Wat is een symbiose?

Koereiger (Saxifraga - Luuk Vermeer)

Net zoals we als mensen onderling samenleven en daar baat bij hebben, gebeurt dit ook in de ‘echte’ natuur. Er zijn talloze voorbeelden te bedenken van soorten die op het eerste oog niets met elkaar te maken hebben, maar toch met elkaar samenleven en hiervan profiteren. Het gaat zelfs zo ver dat sommige soorten hiervan afhankelijk zijn en zouden sterven als deze bijzondere samenwerking er niet zou zijn. Deze samenwerking noemen we een symbiose. In deze blog leggen we het begrip ‘symbiose’ verder uit, kijken we welke soorten symbiose er zijn, noemen we voorbeelden en zoeken we uit of we in Nederland ook dergelijke samenwerkingen kunnen vinden.  

Symbiose is het langdurige samenleven van individuen van verschillende soorten waarbij er een biologische interactie plaats vindt. We kennen zes verschillende vormen van symbiose; mutualisme, commensalisme, parasitisme, neutralisme, amensalisme en concurrentie.

Groot dooiermos
Korstmossen zijn een goed voorbeeld van symbiose. Dit is het resultaat van een samenwerking tussen een schimmel en een groenwier. Hier is het prachtige groot dooiermos te zien

Wat is een symbiose?

Symbiose is dus een heel breed begrip. De individuele soorten bij een symbiose noemen we symbionten. Symbiosen zijn terug te vinden in alle vormen van natuur en over de hele wereld. Er zijn voorbeelden van symbiosen te noemen tussen grote, goed ontwikkelde dieren zoals zoogdieren, maar ook op cellulair niveau zijn symbiosen te ontdekken (endosymbiose). Daarnaast kun je een symbiose waarnemen op de bodem van de oceaan, maar ook in de Hollandse polders en weilanden.

Er zijn diverse vormen van symbiosen. Deze worden hoofdzakelijk onderverdeeld op basis van het voordeel (of nadeel) wat beide soorten ervan hebben. Grofweg worden symbiosen onderverdeeld in zes verschillende vormen;

  • Mutualisme; 
  • Commensalisme;  
  • Parasitisme;
  • Neutralisme;
  • Amensalisme;
  • Concurrentie.
Symbiose diagram
De zes vormen van symbiose (De natuur van hier)

Daarnaast zijn er nog een paar losse verschijnselen, die nog niet volledig als een aparte vorm van symbiose worden gedefinieerd. Predatie wordt niet gezien als een vorm van symbiose. De voornaamste reden hiervoor is dat, om van een symbiose te spreken, beide soorten in leven moeten zijn. Bij predatie is dit in de eindfase niet meer het geval.

Blauwe reiger jacht
Predatie wordt niet gezien als een vorm van symbiose

Mutualisme

Een mutualisme is een symbiose waarbij beide soorten baat hebben bij de onderlinge interactie. De symbiose kan zelfs noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van één of beide soorten. Een voorbeeld van een mutualisme vinden we bij de Acacia collinsii en enkele mierensoorten. De boom en de mieren komen voor in Midden-Amerika, en sommige delen van Afrika. De Acacia heeft holle stekels, waarin de mieren bescherming vinden. Daarnaast geeft de boom een zoetachtige stof af, waar de mieren zich dankbaar mee voeden. In ruil bieden de mieren de bomen bescherming. De mier bijt grazers in hun tong wanneer deze van de Acacia proberen te eten en valt andere insecten aan om ze te weren van de boom.


Lees ook: wat zijn ecosysteemdiensten?


Het is niet altijd wat het lijkt

Uit recent onderzoek blijkt dat de mutualistische symbiose tussen grote grazers (onder andere buffels en neushoorns), en ossenpikkers in Afrika toch niet zo voordelig voor beide soorten blijkt als in eerste instantie gedacht werd. Ossenpikkers eten weliswaar de teken en horzellarven uit de vacht van de grazer, maar ze blijken ook diepe wonden te maken om er bloed uit te kunnen drinken. Daarnaast eten ze voornamelijk de teken die vol met bloed zitten waardoor het positieve effect minimaal is. In dit geval is er dus geen sprak van mutualisme, wat wel altijd gedacht werd.

Buffel symbiose
Is de symbiose tussen de buffel en de ossenpikkers wel echt voordelig voor beide soorten?

Commensalisme

Er is sprake van commensalisme als één soort voordeel heeft bij de interactie, maar daarbij de andere soort niet schaad. Bij een dergelijke relatie is het vaak zo dat de gastheer een stuk groter is dan de soort die voordeel heeft bij de relatie. Een goed voorbeeld is de relatie tussen een garnaal (Periclimenes imperator) en zeekomkommers en/of zeesterren. De garnaal klimt op de zeekomkommers en -sterren en gebruikt ze als transport over de bodem van de zee heen. De garnaal kan hierdoor in een groter gebied naar voedsel zoeken zonder dat het hem extra energie kost.


Lees ook: wat zijn invasieve exoten?


Parasitisme

Parasitisme is een vorm van symbiose waarbij de ene soort, de parasiet, leeft op, of in de andere soort (gastheer). Hierbij beïnvloed de parasiet het leven van de gastheer op een nadelige manier. De parasiet voedt zich met de gastheer, of voedt zich met het voedsel van de gastheer (wanneer het een parasiet in de darmen betreft).

Voor een voorbeeld van parasitisme kunnen we bij onze eigen soort blijven. Alleen zijn wij dan de gastheer en is een lintworm de parasiet. Lintwormen kunnen ons lichaam binnen komen wanneer we de eitjes doorslikken. De kans dat dit gebeurd is het grootste bij het eten van rauw vlees. Dit wordt in een land als Nederland gelukkig vaak voorkomen door de hygiëne-eisen in slachthuizen.

Neutralisme

Er is sprake van neutralisme wanneer er een biologische interactie is tussen twee soorten waarbij er geen sprake is van voordeel of nadeel voor een van de soorten. Dit is het geval bij epifytisme bij planten. Epifyt is vertaald vanuit het Grieks op-plant. Het gaat dus om organismen die op planten leven. In dit geval planten die op andere planten leven. Mossen, korstmossen en bromelia’s zijn voorbeelden van epifyten.

Mos bomen symbiose
Epifyten, zoals mossen, leven op andere planten en hebben daarmee een biologische interactie

Amensalisme

Amensalisme wil zeggen dat één van de twee soorten de andere soort benadeelt, zonder dat de soort daar zelf voordeel bij heeft. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij de notenboom (Juglans regia). De notenboom geeft een stof af via de wortels, juglon, wat ervoor zorgt dat kruidachtige planten in de wortelzone worden onderdrukt.

Concurrentie

De laatste vorm kennen we allemaal wel, concurrentie. Er is sprake van concurrentie wanneer er een biologische interactie is tussen twee soorten, waarbij de fitheid van de ene soort onderdrukt wordt door de andere. Over het algemeen is er bij concurrentie sprake van een verliessituatie voor beide soorten.

Een voorbeeld van concurrentie vinden we bij zeesponzen en koraal. Ze concurreren om voedsel. Als de zeespons al het voedsel zou hebben, zou dat in eerste instantie een voordeel lijken voor de soort. Maar als de zeespons al het voedsel heeft, sterft het koraal, waarmee het koraalrif verdwijnt en de zeespons ook niet zou kunnen overleven.


Lees ook: waarom houden dieren een winterslaap?


Andere vormen

Naast bovengenoemde soorten zijn er nog een paar andere vormen van symbiose. Een daarvan is mimicry. Mimicry betekent letterlijk nabootsing. De ene soort doet dus de andere soort na. Er zijn verschillende vormen van mimicry, maar dit is iets te uitgebreid om in deze blog uit te leggen. Houd de site in de gaten, hier zal binnenkort een aparte blog over verschijnen.

Zweevlieg
De geel/zwarte kleur bij zweefvliegen is een voorbeeld van mimicry in de natuur. Zweefvliegen imiteren hiermee wespen om roofdieren af te schrikken

Dan is er nog de verzorgende symbiose, zoals we eerder hebben besproken tussen de grote zoogdieren en de ossenpikkers. Dit komt bijvoorbeeld ook voor bij vogels en krokodillen en zuigvissen en haaien of shildpadden. De reden dat we dit als een aparte vorm benoemen is omdat er al decennia lang discussie is tussen wetenschappers over de voordelen hiervan. Hebben beide soorten voordeel (mutualisme)? Heeft allen de verzorgende soort voordeel (commensalisme)? Schaadt de verzorgende soort de gastheer ook (parasitisme)? Omdat wetenschappers het er nog niet over eens zijn wordt het dus soms als een aparte vorm gezien.

Voorbeelden van symbiose in Nederland

Symbiosen komen overal ter wereld voor, ook in Nederland. Een van de voorbeelden zagen we aan het begin van de blog al; korstmossen. Korstmossen zijn een mutualistische symbiose tussen schimmels en groenwieren. Vaak kunnen de twee niet zonder zonder elkaar overleven. Het groenwier zorgt door middel van fotosynthese voor suikerverbindingen, waarmee de schimmel zich voedt. De schimmel zorgt op zijn beurt voor het vasthouden van water, wat de alg gebruikt voor fotosynthese, en zuren, wat het opnemen van mineralen vergemakkelijkt.

Een ander voorbeeld vinden we in de Hollandse weilanden, tussen de koeien. Want als je gelukt hebt, zie je soms een kleine, gedrongen reiger tussen de koeien lopen. Dit is de relatief zeldzame koereiger. De koereigers worden vaak bij koeien waargenomen omdat ze een symbiotische relatie hebben. Doordat de koeien al grazend door de weilanden lopen, drijven ze insecten en andere kleine dieren uit hun schuilplaatsen. De koereiger weet dit, en door simpel de koeien te volgen hoeft deze alleen rustig te wachten totdat de insecten uit de schuilplaatsen komen. Zo weet de koereiger een makkelijke prooi te vinden zonder veel energie te verspillen.

Koereiger (Saxifraga - Henk Sierdsema)
De koereiger vinden we vaak in de buurt van koeien, waar hij gemakkelijk voedsel kan vinden

Symbiose voor menselijk gebruik

In de loop der jaren zijn we steeds meer te weten gekomen over symbiose en zijn we er ook voordeel uit gaan halen. Sommige vormen van symbiose passen we namelijk toe in bijvoorbeeld de landbouw en er is zelfs een symbiose waar we zelf onderdeel van zijn. We bespreken hier enkele voorbeelden van symbiose, waarbij we als mens voordeel bij hebben.

Landbouw

In de landbouw wordt op veel verschillende manieren symbiose toegepast. We bespreken hier enkele voorbeelden.

Stikstof

Het bekendste voorbeeld van symbiose in de landbouw is waarschijnlijk wel de symbiose tussen vlinderbloemigen en de Rhizobium bacteriën. De planten kunnen groeien in stikstofarme gronden, doordat ze een samenwerking met de bacteriën aangaan. De bacteriën vormen een soort witte knolletjes bij de wortel van de plant. Daar vindt de uitwisseling van stoffen plaats. De bacteriën voorzien de plant van voldoende stikstof, in ruil daarvoor krijgen de bacteriën voeding (in de vorm van suiker) van de plant. Er is dus sprake van een mutualistische symbiose.

In de landbouw worden stikstofarme gronden aangeplant met lupine of klaversoorten (vlinderbloemigen) om zo het stikstof gehalte omhoog te krijgen. Onderzoekers zijn de effecten verder aan het onderzoeken om in de toekomst het gebruik van kunstmest te kunnen verminderen. Stikstof is namelijk een van de meest gebruikte kunstmeststoffen in de landbouw.

Fosfaat

Bovenstaande is niet alleen toepasbaar bij de vorming van stikstof, maar ook bij de vorming van fosfaat. Alleen gaan planten hier geen symbiose aan met bacteriën, maar met schimmels. De schimmels leven, net als de Rhizobium bacteriën bij de wortels van de plant en wisselen hier ook stoffen uit. Bijna alle planten hebben zo een samenwerking met deze schimmels. Deze samenwerking vindt plaats door een verbinding (netwerk) wat we mycorrhiza noemen. De schimmels zorgen voor extra mineralen (voornamelijk fosfaat) voor de planten, en krijgen in ruil daarvoor suikers terug. Dit is ook toepasbaar in de landbouw. Wederom met als resultaat dat er minder (vervuilend) kunstmest geproduceerd en gebruikt hoeft te worden.

Eekhoorntjesbrood
Eekhoorntjesbrood is een van die schimmel soorten die mycorrhiza’s vormt met bomen

Een ander voordeel van deze symbiose is maar weinig bekend. Er wordt geschat dat er wereldwijd zo’n vijf miljard ton koolstofdioxide wordt opgeslagen in deze mycorrhiza-netwerken. Een belangrijke ecosysteemdienst dus, in het tegengaan van klimaatopwarming.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Het menselijk lichaam

De laatste vorm van symbiose is een die essentieel is voor ons eigen voortbestaan. Wij als mens zijn namelijk ook onderdeel van een symbiose. We hebben het hier over darmflora. In ons (en van vele andere meercellige dieren) maag-darmkanaal bevinden zich heel veel verschillende soorten bacteriën, die zorgen voor een biologische afbraak van stoffen die niet door het systeem afgebroken kunnen worden. Er is hier spraken van een mutualistische symbiose: de bacteriën voeden zich met onze afvalstoffen en helpen ons daarmee af van de afvalstoffen waar we zelf niet voor kunnen zorgen. Waar zouden we toch zijn zonder de ingenieuze oplossingen van de natuur?

