In de bossen in Oost-Siberië, aan de Japanse zee, leeft een mysterieuze uil, die maar zelden gezien (laat staan onderzocht) is door mensen. De Blakistons visuil is de grootste uil ter wereld, maar doordat ze een teruggetrokken leven leiden in de ondoordringbare bossen weten we er nauwelijks wat van. Tot nu. In deze boekenreview bespreken we het boek van Jonathan Slaght: Uilen van het eeuwige ijs. Dit is een verslag van zijn reis naar de wildernis van Rusland voor het onderzoek naar een van de minst bekende vogels van deze wereld: de Blakistons visuil.
Uilen van het eeuwige ijs – Jonathan Slaght
Het boek Uilen van het eeuwige ijs is een boek dat in 2020 is uitgebracht door de Amerikaanse wildlife bioloog Jonathan Slaght. In het boek doet Slaght zijn verslag van het meerjarige onderzoek dat hij geleid heeft naar de Blakistons visuil. Door dit onderzoek is Jonathan Slaght één van ’s werelds vooraanstaande experts op het gebied van de visuil en het gebied waarin deze leeft. Uilen van het eeuwige ijs telt in totaal 335 bladzijdes en is hier (bol.com) te verkrijgen als paperback en als e-book.
Samenvatting
Om onderzoek te doen naar de grootste uil ter wereld, moest Jonathan Slaght naar Oost-Siberië, gelegen in Rusland aan de Japanse zee. De Blakistons visuil komt naast Rusland enkel in een deel van China en Japan voor en leeft daar aan brede rivieren die door dichte bossen voeren.
Hetgeen wat de expeditie pas echt extreem maakte, was het feit dat het veldonderzoek plaats moest vinden in de winter. In deze periode waren sporen van visuilen beter, en veel langer, zichtbaar dan in de zomer en was een groot deel van de rivier bevroren. Dit was een voordeel, omdat visuilen dan maar op slechts enkele open plekken in de rivier konden jagen, waardoor ze makkelijker te vinden waren, beter te observeren en uiteindelijk eenvoudiger te vangen waren (in hoeverre je kunt spreken van ‘makkelijk’ bij het vangen van een uil die ruim 65 centimeter kan worden en meer dan 4,5 kilogram kan wegen).
De imposante visuil is een soort die maar weinig mensen in het wild waarnemen (Shutterstock)
In totaal bracht Jonathan samen met een aantal Russische collega’s vier seizoenen door in de barre omstandigheden in Oost-Siberië. Dit alles om meer te weten te komen over de Blakistons visuil, om zo een beschermingsplan op te zetten. Het startte allemaal met het zoeken naar geschikte leefgebieden voor visuilen en naar het zoeken van de visuilen zelf. Zodra ze deze hadden gevonden, konden ze de leefgebieden in kaart gaan brengen en meer te weten komen over de leefwijze van deze enorme uilen. Uiteindelijk wisten ze diverse paartjes op verschillende locaties langs de rivier te vinden en kon het onderzoek echt van start gaan.
Het uitvoeren van het onderzoek bracht veel uitdagingen met zich mee en zorgde ervoor dat Jonathan en zijn collega’s gedwongen werden tot innovatieve oplossingen. De grootste uitdaging was de helse winter in Siberië. Om zich te kunnen verplaatsen tussen het basiskamp en de verschillende leefgebieden van de paartjes visuilen werd er gebruik gemaakt van sneeuwscooters en skies. Vaak moesten ze meerdere keren op en neer skieën om al de benodigde apparatuur op de juiste locatie te krijgen. Hier waren ze dan bijna een hele dag aan kwijt, om enkele dagen later alle apparatuur weer op dezelfde manier terug te brengen naar het basiskamp.
Het werd pas echt gevaarlijk aan het einde van ieder veldseizoen, als de temperatuur langzaam begon te stijgen. Om het gebied te verlaten moesten ze met de sneeuwscooters door de bossen en over de rivieren. Echter ontstonden er door de dooi al zwakke plekken in het ijs, waardoor het oversteken van de rivier levensgevaarlijk was. Dit is meerdere keren maar net goed afgelopen.
