Gele vlinders herkennen

Gele vlinders vallen vanwege hun kleur goed op. In Nederland zijn er eigenlijk maar twee soorten die echt geel zijn: de citroenvlinder en de koninginnenpage. Deze twee vlinders lijken niets op elkaar, dus het herkennen van gele vlinders in Nederland is niet moeilijk. In deze blog worden beide vlindersoorten besproken.

Vlinders hebben zo allemaal hun eigen waardplanten, maar ze hebben allemaal nectar nodig van verschillende planten. Een kruidenrijk grasland kan bijvoorbeeld ideaal zijn
Vlinders hebben zo ieder hun eigen waardplanten, maar ze hebben allemaal nectar nodig. Een kruidenrijk grasland kan bijvoorbeeld ideaal zijn

Citroenvlinder (Gonepteryx rhamni)

Deze vlinder valt op door de felgele kleur. Het mannetje is feller van kleur dan het vrouwtje. Het vrouwtje is eerder groenachtig in vergelijk met het felgele van het mannetje. Daarom wordt het vrouwtje vaak verward met witte vlinders. Bij het mannetje is de onderkant van de vleugels ook groenig. De vleugels zijn geaderd en zijn daarmee een goede camouflage. De aderen in de vleugels lijken op de nerven van bladeren en de bladuiteindes. De voor- en achtervleugels lopen in een punt en op elke vleugel komt een oranje stip voor. Citroenvlinders worden ongeveer 3 centimeter groot en hebben een spanwijdte tot 5,5 centimeter. Ze komen algemeen voor in Nederland.

De vleugelpunten en oranje stippen op de vleugels van de citroenvlinder zijn hier duidelijk te zijn (Saxifraga/Vlinderstichting - A.H. Baas)
De vleugelpunten en oranje stippen op de vleugels van de citroenvlinder zijn hier duidelijk te zien (Saxifraga/Vlinderstichting – A.H. Baas)

Van ei tot vlinder

De citroenvlinder is een van de langst levende vlindersoorten in ons land. De vliegtijd is van eind juni tot in oktober. Daarna gaat de vlinder overwinteren. De baltsvlucht van citroenvlinders kun je goed herkennen. Eerst zit het mannetje achter het vrouwtje aan, daarna vliegen ze allebei een stukje naar achteren. Je kunt ze zien vliegen in de tuin en in bos, maar ook op ruigere stukken grond, zo lang er maar nectaraanbod is.

Vervolgens moet het vrouwtje op zoek naar nectar. De eitjes moeten nog rijpen en dat kost veel energie. Nectar halen citroenvlinders graag uit onder andere paardenbloem, grote kattenstaart, koninginnekruid, sleutelbloem en wilg. Na het rijpen zet het vrouwtje de eitjes af op de onderkant van de bladeren van de waardplant, in hun geval wegedoorn of sporkehout. Citroenvlinders zijn echte zwervers en zetten de eitjes over een groot gebied af. Vanaf half april komen de eitjes uit.

De rups van de citroenvlinder is felgroen, zodat hij niet goed opvalt. Na zo'n 3-5 weken verpopt deze rups zich al (Saxifraga/Vlinderstichting - Henk Bosma)
De rups van de citroenvlinder is felgroen, zodat hij niet goed opvalt. Na zo’n 3-5 weken verpopt deze rups zich al (Saxifraga/Vlinderstichting – Henk Bosma)

De rupsen zijn felgroen van kleur, met kleine zwarte stippeltjes en een witte lengtestreep. Op deze manier zijn ze goed gecamoufleerd tegen de groene bladeren van hun waardplanten. De rupsen worden ongeveer vier centimeter groot. Na drie tot vier weken is het tijd voor de rups om te verpoppen naar vlinder. Dit doen ze zowel op de waardplant als op andere planten. Vanaf juni vliegt er dan een nieuwe generatie citroenvlinders rond.


Lees ook: tips voor het aanleggen van een natuurtuin


Overwinteren

Nadat de citroenvlinders de zomer al fladderend hebben doorgebracht, zoeken ze in het najaar een beschutte plek om te overwinteren. Dit kan bijvoorbeeld in klimop of hulst zijn, maar ook wel in een dichte graspol of ander struikgewas. Laat deze planten daarom zo lang mogelijk met rust, zodat de citroenvlinder ongestoord kan overwinteren en in het voorjaar kan ontwaken.

Citroenvlinders overwinteren in dicht struikgewas
Citroenvlinders overwinteren in dicht struikgewas

Op zonnige winterdagen kan het zijn dat de citroenvlinder even uit de rust komt en een andere overwinteringsplek zoekt. Vervolgens gaat de vlinder door met zijn winterslaap. Het overwinteren gebeurt als imago, dus als volwassen vlinder. Na de overwintering breekt de paartijd aan.

Koninginnenpage (Papilio machaon)

De koninginnenpage is misschien wel de opvallendste vlinder van ons land. Met een spanwijdte van 5 tot 8 centimeter is het de grootste dagvlinder in Nederland. De vleugels zijn geel en hebben een geel-zwarte tekening. Boven de staart zit er blauw in en aan beide binnenkanten van de ondervleugels is een oranje stip zichtbaar. Wanneer de vlinder in vlucht is, lijken deze stippen op ogen. En dat schrikt roofdieren (hopelijk) af. Verder zijn de lange, smalle staartpunten opvallend bij de koninginnenpage. Deze punten worden ook wel staartslippen of vleugelstaarten genoemd. Ook deze dienen om roofdieren om de tuin te leiden, want de vleugelstaarten lijken op antennes van de vlinder.

De  kleuren, tekening en afschrikkende 'ogen' op de vleugels zijn opvallend aan de konginnenpage
De kleuren, tekening en afschrikkende ‘ogen’ op de vleugels zijn opvallend aan de konginnenpage

Van ei tot vlinder

Deze grote vlinder leeft in meestal twee generaties per jaar. Dit is wel sterk afhankelijk van de temperatuur. In koudere omgevingen is er eerder een enkele generatie en in warmere oorden kunnen er zelf drie generaties per jaar zijn. Vanaf april (soms maart) tot en met oktober kun je deze vlinders zien vliegen. Mannetjes voeren baltsvluchten uit vanaf een hoger punt, zoals een heuveltop of een boomkruin. Wanneer ze een vrouwtje hebben gevonden, verdwijnt het paartje in de vegetatie. Kort daarna zet het vrouwtje de eitjes af. Het zoeken naar een partner rondom toppen wordt hill-topping genoemd.

De eitjes worden afzonderlijk van elkaar afgezet. Dit in tegenstelling tot veel andere vlinders, waar de eitjes in groepjes worden afgezet. De waardplanten behoren tot de schermbloemigen. Eerste generaties zetten af op peen, tweede generaties op bijvoorbeeld peen, wortel, peterselie of dille. Vanaf half mei komen de eitjes uit.

Hoe ouder de rups is, hoe meer hij bovenin de plant klimt om van te eten. Er wordt begonnen met het blad waar het eitje op stond, later eet de rups ook de bloemknoppen
Hoe ouder de rups is, hoe meer hij bovenin de plant klimt om van te eten. Er wordt begonnen met het blad waar het eitje op stond, later eet de rups ook de bloemknoppen

In het begin vallen de rupsen amper op. Ze worden ook wel vergeleken met een vogelpoepje: ze zijn zwart met een witte vlek in het midden. Rupsen worden graag gegeten door vogels, maar door deze camouflage is de rups zijn leven wat zekerder. Daarnaast heeft hij nog een ander afschrikmiddel: het osmetium. Dit is een vorkachtig orgaan wat de rups uit het lichaam kan drukken. Dit orgaan is een klier wat een penetrante geur verspreidt.

Na het vervellen krijgt de rups van de koninginnenpage zijn kenmerkende en opvallende uiterlijk: een heldergroen lichaam met zwarte dwarsbanden en oranje vlekken. Het verpoppen gebeurt op de waardplanten. De tweede generatie rupsen zijn er vanaf half augustus.

De rups van de koninginnenpage is opvallend en goed te herkennen
De rups van de koninginnenpage is opvallend en goed te herkennen

Lees ook: vijf onmisbare kruiden voor in de tuin of in pot


Nadat de rups de verpopping heeft overleefd, ligt de focus op nectar verzamelen. Koninginnenpages hebben hiervoor schermbloemigen nodig, maar ook klavers en distels zijn geliefd. Wat habitat betreft kun je deze vlinder tegenkomen in bloemrijke graslanden en weides, moerassen, moestuinen (vanwege peen en wortel en dergelijke) en open, glooiende landschappen. De tweede generatie vlinders vliegt vanaf begin juli rond, tot half september.

De koninginnenpage op rode klaver, een van de planten waar nectar uit gehaald wordt
De koninginnenpage op rode klaver, een van de planten waar nectar uit gehaald wordt

Overwinteren

Wanneer de zomer op het eind loopt en de temperaturen dalen, hebben de rupsen van de tweede generatie zich volgegeten. Ze overwinteren als pop in de kruidlaag. Dit kan de waardplant zijn of een plant in de buurt daarvan.


Lees ook: tips voor meer bijen en vlinders in je tuin


Paddentrek

Paddentrek, ook wel amfibieëntrek, is een jaarlijks terugkerend verschijnsel. Wanneer de voorbode van de lente zich aandient, met onder andere hogere minimum temperaturen, ontwaken amfibieën uit hun winterslaap en beginnen te trekken. Padden, kikkers en salamanders doen dit allemaal op hun eigen manier, maar de trek van elke soort lijkt wel op elkaar. In deze blog bespreken we dit fenomeen en hoe dit eruit ziet bij de verschillende amfibiesoorten.

Paddentrek is een jaarlijks terugkerend natuurverschijnsel waarbij amfibiesoorten onder bepaalde weersomstandigheden beginnen aan de trek van hun overwinteringsplaats naar hun voortplantingswater.

De paddentrek herbergt vele gevaren voor de overstekende dieren (Saxifraga - Rudmer Zwerver)
De paddentrek herbergt vele gevaren voor de overstekende dieren (Saxifraga – Rudmer Zwerver)

Paddentrek, amfibieëntrek: wat is het?

Zoals de inleiding al vertelt, is de paddentrek dan wel amfibieëntrek een jaarlijks terugkerend natuurverschijnsel. Na een koude winterperiode breekt de lente voorzichtig aan met zachtere temperaturen (vanaf zo’n 6-8 graden), regen, weinig wind en een hoge luchtvochtigheid. Deze omstandigheden zijn nodig voor de koudbloedige dieren met hun gevoelige huid om aan de trek te beginnen.

Het moment waarop de dieren beginnen te trekken, kan dus op verschillende momenten beginnen. Bij warme winters, wat we helaas de laatste jaren steeds meer zien, begint de paddentrek soms zelfs al in januari. Wanneer de winters strenger zijn, kan het zelfs tot in maart duren tot de amfibieën ontwaken. De paddentrek begint na zonsondergang en kan tijdelijk even stilvallen wanneer de weersomstandigheden minder goed zijn.

Bovenstaande tekenen zijn voor kikkers, padden en salamanders het moment om te ontwaken en hun voortplantingswater op te gaan zoeken. Niet alle soorten amfibieën trekken. Hieronder worden de soorten benoemd die je wel tegen kunt komen tijdens de paddentrek en hoe hun trek eruit ziet.

Nadat de eerste tekenen van de lente zich aandienen, ontwaken padden, kikkers en salamanders uit hun winterslaap
Nadat de eerste tekenen van de lente zich aandienen, ontwaken padden, kikkers en salamanders uit hun winterslaap

Padden

Om de term ‘paddentrek’ eer aan te doen, beginnen we met de padden. Niet alle padden trekken, maar de gewone pad en de rugstreeppad wel. Ze hebben de winter doorgebracht op een vorstvrije plek, tussen boomstroken, houtstapels, in het bos of ergens in een holletje. Met de paddentrek is het tijd om naar het voortplantingswater te gaan.

De mannetjes gaan het eerst op pad en wachten de vrouwtjes op. De vrouwtjes hebben al een gezwollen buik met eitjes. Een mannetje klemt zich vast aan een vrouwtje (amplexus) en zo gaan ze samen naar het voortplantingswater.

Padden in amplexushouding, met om hen heen strengen vol eitjes (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Padden in amplexushouding, met om hen heen strengen vol eitjes (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Lees ook: poel aanleggen in de tuin


Kikkers

De trek van de kikkers lijkt erg op die van de padden. Ook niet alle soorten kikkers trekken. De groene kikker leeft vrijwel altijd in en rondom het water en zul je minder snel tot niet tegenkomen tijdens de paddentrek. De bruine kikker, boomkikker en heikikker trekken daarentegen wel. De boomkikker is de soort die als laatste begint te trekken.

De boomkikker is van de trekkende kikkersoorten de laatste die aan de trek begint
De boomkikker is van de trekkende kikkersoorten de laatste die aan de trek begint

Salamanders

De amfibieëntrek van salamanders is erg vergelijkbaar met die van padden en kikkers. Een groot verschil is dat salamanders pas aan paarvorming doen wanneer ze bij het voortplantingswater aan zijn gekomen. Een ander verschil is nog dat de salamanders als eerste aan de trek beginnen, soms zelfs al in januari. Daardoor worden ze vaak gemist met overzetacties, omdat ze de trek dan al gehad hebben. De kleine watersalamander, kamsalamander en Alpenwatersalamander zijn de salamandersoorten die trekken.