Een bevlogen jaar – Boekenreview

Boeken

In de eerste boekenreview bespreken we het boek ‘Een bevlogen jaar’ van Arjan Dwarshuis. Het boek vertelt het verhaal van een Nederlandse vogelaar die een poging gaat doen het wereldrecord vogels kijken in één jaar te verbreken. Het record stond op dat moment op naam van een Amerikaanse vogelaar. Deze wist in ’n jaar tijd maar liefst 6042 soorten waar te nemen.

Een bevlogen jaar - Arjan Dwarshuis

Een bevlogen jaar – Arjan Dwarshuis

Arjan Dwarshuis is al zijn hele leven vogelaar. Hij is vogelgids en daarom de perfecte persoon om een boek te schrijven over de zoektocht naar zoveel mogelijk vogels. Naast het feit dat Dwarshuis vogelgids is, schrijft hij ook columns voor natuurtijdschriften en heeft hij een eigen podcast over vogels. Met zijn eerste boek ‘Een bevlogen jaar’ beleefde Dwarshuis zijn doorbraak bij het grotere publiek.

Het boek is gepubliceerd in mei 2019 en het telt 384 bladzijdes. Naast het boek is er ook een documentaire gemaakt over Arjan’s avontuur; Arjan’s Big Year. Het boek is hier (via bol.com) te bestellen als paperback, of als e-book.

Samenvatting

De zoektocht van Arjan begint op 1 januari 2016 in de ochtend rond de klok van 06:00 uur in Scheveningen. De eerste soort die hij op zijn lijst mag schrijven is de merel. Vanaf dat moment zal Arjan zich een jaar lang alleen maar bezig houden met de vogels in zijn omgeving. Hij zal een jaar lang continu onderweg zijn naar de volgende plek op deze aarde om nieuwe soorten aan zijn lijst toe te voegen. Om er alles aan te doen om aan het einde van het jaar meer dan 6042 soorten vogels te kunnen noteren.


Lees ook: 10 bijzondere trekvogels


De reis

Op 1 januari stapt Arjan in het vliegtuig om pas weer in april voor het eerst terug te keren naar Nederland. Tegen die tijd moet hij 10 landen bezocht hebben en al een aardig lijstje bij elkaar waargenomen hebben. Over zijn totale reis zal Arjan meer dan 40 landen bezoeken, verdeeld over vijf verschillende continenten. Zijn reis voert hem naar de verste uithoeken in de wereld. Papoea-Nieuw-Guinea, Nieuw-Zeeland, Madagaskar, Ecuador, Costa Rica en Ghana zijn een kleine greep uit de bijzondere locaties die Arjan bezoekt.

In Papoea-Nieuw-Guinea zag Dwarshuis de sierlijke kroonduiven
In Papoea-Nieuw-Guinea zag Dwarshuis de sierlijke kroonduiven

Vogels

De bijzondere plekken zijn natuurlijk mooi, maar in dit boek draait het in principe maar om één ding: vogels. Arjan zou deze plekken niet bezocht hebben als er geen bijzondere vogels te vinden waren. En de bijzondere vogels die hij beschrijft in zijn boek zijn er te veel om op te noemen. Van de sierlijke Sclaters kroonduif in Papoea-Nieuw-Guinea, tot de witkuiftok (een neushoornvogel) in het Afrikaanse Ghana.

Op Madagaskar zag hij de endemische zangvogel sikkelvanga, een vogel met een sikkelvormige snavel. In Suriname zag hij de imposante harpij-arend en op de Filipijnen had hij een ontmoeting met de misschien nog wel indrukwekkendere apenarend. De bizarste vogel die hij gezien heeft, wat mij betreft, zag hij in Uganda. Hier zag hij de schoenbekooievaar. Deze prehistorisch-uitziende ooievaar kan tot 140 centimeter groot worden, heeft een grijs verenkleed en een grote, imposante bek die met geen andere vogel te vergelijken is.

Schoenbekooievaar
In Uganda trof Arjan de bizarre schoenbekooievaar

Lees ook: arenden in Nederland


Het reisgezelschap

Arjan heeft de volledig reis als enige gemaakt, maar is op vele stukken tijdens zijn reis vergezeld door anderen. Toen hij op 1 januari vanuit Nederland vertrok om aan zijn eerste deel naar Azië en Nieuw-Guinea te beginnen, werd hij vergezeld door een goede vogelvriend. Deze zou de eerste 2,5 maand samen met hem reizen. Hierna heeft hij gedeeltes van zijn reis alleen afgewerkt, maar ook werd hij delen vergezeld door zijn ouders, vriendin, of andere vogelvrienden. Een bijzondere gast die met hem door Suriname is getrokken is Humberto Tan. De presentator is zelf ook een fervent vogelaar (door Arjan) en bevriend met Arjan geraakt nadat ze samen een ochtend zijn gaan vogelen. Daar werd beklonken dat Humberto met Arjan mee zou reizen door de jungle van Suriname.

Zijn enthousiasme, zijn liefde voor vogels en zijn kennis zijn spectaculair. Wat een geniale vogelman! – Humberto Tan

Hoatzin
De hoatzin, een van die opmerkelijke vogelsoorten die Arjan zag op zijn reis

Conclusie

Het boek is voor de vogelaars, natuurliefhebbers en reisjunkies onder ons een absolute must-read. Er hangt een bepaalde sfeer die je aan het begin van het boek pakt en je zo mee sleurt in een reis rond de wereld. Je maakt kennis met vogels waarvan je nog nooit had gehoord. Je komt op plekken waarvan je niet wist dat ze bestonden.

Het is een meeslepend boek met een serieuze ondertoon. Want hoewel Arjans enthousiasme over de vogels duidelijk te lezen is, geeft hij ook regelmatig aan dat een groot deel van deze soorten en hun leefgebied ernstig worden bedreigd. Om preciezer te zijn; één op de zeven vogelsoorten over de hele wereld wordt bedreigd. Met dit boek en lezingen over zijn wereldreis wil Arjan bewustzijn creëren en geld inzamelen voor de bescherming van vogelsoorten wereldwijd. Met deze boodschap in het achterhoofd wordt het belang van dit boek nog maar eens onderstreept.

Het is al met al een prettig en toegankelijk boek om te lezen, wat je niet snel aan de kant legt. Het boek is hier te bestellen bij bol.com

Verder lezen

Nog niet uitgelezen? Lees dan hier onze review over het boek Uilen van het eeuwige ijs, geschreven door wildlife bioloog Jonathan Slagt. Hierin neemt hij je mee naar het onherbergzame Syberië, op zoek naar de grootste uil ter wereld.

Bouwtekening nestkast torenvalk

Torenvalk

De torenvalk is een van de meest herkenbare roofvogels van Nederland. Met zijn biddende vlucht boven weilanden en langs wegen is hij voor veel mensen een geliefde verschijning. Door veranderingen in het landschap en het verdwijnen van geschikte broedplekken, kan een nestkast voor de torenvalk een belangrij verschil maken.

In deze blog vind je de complete bouwtekening voor een nestkast voor torenvalk, inclusief de juiste afmetingen, materiaalkeuze en tips voor ophangen. Zo vergroot je de kans dat een torenvalkpaar jouw nestkast daadwerkelijk gaat gebruiken. Of je nu een grote tuin hebt, op het platteland woont of een ander perceel beschikbaar hebt: met de juiste nestkast help je deze prachtige vogel op een eenvoudige en efficiënte manier.

Inhoudsopgave

Torenvalk (Falco tinnunculus)

De torenvalk was lange tijd de meest voorkomende roofvogel in ons land, maar moet deze titel tegenwoordig laten aan de buizerd. Gelukkig is de soort op veel plekken in ons land wel nog aanwezig, maar cijfers van SOVON laten zien dat er een significante afname zichtbaar is vanaf 1990.

Torenvalk
De torenvalk is een van de kleinere roofvogelsoorten in ons land

Kenmerken torenvalk

Het is een van de kleinere roofvogels van ons land, met een lichaamslengte van 30 tot 38 centimeter en een spanwijdte van 65 tot 80 centimeter. Het gewicht van volwassen dieren zit tussen de 200 gram (mannetjes) en 230 gram (vrouwtjes). Torenvalken zijn goed te herkennen aan de roodbruine rug die zowel mannetjes als vrouwtjes hebben en de lange staart. Het mannetje heeft een grijze kop en grijze staart. Vrouwtjes hebben een volledig roodbruine bovenkant en een sterk gebandeerde staart.

Torenvalk man
Het mannetje van de torenvalk heeft een opvallend blauwgrijze kop

Een van de opvallendste kenmerken van de torenvalk is het bidden, dat je ze vaak ziet doen langs de weg of boven een weiland of akker. Ze blijven dan stil op een plek in de lucht hangen en bewegen snel met de vleugels op en neer om te blijven hangen. Dit doen ze totdat ze de prooi (vaak een veldmuis) goed in beeld hebben, waarna ze zich neer storten op hun prooi.

Over het algemeen zijn torenvalken niet zo’n luidruchtige vogels, maar tijdens de balts/broedperiode en in de buurt is het kenmerkende geluid vaak te horen. In onderstaand geluidsfragment is de roep van de torenvalk te horen.

Roep torenvalk (Xeno canto -Stanislas Wroza)

Habitat en voedsel

Torenvalken leven in open en halfopen gebieden. Dit kan gaan om natuurgebieden of agrarisch gebied, of een afwisseling hiervan. Het belangrijkste is dat er voldoende woelmuizen in het gebied aanwezig zijn en ze mogelijkheden hebben om te broeden (in een solitaire boom of in een nestkast).

Het overgrote deel van het menu van torenvalken bestaat uit woelmuizen, zoals veldmuizen, rosse woelmuizen en Noordse woelmuizen. In slechte muizenjaren vangen ze soms ook andere prooien zoals grote insecten (kevers, e.d.) en zangvogels. Torenvalken vangen hun prooien altijd op de grond en niet in vlucht zoals hun boomvalken dat bijvoorbeeld wel doen.

Een torenvalk biddend in de lucht, typisch gedrag van deze bijzondere vogels (de Natuur van hier)
Al biddend in de lucht jaagt de torenvalk op zijn favoriete prooi: woelmuizen (de Natuur van hier)

Broedgedrag

Torenvalken staan er niet om bekend zelf nesten te maken. Ze gebruiken oude kraaiennesten, broeden in nissen in gebouwen of maken gebruik van nestkasten. In het buitenland worden ook broedende torenvalken waargenomen op richels van rotsen.

Na één jaar zijn torenvalken al geslachtsrijp. Ze hebben vrijwel altijd één legsel per jaar, meestal in april of juni. Het legsel bestaat uit 4 tot 6 crèmekleurige eieren met rode spikkels. Na een maand broeden komen de eieren uit. De jongen torenvalkjes vliegen na ongeveer een maand uit en blijven dan nog een hele tijd in de buurt van de ouders.

Waarom een nestkast voor de torenvalk?

Er zijn een aantal redenen te bedenken waarom je een nestkast voor een torenvalk zou maken en ophangen. Allereerst is er de afname van natuurlijke broedplekken. Torenvalken maken gebruik van oude nesten van kraaiachtigen zoals de ekster. Deze soort neemt sinds 1990 ook significant af, waardoor er minder nesten worden gemaakt en dus ook minder nesten beschikbaar zijn voor torenvalken. Daarnaast worden oude gebouwen zoals kerken en dergelijke beter onderhouden, waardoor er minder kieren en nissen zijn om in te broeden.

Naast minder nestgelegenheid, kan de torenvalk in veel plekken in ons land ook steeds minder goed aan voedsel komen. Door intensief landgebruik zijn er steeds minder woelmuizen te vinden, waardoor het voor torenvalken lastiger is om jongen groot te krijgen. Vind de torenvalk dus een geschikte plek om te broeden, dan is het nog maar de vraag of ze voldoende voedsel kunnen vinden om de jongen groot te krijgen.

Het ophangen van nestkasten zorgt er in ieder geval voor dat ze weer geschikte broedplekken vinden. Daarbij is het wel belangrijk om te kijken naar de omgeving: is dit een geschikt leefgebied voor de torenvalk en kunnen ze er genoeg voedsel vinden? Als dit het geval is, dan help je de torenvalk enorm met het ophangen van een nestkast!

Bouwtekening nestkast torenvalk

Daarom bieden we gratis een bouwtekening aan voor het maken van een nestkast voor de torenvalk. Op deze bouwtekening vind je alles wat je nodig hebt: de afmetingen van de kast, het materiaal dat je het beste kunt gebruiken en een handig zaagschema!

Deze bouwtekening is ideaal voor als je handig bent en zelf graag aan de slag gaat. Heb je zelf geen goede zaag om het hout in de juiste afmetingen te zagen? Neem de tekening dan mee naar de bouwmarkt, vaak kunnen ze hier de planken al op maat zagen. Zo hoef je de kast thuis alleen nog maar in elkaar te zetten!

Bouwtekening nestkast torenvalk (de Natuur van hier)
Bouwtekening nestkast torenvalk (de Natuur van hier)

Afmetingen nestkast torenvalk

Met deze bouwtekening maak je een nestkast voor een torenvalk met de buitenmaten: 500x350x365mm (LxBxH). Dit is de perfecte afmeting voor torenvalken om een legsel in te doen. De binnenmaten zijn 470x320x335mm (LxBxH). Deze maten zijn perfect voor een torenvalkpaartje met jongen: ze hebben zo voldoende ruimte, ook als de jongen wat groter worden. Maak je de kast kleiner, dan bestaat de kans dat er te weinig bodemruimte is als de jongen groter zijn (net voor het uitvliegen). Dit zou bij de jongen dieren tot overbodige stress kunnen leiden en in extreme gevallen zelfs tot sterfte.

