Uilen in Nederland – deel II

Ransuil in boom

In het eerste deel van onze uilenserie kun je lezen over de taxonomie van uilen en hun algemene kenmerken. Ook kwamen daar de kerkuil en de velduil aan bod. In dit tweede deel is de beurt aan de ransuil en de steenuil. Een middelgrote uil en het kleinste uiltje van Nederland.

Omslagfoto: Saxifraga – Mark Zekhuis
Bij deze ransuil kun je goed de oorpluimen zien. Deze zijn een stuk langer dan die van de velduilen (bron: Saxifraga - Martin Mollet)
Bij deze ransuil kun je goed de oorpluimen zien. Deze zijn een stuk langer dan die van de velduil (bron: Saxifraga – Martin Mollet)

Ransuil (Asio otus)

De ransuil wordt nog wel eens verward met de oehoe. Ze hebben beide opvallende oorpluimen, maar de oehoe is groter dan de ransuil en komt ook minder voor. Ransuilen zijn meer verwant aan velduilen. Ze behoren namelijk tot hetzelfde genus, Asio (zie taxonomie in deel I).

De ransuil komt helaas ook minder vaak voor dan vroeger en staat op de Rode Lijst. Net als bij de kerkuil en de velduil in deel I is ook de ransuil afhankelijk van de muizenstand. De natuurlijke cycli van de muizenstand is aangetast door de intensivering van de landbouw, waardoor ook de ransuil het de laatste jaren steeds moeilijker heeft. Maar ook de toename van haviken is een bedreiging voor de ransuil, want haviken jagen op ransuilen.

Kenmerken

Zoals eerder benoemd, vallen vooral de geeloranje ogen en de oorpluimen op. De ransuil wordt ongeveer 35-37 centimeter groot en heeft een spanwijdte van 85-100 centimeter. Het verenkleed van deze uil is overwegend donkergeel met zwartbruine strepen en vlekken. De onderzijde is lichter van kleur, maar ook daar zie je donkere strepen en vlekken.

De ransuilen: oranje of geeloranje ogen, lange oorpluimen en een duidelijke gezichtssluier (bron: Saxifraga - Martin Mollet)
De ransuil: oranje of geeloranje ogen, lange oorpluimen en een duidelijke gezichtssluier (Saxifraga – Martin Mollet)
Bedelroep van drie jonge ransuilen (xeno-canto – Alain Malengreau)

Verspreiding en voedsel

Ransuilen kun je in verschillende soorten landschappen tegenkomen, maar er moeten in ieder geval open velden aanwezig zijn met muizen. Muizen zijn het belangrijkste onderdeel op het menu van de ransuil. Maar ook kleine vogels worden gegeten, zoals mus, spreeuw of een vinkachtige. Deze uil kwam vroeger juist meer voor in bossen, maar door de toename van haviken zijn ze daar vrijwel uit verdwenen. Ransuilen houden van landschapselementen als houtwallen, hagen en kruidenrijke akkers en akkerranden. Daarnaast zitten deze uilen ook wel in solitaire, hoge bomen. In de winterperiode (oktober-maart) zijn er soms grote groepen ransuilen op een roestplaats. Daar brengen ze met elkaar de winter door.

Volwassen uilen blijven bij de nestplaats, maar jonge ransuilen kunnen soms wel honderden kilometers trekken voor een nieuwe verblijfplaats. Er zijn daarom soms ook ransuilen uit Rusland en Noord-Europa in Nederland.

Verspreidingskaart ransuil 2023
Verspreidingskaart ransuil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broeden

Ransuilen gebruiken vaak oude nesten van kraaien of eksters. Hier ligt ook een van de redenen waarom het minder goed gaat met de ransuil: er zijn steeds minder nesten beschikbaar.

Ransuilen leggen vier tot zes eieren per legsel, maar dit is afhankelijk van het voedselaanbod. In jaren met weinig muizen kan het ook voorkomen dat er geen eieren gelegd worden. In het geval dat er wel eieren zijn, worden deze vanaf het eerste ei bebroed. De broedperiode van de ransuil is in de maanden maart en april. Na drie weken worden de jonge ransuilen zogenaamde takkelingen. Ze klimmen dan rond in de bomen rondom het nest. Je kunt in deze periode de jonge ransuilen goed horen: ze laten veelvuldig hun bedelroep horen (zie het audiofragment bij het kopje ‘voedsel en verspreiding’). Na zo’n vijf weken zijn de jongen vliegvlug en leren ze steeds meer zelfstandig te leven.

Een jonge ransuil als takkeling in een boom, waarschijnlijk nog in de buurt van het nest (Saxifraga - Jelmer Reyntjes)
Een jonge ransuil als takkeling in een boom, waarschijnlijk nog in de buurt van het nest. De oorpluimen zijn al zichtbaar (Saxifraga – Jelmer Reyntjes)

Help de ransuil een handje

Komt de ransuil bij jou in de buurt voor? Op Waarneming.nl kun je dat nagaan. Het is ook goed om je waarneming van een ransuil door te geven, zodat in kaart gebracht kan worden waar er bijvoorbeeld gebroed wordt. Mocht je het geluk hebben en er is een ransuil in jouw buurt, dan kun je verschillende dingen om hem te helpen. Zo kun je al beginnen met het niet bestrijden van muizen. Of in ieder geval geen gif te gebruiken. Zo scheep je de ransuil (en andere diersoorten) niet op met vergif in zijn eten. Wanneer je veel ruimte hebt, kun je landschapselementen aanleggen, zoals houtwallen en hagen. Ook zou je een kunstnest (hier te bestellen via Vivara) kunnen plaatsen. Rommelige hoekjes met ruige stukken zijn weer aantrekkelijk voor muizen, en dus ook voor de ransuil.


Lees ook: hoe plant ik een boom?


Steenuil (Athena noctua)

Kenmerken

De steenuil is de kleinste uil van Nederland. Hij is tussen de 21-23 centimeter groot en heeft een spanwijdte van 54-58 centimeter. Bij gevaar kan de steenuil zijn veren wat opzetten, zodat hij groter lijkt. Eigenlijk is de steenuil niet veel groter dan de merel, maar heeft ander postuur en oogt daarom groter. Opvallend aan deze uil zijn de gele ogen. Daarboven zijn opvallend lichte wenkbrauwen te zien. De rest van het verenkleed is voornamelijk bruin met witte vlekken. Steenuilen hebben een grappig loopje, waarbij ze op een ijsberende manier heen en weer lopen.

De steenuil is de kleinste uil van Nederland en is niet veel groter dan een merel
De steenuil is de kleinste uil van Nederland en is niet veel groter dan een merel
Een roepende steenuil (xeno-canto – Luca Baghino)

Voedsel en verspreiding

Ook het menu van de steenuil bestaat voornamelijk uit veldmuizen. Maar ook kleine vogels en grote insecten worden gegeten, waaronder nachtvlinders en meikevers. De steenuil houdt van een agrarisch cultuurlandschap, waar landschapselementen zijn te vinden als houtwallen, heggen en weilandjes die extensief begraasd worden. Steenuilen maken ook graag gebruik van weidepaaltjes, om vanaf te jagen. Oude holle fruitbomen of knotwilgen zijn ook belangrijk voor dit kleine uiltje.

Volwassen steenuilen blijven in de buurt van de nestplaats. Ook de jongen gaan niet heel ver weg, zij blijven vaak in een omtrek van enkele kilometers van het nest.

Verspreidingskaart steenuil 2023
Verspreidingskaart steenuil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broeden

Steenuilen zijn holenbroeders en hebben graag een holle boom om hun jongen in groot te brengen. Zo zijn knotwilgen en fruitbomen een geliefde broedplek. De broedperiode is in de periode april-mei. De steenuil legt 3-5 eieren en het duurt zo’n 24-28 dagen voordat de eieren uitkomen. Na een maand verlaten de jonge steenuiltjes het nest, maar ze zijn op dat moment nog niet vliegvlug. Dat duurt ongeveer nog twee weken. De jongen worden dan nog een dikke maand door de ouders verzorgd. Daarna is het dan tijd geworden om een eigen territorium te vinden. Jonge steenuilen blijven vaak binnen tien kilometer van de nestplaats.

Een jonge, nog niet vliegvlugge, steenuil zit in een boom (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Een jonge, nog niet vliegvlugge, steenuil zit in een boom (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Naast oude holle bomen kan de steenuil ook broeden in rustige hoekjes op een erf of in een oude schuur. Ook heeft de steenuil veel aan nestkasten, omdat ook voor deze uil de omgeving de laatste jaren drastisch is veranderd. De steenuil staat ook op de Rode Lijst. Broedende steenuilen zijn te volgen bij Beleef de Lente.

Helpende hand

Ook de steenuil kun je een handje helpen. Je kunt bijvoorbeeld een nestkast (Vivara.nl) plaatsen. Je kunt er zelf ook eentje maken of een andere kopen, maar let er in ieder geval op dat de nestkast marterproof is. Door middel van een voorportaal in de nestkast, kan de marter niet (of minder makkelijk) bij de eieren en jongen. In het geval je drinkbakken voor vee hebt staan, kun je hier een steenuilvriendelijke geperforeerde binnenbak in plaatsen. Als een (jonge) steenuil dan in de bak water belandt, kan hij eruit klimmen.


Lees ook: poel aanleggen in de tuin


Uilen in Nederland – deel I & III

In de eerste blog van deze driedelige serie hebben we de algemene kenmerken en de eerste twee uilensoorten besproken. In dit tweede deel kwamen ransuil en steenuil aan bod. In deel drie zullen de oehoe, bosuil en dwaalgasten besproken worden.

Uilen in Nederland deel I: algemene kenmerken uilen, kerkuil en velduil.

Uilen in Nederland deel III: oehoe, bosuil en dwaalgasten

Uilen in Nederland – deel I

Uilen zijn geruisloos en mysterieus. Je zult er niet snel eentje zien, maar wanneer je dat geluk wel hebt, zal de ontmoeting je altijd bij blijven. Er broeden verschillende soorten uilen in Nederland. Daarnaast zijn er ook af en toe dwaalgasten in ons land te vinden. Al deze soorten zullen in deze uilenreeks worden behandeld. Hier in deel I gaan we in op de algemene kenmerken van uilen en lichten we twee soorten uit.

De velduil is een voorbeeld van een uil die overdag jaagt
De velduil is een voorbeeld van een uil die overdag jaagt

Algemene kenmerken van uilen

Waarschijnlijk ken je het bekendste kenmerk van uilen wel: ze kunnen hun nek heel ver draaien. Uilen hebben veertien nekwervels, wat ervoor zorgt dat ze hun nek zowel ver heen en weer kunnen draaien als van boven naar beneden kunnen bewegen. Ter vergelijking: de mens heeft de helft zoveel nekwervels, namelijk zeven. Het is voor uilen belangrijk om hun nek op die manier te kunnen draaien, want ze kunnen niet opzij kijken en hun ogen zitten vast in de schedel. Uilen hebben grote ogen en kunnen alleen maar vooruit kijken. Hoewel de ogen groot zijn, kunnen uilen niet goed van dichtbij zien.

Taxonomie broedende uilen in Nederland (De natuur van hier)
Taxonomie broedende uilen in Nederland (De natuur van hier)

Stilte in de nacht

Een ander opvallend kenmerk is hun geruisloze vlucht. Dit heeft alles te maken met het verenkleed van de uil. Deze is anders opgebouwd dan de veren van andere soorten vogels. Uilen hebben donsveren en kamveren in hun verenkleed zitten. De donsveren zorgen voor een isolerende werking. De kamveren zien eruit als kleine kammetjes, waar de wind doorheen kan. Daardoor hoor je de wind niet op de veren en vliegt de uil geruisloos door de nacht.

Door de verschillende veren in het verenpak kan een uil geruisloos vliegen zo een prooi verrassen
Door de verschillende veren in het verenpak kan een uil geruisloos vliegen en zo een prooi verrassen

Gehoor

Oorpluimen: bij de velduil, ransuil en oehoe zijn duidelijke oorpluimen te zien. Andere uilen hebben deze niet. Dat betekent niet dat zij niet kunnen horen, want de oorpluimen hebben eigenlijk niks met het horen te maken. De oorpluimen laten de fysieke gesteldheid en status van de uil zien. Sterke en gezonde uilen hebben grote oorpluimen, waar zwakke, oude of zieke uilen kleine oorpluimen hebben.


Lees ook: arenden in Nederland


De oren zitten bij sommige soorten asymmetrisch. Dit is zo bij alle soorten van geslacht Asio en Tyto en bij sommige soorten van Strix, Bubo en Aegolius. Dit helpt met het lokaliseren van een mogelijke prooi. Wanneer het geluid op net twee verschillende plekken in de hersenen binnenkomt, kan de uil de locatie van het prooidier bepalen en toeslaan. Er zijn ook uilensoorten die symmetrisch zittende oren hebben. Het blijkt dat zij ’s nachts minder graag vliegen. Uilen met asymmetrische oren hebben daar geen moeite mee.

De bosuil hierboven draait zijn ver naar achteren. Uilen kunnen hun hoofd bijna helemaal draaien
De bosuil hierboven draait zijn nek ver naar achteren. Uilen kunnen hun hoofd bijna helemaal draaien

Verder heeft de uil een haaksnavel, welke nodig is om prooien in stukken te scheuren. Uilen hebben gevederde poten, die langer en smaller zijn dan je in eerste instantie zou vermoeden.

Broedende uilen in Nederland

Bijna overal ter wereld komen uilen voor, in allerlei soorten en maten. In Nederland kennen we zes soorten die hier broeden. Er duiken soms ook dwaalgasten op. Deze soorten broeden vrijwel nooit in Nederland, althans niet op dit moment. Al deze soorten zullen in de komende blogs besproken worden. Uilen die in Nederland broeden:

  • Kerkuil (Tyto alba)
  • Velduil (Asio flammeus)
  • Ransuil (Asio otus)
  • Steenuil (Athena noctua)
  • Oehoe (Bubo bubo)
  • Bosuil (Strix aluco)

Lees ook: hoe maakt een spin een spinnenweb?


Kerkuil (Tyto alba)

We beginnen gelijk met een beetje een vreemde eend in de bijt wat betreft de taxonomie van uilen: de kerkuil. Deze uil hoort, zoals hierboven te zien is in de taxonomie, niet tot de echte uilen. Het verschil zit in meerdere zaken. Zo is de vlucht van kerkuilen meer glooiend dan de vlucht van uilen die tot de echte uilen behoren. Ook is de staart van de kerkuil rechthoekig, die van echte uilen niet.

Kenmerken

Opvallend aan de kerkuil is het witte, hartvormige gezicht. De kerkuil is een vrij grote vogel en wordt tussen de 35-40 centimeter groot. De spanwijdte bedraagt tussen de 80-100 centimeter. Hoewel de kerkuil vaak wordt omschreven als witte vogel, zijn er vele nuances in het verenkleed. De kleurvariaties gaan van licht tot meer lichtbruin. De veren hebben een gespikkeld patroon. Aan de hand van de strepen op de handpennen kan bepaald worden of het om een mannelijk of vrouwelijk exemplaar gaat. Dit komt erg precies. Strepen die breder dan 7,5 millimeter zijn, duiden op een vrouwtje. Strepen onder de 7,5 millimeter breedte zijn van een mannetje.