Voor het onderzoek naar de visuil moest het onherbergzame gebied van Oost-Siberië bedwongen worden
Het onderzoek naar de visuil
Na het lokaliseren van de visuilen kon het onderzoek echt beginnen. De eerste waarnemingen waren van het geluid van de visuil. Door de donkere, koude bossen klonk een duet van zingende visuilen. Met deze duetten werd duidelijk dat ze in een territorium van een paartje zaten. Nu was het zaak om de nestboom te vinden. Dit is een cruciaal onderdeel in het leefgebied van de visuil en ze zijn vrij kritisch als het op nestbomen aan komt. Ze nestelen namelijk hoog in de kruinlaag van een bos, in oude dode bomen waar de top is uitgebroken door ziekte of door storm. Dit konden iepen, chosenia’s, populieren of andere hoge bomen zijn die in de oude bossen voorkwamen.
De vangst
Nu ze de visuilen gelokaliseerd hadden en het leefgebied in kaart hadden gebracht, was het tijd om een plan te maken om ze te vangen. Vervolgens konden ze van allerlei gegevens opmeten, de visuilen voorzien van zenders en ze zo voor langere tijd volgen. De broedende visuilen werden echter niet gevangen (om verstoring van de voortplanting te voorkomen). Het bleek nog knap lastig te zijn om deze uilen te vangen, ondanks de weinige plekken die de uilen hadden om te jagen in de rivier. Verschillende vangtechnieken werden geprobeerd en na een tijd hadden ze dan eindelijk een goede methode gevonden.
Visuilen zoeken in de winter open plekken in de rivier op om te kunnen jagen(Shutterstock)
Na vangst werden de visuilen voorzien van zenders die het veldseizoen erna uitgelezen zouden worden. Dit draaide echter uit op een mislukking. Om verschillende redenen (defect door de extreme kou, kapot geprikt door de visuil, etc.) was bijna geen een zender meer werkend het jaar erop. Er moest dus iets anders verzonnen worden. Uiteindelijk wist Slaght een aantal gps-dataloggers te strikken. Deze kostten echter een veelvoud van de andere zenders, maar hierdoor konden de uilen alsnog gevolgd worden. Dit heeft geleid tot een unieke inkijk in het leven van de mysterieuze uilen.
Naast de leefwijze heeft Slaght samen met zijn Russische collega’s veel tijd gestoken in het onderzoeken van het leefgebied van de visuil. In het territorium werden alle plantensoorten in kaart gebracht en in de rivier werden de vissoorten vastgesteld. Door deze gegevens te combineren met de vliegpatronen van de visuilen, kwam Slaght erachter dat visuilen de verschillende zalmsoorten in de rivier volgde naar de plekken waar ze zich voort planten. Dit zorgde ervoor dat de visuil erg succesvol was in zijn jachttechniek. Daarnaast kwamen ze erachter dat met het beschermen van de paaiplaatsen van de zalmen ook de visuilen beschermd werden.
Visuilen profiteren van beschermingsmaatregelen voor vissen in de rivieren, die stromen door hun leefgebied (Shutterstock)
De resultaten
In de periode tussen 2006 en 2010 heeft Jonathan Slaght in totaal 20 maanden doorgebracht in de Russische bossen. Alle data die hij in die tijd heeft verzameld, heeft hij gebundeld en in zijn onderzoek gebruikt ter bescherming van de visuil. Een van de resultaten was dat de visuilen uitsluitend in de dalen bij de rivieren leven. Hier lagen echter ook de belangrijkste wegen in het gebied, die voornamelijk gebruikt werden door de houthandelbedrijven, wat zorgde voor een conflict. Met behulp van het onderzoek heeft Jonathan samen met zijn team belangrijke beschermingsmaatregelen kunnen afspreken. Hierdoor kan er in de toekomst meer rekening gehouden worden met de visuil in het gebied, wat zou moeten leiden tot minder (verkeer)slachtoffers.