De afmetingen zorgen ervoor dat de torenvalken de kast als veilig en comfortabel ervaren. Het zorgt daarnaast voor een geschikt microklimaat. Maak je de kast kleiner dan bestaat de kans dat het er te warm in wordt of dat het juist te veel tocht. Al met al zorgt de juiste afmeting van de nestkast ervoor dat het broedsucces van torenvalken hoger zal zijn en voorkomt het dat er onnodig jonge dieren uitvallen.

Het valt op dat de torenvalkkast een halfopen voorkant heeft, in plaats van een invliegopening zoals je vaak bij andere kasten ziet. Wat is hier de reden van? Torenvalken broeden van nature in open nissen en scheuren en openingen in oud gebouwen. Een halfopen nestkast bootst de natuurlijke situatie het meeste na. Vanuit een halfopen nestkast hebben torenvalken daarnaast goed zicht op de omgeving. Hierdoor kunnen ze eventuele gevaren goed overzien. Ook maakt de halfopen nestkast het voor de (relatief) grote vogels makkelijker om erin te vliegen. Tot slot zorgt het ervoor dat de kast minder snel wordt ingenomen door holenbroeders zoals kauwen.

Jonge torenvalkjes verkennen de omgeving vanuit de nestkast (de Natuur van hier)
Jonge torenvalkjes verkennen de omgeving vanuit de nestkast (de Natuur van hier)

Welk hout gebruik je?

Niet alle soorten hout zijn geschikt om een nestkast van te maken. Denk erom dat de nestkast dag in, dag uit buiten hangt. Het hout moet hier dus tegen bestand zijn. Daarnaast moet de kast stevig zijn en tegen een stootje kunnen, het hout moet dus voldoende dik zijn.

Gebruik dus een onbehandelde houtsoort die geschikt is om buiten te gebruiken. Voorbeelden zijn: lariks, douglas, eiken, beuken of watervast multiplex. Als minimale dikte raden we aan om minimaal 15 millimeter dik hout te gebruiken. Geïmpregneerd hout is ongeschikt, omdat het chemische stoffen kan bevatten die schadelijk zijn voor vogels, zeker in een afgesloten ruimte.

Kies bij voorkeur voor FSC-gecertificeerd hout. Zo weet je zeker dat het hout afkomstig is uit duurzaam beheerde bossen en draag je bij aan het behoud van natuur en biodiversiteit.

Om het dak extra te beschermen tegen regen kun je het afwerken met dakleer. Hoewel dakleer zwart is en warmte kan opnemen, levert dit bij correct gebruik geen problemen op. Zorg voor voldoende houtdikte, een klein dakoverstek en hang de nestkast niet pal op het zuiden. Zo blijft het microklimaat in de kast geschikt voor eieren en jongen. Werk de zijkanten niet af met dakleer, omdat het dan al gauw te warm wordt in de kast.

Gebruik tot slot RVS schroeven. Deze zijn geschikt voor buiten en roesten niet, wat zorgt voor een langere levensduur van je nestkast! Als bedding in de nestkast kun je houtsnippers of houtkrullen (vaak gratis verkrijgbaar bij een houtzagerij) gebruiken.

Een kant-en-klare nestkast

Heb je geen zin om zelf te klussen, maar wil je wel graag een nestkast voor de torenvalk ophangen? Bestel dan een kant-en-klare nestkast. Via deze link (Vivara) is een nestkast voor torenvalken te bestellen. Deze is gemaakt van FSC-hout en is goedgekeurd door de Vogelbescherming. Met je aankoop draag je ook nog eens bij aan verschillende groene projecten verspreid door heel Europa!

Nestkastcamera

Wil je van dichtbij meemaken hoe en wanneer de nestkast gebruikt wordt? Dan kun je een camera in de nestkast plaatsen om alles live te volgen. Wij gebruiken de camera’s van Green Backyard. Deze geeft je eenvoudig via een app live toegang tot de camera. Daarnaast ontvang je een melding wanneer er beweging is in de nestkast en kun je video’s downloaden en opslaan. Ze hebben verschillende types camera’s, wij gebruiken de Longe Range Camera, deze heeft een bereik tot 180 meter! Op onderstaande video zie je hoe een mannetje torenvalk (herkenbaar aan de grijze kop) de nestkast toont aan vrouwtje torenvalk (gefilmd met de Longe Range Camera).

Mannetje torenvalk toont de nestkast aan vrouw torenvalk (de Natuur van hier)

Nestkast torenvalk ophangen (hoogte, richting, plek)

Het correct ophangen van een nestkast is minstens zo belangrijk als het bouwen ervan. Zelfs een perfect gemaakte nestkast wordt niet gebruikt als de locatie of plaatsing niet geschikt is voor de torenvalk.

Hoogte
Hang de nestkast bij voorkeur op een hoogte van minimaal 4 meter. Op deze hoogte voelt de torenvalk zich veilig en heeft hij voldoende overzicht over zijn jachtgebied.

Richting
Richt de open voorkant van de nestkast niet pal op het zuiden of westen. Zo voorkom je dat de kast te warm wordt door directe zoninstraling of dat regen en wind vrij naar binnen slaan. Een richting tussen noordoost en zuidoost is meestal het meest geschikt.

Vrije aanvliegroute
Zorg voor een vrije aanvliegroute naar de nestkast. Torenvalken vliegen met snelheid de kast in en uit en hebben ruimte nodig om veilig te landen. Vermijd daarom takken, muren of andere obstakels direct voor de opening.

Geschikte plekken
Torenvalken broeden graag op rustige plekken met uitzicht over open terrein. Geschikte locaties zijn onder andere: schuren en loodsen, hogen bomen in een open landschap of een paal in een open gebied met weilanden.

Wat kun je beter niet doen?

  • Hang de nestkast niet te laag
  • Plaats de kast niet midden in drukke tuinen of dicht bij menselijke activiteit
  • Vermijd locaties zonder vrij uitzicht
  • Hang de nestkast niet boven water
  • Controleer of de kast stevig en stabiel hangt, zodat hij niet kan schommelen

Wanneer de nestkast op de juiste plek hangt, is de kans groot dat een torenvalkpaar de kast binnen één of enkele seizoenen in gebruik neemt. Hang de nestkast bij voorkeur in het najaar of de winter op, zodat torenvalken de kast rustig kunnen verkennen vóór het broedseizoen.

Torenvalken bezoeken soms ook grote tuinen, mits de omstandigheden juist zijn (de Natuur van hier)
Torenvalken bezoeken soms ook grote tuinen, mits de omstandigheden juist zijn (de Natuur van hier)

Onderhoud en controle van de nestkast

Een nestkast voor de torenvalk vraagt weinig onderhoud, maar het is verstandig om de kast één keer per jaar te controleren. Doe dit bij voorkeur in het najaar, wanneer het broedseizoen voorbij is.

Controleer of de nestkast nog stevig hangt, of het hout en dak in goede staat zijn en of er geen scherpe randen of losse schroeven aanwezig zijn. Eventuele prooiresten of overtollig materiaal kun je voorzichtig verwijderen, maar de kast hoeft niet volledig schoon te zijn. Torenvalken maken zelf geen nest.

Open of controleer de nestkast nooit tijdens het broedseizoen. Verstoring kan ertoe leiden dat de oudervogels het nest verlaten. Observeer daarom altijd op afstand.

Veelgestelde vragen over nestkasten voor torenvalken

Wanneer hang je een nestkast voor de torenvalk op?

Een nestkast kan het hele jaar door worden opgehangen, maar de beste periode is het najaar of de winter. Torenvalken kunnen de kast dan rustig verkennen vóór het broedseizoen dat in het voorjaar begint.

Hoe snel wordt een nestkast voor de torenvalk gebruikt?

Dat verschilt per locatie. Soms wordt een nestkast al in het eerste broedseizoen in gebruik genomen, maar het kan ook één of meerdere jaren duren. Een rustige plek met vrij uitzicht vergroot de kans aanzienlijk.

Kan een nestkast voor de torenvalk in een woonwijk hangen?

Dat kan, mits er voldoende open terrein in de omgeving is, zoals weilanden, akkers of ruigte. Torenvalken jagen vooral boven open landschap en vermijden drukke, bebouwde gebieden.

Mag ik in de nestkast kijken?

Kijk nooit in de nestkast tijdens het broedseizoen. Verstoring kan ertoe leiden dat de oudervogels het nest verlaten. Controleer de kast alleen buiten het broedseizoen en observeer torenvalken bij voorkeur op afstand. Wil je toch zien wat er in de nestkast gebeurt tijdens het broedseizoen? Plaats dan een nestkastcamera in de kast!

Wat als andere vogels de nestkast gebruiken?

Het komt voor dat bijvoorbeeld kauwen of duiven een kast gebruiken. Buiten het broedseizoen kun je beoordelen of de kast geschikt blijft voor torenvalken en eventueel maatregelen nemen.

Tot slot

Heb je zelf een nestkast gemaakt en hebben de torenvalken deze inmiddels ontdekt? Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Wat is het verschil tussen kikkers en padden?

Gewone pad

Padden en kikkers, we kennen ze allemaal wel. In het voorjaar zien we de gewone pad, groene- en bruine kikker veelvuldig terug in onze vijvers in tuinen en in sloten langs de weilanden. Maar wat is nou eigenlijk het verschil tussen padden en kikkers? In deze blog lichten we deze verschillen uit en stellen we ons de vraag of er wel echt zo’n groot verschil is, taxonomisch gezien. Daarnaast bekijken we wat je zelf kunt doen om het voor deze koudbloedige dieren wat aangenamer te maken in je tuin.

Gewone pad
De gewone pad is een amfibieënsoort die we regelmatig tegenkomen in onze tuinen

Inhoudsopgave

Taxonomie kikkers en padden

Kikkers en padden behoren tot de klasse Amfibieën. Deze kenmerkt zich door het hebben van een gladde en vochtige huid. Naast hun longen, gebruiken ze ook hun huid voor de ademhaling. Kikkers en padden leven over het algemeen in vochtige milieus en trekken naar het water voor de voortplanting.

Taxonomie kikkers en padden in Nederland (De natuur van hier)
Taxonomie kikkers en padden in Nederland (De natuur van hier)

Maar wat zijn nou de verschillen? Zijn er wel echt verschillen? Ja en nee. Padden zijn in de taxonomie ingedeeld als een aparte familie in de kikkerachtigen, Bufonidae. Hieronder valt onder andere de gewone pad die we in Nederland terugvinden. Echter worden andere soorten die niet ingedeeld zijn in de familie Bufonidae ook soms pad genoemd. Daarom worden de soorten uit de familie Bufoniadae ook wel echte padden genoemd. Alle soorten die hier buiten vallen zijn dus technisch gezien geen padden en worden aangeduid als padachtige kikkers. De scheidingslijn tussen padden en kikkers is dus erg dun.

Geelbuikvuurpad
De geelbuikvuurpad is een soort die niet tot de familie echte padden behoort en daarom dus een padachtige kikker genoemd kan worden.

Verschil kikkers en padden

Ondanks dat de scheidingslijn tussen kikkers en (echte) padden dus erg dun is, zijn er wel degelijk verschillen te ontdekken. De verschillen zijn zeer uiteenlopend, van uiterlijke kenmerken tot organen. Maar er zijn ook verschillen op te merken in gedrag, levenswijze en voortplanting. We zullen ze stuk voor stuk bespreken.

Lichaam

We starten met het lichaam, want hier zijn toch wel enkele verschillen te ontdekken.

Orgaan van Bidder

Het eerste verschil wat we willen aanhalen, is ook hét kenmerk wat de echte padden onderscheidt van andere kikkerachtige. Echte padden hebben namelijk een orgaan van Bidder. Dit is een rudimentair orgaan (heeft geen functie meer) en het is niet precies duidelijk waarvoor het ooit diende. In laboratoria is ontdekt dat het levensvatbare eicellen kan produceren (bij mannetjes alleen als de testikels verwijderd zijn). Dit is echter alleen vastgesteld in laboratoria, in het wild zijn hier geen waarnemingen van bekend.

Het orgaan van Bidder heeft wellicht ook een rol van betekenis gespeeld in de verdediging van padden. Er zijn namelijk giftige verbindingen in ontdekt. Dit zou er op kunnen duiden dat padden gif hebben gebruikt als afweermechanisme tegen roofdieren.


Lees ook: wat is het verschil tussen een amfibie en een reptiel?


De huid en bouw van het lichaam

Niet alleen intern zijn er verschillen te vinden. Ook aan de buitenkant zijn duidelijke verschillen te zien tussen kikkers en padden. Neem bijvoorbeeld de huid. Deze is bij kikkers over het algemeen glad en vochtig. Padden hebben een meer droge en wrattige huid.

Boomkikker
Kikkers hebben een gladde en vochtige huid. Vergelijk de huid van deze boomkikker eens met de huid van de padden, eerder in deze blog

Als we de lichamen verder vergelijken, valt op dat er nog meer verschillen te benoemen zijn. Padden zijn over het algemeen wat lomper gebouw en hebben korte achterpoten. Dit zorgt er ook voor dat ze zich op een andere manier voortbewegen. Doordat ze korte achterpoten hebben, is de springkracht veel minder dan die van kikkers. Padden bewegen zich dan ook meer lopend voort.

Kikkers zijn daarentegen meer atletisch gebouwd. Ze hebben een veel slankere bouw en veel beter ontwikkelde achterpoten. Deze zijn langer en een stuk gespierder. Kikkers lopen dan ook niet, maar verplaatsen zich al springend. Sommige soorten kunnen wel tot tien keer hun eigen lichaamsgewicht springen!