Het witte, hartvormige gezicht van de kerkuil is een van de meest opvallende kenmerken
Het witte, hartvormige gezicht van de kerkuil is een van de meest opvallende kenmerken
Roep van de kerkuil (xeno-canto – Simon Elliott)

Verspreiding en voedsel

De kerkuil komt voor in cultuurlandschap waar kruidenrijke akkers/akkerranden, houtwallen, graslanden en akkers aanwezig zijn. In bossen zul je hem niet gauw vinden. Zijn naam verraadt al de voorliefde voor broedplekken: in kerken. Maar ook hoge schuren, liefst met hooi of stro worden graag gebruikt. Dit zijn plekken waar van oudsher altijd veel muizen voorkwamen, de prooidieren die bijna het gehele menu van de kerkuil beslaan. Helaas heeft ook de kerkuil te maken met het economische aspect van de landbouw. Doordat er geen ouderwetse opslagplaatsen meer worden gebruikt in opslagschuren, is het muizenaantal drastisch afgenomen en daarmee ook het voedsel voor de kerkuil. Daardoor is de kerkuil vrij afhankelijk geworden van nestkasten.

Verspreidingskaart kerkuil 2023
Verspreidingskaart kerkuil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broedperiode

In februari begint het paargedrag. Kerkuilen gaan op zoek naar nestgelegenheid en zijn beide vaker te vinden bij het nest. Kerkuilen maken niet zelf een nest met takken of nestmateriaal, maar zoeken een plekje in een holle boom (bij uitzondering) of in een schuur. Afhankelijk van het voedselaanbod (muizen) is het een groot of kleiner nest. Jaren waarin er weinig muizen zijn, wordt er soms zelfs helemaal niet gebroed.

Meestal legt het vrouwtje tussen de 4-6 eieren, maar wanneer er veel muizen zijn kunnen het zelfs twaalf eieren zijn. In goede muizenjaren kunnen er meerdere legsels zijn. De eieren worden tussen eind maart en mei gelegd en komen niet tegelijk uit, maar met enkele dagen er steeds tussen. Er kan best wat tijd tussen het eerste en laatste ei zitten. Daardoor zit er vaak ook veel verschil tussen het eerste en laatste kuiken. Bij Beleef de Lente kun je het broedproces goed volgen. Ook op ons eigen YouTubekanaal kun je enkele filmpjes vinden van de kerkuil, gemaakt met een wildcamera/nestcamera in eigen schuur in een nestkast.

Kerkuilen gebruiken paaltjes als zitplek om 's nachts vanaf te jagen
Kerkuilen gebruiken paaltjes als zitplek om ’s nachts vanaf te jagen

Tijdens het broeden zorgt de man voor het eten voor het vrouwtje. Kerkuilen hebben een sterke paarband en er worden rondom het nest geen andere kerkuilen geduld. Het vrouwtje is ongeveer een maand aan het broeden voordat de eerste eieren uitkomen. Na zo’n twee maanden zijn de kerkuiljongen vliegvlug en zullen ze de eerste rek- en strekoefeningen van de vleugels doen. Na nog zo’n twee weken worden de jongen steeds zelfstandiger en zullen ze minder door hun ouders worden gevoerd. Uiteindelijk vliegen de jongen uit en moeten ze op zoek naar een eigen territorium. Na een jaar zijn de jongen geslachtsrijp en kunnen ze hun eigen nest stichten.


Lees ook: tips voor het aanleggen van een natuurtuin


Velduil (Asio flammeus)

De velduil behoort tot de familie echte uilen. Hij valt op met zijn karakteristieke oorpluimen. Ook de ransuil en oehoe hebben deze. Zoals je aan het begin hebt kunnen lezen, hebben deze oorpluimen niks met hun gehoor te maken. De velduil is een grote uil die je ook overdag kunt zien. Velduilen kunnen vele kilometers afleggen. Velduilen zijn trekvogels en trekken in het voorjaar en het najaar. Ze hebben geen vaste trekroutes. Velduilen zijn echte zwervers en zijn altijd op zoek naar de beste plek met het meeste voedsel. In het najaar trekken velduilen naar het zuiden. Je hebt dan kans om een trekkende velduil langs de kust of op de Waddeneilanden te zien.

De felgele ogen van de velduil vallen erg op. Ook de korte oorpluimen zijn hier goed te zien
De felgele ogen van de velduil vallen erg op. Ook de korte oorpluimen zijn hier goed te zien

Kenmerken

Zoals je hierboven kunt zien, heeft de velduil felgele ogen. De oorpluimen van de velduil zijn vrij klein en niet altijd zichtbaar. De ronde gezichtssluier is ook opvallend. De velduil is een grote uil en kan ongeveer 40 centimeter groot worden. De spanwijdte bedraagt tussen de 95 en 110 centimeter. De velduil heeft lange vleugels.

De velduil is een vrij lichtgekleurde uil, van licht tot geelbruin. In vlucht valt goed op dat de velduil van onder heel licht gekleurd is, met donkere veren in de vleugels. De bovenkant van het verenkleed is juist gespikkeld van lichtbruin tot donkerbruin. Zo is deze uil tijdens het broeden goed gecamoufleerd.

Hier zijn de donkere tekeningen in de vleugel duidelijk te zien
Hier zijn de donkere tekeningen in de vleugel duidelijk te zien
De roep van de velduil, een roep die je niet gauw zult horen (xeno-canto – Lars Edenius)

Verspreiding en voedsel

Deze uil jaagt overdag. Hij leeft in graslanden en open velden, het liefst in een moerassige omgeving, ook wel bij veengebieden. Je kunt hem dan laag over de weilanden zien scheren, op zoek naar zijn favoriete maal: aardmuizen en veldmuizen. Net als de kerkuil heeft ook de velduil last van de intensivering van de landbouw en de ruilverkaveling van vroeger. Het is inmiddels een zeldzame broedvogel geworden en staat op de Rode Lijst.

Verspreidingskaart velduil 2023
Verspreidingskaart velduil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broedperiode

Velduilen maken een nest op de grond. Dit is een kwetsbare plek, makkelijk te roven door dieren als vos of marterachtigen. Het nest bestaat meestal uit 6-10 eieren, maar dit is afhankelijk van het voedselaanbod. Het vrouwtje broedt in de maanden april en mei. Het duurt ongeveer drie tot vier weken voor de eieren uit komen. Er zijn ook jaren waarin er niet gebroed wordt en jaren waarin er meer dan tien eieren uitgebroed worden. Net als bij de kerkuil hierboven komen de eieren met tijdverschil ertussen uit, dus er zit verschil in leeftijd van de opgroeiende jongen. Het vrouwtje broedt in een kleine kuil. Omdat het op een kwetsbare plek is, moeten de jongen zich al snel kunnen redden. Dit is ook zo bij bijvoorbeeld weidevogels. Na ongeveer twee weken zijn ze al in de omgeving rondom het nest.

Veelgestelde vragen

Welke uilensoorten zijn er in Nederland?

  • Kerkuil (Tyto alba)
  • Steenuil (Athena noctua)
  • Bosuil (Strix aluco)
  • Ransuil (Asio otus)
  • Velduil (Asio flammeus)
  • Oehoe (Bubo bubo)

Wat is de meest voorkomende uil in Nederland?

Op basis van de meest recente cijfers van Vogelbescherming is de steenuil de meest voorkomende uil van Nederland. Er zijn circa 8000-9500 broedparen. Het aantal broedparen is in de jaren ’90 afgenomen, maar lijkt (door gericht beheer) de laatste jaren stabiel te blijven.

Waarom maakt een uil geen geluid tijdens het vliegen?

Dit heeft te maken met de veren van de uil. Het verenpak bestaat uit verschillende soorten veren, waaronder donsveren en kamveren. Deze twee soorten veren zorgen ervoor dat het geluid wordt geïsoleerd en dat de wind door de veren heen gaat. Daardoor hoor je uilen niet vliegen.

Hoe kan het dat een uil zijn hoofd zo kan draaien?

Uilen hebben veertien nekwervels, waardoor ze hun nek flexibel kunnen draaien. Ze kunnen hun hoofd tot wel 270 graden draaien. Uilen moeten hun hoofd zo kunnen draaien, omdat hun ogen vastliggen in de schedel. Om dat te compenseren voor de jacht, kunnen ze hun nek zo draaien.

Hoe worden jonge uilen genoemd?

De jongen van uilen worden eerst kuikens, ook wel uilskuikens, genoemd. Je kent vast het woord vast wel van een keer dat het werd gebruikt om iets doms aan te duiden. Vroeger werd er gedacht dat uilen en hun kuikens dom waren. Misschien dat het gedrag van uilskuikens daar onbedoeld aan bij heeft gedragen, want ze kunnen zich wat onhandig gedragen. Jongen zijn na enkele weken zogenaamde takkelingen. Ze komen dan uit het nest, maar kunnen nog niet (goed) vliegen. Ze schuifelen heen en weer over de takken en vallen dan wel eens naar beneden. Dit is niet erg, want met hun scherpe klauwen klimmen ze weer naar boven.

Uilen in Nederland – deel II & III

In de eerste blog van deze driedelige serie hebben we de algemene kenmerken en de eerste twee uilensoorten besproken. In de volgende twee delen zullen de andere vier soorten uilen aan bod komen en worden de dwaalgasten kort besproken.

Uilen in Nederland deel II: ransuil en steenuil

Uilen in Nederland deel III: oehoe, bosuil en dwaalgasten

Dierensporen herkennen

Dierensporen in de sneeuw

Door het hele jaar heen kun je overal dierensporen tegenkomen. In de winter vallen bepaalde sporen extra goed op, zoals voetsporen in de sneeuw. Naast voetsporen zijn er vele andere sporen van dieren te vinden, waar je uit kunt afleiden wat ze bijvoorbeeld hebben gegeten of waar een territoriumgrens loopt. Hieronder lichten we dierensporen uit en geven we je tips waar je op kunt letten bij je zoektocht naar sporen en de eigenaar ervan.

Niet alleen in sneeuw, maar ook op andere vochtige of natte ondergronden kun je vaak duidelijke voetsporen terugvinden. Let er ook maar eens op bij grote waterplassen en rondom poelen met modderige randen
Niet alleen in sneeuw, maar ook op andere vochtige of natte ondergronden kun je vaak duidelijke voetsporen terugvinden. Let er ook maar eens op bij grote waterplassen en rondom poelen met modderige oevers

Inhoudsopgave

Alle dieren laten sporen achter, maar het ene spoor zal meer zichtbaar zijn dan het andere. Van sommige dieren zijn de sporen makkelijker te vinden dan van andere dieren. Denk maar eens aan een omgeknaagde boom: overduidelijk dat hier een bever aan het werk is geweest. Daarnaast spelen ook de weersomstandigheden mee. Als het een tijd heeft geregend en de grond is drassig geworden, zul je sneller voetsporen zien dan in drogere periodes. Wanneer je weet waar je op moet letten, zul je steeds meer sporen ontdekken. Hieronder volgt een overzicht van verschillende soorten dierensporen.

Voetspoor lynx in Slovenië (De natuur van hier)

Voetafdrukken

Het verschilt erg per ondergrond of je überhaupt sporen kunt vinden. Wanneer het drassig is of er ligt sneeuw of nat zand, zul je sporen kunnen vinden van zoogdieren als vos, ree en das en allerlei soorten en maten vogelpootjes (met en zonder zwemvliezen). Maar ook dieren zonder voeten laten sporen achter. Een slangenspoor zul je al vrij snel herkennen in het zand.

Niet alleen de afdrukken (prenten) vertellen ons iets over het dier, maar ook de manier waarop de poten zijn neergezet. Kun je uit het spoor afleiden of het dier rustig liep of misschien opgejaagd werd? Is de pas kalm of zie je de haast die het dier had?

Voetspoor lynx in Slovenië (De natuur van hier)

Soorten voetafdrukken

Met alle soorten dieren zijn er ook net zoveel soorten voetafdrukken te vinden. We kunnen onderscheid maken in voetafdrukken van dieren met tenen (teengangers) en dieren met zolen (zoolgangers). Dieren met zolen zijn bijvoorbeeld vos, das, haas en konijn. In het spoor zie je het midden van de zool met daaromheen de afdrukken van de tenen. De mens is ook een zoolganger. Teengangers kunnen we nog verder onderverdelen in teentopgangers en teengangers. Teentopgangers zijn dieren waarvan je alleen de afdruk van de derde en vierde teen ziet, zoals bij zwijnen, herten en runderen. Teengangers, zoals de wolf en de vos, zijn vaak sneller dan zoolgangers en daardoor zie je enkel vier tenen in de afdruk.

Er zijn natuurlijk ook dierensporen die op elkaar lijken, zoals de hond en wolf of van de haas en konijn. Hierbij is het belangrijk dat je dan let op de pas van het dier. Zo kun je het verschil tussen hond en wolf ontdekken. De grootte van de sporen telt ook mee. Voetafdrukken van de haas zullen iets groter zijn dan de sporen van een konijn.


Lees ook: 10 tips voor meer vogels in je tuin


Uitwerpselen

Naast de voetafdrukken zijn uitwerpselen ook duidelijke sporen die dieren achterlaten. Dieren hebben elk hun eigen manier in het achterlaten van uitwerpselen. Vaak tekent het een territorium van een dier af. Zo laat de wolf vaak uitwerpselen op paden achter, goed zichtbaar en ruikbaar voor andere dieren.

Uitwerpselen van een wolf (Saxifraga-Jan van der Straaten)

Uitwerpselen van een wolf (Saxifraga-Jan van der Straaten)

Inhoud en vorm

De inhoud van de uitwerpselen vertellen vervolgens nog wat meer. Vaak kun je nog wel zien wat het dier gegeten heeft: bessen, zaden, grassen of juist een ander dier. Dan zul je botjes of veren, stukjes haren en vacht tegenkomen. Zo weet je gelijk of je met een carnivoor (vleeseter), herbivoor (planteneter) of omnivoor (alleseter) te maken hebt.

De vorm is ook van belang. De uitwerpselen van roofdieren als vos, wolf en marters hebben vaak een gedraaid puntje aan het uiteinde van de keutel. De ronde konijnen keuteltjes kennen de meeste mensen wel. Andere dieren, zoals de das, hebben soms een grote brij uitwerpselen, zonder enige vorm. Dassen maken kuiltjes om de uitwerpselen naderhand te kunnen bedekken, dit zijn zogenaamde dassenputjes. Maar laat je niet voor de gek houden, want de vorm en inhoud van uitwerpselen kunnen per periode in het jaar verschillen. Dit is afhankelijk van het voedselaanbod.

Duidelijke vraatsporen van de bever. Nog vrij vers, aan de lichte kleur van het aangetaste hout te zien (De natuur van hier)

Vraatsporen

Een duidelijk voorbeeld van vraatsporen zijn de sporen van de bever. Langs de randen van beken en rivieren kun je ze tegenkomen: allerlei (deels) omgeknaagde bomen, van groot tot klein en van jong tot oud. De bever heeft ze nodig voor het bouwen van dammen en burchten. Vaak zie je op de grond de houtsnippers nog liggen. Ook kun je vaak duidelijke wissels zien, de plekken waar de bever uit en in het water gaat, en de paden die hij gebruikt.