Conclusie
Het boek Uilen van het eeuwige ijs is een vermakelijk boek dat je kennis laat maken met een van de gaafste uilen ter wereld. Maar naast de kennismaking met de Blakistons visuil, zul je ook kennis maken met een gebied dat voor vele van ons onbekend is en waar de meeste nooit zullen komen. Het boek geeft daarnaast een uitstekend inzicht in het uitdagende werk van een wildlife bioloog.
Naast de Blakistons visuil laat Jonathan Slaght je kennis maken met ander wildlife uit de regio zoals de Stellers zeearenden, oeraluilen, Chinese woudapen en zwarte beren. Het boek is, naast dat het ontzettend leuk is om te lezen, belangrijk omdat het aandacht vraagt voor een van de laatste wildernissen op deze aarde. Het geeft een unieke kijk in het gebied en na het lezen van het boek kun je niet anders dan het met me eens zijn dat deze wildernis de moeite is om te beschermen. Het boek is hier te bestellen bij bol.com.
Nog niet uitgelezen? Lees dan hier onze review over het boek ‘Een bevlogen jaar’ geschreven door Arjan Dwarshuis. In dit spannende boek neemt Arjan je mee rond de wereld om het wereldrecord vogels kijken in één jaar te verbreken!
In en rondom onze Nederlandse bossen vinden we een van de meest sierlijke dieren die ons land rijk is: herten. Het elegante lichaam, de kortharige glanzende vacht, de hoge slanke poten waarmee ze zich behoedzaam voortbewegen en het imposante gewei van de volwassen mannetjes. Deze gezamenlijke kenmerken maken de hertachtigen een absolute aanwinst voor de Nederlandse natuur. In deze blog bespreken we alle herten in Nederland.
Herten zijn elegante, sierlijke dieren. De mannetjes hebben een gewei
Kenmerken en leefwijze
In Nederland kennen we drie inheemse hertensoorten (al is er over één nog wel eens discussie): het ree, het damhert en het edelhert. Alle drie de herten behoren in de taxonomie tot de familie hertachtigen.
Kenmerken
Hertachtigen kenmerken zich voornamelijk door hun lichaamsbouw. Een slank, gestroomlijnd lichaam met lange, lenige ledematen en een kortharige vacht. Ze hebben grote oren, die zich bovenop de kop bevinden, en grote ogen aan de zijkanten van de kop. Deze organen zijn helemaal afgestemd op het in de gaten houden van de omgeving. Doordat de oren zich bovenop de kop bevinden, vangen ze snel omgevingsgeluiden op en met de ogen in de zijkant van de kop kunnen herten bijna de hele omgeving in de gaten houden, op hun hoede voor roofdieren.
Het gewei
Mannetjes van de hertachtigen dragen een gewei (met uitzondering van het Chinese waterree), die ze jaarlijks wisselen. Naarmate de mannetjes ouder worden, worden de geweien imposanter. Het gewei is gemaakt van kraakbeen en bevat een laag waardoor bloedvaten lopen, die het gewei voorzien van zuurstof en voedingsstoffen om te groeien. Op het moment dat het gewei volgroeid is, verandert het kraakbeen in botweefsel en wordt het dood materiaal. In de winter wordt het gewei afgeworpen en start vrij snel daarna de groei van het nieuwe gewei. Deze zal een stukje groter zijn dan het gewei dat het hert het jaar daarvoor had.
Mannetjesherten produceren ieder jaar een nieuw gewei, dat ieder jaar groter is.
Leefwijze
Herten zijn over het algemeen overdag actief, maar in de buurt van mensen zijn ze voornamelijk actief in de ochtend en avond, tijdens de schemering. Je zou misschien denken dat herten echte bosbewoners zijn, maar dit klopt maar deels. De reden dat veel mensen hiervan overtuigd zijn, is omdat we onze edelherten in Nederland alleen maar in afgesloten gebieden met hekwerk eromheen houden. Hierdoor brengen ze voornamelijk tijd door in het bos, maar dit is niet per se een natuurlijke reactie.
