijn de verschillen tussen de verschillende soorten kiekendieven?

De bruine kiekendief is de grootste van de vier en overwegend bruin gekleurd. Het mannetje heeft zwarte vleugelpunten en het vrouwtje heeft okergele delen in de kop. De vrouwtjes van de blauwe, grauwe en steppekiekendief lijken veel op elkaar. Ze zijn overwegend bruin gekleurd met zwarte banden. Mannetjes van deze drie soorten zijn meer uitgesproken en hebben een overwegend grijs verenkleed met subtiele verschillen onderling. Alle kenmerken lees je verder in de blog!

De serie Roofvogels in Nederland

In totaal zijn er zes delen nodig om de orde Accipitriformes te bespreken. De valken, de orde Falconiformes, worden in een apart deel besproken. De uilen zijn al een keer in een driedelige blog besproken. Via onderstaand overzicht kom je bij de verschillende soorten terecht.

Roofvogels in Nederland – deel I

Buizerd, sperwer en havik – deel II

Kiekendieven – deel III

Wouwen en wespendief– deel IV

Arenden – deel V

Gieren – deel VI

Valken in Nederland

Uilen in Nederland – deel I

Uilen in Nederland – deel II

Uilen in Nederland – deel III

Tot slot

Nu weet je hoe je de verschillende kiekendieven kunt herkennen. Wil je meer handige tips ontvangen over het herkennen van diersoorten, als eerste op de hoogte zijn van de laatste blogs én op de hoogte blijven van winacties? Schrijf je dan nu in voor onze nieuwsbrief!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!