De kamsalamander is een van de salamandersoorten die trekt. Een partner zoekt hij in het voortplantingswater, en niet onderweg zoals padden en kikkers. Op de foto een mannelijke kamsalamander, duidelijk te herkennen aan de kammen op rug en staart (Saxifraga - Kees Marijnissen)
De kamsalamander is een van de salamandersoorten die trekt. Een partner zoekt hij in het voortplantingswater, en niet onderweg zoals padden en kikkers. Op de foto een mannelijke kamsalamander, duidelijk te herkennen aan de kammen op rug en staart (Saxifraga – Kees Marijnissen)

Lees ook: het verschil tussen kikkers en padden


Leefgebieden van amfibieën en andere vormen van trekken

De leefgebieden van amfibieën of andere diersoorten worden ook wel biotopen genoemd. De biotopen van amfibieën kennen een jaarronde cyclus. Ze maken gebruik van verschillende biotopen door het jaar heen. Er wordt zowel op het land als in het water geleefd. Nadat er een grote trek naar de voortplantingswateren is geweest, zijn er nog kleinere trekken naar andere wateren.

De trek begint met de voorjaarstrek, zoals hierboven omschreven. Alleen deze trek gebeurt massaal, de opvolgende trekken zijn minder massaal. De volwassen dieren trekken daarna, al dan niet samen, naar hun voortplantingswater. Wanneer ze hun eieren hebben afgezet, trekken ze naar hun zomerbiotoop.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Ondertussen gebeurt er natuurlijk van alles met de eitjes die zijn afgezet. De eitjes komen uit en de metamorfose naar volwassen exemplaar is begonnen. Na de metamorfose beginnen ook de jonge exemplaren te trekken. Ook zij trekken dan naar hun zomerbiotoop. Deze trek is beter waarneembaar dan die van de volwassen exemplaren en wordt ook wel paddenregen genoemd.

Ten slotte trekken de amfibieën in het najaar naar hun overwinteringsplek. Deze trek valt niet erg op. Bij salamanders daarentegen wel, zij kunnen na een fikse regenbui massaal gaan trekken. Net als met de paddentrek in het voorjaar kan dit enorme slachtoffers bij wegen opleveren.

Na de zomer in hun zomerbiotoop te hebben doorgebracht, trekken amfibieën naar hun overwinteringsplaats. Daar overwinteren ze bijvoorbeeld tussen hout (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Na de zomer in hun zomerbiotoop te hebben doorgebracht, trekken amfibieën naar hun overwinteringsplaats. Daar overwinteren ze bijvoorbeeld tussen hout (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Vele gevaren

De paddentrek kent vele gevaren. Denk maar eens rioolputten en de warmte die van het wegdek straalt, waar amfibieën van houden. Daarnaast moeten de dieren vaak wegen oversteken in ons dichtbevolkte land, waardoor er soms tientallen of honderden slachtoffers vallen. Vaak beginnen ze met trekken op het moment dat de avondspits begint. Hierdoor gaat het steeds slechter met verschillende soorten amfibieën. Gelukkig zijn er manieren om kikkers, padden en salamanders te helpen. Je kunt je bijvoorbeeld aanmelden als vrijwilliger bij padden.nu en helpen met het rapen en overzetten van deze kleine diertjes.

Er worden ook wel verkeersborden geplaatst op plekken waar de diertjes oversteken. Houd dit dus goed in de gaten en let daarbij goed op het wegdek. Een andere mogelijkheid om het aantal slachtoffers onder kikkers, padden en salamanders te reduceren is het plaatsen van speciale tunnels onder de wegen door. Door middel van geplaatste schermen worden de dieren naar de tunnel toe geleid. Helaas is dit nog een dure optie en wordt het nog niet heel veel gebruikt.

Rioolputten zijn ook een gevaar voor deze kleine dieren. Niet alleen tijdens de paddentrek kunnen de dieren in het riool verdwijnen. Er zijn oplossingen hiervoor. Zo kunnen er speciale trappetjes geplaatst worden, zodat de dieren uit het riool kunnen klimmen.

Help je mee om deze kleine diertjes veilig aan de overkant te krijgen? (Saxifraga - Rudmer Zwerver)
Help je mee om deze kleine diertjes veilig aan de overkant te krijgen? (Saxifraga – Rudmer Zwerver)

Veelgestelde vragen

Wat is de paddentrek?

Paddentrek, of amfibieëntrek, is een jaarlijks terugkerend natuurverschijnsel waarbij amfibieën vanuit hun overwinteringsplaats massaal naar hun voortplantingswater trekken. Later in het jaar vinden er ook nog trekken plaats, maar deze zijn minder massaal en vallen daardoor minder op.

Wanneer is de paddentrek?

De paddentrek begint wanneer de temperatuur boven de 6-8 graden komt, er een hoge luchtvochtigheid is met wat regen en er weinig wind is. Meestal is dit in februari-maart, maar door de zachte winters van de laatste jaren is dit soms al in januari. Later in het jaar zijn er dan nog de minder opvallende trekken naar de zomerbiotoop en naar de overwinteringsplaats.

Waarom houden amfibieën een amfibieëntrek?

Amfibieën trekken om van hun overwinteringsplaats naar hun voortplantingswater te komen. Tijdens de amfibieëntrek proberen kikkers en padden een partner te vinden om zich voort te planten. Na de winterperiode ontwaken de dieren en beginnen ze aan hun tocht. Salamanders zoeken pas een partner in het water.


Lees ook: hoe maak ik een stapelmuurtje?


Op welk moment van de dag begint de paddentrek?

Wanneer de zon onder is, begint de paddentrek. De zon droogt de huid van amfibieën uit. Daarnaast maken ze in het donker ook meer kans om niet opgegeten te worden. Helaas komen ze na zonsondergang wel een andere vijand tegen: verkeer. Nederland is dichtbevolkt en heeft een groot netwerk aan wegen. Dit kost duizend slachtoffers.

Hoe kan ik helpen?

Meld je aan als vrijwilliger! Bijvoorbeeld op padden.nu. Je kunt helpen met raapacties en overzetacties. Verder zou je in je woonplaats kunnen informeren of er werkgroepen zijn die in de omgeving acties organiseren.

In je eigen tuin kun je zorgen voor overwinteringsplaatsen, aanbod van water en je kunt onderaan je heg een scherm van planken of folie plaatsen om te voorkomen dat amfibieën vanuit je tuin zo de straat op wandelen.

Uilen in Nederland – deel III

We zijn aanbeland bij het derde en laatste deel van onze uilenserie ‘Uilen in Nederland’. In deel I bespraken we de algemene kenmerken van uilen, de kerkuil en de velduil. In deel II kwamen de steenuil en de ransuil aan bod. Dit derde deel sluit af met de oehoe en de bosuil. Ook worden er enkele dwaalgasten besproken.

De bosuil is goed aangepast op het leven in de bossen en valt door zijn verenkleed nauwelijks op tegen de boomschors (Saxifraga - Martin Mollet)
De bosuil is goed aangepast op het leven in de bossen en valt door zijn verenkleed nauwelijks op tegen de boomschors (Saxifraga – Martin Mollet)

Oehoe (Bubo bubo)

Deze opvallende uilen behoren tot de grootste uilen ter wereld. Hij lijkt door zijn oorpluimen weliswaar op de ransuil, maar de oehoe is maar liefst twee keer zo groot als de ransuil. Het gaat nu weer wat beter met de oehoe. Jarenlang is deze grote uil vervolgd, waardoor er nog maar weinig exemplaren over waren. Nog steeds heeft hij het zwaar. De oehoe heeft zijn naam aan zichzelf te danken: hij is naar zijn eigen geluid vernoemd (onomatopee).

De oehoe is de grootste uil die in Nederland (weer) broedt (Saxifraga - Bart Vastenhouw)
De oehoe is de grootste uil die in Nederland (weer) broedt (Saxifraga – Bart Vastenhouw)

Kenmerken

Zoals hierboven al benoemd, behoort de oehoe tot de grootste uilen ter wereld. Voor Nederland is het de grootste uil. De oehoe wordt tussen de 60-75 centimeter groot. Het vrouwtje is groter dan het mannetje. De spanwijdte bedraagt tussen de 160-190 centimeter. Het lichaam van de oehoe is groot. Bovenop het hoofd zitten twee oorpluimen van bijna tien centimeter. De grote, oranje ogen vallen ook op. De oehoe zelf daarentegen valt nauwelijks op in zijn natuurlijke habitat. Zijn verenkleed, bovenop lichtbruin tot donkerbruin met donkere vlekken en banden en van onder lichter van kleur met donkere lengtestrepen, vormt de perfecte camouflage tegen bomen of steenwanden. Door zijn grootte herken je de oehoe vrijwel gelijk. Daardoor is deze uil niet snel te verwarren met andere uilen.

De oehoe valt op door zijn grootte, de oorpluimen en zijn grote oranje ogen. Ook zijn roep is onmiskenbaar (Saxifraga - Mark Zekhuis)
De oehoe valt op door zijn grootte, de oorpluimen en zijn grote oranje ogen. Ook zijn roep is onmiskenbaar (Saxifraga – Mark Zekhuis)
De zware roep van de oehoe (xeno-canto.org – Thierry Thomas)

Voedsel en verspreiding

Deze grote uilen eten voornamelijk wat er op hun pad komt. Dit kunnen kleine zoogdieren, maar soms ook grotere zoogdieren zijn, zoals een vos. Roofvogels en andere uilen worden ook door de oehoe gegeten. Er zijn resten van buizerds en haviken aangetroffen in prooiresten van oehoes. Qua kleinere prooien zijn dit vaak muizen, ratten, vogels en amfibieën.

In kleine zoogdieren die de oehoe eet, zoals muizen, zit helaas vaak vergif. Toegediend door de mens, omdat ze als overlast worden ervaren. De oehoe (en andere roofdieren) krijgt dit dan ook binnen. Het gif wordt opgeslagen in de vetreserves, waardoor de oehoe er niet altijd gelijk iets van merkt. Maar in jaren met minder voedselaanbod worden de vetreserves van de oehoe aangesproken en komt het gif vrij. Dit is de reden waarom oehoes vaak niet ouder dan een jaar of 4-6 worden, terwijl ze een leeftijd kunnen bereiken van twintig jaar of zelfs nog ouder. Gebruik dus nooit gif, niet tegen dieren en niet in de tuin.

Deze uilen hebben zich door de jaren heen aangepast aan allerlei verschillende soorten landschappen en omgevingen. Zelfs in stedelijke omgeving duikt er af en toe eentje op. Een belangrijke voorwaarde voor een territorium is het voedselaanbod. Er moet jaarrond genoeg aanbod zijn. Water is een andere belangrijke voorwaarde, om te kunnen drinken en te badderen.

Verspreidingskaart oehoe 2023
Verspreidingskaart oehoe 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broeden

Door de jarenlange vervolging van de oehoe is er lange tijd geen broedsel geweest in Nederland. Sinds 1997 wordt er weer jaarlijks gebroed en verspreidt de oehoe zich meer door het land. Elk jaar in de herfst begint de paarvorming van de oehoe. De uilen blijven hun leven lang in hetzelfde territorium, maar wisselen wel eens van nest. Er wordt wel eens een oud nest van een roofvogel gebruikt, maar er wordt ook wel op de grond gebroed. Vaker worden nesten gevonden op richels van steengroeven, zoals bij Maastricht en Winterswijk. Kunstnesten in bossen worden ook gebruikt.

Gemiddeld worden er 3-5 eieren gelegd. De oehoe broedt vanaf het eerste ei, waardoor de eieren niet tegelijk uitkomen. De broedtijd neemt een dikke maand in beslag. De jonge oehoes zijn na tien weken vliegvlug. Voor die tijd klauteren ze al uit het nest. Daarna wordt hen de kneepjes van het jagen bijgebracht. Dit moeten de jonge uilen na 5 maanden zelf kunnen, want dan is het tijd om een eigen territorium op te zoeken. En daarvoor trekken de jongvolwassen oehoes ver, zo’n 100 kilometer. Soms zelfs nog verder.

Na enkele weken verlaten de jonge oehoes het nest als takkeling. Ze klauteren dan in de omgeving van het nest en worden nog gevoerd. Ze zijn nog niet vliegvlug (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Na enkele weken verlaten de jonge oehoes het nest als takkeling. Ze klauteren dan in de omgeving van het nest en worden nog gevoerd. Ze zijn nog niet vliegvlug (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Lees ook: arenden in Nederland


Bosuil (Strix aluco)

Waarschijnlijk heb je de bosuil nog nooit gezien, maar de kans is groot dat je hem wel eens hebt gehoord. Is het niet tijdens een avondlijke boswandeling, dan is het wel in een film. Het kenmerkende geroep van de bosuil draagt namelijk ver én wordt gebruikt in heel veel films en series, om de sfeer van de nacht op te roepen.

Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, komt de bosuil niet alleen in het bos voor. Deze uil is niet de meest kieskeurige en kan een woongebied vinden in verschillende soorten bossen, parken en soms ook rondom bebouwing, mits er voldoende groen aanwezig is.

Bosuilen bevinden zich graag in boomholtes. Hier brengen ze vaak slapend/rustend de dag door (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Bosuilen bevinden zich graag in boomholtes. Hier brengen ze vaak slapend/rustend de dag door (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Kenmerken

De bosuil is een middelgrote uil. Hij wordt zo rond de 40-42 centimeter groot. Een andere vogel van die grootte is bijvoorbeeld de zwarte kraai. De spanwijdte van de bosuil is tussen de 90-95 centimeter. Het vrouwtje is zwaarder dan het mannetje. De ogen van de bosuil vallen op, deze zijn groot en donker. Ook de kop van deze uil is relatief groot, het lichaam daarentegen is gedrongen. Bosuilen zitten graag in boomholtes, zoals op de foto hierboven. Maar ook zitten ze overdag op takken, tegen de boom aan gedrukt.

De bosuil heeft een gevarieerd verenkleed, van donkergrijs en donkerbruin tot donkerrood. Op de vleugels zijn lengtestrepen te zien en bevinden zich witte vlekken. Doordat de veren zo opgaan in boomschors, zie je de bosuil makkelijk over het hoofd.

Door de kleurschakeringen en het patroon van de veren is de bosuil perfect gecamoufleerd en lijkt hij onderdeel van de boomschors te zijn
Door de kleurschakeringen en het patroon van de veren is de bosuil perfect gecamoufleerd en lijkt hij onderdeel van de boom te zijn
Twee bosuilen in roep en zang naar elkaar (xeno-canto.org – David Tattersley)

Voedsel en verspreiding

De bosuil is de meest voorkomende uilensoort van Europa. Dat heeft onder andere te maken met de verschillende leefgebieden waar hij zich kan standhouden en zijn voedselkeuze. Ook in Nederland komt de bosuil bijna overal voor, maar minder in de weidse delen in het noorden van Nederland en Zeeland (zie afbeelding hieronder). De bosuil heeft in ieder geval (oude) bomen nodig. Het maakt dan niet veel uit of dit in een bos of een park is. In het leefgebied moeten ook genoeg mogelijkheden zijn om te rusten en te broeden.

Een ander belangrijke voorwaarde om zich ergens te kunnen vestigen, is het voedselaanbod. De bosuil is een behoorlijke alleseter. Aan de jongen wordt in het begin vooral regenwormen gevoerd. Later eet deze uil kevers en amfibieën, maar ook vogels en kleine zoogdieren als konijn, muis en mol. In omgevingen met meer bebouwing staan meer vogels op het menu en in natuurlijkere omgevingen meer kleine zoogdieren. De bosuil eet soms zelfs vis.

Bosuil verspreidingskaart 2023
Bosuil verspreidingskaart 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broeden

Man en vrouw bosuil zijn een koppel voor hun hele leven en leven altijd in hetzelfde territorium. De baltsperiode begint al vroeg, soms al in december. De eieren worden daardoor soms al in februari gelegd. De bosuil kan 1-7 eieren per broedsel leggen. Er wordt een legsel grootgebracht per jaar. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de kerkuil wordt bij de bosuil niet vanaf het eerste ei gebroed, maar vanaf het tweede of derde ei. De bosuil broedt ongeveer een maand. Afhankelijk van de omgeving kan er op verschillende plekken gebroed worden. Zo worden boomholtes gebruikt, maar ook wel oude nesten van bijvoorbeeld de ekster. In omgevingen met meer bebouwing kan de bosuil ook broeden in gebouwen. Nestkasten worden ook gebruikt door deze uil. Je kunt er eentje zelf maken met onze bouwtekening of er eentje kopen (vivara.nl). Bij Beleef de Lente wordt er al jaren een koppel bosuilen in hun broedperiode gevolgd.

Nadat de jongen uit de eieren zijn gekomen, brengen ze eerst een tijd in het nest door. Na enkele weken kunnen ze al hun weg naar buiten gaan zoeken, ze worden dan takkelingen. De jonge uilen brengen dan nog een tijdje door op een veilige plek op een tak. Ze worden nog gevoerd door de ouders. Na vier weken zijn de uilen vliegvlug en kunnen ze zelf op zoek gaan naar hun voedsel. De jonge uilen brengen nog een periode door in het territorium van hun ouders. Rond de herfst moeten ze dan echt uitvliegen en op zoek naar hun eigen gebied. Jonge bosuilen kunnen wel 50 kilometer trekken voor een eigen plek.

Jonge bosuilen brengen een tijdje door als takkeling in de bomen, voordat ze vliegvlug zijn (Saxifraga - Martin Mollet)
Jonge bosuilen brengen een tijdje door als takkeling in de bomen, voordat ze vliegvlug zijn (Saxifraga – Martin Mollet)

Lees ook: bouwtekening nestkast bosuil


Dwaalgasten

De zes broedende uilensoorten in Nederland zijn nu allemaal voorbij gekomen. Dat wil niet zeggen dat er in Nederland geen andere uilensoorten voorkomen. Er zijn een aantal dwaalgasten die hier wel eens voorkomen, maar (nog) niet broeden. Deze dwaalgasten worden vaak een paar dagen, maximaal een paar weken, gezien en vliegen vervolgens weer door.

Ruigpootuil

We beginnen gelijk met een uitzondering, want de ruigpootuil heeft wel enkele keren in ons land gebroed. In Drenthe zijn er broedgevallen bekend, maar helaas lijken alle uitgevlogen jongen het niet gered te hebben. Deze uilensoort broedt in Duitsland, niet ver weg van de grens. Dit is een soort die we misschien in de toekomst wel vaker kunnen gaan zien.

Dwerguil

Dit is de kleinste uilensoort van Europa. Hij wordt ook wel de musuil genoemd. De afgelopen twee decennia zijn er elf bevestigde waarnemingen van deze uil in Nederland. De dwerguil broedt in de Hoge Venen in België en in het Sauerland in Duitsland. Deze uil zou kunnen optrekken naar Nederland.

Om een dwerguil te zien, moet je goed opletten. Zowel qua grootte als qua kleur valt hij bijna niet op
Om een dwerguil te zien, moet je goed opletten. Zowel qua grootte als qua kleur valt hij bijna niet op

Dwergooruil

Er zijn in Nederland dertien bevestigde waarnemingen van deze uil. De dwergooruil is ook een kleine uil. Hij leeft vooral in het Middellandse zeegebied.

Sneeuwuil

De sneeuwuil leeft op de koude toendra’s in het noorden. Wanneer daar zeer strenge winters zich voordoen, wil de sneeuwuil nog wel eens wat afzakken en in Nederland aankomen als dwaalgast.

Uilen in Nederland deel I & deel II

Uilen in Nederland deel Ialgemene kenmerken uilen, kerkuil en velduil

Uilen in Nederland deel II: ransuil en steenuil

Uilen in Nederland – deel II

Ransuil in boom

In het eerste deel van onze uilenserie kun je lezen over de taxonomie van uilen en hun algemene kenmerken. Ook kwamen daar de kerkuil en de velduil aan bod. In dit tweede deel is de beurt aan de ransuil en de steenuil. Een middelgrote uil en het kleinste uiltje van Nederland.

Omslagfoto: Saxifraga – Mark Zekhuis
Bij deze ransuil kun je goed de oorpluimen zien. Deze zijn een stuk langer dan die van de velduilen (bron: Saxifraga - Martin Mollet)
Bij deze ransuil kun je goed de oorpluimen zien. Deze zijn een stuk langer dan die van de velduil (bron: Saxifraga – Martin Mollet)

Ransuil (Asio otus)

De ransuil wordt nog wel eens verward met de oehoe. Ze hebben beide opvallende oorpluimen, maar de oehoe is groter dan de ransuil en komt ook minder voor. Ransuilen zijn meer verwant aan velduilen. Ze behoren namelijk tot hetzelfde genus, Asio (zie taxonomie in deel I).

De ransuil komt helaas ook minder vaak voor dan vroeger en staat op de Rode Lijst. Net als bij de kerkuil en de velduil in deel I is ook de ransuil afhankelijk van de muizenstand. De natuurlijke cycli van de muizenstand is aangetast door de intensivering van de landbouw, waardoor ook de ransuil het de laatste jaren steeds moeilijker heeft. Maar ook de toename van haviken is een bedreiging voor de ransuil, want haviken jagen op ransuilen.

Kenmerken

Zoals eerder benoemd, vallen vooral de geeloranje ogen en de oorpluimen op. De ransuil wordt ongeveer 35-37 centimeter groot en heeft een spanwijdte van 85-100 centimeter. Het verenkleed van deze uil is overwegend donkergeel met zwartbruine strepen en vlekken. De onderzijde is lichter van kleur, maar ook daar zie je donkere strepen en vlekken.

De ransuilen: oranje of geeloranje ogen, lange oorpluimen en een duidelijke gezichtssluier (bron: Saxifraga - Martin Mollet)
De ransuil: oranje of geeloranje ogen, lange oorpluimen en een duidelijke gezichtssluier (Saxifraga – Martin Mollet)
Bedelroep van drie jonge ransuilen (xeno-canto – Alain Malengreau)

Verspreiding en voedsel

Ransuilen kun je in verschillende soorten landschappen tegenkomen, maar er moeten in ieder geval open velden aanwezig zijn met muizen. Muizen zijn het belangrijkste onderdeel op het menu van de ransuil. Maar ook kleine vogels worden gegeten, zoals mus, spreeuw of een vinkachtige. Deze uil kwam vroeger juist meer voor in bossen, maar door de toename van haviken zijn ze daar vrijwel uit verdwenen. Ransuilen houden van landschapselementen als houtwallen, hagen en kruidenrijke akkers en akkerranden. Daarnaast zitten deze uilen ook wel in solitaire, hoge bomen. In de winterperiode (oktober-maart) zijn er soms grote groepen ransuilen op een roestplaats. Daar brengen ze met elkaar de winter door.

Volwassen uilen blijven bij de nestplaats, maar jonge ransuilen kunnen soms wel honderden kilometers trekken voor een nieuwe verblijfplaats. Er zijn daarom soms ook ransuilen uit Rusland en Noord-Europa in Nederland.

Verspreidingskaart ransuil 2023
Verspreidingskaart ransuil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broeden

Ransuilen gebruiken vaak oude nesten van kraaien of eksters. Hier ligt ook een van de redenen waarom het minder goed gaat met de ransuil: er zijn steeds minder nesten beschikbaar.

Ransuilen leggen vier tot zes eieren per legsel, maar dit is afhankelijk van het voedselaanbod. In jaren met weinig muizen kan het ook voorkomen dat er geen eieren gelegd worden. In het geval dat er wel eieren zijn, worden deze vanaf het eerste ei bebroed. De broedperiode van de ransuil is in de maanden maart en april. Na drie weken worden de jonge ransuilen zogenaamde takkelingen. Ze klimmen dan rond in de bomen rondom het nest. Je kunt in deze periode de jonge ransuilen goed horen: ze laten veelvuldig hun bedelroep horen (zie het audiofragment bij het kopje ‘voedsel en verspreiding’). Na zo’n vijf weken zijn de jongen vliegvlug en leren ze steeds meer zelfstandig te leven.

Een jonge ransuil als takkeling in een boom, waarschijnlijk nog in de buurt van het nest (Saxifraga - Jelmer Reyntjes)
Een jonge ransuil als takkeling in een boom, waarschijnlijk nog in de buurt van het nest. De oorpluimen zijn al zichtbaar (Saxifraga – Jelmer Reyntjes)

Help de ransuil een handje

Komt de ransuil bij jou in de buurt voor? Op Waarneming.nl kun je dat nagaan. Het is ook goed om je waarneming van een ransuil door te geven, zodat in kaart gebracht kan worden waar er bijvoorbeeld gebroed wordt. Mocht je het geluk hebben en er is een ransuil in jouw buurt, dan kun je verschillende dingen om hem te helpen. Zo kun je al beginnen met het niet bestrijden van muizen. Of in ieder geval geen gif te gebruiken. Zo scheep je de ransuil (en andere diersoorten) niet op met vergif in zijn eten. Wanneer je veel ruimte hebt, kun je landschapselementen aanleggen, zoals houtwallen en hagen. Ook zou je een kunstnest (hier te bestellen via Vivara) kunnen plaatsen. Rommelige hoekjes met ruige stukken zijn weer aantrekkelijk voor muizen, en dus ook voor de ransuil.


Lees ook: hoe plant ik een boom?


Steenuil (Athena noctua)

Kenmerken

De steenuil is de kleinste uil van Nederland. Hij is tussen de 21-23 centimeter groot en heeft een spanwijdte van 54-58 centimeter. Bij gevaar kan de steenuil zijn veren wat opzetten, zodat hij groter lijkt. Eigenlijk is de steenuil niet veel groter dan de merel, maar heeft ander postuur en oogt daarom groter. Opvallend aan deze uil zijn de gele ogen. Daarboven zijn opvallend lichte wenkbrauwen te zien. De rest van het verenkleed is voornamelijk bruin met witte vlekken. Steenuilen hebben een grappig loopje, waarbij ze op een ijsberende manier heen en weer lopen.