Andere vraatsporen

De sporen van de bever vallen over het algemeen goed op. Er zijn meer dieren die knagen en knabbelen aan bomen, maar die sporen vallen vaak wat minder op. Reeën zijn bijvoorbeeld dol op jonge, verse twijgjes van bomen. Je kunt het herkennen aan afgeknapte takken, beschadigde struiken enzovoorts. Ook boomschors staat op het menu.

Zwijnen laten ook vraatsporen na, maar deze moet je op de grond zoeken. Zij woelen vaak de grond om, op zoek naar onder andere eikels en bodemdiertjes. Kleinere dieren als vogels of eekhoorns eten graag dennenappels. Je kunt dennenappels tegenkomen die deels opgegeten zijn. Leeggegeten slakkenhuisjes duiden op de aanwezigheid van bijvoorbeeld de lijster.

Vossen krijgen hun jongen in holen. Deze holen kunnen zich bevinden onder boomwortels, maar ook in dassenburchten
Vossen krijgen hun jongen in holen. Deze holen kunnen zich bevinden onder boomwortels, maar ook in dassenburchten

Nog meer dierensporen

De meest opvallende of duidelijke dierensporen hebben we hierboven benoemd. Er zijn nog veel meer dierensporen te ontdekken. Zo kun je in de zomer schuurplekken tegenkomen: bomen waar herten met hun gewei tegenaan schuren om jeuk van de huid (basthuid) te verlichten. Of ligplekken in het gras waar bijvoorbeeld een ree heeft liggen rusten. Zo lang je genoeg om je heen kijkt en weet je waar je een beetje op moet letten, zul je vele sporen ontdekken. Zwijnen schuren zich ook graag tegen bomen aan. Eerst rollen ze in de modder, waarna ze zich tegen bomen schuren. Dit om parasieten tegen te gaan.

Prooiresten kun je ook tegenkomen. Denk maar eens aan een hoopje veren, de restanten van een kaalgeplukte prooi door een roofvogel. Of de braakballen van een uil, vol met kleine botjes, veertjes of vacht en andere onverteerbare stukjes. Je kunt ze uitpluizen (met pincet) om zo te bekijken wat er in de maag van de uil heeft gezeten.


Lees ook: vogelgeluiden leren herkennen


Verder kun je nog letten op:

  • Wildspoor/wissels: dieren gebruiken vaak dezelfde paadjes om zich te verplaatsen of om ergens te kunnen drinken. Je ziet dit terug in het landschap: smalle paadjes door struikgewas verraden vaak dat het pad gebruikt wordt door wild.
  • Holen: wanneer je ergens een hol ziet, kun je (op afstand!) observeren of het in gebruik is of niet. Let hierbij op graafsporen, voetsporen en restjes nestmateriaal. Kijk nooit in het hol, gebruik geen zaklamp en wees zo stil mogelijk.
  • Nesten: vooral in de winter kun je goed zien waar de vogels eerder in het jaar een nestje hebben gemaakt. Sommige soorten komen weer terug op het oude nest, zoals kraaiachtigen en zwaluwen. Wanneer de bomen, struiken en heggen in blad staan, wordt het lastiger om nesten te zien. Tijdens het broedseizoen kun je vogels op en af zien vliegen en valt (de aanwezigheid van) het nestje hierdoor beter op.

Kortom: waar moet je op letten?

VoetafdrukkenUitwerpselenVraatsporenAndere dierensporen
Zoolganger of teengangerVorm: groot, klein, rond, lang, uiteindeVersheid van geknaagd hout (lichte houtkleur)Wildspoor/wildwissels
Grootte van de pootafdrukInhoud: vleeseter of planteneterGeschilde bomenHolen
Afstand tussen de pootafdrukeknKleur (bijv. van bessen)Nesten
Hier is het loopspoor van het dier goed te zien, in dit geval van een wolf (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Hier is het loopspoor van het dier goed te zien, in dit geval van een wolf (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Lees ook: waarom houden dieren een winterslaap?


Aan de slag!

Dierensporen kun je dus overal vinden en tegenkomen. Hoe meer je erop let, hoe meer je zal opvallen. Daardoor zul je dierensporen steeds sneller herkennen. Het kan handig zijn om een dierensporenboekje te gebruiken, zodat je gelijk kunt opzoeken en vergelijken. Er zijn ook apps en zoekkaarten te vinden die je kunnen helpen om de eigenaar van het spoor te bepalen. ObsIdentify is een handige app daarvoor, ook om planten en dieren te determineren.

Wanneer je foto’s maakt van het spoor, is het verstandig om te letten op:

  • Schaduw: blok de zon, want schaduw vertekent het beeld.
  • Grootte: leg een (pin)pas of liniaal naast het spoor. De rand van de pas of de 0 van de liniaal leg je gelijk met de bovenkant van het spoor.
  • Loopspoor: elk dier beweegt op zijn eigen manier.
  • Schedel: tanden vertellen bijna alles. Probeer deze dus op de foto te zetten, of de plekken waar ze hebben gezeten.

Wanneer je bovenstaande tips hebt gebruikt, kun je de foto uploaden op waarneming.nl. De foto kan nu beter beoordeeld worden en daarmee krijg je een beter idee van welk dier het spoor is.

Boekentip

Voor wie op pad wil met een dierensporenboekje, kunnen we onder andere ‘Dierensporen – levensgroot’ van Frank Hecker aanraden. Niet alleen beschrijft hij dierensporen in dit boek, maar er wordt ook dieper ingegaan op de dieren zelf. De levenswijze, manier van bewegen, voortplanting en nog veel meer.

Het is een handig formaat boek en ideaal om mee te nemen op pad, zowel voor jong als oud.

Het boek telt 112 bladzijdes en is prachtig geïllustreerd. Een aanrader! Het boek is hier (bol.com) te bestellen.


Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

De verschillen tussen bijen, wespen, hommels en hoornaars

Bijen

In Nederland komen vele soorten vliesvleugeligen voor. Deze zijn beter bekend onder de noemer bijen, wespen, hommels en hoornaars, maar verder horen ook onder andere de mieren tot deze orde. Maar wat zijn nou die kenmerken die de bijen, wespen, hommels en hoornaars van elkaar verschillen? In deze blog komen deze verschillen aan bod, zodat je de volgende keer weet wat er voorbij vliegt.

Taxonomie

Taxonomisch zijn bijen en hommels meer met elkaar verwant, en de wespen en hoornaars ook met elkaar. De soorten zijn allemaal met elkaar verbonden doordat ze allemaal behoren tot de onderorde Apocria. Het gemeenschappelijke van deze dieren is dat ze allemaal een wespentaille hebben. Dit houdt in dat het achterlijf in twee segmenten is verdeeld, wat bij de meest insecten niet het geval is. Binnen deze onderorde zijn een helebooel (super)families, waaronder de bijen en hommels en de wespachtigen.

Saksische wesp
Saksische wesp

Fysieke verschillen

Het best op te merken zijn de fysieke verschillen tussen de vier soortgroepen. Wespen zijn over het algemeen het kleinste, met een lichaamslengte van 9 tot 17 millimeter en een opvallen smalle taille. Ze zijn daarnaast kenmerkend geel en weinig behaard. Bekende soorten zijn de Duitse wesp en de gewone wesp. Verder zijn er bijvoorbeeld ook metselwespen en veldwespen.

Verschil bij, hommel, wesp, (Bron: wespennest Vlaanderen)hoornaar
Verschil bij, hommel, wesp, hoornaar (Bron: wespennest Vlaanderen)

Lees ook: wat is het verschil tussen een amfibie en een reptiel?


Hommels worden net zo groot als wespen (9 tot 17 millimeter), maar hebben een dikker achterlijf. Het lijf is daarnaast behaard en het lichaam is in afwisselende kleurenbanden getekend, wat roofdieren afschrikt. Bekende hommelsoorten in Nederland zijn de akkerhommel en aardhommel. Bijen zijn, net zoals hommels behaard, maar deze is bij hommels wel nadrukkelijker aanwezig. Bijen en hommels worden ongeveer even groot (11-18mm). De honingbij en de rosse metselbij zijn bekende soorten die we in Nederland vinden.

Tot slot komen er nog twee hoornaars voor in Nederland, die beduidend groter zijn dan de andere wespen en bijen. De Europese hoornaar is de grootste en wordt met zijn 25 tot 35 millimeter vaak wel twee keer zo groot als andere wespachtigen. De Aziatische hoornaar, een invasieve exoot, blijft iets kleiner met een lichaamslengte van 20 tot 30 millimeter, maar is nog steeds een imposante verschijning. Andere belangrijke fysieke verschillen tussen de twee zijn de kleur van het borsstuk (zwart bij de Aziatische en geel bij de Europese) en het uiteinde van de poten. Deze zijn geel bij de Aziatische en gewoon bruin, net zoals de rest van de poten, bij de Europese hoornaar.

Gehoornde metselbij
Gehoornde metselbij

Zweefvliegen

Daarnaast zijn er nog een aantal zweefvliegen dier erg op wespen, bijen of hommels kunnen lijken. Ze hebben vaak dezelfde kleurpatronen, zijn opvallend gekleurd en hebben soms ook eenzelfde beharing als bijen of hommels hebben. Zweefvliegen behoren echter tot de tweevleugeligen, maar lijken bewust op de wespen, bijen of hommels. Dit fenomeen heet mimicry en is bedoeld als afweermechanisme tegen predatoren. Bekende zweefvliegen zijn de kleine bijvlieg en de grote kommazweefvlieg.

Grote kommazweefvlieg
Grote kommazweefvlieg

Verschillen in leefwijze en gedrag

Naast de fysieke verschillen, zijn er ook verschillen op te merken in leefwijzen en gedrag, tussen bijen, wespen, hommels en hoornaars.

Bijen en hommels

Bijen zijn over het algemeen solitair levende dieren, maar er zijn ook soorten die in volken leven. Bij soorten die in volkeren leven, zoals de bekende honingbij, kennen we verschillende verschijningsvormen. Zo zijn er de moeren (de koninginnen), de werksters (vrouwtjes) en de darren (de mannetjes). Bijen (ook de larven) voeden zich met nectar en stuifmeel. Sommige bijen, zoals de honingbij, produceren veel honing. Bijen zijn daarnaast zeer belangrijk in de bestuiving van bloemen en vele voedselgewassen. Door het gebruik van pesticiden, de monoculturen in de landbouw en door mijten hebben bijen in Nederland het zwaar. Bijen kunnen steken, maar doen dit over het algemeen niet snel.

Hommels leven voornamelijk in kolonies, met één koningin. De kolonies bij hommels zijn over het algemeen een stuk kleiner dan die van bijen. Hommels eten nectar uit bloemen, waarbij ze hun lange tong gebruiken om bij de nectar te komen. Hommels produceren soms ook honing, maar in veel minder grote hoeveelheden dan bijen dit doen. Net zoals bijen zijn hommels belangrijke bestuivers. Ook met hommels gaat het niet zo goed in Nederland, door het gebruik van pesticiden, het verdwijnen van leefgebied en door de intensieve landbouw. Hommels kunnen ook steken, maar doen dit zelden.

Weidehommel
Hommels, zoals deze weidehommel, zijn niet agressief en zullen zelden steken

Lees ook: tips voor meer bijen en vlinders in je tuin


Wespen en hoornaars

Ook bij de wespen zijn de meeste soorten solitair levende dieren. Er zijn echter ook weer soorten die kolonies vormen. In deze kolonies kan alleen de koningin eieren leggen, de werksters zijn niet-reproductief. De werksters sterven aan het einde van het seizoen, de koningin zoekt dan een overwinteringsplek op.

Duitse wesp
Naast de gewone wesp, is de Duitse wesp (hier afgebeeld) een veelvoorkomende soort in Nederland

Wespen zijn over het algemeen vleeseters en jagen veelal op andere insecten. Hiermee vertolken ze een belangrijke ecologische rol als roofdier (en in sommige gevallen als halfparasiet). Ze dragen bij aan een biologische bestrijding van ziektes en plagen in bijvoorbeeld de tuinbouw sector. Ze zorgen ervoor dat plaagsoorten niet exponentieel kunnen toenemen. Wespen zullen iets sneller steken dan bijen en hommels, maar ook alleen wanneer ze zich bedreigd voelen. Blijf dus uit de buurt van nesten en blijf rustig als er een om je heen vliegt.

Europese vs. Aziatische hoornaar

Europese hoornaars leven in kolonies, waarbij er één koningin is en verder allemaal werksters. De koningin is de enige die de winter overleeft. Europese hoornaars zijn net zoals andere wespen belangrijk in het bestrijden van plaagsoorten. Hoornaars zijn per definitie niet agressief, maar kunnen dat wel worden in de buurt van het nest (wanneer deze bedreigd wordt). Hoornaars vangen insecten, welke ze bijna allemaal voeren aan de larven. Volwassen exemplaren voeden zich voornamelijk met suikerrijke boomsappen.

Europese hoornaar
De Europese hoornaar is de grootste wespensoort die we in Nederland kunnen tegenkomen

De Aziatische hoornaar is waarschijnlijk voor het eerst in Europa opgedoken in 2004, in Frankrijk. Deze zou met een lading Chinees aardewerk zijn meegekomen en heeft zich in Frankrijk en enkele omliggende landen (waaronder Nederland) weten te vestigen. Qua leefwijze en gedrag zijn ze vergelijkbaar met de Europese hoornaar, echter is er één essentieel verschil. Aziatische hoornaars jagen naast de gebruikelijke wespen ook op bijen. Hierdoor vormt deze een serieuze bedreiging voor de inheemse honingbij. Om deze reden wordt de Aziatische hoornaar dan ook actief bestreden.


Lees ook: wat is het verschil tussen juffers en libellen?


Getolereerd, of niet?

Bijen, hommels, wespen en hoornaars hebben niet de beste reputatie bij de meeste mensen. Ze hebben echter wel cruciale rollen in onze ecosystemen. Meer dan de helft van de 360 bijensoorten die in Nederland voorkomen worden bedreigd. Meer dan 75% van de voedselgewassen wordt bestoven, waarin bijen en hommels een belangrijke bijdrage leveren. Gelukkig is dit bij steeds meer mensen bekend en wordt er steeds meer ondernomen om de inheemse bijen te beschermen.

Wespen daarentegen worden vaak verguisd. Deze vervullen echter een belangrijke rol in het bestrijden van plaagsoorten, wat cruciaal is voor de tuinbouwsector. Het is nochtans de vraag of het standpunt over de wesp bij mensen snel zal veranderen.

De vos in Nederland

De vos, door velen verguisd en door enkelen geliefd. Al eeuwenlang wordt er over hem geschreven. Hij is zelfs onderdeel van enkele spreekwoorden en gezegdes, maar kom je ook tegen in sprookjes. In deze blog zoomen we in op het leven van de vos in Nederland: wat eet hij? Waar leeft hij? Hoe klinkt hij? Lees gauw verder om meer te leren over dit prachtige dier.