Herten leven voornamelijk aan de randen van bossen, tussen het bos en een open gebied (zoals een grasland) in. Hier zijn ze op zoek naar de twijgen van jonge bomen, grassen, kruidahtige planten en zaden. Dit zorgt er in een natuurlijke situatie ook voor dat herten vaak voor een hogere biodiversiteit zorgen in een gebied. Herten zorgen er met hun gegraas voor dat zulke overgangsgebieden breder zijn en een grote variatie in structuur bevatten. Deze gebieden zijn vaak ook essentieel voor andere dieren zoals vogels, kleine zoogdieren en bijen en vlinders.
Herten houden zich graag op in de randen van het bos, waar het bos overgaat in een meer open landschap
Ree – Capreolus capreolus
De kleinste inheemse soort die we in Nederland tegenkomen, is het ree. Met een schofthoogte tussen de 60 en 90 centimeter is het ree niet groter dan een herdershond. Het gewicht varieert tussen de 15 en 35 kilogram. In de zomer zijn reeën feller gekleurd dan in de winter. Tijdens de warme dagen zijn ze zandgeel tot roodbruin gekleurd, waar dit in de winter kleurt naar grijsbruin. Ze hebben een donkere, zwarte neus met een witte kin eronder. Reeën hebben een witte spiegel (achterwerk). Bij mannetjes is deze niervormig, bij vrouwtjes hartvormig.
Mannetjes hebben een bescheiden gewei dat maximaal 25 centimeter groot wordt. Jonge dieren waarbij het gewei nog geen vertakking vertoont, noemen we een spitser en geweien met één vertakking noemen we een gaffel.
Reeën zijn de kleinste inheemse herten die we vinden in Nederland
Mannetjes reeën noemen we reebokken en vrouwtjes noemen we geiten. Het gaat goed met het ree, zowel in Nederland als in de rest van Europa. In Nederland komt het ree overal voor. Voornamelijk in bossen met open plekken, maar ook in andere gebieden, zoals op de heide en in de duinen, leven reeën.
In tegenstelling tot het edelhert is het ree geen typische grazer, maar een browser. Dit houdt in dat het ree in mindere mate gras en kruiden consumeert, maar meer andere dingen zoals twijgen, bladeren, bramen, bessen en noten.
Voorplanting
Reebokken leven alleen en verdedigen hun territorium tegen andere bokken. Reegeiten leven alleen met hun jongen en het leefgebied van de geiten overlappen soms. In de bronsttijd (paartijd voor hertachtigen) zoeken de vrouwtjes de gebieden van de bokken op.
Het reekalf blijft bij de moeder tot het moment dat de reegeit opnieuw bevalt van een nieuw kalf
De bronstijd van reeën valt in de zomer, in de periode juli-augustus. De jonge reekalveren worden echter pas het jaar erop in de periode eind mei – begin juni geboren. Het embryo is echter niet al die tijd (ruim 10 maanden) in ontwikkeling. Reeën zijn namelijk de enige evenhoevige die een verlengde draagtijd hebben. Dit betekent dat de eicel in rust is en pas eind december begint te ontwikkelen. Vaak is er namelijk nog een tweede bronstijd, rond oktober. De geiten die in deze periode bevrucht worden hebben een verkorte uitgestelde draagtijd, deze eicellen beginnen ook eind december met de ontwikkeling tot een embryo.
Damhert – Dama dama
In het begin van de blog schreven we dat er over één soort nog wel eens discussie was of deze nou inheems is of niet. Daarmee doelden we op het damhert. De Romeinen hebben namelijk het damhert door het hele Romeinse Rijk ingevoerd. Het damhert kwam op dat moment niet voor in Nederland, maar was tijdens de laatste ijstijd teruggedreven naar Azië. Voor die tijd kwam het hier dus wel voor, waardoor het dus een inheemse soort is.