De steenuil is de kleinste uil van Nederland en is niet veel groter dan een merel
De steenuil is de kleinste uil van Nederland en is niet veel groter dan een merel
Een roepende steenuil (xeno-canto – Luca Baghino)

Voedsel en verspreiding

Ook het menu van de steenuil bestaat voornamelijk uit veldmuizen. Maar ook kleine vogels en grote insecten worden gegeten, waaronder nachtvlinders en meikevers. De steenuil houdt van een agrarisch cultuurlandschap, waar landschapselementen zijn te vinden als houtwallen, heggen en weilandjes die extensief begraasd worden. Steenuilen maken ook graag gebruik van weidepaaltjes, om vanaf te jagen. Oude holle fruitbomen of knotwilgen zijn ook belangrijk voor dit kleine uiltje.

Volwassen steenuilen blijven in de buurt van de nestplaats. Ook de jongen gaan niet heel ver weg, zij blijven vaak in een omtrek van enkele kilometers van het nest.

Verspreidingskaart steenuil 2023
Verspreidingskaart steenuil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broeden

Steenuilen zijn holenbroeders en hebben graag een holle boom om hun jongen in groot te brengen. Zo zijn knotwilgen en fruitbomen een geliefde broedplek. De broedperiode is in de periode april-mei. De steenuil legt 3-5 eieren en het duurt zo’n 24-28 dagen voordat de eieren uitkomen. Na een maand verlaten de jonge steenuiltjes het nest, maar ze zijn op dat moment nog niet vliegvlug. Dat duurt ongeveer nog twee weken. De jongen worden dan nog een dikke maand door de ouders verzorgd. Daarna is het dan tijd geworden om een eigen territorium te vinden. Jonge steenuilen blijven vaak binnen tien kilometer van de nestplaats.

Een jonge, nog niet vliegvlugge, steenuil zit in een boom (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Een jonge, nog niet vliegvlugge, steenuil zit in een boom (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Naast oude holle bomen kan de steenuil ook broeden in rustige hoekjes op een erf of in een oude schuur. Ook heeft de steenuil veel aan nestkasten, omdat ook voor deze uil de omgeving de laatste jaren drastisch is veranderd. De steenuil staat ook op de Rode Lijst. Broedende steenuilen zijn te volgen bij Beleef de Lente.

Helpende hand

Ook de steenuil kun je een handje helpen. Je kunt bijvoorbeeld een nestkast (Vivara.nl) plaatsen. Je kunt er zelf ook eentje maken of een andere kopen, maar let er in ieder geval op dat de nestkast marterproof is. Door middel van een voorportaal in de nestkast, kan de marter niet (of minder makkelijk) bij de eieren en jongen. In het geval je drinkbakken voor vee hebt staan, kun je hier een steenuilvriendelijke geperforeerde binnenbak in plaatsen. Als een (jonge) steenuil dan in de bak water belandt, kan hij eruit klimmen.


Lees ook: poel aanleggen in de tuin


Uilen in Nederland – deel I & III

In de eerste blog van deze driedelige serie hebben we de algemene kenmerken en de eerste twee uilensoorten besproken. In dit tweede deel kwamen ransuil en steenuil aan bod. In deel drie zullen de oehoe, bosuil en dwaalgasten besproken worden.

Uilen in Nederland deel I: algemene kenmerken uilen, kerkuil en velduil.

Uilen in Nederland deel III: oehoe, bosuil en dwaalgasten

Uilen in Nederland – deel I

Uilen zijn geruisloos en mysterieus. Je zult er niet snel eentje zien, maar wanneer je dat geluk wel hebt, zal de ontmoeting je altijd bij blijven. Er broeden verschillende soorten uilen in Nederland. Daarnaast zijn er ook af en toe dwaalgasten in ons land te vinden. Al deze soorten zullen in deze uilenreeks worden behandeld. Hier in deel I gaan we in op de algemene kenmerken van uilen en lichten we twee soorten uit.

De velduil is een voorbeeld van een uil die overdag jaagt
De velduil is een voorbeeld van een uil die overdag jaagt

Algemene kenmerken van uilen

Waarschijnlijk ken je het bekendste kenmerk van uilen wel: ze kunnen hun nek heel ver draaien. Uilen hebben veertien nekwervels, wat ervoor zorgt dat ze hun nek zowel ver heen en weer kunnen draaien als van boven naar beneden kunnen bewegen. Ter vergelijking: de mens heeft de helft zoveel nekwervels, namelijk zeven. Het is voor uilen belangrijk om hun nek op die manier te kunnen draaien, want ze kunnen niet opzij kijken en hun ogen zitten vast in de schedel. Uilen hebben grote ogen en kunnen alleen maar vooruit kijken. Hoewel de ogen groot zijn, kunnen uilen niet goed van dichtbij zien.

Taxonomie broedende uilen in Nederland (De natuur van hier)
Taxonomie broedende uilen in Nederland (De natuur van hier)

Stilte in de nacht

Een ander opvallend kenmerk is hun geruisloze vlucht. Dit heeft alles te maken met het verenkleed van de uil. Deze is anders opgebouwd dan de veren van andere soorten vogels. Uilen hebben donsveren en kamveren in hun verenkleed zitten. De donsveren zorgen voor een isolerende werking. De kamveren zien eruit als kleine kammetjes, waar de wind doorheen kan. Daardoor hoor je de wind niet op de veren en vliegt de uil geruisloos door de nacht.

Door de verschillende veren in het verenpak kan een uil geruisloos vliegen zo een prooi verrassen
Door de verschillende veren in het verenpak kan een uil geruisloos vliegen en zo een prooi verrassen

Gehoor

Oorpluimen: bij de velduil, ransuil en oehoe zijn duidelijke oorpluimen te zien. Andere uilen hebben deze niet. Dat betekent niet dat zij niet kunnen horen, want de oorpluimen hebben eigenlijk niks met het horen te maken. De oorpluimen laten de fysieke gesteldheid en status van de uil zien. Sterke en gezonde uilen hebben grote oorpluimen, waar zwakke, oude of zieke uilen kleine oorpluimen hebben.


Lees ook: arenden in Nederland


De oren zitten bij sommige soorten asymmetrisch. Dit is zo bij alle soorten van geslacht Asio en Tyto en bij sommige soorten van Strix, Bubo en Aegolius. Dit helpt met het lokaliseren van een mogelijke prooi. Wanneer het geluid op net twee verschillende plekken in de hersenen binnenkomt, kan de uil de locatie van het prooidier bepalen en toeslaan. Er zijn ook uilensoorten die symmetrisch zittende oren hebben. Het blijkt dat zij ’s nachts minder graag vliegen. Uilen met asymmetrische oren hebben daar geen moeite mee.

De bosuil hierboven draait zijn ver naar achteren. Uilen kunnen hun hoofd bijna helemaal draaien
De bosuil hierboven draait zijn nek ver naar achteren. Uilen kunnen hun hoofd bijna helemaal draaien

Verder heeft de uil een haaksnavel, welke nodig is om prooien in stukken te scheuren. Uilen hebben gevederde poten, die langer en smaller zijn dan je in eerste instantie zou vermoeden.

Broedende uilen in Nederland

Bijna overal ter wereld komen uilen voor, in allerlei soorten en maten. In Nederland kennen we zes soorten die hier broeden. Er duiken soms ook dwaalgasten op. Deze soorten broeden vrijwel nooit in Nederland, althans niet op dit moment. Al deze soorten zullen in de komende blogs besproken worden. Uilen die in Nederland broeden:

  • Kerkuil (Tyto alba)
  • Velduil (Asio flammeus)
  • Ransuil (Asio otus)
  • Steenuil (Athena noctua)
  • Oehoe (Bubo bubo)
  • Bosuil (Strix aluco)

Lees ook: hoe maakt een spin een spinnenweb?


Kerkuil (Tyto alba)

We beginnen gelijk met een beetje een vreemde eend in de bijt wat betreft de taxonomie van uilen: de kerkuil. Deze uil hoort, zoals hierboven te zien is in de taxonomie, niet tot de echte uilen. Het verschil zit in meerdere zaken. Zo is de vlucht van kerkuilen meer glooiend dan de vlucht van uilen die tot de echte uilen behoren. Ook is de staart van de kerkuil rechthoekig, die van echte uilen niet.

Kenmerken

Opvallend aan de kerkuil is het witte, hartvormige gezicht. De kerkuil is een vrij grote vogel en wordt tussen de 35-40 centimeter groot. De spanwijdte bedraagt tussen de 80-100 centimeter. Hoewel de kerkuil vaak wordt omschreven als witte vogel, zijn er vele nuances in het verenkleed. De kleurvariaties gaan van licht tot meer lichtbruin. De veren hebben een gespikkeld patroon. Aan de hand van de strepen op de handpennen kan bepaald worden of het om een mannelijk of vrouwelijk exemplaar gaat. Dit komt erg precies. Strepen die breder dan 7,5 millimeter zijn, duiden op een vrouwtje. Strepen onder de 7,5 millimeter breedte zijn van een mannetje.

Het witte, hartvormige gezicht van de kerkuil is een van de meest opvallende kenmerken
Het witte, hartvormige gezicht van de kerkuil is een van de meest opvallende kenmerken
Roep van de kerkuil (xeno-canto – Simon Elliott)

Verspreiding en voedsel

De kerkuil komt voor in cultuurlandschap waar kruidenrijke akkers/akkerranden, houtwallen, graslanden en akkers aanwezig zijn. In bossen zul je hem niet gauw vinden. Zijn naam verraadt al de voorliefde voor broedplekken: in kerken. Maar ook hoge schuren, liefst met hooi of stro worden graag gebruikt. Dit zijn plekken waar van oudsher altijd veel muizen voorkwamen, de prooidieren die bijna het gehele menu van de kerkuil beslaan. Helaas heeft ook de kerkuil te maken met het economische aspect van de landbouw. Doordat er geen ouderwetse opslagplaatsen meer worden gebruikt in opslagschuren, is het muizenaantal drastisch afgenomen en daarmee ook het voedsel voor de kerkuil. Daardoor is de kerkuil vrij afhankelijk geworden van nestkasten.

Verspreidingskaart kerkuil 2023
Verspreidingskaart kerkuil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broedperiode

In februari begint het paargedrag. Kerkuilen gaan op zoek naar nestgelegenheid en zijn beide vaker te vinden bij het nest. Kerkuilen maken niet zelf een nest met takken of nestmateriaal, maar zoeken een plekje in een holle boom (bij uitzondering) of in een schuur. Afhankelijk van het voedselaanbod (muizen) is het een groot of kleiner nest. Jaren waarin er weinig muizen zijn, wordt er soms zelfs helemaal niet gebroed.

Meestal legt het vrouwtje tussen de 4-6 eieren, maar wanneer er veel muizen zijn kunnen het zelfs twaalf eieren zijn. In goede muizenjaren kunnen er meerdere legsels zijn. De eieren worden tussen eind maart en mei gelegd en komen niet tegelijk uit, maar met enkele dagen er steeds tussen. Er kan best wat tijd tussen het eerste en laatste ei zitten. Daardoor zit er vaak ook veel verschil tussen het eerste en laatste kuiken. Bij Beleef de Lente kun je het broedproces goed volgen. Ook op ons eigen YouTubekanaal kun je enkele filmpjes vinden van de kerkuil, gemaakt met een wildcamera/nestcamera in eigen schuur in een nestkast.

Kerkuilen gebruiken paaltjes als zitplek om 's nachts vanaf te jagen
Kerkuilen gebruiken paaltjes als zitplek om ’s nachts vanaf te jagen

Tijdens het broeden zorgt de man voor het eten voor het vrouwtje. Kerkuilen hebben een sterke paarband en er worden rondom het nest geen andere kerkuilen geduld. Het vrouwtje is ongeveer een maand aan het broeden voordat de eerste eieren uitkomen. Na zo’n twee maanden zijn de kerkuiljongen vliegvlug en zullen ze de eerste rek- en strekoefeningen van de vleugels doen. Na nog zo’n twee weken worden de jongen steeds zelfstandiger en zullen ze minder door hun ouders worden gevoerd. Uiteindelijk vliegen de jongen uit en moeten ze op zoek naar een eigen territorium. Na een jaar zijn de jongen geslachtsrijp en kunnen ze hun eigen nest stichten.


Lees ook: tips voor het aanleggen van een natuurtuin


Velduil (Asio flammeus)

De velduil behoort tot de familie echte uilen. Hij valt op met zijn karakteristieke oorpluimen. Ook de ransuil en oehoe hebben deze. Zoals je aan het begin hebt kunnen lezen, hebben deze oorpluimen niks met hun gehoor te maken. De velduil is een grote uil die je ook overdag kunt zien. Velduilen kunnen vele kilometers afleggen. Velduilen zijn trekvogels en trekken in het voorjaar en het najaar. Ze hebben geen vaste trekroutes. Velduilen zijn echte zwervers en zijn altijd op zoek naar de beste plek met het meeste voedsel. In het najaar trekken velduilen naar het zuiden. Je hebt dan kans om een trekkende velduil langs de kust of op de Waddeneilanden te zien.