De vos in Nederland

Inhoudsopgave

De vos (Vulpes vulpes)

Ook wel bekend als gewone vos of rode vos genoemd. Die laatste benaming is geheel terecht. De vos heeft een roodoranje vacht. Dit zoogdier behoort tot de familie hondachtigen. Hier horen bijvoorbeeld ook de wolf en jakhals bij.

Het thuis van de vos: van bos tot velden

Je kunt hem in veel verschillende typen landschap tegenkomen: bos, heide, duinen, landbouwgebieden, parken, en ook aan randen van dorpen en steden. Soms zie je ze zelfs binnen de bebouwde kom en in steden. Het is een dier dat voornamelijk leeft in de schemer en de nacht. Als hij in een rustige omgeving verblijft, kan hij zich soms ook overdag laten zien.

Vossen leven in familiegroepen. Overdag liggen ze vaak samen te slapen. Dit doen ze onder struikjes of bijvoorbeeld in greppels. Het jagen doen ze alleen. De holen die ze hebben, worden voornamelijk voor andere doeleinden gebruikt. Daarover verderop meer.

Soms graven vossen zelf holen, maar soms worden ook oude stelsels van konijnen of dassen gebruikt. De burchten bestaan uit een of meerdere gangen. De diameter van de ingang van het vossenhol is tussen de 25-30 centimeter. Aan de vorm van de ingang kun je zien of de burcht door een vos of een das wordt gebruikt. Bij een vossenhol is de ingang ovaal van vorm, bij de das is de ingang meer breed dan hoog. Ook zul je bij dassen eerder nestmateriaal vinden, dat gebruiken vossen (vrijwel) niet.

De vos in Nederland -- Holen worden vooral gebruikt door vrouwtjes en hun welpen
Holen worden vooral gebruikt door vrouwtjes en hun welpen

Uiterlijke kenmerken

De rode vacht is een van zijn opvallendste kenmerken. De vachtkleur van de vos kan per dier verschillen van helderrood tot vaalgrijs. De omgeving en genen spelen hier een rol in. Het puntje van de staart is lichter van kleur, meestal crèmewit, evenals zijn borst en de onderkant van het gezicht (tot aan de neus). De poten en de achterkant van de oren zijn daarentegen juist donker. De staart heeft de vorm van een pluim en is pluizig. Verderop in deze blog gaan we nog uitgebreid in op de vacht.

De vos heeft amberkleurige ogen. Aan het gebit is te zien dat de vos een alleseter is. Hij heeft scherpe punttanden, om prooien te doden en te scheuren, maar gebruikt zijn gebit ook om bijvoorbeeld vruchten te eten.

De vos in Nederland - Niet alleen de rode kleur van de vacht valt op, maar ook de pluimstaart is een opvallend kenmerk van de rode vos
Niet alleen de rode kleur van de vacht valt op, maar ook de pluimstaart is een opvallend kenmerk van de rode vos

De vos heeft een vrij spitse snuit, die doet denken aan die van honden of wolven (de vos behoort ook tot de hondachtigen). De oren zijn groot, zitten op de voorkant van de kop en draaien in de richting van het geluid. De schouderhoogte is 35-40 centimeter hoog en van kop tot romp meet hij 50 tot 80 centimeter. De staart kan tussen de 30 en 50 centimeter lang worden. De vos gebruikt de staart ook om op of met zijn gezicht in te slapen.

De vos in Nederland - De staart wordt ook gebruikt tijdens het slapen
De staart wordt ook gebruikt tijdens het slapen

Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


De vos als jager

Er staan verschillende dingen op het menu. Het is namelijk een echte alleseter. Hij eet zowel bessen, zaden en vruchten als prooidieren, zoals knaagdieren, hazen, konijnen en egels. Ook kevers, vogels, eieren en wormen worden opgegeten. Maar ook menselijk afval wordt verorberd. Zo hadden wij een vos in de schuur in onze natuurtuin, op zoek naar restjes.

De vos is een echte jager en kan dit zowel ’s nachts als overdag doen. Wanneer de omgeving niet verstoord wordt, jaagt de vos overdag. Vossen leggen geen wintervoorraad aan, maar begraven soms wel prooien wanneer ze overschot hebben.

De vos in Nederland - Vossen zijn echte alleseters, van kleine dieren tot menselijk afval en nog van alles ertussen in
Vossen zijn echte alleseters, van kleine dieren tot menselijk afval en nog van alles ertussen in

Lees ook: 10 bijzondere trekvogels


Voortplanting

Een keer per jaar krijgt het wijfje, de moervos, jongen. De paartijd is van december tot februari. De draagtijd is rond de 53 dagen. Een paar dagen voordat de jongen geboren worden, trekt het vrouwtje in een hol. Een hol bevindt zich vaak tussen boomwortels of in een oude dassenburcht. Er worden daar dan 1 tot 5 welpjes geboren, maar meestal zijn het er rond de 4-5. De jongen zijn de eerste weken hulpeloos en verblijven dan in het hol met de moervos. De eerste twaalf dagen zijn de oogjes nog dicht. Het mannetje brengt in deze tijd eten.

Na 3 tot 4 weken gaan de kleine vosjes voor het eerst een kijkje nemen buiten het hol. De welpjes zijn speels en druk met het verkennen van de wereld. Ze zijn intussen ook gegroeid, dus er is een groter hol nodig. Het gezin neemt haar intrek in een groter hol. De vosjes krijgen vanaf nu ook vast voedsel.

Rond de zomerperiode, medio juni, gaat het leven zich steeds meer afspelen in de buitenlucht. Wanneer de herfst haar intrede doet, is het tijd voor de jonge vossen om een eigen territorium op te zoeken. Het kan voorkomen dat er een of twee vrouwtjes in het territorium van de ouders blijven. Het voedselaanbod moet daarvoor wel voldoende zijn. Deze vrouwtjes helpen met het voeden van nieuwe welpen. De jonge mannetjes zoeken een eigen territorium. Mannetjes worden rekels genoemd.

De vos in Nederland - Jonge vosjes blijven gedurende enkele maanden bij hun moeder en vertrouwde omgeving. Daarna wordt het tijd voor een eigen territorium
Jonge vosjes blijven gedurende enkele maanden bij hun moeder en vertrouwde omgeving. Daarna wordt het tijd voor een eigen territorium

Territorium

Het territorium van de rode vos bestaat meestal uit het gezin, dit zijn de ouders en een aantal welpjes van dat jaar. Zoals hierboven benoemd, kan het zijn dat er nog een of twee oudere dochters ook in het territorium verblijven. Per gebied kan de grootte van het territorium erg verschillen. De omgeving speelt hierin een rol, maar ook het voedselaanbod.

Door geursporen en urine af te scheiden, door klieren bij de staart, de kop en bij de voetzolen, markeert de vos zijn of haar territorium. Holen worden voornamelijk door de vrouwtjes en welpen gebruikt. Ze graven zelf holen, maar gebruiken ook wel oude konijnenholen of oude dassenburchten. Er zijn ook gevallen bekend waar ze samen met dassen een en dezelfde burcht bewonen.

In Nederland heeft de vos niet echt een natuurlijke vijand. Wij als mens vormen de grootste bedreiging, met het gebruik van giftige middelen en door ons verkeer. Wanneer je ervoor kiest om ratten- of muizengif te gebruiken, bestaat de kans dat een vos (of ander dier) hier ook mee in aanraking komt. Alles heeft zijn invloed op elkaar. In andere gebieden kan bijvoorbeeld de wolf of lynx een natuurlijke vijand zijn van de vos. Ziektes kunnen ook fataal zijn voor een vos, zoals rabiës (hondsdolheid) of parasieten. Bij het Dutch Wildlife Health Centre worden soms dode vossen binnengebracht voor onderzoek, waarbij onder andere de doodsoorzaak wordt onderzocht.

De vos in Nederland - Vossen zijn territoriale dieren en zullen een confrontatie niet uit de weg gaan om hun gebied te verdedigen
Vossen zijn territoriale dieren en zullen een confrontatie niet uit de weg gaan om hun gebied te verdedigen

Lees ook: de lynx in Nederland


De rode vacht van de … rode vos

De vacht is meestal roodbruin van kleur, afgewisseld met witte en donkere stukken. Er zijn vele kleurvariaties in de vacht, van rood, grijzig tot oranje. De kleur is onder andere afhankelijk van het gebied waar de vos leeft en zijn of haar genen.

Omdat de vacht is opgebouwd uit dekharen en ondervacht, is de vos voorzien van een warme jas. Dit biedt bescherming tegen koude periodes of koude gebieden. In de winter is de vacht langer en dikker en biedt daarmee extra bescherming tegen de kou. In de zomer is de vacht korter en dunner. Daardoor lijkt hij in de zomer een stuk smaller dan in de winter.

Alles heeft een reden in de natuur, zo ook de toch opvallende kleur van de vacht. De kleuren en kleurschakeringen helpen de vos met camoufleren. Zoals je hierboven kunt lezen, komt de vos vooral voor in gebieden met graslanden en bos. In deze gebieden heb je veel kleuren waar de vos als het ware in wegvalt. Hij valt zo minder op, wat twee voordelen heeft: hij kan minder opvallend jagen en valt zelf minder snel op als prooi voor grotere roofdieren.

De staart heeft de vorm van een pluim en zorgt onder andere voor balans. De staart ziet er pluizig uit en het uiteinde van de staart kan wit zijn, maar is in ieder geval lichter dan de rest van de vacht. Ook gebruiken vossen hun staart om te communiceren met andere vossen en helpt het bij het markeren van hun territorium.

Meer lezen over de vos

Enthousiast geworden over de vos na het lezen van deze blog? Dan raden we je het boek ‘De verborgen wereld van de vos’ aan, geschreven door Adele Brand. Deze bioloog beschrijft hoe de intelligente vos overleeft in de natuur, maar ook steeds meer in het landschap gecreëerd door de mens. Je bestelt het boek hier bij bol.com.

Veelgestelde vragen

Waar leeft en woont een vos?

Eigenlijk overal in Nederland. Je kunt de vos in allerlei verschillende omgevingen tegenkomen. Hij leeft zowel in bos, duinen, op heidegronden als rondom dorpen en steden. In holen wordt er geslapen en worden de jongen geworpen en grootgebracht. Deze holen worden door de vos zelf gegraven, maar soms gebruiken ze ook oude holen van dassen of konijnen.

Hoeveel vossen zijn er in Nederland?

De vos is in aantallen toegenomen de laatste jaren. Dit heeft meerdere redenen. Vroeger was Nederland een natter land, waardoor veel gebieden niet toegankelijk waren voor de vos. Maar vanwege de landbouw zijn is veel natte natuur ontwaterd, waardoor de vos nu overal in Nederland voorkomt. Daarnaast is er meer voedsel beschikbaar (veel menselijk afval onder andere) en zijn er andere regels met betrekking tot de jacht. Verder missen er enkele natuurlijke vijanden, zoals de lynx of steenarend.

De vos staat op de Rode Lijst als thans niet bedreigd. Op de Verspreidingsatlas kun je zien waar in Nederland de vos voorkomt.

Wat eet een vos?

De vos eet van alles: van wormen, kevers, bessen, vruchten, zaden en noten tot kleine (knaag)dieren, eieren en menselijk afval.

Hoe klinkt een vos?

De rode vos maakt een keffend geluid. Dit geluid is schril en hoog. In de paartijd verandert dat, en klinkt het meer schreeuwend en grommend. Tegen de welpjes maakt de moeder zachtere geluiden, om hen met zich mee te krijgen bijvoorbeeld.

Schreeuw van een vos in het bos

Hoe noem je een jonge vos?

Kleine vosjes worden welpen genoemd. De moeder wordt moervos genoemd. Ze kan wel tot tien jongen krijgen, maar meestal zijn het er rond de vijf. Een mannetjesvos wordt een rekel genoemd.

Wat doet een vos overdag?

Meestal rust de vos overdag. Als de omgeving rustig genoeg is, kan hij ook gaan jagen. Het rusten gebeurt meestal in familiegroepen. De vossen liggen vaak onder struikjes of in droge greppels. Wanneer de schemering invalt, wordt de vos actiever. Het jagen begint.

Wat moet je doen als je een vos ziet?

Allereerst zou je ongelofelijk veel geluk hebben, want vossen zijn schuwe dieren. Wanneer een vos je pad kruist, kun je het beste stil blijven staan en de vos rustig bekijken. Grote kans dat de ontmoeting snel voorbij is en dat de vos ervandoor gaat. Een vos zal alleen, zoals vrijwel alle dieren, agressief over kunnen komen wanneer hij zich bedreigd voelt. Net als de mens.

Een vos in de buurt, wat nu?

Zorg ervoor dat de omgeving onaantrekkelijk wordt voor de vos. Dat betekent dat je je afval achter slot en grendel houdt, eventuele dieren als kippen binnenhouden, laat huisdieren als honden en katten binnen en maak volières en hokken voor konijnen of cavia’s extra veilig en dicht. Ruim uitwerpselen niet met blote handen op en eet geen vruchten zoals bramen die 70 centimeter of lager bij de grond hangen.

(Bron: iStock)

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Marters in Nederland

Boommarter

In Nederland leven verschillende soorten landroofdieren, waarvan de meeste behoren tot de marterachtigen. In totaal zijn er maar liefst acht soorten marterachtigen te ontdekken in ons land en leven ze wijdverspreid over verschillende ecosystemen. Door het langgerekte lichaam, de korte poten, staart en dikke vacht zijn vergelijkingen tussen de onderlinge soorten goed te maken. In deze blog maak je kennis met alle marters in Nederland.

Inhoudsopgave

Kenmerken en leefwijze

Marterachtigen zijn kenmerkende dieren, waarvan er wereldwijd zo’n 70 soorten van beschreven zijn. Onder de marterachtigen vallen onder andere otterachtigen, wezelachtigen, alle soorten dassen (zoals honingdassen en zonnedassen), de veelvraat en de grison. Het zijn uitstekende landroofdieren met een langgerekt lichaam en korte poten. Ze hebben scherpe tanden en kiezen en scherpe klauwen (die niet ingetrokken kunnen worden, zoals bij katachtigen). Marters verspreiden een sterke geur om hun territorium af te bakenen, maar wat daarnaast ook een belangrijke rol speelt in de communicatie onderling. Marters zijn overwegend nachtactief en sommige soorten (zoals bunzing en otter), zijn sterk gebonden aan water.

Mustela erminea 15, Hermelijn, Saxifraga-Luuk Vermeer
Hermelijnen zijn een van de kleinere marterachtigen in Nederland (Saxifraga – Luuk Vermeer)

Marters in Nederland

Het aantal marters in Nederland schommelt sterk. De populatiegrootte bij de meeste soorten is sterk afhankelijk van het prooiaanbod. Wanneer er bijvoorbeeld een goed muizenjaar is, is dat vaak een voorbode voor een goed marterjaar. Andersom werkt dit natuurlijk ook zo. De grootste bedreiging voor marterachtigen is de mens. Zo worden er ieder jaar veel verkeersslachtoffers geregistreerd. Kleine marterachtigen zoals wezel en hermelijn hebben meer natuurlijke vijanden, zoals de vos, (wilde) kat, uilen, andere roofvogelsoorten en andere grote vogels zoals reigers.