Levenswijze en voortplanting

Wat betreft levenswijze zijn is er ook wel een verschil te ontdekken. Over het algemeen brengen padden meer tijd door op het land en kikkers relatief gezien meer tijd in het water. Dit geldt echter niet voor elke soort. Boomkikkers leven namelijk ook voornamelijk op het land en zoeken alleen het water op voor de voortplanting.

Op voortplantingsgebied is er ook een belangrijk verschil te noemen. Zoals gezegd vindt de voortplanting van de meeste soorten kikkers en padden plaats in het water en vindt de voortplanting plaats door middel van een omhelzing (mannetje klemt zich om het vrouwtje heen). Dit is dus bij beide soorten hetzelfde. Maar wanneer de eitjes worden afgezet, zien we een verschil. We kennen allemaal wel het kikkerdril. De grote klompen eitjes, die aan elkaar zitten en aan het wateroppervlak liggen. Dit is de manier waarop de kikkers hun eitjes afzetten. Padden leggen hun eieren echter niet in grote groepen, maar in lange rijen. Op onderstaande afbeeldingen is duidelijk het verschil te zien.

Kikkerdril
Kikkers leggen hun eitjes in kenmerkende klompen, kikkerdril genaamd
Eieren padden
Padden zetten hun eieren af in lange rijen

Kikkers en padden in de tuin

Er zijn dus zeker verschillen te ontdekken tussen kikkers en padden, maar ze lijken toch ook erg veel op elkaar. Als je een beetje een groene tuin hebt, dan heb je ook nog eens kans om kikkers of padden in je tuin te vinden. Vooral de gewone pad, de groene- en bruine kikkers koloniseren al snel een tuin op het moment dat daar water in te vinden is. Wil je jouw tuin aantrekkelijker maken voor kikkers en padden? Pas dan onderstaande tips toe en het is een kwestie van tijd totdat deze amfibieën je tuin komen opzoeken.

  • Het belangrijkste is zorgen voor water in je tuin. Dit doe je het beste door een kleine poel of vijver aan te leggen. Als je kiest voor een vijver, het liefst dan zonder vis. Vissen eten de jonge kikkers en padden op en zorgen ervoor dat kikkers en padden zich minder succesvol kunnen voortplanten. Wil je toch graag vis, kijk dan of je een gedeelte visvrij kunt houden. Zo hebben de kikkers en padden een plek waar de juvenielen rustig kunnen opgroeien;
  • Zorg voor een rommelhoekje in je tuin. Veeg afgevallen blad in deze hoek en leg er wat snoeiafval neer. Als je deze plek dan met rust laat, heb je een mooie overwinteringsplek gecreëerd voor kikkers en padden;
  • Plant (wintergroene) heesters en bomen aan. Deze heesters en bomen bieden uitstekende schuilplekken voor kikkers en padden en vormen een mooi landhabitat voor de amfibieën;
  • Plaats een kikker- en paddenhuisje in de buurt van je poel of vijver. Ook hiermee creëer je schuilplekken voor kikkers en padden waardoor ze beter bestand zijn tegen roofdieren.

Verder lezen

In deze blog hebben we de verschillen uitgelegd tussen kikkers en padden. Wil je nou meer weten over kikkers en padden in Nederland of hoe je ze kunt helpen? Lees dan onze blog over hoe je zelf een poel aanlegt. Daarnaast raden we je aan om eens de website van natuurorganisatie RAVON te bezoeken. Lees ook eens onze blog over kikkers in Nederland of padden in Nederland. Ten slotte raden we je aan het boek ‘Praktisch natuurbeheer: amfibieën en reptielen’ te lezen van schrijver en bioloog Edo van Uchelen.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Salamanders in Nederland

Vuursalamander

Salamanders zijn dieren die vaak over het hoofd worden gezien door het gros van de mensen die een natuurgebied bezoeken. Mensen komen vaak voor het edelhert of voor de vogels. In deze blog breken we een lans voor de salamander. Ondanks dat je hem maar zelden ziet, als je er niet naar zoekt, is het een soort die de moeite waard is om beter te leren kennen. Sommige soorten worden zelfs ernstig bedreigd in Nederland.

Inhoudsopgave

Kenmerken en leefwijze

Onder de amfibieën zijn salamanders een beetje de vreemde eend in de bijt. Kikkers en padden hebben een gedrongen lichaam en relatief grote poten. Salamanders hebben juist een langgerekt lichaam met kleine poten. Ze hebben wel een soortgelijke huid als kikkers en padden, waarmee ze kunnen ademen. Er zijn zelfs salamanders op de wereld die helemaal geen longen hebben en uitsluitend via de huid ademen. In Nederland leven enkel geslachten uit de familie echte salamanders, ook wel gewone salamanders genoemd. Een soort in Nederland is een landsalamander, de andere zijn allemaal watersalamanders. In onderstaande afbeelding zijn de vijf inheemse salamandersoorten in Nederland taxonomisch ingedeeld.

Alpenwatersalamander
(Ichtyosaura alpestris)
Vinpootsalamander
(Lissotriton vulgaris)
Kleine watersalamander
(Lissotriton helveticus)
Kamsalamander
(Triturus cristatus)
Vuursalamander (Salamandra salamandra)
Salamanders in Nederland
Taxonomie salamanders in Nederland (De natuur van hier)
Taxonomie salamanders in Nederland (De natuur van hier)

Kenmerken

Zoals benoemd hebben salamander een lang lichaam, korte poten en een relatief lange staart. In het water bewegen ze zich handig voort, door hun poten dicht tegen het lichaam te drukken en hun staart als roer te gebruiken. Tijdens de voortplanting draagt het mannetje in het water een bruiloftskleed. Dit houdt in dat hij een rugkam heeft en een bredere staart. Wanneer de voortplanting voorbij is, keren de meeste salamanders terug naar het land en dan vallen de kenmerkende delen van het bruiloftskleed af.

Alpenwatersalamander
Salamanders hebben een langgerekt lichaam en een lange staart (Saxifraga – Kees Marijnissen)

Leefwijze

Salamanders zijn voornamelijk actief bij vochtig weer. In februari, als de kikkers en padden nog liggen te slapen, beginnen de salamanders al aan hun trek. Dit gebeurt ’s nachts bij vochtig weer en gaat ontzettend traag. Hierdoor vallen er ieder jaar veel verkeersslachtoffers, maar wordt er door steeds meer vrijwilligers (via RAVON) ervoor gezorgd dat dit percentage omlaag gaat.

Hierna begint het voortplantingsseizoen. We hebben in Nederland zes soorten salamander, waarvan vijf watersalamanders en één landsalamander. De watersalamanders trekken naar het water (de landsalamander komen we later op terug) waar de voortplanting plaatsvindt. Hierbij vindt overigens geen echt fysiek contact plaats tussen het mannetje en het vrouwtje. Het mannetje zet een zaadpakket af wat vervolgens wordt opgenomen door het vrouwtje.


Lees ook: wat is het verschil tussen een amfibie en reptiel?


Na de voortplanting trekken de meeste soorten weer terug naar het land. De meeste soorten overwinteren ook op land. De twee uitzonderingen zijn echter de vinpootsalamander en de kamsalamander, deze overwinteren soms ook in het water.

Vinpootsalamander overwintert soms op land, maar soms ook in het water (Shutterstock)
Vinpootsalamander overwintert soms op land, maar soms ook in het water (Shutterstock)

Soorten salamanders in Nederland

In Nederland komen vijf inheemse soorten salamanders voor. Daarnaast vinden we twee exoten terug in de Nederlandse natuur. Van deze zeven salamanders zijn er zes watersalamanders en één een landsalamander. Qua taxonomie zijn ze hier overigens niet op ingedeeld. In de familie echte salamanders zijn namelijk echte watersalamanders te vinden, maar ook de enige landsalamander in Nederland (vuursalamander) behoort tot de echte salamanders.

De meeste soorten komen als larve uit het ei, maar er is één soort die eierlevendbarend is. Ze houden zich ten minste tot de metamorfose schuil in het water. Hierna zullen ze, de ene soort sneller dan de andere, ook het land betreden.

Voordat we door kunnen naar de specifieke soorten, moeten we eerst nog een taxonomische kwestie bespreken. Van de zeven soorten die er voorkomen werden er twee in het verleden tot het geslacht Triturus (grotere watersalamanders) gerekend. Deze zijn in de afgelopen jaren veranderd naar een ander geslacht binnen de salamanders. De soorten onder het Triturus geslacht zijn gedeeltelijk ondergebracht bij de Lissotriton (kleine watersalamanders) omdat er een genetisch verband gevonden is.


Lees ook: beekprik, rivierprik en zeeprik


Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris)

De mannetjes van de kleine watersalamander ontwikkelen in de voortplantingstijd een rugkam (Shutterstock)
De mannetjes van de kleine watersalamander ontwikkelen in de voortplantingstijd een rugkam (Shutterstock)

De kleine watersalamander is de meest algemene soort van Nederland. De soort komt op vele plekken voor, want hij stelt weinig eisen aan zijn omgeving. Hij houdt het meest van visvrije voorplantingswateren en op het land zoeken ze vaak bossen op. Maar ze komen ook voor in tuinen en kleine landschapselementen in een meer open landschap.

Ze bereiken een lengte van zo’n elf centimeter, hebben een olijfkleurige rug en geelachtige buik. In de voortplantingstijd ontwikkelen mannetjes een rugkam om de vrouwtjes mee te verleiden. Wanneer de salamanders naar het land gaan, verdwijnt de rugkam en gaan ze over op het landkleed. Deze is zowel bij mannetjes als bij vrouwtjes hoofdzakelijk bruin gekleurd. De kleine watersalamander is een van die soorten die van het Triturus geslacht over is gegaan naar de Lissotriton, zoals in de vorige paragraaf beschreven.

Vinpootsalamender (Lissotriton helveticus)

De vinpootsalamander is de kleinste salamander van Nederland (Shutterstock)
De vinpootsalamander is de kleinste salamander van Nederland (Shutterstock)

De vinpootsalamander vinden we in Nederland alleen terug in Limburg en Noord-Brabant. Hier komt hij voornamelijk voor in poelen op heidegebieden of in vennen. Soms worden ze ook terug gevonden in beschaduwde poelen in bossen.

De soort lijkt veel op de kleine watersalamander. Met een maximale lengte van negen centimeter is het de kleinste salamandersoort van Nederland. De mannetjes krijgen in de voortplantingstijden zwarte zwemvliezen aan de achterpoten. Vrouwtjes zijn erg lastig te onderscheiden van de kleine watersalamander. In het landkleed wordt de vinpootsalamander donkerder van kleur en wordt de huid droger en korreliger. De soort behoorde eerst ook tot het geslacht Triturus.

Kamsalamender (Triturus cristatus)

De kamsalamander is de grootste watersalamander die we in Nederland tegenkomen (Shutterstock)
De kamsalamander is de grootste watersalamander die we in Nederland tegenkomen (Shutterstock)

De kamsalamander verspreidt zich over Oost- en Zuid-Nederland. De kamsalamander brengt een deel van het jaar op het land door, maar er zijn ook individuen die vrijwel het hele jaar in het water blijven. De soort is vrij specifiek in zijn leefomgeving. Het voortplantingswater mag niet te zuur zijn. Kleine landschapselementen zoals ruigten en houtwallen kunnen dienst doen als landhabitat.

Het is de grootste watersalamander van Nederland en kan een maximale lengte bereiken van zo’n 20 centimter. Ze hebben een donkergrijze tot donkerbruine basiskleur en een oranje buik met zwarte vlekken. Het bruiloftskleed van het mannetje is spectaculair, met een grote getande kam. Mannetjes bereiken deze getande kam pas na circa drie jaar. Het landkleed van de kamsalamander is erg donker tot soms bijna zwart.


Lees ook: padden in Nederland


Alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris)

De alpenwatersalamander is de kleurrijkste watersalamander in Nederland (Shutterstock)
De alpenwatersalamander is de kleurrijkste watersalamander in Nederland (Shutterstock)

Ook de alpenwatersalamander vinden we terug in het oosten en zuiden van Nederland. De soort stelt weinig specifieke eisen aan het voortplantingswater. Ze verblijven vaak bij bossen en houtwallen en overwinteren over het algemeen op het land. Ze komen vooral voor op zanderige gronden.

Alpenwatersalamanders worden zo’n twaalf centimeter groot. De rug is olijfachtig gekleurd, maar het beste zijn ze te herkennen aan de oranje ongevlekte buik. Daarnaast hebben ze op de onderzijde een lichte band over het lichaam, met donkere vlekken. In de voortplantingstijd krijgen zowel mannetjes als vrouwtjes meer blauw in hun kleed. Het zijn de kleurrijkste salamanders die we in Nederland terugvinden.

De alpenwatersalamander werd voorheen ingedeeld in het geslacht Triturus, net zoals kleine watersalamander en de vinpootsalamander, maar behoort tegenwoordig tot de Ichtyosaura. Hierin is het de enige levende soort.

Vuursalamander (Salamandra salamandra)

De vuursalamander is de enige landsalamander die we kennen in Nederland (Shutterstock)
De vuursalamander is de enige landsalamander die we kennen in Nederland (Shutterstock)

De vuursalamander, de enige landsalamander in Nederland en tevens ook de grootste salamander die we hier aantreffen. De soort komt alleen voor op enkele plekken in Zuid-Limburg, in de buurt van bronpoelen en -beken in beboste gebieden. De vuursalamander zet de larven af (de soort is eierlevendbarend) in visvrije, schone wateren. Ze leven op kalkrijke bodems met een hoge vochtigheid.

Zoals gezegd zijn het de grootste salamanders in ons land. Met een maximale grootte van ruim 20 centimeter is het zelfs één van de grootste soorten in Europa. De soort is onmiskenbaar, met z’n zwarte uiterlijk met gele vlekken en strepen. Met deze opvallende kleur laat de vuursalamander zien dat hij giftig is en niet aantrekkelijk voor roofdieren. Het gif, samandarine, zorgt voor een hoge bloeddruk en kan hyperventilatie veroorzaken.