De felgele ogen van de velduil vallen erg op. Ook de korte oorpluimen zijn hier goed te zien
De felgele ogen van de velduil vallen erg op. Ook de korte oorpluimen zijn hier goed te zien

Kenmerken

Zoals je hierboven kunt zien, heeft de velduil felgele ogen. De oorpluimen van de velduil zijn vrij klein en niet altijd zichtbaar. De ronde gezichtssluier is ook opvallend. De velduil is een grote uil en kan ongeveer 40 centimeter groot worden. De spanwijdte bedraagt tussen de 95 en 110 centimeter. De velduil heeft lange vleugels.

De velduil is een vrij lichtgekleurde uil, van licht tot geelbruin. In vlucht valt goed op dat de velduil van onder heel licht gekleurd is, met donkere veren in de vleugels. De bovenkant van het verenkleed is juist gespikkeld van lichtbruin tot donkerbruin. Zo is deze uil tijdens het broeden goed gecamoufleerd.

Hier zijn de donkere tekeningen in de vleugel duidelijk te zien
Hier zijn de donkere tekeningen in de vleugel duidelijk te zien
De roep van de velduil, een roep die je niet gauw zult horen (xeno-canto – Lars Edenius)

Verspreiding en voedsel

Deze uil jaagt overdag. Hij leeft in graslanden en open velden, het liefst in een moerassige omgeving, ook wel bij veengebieden. Je kunt hem dan laag over de weilanden zien scheren, op zoek naar zijn favoriete maal: aardmuizen en veldmuizen. Net als de kerkuil heeft ook de velduil last van de intensivering van de landbouw en de ruilverkaveling van vroeger. Het is inmiddels een zeldzame broedvogel geworden en staat op de Rode Lijst.

Verspreidingskaart velduil 2023
Verspreidingskaart velduil 2023 (waarneming.nl/observation.org)

Broedperiode

Velduilen maken een nest op de grond. Dit is een kwetsbare plek, makkelijk te roven door dieren als vos of marterachtigen. Het nest bestaat meestal uit 6-10 eieren, maar dit is afhankelijk van het voedselaanbod. Het vrouwtje broedt in de maanden april en mei. Het duurt ongeveer drie tot vier weken voor de eieren uit komen. Er zijn ook jaren waarin er niet gebroed wordt en jaren waarin er meer dan tien eieren uitgebroed worden. Net als bij de kerkuil hierboven komen de eieren met tijdverschil ertussen uit, dus er zit verschil in leeftijd van de opgroeiende jongen. Het vrouwtje broedt in een kleine kuil. Omdat het op een kwetsbare plek is, moeten de jongen zich al snel kunnen redden. Dit is ook zo bij bijvoorbeeld weidevogels. Na ongeveer twee weken zijn ze al in de omgeving rondom het nest.

Veelgestelde vragen

Welke uilensoorten zijn er in Nederland?

  • Kerkuil (Tyto alba)
  • Steenuil (Athena noctua)
  • Bosuil (Strix aluco)
  • Ransuil (Asio otus)
  • Velduil (Asio flammeus)
  • Oehoe (Bubo bubo)

Wat is de meest voorkomende uil in Nederland?

Op basis van de meest recente cijfers van Vogelbescherming is de steenuil de meest voorkomende uil van Nederland. Er zijn circa 8000-9500 broedparen. Het aantal broedparen is in de jaren ’90 afgenomen, maar lijkt (door gericht beheer) de laatste jaren stabiel te blijven.

Waarom maakt een uil geen geluid tijdens het vliegen?

Dit heeft te maken met de veren van de uil. Het verenpak bestaat uit verschillende soorten veren, waaronder donsveren en kamveren. Deze twee soorten veren zorgen ervoor dat het geluid wordt geïsoleerd en dat de wind door de veren heen gaat. Daardoor hoor je uilen niet vliegen.

Hoe kan het dat een uil zijn hoofd zo kan draaien?

Uilen hebben veertien nekwervels, waardoor ze hun nek flexibel kunnen draaien. Ze kunnen hun hoofd tot wel 270 graden draaien. Uilen moeten hun hoofd zo kunnen draaien, omdat hun ogen vastliggen in de schedel. Om dat te compenseren voor de jacht, kunnen ze hun nek zo draaien.

Hoe worden jonge uilen genoemd?

De jongen van uilen worden eerst kuikens, ook wel uilskuikens, genoemd. Je kent vast het woord vast wel van een keer dat het werd gebruikt om iets doms aan te duiden. Vroeger werd er gedacht dat uilen en hun kuikens dom waren. Misschien dat het gedrag van uilskuikens daar onbedoeld aan bij heeft gedragen, want ze kunnen zich wat onhandig gedragen. Jongen zijn na enkele weken zogenaamde takkelingen. Ze komen dan uit het nest, maar kunnen nog niet (goed) vliegen. Ze schuifelen heen en weer over de takken en vallen dan wel eens naar beneden. Dit is niet erg, want met hun scherpe klauwen klimmen ze weer naar boven.

Uilen in Nederland – deel II & III

In de eerste blog van deze driedelige serie hebben we de algemene kenmerken en de eerste twee uilensoorten besproken. In de volgende twee delen zullen de andere vier soorten uilen aan bod komen en worden de dwaalgasten kort besproken.

Uilen in Nederland deel II: ransuil en steenuil

Uilen in Nederland deel III: oehoe, bosuil en dwaalgasten

Poel aanleggen in de tuin

Poel gevuld (De natuur van hier)

Met het aanleggen van een poel in je tuin creëer je een leefgebied voor allerlei dieren en planten. Insecten zoals juffers en libellen zijn afhankelijk van water, maar ook amfibieën in de vorm van kikkers, padden en salamanders zullen aangetrokken worden door je poel. Daarnaast zullen vogels, zeker in droge periodes, dankbaar gebruik maken van de poel voor te drinken of voor een verfrissend bad. Reden genoeg om dus zelf aan de slag te gaan.

Stappenplan poel aanleggen

Om de poel geschikt te maken voor wilde dieren en planten, is het goed om over een paar zaken na te denken. In deze blog vertellen we stap voor stap waar je aan moet denken en welke keuzes je moet maken.

Vogels maken dankbaar gebruik van een poel in de tuin (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)
Vogels maken dankbaar gebruik van een poel in de tuin (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Voorbereiding

Voordat je een schep in de grond steekt, is het raadzaam om eerst na te denken over de locatie, de grootte en diepte en de stand ten opzichte van de zon.  

Je start met de locatie. Waar komt de poel te liggen in je tuin? Wil je amfibieën naar je poel lokken? Zorg dan dat er in de nabijheid van de poel groen te vinden is, het liefst in de vorm van (inheems) struikgewas. Buiten de voortplantingsperiode houden veel amfibieën zich hier op. Woon je aan een drukke weg? Probeer de poel dan zo ver mogelijk van deze weg af te leggen, omdat dit een barrière vormt voor veel dieren. Grenst er een (over)bemest landbouwperceel aan je tuin? Zorg er dan voor dat het water wat van het landbouwperceel af komt niet in de poel terecht komt. De voedingsrijkheid van het water en de (kans op) aanwezigheid van pesticiden zijn funest voor het leven in de poel.  

Let ten slotte ook nog op de stand van de zon bij het bepalen van de locatie. Het beste is wanneer de poel ongeveer de helft van de dag in de zon ligt. Let dus bij het uitzetten op aanwezige bomen en gebouwen die schaduw veroorzaken. Ook overmatig bladinval van bomen is niet gewenst. Kap liever geen bomen, maar kies een andere locatie voor je poel als een boom in de weg zou staan.


Lees ook: tips voor het aanleggen van een natuurtuin


Grootte en diepte

Als je de locatie hebt uitgekozen, is het tijd om na te denken over de grootte en diepte van de poel. Vaak geldt; hoe groter hoe beter. Dat is in dit geval ook zo. Wat vooral belangrijk is, is om zoveel mogelijk oeverrand te creëren. Hier is het meeste leven te vinden, dus probeer hier op te focussen. De diepte is daarnaast ook belangrijk. De diepte is een beetje afhankelijk van de grootte van de poel, maar als het lukt dan zou de poel idealiter 1 tot 1,5 meter diep moeten zijn op het diepste punt. Variatie in diepte is belangrijk. Ondiepe stukken warmen sneller op, welke geschikt zijn voor de voortplanting van amfibieën.  

Ondiepe delen in een poel zijn ideaal voor amfibieën
Ondiepe delen in een poel zijn ideaal voor amfibieën

Graafwerk en folie leggen

Als je bovenstaande zaken allemaal duidelijk in beeld hebt, kun je beginnen met graven. Afhankelijk van de grootte van de poel kun je dit gewoon met de schep doen of de (laten) doen met een kleine graafmachine. Probeer zoveel mogelijk flauwe hellingen te maken. Zeker de noordzijde van de poel is belangrijk, dit is namelijk de zonkant. Door hier een flauwe helling en een ondiep stuk te maken, maak je de poel geschikt voor warmte minnende soorten. Maar ook vogels zullen het ondiepe stuk gebruiken om te badderen. Maak daarnaast enkele vlakke stukken op verschillende hoogtes, waar je waterplanten op kwijt kunt.


Lees ook: de beste inheemse vijverplanten


Vijverfolie aanbrengen

Wanneer de poel volledig is uitgegraven, is het tijd om folie aan te brengen. Er is keuze tussen PVC en EPDM folie en wel of geen beschermlaag. We zouden er zelf altijd voor kiezen een beschermlaag in de vorm van vilt aan te brengen, om te voorkomen dat scherpe stenen in de bodem voor lekkages kunnen zorgen. De keuze tussen PVC en EPDM is vooral een financiële keuze. PVC is een stuk goedkoper, maar ook een stuk minder dik. Maak je veel gebruik van stenen in je vijver, dan is het wellicht raadzaam om voor EPDM folie te kiezen.

Poel vullen en afwerken

Nu is het tijd om de poel te vullen met water. Terwijl je de poel vult, kun je de folie nog op de juiste plek vouwen, zodat je zo min mogelijk vouwen ziet. Je kunt daarnaast beginnen met de aankleding van de poel. Zuurstof- en andere waterplanten kunnen op hun plek gezet worden en eventuele stenen kunnen aangebracht worden.

Verder kan de oeverrand afgewerkt worden. Wij kiezen er meestal voor de oever aan te planten met inheemse planten, zodat de poel op een natuurlijke wijze dichtgroeit. Maar andere randafwerkingen zijn ook mogelijk. Zorg ervoor dat alles stevig staat (gebruik vijvermandjes en veranker deze met stenen). Houd bij het aanplanten van de oever ten minste één zijde open, of gebruik hier enkel laagblijvende beplanting. Zo heb je goed zicht op het leven in en rondom de poel.

Je kunt daarnaast ook de ruimte rondom de poel verder inrichten. Plant een gemengde haag aan, maak een stapelmuurtje, of tref maatregelen om meer vogels aan te trekken. Gebruik ook dood hout. Hier komen veel insecten op af, wat weer automatisch meer vogels aantrekt. Hiermee zorg je ervoor dat je poel voor steeds meer soorten geschikt wordt. Kikkers, padden, salamanders en veel andere diersoorten zullen je poel snel weten te vinden!

Poel gevuld (De natuur van hier)
Een poel net aangelegd (De natuur van hier)

Lees ook: vijf onmisbare kruiden voor in tuin of pot


De vos in Nederland

De vos, door velen verguisd en door enkelen geliefd. Al eeuwenlang wordt er over hem geschreven. De vos is zelfs onderdeel van enkele spreekwoorden en gezegdes, maar kom je ook tegen in sprookjes. In deze blog zoomen we in op het leven van de vos in Nederland: wat eet hij? Waar leeft hij? Hoe klinkt hij? Lees gauw verder om meer te leren over dit prachtige dier.

De vos (Vulpes vulpes)

Ook wel bekend als gewone vos of rode vos genoemd. Die laatste benaming is geheel terecht. De vos heeft een roodoranje vacht. Dit zoogdier behoort tot de familie hondachtigen. Hier horen bijvoorbeeld ook de wolf en jakhals bij.

Uiterlijk

De rode vacht is een van zijn opvallendste kenmerken. De vachtkleur van de vos kan per dier verschillen van helderrood tot vaalgrijs. De omgeving en genen spelen hier een rol in. Het puntje van de staart is lichter van kleur, meestal wit, evenals zijn borst en de onderkant van het gezicht (tot aan de neus). De poten en de achterkant van de oren zijn daarentegen juist donker. De staart heeft de vorm van een pluim en is pluizig. Verderop in deze blog gaan we nog uitgebreid in op de vacht.

Niet alleen de rode kleur van de vacht valt op, maar ook de pluimstaart is een opvallend kenmerk van de rode vos
Niet alleen de rode kleur van de vacht valt op, maar ook de pluimstaart is een opvallend kenmerk van de rode vos

De vos heeft een vrij spitse snuit, die doet denken aan die van honden of wolven. De oren zijn groot, zitten op de voorkant van de kop en draaien in de richting van het geluid. De schouderhoogte van de vos is 35-40 centimeter hoog en van kop tot romp meet hij 50 tot 80 centimeter. De staart kan tussen de 30 en 50 centimeter lang worden. De vos gebruikt de staart ook om op of met zijn gezicht in te slapen.