In Nederland komen acht soorten marterachtigen voor:

Wezel (Mustela nivalis)Hermelijn (Mustela erminea)
Bunzing (Mustela putorius)Amerikaanse nerts (Neovison vison)
Steenmarter (Martes foina)Boommarter (Martes martes)
Das (Meles meles)Otter (Lutra lutra)
Taxonomie marterachtigen (De natuur van hier)
Taxonomie marterachtigen in Nederland (De natuur van hier)

Lees ook: herten in Nederland


Wezel (Mustela nivalis)

De kleinste van het stel is de wezel. Deze is met zijn 13 tot 23 centimeter (kop-romplengte) zelfs het kleinste landroofdier ter wereld en kan muizen achtervolgen in hun gangenstelsels. De vrouwtjes zijn wat kleiner dan de mannetjes. Wezels hebben een grijsbruine rug en een witte buik. De overgang van bruin naar wit is onregelmatig, een belangrijk verschil (naast de grootte) ten opzichte van de hermelijn. Wezels die meer noordelijk leven kleuren in de winter wit, iets wat in Nederland klaarblijkelijk niet nodig is.

Wezel (Saxifraga - Piet Munsterman)
De wezel is de kleinste marterachtige in ons land (Saxifraga – Piet Munsterman)

Wezels leven in een wat meer open natuur- en cultuurlandschap, maar komen daarnaast ook in bijvoorbeeld de duinen voor. Ze komen voornamelijk voor in een wat droger leefgebied. In Nederland komen ze overal voor, behalve op de Waddeneilanden. Ten opzichte van vroeger zijn ze wel een stuk minder algemeen geworden.

Het menu van de wezel

De belangrijkste eisen aan de leefomgeving voor de wezel zijn voldoende schuilplekken en voldoende voedselaanbod. Het belangrijkste voedsel voor de wezel zijn veruit de woelmuizen. Ongeveer 85% van het menu bestaat uit woelmuizen. Naast woelmuizen worden verder ook nog onder andere kikkers, eieren, mollen, slakken en andere soorten muizen gegeten. Wezels zijn gevoelig voor een schommeling in de (woel)muizenstand. Waar geen woelmuizen voorkomen, komen ook geen wezels voor. Wanneer wezels op zoek zijn naar voedsel, staan ze vaak op hun achterpoten met het lichaam in de lucht, speurend naar prooien. Dit gedrag wordt ook wel kegelen genoemd.

Hermelijn (Mustela erminea)

De hermelijn is een slag groter dan de wezel en bereikt een kop-romplengte van 21 tot 29 centimeter. Verder lijken de wezel en hermelijn veel op elkaar. Ook de hermelijn is bruin van boven met een witte buik. Naast de grootte is de overgang van bruin naar wit een kenmerk waarmee je ze uit elkaar kunt houden. Deze is bij de hermelijn strak, bij de wezel meer onregelmatig. In tegenstelling tot de wezel worden hermelijnen in Nederland in de winter wel vaker (gedeeltelijk) wit. Afhankelijk van de temperatuur en sneeuwval worden hermelijn niet, gedeeltelijk of volledig wit. De staartpunt blijft echter zwart.

Hermelijn (Saxifraga - Luuk Vermeer)
Hermelijnen worden een slag groter dan wezels (Saxifraga – Luuk Vermeer)

Hermelijnen komen wijdverspreid voor in allerlei soorten landschap. Vaak zijn dit wat meer open landschappen met kleine landschapselementen, waar veel schuil- en rustplaatsen te vinden zijn en waar voldoende voedsel aanwezig is. De hermelijn komt in Nederland overal op het vaste land voor. Daarnaast ook op Texel, maar op de overige eilanden is de hermelijn afwezig. Net zoals met de wezel gaat het met de hermelijn echter ook niet goed en staat deze als ‘gevoelig’ op de Rode Lijst. Belangrijke redenen hiervoor zijn de intensivering van de landbouw en verkeersslachtoffers.

Actieve jagers

Zowel overdag als ’s nachts zijn hermelijnen actief. Tussendoor houden ze rustpauzes. Hiervoor gebruiken ze vaak oude konijnenholen of mollennesten. Buiten de voortplantingsperiode om leven hermelijnen solitair. De territoria van mannetjes en vrouwtjes overlappen echter wel. Hermelijnen zijn niet monogaam. Het menu bestaat voornamelijk uit (woel)muizen. Verder worden er ook andere dieren gegeten, zoals amfibieën en reptielen. Hermelijnen zijn uitstekende jagers en vangen soms prooien die groter zijn dan zijzelf.

Bunzing (Mustela putorius)

De derde en laatste soort in het geslacht Mustela (kleine marterachtigen) is de bunzing. Met zijn 28 tot 45 centimeter kop-romplengte is het de grootste van de drie. Bunzings zijn overwegend bruin gekleurd, maar zijn goed te herkennen aan het masker. Ze hebben een donkere neus, omringd met een witte band. Rondom de ogen zijn ook een aantal witachtige haren te vinden. Dit patroon heeft wat weg van een masker. In de winter is de bunzing wat lichter van kleur. Dan komen de geelachtige haren van de ondervacht meer door de bovenvacht heen. De gedomesticeerde fret (Mustela putorius furo), die als huisdier wordt gehouden, is een ondersoort van de bunzing.

Bunzing (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Bunzing (Saxifraga – Mark Zekhuis)

De bunzing is wijdverspreid door Nederland en komt overal voor, behalve op de Waddeneilanden. Meestal zijn ze te vinden in een bosachtig landschap, dat vochtig is. Het zijn dan ook uitstekende zwemmers. Bunzings zijn vooral ’s nachts actief, overdag rusten ze in verlaten konijnen- of andere holen.

Belangrijke schakel in de voedselketen

Bunzingen kennen een rijkelijk gevarieerd menu. Naast (woel)muizen, worden ook (muskus)ratten en konijnen gegeten. Verder staan ook van allerlei soorten amfibieën, reptielen en zelfs zo nu en dan een vogel op het menu. Soms wordt er zelfs fruit gegeten. Bij het jagen maken bunzings vooral gebruik van hun goed ontwikkelde reukvermogen. Voor periodes wanneer het voedselaanbod schaarser is (winter) worden soms voedselvoorraden aangelegd.

Net zoals de andere marterachtigen, vormen bunzings een belangrijke schakel in de voedselketen. Door de aanwezigheid van wezel, hermelijn en bunzing kunnen prooidieren (die vaak bestempeld worden als ongedierte (zoals muizen en konijnen)) niet exponentieel toenemen. Daarnaast worden zwakke en zieke dieren sneller ‘opgeruimd’, wat de verspreiding van ziektes tegen gaat. Deze kleine roofdieren worden vaak als ongewenst en als ongedierte bestempeld, maar zijn dus eigenlijk heel nuttig.

Meer over wezels, hermelijnen en bunzings

Voor wie meer wil weten over de kleinste marterachtigen in ons land, kunnen wij het boek ‘Bunzing, hermelijn en wezel’ van bioloog en natuurfotograaf Edo van Uchelen aanraden. In dit boek worden de drie kleine roofdieren uitvoerig besproken en kom je alles te weten over de ecologie, leefwijze, voortplanting en nog veel meer zaken. Wat ons betreft is dit het beste Nederlandstalige boek dat op de markt is als het gaat over de bunzing, hermelijn en wezel.

Het boek telt 175 bladzijdes en is rijkelijk geïllustreerd. Het boek bunzing, hermelijn en wezel is via deze link (bol.com) te bestellen.

Bunzing, hermelijjn, wezel

Amerikaanse nerts (Neovison vison)

Een soort die ongeveer net zo groot wordt als de bunzing is de Amerikaanse nerts. Met een kop-romp lengte van 32 tot 45 centimeter is de Amerikaanse nerts wel een stukje groter dan de Europese nerts (Mustela lutreola) die overigens niet meer in Nederland voorkomt. Zowel de Amerikaanse als de Europese nerts hebben een donkerbruine tot zwarte vacht, met een witte kinvlek. Een belangrijk verschil tussen de twee is, naast de grootte, dat de Europese nerts een witte vlek op de bovenlip heeft, welke meestal ontbreekt bij de Amerikaanse.

Amerikaanse nerts
De Amerikaanse nerts is in Europa terecht gekomen door de nertsfokkerijen, welke sinds 2021 in Nederland verboden zijn

Een invasieve exoot

Naast de donkerbruine kleur zijn er ook andere kleurvarianten bekend bij de Amerikaanse nerts, zoals beige, en bruin-beige. Dit zijn gekweekte varianten, ten behoeve van de pelsindustrie. Alle Amerikaanse nertsen zijn (invasieve) exoten en zijn hier door toedoen van dezelfde pelsindustrie (welke in Nederland sinds 2021 verboden is) terecht gekomen.


Lees ook: wat zijn invasieve exoten


In de 20e eeuw zijn Amerikaanse nertsen op grote schaal ingevoerd in Europa voor het bont. Door ontsnappingen (en loslaten door dierenactivisten) hebben individuen zich kunnen verspreiden door Europa en hier grote schade aan weten te brengen aan de inheemse natuur. Zo zijn ze verantwoordelijk voor de drastische achteruitgang van de Europese nerts en zijn er ook locaties bekend waar populaties woelratten bedreigd worden door de aanwezigheid van de exoot. In Nederland zijn nertsenfokkerijen sinds 2021 verboden, maar dat geldt niet overal in Europa. In Denemarken is het sinds 2023 weer toegestaan.

Ecologie

Doordat er in Nederland geen Amerikaanse nertsen meer gefokt worden (Nederland was lange tijd een van de grootste producenten van Europa), zijn de aantallen sterk afgenomen. Echter is hier het kwaad al geschied doordat de Europese nerts hier reeds is uitgestorven. Wellicht biedt het in de toekomst wel mogelijkheden tot herintroductie van deze soort.

Amerikaanse nertsen zijn sterk gebonden aan water en leven in de oevers van rivieren en moerassen. Ze zijn uitstekend aangepast op het water, want ze hebben tot halverwege de tenen korte zwemvliezen. Ze zijn hoofdzakelijk ’s nachts actief, maar soms ook overdag. Overdag rusten ze tussendoor in oude holen van bevers en (muskus)ratten. Als ze wakker zijn, zijn ze op jacht naar voedsel. Ze eten voornamelijk kleine vissen, kreeften, amfibieën en ratten. Mannetjes (worden groter dan vrouwtjes) vangen ook regelmatig konijnen en soms worden ook vogels gegeten.

Steenmarter (Martes foina)

Dan zijn we aangekomen bij de wat groter wordende marterachtigen in Nederland. Te beginnen met de steenmarter, welke bij veel mensen wel bekend is omdat hij soms overlast kan bezorgen. Steenmarters worden zo’n 37 tot 52 centimeter groot. Ze hebben een grijsbruine vacht, met een witte bef die vaak doorloopt tot op de voorpoten. Sinds de steenmarter een beschermde status heeft, doet de soort het weer goed in Nederland. Hij komt dan ook wijdverspreid voor en ontbreekt eigenlijk alleen in Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht.

Steenmarter (iStock)AC
De aantallen steenmarters nemen de laatste jaren toe (iStock)

Steenmarters zijn cultuurvolgers. Ze komen voor in de nabijheid van mensen, in dorpen, op boerderijen en soms zelfs in steden. De steenmarter heeft zijn naam te danken aan zijn voorkeur voor stenige biotopen. In het leefgebied in de buurt van mensen is de steenmarter afhankelijk van de aanwezigheid van oude schuren en heggen, waar ze voedsel vinden en plekken om te rusten.

Steenmarters zijn nachtactief. Ze gaan er dan op uit om te zoeken naar voedsel. Ze kennen een gevarieerd menu, dat bestaat uit zowel dierlijk als plantaardig voedsel. Muizen, egels, vogels, konijnen en eekhoorns worden regelmatig gegeten. Daarnaast eten ze ook met regelmaat bramen en bessen van bijvoorbeeld vogelkers. Ook menselijk afval wordt gegeten. Er zijn waarnemingen bekend waarbij steenmarters voedselvoorraden aanleggen.

Het voorkomen van overlast

Bij steenmarters denken de meeste mensen vooral aan de overlast die de dieren kunnen veroorzaken. Ze kunnen inderdaad voor best wat schade en overlast zorgen, maar met de juiste aanpak kun je de kans hierop verkleinen. Als je dit doet, wordt het zelfs nuttig om steenmarters op je terrein te hebben, want ze zorgen ervoor dat je minder overlast ervaart van muizen en andere knaagdieren.

Steenmarters kunnen zich op zolder of in de spouw vestigen. Dit kan zorgen voor geluidsoverlast en stank (uitwerpselen). Het dier doden of vangen en uitzetten heeft geen zin en is zelfs verboden, snel zal zich een nieuw exemplaar huisvesten.

Steenmarter in huis (iStock)
Steenmarters kunnen in huis voor overlast zorgen (iStock)

Zorg ervoor dat alle toegangen afgedicht zijn, zodat de dieren niet binnen kunnen komen. Als de dieren reeds aanwezig zijn, sluit dan alle openingen af, behalve de meest gebruikte. Wacht tot de dieren buiten zijn en sluit dan ook de laatste opening af.

Daarnaast kunnen de dieren zich onder de motorkap van de auto bevinden en hier schade aanrichten aan leidingen. Hiervoor zou je een marterverjager kunnen installeren, die marters (en andere dieren) met behulp van een hoog geluid op afstand houdt. Omdat we zelf een natuurtuin hebben, hebben we ook een dergelijk apparaat geïnstalleerd om schade te voorkomen. Tot op heden hebben we nog nooit last gehad van marters of andere dieren bij onze auto, terwijl ze wel in en rondom het perceel zitten. De marterverjager is hier te bestellen bij bol.com.

Boommarter (Martes martes)

De boommarter is ongeveer net zo groot als de steenmarter, met een kop-romplengte van 40 tot 53 centimeter. Hiermee zijn ze ook ongeveer net zo groot als een huiskat. Ze hebben een chocolade- tot roodbruine vacht, met een geel tot geelwitte bef. De poten en snuit zijn donker. Boommarters zijn sterke, behendige dieren die uitstekend in bomen kunnen klimmen. Hun scherpe, stevige nagels en lange, sterke staart komen hier goed bij van pas. Naast dat ze goed kunnen klimmen, kunnen ze ook ver springen.

Boommarter
Boommarters zijn uitstekend aangepast op het leven in bossen

Ze brengen hun leven dan ook voornamelijk voor in bomen. Ze rusten en nestelen in boomholtes. Hiervoor gebruiken ze vaak oude nesten van spechten. In de buurt van deze nestplaats is vaak een tak te vinden met een hoopje uitwerpselen. Let dus op deze latrines als je door het bos loopt, grote kans dat er boommarters in de buurt zijn! Boommarters eten zo een beetje alles wat ze tegen komen. Insecten, muizen, eekhoorns en vogels. Daarnaast ook eieren van vogels, bessen en vruchten.