In tegenstelling tot alle andere salamanders die we besproken hebben, is de vuursalamander absoluut geen zwemmer. Ze leven uitsluitend op het land en zoeken alleen het water op om de jongen af te zetten. Zelfs dan kiezen ze er vaak voor maar deels (de cloaca) onder water te gaan. Ze zijn uitsluitend nachtactief.

Italiaanse kamsalamander (Triturus carnifex)

Italiaanse kamsalamander
De Italiaanse kamsalamander is van onze inheemse kamsalamander te onderscheiden door te letten op de kam. Deze is minder hoog (Saxifraga – Edo van Uchelen)

Dan is er nog de Italiaanse kamsalamander, een exoot. De soort komt oorspronkelijk voor in zuidoostelijk Europa, maar is op andere plekken in Europa uitgezet, waaronder Nederland. In Nederland komt de soort voor op de Veluwe.

Het is een middelgrote salamander met een maximum lengte van zo’n vijftien centimeter. Aan de rugkam is de Italiaanse kamsalamander te onderscheiden van de inheemse kamsalamander. Deze is minder hoog, maar puntiger. Er zijn overigens hybriden bekend van de Italiaanse en de inheemse kamsalamander, wat het determineren dan weer erg lastig kan maken.

Marmersalamander (Triturus marmoratus)

Tot slot nog een andere exoot: de marmersalamander. De marmersalamander komt oorspronkelijk voor in het midden en westen van Frankrijk. Sinds 2013 is de soort ook in de Nederlandse natuur te vinden, in een gebiedje in Drenthe. Ze weten zich hier ook succesvol voort te planten.

De marmersalamander is een middelgrote salamander die een lengte tot 16 centimeter kan bereiken. Ze hebben een mosgroene rug met zwarte vlekken. De naam hebben ze te danken aan dit vlekkenpatroon. Ook de marmersalamander kan hybridiseren met de inheemse kamsalamander.


Lees ook: salamanders in de tuin


Veelgestelde vragen

Hoeveel soorten salamanders leven er in Nederland?

In Nederland komen vijf soorten inheemse salamanders voor. Vier watersalamanders: de kleine watersalamander, vinpootsalamander, alpenwatersalamander en de kamsalamander, en één landsalamander: de vuursalamander. Daarnaast komen er ook nog een aantal exoten voor zoals de Italiaanse kamsalamander en de marmersalamander.

Welke salamander zit er in mijn tuin?

De meest voorkomende salamander in tuinen is de kleine watersalamander. Deze zijn vaak al te vinden in kleine, visarme of visvrije poelen. Soms wordt ook de alpenwatersalamander in tuinen waargenomen.

Wat eten salamanders?

Salamanders eten al het dierlijk voedsel wat in hun mond past. Welk soort dierlijk voedsel dit is, is afhankelijk waar de salamander zich op dat moment bevindt: in het water of op het land. In deze blog lees je er meer over.

Zijn salamanders giftig?

In principe zijn alle salamanders giftig, ze hebben zogenaamde oorklieren (parotoïden). Het gif van de soorten die in Nederland voorkomen is voor de mens niet gevaarlijk, maar kan wel irritatie van de slijmvliezen veroorzaken.

Kunnen salamanders bijten?

Salamanders kunnen bijten, want zo vangen ze hun voedsel. Mensen zullen ze echter niet bijten, omdat de bek daar niet groot genoeg voor is. In principe zullen salamanders richting mensen altijd vluchtgedrag vertonen.

Hoe ademen salamanders?

Salamander kunnen zowel via longen als via de huid ademhalen. Een aantal soorten kunnen zelfs alleen maar via de huid ademhalen. Omdat salamanders veelal via de huid ademhalen zijn de longen primitief ontwikkelt.

Meer weten over salamanders in Nederland?

Dit waren de zeven soorten salamander die we in Nederland kunnen vinden. Wil je nog meer weten over salamanders in Nederland of hoe je ze kunt helpen? Lees dan onze blog over hoe je zelf een poel aanlegt. Daarnaast raden we je aan om eens de website van natuurorganisatie RAVON te bezoeken. Lees ook eens onze blog over kikkers in Nederland of padden in Nederland. Ten slotte raden we je aan het boek ‘Praktisch natuurbeheer: amfibieën en reptielen’ te lezen van schrijver en bioloog Edo van Uchelen.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Gemengde haag aanplanten: stap-voor-stap handleiding

Zwartkop vrouw schuilt in het struikgewas

Een goed idee voor meer groen en een hogere biodiversiteit in je tuin, is het aanplanten van een haag. Een nog beter idee is het aanplanten van een gemengde haag (ook wel struweelhaag genoemd). Een gemengde haag bestaat uit meerdere soorten haagplanten, wat ervoor zorgt dat er meer dieren op af komen. Daarnaast bloeien de haagplanten op andere momenten, waardoor je dus langer een bloeiende tuin hebt. In deze blog lees je alles wat je moet weten om zelf een gemengde haag vol leven aan te planten.

Omslagfoto: vrouwtje zwartkop in een gemengde haag (de Natuur van hier)

Gemengde haag (Saxifraga - Hans Boll)
Een gemengde haag is een schat aan biodiversiteit (Saxifraga – Hans Boll)

Inhoudsopgave

Waarom een gemengde haag aanplanten?

Doordat je in een gemengde haag verschillende soorten planten gebruikt, krijg je een veel uitgebreider element, wat veel meer soorten iets te bieden heeft. De verschillende soorten haagplanten hebben op verschillende momenten bloemen, zodat je haag langer interessant blijft voor bestuivers zoals bijen en zweefvliegen. Daarnaast zijn er soorten die bessen krijgen, welke vaak in trek zijn in vogels. Verschillende haagplanten, zoals hondsroos en meidoorn bijvoorbeeld, zijn een belangrijke waardplant voor veel nachtvlinders en sommige dagvlinders.

Tot slot heeft iedere haagplant zijn eigen groeistructuur. Sommige zijn heel dicht, andere wat meer open en weer andere hebben doorns. Voor veel vogelsoorten zoals huismus, geelgors, merel, zwartkop en winterkoning zijn heggen belangrijk om in te broeden. Door een aantal soorten planten met verschillende groeiwijzen te kiezen geef je meer vogelsoorten de kans een geschikte plek te vinden.


Lees ook: de 8 beste inheemse struiken voor een diervriendelijke tuin


Beste tijd om een gemengde haag aan te planten

De beste tijd om een gemengde haag aan te planten is in het najaar, zo rond november. Meestal vanaf oktober zijn er planten als wortelgoed (planten die in de volle grond zijn gekweekt) verkrijgbaar. Deze planten zijn veel goedkoper dan de zogenaamde containerplanten (planten die in pot zijn gekweekt), maar worden alleen verkocht als de bodem vochtig genoeg is.

Omdat bij het oogsten van de planten in volle grond de wortels een stukje zijn afgesneden, kunnen deze alleen aangeplant worden in de natte maanden (grofweg van oktober t/m maart). Hierbij heeft aan de start van het seizoen (oktober/november) de voorkeur omdat de plant dan voldoende tijd heeft om zich ondergronds te vestigen/herstellen. In het voorjaar kan de plant dan de volle aandacht geven aan bovengrondse groei, waardoor ze een voorsprong hebben op planten die pas in het voorjaar worden aangeplant.

Bij droge voorjaren en/of zomers hebben planten die in het voorjaar worden aangeplant vaker en meer water nodig dan soorten die al in oktober of november zijn aangeplant. Dit scheelt dus geld én tijd.

Welke planten gebruik je in een gemengde haag?

Er zijn veel inheemse soorten die je in een gemengde haag kunt gebruiken. In eerste instantie denk je natuurlijk aan haagplanten, maar je kunt nog meer biodiversiteit creëren door ook andere planten zoals klimplanten, bodembedekkers en bloembollen.

Wilde roos
Als de wilde roos niet jaarlijks gesnoeid wordt bloeit deze in de zomer met prachtige bloemen (Saxifraga – Willem van Kruijsbergen)

Haagplanten

Inheemse haagplanten zijn soorten die hier van nature vrijuit groeien, meestal in de vorm van een struik (heester). Met weelderige uitlopers waarop bloemen of bessen komen die in trek zijn bij insecten en vogels. Door de haagplanten een keer per jaar te snoeien krijg je een dichte haag van verschillende soorten planten.

Rozensoorten zoals egelantier, hondsroos en viltroos zijn soorten die hier van nature voorkomen en zich prima lenen voor een gemengde haag. Ze krijgen prachtige bloemen en daarnaast ook nog eens rozenbottels. Ze zijn daarnaast ook nog eens waardplant van een tiental nachtvlinders.

Andere inheemse haagplanten die uitstekend zijn om te gebruiken zijn eenstijlige meidoorn, veldesdoorn, kardinaalsmuts, beuk en liguster. Andere soorten die nog gebruikt kunnen worden zijn hazelaar (hazelnootjes), gele kornoelje (prachtige gele bloemen in het vroege voorjaar), sleedoorn (eerste inheemse struik met bloemen), rode kornoelje (krijgt rode takken in de winter), wilde liguster (bessen, vooral geliefd bij lijsters), Gelderse roos (zowel bloemen als bessen) of geoorde wilg (vroeg in het jaar belangrijke nectar voor o.a. bijen)

Bloemen- en bessenboog

Zoals je ziet heeft iedere soort zijn eigen eigenschappen, dus denk goed na over welke soorten je wil en wat ze bieden. Probeer een zo lang mogelijke bloemen- en bessenboog te creëren. Op onderstaande afbeelding zie je hoe je dit gemakkelijk in beeld kunt brengen.

Bloeiboog gemengde haag
Een overzicht van het aanbod van bloemen en bessen voor vogels en insecten (De natuur van hier)

Klimplanten

Naast haagplanten kun je ook een aantal klimplanten in je haag gebruiken. Let er daarbij wel op dat klimplanten gaan slingeren en in andere haagplanten gaan groeien. Je krijgt hierdoor een stuk weelderige haag, dus je haag heeft wat meer ruimte nodig (of je dient die stukken wat vaker te snoeien). De toevoeging van inheemse klimplanten in een haag zijn echter wel fantastisch. Wilde kamperfoelie en clematis krijgen namelijk in veelvoud prachtige bloemen. De bloemen van de kamperfoelie geuren daarnaast ook nog een ’s avonds en trekken van heinde en verre nachtvlinders aan. Een andere inheemse klimplant die je kunt gebruiken is hop, met z’n prachtige hopbellen.


Hopbellen, de vrouwelijke bloemen van de hopplant
Hopbellen, de vrouwelijke bloemen van de hopplant

Bodembedekkers en bloembollen

Daarnaast kun je aan de voet van de haag ook nog wat meer biodiversiteit creëren. Door hier een aantal bodembedekkers en/of bloembollen te planten creëer je ook vlak bij de grond nog aanbod van nectar voor bijen, vlinders, zweefvliegen en andere insecten.

Voorbeelden van goede bodembedekkers om te gebruiken aan de haagvoet zijn driekleurig viooltje, kruipend zenegroen en bosanemoon. Naast bodembedekkers zijn bloembollen ook uitstekend te gebruiken bij de voet van de haag. Vooral in het vroege voorjaar kunnen verwilderingsbollen zoals krokussen, sneeuwklokjes en blauwe druifjes een zeer belangrijke nectarbron zijn voor vroeg vliegende bijen en hommels.


Rand inzaaien

Wil je een meer natuurlijke rand langs de haag, dan kun je deze als kruidenrijke graslandrand gaan beheren, of inzaaien met een inheems mengsel als er nog geen gras langs de haag groeit. Cruydt Hoeck heeft een uitgebreid assortiment van mengsels, voor allerlei verschillende bodemtypes en omstandigheden.

Als je de rand op natuurlijke wijze wil creëren, dan moet je deze ongeveer twee keer per jaar maaien en het maaisel afvoeren. Maai vlak voordat er veel gras in bloei komt in het voorjaar. Na verloop van tijd zullen van nature voorkomende soorten kruiden zoals duizendblad, paardenbloem, boterbloem en andere soorten (afhankelijk van bodemtype) zich vestigen. De perfecte situatie om biodiversiteit te creëren.

Stappenplan voor aanplant

Om te zorgen voor een goede start van je gemengde haag is het belangrijk om aan een aantal dingen te denken bij de aanplant. Door de volgende zaken in acht te nemen krijg je op termijn een sterke, goed vertakte en brede haag, die een perfect onderkomen biedt aan veel diersoorten.

Maak tijdens de aanplant voldoende grote plantgaten, of graaf een plantsleuf. Als je een extra brede haag wil, zet de planten dan in zigzagverband. Plant ongeveer 4 haagplanten per strekkende meter. Mocht je op een zeer arme en/of niet goed doorlatende grond werken, dan moet je wellicht kiezen om de grond te verbeteren. Zo zorg je ervoor dat de haag voldoende voeding heeft en een goede wortelbare grond heeft.

Water en bescherming

Zorg voor voldoende water tijdens en na de aanplant. Tijdens de aanplant kun je de wortels van de planten een tijdje onderdompelen in een emmer water. Houdt de haag goed in de gaten in de eerste maanden (en in extreem droge perioden langer) en zorg dat de planten voldoende water krijgen, zodat ze niet uitdrogen en dood gaan. Knip bij de aanplant de hoogste tak op ongeveer 1/3e af. Hierdoor vertakt de haag op de plek waar je de tak afknipt en krijg je op termijn een dichtere haag


Lees ook: droogte in je tuin? 10 duurzame oplossingen voor een groene oase!