De staart wordt ook gebruikt tijdens het slapen
De staart wordt ook gebruikt tijdens het slapen (Bron: iStock)

Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Hoe klinkt een vos?

De rode vos maakt een keffend geluid. Dit geluid is schril en hoog. In de paartijd verandert dat, en klinkt het meer schreeuwend en grommend. Tegen de welpjes maakt de moeder zachtere geluiden, om hen met zich mee te krijgen bijvoorbeeld.

Schreeuw van een vos in het bos

Voedsel

Er staan verschillende dingen op het menu. Het is namelijk een echte alleseter. Hij eet zowel bessen, zaden en vruchten als prooidieren, zoals knaagdieren, hazen, konijnen en egels. Ook kevers, vogels, eieren en wormen worden opgegeten. Maar ook menselijk afval wordt verorberd. Zo hadden wij een vos in de schuur in onze natuurtuin, op zoek naar restjes.

De vos is een echte jager en kan dit zowel ’s nachts als overdag doen. Wanneer de omgeving niet verstoord wordt, jaagt de vos overdag. Vossen leggen geen wintervoorraad aan, maar begraven soms wel prooien wanneer ze overschot hebben.

Vossen zijn echte alleseters, van kleine dieren tot menselijk afval en nog van alles ertussen in
Vossen zijn echte alleseters, van kleine dieren tot menselijk afval en nog van alles er tussenin (Bron: iStock)

Het leven van een vos

Je kunt hem in veel verschillende typen landschap tegenkomen: bos, heide, duinen, landbouwgebieden, parken, en ook aan randen van dorpen en steden. Soms zie je ze zelfs binnen de bebouwing. Het is een dier dat voornamelijk leeft in de schemer en de nacht. Als de vos in een rustige omgeving verblijft, kan hij zich soms ook overdag laten zien. Vossen leven in familiegroepen. Overdag liggen ze vaak samen te slapen. Dit doen ze onder struikjes of bijvoorbeeld in greppels. Het jagen doen ze alleen. De holen die ze hebben, worden voornamelijk voor andere doeleinden gebruikt. Daarover verderop meer.

Soms graven vossen zelf holen, maar soms worden ook oude stelsels van konijnen of dassen gebruikt. De burchten bestaan uit een of meerdere gangen. De diameter van de ingang van het vossenhol is tussen de 25-30 centimeter. Aan de vorm van de ingang kun je zien of de burcht door een vos of een das wordt gebruikt. Bij een vossenhol is de ingang ovaal van vorm, bij de das is de ingang meer breed dan hoog. Ook zul je bij dassen eerder nestmateriaal vinden, dat gebruiken vossen (vrijwel) niet.

Holen worden vooral gebruikt door vrouwtjes en hun welpen
Holen worden vooral gebruikt door vrouwtjes en hun welpen (Bron: iStock)

Lees ook: 10 bijzondere trekvogels


Voortplanting

Een keer per jaar krijgt het wijfje, de moervos, jongen. De paartijd is van december tot februari. De draagtijd is rond de 53 dagen. Een paar dagen voordat de jongen geboren worden, trekt het vrouwtje in een hol. Een hol bevindt zich vaak tussen boomwortels of in een oude dassenburcht. Er worden daar dan 1 tot 5 welpjes geboren, maar meestal zijn het er rond de 4-5. De jongen zijn de eerste weken hulpeloos en verblijven dan in het hol met de moervos. De eerste twaalf dagen zijn de oogjes nog dicht. Het mannetje brengt in deze tijd eten.

Na 3 tot 4 weken gaan de kleine vosjes voor het eerst een kijkje nemen buiten het hol. De welpjes zijn speels en druk met het verkennen van de wereld. Ze zijn intussen ook gegroeid, dus er is een groter hol nodig. Het gezin neemt haar intrek in een groter hol. De vosjes krijgen vanaf nu ook vast voedsel.

Rond de zomerperiode, medio juni, gaat het leven zich steeds meer afspelen in de buitenlucht. Wanneer de herfst haar intrede doet, is het tijd voor de jonge vossen om een eigen territorium op te zoeken. Het kan voorkomen dat er een of twee vrouwtjes in het territorium van de ouders blijven. Het voedselaanbod moet daarvoor wel voldoende zijn. Deze vrouwtjes helpen met het voeden van nieuwe welpen. De jonge mannetjes zoeken een eigen territorium.

Jonge vosjes blijven gedurende enkele maanden bij hun moeder en vertrouwde omgeving. Daarna wordt het tijd voor een eigen territorium
Jonge vosjes blijven gedurende enkele maanden bij hun moeder en vertrouwde omgeving. Daarna wordt het tijd voor een eigen territorium (Bron: iStock)

Territorium

Het territorium van de rode vos bestaat meestal uit het gezin, dit zijn de ouders en een aantal welpjes van dat jaar. Zoals hierboven benoemd, kan het zijn dat er nog een of twee oudere dochters ook in het territorium verblijven. Per gebied kan de grootte van het territorium erg verschillen. De omgeving speelt hierin een rol, maar ook het voedselaanbod.

Door geursporen en urine af te scheiden, door klieren bij de staart, de kop en bij de voetzolen, markeert de vos zijn of haar territorium. Holen worden voornamelijk door de vrouwtjes en welpen gebruikt. Ze graven zelf holen, maar gebruiken ook wel oude konijnenholen of oude dassenburchten. Er zijn ook gevallen bekend waar ze samen met dassen een en dezelfde burcht bewonen.

In Nederland heeft de vos niet echt een natuurlijke vijand. Wij als mens vormen de grootste bedreiging, met het gebruik van giftige middelen en door ons verkeer. Wanneer je ervoor kiest om ratten- of muizengif te gebruiken, bestaat de kans dat een vos (of ander dier) hier ook mee in aanraking komt. Alles heeft zijn invloed op elkaar. In andere gebieden kan bijvoorbeeld de wolf of lynx een natuurlijke vijand zijn van de vos. Ziektes kunnen ook fataal zijn voor een vos, zoals rabiës (hondsdolheid) of parasieten. Bij het Dutch Wildlife Health Centre worden soms dode vossen binnengebracht voor onderzoek, waarbij onder andere de doodsoorzaak wordt onderzocht.

Vossen zijn territoriale dieren en zullen een confrontatie niet uit de weg gaan om hun gebied te verdedigen
Vossen zijn territoriale dieren en zullen een confrontatie niet uit de weg gaan om hun gebied te verdedigen

Lees ook: de lynx in Nederland


De rode vacht van de … rode vos

De vacht is meestal roodbruin van kleur, afgewisseld met witte en donkere stukken. Er zijn vele kleurvariaties in de vacht, van rood, grijzig tot oranje. De kleur is onder andere afhankelijk van het gebied waar de vos leeft en zijn of haar genen.

Omdat de vacht is opgebouwd uit dekharen en ondervacht, is de vos voorzien van een warme jas. Dit biedt bescherming tegen koude periodes of koude gebieden. In de winter is de vacht langer en dikker en biedt daarmee extra bescherming tegen de kou. In de zomer is de vacht korter en dunner. Daardoor lijkt de vos in de zomer een stuk smaller dan in de winter.

Alles heeft een reden in de natuur, zo ook de toch opvallende kleur van de vacht. De kleuren en kleurschakeringen helpen de vos met camoufleren. Zoals je hierboven kunt lezen, komt de vos vooral voor in gebieden met graslanden en bos. In deze gebieden heb je veel kleuren waar de vos als het ware in wegvalt. Hij valt zo minder op, wat twee voordelen heeft: hij kan minder opvallend jagen en valt zelf minder snel op als prooi voor grotere roofdieren.

De staart heeft de vorm van een pluim en zorgt onder andere voor balans. De staart ziet er pluizig uit en het uiteinde van de staart kan wit zijn, maar is in ieder geval lichter dan de rest van de vacht. Ook gebruiken vossen hun staart om te communiceren met andere vossen en helpt het bij het markeren van hun territorium.

Veelgestelde vragen

Waar leeft een vos?

Eigenlijk overal in Nederland, maar niet op de Waddeneilanden. Je kunt de vos in allerlei verschillende omgevingen tegenkomen. Hij leeft zowel in bos, duinen, op heidegronden als rondom dorpen en steden.

Wat eet een vos?

De vos eet van alles: van wormen, kevers, bessen, vruchten, zaden en noten tot kleine (knaag)dieren, eieren en menselijk afval.

Hoe noem je een jonge vos?

Kleine vosjes worden welpen genoemd. De moeder wordt moervos genoemd. Ze kan wel tot tien jongen krijgen, maar meestal zijn het er rond de vijf.

Wat doet een vos overdag?

Meestal rust de vos overdag. Als de omgeving rustig genoeg is, kan hij ook gaan jagen. Het rusten gebeurt meestal in familiegroepen. De vossen liggen vaak onder struikjes of in droge greppels. Wanneer de schemering invalt, wordt de vos actiever. Het jagen begint.

Wat moet je doen als je een vos ziet?

Allereerst zou je ongelofelijk veel geluk hebben, want vossen zijn schuwe dieren. Wanneer een vos je pad kruist, kun je het beste stil blijven staan en de vos rustig bekijken. Grote kans dat de ontmoeting snel voorbij is en dat de vos ervandoor gaat. Een vos zal alleen, zoals vrijwel alle dieren, agressief over kunnen komen wanneer hij zich bedreigd voelt. Net als de mens.

Een vos in de buurt, wat nu?

Zorg ervoor dat de omgeving onaantrekkelijk wordt voor de vos. Dat betekent dat je je afval achter slot en grendel houdt, eventuele dieren als kippen binnenhouden, laat huisdieren als honden en katten binnen en maak volières en hokken voor konijnen of cavia’s extra veilig en dicht. Ruim uitwerpselen niet met blote handen op en eet geen vruchten zoals bramen die 70 centimeter of lager bij de grond hangen.

(Bron: iStock)

Hoe maak ik een stapelmuurtje?

Stapelmuur

Een goede manier om meer biodiversiteit in je tuin te krijgen is door het bouwen van een stapelmuurtje. Stapelmuurtjes zorgen voor warme plekken, bieden schuilplaatsen voor kleine dieren en zijn een uitstekende groeiplaats voor vaak bijzondere beplanting. Stapelmuurtjes kunnen in van allerlei soorten en maten gemaakt worden en zijn daardoor voor iedere tuin geschikt. In deze blog vertellen we alles wat je moet weten voor het maken van een eigen stapelmuurtje.

Het nut van stapelmuurtjes?

Stapelmuren kunnen de biodiversiteit in je tuin verhogen. Maar hoe dan? Doordat het uitstekende plekken zijn voor allerlei soorten dieren en planten. Allereerst zorg je ervoor dat er een micro-klimaat wordt gecreëerd. Een stapelmuur heeft een zonkant en een schaduwkant. Dit zijn twee totaal verschillende klimaten (op micro-niveau), waarop totaal verschillende organismen gedijen. Allerlei soorten bijen, kevers, vlinders, juffers, libellen en andere insecten zullen gebruik maken van dit micro-klimaat.

Door gebruik te maken van meerdere soorten materiaal, en door niet te netjes te werken, creëer je in een stapelmuur allemaal gaten en kieren. Dit zijn ideale schuilplaatsen voor kleine zoogdieren, amfibieën en reptielen. Daarnaast ontstaan er op deze plekken ideale groeiomstandigheden voor planten. Deze kun je bij de aanleg al zelf planten, of gewoon spontaan laten ontwikkelen.

Muurpeper
Een inheemse soort die het goed doet op de droge, zonnige kant is het eetbare muurpeper

Een stappenplan voor het maken van een stapelmuurtje

Stapelmuren kun je op veel verschillende manieren maken. Er kan eindeloos gecombineerd worden met materialen en allerlei vormen en formaten zijn mogelijk. Wel is het belangrijk om over enkele zaken vooraf na te denken.

Geschikt materiaal

Qua materiaal zijn er veel opties. Allerlei soorten stenen kunnen gebruikt worden. Bakstenen, leisteen, stoeptegels en grindtegels zijn uitermate geschikt om stevige constructies te maken. Sla eens een stoeptegel door midden en gebruik de gebroken kant als buitenkant. Dit geeft de stapelmuur een robuust uiterlijk. Maar ook andere materialen kunnen gebruikt worden, zoals dakpannen, gresbuizen en puinafval.


Lees ook: gemengde haag aanplanten


Ook als voeg zijn er verschillende mogelijkheden. Je kunt gewoon zand of aarde gebruiken of kiezen voor zandige klei. Bij grotere en hogere muren kan er ook met specie gewerkt worden. Kies dan wel voor specie op basis van kalk. Houd dan wel rekening met de plantkeuze, indien je van plan bent de stapelmuur aan te planten. Zuurminnende soorten zullen hier niet goed op gedijen.