Leefwijze

In Nederland komen boommarters voor in loof-, naald- en gemengde bossen. Ze zijn overwegend nachtactief, maar komen soms ook overdag buiten. Buiten de paartijd om leven boommarters solitair. De laatste jaren gaat het goed met de boommarter in Nederland. De aantallen nemen toe, alhoewel nog steeds zeldzaam, en ze zijn in iedere provincie waargenomen. Deze toename is vooral te danken aan de ecologische verbindingszones en de toename (en het ouder worden) van bos.

Verschil steenmarter en boommarter

Steenmarters en boommarters lijken ontzettend veel op elkaar. Er zijn echter een aantal verschillen te benoemen, maar deze zijn niet altijd 100% waarneembaar. Zo is de bef van steenmarters meestal wit gekleurd en die van boommarters geel. Ook loopt de bef van de steenmarter vaak door op de voorpoten. Boommarters hebben vaak een zwarte neus, waarbij deze bij steenmarters meestal vleeskleurig is. Boommarters hebben daarnaast meestal grotere oren. Het enige echte verschil waarop de soort met zekerheid te onderscheiden is, is de ondervacht. Deze is bij de steenmarter licht van kleur en bij de boommarter donker.

Das (Meles meles)

De das behoort tot de grotere marterachtigen. Met een kop-romplengte van 65-80 centimeter zijn het een van de grootste landzoogdieren in Nederland. Dassen zijn zwaar en log gebouwd en kunnen ruim 15 kilogram wegen. Ze hebben een grote, brede kop en korte poten. De vacht is zwart/wit gekleurd, met een geelwitte buik. De kop is wit, met twee brede zwarte strepen. Ze hebben lange, kromme nagels waarmee ze goed in de grond kunnen graven, op zoek naar voedsel.

Das (Saaxifraga - Luc Hoogenstein)
Dassen zijn atypische marterachtigen (Saxifraga – Luc Hoogenstein)

Een echte alleseter

De das is een buitenbeentje wat betreft marterachtigen die in Nederland voorkomen. Ze zijn qua bouw totaal verschillend ten opzichte van de andere marters, maar daardoor ook qua voedselkeuze. Dassen jagen niet actief op hun prooi, maar snuffelen en graven vooral op en in de bodem op zoek naar voedsel. Hier eten ze alles wat ze tegenkomen. Regenwormen (belangrijkste voedselbron), pissebedden, kevers, slakken, paddenstoelen, noten, eikels en vruchten.

Leefwijze

Dassen houden van een kleinschalig landschap, met heggen, holle wegen, houtwallen en kleine bossen. Ze maken een burcht, die zich op een hoge, droge plek bevindt. In de lager gelegen, vochtigere landschappen zoeken ze naar voedsel. Dit doen ze voornamelijk ’s nachts. De burcht is een belangrijke plek voor de das. Hier leven ze in familieverband en soms delen ze deze burcht gedeeltelijk met konijnen of vossen. Dassen verzorgen hun burcht uiterst goed en bekleden de kamers met bladeren en mos. De behoefte wordt buiten de burcht gedaan, zodat deze schoon blijft. In de winter zijn dassen een stuk minder actief. Ze houden dan geen winterslaap, maar komen soms wel dagen hun burcht niet uit.

In de 20e eeuw zijn de aantallen dassen in Nederland flink terug gelopen. Sinds de dieren beschermd zijn, gaat het weer een stuk beter. De aantallen komen echter niet in de buurt van wat het ooit is geweest, waardoor bescherming dus noodzakelijk blijft. Tegenwoordig treedt er nog wel eens verontwaardiging op wanneer het treinverkeer tijdelijk wordt stilgelegd in verband met een dassenburcht, maar deze maatregelen zijn essentieel om opnieuw achteruitgang in aantallen te voorkomen.


Lees ook: waar leven dassen?


Otter (Lutra lutra)

Ten slotte leeft er nog de otter in Nederland, de achtste marterachtige in ons land. Met een kop-romplengte van 50 tot 95 centimeter is het samen met de das een van de grotere marterachtigen. De otter heeft een donkerbruine, glanzende vacht, welke waterdicht is. De onderzijde is lichtbruin. Otters zijn uitstekend aangepast aan het leven in en om het water.

Otter (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Otters behoren tot de grotere marterachtigen(Saxifraga – Mark Zekhuis)

Ze hebben korte, krachtige poten met zwemvliezen en een sterke ronde staart. Hiermee kunnen ze zich uitstekend door het water bewegen. Daarnaast hebben ze goed ontwikkelde snorharen, waarmee ze prooidieren in het water kunnen waarnemen. De ogen, neusgaten en oren liggen dicht bij elkaar en op één lijn, zodat ze maar een klein gedeelte van het gezicht boven water hoeven te houden tijdens het zwemmen. Bij dreigend gevaar kunnen ze echter ook tot wel vier minuten onder water blijven.

Het menu en de leefwijze

Otters zijn goede jagers. Ze eten voornamelijk vis, die ze vangen door ze in het ondiepe water en tussen het riet te drijven. Verder worden er ook ratten, vogels, kreeften, krabben en amfibieën gegeten. Otters zijn voornamelijk ’s nachts actief, maar worden soms overdag, al zonnebadend, waargenomen. De otter leeft solitair.

Voor otters is de kwaliteit van het water belangrijk. Ze leven in schone wateren, waarin voldoende voedsel en rustplekken te vinden zijn. Hier leven ze in de oeverzone. Overdag rusten ze vaak in een hol onder bijvoorbeeld een omgevallen boom.

De otter was door bejaging en door de achteruitgang van de waterkwaliteit uitgestorven in Nederland. In 2002 zijn ze in onder ander het Nationaal Park De Weerribben-Wieden weer uitgezet. Sindsdien zit de otter weer in de lift, maar ondervindt deze ook zeker problemen met de verspreiding door het land. In onderstaande blog lees je hier meer over.


Lees ook: de herintroductie van de otter in Nederland


Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Roek – Kraaiachtigen van Nederland – deel V

De roek is hier duidelijk te herkennen aan zijn grijze snavel en hoge voorhoofd

Iedereen kent ze wel: een kauw, zwarte en/of bonte kraai, ekster, gaai, wellicht zelfs een roek, de notenkraker of raaf. Het zijn de kraaiachtigen van Nederland. De familie kraaiachtigen (Corvidae) gaat echter verder dan onze Nederlandse bekenden, want in totaal bestaat de familie uit 128 soorten. Ze komen bijna overal op de wereld voor. Ze behoren tot de zangvogels, hoewel niet iedereen hun geroep als gezang zou kwalificeren.

Kraaiachtigen zijn intelligente wezens. Ze kunnen problemen (leren) oplossen, sommige soorten slagen voor de spiegelproef en ze communiceren met elkaar. In dit deel lichten we de roek uit.

Wil je de hele serie ‘kraaiachtigen van Nederland’ lezen? Klik dan hier om te beginnen met deel I.

Roeken hebben een prachtig glanzend verenkleed en een opvallende snavel
Roeken hebben een prachtig glanzend verenkleed en een opvallende snavel

De roek (Corvus frugilegus)

Roeken, vaak verward met zijn ongeveer even grote verwant de zwarte kraai. Ze zijn wat minder bekend dan bijvoorbeeld de zwarte kraai, ekster of raaf. Roeken komen niet overal evenveel voor, in tegenstelling tot de andere kraaiachtigen. Zo zie je de roek niet veel in het westen, maar meer in het oosten. Wat wel een overeenkomst tussen deze vogels van dezelfde familie is, is dat ze allemaal erg intelligent zijn. Zo dus ook de roek.

Uiterlijk

Roeken hebben een geheel zwart verenkleed. In de zon zie je een blauwige glans op de veren. Tot dusver is de roek moeilijk te onderscheiden van de zwarte kraai. Een handig ezelsbruggetje om ze te onderscheiden: een roek draagt een broek. Het lijkt net alsof een roek een broek aan heeft, omdat de veren ook het bovenste gedeelte van de poten bedekt.

Ook de snavel van de roek valt op. Eerst is de snavel zwart, maar na ongeveer acht maanden wordt de snavelbasis kaal. Daardoor zie je de onderliggende huid, die grijs is. De snavel van de roek is vrij groot en enigszins naar beneden gericht. Roeken hebben een vrij steil voorhoofd, waardoor hun kop in verhouding klein lijkt.

Roeken zijn ongeveer even groot als de zwarte kraai, tussen de 41 en 49 centimeter. De spanwijdte is tussen de 80 en 99 centimeter.

De grijze, kale snavel van de roek is hier duidelijk te zien. Ook zie je de metaalglans in het verenkleed goed
De grijze, kale snavel van de roek is hier duidelijk te zien. Ook zie je de metaalglans in het verenkleed goed

Zwarte kraai vs. roek

Beide vogelsoorten zijn intelligent, zijn ongeveer even groot en hebben een zwart verenpak. Zo klinkt het best lastig om ze van elkaar te onderscheiden. Toch valt dat wel mee, want er zijn enkele opvallende verschillen. Hierboven beschreven we dat roeken een broek dragen. Dit hebben zwarte kraaien niet. Daarnaast hebben zwarte kraaien een zwarte snavel. Roeken eerst ook, maar na acht maanden wordt de snavelbasis kaal en zie je de grijze huid. Ook zijn de snavels van roeken groter en die van zwarte kraaien smaller.

Wanneer je een roek of zwarte kraai in vlucht ziet, kun je ook verschillen ontdekken. Zo heeft de roek een dieper ingesneden vleugelhand en hebben ze meer glijmomenten in hun vlucht. De vleugelslag is ook wat sneller dan die van de zwarte kraai. Qua geluid lijken de twee wel weer erg op elkaar. De roek heeft een wat lichter geluid dan de zwarte kraai.

Ten slotte kun je ook aan het gedrag afleiden of het om een roek of om een zwarte kraai gaat. Over het algemeen zijn kraaien samen met hun partner aan het foerageren, waar roeken dit in groepsverband doen. Je ziet roeken vaak samen met kauwen in een weiland.

Een roek in vlucht laat zich vaak meterslang door de lucht glijden voordat hij landt
Een roek in vlucht laat zich vaak meterslang door de lucht glijden voordat hij landt

Gedrag

Roeken leven in kolonies. Een kolonie kan erg groot worden. Onderling communiceren roeken met elkaar, net als de andere kraaiachtigen. Ze communiceren over voedsel, voedselplekken en hebben sociale interacties met elkaar. Dit laatste zie je terug in bijvoorbeeld spelletjes. Roeken spelen met elkaar, door spullen te laten vallen en op te vangen. Ook schommelen ze samen op takken van bomen. Roeken die samen een paartje vormen, begroeten elkaar.

Het foerageren gebeurt in grote groepen, vaak vergezeld door groepen kauwtjes. De roek is van ’s ochtends vroeg tot laat op de dag actief aan het zoeken naar voedsel. Vaak zijn ze al actief voordat de zon opkomt. Dit heeft als voordeel dat er veel uren per dag beschikbaar zijn om voedsel te zoeken.

Roeken en kauwen zie je vaak samen foerageren in weilanden
Roeken en kauwen zie je vaak samen foerageren in weilanden

Intelligentie

Net als de andere kraaiachtigen uit deze blog zijn ook roeken intelligente vogels. Ze zijn nieuwsgierig en ze kunnen nieuwe dingen leren. Er is een eeuwenoud verhaal waarin wordt verteld dat een dorstige roek door middel van steentjes de waterspiegel in een kruik water liet stijgen, zodat hij kon drinken. Roeken kunnen dus ook problemen oplossen.

Deze nu vaak verguisde vogel werd vroeger juist als behulpzaam gezien. Hij hielp de mensen heel vroeger met het verzamelen van voedsel en haalde later door boeren ongewenste ongewervelden uit de akkers. Tegenwoordig wordt de roek ook wel ingezet met het helpen van afval opruimen. In ruil voor beloning komen ze stukjes afval brengen. Roeken weten al snel waar veel en goed voedsel te vinden is.

Slimme vogels, die roeken. Ze weten al snel waar ze voedsel kunnen halen en kunnen problemen oplossen
Slimme vogels, die roeken. Ze weten al snel waar ze voedsel kunnen halen en kunnen problemen oplossen

Wat staat er op het menu?

De roek is een echte alleseter. Ze eten ongewervelden, zoals emelten, slakken en wormen, maar ook insecten, menselijk afval, noten en eikels en vruchten als kers en pruim. Roeken hebben vaak een vast dagritme. In de ochtend pakken ze voedsel wat makkelijk voor het grijpen ligt. ’s Middags graven ze wat dieper voor eten. Dan zie je ze bijvoorbeeld in de weilanden foerageren. Hoe later het wordt, hoe meer moeite de roeken doen om aan voedsel te komen. Tijdens het foerageren in de weilanden zie je ze in groepen het terrein systematisch afwerken. Dit doen ze met hun kenmerkende loopje: plechtige, stijve passen met af en toe een hupje.

Naast bovengenoemde soorten voedsel, houden roeken ook van zaaigoed. En dat levert helaas problemen voor hen op. Dit gedrag wordt als ongewenst beschouwd en er kan een ontheffing tegen hun beschermde status worden aangevraagd, zodat er afschot mag plaatsvinden. Een doorn in het oog van natuur- en vogelliefhebbers.

Roeken zijn alleseters, van insecten en noten tot menselijk afval
Roeken zijn alleseters, van insecten en noten tot menselijk afval

Broeden en opvoeden

Zoals roeken in kolonies voedsel zoeken, zo broeden ze ook in kolonies. Deze kolonies kunnen erg variëren in grootte. Zo zijn er in Wenen zo’n 250.000 roekennesten in een grote kolonie. In Nederland vind je veel kolonies langs snelwegen en treinsporen. Bij de A50, ten noorden van Apeldoorn, is een grote broedkolonie. Een nest ziet er vaak wat slordig uit en zit in de toppen van hoge bomen.

Roeken zijn monogaam en vormen een paar voor het leven. Tijdens de baltsperiode zijn ze veel samen. Ze verzorgen elkaars veren, hebben snavelcontact en zonderen zich samen af van de rest van de kolonie. Ook brengen ze elkaar voedsel. Al vroeg in het jaar, rond maart, wordt begonnen met de nestbouw. Dit doen ze samen. Het paartje is trouw aan hun broedplek en komen hier in andere jaren terug om te broeden.

Samen het nest bouwen, foerageren, de jongen voeden. Roeken zijn monogame vogels
Samen het nest bouwen, foerageren, de jongen voeden. Roeken zijn monogame vogels

Samen maken ze het nest. Het nest wordt gebouwd van buigzame twijgen en de binnenkant wordt bekleed met andere materialen. Als het nest naar tevredenheid is, gaat de vrouw broeden. Ze legt tussen de drie en zeven eieren, meestal vier. De eieren zijn grijsgroen van kleur. Het vrouwtje broedt de eieren in 16-18 dagen uit. De eerste dagen worden het vrouwtje en de jongen door de man gevoerd, daarna gaat het vrouwtje ook mee op voedseljacht. De jongen zitten ongeveer een maand (30-36 dagen) in het nest. Rond de 42-45 dagen kunnen de jonge roeken echt goed vliegen en verlaten ze het nest definitief. De uitgevlogen jongen vormen samen met leeftijdsgenoten een jeugdgroep. Na een jaar begint de paarvorming en na twee jaar zijn ze geslachtsrijp.