Damherten zijn groter dan een ree en kleiner dan een edelhert. De zomervacht is meestal roodbruin met witte vlekken en de mannetjes hebben een schoffelgewei
Het damhert is groter dan het ree, maar kleiner dan het edelhert (die hierna aan bod komt). Ze bereiken een schofthoogte die varieert van 85 tot 110 centimeter en ze wegen dan 45 tot 100 kilogram. Binnen de soort bestaat er veel variatie in kleur. Ze zijn meestal overwegend roodbruin, maar kunnen ook bijna helemaal zwart of zelfs overwegend wit zijn. Daarnaast is er een duidelijk verschil tussen zomer- en wintervacht. De wintervacht is meer grijzig met licht vlekken. De zomervacht is overwegend bruin met witte vlekken. Ze hebben een witte spiegel met een zwarte strepen in het midden en bijna volledig rondom het witte vlak.
Tijdens de winter zijn damherten donkerder gekleurd (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
Damherten hebben, anders dan andere herten, een schoffelgewei. Dit verschilt van de andere geweien doordat het in de punten bladvormig wordt. Het heeft dan een vorm die aan een schoffel doet denken. De eerste paar jaar hebben mannetjes damherten alleen twee punten als gewei. Vanaf het derde jaar begint het gewei zijtakken te krijgen. De grootte van een gewei is afhankelijk van meerdere factoren. Uiteraard speelt leeftijd een belangrijke rol, maar ook erfelijkheid en de conditie waarin het hert verkeert zijn van invloed.
Bij damherten noemen we het mannetje een hert, en vrouwtjes een hinde. Zoals gezegd hebben de Romeinen het damhert in Nederland, en op veel andere plekken in Europa, geherintroduceerd. Tegenwoordig gaat het dan ook goed met het damhert in Europa. In Nederland komen herten in alle provincies voor, maar grote populaties beperken zich tot een aantal locaties door het land. Vanuit daar hebben dieren zich verspreid, maar ook vanuit kinderboerderijen en hertenkampen zijn individuen in de natuur terecht gekomen.
Damherten houden zich voornamelijk op in gemengde bossen en loofbossen met voldoende open plekken (graslanden). Ook aan randen van bossen met aangrenzend grasland voelen ze zich thuis. Ze leven hier in roedels. Na de paartijd leven de mannen in kleinere groepen. Maar naast bossen kunnen damherten ook op andere plekken voorkomen. Wij hebben al meerdere keren een groepje damherten in de buurt van onze woning gezien, waar relatief weinig bos te vinden is.
Voedsel en voortplanting
Qua voedsel zijn damherten veelzijdig. Naast grassen en kruiden eten ze ook (jonge) bladeren, twijgen, maar ook noten en bessen. Aan de rand van het Teutoburgerwoud worden in de zomer wel eens damherten waargenomen die rijpe appels uit de boomgaarden plukken.
De bronstijd van damherten valt later in het jaar dan die van reeën. Deze vindt meestal in oktober plaats. In de periode tussen mei en juli worden de kalveren geboren. Een hinde bevalt bijna altijd van slechts één kalf, die ongeveer 4,5 kilogram weegt bij de geboorte.
Damhert kalveren groeien samen op in een roedel
Edelhert – Cervus elaphus
Het inheemse edelhert is de grootste van de drie en tevens het grootste landdier in Nederland. Volwassen dieren bereiken een schofthoogte van 110 tot 140 centimeter en mannetjes kunnen tot wel 225 kilogram wegen. Edelherten die hoofdzakelijk in bos leven zijn overwegend kleiner dan de exemplaren die in meer open landschappen leven.
Zoals de andere herten zijn edelherten in de zomer anders (feller) gekleurd dan in de winter. In de zomer hebben ze een roodbruine vacht, met een witte buik en een roomkleurige spiegel. In de winter zijn ze grauwer van kleur. Tussen de haren bevinden zich dan luchtcellen die voor een isolerende laag zorgen. Mannetjes hebben dan tevens langere haren in de hals.