Als je een gemengde haag aanplant in de openbare ruimte (bijvoorbeeld grenzend aan een akker, grasland of berm), dan is het wijs om herkenningspalen bij de haag te planten. Vooral bij bermen en graslanden wordt vaak gemaaid met grote machines, die gemakkelijk de jonge haagplanten over het hoofd zien. Door er paaltjes bij te zetten die opvallen, voorkom je dat de nieuw aangeplante haagplanten per ongeluk klein worden gemaaid.

Extra elementen

Door een aantal extra maatregelen te treffen, zal er in en rondom de haag nog meer biodiversiteit te vinden zijn. Zo kun je in de haag of aan de haag vast een takkenril maken. Een takkenril biedt dieren zoals muizen (voedsel voor o.a. torenvalk en steenuil) een uitstekend leefgebied. Verder ook voor overwinterende amfibieën zoals kikkers en salamanders en broedende vogels zoals de winterkoning.

Ook egels gebruiken een haag veelvuldig. Aan de voet kun je een egelhuis plaatsen, zodat ze een plek hebben om te schuilen en overwinteren. Naast egels zijn er nog meer zoogdieren die graag gebruiken maken van lijnvormige elementen zoals gemengde hagen in het landschap. Afhankelijk van in welk gebied je haag staat kan het zomaar zijn dat er eens een vos, das of zelfs een wilde kat langs de haag passeert. Plaats een wildcamera langs de haag, of een nestkastcamera in het egelhuis om alles te kunnen volgen.

Egels leven graag in en langs een rommellige gemengde haag
Egels leven graag in en langs een rommellige gemengde haag

Onderhoud en snoei van een gemengde haag

Een gemengde haag heeft vroeg of laat een keer onderhoud nodig. Hoe vaak je snoeit is een persoonlijke keuze, maar snoei in ieder gevel nooit in het broedseizoen: 15 maart tot 15 juli. Maar let ook na het broedseizoen op aanwezige nesten in de haag. Veel vogels broeden weliswaar in het broedseizoen, maar ook buiten het broedseizoen zijn er nog talloze soorten die broeden.

In principe is 1x per jaar de haag snoeien voldoende. Je kunt er dan bij kiezen om een deel (bijvoorbeeld 10-20%) een jaar niet te snoeien, zodat deze struiken in bloei kunnen komen. Wissel ieder jaar dit deel af, zodat iedere keer andere struiken uit kunnen groeien.

Veel gestelde vragen

Waar is een gemengde haag goed voor?

Een gemengde haag zorgt voor een grote biodiversiteit. Doordat er verschillende soorten struiken in de haag worden gebruikt, zijn er diverse soorten bloemen en bessen te vinden voor insecten en vogels. De dichte structuur zorgt ervoor dat vogels erin kunnen broeden, kleine zoogdieren erin kunnen schuilen en amfibieën erin kunnen overwinteren.

Wanneer kan ik het beste een gemengde haag planten?

De beste tijd om een haag te planten is in het najaar, vanaf eind oktober (een beetje afhankelijk van het weer). De grond is dan vochtig genoeg en de struiken hebben dan nog voldoende tijd om het wortelstel te herstellen voordat het voorjaar begint.

Hoe kan ik het beste een gemengde haag planten?

Voor een gemengde haag kun je het beste 4 planten per strekkende meter gebruiken. Als je een bredere haag wil kun je de planten in zigzagverband planten. Zorg voor voldoende grote plantgaten of graaf een sleuf. Zorg voor een goed doorlaatbare en structuurrijke grond.

Welke planten kan ik gebruiken voor een gemengde haag?

Hoe meer soorten struiken er in een gemengde haag staan, hoe beter. Gebruik meidoorn, veldesdoorn, karinaaldsmuts, egelantier, hondsroos, hazelaar, liguster, sleedoorn en nog andere soorten. Lees alle soorten boven in deze blog.

Welke dieren maken gebruik van een gemengde haag?

Veel diersoorten maken gebruik van een wilde haag. Ze komen af op de nectar in de bloemen, op de bessen of noten, of zoek er dekking, broeden er of maak er een nestjes. Vlinders, bijen, zweefvliegen en andere insecten, vogels, zoogdieren, reptielen en amfibieën maken allemaal gebruik van gemengde hagen.


Dit waren al onze tips en informatie die je moet weten over het aanplanten van een gemengde haag? Heb jij zelf ook een gemengde haag aangeplant? Laat het ons weten in de comments of tag ons op social media: @denatuurvanhier.

Wil je meer tips voor een natuurrijke tuin. inspiratie over inheemse planten of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Natuurtuin in ontwikkeling – deel II

Natuurtuin

Ongeveer gelijktijdig met de start van deze website hebben we een huis kunnen kopen met ongeveer 3500m2 grond erbij. Ons doel is deze 35 are de komende jaren om te turnen naar een natuurtuin waarbij er ruimte is voor allerlei wilde vogels en andere dieren. De voortgang hiervan houden we bij en delen we in een terugkerende blog met jullie. In deze tweede blog over onze natuurtuin vertellen we je hoe we flink wat planten hebben gezet, welke bijzondere bezoekers we hebben gehad en wat de resultaten zijn tot nu toe.  

01 december , 2022

De opstartfase

In de eerste blog hebben we de startsituatie van de tuin besproken. We hebben in die eerste paar weken maar een paar kleine wijzigingen aangebracht, zoals vogelvoer en nestgelegenheden aangeboden. Na drie weken stond de teller op zo’n 22 soorten die we in en rondom de tuin hadden waargenomen. Nu, drie maanden later, zijn we al vele ontwikkelingen verder en soorten rijker.

Dauw in de ochtend
Dauw in de vroege ochtend (De natuur van hier – Sandra Krol)

Eerste soorten in het najaar

Eind september waren de walnoten van onze twee walnootbomen rijp en vielen massaal van de bomen af. Na zelf een groot deel geraapt te hebben, bleven er nog voldoende liggen in het gras. Het duurde niet lang totdat de kraaiachtigen de resterende noten ontdekt hadden. Onze tuin werd druk bezocht door kauwen, zwarte kraaien, eksters en roeken die een noot wisten te bemachtigen en deze elders open gingen kraken. Hiervoor zochten ze een harde ondergrond, deze vonden ze in de doorgaande weg waar ons huis aan staat. Met allerlei trucs en capriolen lieten ze de noot zo hard mogelijk op de weg vallen totdat deze open spleet.

In het najaar werd het naastgelegen weiland opnieuw ingezaaid en dit zorgde voor de komst van een nieuwe buurman. Sinds die tijd is er een buizerd, met een overwegend wit verenkleed, dagelijks te gast op het weiland om tussen het gekiemde gras te jagen op wormen en kevers. Dit doet hij door op een komisch uitziende wijze kleine stukjes door het weiland te sprinten, op jacht naar zijn prooi.

November was de maand dat de bessen aan de taxus hingen. En hoewel deze voor mens en (de meeste) dieren giftig zijn, komen sommige vogels er juist op af. Dit komt omdat vogels de bessen eten en de zaden weer onverteerd uitpoepen. Hierdoor blijft het gif binnen de zaadhuls zitten en kan de vogel dus ongestoord van de sappige bes genieten. Vooral lijstersoorten als de merel en de zanglijster zijn gek op deze besjes. We hebben een zanglijster in en uit de taxus zien vliegen, maar helaas zijn er nog geen merels op af gekomen.

Zanglijster
De zanglijster is een terugkerende gast in onze natuurtuin

Stappen op weg naar een natuurtuin

Ondanks deze soorten is er toch nog voldoende ruimte voor verbetering. Eén van de belangrijkste zaken was om meer groen in de tuin aan te brengen. Dat hebben we de afgelopen maanden dus ook gedaan.

Meer groen!

Na een aantal weken zijn we gestart met het afrasteren van het perceel en deze gedeeltelijk te beplanten met een gemengde haag. We hebben in de afrastering enkele openingen gemaakt zodat (kleine) zoogdieren gemakkelijk in en uit de tuin kunnen. Na een tweetal weken lijkt hier al een wissel te ontstaan, die door allerlei dieren gebruikt kan worden.

Gemengde haag

De gemengde haag bestaat uit vijf inheemse haagplanten, drie klimplanten en vier bolsoorten. Vaak worden hagen aangeplant met uitsluitend haagplanten, maar door het gebruik van ook andere soorten flora kun je de biodiversiteit in je tuin een enorme boost geven.

Als haagplanten hebben we beuk, wilde roos, veldesdoorn, wilde kardinaalsmuts en meidoorn gebruikt. De drie klimplanten die we toegepast hebben zijn wilde kamperfoelie, hop en bosrank. Als ondergroei kozen we voor verwilderende bloembollen; blauwe druifjes, blauwe anemonen, krokussen en echte trommelstokken (sieruien). In deze blog vertellen we wat meer over deze soorten en geven we handige tips bij de aanplant van een gemengde haag.


Lees ook: vijf onmisbare kruiden voor in tuin of pot


Een struweel en ‘stepping stones’

Daarnaast hebben we er voor gekozen om in de verste hoek van de tuin een struweel aan te planten van zo’n 70m2. In dit struweel hebben we hoofdzakelijk inheemse heesters aangeplant die daar de ruimte krijgen om te groeien en waar we geen snoeiwerkzaamheden zullen uitvoeren. Het idee is dat dit struweel het hele jaar door een rustige plek is voor dieren, waar ze voedsel en schuilmogelijkheden kunnen vinden. Doordat we een grote verscheidenheid aan soorten aanplanten en geen snoei toe passen, zorgen we ervoor dat in het struweel een groot deel van het jaar heesters in bloei staan. Dit maakt het gedurende bijna het hele jaar interessant voor bijen en andere insecten. In onderstaande tabel zie je welke soorten we gebruikt hebben voor onze struweel.

Aanplant struweel
Aanplant van het struweel met hoofdzakelijk inheemse soorten (Natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Tevens hebben we verspreid in de tuin kleine groepjes met heesters en een paar jonge bomen aangeplant. De bomen; een winterlinde en een zomereik zijn onze toekomstbomen. Op ons perceel staan nu enkele volwassen bomen, maar het kan zijn dat deze ooit ziek worden of dood gaan. De jonge bomen moeten tegen de tijd de functie van de huidige volwassen bomen overnemen. De kleine groepen heesters moeten ervoor zorgen dat het voor dieren gemakkelijker wordt om zich veilig door de tuin te verplaatsen. Ze doen dus dienst als een soort stapstenen.

Aangeplante soorten
Aangeplante soorten (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Knotwilgen en verschralen

Naast het aanplanten van een gemengde haag, een struweel en enkele groepjes heesters, was er nog één ding die niet in het landschap mocht ontbreken. Achter in de tuin hebben we drie jonge knotwilgen aangeplant. Knotwilgen zijn inheems en zorgen ervoor dat de natuurtuin perfect aansluit aan het omliggende landschap.  

Volwassen knotwilgen zijn enorm goed voor de biodiversiteit en prachtig om te zien. Het snoeiafval wat vrij komt bij het knotten gaan we gebruiken om een takkenwal van te maken. Deze zijn ontzettend waardevol voor allerlei insecten, vogels en zoogdieren. Zodra we hier aan toekomen, zullen we dit uiteraard in deze serie vermelden.  

Steenuil
De steenuil nestelt graag in oude knotwilgen. Lukt het ons deze bijzondere soort naar onze tuin te lokken?

Dan hebben we nog het grasland waar we iets mee moeten. We hebben het dit seizoen laten groeien, waardoor het gras nu vrij hoog staat. We hebben besloten het gras jaarlijks twee keer te gaan maaien en het maaisel af te voeren om zo een verschralingsbeheer toe te passen. Jaarlijks gaan we monitoren welke nieuwe soorten er bij komen en zo hopen we op termijn een goed ontwikkeld kruidenrijk grasland te ontwikkelen.  


Lees ook: de beste inheemse vijverplanten


De resultaten en het vervolg

We zijn nu precies vier maanden onderweg en hebben al vele soorten in onze tuin waargenomen. Dit is terug te zien in het soortenoverzicht. In totaal zitten we nu op 107 soorten, waarvan er 97 in de tuin zijn geweest en 10 soorten alleen nog maar rondom de tuin. Enkele leuke soorten die we voor het eerst waargenomen hebben in en rondom de tuin zijn; fazant, zwarte roodstaart en groene specht.

We verwachten dat deze soorten de komende kwartalen blijven toenemen, onder andere door de getroffen maatregelen. We zullen over circa drie maanden weer met een update komen.

Disclaimer: in deze terugkerende blog spreken we over een natuurtuin. Echter is dit niet een standaard tuin waar de meest mensen aan denken bij het woord tuin. Het grootste deel van het perceel wordt aangeplant met uitsluitend inheemse soorten, die terugkeren in het omliggende landschap. Hier laten we de natuur vervolgens zoveel mogelijk haar gang gaan.

Soortenoverzicht 1-12-2022
Soortenoverzicht natuurtuin 1-12-2022 (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Lees verder in natuurtuin in ontwikkeling deel III


Padden in Nederland

Padden zijn niet de meest aansprekende dieren die we in Nederland tegenkomen. Als je de doorsnee Nederlander vraagt welke padden er zoal voorkomen in Nederland, zal deze waarschijnlijk alleen met de gewone pad op de proppen komen. Maar in ons land bevinden zich meer van deze amfibieën, allemaal met hun eigen bijzondere verscheidenheid. In deze blog bespreken we alle soorten padden die je in Nederland kunt tegenkomen en vertellen we wat meer over de algemene kenmerken en de levenswijze van padden.