Er wordt in kolonies gebroed en geleefd. Roeken zijn echte kolonievogels
Er wordt in kolonies gebroed en geleefd. Roeken zijn echte kolonievogels

Waar kom je de roek tegen?

Het leefgebied van de roek bevindt zich in cultuurlandschap. Dit is een landschap met weides en akkers, afgewisseld met bomen, bomenrijen, bosjes en heggen. Maar je hebt niet overal in het land evenveel kans om roeken te treffen. Je zult ze voornamelijk in het oosten van het land tegenkomen en minder in het westen. Grofweg kun je de lijn Harlingen-Arnhem-Gouda-Breda aanhouden: ten oosten hiervan komen roeken meer voor dan ten westen.

Roeken houden, net als veel andere kraaiachtigen, van vrijstaande, hoge groepen bomen. Daar bouwen ze hun nesten in, maar is ook hun schuil- en slaapplek. Je ziet ze veel langs snelwegen, treinsporen en langs kanalen. Roeken laten zich ook zien in menselijke omgeving, zoals dorpen en steden. In steden wennen roeken aan de mens en vliegen steeds later op.

Roeken zijn voornamelijk standvogels en blijven dus het hele jaar in Nederland. Tijdens de vogeltrek kunnen er roeken uit het noord-oosten van Europa deze kant opkomen. En ‘onze’ roeken kunnen ook overwinteren in het oosten van Engeland. De trek is in oktober-november en februari-maart.

Een roekenkolonie langs de snelweg (Saxifraga - Jan van der Straaten)
Een roekenkolonie langs de snelweg (Saxifraga – Jan van der Straaten)

De roek en de mens

Ook de roek heeft te lijden onder de mens. Er werd (en wordt) gebruik gemaakt van landbouwgif, die de roeken binnenkregen door het eten van voedsel uit akkers waar gif werd gebruikt. Het gebruik van gif in de bodem heeft invloed op de hele voedselpiramide die daar boven zit, van klein tot groot. Hierdoor kwam de roekenstand in 1970 tot een dieptepunt. Daarna herstelde de stand zich, maar vanaf 2000 zien we weer een daling in de aantallen. Dit heeft onder andere te maken met de ontheffing die aangevraagd mag worden om roeken af te schieten.

Wil je de roek helpen? Kies er dan voor om geen gif in de bodem te gebruiken, gooi geen (plastic) afval op straat en maak anderen hier ook bewust van.

De mens: een vriend of vijand voor de roek?
De mens: een vriend of vijand voor de roek?

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen zwarte kraai en roek?

Let op de snavel en de poten. Zwarte kraaien hebben een zwarte snavel, waar roeken een grijze snavel hebben. Ook de vorm verschilt. Daarnaast lijken roeken een broek aan te hebben, doordat hun verenkleed langer doorloopt. De zwarte kraai heeft dit niet.

Wat is het verschil tussen kauw en roek?

Als eerste valt gelijk de grootte op: de roek is behoorlijk groter dan de kauw. Verder hebben kauwtjes een verenpak wat grijs en een beetje zwart is, waar roeken geheel zwart zijn. Roeken hebben een grote, puntige snavel. Kauwtjes hebben lichte ogen. Je ziet ze wel veel samen foerageren in weilanden en dan zie je het verschil tussen beide erg goed.

Is een roek of kraai groter?

Roeken en zwarte kraaien zijn ongeveer even groot. Tijdens de vlucht kun je verschil in de vleugels zien. De vleugelhand van de roek is dieper ingesneden en ze maken meer glijmomenten tijdens de vlucht dan de zwarte kraai.

Hoe slim is een roek?

Net als andere kraaiachtigen is ook de roek erg intelligent. Ze gebruiken verschillende klanken om met elkaar te communiceren, kunnen problemen oplossen, nieuwe dingen leren en hebben sociale interactie onderling.

Lees gauw het volgende deel van onze serie: de raaf!

Waarom bouwen bevers dammen?

Beverdam

Vroeger kwam de bever algemeen voor in ons waterrijke land en was het een van de belangrijkste architecten van de natuurgebieden. Maar door intensieve bejaging verdween de bever uit Nederland. Sinds 1988 zijn er weer bevers in Nederland te vinden. Met hun drang om dammen te bouwen zorgen ze er weer voor dat natuurgebieden veranderen, maar het levert soms ook conflicten op. Waarom bouwen bevers deze dammen? En hoe doen ze dit? Is een beverdam gewenst of ongewenst? In deze blog geven we antwoord op deze vragen.

Bevers bouwen dammen om twee redenen. Allereerst omdat ze zo veilig zijn voor roofdieren. De ingang van de beverdam bevindt zich onder water, zodat er geen roofdieren in de kamers kunnen komen. Daarnaast gebruiken bevers dammen om in het najaar een voedselvoorraad aan te leggen voor de winter. De twijgen en takken blijven langer vers als ze in het water gehouden worden. Met het bouwen van dammen zorgt de bever voor een hogere biodiversiteit in het gebied.

De bever (Castor fiber)

Bever (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Bevers zien er wat lomp uit, maar ze zijn volledig aangepast op het leven in water(Saxifraga – Mark Zekhuis)

De bever is het grootste knaagdier van Europa en kan tot één meter lang worden (kop-romplengte). Bevers zien er op het land wat plomp uit, maar in het water zijn ze uiterst behendig. Ze hebben een dikke, bruine vacht, die waterafstotend is. Zo kunnen ze hun lichaam ook op temperatuur houden in koud water. De kleine ogen, oren en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat ze tijdens het zwemmen maar een klein gedeelte van het hoofd boven water hoeven te houden. De dikke, platte, geschubde staart dient als een soort roer, waarmee ze zich makkelijk door het water kunnen bewegen. De zwemvliezen tussen de tenen dragen hier ook aan bij. Bevers worden in de natuur zo’n acht tot twaalf jaar oud.

De oren, ogen en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat er maar een klein gedeelte van het hoofd boven water gehouden hoeft te worden (Saxifraga - Mark Zekhuis)
De oren, ogen en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat er maar een klein gedeelte van het hoofd boven water gehouden hoeft te worden (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Voedsel en leefwijze

Bevers zijn echte vegetariërs. Ze eten planten, kruiden, bloemen, bladeren en knoppen van twijgen. Houtachtige delen van planten, struiken en bomen worden niet gegeten, maar gebruikt voor het bouwen van dammen. Bevers houden geen winterslaap. Ze leggen daarom een voedselvoorraad aan in hun burcht, om de winter goed door te komen. Bevers zijn monogaam en leven als een familie in een burcht. In Nederland zijn er zo’n 3500 exemplaren te vinden.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Waarom bouwen bevers dammen?

Bevers bouwen dus dammen. Het bouwen van een dam kost veel tijd en ervaring is zeker een must. Als een dam niet op de juiste wijze wordt gebouwd en er geen rekening wordt gehouden met de stroming van de rivier, dan kan deze dam in één klap weg zijn wanneer er meer water door de rivier stroomt dan gebruikelijk. Waarom doen bevers dan al die moeite om een dergelijk bouwwerk te maken, waarbij er ook nog eens de kans is dat deze dam met één overstroming wordt verwoest? Het antwoord is simpel; overleven. Zonder deze dammen zouden bevers veel minder succesvol zijn en zouden ze wellicht niet eens meer bestaan.

De voordelen van een beverdam

De belangrijkste reden voor het bouwen van een dam is veiligheid. Zoals eerder benoemd zijn bevers op land vrij ongemakkelijk en een makkelijke prooi voor roofdieren die aan de oevers leven. Als een bever hier een schuilplaats zou bouwen zou deze dus veel te gevoelig zijn voor predatie. Bevers hebben hier op ingenieuze wijze een oplossing voor bedacht. Beverdammen bevinden zich namelijk boven het water, buiten het bereik van roofdieren als de wolf, lynxen en sommige roofvogels (die pakken soms juveniele dieren). De beverdam is alleen bereikbaar vanuit het water, waardoor bevers hier altijd een veilige plek hebben om uit te rusten.

Beverdam
Binnen in de beverdam bevinden zich kamers waar de bever buiten het bereik van roofdieren kan uitrusten.

Het bouwen van een dam heeft echter nog een voordeel. Zoals gezegd houden bevers geen winterslaap. Dit houdt wel in dat ze in het najaar een voedselvoorraad aan moeten leggen, omdat er in de wintermaanden bijna niets te vinden is. Doordat ze de voedsel voorraad in de beverdam opslaan, ligt deze deels onder water waardoor de twijgen en takken met bladeren aan langer vers blijven. Dit zorgt ervoor dat de bever niet in winterslaap hoeft en gedurende de winter voldoende te eten heeft.


Lees ook: hoe maakt een spin een spinnenweb?


Hoe bouwen bevers dammen?

Het bouwen van een beverdam is een serieuze klus en iets wat bevers op instinct kunnen. Ook bevers die geboren worden in gevangenschap zijn in staat een beverdam te bouwen. Echter lijkt het er wel op dat juveniele dieren in het wild de vaardigheden verder perfectioneren door het observeren van het gedrag van ouders en oudere broertjes of zusjes.

Als je denkt dat een beverdam een simpele hoop takken is, dan heb je het mis. Het is van belang dat de bever uiterst secuur te werk gaat. Zwakke punten in de dam zullen bij hoog water en een sterke stroming gauw blootgelegd worden, met de kans dat de hele dam wegspoelt. Om er voor te zorgen dat er geen water onder de dam door spoelt, wordt er een fundament gemaakt van stenen en modder. Vervolgens wordt er met enkele dikke stammen een stevige constructie gebouwd, die dient als basis voor de rest van de takken. Bevers knagen bomen om met een diameter tot ruim 60 centimeter. Deze stammen worden vervolgens in kleinere delen van circa één meter geknaagd. De twijgen en bladeren worden opgegeten en stammetjes worden gebruikt om de dam te bouwen.

Beverdammen zijn er in allerlei soorten en maten (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Beverdammen zijn er in allerlei soorten en maten (Saxifraga – Mark Zekhuis)

De dam wordt verder aangevuld met stammen, takken en modder, om zo weinig mogelijk water door te laten. Zo vormt de dam een sterk geheel, wat minder vatbaar wordt voor sterkere stromingen. Met het bouwen van de dam krikken bevers het waterpeil op tot maximaal één meter diep. Ze kunnen al overleven in lagere waterstanden, maar waarschijnlijk hebben ze liever een hogere waterstand om in de herfst voldoende voedsel te kunnen stallen om de winter door te komen.

De rivier naar zijn hand zetten

De ingang van de burcht is alleen bereikbaar vanuit het water. Via de ingang komt de bever in zijn kamer, waar hij overdag kan rusten, buiten het bereik van roofdieren. Afhankelijk van de breedte van de rivier, de sterkte van de stroming en de samenstelling van de beverfamilie, kan een beverdam sterk in grootte variëren. Er zijn beverdammen bekend die nauwelijks een meter lang zijn, maar ook beverdammen met een lengte van tien meter zijn niet ongewoon.


Lees ook: waarom vliegen vogels in een v-vorm?


Wat zijn de gevolgen van beverdammen?

Bevers zijn met het bouwen van hun dammen ware landschapsarchitecten. Sommige mensen zijn blij met de komst van de bever, andere vrezen de bever juist. Hoe je het ook bekijkt, dat de aanwezigheid van de bever voor verandering zorgt is een feit.

Een ander feit is dat de bever, met het bouwen van zijn dammen, zorgt voor een verhoging van de biodiversiteit in een gebied. Dit is dan ook precies de reden waarom natuurbeheerders vaak blij zijn met de aanwezigheid van de bever in een gebied. Met het bouwen van dammen zorgt de bever ervoor dat er permanente en tijdelijke poelen ontstaan. Deze zijn vaak een bron van biodiversiteit. Oevers begroeien met (zeldzame) planten die goed gedijen aan deze oevers. Deze trekken op hun beurt weer vliegende insecten. In het stilstaand water beginnen vissen te paaien en leggen juffers en libellen hun eieren. De (vliegende) insecten zijn weer een belangrijke voedselbron voor andere dieren zoals vogels. Door de het bouwen van dammen ontstaat er dus een heel nieuw ecosysteem in het gebied.

De mensen achter Mossy Earth gingen zelfs zo ver, dat ze in een gebied neppe beverdammen maken om het gebied weer te herstellen en de biodiversiteit er terug te brengen. Dit is allemaal te zien in de deze video.

Bever
Bevers zorgen met het bouwen van dammen voor een hogere biodiversiteit in een gebied

De bever en de landbouw

Er zijn echter ook mensen die minder blij zijn met de aanwezigheid van de bever. Agrariërs waarvan de percelen grenzen aan de natuurgebieden waar de bever zijn dammen bouwt, kunnen er overlast van ervaren. Bevers zorgen nou eenmaal voor een verandering van de waterstand, wat resulteert in het feit dat het watermanagement op de landbouwgronden lastiger wordt. Ook omwonende rondom een natuurgebied zouden overlast kunnen ervaren, al lijkt het probleem hier minder voor te komen. Daarnaast kan de bever nog een probleem vormen op waterkeringen waarin hij oeverholen kan graven. Het is daarom belangrijk om een goed beleid te voeren en mensen te compenseren die overlast ervaren. Informatie en kennisdeling is daarnaast cruciaal om als mens en bever in de toekomst op een duurzame manier naast elkaar te leven.

Wat is het verschil tussen een amfibie en een reptiel?

Vuursalamander

De termen amfibie en reptiel worden vaak onterecht door elkaar gebruikt. Salamanders worden regelmatig reptielen genoemd en hagedissen amfibieën. Het zijn echter twee verschillende diergroepen, die veel op elkaar lijken, maar zeker ook op veel facetten van elkaar verschillen. In deze blog lees je het verschil tussen een amfibie en reptiel, maar kijken we ook naar de overeenkomsten tussen de twee diergroepen. Zo weet je altijd wanneer een dier een amfibie is en wanneer het een reptiel is.

Taxonomie amfibieën en reptielen

De klassen reptielen en amfibieën behoren beide tot de infrastam viervoeters. De infrastam wordt verder aangevuld met de klassen vogels en zoogdieren. De naam viervoeters roept enigzins verwarring op, omdat niet alle geslachten behorend tot deze stam meer in het bezit zijn van vier voeten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan slangen en vogels. De voorouders hadden deze echter wel. Amfibieën en reptielen worden dus gezien als aparte klassen, door diverse verschillen.

Ringslang
Bij slangen zijn de poten die de voorouders hadden nog als rudimentaire organen terug te vinden

Lees ook: wat is het verschil tussen kikkers en padden?