Stapelmuur stoeptegels (De natuur van hier)
Met gebroken stoeptegels kan op een goedkope en duurzame manier een natuurlijk ogende stapelmuur gemaakt worden (De natuur van hier)

Fundering en bouwkunst

In alle gevallen zouden wij er voor kiezen om een fundering te maken. Vooral op zand- en veengronden is een fundering cruciaal, om ervoor te zorgen dat het stapelmuurtje in natte periodes niet in elkaar zakt. Met een fundering zorg je ervoor dat de stapelmuur stevig staat en dat je hoger kunt stapelen.

Ook hiervoor heb je geen hele dure en ingewikkelde installaties nodig. Een laag van ongeveer vijf centimeter gele zand en een paar stoeptegels, grindtegels of opsluitbanden volstaat. Zorg dat de tegels of opsluitbanden stevig, stabiel en waterpas in de gele zand liggen. Vul daarna de gaten en kieren op met meer gele zand, zodat het een geheel vormt. De bovenkant van de fundering moet gelijk, of net onder het maaiveld liggen, zodat er bij het eindresultaat niets van zichtbaar is. Je heb nu een perfecte basis gecreëerd voor het maken van een stapelmuur.

Fundering stapelmuur (De natuur van hier)
Fundering stapelmuur gemaakt met behulp van gele zand en stoeptegels (De natuur van hier)

Lees ook: aanleggen poel


Stapelen nu

Dan kan er gestart worden met het stapelen van het muurtje. Je kunt meteen starten met verschillende materiaalsoorten door elkaar te gebruiken. Zorg er wel voor dat zeker de eerste paar lagen stevig en stabiel liggen, zodat de stapelmuur later niet instabiel wordt. Gebruik aarde gemengd met gele zand als voegmiddel, maar vul zeker niet alle gaten op. Om wat meer stevigheid te creëren kun je wat langere stenen aan de achterkant uit laten steken. Als hier grond op komt fungeren deze als een soort anker.

Stapelmuur opbouw (De natuur van hier)
Zorg ervoor dat de eerste paar lagen stevig liggen, zodat het muurtje ook zijn stabiliteit behoudt naarmate deze hoger wordt. (De natuur van hier)

Bij stapelmuren hoger dan een halve meter is het raadzaam om met specie te werken. Fungeert je stapelmuur als keerwand, doordat je er bijvoorbeeld een border van maakt? Stapel de muur dan laag voor laag een beetje hellend naar achteren. Dit zorgt ervoor dat het de druk van de grond die erachter komt te liggen beter tegen gehouden wordt. Laat vooral je creativiteit de loop en probeer dingen. Als iets niet werkt, kun je het gemakkelijk aanpassen en zo kom je tot de mooiste stapelmuur.

Muurplanten

Een stapelmuurtje is niet af zonder beplanting. Maar niet alle beplanting is geschikt. Stapelmuren kennen hun eigen, vaak bijzondere, beplanting die je niet gauw op andere plekken vindt. Je kunt kiezen voor spontane ontwikkeling. Voordeel hiervan is dat je inheemse (op een aantal invasieve exoten na) beplanting krijgt die goed zullen groeien. Nadeel is dat het best een tijdje kan duren voordat je muur volgroeid is. Je kunt er ook voor kiezen om stukken in te zaaien, of om echte planten aan te planten. Probeer in die laatste gevallen dan zoveel mogelijk te kiezen voor inheemse planten.


Lees ook: vijf onmisbare kruiden voor in de tuin of in pot


Inheemse beplanting

Een leuke soort om aan te planten en eentje die echt op een stapelmuur thuis hoort is muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis). Dit typisch muurplantje krijgt kleine lila-achtige bloemen met gele vlekken. Een andere geschikte plant is tijm, die fanatiek over je muurtje gaat kruipen. Van tijm zijn veel cultivators te verkrijgen, wil je een inheemse soort, dan kun je kiezen voor grote tijm (Thymus pulegioides). Met zijn roze bloemen zorgt grote tijm ervoor dat je de hele zomer kleur hebt op je stapelmuur. Bewaar het meest zonnige plekje van de stapelmuur voor muurpeper (Sedum acre). In juni en juli bloeit muurpeper rijkelijk met gele bloemen.

Maar ook soorten die er niet per se bekend om staan om op muren te groeien kun je gebruiken. Reserveer zo nu en dan een plekje voor beplanting zoals duizendblad (Alchemilla mollis), margriet (Leucanthenum vulgaris) of echte kamille (Matricaria chamomilla). Als deze op een plek staan waar voldoende aarde is dan weten ze zich vaak te nestelen.

Echte kamille
Echte kamille is een sterke plant die het op sommige plekken in een stapelmuur goed kan doen

De schaduwzijde van een stapelmuurtje is niet compleet zonder varens en mos. Mos laat je gewoon spontaan groeien, varens kun je op de meest schaduwrijke en vochtige plekken groeien. Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas) en tongvaren (Asplenium scolopendrium) zijn inheems en uitermate geschikt om de schaduwkant van groen te voorzien.

Roek – Kraaiachtigen van Nederland – deel V

De roek is hier duidelijk te herkennen aan zijn grijze snavel en hoge voorhoofd

Iedereen kent ze wel: een kauw, zwarte en/of bonte kraai, ekster, gaai, wellicht zelfs een roek, de notenkraker of raaf. Het zijn de kraaiachtigen van Nederland. De familie kraaiachtigen (Corvidae) gaat echter verder dan onze Nederlandse bekenden, want in totaal bestaat de familie uit 128 soorten. Ze komen bijna overal op de wereld voor. Ze behoren tot de zangvogels, hoewel niet iedereen hun geroep als gezang zou kwalificeren.

Kraaiachtigen zijn intelligente wezens. Ze kunnen problemen (leren) oplossen, sommige soorten slagen voor de spiegelproef en ze communiceren met elkaar. In dit deel lichten we de roek uit.

Wil je de hele serie ‘kraaiachtigen van Nederland’ lezen? Klik dan hier om te beginnen met deel I.

Roeken hebben een prachtig glanzend verenkleed en een opvallende snavel
Roeken hebben een prachtig glanzend verenkleed en een opvallende snavel

De roek (Corvus frugilegus)

Roeken, vaak verward met zijn ongeveer even grote verwant de zwarte kraai. Ze zijn wat minder bekend dan bijvoorbeeld de zwarte kraai, ekster of raaf. Roeken komen niet overal evenveel voor, in tegenstelling tot de andere kraaiachtigen. Zo zie je de roek niet veel in het westen, maar meer in het oosten. Wat wel een overeenkomst tussen deze vogels van dezelfde familie is, is dat ze allemaal erg intelligent zijn. Zo dus ook de roek.

Uiterlijk

Roeken hebben een geheel zwart verenkleed. In de zon zie je een blauwige glans op de veren. Tot dusver is de roek moeilijk te onderscheiden van de zwarte kraai. Een handig ezelsbruggetje om ze te onderscheiden: een roek draagt een broek. Het lijkt net alsof een roek een broek aan heeft, omdat de veren ook het bovenste gedeelte van de poten bedekt.

Ook de snavel van de roek valt op. Eerst is de snavel zwart, maar na ongeveer acht maanden wordt de snavelbasis kaal. Daardoor zie je de onderliggende huid, die grijs is. De snavel van de roek is vrij groot en enigszins naar beneden gericht. Roeken hebben een vrij steil voorhoofd, waardoor hun kop in verhouding klein lijkt.

Roeken zijn ongeveer even groot als de zwarte kraai, tussen de 41 en 49 centimeter. De spanwijdte is tussen de 80 en 99 centimeter.

De grijze, kale snavel van de roek is hier duidelijk te zien. Ook zie je de metaalglans in het verenkleed goed
De grijze, kale snavel van de roek is hier duidelijk te zien. Ook zie je de metaalglans in het verenkleed goed

Zwarte kraai vs. roek

Beide vogelsoorten zijn intelligent, zijn ongeveer even groot en hebben een zwart verenpak. Zo klinkt het best lastig om ze van elkaar te onderscheiden. Toch valt dat wel mee, want er zijn enkele opvallende verschillen. Hierboven beschreven we dat roeken een broek dragen. Dit hebben zwarte kraaien niet. Daarnaast hebben zwarte kraaien een zwarte snavel. Roeken eerst ook, maar na acht maanden wordt de snavelbasis kaal en zie je de grijze huid. Ook zijn de snavels van roeken groter en die van zwarte kraaien smaller.

Wanneer je een roek of zwarte kraai in vlucht ziet, kun je ook verschillen ontdekken. Zo heeft de roek een dieper ingesneden vleugelhand en hebben ze meer glijmomenten in hun vlucht. De vleugelslag is ook wat sneller dan die van de zwarte kraai. Qua geluid lijken de twee wel weer erg op elkaar. De roek heeft een wat lichter geluid dan de zwarte kraai.

Ten slotte kun je ook aan het gedrag afleiden of het om een roek of om een zwarte kraai gaat. Over het algemeen zijn kraaien samen met hun partner aan het foerageren, waar roeken dit in groepsverband doen. Je ziet roeken vaak samen met kauwen in een weiland.

Een roek in vlucht laat zich vaak meterslang door de lucht glijden voordat hij landt
Een roek in vlucht laat zich vaak meterslang door de lucht glijden voordat hij landt

Gedrag

Roeken leven in kolonies. Een kolonie kan erg groot worden. Onderling communiceren roeken met elkaar, net als de andere kraaiachtigen. Ze communiceren over voedsel, voedselplekken en hebben sociale interacties met elkaar. Dit laatste zie je terug in bijvoorbeeld spelletjes. Roeken spelen met elkaar, door spullen te laten vallen en op te vangen. Ook schommelen ze samen op takken van bomen. Roeken die samen een paartje vormen, begroeten elkaar.

Het foerageren gebeurt in grote groepen, vaak vergezeld door groepen kauwtjes. De roek is van ’s ochtends vroeg tot laat op de dag actief aan het zoeken naar voedsel. Vaak zijn ze al actief voordat de zon opkomt. Dit heeft als voordeel dat er veel uren per dag beschikbaar zijn om voedsel te zoeken.

Roeken en kauwen zie je vaak samen foerageren in weilanden
Roeken en kauwen zie je vaak samen foerageren in weilanden

Intelligentie

Net als de andere kraaiachtigen uit deze blog zijn ook roeken intelligente vogels. Ze zijn nieuwsgierig en ze kunnen nieuwe dingen leren. Er is een eeuwenoud verhaal waarin wordt verteld dat een dorstige roek door middel van steentjes de waterspiegel in een kruik water liet stijgen, zodat hij kon drinken. Roeken kunnen dus ook problemen oplossen.

Deze nu vaak verguisde vogel werd vroeger juist als behulpzaam gezien. Hij hielp de mensen heel vroeger met het verzamelen van voedsel en haalde later door boeren ongewenste ongewervelden uit de akkers. Tegenwoordig wordt de roek ook wel ingezet met het helpen van afval opruimen. In ruil voor beloning komen ze stukjes afval brengen. Roeken weten al snel waar veel en goed voedsel te vinden is.

Slimme vogels, die roeken. Ze weten al snel waar ze voedsel kunnen halen en kunnen problemen oplossen
Slimme vogels, die roeken. Ze weten al snel waar ze voedsel kunnen halen en kunnen problemen oplossen

Wat staat er op het menu?

De roek is een echte alleseter. Ze eten ongewervelden, zoals emelten, slakken en wormen, maar ook insecten, menselijk afval, noten en eikels en vruchten als kers en pruim. Roeken hebben vaak een vast dagritme. In de ochtend pakken ze voedsel wat makkelijk voor het grijpen ligt. ’s Middags graven ze wat dieper voor eten. Dan zie je ze bijvoorbeeld in de weilanden foerageren. Hoe later het wordt, hoe meer moeite de roeken doen om aan voedsel te komen. Tijdens het foerageren in de weilanden zie je ze in groepen het terrein systematisch afwerken. Dit doen ze met hun kenmerkende loopje: plechtige, stijve passen met af en toe een hupje.

Naast bovengenoemde soorten voedsel, houden roeken ook van zaaigoed. En dat levert helaas problemen voor hen op. Dit gedrag wordt als ongewenst beschouwd en er kan een ontheffing tegen hun beschermde status worden aangevraagd, zodat er afschot mag plaatsvinden. Een doorn in het oog van natuur- en vogelliefhebbers.

Roeken zijn alleseters, van insecten en noten tot menselijk afval
Roeken zijn alleseters, van insecten en noten tot menselijk afval

Broeden en opvoeden

Zoals roeken in kolonies voedsel zoeken, zo broeden ze ook in kolonies. Deze kolonies kunnen erg variëren in grootte. Zo zijn er in Wenen zo’n 250.000 roekennesten in een grote kolonie. In Nederland vind je veel kolonies langs snelwegen en treinsporen. Bij de A50, ten noorden van Apeldoorn, is een grote broedkolonie. Een nest ziet er vaak wat slordig uit en zit in de toppen van hoge bomen.

Roeken zijn monogaam en vormen een paar voor het leven. Tijdens de baltsperiode zijn ze veel samen. Ze verzorgen elkaars veren, hebben snavelcontact en zonderen zich samen af van de rest van de kolonie. Ook brengen ze elkaar voedsel. Al vroeg in het jaar, rond maart, wordt begonnen met de nestbouw. Dit doen ze samen. Het paartje is trouw aan hun broedplek en komen hier in andere jaren terug om te broeden.