Kenmerken en leefwijze

Padden worden vaak in een adem genoemd met kikkers. Dit is natuurlijk ook niet zo gek, omdat ze heel erg aan elkaar verwant zijn en ongeveer dezelfde leefwijze hebben. Echter zijn er ook wat verschillen te ontdekken, in deze blog lees je daar meer over.

In de taxonomie zien we dat er één familie binnen de orde kikkers is die de echte padden (Bufonidae) worden genoemd. Deze padden zijn allen in het bezit van het orgaan van bidder, waardoor ze dus verwant zijn. Desondanks zijn er maar twee van de vijf soorten padden in Nederland die tot deze familie behoren.

Taxonomie kikkers en padden in Nederland (De natuur van hier)
Taxonomie kikkers en padden in Nederland (De natuur van hier)

Zijn de andere drie dan geen echte padden? Nee, in feite niet. Tegenwoordig worden deze drie soorten gezien als padachtige kikkers. De verwarring is ontstaan doordat ze vroeger als onderfamilies werden gezien van de echte padden, maar tegenwoordig als op zichzelf staande families en het dus eigenlijk ‘gewoon’ kikkers zijn. Omdat ze in de naamgeving wel als pad worden benoemd, houden we dit aan in onderstaande tabel.

Gewone pad (Bufo bufo)Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Knoflookpad (Pelobates fuscus)Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans)
Geelbuikvuurpad (Bombina variegata)
De rugstreeppad is één van de twee soorten in Nederland die tot de familie 'echte padden' behoort  (Shutterstock)
De rugstreeppad is één van de twee soorten in Nederland die tot de familie ‘echte padden’ behoort (Shutterstock)

Kenmerken

Padden zijn koudbloedige dieren die we tegenkomen in overwegend vochtige milieus. Ze hebben een droog, wrattig lichaam met een forse bouw en korte achterpoten. Doordat ze korte achterpoten hebben, bewegen ze zich lopend voor in plaats van springend. Verder hebben ze een lange tong die ze kunnen uitrollen en gebruiken om onder andere insecten mee te eten.

Leefwijze

Zoals gezegd houden padden van vochtige omstandigheden. Overdag zoeken ze deze plekjes op; boomstammen, een groep stenen of een een hoopje bladeren. ’s Avonds (of bij grijs, nat weer ook al overdag) verlaten ze hun veilige plek om op zoek te gaan naar eten. Ja, inderdaad. Padden zijn overwegend nachtactief. In het donker eten ze alles wat zo een beetje in hun mond past. Regenwormen, mieren, kevers, alles wat ze gevangen krijgen zullen ze verorberen.

Padden maken gebruik van een landhabitat en een voortplantingshabitat. In de winter houden ze een winterslaap. Wanneer ze in het voorjaar ontwaken starten ze massaal hun tocht op weg naar het voortplantingswater. Ook wel de paddentrek genoemd. Tijdens deze tocht moeten padden gevaarlijke wegen over steken, waarbij veel slachtoffers vallen. Stichting RAVON onderneemt van allerlei maatregelen en organiseert acties om deze slachtoffers tot een minimum te beperken. Kijk op de website van RAVON om te zien wat je zelf kunt doen.


Lees ook: wat is het verschil tussen een amfibie en een reptiel?


Soorten padden in Nederland

In Nederland leven vijf soorten inheemse padden. Deze lijken qua gedrag en leefwijze erg veel op elkaar. Echter is de ene soort algemeen in heel Nederland en is de andere soort maar op een paar specifieke plekken te vinden.

Gewone pad (Bufo bufo)

De gewone pad is de meest algemene paddensoort in ons land (Shutterstock)
De gewone pad is de meest algemene paddensoort in ons land (Shutterstock)

We noemde hem eerder al, de pad die we allemaal kennen. De gewone pad is algemeen voorkomend in heel Nederland en stelt, logischerwijs, weinig specifieke eisen aan zijn omgeving. Dit geldt zowel voor het land- als voortplantingshabitat. Op land is de soort te vinden in bossen, maar ook in tuinen en in parken. De voortplanting vind in allerlei soorten wateren plaats; poelen, sloten, maar ook in vijvers. Het is een van de weinige amfibiesoorten die goed bestand is tegen de aanwezigheid van vis.

De gewone pad is een middelgrote pad en wordt zo’n elf centimeter groot. De mannetjes blijven overigens kleiner dan de vrouwtjes. Ze zijn overwegend grjisbruin gekleurd, maar hier zit veel variatie in.

Rugstreeppad (Bufo calamita)

De rugstreeppad is een echte pioniersoort (Shutterstock)
De rugstreeppad is een echte pioniersoort (Shutterstock)

De tweede en tevens laatste soort uit de familie ‘echte padden’ die in Nederland voorkomt is de rugstreeppad. Het is een middelgrote pad die tot zo’n tien centimeter groot kan worden. De rugstreeppad is geelbruin tot grijsbruin gekleurd, met donkere vlekken en een kenmerkende gele streep waaraan hij zijn naam te danken heeft.

De rugstreeppad is een soort die vooral voorkomt rond rivieren en in de duinen. Deze houdt van een zandige bodem en een droog landhabitat. Voor de voortplanting gaat de rugstreeppad op zoek naar snel opwarmende wateren. Hiervoor kunnen ze grote afstanden afleggen, tot wel vijf kilometer! Pas gemetamorfoseerde juvenielen kunnen in één dag al bijna 300 meter afleggen. Echte trekkers dus.


Lees ook: de beekprik, rivierprik en zeeprik


Geelbuikvuurpad (Bombina variegata)

De geelbuikvuurpad is heel gemakkelijk te herkennen aan zijn opvallend gekleurde buik en keel (Shutterstock)
De geelbuikvuurpad is heel gemakkelijk te herkennen aan zijn opvallend gekleurde buik en keel (Shutterstock)

De geelbuikvuurpad is een kleine padachtige kikker die maximaal vijf centimeter groot wordt. De padachtige kikker is overwegend bruin tot grijs gekleurd op de rug, maar toch het beste te herkennen aan de onderkant. De keel en de buik zijn geel tot oranje gekleurd met een zwart vlekkenpatroon erop.

Het is een padachtige kikker die veel in het water verblijft, ook tijdens de zomer. De geelbuikvuurpad is de enige dagactieve soort uit deze lijst. De geelbuikvuurpad is zeer zeldzaam in Nederland en alleen in Zuid-Limburg terug te vinden. De soort houdt van een heuvelachtig terrein en houdt zich op het land schuil in bossen, struwelen en groeven. Het waterhabitat is vaak ondiep en dient snel op te warmen. Naast poelen kan de soort ook gevonden worden in oude bandensporen en kleine tijdelijke poelen in bijvoorbeeld weilanden.

Knoflookpad (Pelobates fuscus)

Bij gevaar kan de knoflookpad een geur afscheiden die naar knoflook ruikt  (Shutterstock)
Bij gevaar kan de knoflookpad een geur afscheiden die naar knoflook ruikt (Shutterstock)

Een andere vrij zeldzame soort in Nederland is de knoflookpad. De knoflookpad is een vrij kleine padachtige kikker die niet groter wordt dan acht centimeter. De kleur kan vrij divers zijn, van bruin tot geelachtig, met altijd donkere vlekken op de rug. Bij gevaar of verstoring kan de knoflookpad een geur afscheiden die naar knoflook ruikt, waarna hij dus vernoemd is.

De soort komt voornamelijk in het oosten van het land voor. Hierbij is hij verbonden aan rivier- en beekdalen. Hij houdt van voedselrijke wateren. De soort leeft een groot deel van de dag onder de grond. Het is dan ook essentieel dat het landhabitat bestaat uit zand of een andere goed graafbare bodem.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans)

BIj de vroedmeesterpad draagt het mannetje het eisnoer rondom de achterpoten (Shutterstock)
BIj de vroedmeesterpad draagt het mannetje het eisnoer rondom de achterpoten (Shutterstock)

Als laatste soort bespreken we de vroedmeesterpad. Dit is een kleine padachtige kikker die tot zo’n 5,5 centimeter groot kan worden. Ze zijn bruin tot grijs gekleurd met kleine roodachtige wratten. Het is de enige soort die op land paart. Na de paring draagt het mannetje het eisnoer bij zijn achterpoten totdat deze bijna uitkomen. Op dat moment trekt het mannetje naar het water om ze af te zetten, waarna ze na enige tijd uitkomen.

De vroedmeesterpad komt in ons land van nature alleen maar voor in Zuid-Limburg, maar is op een paar andere plekken uitgezet. Het is een warmteminnende soort die vooral voorkomt in graslanden, hellingbossen, graften en groeven. Wat betreft de voorplatingswateren is de soort niet kritisch.

Meer weten over padden in Nederland?

Dat waren de vijf soorten kikkers, die in de volksmond padden worden genoemd, die er voorkomen in Nederland. Wil je nou meer weten over padden in Nederland of hoe je ze kunt helpen? Lees dan onze blog over hoe je zelf een poel aanlegt. Daarnaast raden we je aan om eens de website van natuurorganisatie RAVON te bezoeken. Lees ook eens onze blog over kikkers in Nederland of salamanders in Nederland. Ten slotte raden we je aan het boek ‘Praktisch natuurbeheer: amfibieën en reptielen’ te lezen van schrijver en bioloog Edo van Uchelen.

Wat is het verschil tussen juffers en libellen?

Wanneer de zon begint te schijnen, komen ze te voorschijn. Zoemend door de lucht, of stilzittend op een steen of in het gras, opwarmen in de zon. Overal in Nederland zie je ze: juffers en libellen. Deze grote insectachtigen zijn er in veel soorten en maten, maar wat is nou het verschil tussen juffers en libellen? Zijn ze echt verschillend of gebruiken we twee benamingen voor dezelfde soort? In deze blog gaan we op zoek naar het antwoord!

Platbuik (de Natuur van hier)
Platbuik (de Natuur van hier)

Inhoudsopgave

Libellen zijn een van de grootste insecten van Europa en ze bestaan al miljoenen jaren. Zelfs in de tijd van de dinosaurussen waren er al libellen. Deze oerlibellen leefde ongeveer 280 miljoen jaar geleden in het Carboon (nog voor de dinosaurussen dus) en werden toen vele malen groter dan dat ze hedendaags worden. De grootste libelle die geleefd heeft, was de Meganeura monyi. Deze bereikte een lengte van 40 centimeter en een spanwijdte van circa 70 centimeter. Dit is waarschijnlijk het grootste insect dat ooit heeft geleefd en deze leefde onder andere in Europa.

Taxonomie juffers en libellen

Tegenwoordig zijn er geen oerlibellen meer. De insectenorde ‘libellen ‘ wordt tegenwoordig onderverdeeld in de nog levende onderordes de echte libellen (ongelijkvleugeligen) en de juffers (gelijkvleugeligen) (juffers leefde 290 miljoen jaar geleden in het Perm ook al). In de volksmond worden de echte libellen meestal ‘gewoon’ libellen genoemd.

Libelle
Libellen worden ook wel ongelijkvleugeligen genoemd. Juffers gelijkvleugeligen

Door het ontdekken van de oerlibellen is er wat opspraak geraakt bij de taxonomische indeling. De ene schrijft dat er drie onderordes zijn (oerlibelllen, echte libellen en juffers). De andere deelt de oerlibellen en echte libellen samen in een onderorde Epiprocta.

Hoe het ook ingedeeld wordt, de twee nog levende onderordes (echte libellen en juffers) zijn nauw aan elkaar verwant. Maar toch zijn er wel degelijk verschillen te vinden tussen de twee.

Verschillen juffers en libellen

Zoals de naamgeving van de onderordes al doet vermoeden, zijn er verschillen te vinden tussen juffers (gelijkvleugeligen) en libellen (ongelijkvleugeligen). En het eerste verschil zit hem dus in de vleugels. Bij de juffers zijn de voor- en achtervleugels gelijk aan elkaar. Bij libellen zijn de achtervleugels breder aan de basis ten opzichte van de voorvleugels. Daarnaast zijn libellen over het algemeen een stuk forser gebouwd en hebben ze in verhouding een korter lichaam. Juffers zijn daarentegen slank van vorm en hebben een relatief lang lichaam.


Lees ook: verschil tussen kikkers en padden


Ogen en grijpers

Een ander opmerkelijk verschil zijn de ogen. Zoals het lichaam van een libelle zijn ook de ogen een stuk groter dan bij juffers. Doordat ze zulke grote ogen hebben, raken ze elkaar bijna. Bij juffers zitten de kleine ogen meer aan de zijkant van de kop.

Ook aan de achterkant van het lichaam kun je kenmerken herkennen die wijzen op een juffer of libelle. Beide soorten hebben hier een soort grijpers zitten die gebruikt worden tijdens de voortplanting. De mannetjes van de libelle hebben er hier drie van, de mannetjesjuffers één meer. Deze grijpers zijn bij libelle relatief gezien ook wat groter.

Libellen hebben grote ogen die elkaar bijna raken. De ogen van juffers zijn een stuk kleiner en zijn meer aan de zijkant gepositioneerd
Libellen hebben grote ogen die elkaar bijna raken. De ogen van juffers zijn een stuk kleiner en zijn meer aan de zijkant gepositioneerd

Ook aan het voortbewegen kun je verschillen ontdekken tussen juffers en libellen. Juffers hebben een tragere vliegwijze. Waar het bij libellen lijkt alsof ze altijd haast hebben, komen juffers juist heel rustig over en vliegen ze vaak langer op één plek.


Lees ook: tips voor meer bijen en vlinders in je tuin


Beweging en larven

Als een juffer gaat rusten op een tak of een ander object, trekt deze de vleugels vaak samen. De vleugels zijn dan langs of boven het lichaam samengeklapt. Bij libelle staan de vleugels constant uit elkaar.