Verschil amfibieën en reptiel

Als je onderstaande foto’s bekijkt en de twee dieren met elkaar vergelijkt, dan lijken ze veel op elkaar. Zowel de alpenwatersalamander als de levendbarende hagedis hebben beide een langgerekt lichaam, een lange staart en de vier poten bevinden zich aan de zijkant van het lichaam. Tel daarbij op dat het schuwe dieren zijn, die op het moment dat je ze tegenkomt in de natuur snel wegschieten, dan is het niet gek dat de termen amfibie en reptiel door elkaar worden gebruikt. Maar er zijn echter ook verschillen te zien. Zowel fysieke verschillen als verschillen in leefwijze en gedrag. Door op deze verschillen te letten wordt het makkelijker om te bepalen of je een amfibie of reptiel hebt gezien.

Fysieke verschillen

Er zijn een aantal, uiterlijke en innerlijke, verschillen op te merken tussen amfibieën en reptielen. Dit begint bij de ademhaling. Reptielen hebben net als zoogdieren longen waarmee ze ademhalen. Amfibieën hebben ook longen om mee adem te halen, maar kunnen ook nog op een andere manier ademhalen. Ze kunnen namelijk ook via de huid ademhalen. In de huid van de amfibie zitten dunne bloedvaatjes waarmee ze door diffusie zuurstof op kunnen nemen in water.

Dat brengt ons meteen bij het tweede verschil, de huid. Reptielen en amfibieën hebben een totaal verschillende huid. Reptielen hebben een harde geschubde huid die veel droger is dan die van amfibieën. Amfibieën hebben een erg vochtige huid met poriën. Deze wordt dus gebruikt voor de ademhaling. Naast zuurstof kunnen amfibieën ook water en andere vloeistoffen via de huid opnemen. Pak amfibieën dan ook nooit op als het niet nodig is. Hierbij bestaat de kans dat er schadelijke stoffen (bijvoorbeeld vuil- en zeepresten) de doorlaatbare huid binnendringen wat schadelijk kan zijn voor het dier.

Eieren en jonge dieren

Ook aan de eieren is een duidelijk verschil te zien. Reptielen leggen eieren met een harde schaal. De eieren van amfibieën zijn altijd zacht en fragiel en liggen altijd in het water. Wanneer de dieren geboren worden is nog een ander opmerkelijk verschil waar te nemen tussen reptielen en amfibieën. De juveniele dieren van reptielen lijken ontzettend op de volwassen dieren (ze zijn alleen wat kleiner). Bij amfibieën worden de juveniele dieren als larve geboren en ondergaan ze een metamorfose of gedaanteverwisseling wanneer ze volwassen worden.

Verschillen in leefwijze

Naast fysieke verschillen zijn er ook duidelijk verschillen op te merken in de leefwijze van de twee diergroepen. Dit start met waar de dieren te vinden zijn. Reptielen zijn vaak bewoners van de drogere omstandigheden. Amfibieën vinden we vaak in, of in de buurt van water. Een deel van het leven zijn ze afhankelijk van water. Dit verschilt per soort. Sommige amfibieën zijn bijna jaarrond in het water te vinden. Andere soorten zijn soms maar een zeer korte periode (enkele weken) in het water te vinden. Desalniettemin zijn alle amfibieën afhankelijk van water en zouden ze uitdrogen in een te droge leefomgeving.

Paring en eileg

De voornaamste reden dat amfibieën aan water gebonden zijn, is vanwege de eileg. Alle amfibieën leggen namelijk hun eieren in het water, of de eieren komen uit in het lichaam waarna de larven in het water ter wereld worden gebracht (wat bij salamanders vaak het geval is). Reptielen leggen de eieren op het land. Deze worden ingegraven, waardoor ze in een relatief constante temperatuur komen te liggen en de ouders er niet meer naar om hoeven te kijken.

Ook in het paringsgedrag van beide diergroepen zijn verschillen te benoemen. Bij reptielen vindt er altijd contact plaats tijdens de paring. Dat is bij amfibieën (soms) anders. Bij salamanders wordt door het mannetje een pakket zaadcellen afgezet, dat door de vrouwtjes via de cloaca wordt opgenomen. Er vindt dan een inwendige bevruchting plaats, waarbij er geen contact is. Bij kikkers en padden gaat het er anders aan toe. Het mannetje klimt op de rug van het vrouwtje en pakt deze stevig beet (dit noemen we de amplexus). Dit duurt vaak enkele dagen, waarna het vrouwtje de eieren afzet in het water en het mannetje deze bevrucht met zijn zaad. Hier is dan sprake van een uitwendige bevruchting, waarbij er in eerste instantie wel contact is.

Paring padden
Bij kikkers en padden klimt het vaak veel kleinere mannetje bovenop het vrouwtje en blijft daar dan soms dagen zitten. Deze paargreep wordt de amplexus genoemd. Na verloop van tijd zet het vrouwtje haar eieren af in het water en bevrucht het mannetje de eieren met zijn zaad.

Tot slot

Als je beter kijkt, zijn er dus voldoende verschillen te vinden tussen amfibieën en reptielen. Het is echter te begrijpen dat deze twee dierklassen door elkaar worden gehaald. Ze zijn immers beide koudbloedig, het zijn schuwe dieren en bij veel mensen niet bekend. Voor natuurbeheerders zijn het echter enorm belangrijke soorten die vaak iets zeggen over de toestand van het betreffende gebied. Van beide soorten gaan de aantallen flink achteruit en de aanwezigheid van veel verschillende soorten amfibieën en reptielen in een gebied zijn een belangrijke indicator voor goed beheer, wat vaak ook andere flora en faunasoorten ten goede komt. Meer informatie over deze twee soorten vind je bij RAVON.


Lees ook: zelf een poel aanleggen


Vogelgeluiden leren herkennen

Huismussen

In het voorjaar hoor je in je tuin een symfonie van geluiden. Allerlei bekende tuinvogels laten hun beste zang horen, om een partner te vinden voor het aanstaande broedseizoen. Voor een leek is er geen onderscheid tussen al deze vogelgeluiden, maar wie zich er in verdiept zal steeds meer vogelgeluiden van elkaar kunnen onderscheiden. In deze blog bespreken we de zang (en laten we deze horen) van negen van de meest voorkomende tuinvogels.

Het geluid van vogels

Vogels kunnen verschillende soorten geluid maken, met verschillende doeleinden. Naast de bekende zang van zangvogels, hebben de meeste vogels verschillende soorten roepgeluiden om met elkaar te communiceren. Daarnaast zijn er nog vogels die geen zang kennen, maar andere geluiden maken, zoals ooievaars die klepperen en spechten die tegen een boom aan roffelen.

De zangvogels gebruiken geen stembanden om hun prachtige zang te produceren, maar hebben hiervoor een speciaal orgaan; de syrinx. Deze zit in de buurt van de luchtpijp en is dus niet aanwezig bij alle vogels. Hoe gespierder de syrinx, hoe uitgebreider het zangpakket van de vogel.

Hulpmiddelen bij het herkennen van vogelgeluiden

Voor de beginnende vogelaar is het bijna onmogelijk om alle geluiden van elkaar te kunnen onderscheiden. Gelukkig zijn er een paar hulpmiddelen en ezelsbruggetjes die je op weg kunnen helpen. Allereerst is het vooral belangrijk om te oefenen. Hoe vaker je er mee bezig bent, hoe sneller je de eerste vogelgeluiden kunt herkennen. Daarnaast kun je de app Merlin Bird ID op je telefoon installeren. Deze app kan een groot scala aan vogelgeluiden herkennen en is handig als je buiten in de tuin of in het veld bent.

Zingende vogel

Tot slot kunnen we nog het boek ‘Wat zingt daar?’ aanraden. Dit is een praktisch boek met veel achtergrondinformatie over vogels. Tevens is het boek zo opgebouwd dat je per maand kunt zien wat je in de natuur zoal kunt horen en kun je dus ook heel specifiek op zoek. Dit boek is daardoor een boek dat niet mag ontbreken in de boekenkast van een vogelaar. Via deze link (bol.com) is het boek te bestellen.

Koolmees (Parus major)

De koolmees, een van de meest voorkomende tuinvogels in ons land, heeft een zeer gevarieerde en uitbundige zang. De tweetonige zang van de grootste mees van ons land kan vergeleken worden met het geluid van een fietspomp. Het geluid bestaat maar uit twee tonen, maar hierin kent de koolmees veel variatie. De zang van de koolmees is, naast in de tuin, op veel andere plekken te horen zoals in parken en bossen. Maak zelf een nestkast voor de koolmees, zodat de veelzijdige zang van de koolmees voortaan ook in jouw tuin is te beluisteren.

De zang van de koolmees

Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)

pimpelmees

Het kleinere neefje van de koolmees is al een net zo graag geziene gast in de Nederlandse tuinen, de pimpelmees. Net zoals de koolmees is de pimpelmees van origine een bosvogel en kun je hem daar dus ook horen.

De zang van de pimpelmees kan omschreven worden als een fijne, heldere zang. Hij start met twee hogere tonen, gevolgd door een aantal lagere tonen. Die serie lagere tonen kan vergeleken worden met een belletje. Deze strofe herhalen ze regelmatig, waarna ze daarna nog verrassend kunnen gaan variëren in zang.

De zang van de pimpelmees

Lees ook: 10 tips voor meer vogels in je tuin

Roodborst (Erithacus rubecula)

Het roodborstje is met zijn rode, opvallende borst (bij mannetjes) een onmiskenbare tuinnvogel. Maar naast het in het oog springende uiterlijk kun je de roodborst ook goed herkennen aan zijn zang. Ze hebben namelijk een opvallende, melodieuze zang die vaak omschreven wordt als een kabbelend beekje of waterval. De strofes worden afgewisseld met kenmerkende pauzes van ongeveer drie seconden.

Als een van de weinige vogels is de zang van het roodborstje ook in de winter te horen. Ze verdedigen dan nog fel hun territorium en dulden dan geen enkele soortgenoot (ook de vrouwtjes niet). Uit onderzoek blijkt dat roodborstjes hun zang afstemmen op hun omgevingsgeluiden. Op plekken met veel verkeerslawaai zingen roodborsten vroeger in de ochtend, zodat ze goed hoorbaar zijn voor concurrenten en potentiële partners.

Roodborst

De zang van het roodborstje

Vink (Fringilla coelebs)

Vink

Een andere graag geziene gast in veel tuinen is de vink. Ze komen in het hele land voor en de mannetjes vinken laten hun zang al vroeg in het jaar horen. Vaak zijn de eerste vinken al in februari te horen, wanneer ze terugkeren van het overwinteringsgebied (de standvogels zijn ook vanaf half februari te horen).

De vink heeft een herkenbare zang, die door het hele land te horen is, maar per regio kan verschillen. In grote lijnen is de zang van de vink te omschrijven als een lange, snelle zang met op het einde enkele korte, hoge tonen, die ook wel de vinkenslag genoemd wordt.

De zang van de vink

Lees ook: vinken in Nederland – Deel I

Houtduif (Columba palumbus)

Dan door naar de meest voorkomende duif in Nederland, de houtduif. Deze grote duif is grijs van kleur en goed te herkennen aan de witte vleugelstreep en witte halsvlek, die overigens alleen bij volwassen dieren aanwezig is.

Ook het geluid is goed te onderscheiden van de ander duivensoorten, deze bestaat namelijk uit vijf tonen. Een handig ezelsbruggetje is dat je de vijf tonen kunt vervangen door: m’n opóe is dóód. Het geluid is daarnaast laag en schor. Naast de zang zijn de vleugels goed te horen van de duif. Bij opstijgen slaan deze boven én onder het lichaam tegen elkaar aan.

Houtduif (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers

De zang van de houtduif

Turkse tortel (Streptopelia decaocto)

Turkse tortel (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

De andere duivensoort die zich regelmatig in tuinen laat zien (en horen) is de Turkse torel. Deze parmantige duiven zijn meer roze-beige van kleur, hebben een donkere halsband en donkerrode irissen. Naast dat de Turkse tortel qua uiterlijk goed te onderscheiden is van de houtduif, is deze aan de zang ook gemakkelijk te herkennen.

In plaats van vijf tonen bestaat de zang van de Turkse tortel meestal uit drie tonen. Deze start met een korte toon, gevolgd door een lange toon en eindigend met wederom een korte toon. In deze drie tonen is m’n opoe te horen, een beetje korter dan bij de houtduif dus. De zang van de Turkse tortel is vrijwel het hele jaar te horen.

Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers

De zang van de Turkse tortel (Xeno-canto – Frank Roos)

Merel (Turdus merula)

De merel is wellicht een van de mooiste vogels om in je tuin te treffen. De mannetjes hebben een prachtige zang en de vogels zijn zeer actief, waardoor er dus altijd wat te beleven is.

Ondanks het usutuvirus (waar de merel veel last van heeft) is het nog steeds de talrijkste broedvogel in ons land.

Merels zijn luidruchtige vogels. Naast de prachtige zang van de mannetjes hebben ze ook een luide, hevige alarmroep. De uitbundige zang laat het mannetje vaak horen vanaf een hoge plek, vaak vroeg in de ochtend of op het einde van de dag. De zang kan omschreven worden als een lange, rollende zang, met veel variatie.

In hun zang verwerken merels ook imitaties van andere vogels en omgevingsgeluiden. Als je dus goed gaat luisteren naar de merel zul je horen dat iedere merel net wat anders klinkt.

Merel

Lees ook: tuinvogel uitgelicht: de merel

Winterkoning (Troglodytes troglodytes)

Een ander opvallend vogeltje die zich in veel tuinen laat zien is de winterkoning. Het is een van de kleinste vogels van ons land, maar heeft desondanks een zeer luide zang. De winterkoning is goed te herkennen aan het formaat, de bruine kleur en het omhoog staande staartje.

Zoals gezegd hebben ze een zeer luide, harde zang (zeker in vergelijking met het formaat). Ze beginnen al vroeg in het jaar te zingen. De zang wordt soms omschreven als een haperend wekkertje. De zang bestaat uit verschillende strofes met rollers en trillers erin verwerkt en meestal eindigend met een harde noot.

Winterkoning

De zang van de winterkoning (Xeno-canto – Uku Paal)

Huismus (Passer domesticus)

We sluiten af met de vogel die het meeste gezien wordt in de Nederlandse tuinen (volgens de nationale tuinvogeltelling): de huismus. Ondanks dat de huismus het meest gezien wordt, lopen de aantallen toch sterk terug.

Mannetjes en vrouwtjes verschillen qua uiterlijk sterk van elkaar. In geschikte tuinen vormen huismussen vaak grote families en zijn dan ook veelvuldig te horen. De zang beperkt zich tot een kenmerkend getjilp. In het tjilpen zijn veel variaties te ontdekken. Als je je eenmaal bewust bent van het getjilp van de huismus, hoor je hem overal.

Huismus

De zang van de huimus (Xeno-canto – Pascal Christe)

In deze blog hebben we de zang van enkele van de meest algemene tuinvogels besproken. Deze vogels zijn een uitstekend beginpunt om te starten met het herkennen van vogelgeluiden. Voor de meeste is er een handig ezelsbruggetje en veel zijn vanuit je eigen tuin te horen. Wanneer je deze eigen hebt gemaakt kun je er op uit en proberen ook de geluiden van andere vogels te herkennen. Welke vogels hoor jij allemaal in je tuin?

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!