Samen het nest bouwen, foerageren, de jongen voeden. Roeken zijn monogame vogels
Samen het nest bouwen, foerageren, de jongen voeden. Roeken zijn monogame vogels

Samen maken ze het nest. Het nest wordt gebouwd van buigzame twijgen en de binnenkant wordt bekleed met andere materialen. Als het nest naar tevredenheid is, gaat de vrouw broeden. Ze legt tussen de drie en zeven eieren, meestal vier. De eieren zijn grijsgroen van kleur. Het vrouwtje broedt de eieren in 16-18 dagen uit. De eerste dagen worden het vrouwtje en de jongen door de man gevoerd, daarna gaat het vrouwtje ook mee op voedseljacht. De jongen zitten ongeveer een maand (30-36 dagen) in het nest. Rond de 42-45 dagen kunnen de jonge roeken echt goed vliegen en verlaten ze het nest definitief. De uitgevlogen jongen vormen samen met leeftijdsgenoten een jeugdgroep. Na een jaar begint de paarvorming en na twee jaar zijn ze geslachtsrijp.

Er wordt in kolonies gebroed en geleefd. Roeken zijn echte kolonievogels
Er wordt in kolonies gebroed en geleefd. Roeken zijn echte kolonievogels

Waar kom je de roek tegen?

Het leefgebied van de roek bevindt zich in cultuurlandschap. Dit is een landschap met weides en akkers, afgewisseld met bomen, bomenrijen, bosjes en heggen. Maar je hebt niet overal in het land evenveel kans om roeken te treffen. Je zult ze voornamelijk in het oosten van het land tegenkomen en minder in het westen. Grofweg kun je de lijn Harlingen-Arnhem-Gouda-Breda aanhouden: ten oosten hiervan komen roeken meer voor dan ten westen.

Roeken houden, net als veel andere kraaiachtigen, van vrijstaande, hoge groepen bomen. Daar bouwen ze hun nesten in, maar is ook hun schuil- en slaapplek. Je ziet ze veel langs snelwegen, treinsporen en langs kanalen. Roeken laten zich ook zien in menselijke omgeving, zoals dorpen en steden. In steden wennen roeken aan de mens en vliegen steeds later op.

Roeken zijn voornamelijk standvogels en blijven dus het hele jaar in Nederland. Tijdens de vogeltrek kunnen er roeken uit het noord-oosten van Europa deze kant opkomen. En ‘onze’ roeken kunnen ook overwinteren in het oosten van Engeland. De trek is in oktober-november en februari-maart.

Een roekenkolonie langs de snelweg (Saxifraga - Jan van der Straaten)
Een roekenkolonie langs de snelweg (Saxifraga – Jan van der Straaten)

De roek en de mens

Ook de roek heeft te lijden onder de mens. Er werd (en wordt) gebruik gemaakt van landbouwgif, die de roeken binnenkregen door het eten van voedsel uit akkers waar gif werd gebruikt. Het gebruik van gif in de bodem heeft invloed op de hele voedselpiramide die daar boven zit, van klein tot groot. Hierdoor kwam de roekenstand in 1970 tot een dieptepunt. Daarna herstelde de stand zich, maar vanaf 2000 zien we weer een daling in de aantallen. Dit heeft onder andere te maken met de ontheffing die aangevraagd mag worden om roeken af te schieten.

Wil je de roek helpen? Kies er dan voor om geen gif in de bodem te gebruiken, gooi geen (plastic) afval op straat en maak anderen hier ook bewust van.

De mens: een vriend of vijand voor de roek?
De mens: een vriend of vijand voor de roek?

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen zwarte kraai en roek?

Let op de snavel en de poten. Zwarte kraaien hebben een zwarte snavel, waar roeken een grijze snavel hebben. Ook de vorm verschilt. Daarnaast lijken roeken een broek aan te hebben, doordat hun verenkleed langer doorloopt. De zwarte kraai heeft dit niet.

Wat is het verschil tussen kauw en roek?

Als eerste valt gelijk de grootte op: de roek is behoorlijk groter dan de kauw. Verder hebben kauwtjes een verenpak wat grijs en een beetje zwart is, waar roeken geheel zwart zijn. Roeken hebben een grote, puntige snavel. Kauwtjes hebben lichte ogen. Je ziet ze wel veel samen foerageren in weilanden en dan zie je het verschil tussen beide erg goed.

Is een roek of kraai groter?

Roeken en zwarte kraaien zijn ongeveer even groot. Tijdens de vlucht kun je verschil in de vleugels zien. De vleugelhand van de roek is dieper ingesneden en ze maken meer glijmomenten tijdens de vlucht dan de zwarte kraai.

Hoe slim is een roek?

Net als andere kraaiachtigen is ook de roek erg intelligent. Ze gebruiken verschillende klanken om met elkaar te communiceren, kunnen problemen oplossen, nieuwe dingen leren en hebben sociale interactie onderling.

Witte vlinders herkennen

Groot koolwitje

Er zijn vlinders in allerlei soorten, maten en kleuren. Opvallende vlinders zijn vaak niet moeilijk te herkennen, maar vlinders die er grotendeels hetzelfde uitzien, zijn moeilijker om uit elkaar te houden. Zo ook witte vlinders. Hoe leer je witte vlinders herkennen? In deze blog geven we je daar tips voor: waar kun je op letten en wat onderscheidt de ene vlinder van de andere? Aan het eind van deze blog geven we nog tips hoe je vlinders zelf kunt helpen.

Een koolwitje, maar is het de grote of de kleine?
Een koolwitje, maar is het de grote of de kleine?

Witte vlinders behoren tot de familie witjes: Pieridae. Als je op de Latijnse namen van de vlinders let, zul je al gauw opmerken welke tot hetzelfde geslacht behoren en welke niet. Waardplanten zijn voornamelijk koolsoorten en kruisbloemigen.

Groot koolwitje (Pieris brassicae)

De voorste vleugelpunten zijn zwart. Dit loopt tot bijna onderaan de voorste vleugelpunt door naar beneden, in de vorm van een maansikkel. Vrouwtjes hebben twee zwarte stippen op de voorste vleugels, mannetjes hebben dit niet. De stippen kunnen per generatie verschillen. Het groot koolwitje is meestal tussen de 28 en 32 mm groot. Het groot koolwitje kun je in het hele land tussen maart en oktober tegenkomen.

De rupsen zijn groen met een zwart gespikkelde rug.

Pieris brassicae 7, Groot koolwitje, Vlinderstichting-Henk Bosma

De donkere vleugelpunten en zwarte stippen zijn hier duidelijk te zien bij dit vrouwtje (Vlinderstichting/Saxifraga – Henk Bosma)

Pieris rapae 26, Klein koolwitje, Saxifraga-Rudmer Zwerver

Klein koolwitje (Pieris rapae)

Het klein koolwitje heeft minder zwarte vleugelpunten dan het groot koolwitje. En natuurlijk zijn ze kleiner (21-27 mm). De vleugelpunten zijn zwart, maar dat loopt niet zo ver door als bij het groot koolwitje. Zowel mannetjes als vrouwtjes hebben zwarte vlekken op hun voorvleugel, maar bij de vrouwtjes zijn deze meer aanwezig. Het klein koolwitje is ook een algemene vlinder en kun je overal in ons land zien fladderen tussen maart en oktober.

De rupsen zijn groen en heel licht gespikkeld. Ook valt de smalle, gele streep op.

Vergeleken met de foto hierboven zie je bij het klein koolwitje duidelijk verschil in de vleugelpunten (Saxifraga – Rudmer Zwerver)

Klein geaderd witje (Pieris napi)

Deze witte vlinder (20-24 mm) lijkt in de zomer erg op het klein koolwitje. In de lente vallen de aders meer op. De aders op de onderste vleugels zijn grijsgroen bestoven. De mannetjes hebben één vlek op de voorste vleugels, vrouwtjes hebben er twee. De vleugelpunten zijn ook bij deze vlinders zwart en zijn druppelvormig. Dit witje komt in het gehele land voor en zie je tussen april en oktober.

De rups is blauwgroen met kleine gele vlekjes over de zijkant, waar de ademhalingsgaatjes in zitten.

Klein geaderd witje (Vlinderstichting/Saxifraga - Kars Veling)

De bestoven aders zijn hier goed te zien (Vlinderstichting/Saxifraga – Kars Veling)


Lees ook: hoe maakt een bij honing?


Citroenvlinder (Gonepteryx rhamni)

Deze vlinder zul je vooral kennen door de heldere, gele kleur, maar de vrouwtjes zijn een stuk minder geel. Soms zelfs tegen het wit aan. Dan is het vrij makkelijk om de vlinder voor een witje aan te zien. Net als de witjes kun je deze vlinder ook overal in Nederland zien (februari-oktober). De citroenvlinder is tussen de 27 en 30 mm groot. Aan zowel de voor- als de achtervleugel is een duidelijk puntje te zien. Mannetjes en vrouwtjes hebben een oranje vlekken op de vleugels.

De rups is groen met hele fijne zwarte spikkeltjes.

Citroenvlinders hebben duidelijke puntjes aan de vleugels (Vlinderstichting/Saxifraga – Chris van Swaay)

Oranjetipje (Anthocharis cardamines)

Hoewel deze vlinder ook voornamelijk wit is, valt de grote oranje vlek op de voorste vleugel goed op. Maar let op: vrouwtjes hebben deze oranje vlek niet. Daardoor kun je deze vlinder snel onderscheiden van andere witte vlinders. Oranjetipjes zie je vooral in het voorjaar. In het oosten zitten ze veel, maar verder kun je ze overal door het land tegenkomen. Ze zijn ongeveer 20 mm groot en je ziet ze van maart tot en met juni.

De rups is is grijsgroen en fijn zwart gespikkeld en heeft een witte streep over de lengte van het lichaam.

Anthocharis cardamines 71, Oranjetipje, Saxifraga-Rudmer Zwerver

Hier is het verschil tussen man en vrouw oranjetipje goed te zien (Saxifraga – Rudmer Zwerver)

Pieris mannii 3, Scheefbloemwitje, Saxifraga-Willem van Kruijsbergen

Scheefbloemwitje (Pieris mannii)

Deze witte vlinder lijkt heel erg op beide koolwitjes en is dus vrij lastig te herkennen. Het klein koolwitje heeft een vrij rechte zwarte vleugelpunt, het groot koolwitje juist een grote zwarte vlek die uitloopt en het scheefbloemwitje zit daar tussenin. Daarnaast is de vlek op de vleugel hol van binnen. Dit vlindertje is 19-25 mm groot en een nieuwkomer in Nederland. Je ziet hem vanuit het zuiden steeds noordelijker trekken. Van maart tot en met oktober is deze vlinder actief.

De rups is lichtgroen met twee gele strepen op het lichaam, die over de lengte lopen.

Het scheefbloemwitje lijkt erg op de andere witjes (Saxifraga – Willem van Kruijsbergen)


Lees ook: hoe maakt een spin een spinnenweb?


Afsluiting

Wie natuurontwikkeling volgt, weet dat het de laatste jaren niet goed gaat met veel vlinders. Net als veel andere diersoorten hebben ook zij last van onder andere stikstofneerslag, droogte en ander extreem weer. We hebben elkaar nodig om hier iets aan te kunnen veranderen. Daarom hebben we hier enkele tips op een rijtje gezet waar je gelijk mee uit de voeten kunt.

Nog meer bijen en vlinders naar je tuin lokken?
  • Hang een vlinderhotel op. Het beste kun je een vlinderhotel op een beschutte plek hangen, zodat er geen regen en wind naar binnen kan komen. De hoogte maakt niet uit. Wij hebben bijvoorbeeld dit vlinderhotel gekocht.
  • Vlinders zijn gek op zoetigheid. Leg ergens wat (rottend) fruit neer en je zult binnen de kortste keren de eerste vlinders zien verschijnen. Wist je dat soorten vlinders van verschillende fruitsoorten houden? Probeer dus gerust verschillend (biologisch) fruit uit.
  • Vooral met warme dagen en zeker met langere, droge periodes is het belangrijk dat vlinders ergens kunnen drinken. Je kunt zorgen voor schaaltjes met water, vochtige planten en bodem en je kunt eventueel ook suikerwater maken.
  • Deel je vlinders op waarneming.nl! Via de app ObsIdentify is het vrij eenvoudig om de soort te laten herkennen. Vanuit daar kun je hem uploaden op waarneming.nl. Ook handig met die zoveel op elkaar lijkende witte vlinders. Benieuwd welke vlinders er in onze natuurtuin rondfladderen? We houden een soortenlijst bij.
  • De vlinderstruik. Een geliefde struik in menig tuin. Wij raden af om nog vlinderstruiken aan te planten. Ze woekeren en komen hier niet van nature voor, daarmee zijn ze een bedreiging voor onze inheemse soorten. Een (invasieve) exoot dus. Daarnaast blijkt uit onderzoek van Sprinklr dat er op onder andere de vlinderstruik (en helaas andere tuinplanten) nog vaak allerlei soorten gif zit. Je kunt beter kiezen voor (liefst biologisch gekweekte) inheemse soorten, zoals wollige sneeuwbal (affiliate).

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!