Tenslotte is er nog één verschil waar je misschien niet meteen aan zou denken. Deze heeft betrekking op het jongste levensstadium van deze vliegende insecten. De larven van libellen zijn namelijk een stuk groter en robuuster dan larven van een juffer. Het verschil is dus al bijna vanaf dag één te zien!

Juffers, zoals deze weidebeekjuffer, hebben een veel slankere bouw dan libellen (de Natuur van hier)
Juffers, zoals deze weidebeekjuffer, hebben een veel slankere bouw dan libellen (de Natuur van hier)

Overeenkomsten juffers en libellen

Naast de vele verschillen tussen juffers en libellen zijn er ook zeker overeenkomsten te vinden. Wat maakt het dat deze twee soorten tot eenzelfde klasse horen en zo dichtbij elkaar staan in de taxonomie?

Ze lijken natuurlijk erg op elkaar. De bouw van het lichaam en de vier vleugels waarmee ze zich voortbewegen verraden dat het neefjes en nichtjes van elkaar zijn. Ook de manier hoe ze geboren worden en zich ontwikkelen tot het volwassen stadium is bij beide soorten overeenkomstig.

Daarnaast is de levenswijze van juffers en libellen ook erg vergelijkbaar. Beide soorten zijn vaak te vinden in de buurt van water, floreren bij mooi weer en vallen vaak op door hun prachtige kleuren.

Juffers en libellen in je tuin

Deze prachtige dieren verdienen dus een plek in iedere tuin. We zullen je daarom nog een paar tips geven hoe je jouw tuin ook aantrekkelijk kunt maken voor deze gevleugelde insecten.

Een van de belangrijkste dingen om te regelen is natuurlijk water in de vorm van een vijver of een poel. Juffers en libellen brengen het grootste deel van hun leven door in het water, tijdens hun larvenstadium. Wil je dus in de zomer deze kleurrijke insecten in je tuin rond zien zoemen, leg dan zelf een poel aan.

Zorg verder voor zonnige plekjes in je tuin (leg een mooie steen neer die goed warm wordt), zodat ze in de ochtendzon kunnen opwarmen en zorg voor (nagenoeg) windstille plekken. Naast water is het ook goed om een open stuk in je tuin te hebben, zoals bijvoorbeeld gras (of een stukje grasland met kruiden als je een grotere tuin hebt). Dit is een uitstekende plek voor libellen om te jagen.

Als laatste tip raden we je aan een verrekijker of een goede camera te kopen. Vooral libellen vliegen erg snel en zijn daardoor erg lastig te herkennen als leek. Met een verrekijker kun je ze van een stuk dichterbij bekijken, waardoor je ze beter kunt determineren. Als je op zoek bent naar een instapmodel welke een goede kwaliteit biedt, maar niet te duur is, dan kunnen we je het merk Vortex aanraden. Hier zijn we zelf ooit mee begonnen en hebben deze altijd met plezier gebruikt. Voor een betaalbare prijs koop je bij dit merk een leuke verrekijker. Kijk hier voor het aanbod (bol.com).

Juffers
Met een verrekijker kun je juffers en libellen van veel dichterbij bekijken

Lees ook: wat is het verschil tussen een amfibie en een reptiel?


Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen juffers en libellen?

Er zijn veel verschillen te benoemen tussen juffers en libellen. De achtervleugels verschillen en libellen zijn een stuk forser gebouwd dan juffers. Daarnaast hebben libellen grotere ogen, die dicht op elkaar zitten en vliegen ze een stuk sneller dan juffers. De juffer klapt zijn vleugels in wanneer deze gaat zitten, de mannetjes hebben één voortplantingsgrijper meer dan mannetjeslibellen en zijn de larven van de juffer een stuk kleiner.

Wat zijn de overeenkomsten tussen juffers en libellen?

De leefwijze van juffers en libellen is erg overeenkomstig. Ze zijn vaak bij water te vinden en volop aanwezig bij mooi weer. Daarnaast lijken ze qua bouw erg op elkaar.

Hoe krijg je juffers en libellen in je tuin?

Water in de vorm van een poel of vijver aanleggen is het belangrijkst. Zorg daarnaast voor zonnige en windstille plekjes en creëer een open plek waar ze kunnen jagen.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Dinosaurussen in Nederland

Zo ’n 165 miljoen jaar lang was de aarde het schouwspel voor de grootste en indrukwekkendste dieren die de aarde ooit gezien heeft; de dinosaurussen. Het succes en de dominantie van de dinosaurussen was zo groot dat het ze tot in alle uithoeken van de aarde heeft gebracht. Ook in Nederland zijn sporen terug gevonden van deze imposante dieren. In deze blog lees je hoe Nederland er in het tijdperk van de dinosaurussen uitzag, waar er in Nederland dinosporen zijn gevonden en welke soorten zich hier hebben opgehouden.

Het landschap in de tijd van de dinosaurussen

In het Trias tijdperk, zo ’n 252 miljoen jaar geleden evolueerden de eerste dinosaurusachtigen. De aarde zag er toen heel anders uit dan nu. Alle continenten (zoals we die nu kennen) zaten toen nog aan elkaar vast; het supercontinent Pangaea. Er heerste in die tijd een droog en warm klimaat en het zeewaterniveau was toen nog relatief gezien laag.

Aan het einde van het Trias begon het supercontinent Pangaea te breken en ontstonden de continenten Laurazië en Gondwana. Een aantal miljoen jaren later brak Laurazië op in Noord-Amerika en Eurazië. In het Krijt (het laatste tijdperk waarin de dinosaurussen regeerde) begonnen de continenten de huidige vormen te krijgen. Echter lagen ze toen nog niet op plek waar dat ze nu liggen. Europa was in die tijd nog tropisch.

Constant veranderend landschap

Door het constant verschuiven van de continenten en de belachelijk lange periode waarin de dinosaurussen leefden (165 miljoen jaar!), veranderde het landschap in Nederland en Europa voortdurend.

In het begin van het dinotijdperk (Trias) was het klimaat zo droog en warm dat er weinig bossen te vinden waren. Er waren voornamelijk moerassen te vinden omringd door varens, reuzenpaardenstaarten en ginkgo ‘s. In deze periode waren er ook veel reptielen te vinden en ontstonden de eerste zoogdieren en eerste pterosauriërs.

Tijdens het Jura tijdperk namen grotere boomsoorten het over. De zogenoemde naaktzadigen (gymnospermen), zoals coniferen, maakten hun intrede en er waren tientallen ginkgosoorten (tegenwoordig nog maar één) te vinden. De reuzenpaardenstaarten uit het Trias waren zo goed als verdwenen en de varens werden steeds groter, ze werden zo groot als kleine boompjes. In het Jura tijdperk floreerden de dinosaurussen en ontstonden de eerste vogels.

Gedurende de heerschappij van de dinosaurussen veranderde het landschap continue
Gedurende de heerschappij van de dinosaurussen veranderde het landschap continu

Nederland onder water

Het laatste tijdperk waarin de dinosaurussen over de aarde rondliepen was het Krijt. In deze periode ontwikkelde de bedektzadigen (angiospermen) zich enorm. Deze groep van planten droeg bloemen. Veel bomen en planten die we nu nog hebben, behoren tot deze groep. In het Krijt evolueerde veel van de moderne zoogdier- en vogelsoorten zich.

Er heerste een warm klimaat en de zeespiegel stond hoog. Zo hoog dat Nederland het grootste deel van het Krijt onder water stond. Deze zee noemen we de Krijtzee. De Krijtzee zat vol met grote zeereptielen zoals bijvoorbeeld de Mosasaurus. In de steengroeve bij Sint Pieter in Maastricht zijn dan ook veel vondsten gedaan daterend uit deze periode. Het tijdperk Krijt eindigde met een van de grootste massa-extincties die de aarde ooit gezien heeft.

Het onderzoek naar fossielen heeft ons veel geleerd over het landschap waar in de dinosaurussen leefde
Het onderzoek naar fossielen heeft ons veel geleerd over het landschap waarin de dinosaurussen leefde

Dinosaurussensoorten in Nederland

In de steengroeven in Steenwijk en in Maastricht zijn, door het afgraven van kalk, miljoenen jaren oude aardlagen aan het oppervlak gekomen. Deze oude aardlagen zijn een bron voor fossielen resten van dieren die miljoenen jaren geleden geleefd hebben en vertellen ons veel over die tijd.

Tijdens het graven in steengroeves worden regelmatig fossiele resten gevonden
Tijdens het graven in steengroeves worden regelmatig fossiele resten gevonden

Echte dinosaurussen

Ondanks dat er in Nederland twee plekken zijn waar oude aardlagen aan het oppervlak zijn gekomen, zijn er tot nu toe (pas) van één echte dinosaurussoort resten gevonden. Deze resten zijn gevonden bij Sint Pieter in Maastricht. Onder andere een stuk kaak en een dijbeen zijn gevonden van een hadrosauriër. Helaas is er tot nu toe te weinig materiaal gevonden om de exacte soort te kunnen benoemen.

Er is met zekerheid vastgesteld dat het om een hadrosauriër ging. Hadrosaurussen waren herbivoren dieren en hadden een kenmerkende brede bek/snavel wat erg op de snavel van een eend lijkt. Een andere benaming voor deze groep is dan ook wel eendensnaveldinosaurussen.

Hadrosaurussen werden ongeveer vier meter lang en leefden in kuddes. Ze liepen hoofdzakelijk op vier poten maar er wordt ook aangenomen dat ze incidenteel op alleen hun achterpoten stonden om bij de bladeren in hoge bomen te komen. De hadrosauriër die in Nederland gevonden is leefde in het laatste deel van het dinotijdperk, zo ’n 70-65 miljoen jaar geleden.  

(Zee)reptielen

Daar waar er maar één dinosaurussoort tot nu toe is gevonden, zijn er een stuk meer reptielen gevonden in Nederland. Dit heeft er natuurlijk mee te maken dat Nederland lange tijd onder water heeft gestaan in de tijd van de dinosaurussen.

In Nederland zijn veel fossielen gevonden van zeereptielen die geleefd hebben in de Krijtzee
In Nederland zijn veel fossielen gevonden van zeereptielen die geleefd hebben in de Krijtzee

In Winterswijk zijn onder andere resten gevonden van de nothosaurus, de palatodonta en de lariosaurus. De nothosaurus was een reptiel dat leefde gedurende het Trias. Ze bereikte een lengte van circa zeven meter en er wordt gedacht dat het dier zowel in het water als op het land leefde. Het dier had een gestroomlijnd lichaam wat hem geschikt maakte om zich soepel onder water te kunnen bewegen en het had een soort poten die wellicht voorzien waren van zwemvliezen. De levenswijze van de Nothosaurus is vergelijkbaar met zeehonden.

Een ander zeereptiel waarvan resten zijn gevonden in Steenwijk is de palatodonta. Ook deze soort leefde gedurende het Trias tijdperk en gedacht wordt dat de oorsprong van deze soort in Europa ligt. De palatodonta was een stuk kleiner dan de nothosaurus.

Als laatste zijn er in Winterswijk ook nog resten gevonden van de lariosaurus. Ook dit zeereptiel leefde in het Trias en hadden zich uitstekend aangepast aan het leven in water. Gedacht wordt dat de lariosaurus in ondiepere wateren leefde en dat ze ook regelmatig op het strand te vinden was. De lariosaurus werd ongeveer 60 centimeter lang.


Lees ook: de beekprik, rivierprik en zeeprik


De koning van de zee

De grootste vondst is toch zeker de mosasaurus in Maastricht geweest. De ontdekking in Maastricht was de eerste ontdekking van een mosasaurus (in eerste instantie werd gedacht dat het om resten van een potvis ging). De soort is dan ook vernoemd naar de Maas, waar deze gevonden is. Mosasaurus betekent letterlijk vertaald maashagedis.

Deze zeereptielen waren in diverse afmetingen te vinden en hebben uiteindelijk de hele wereld bevolkt. De grootste soort binnen de mosasaurussen werd ongeveer 18 meter lang en stond aan top van de voedselketen. Door zijn dominantie heeft de mosasaurus zicht wereldwijd kunnen verspreiden.

In Maastricht zijn meerdere vondsten gedaan van de mosasaurus. Wil je deze vondsten met eigen ogen bewonderen? Plan dan eens een bezoek aan het Natuurhistorisch Museum in Maastricht. Naast de vondsten van de mosasaurus zijn hier ook de vondsten van de hadrosauriër te zien en een tal van andere fossielen.

De mosasaurus in het Natuurhistorisch Museum in Maastricht
De mosasaurus in het Natuurhistorisch Museum in Maastricht (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Wil je meer weten over de fascinerende dinowereld en zeereptielen die in deze tijd geleefd hebben? Dan raden wij je aan om naar de podcast ‘Dinocast ‘ van Maarten van Rossem en Gijs Rademaker te luisteren. Hierin komen ook regelmatig paleontologen aan het woord die daadwerkelijk onderzoek doen naar fossiele vondsten in Nederland.

Nog meer dinosaurussen te ontdekken

Een feit is dat nog lang niet alles gevonden is. Iedere jaar worden er nog tal van nieuwe dinosaurussen ontdekt/beschreven. Het is dus aannemelijk dat er in Nederland in de loop der tijd ook nog nieuwe ontdekkingen gedaan zullen worden. De vraag is dus wat ons de komende jaren nog te wachten staat?

Natuurlijk zijn niet alleen in Nederland dinoresten gevonden. Net over de grens in het Teutoburgerwoud zijn bijvoorbeeld voetsporen van diverse dinosaurussen perfect bewaard gebleven. Dit is zeker de moeite waard om zelf een bezoek aan te brengen!

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!