Edelherten hebben in de winter luchtcellen tussen de haren, wat een isolerende werking heeft
Edelherten zijn natuurlijk bij iedereen bekend vanwege het imposante gewei van de volwassen mannetjes. Het gewei van jonge dieren begint als een spitser, maar krijgt ieder jaar meer vertakkingen, ook wel enden genoemd. Een volgroeid gewei heeft acht tot dertien enden en kan een maximale lengte bereiken van meer dan 90 centimeter. Bij oudere (senioren) herten neemt de grootte van het gewei ieder jaar af.
Leefwijze
Mannetjes van het edelhert worden bokken, of gewoon simpelweg herten genoemd. Vrouwtjes noemen we hinden. Vroeger was het edelhert in Nederland algemeen verspreid. Tegenwoordig vinden we ze echter alleen nog maar op de Veluwe, Oostvaardersplassen en het Weerterbos. Buiten deze gebieden geldt een nulstand, wat wil zeggen dat ze hier niet worden getolereerd en worden afgeschoten. Er kan dus gesteld worden dat de edelherten in Nederland eigenlijk alleen nog maar tussen hekken te bewonderen zijn. De ecologische hoofdstructuur (Natuurnetwerk Nederland) zou hier in de toekomst wellicht verandering in kunnen brengen.
Van nature leeft het edelhert in open bossen, met voldoende graslanden. Echter heeft de soort zich door de jaren heen goed weten aan te passen en komt het ook voor in moerassen en op heidevelden. Edelherten leven in roedels, waarbij de bokken aparte roedels vormen en de hinden met kalveren ook. In de bronstijd zoeken de bokken (afzonderlijk van elkaar) de hindenroedels op en vormen ze een harem.
Voedsel en voortplanting
Het edelhert is een echte grazer. Dit wil zeggen dat het hoofdzakelijk gras eet. Daarnaast eten ze ook andere zaken, zoals bessen, boomschors, wortels, knollen en twijgen van bomen en struiken.
In de bronstijd beginnen de mannetjes met burlen. Hiermee proberen ze indruk te maken op de hindes en een harem te vormen
In de periode eind september tot begin oktober vindt de bronstijd plaats. Zoals gezegd zoeken de bokken dan de hindenroedels op en proberen ze indruk te maken door luider dan hun concurrentie te burlen. Burlen is een soort luide roep van de bok, waarmee de dominantie getoond wordt. Als twee bokken gelijkwaardig aan elkaar burlen, kan dit leiden tot een gevecht waarbij serieuze verwondingen op kunnen treden. De bok die het beste burlt, of het sterkste is in het gevecht, mag paren met de hindes en een roedel vormen. De verliezer druipt af.
Eind mei/begin juni worden de kalveren geboren. In de meeste gevallen bevalt een hinde van één kalf, maar in uitzonderlijke gevallen worden er ook wel eens twee geboren. De kalveren groeien gezamenlijk op in de hindenroedels en blijven tot twee jaar na geboorte bij de moeder.
Exoten
In Nederland vinden we naast de drie inheemse hertachtigen ook een aantal exoten, het sikahert en de Chinese muntjak. Beide vertonen ze invasieve kenmerken en kunnen ze een serieuze bedreiging vormen voor de inheemse natuur.
Sikahert – Cervus nippon
De eerste exoot is het sikahert, dat van origine voorkomt in Oost-Azië. Het sikahert is het beste te vergelijken met het damhert, maar dan een stukje kleiner. Ze zijn ook, in de zomer, roodbruin gekleurd en hebben witte/geelachtige vlekken. In de winter is de vacht donkerder gekleurd. Opvallende kenmerken zijn de manenkraag bij zowel het mannetje als het vrouwtje, de zwarte lipvlek en de korte, witte staart met donkere streep.
Sikaherten hebben een manenkraag, die bij dit mannetje duidelijk te zien is(Shutterstock)
Sikaherten bereiken een schofthoogte tussen de 70 en 100 centimeter en een gewicht van circa 60 tot 65 kilogram, waarmee ze beduidend kleiner zijn dan het damhert. Een opvallend verschil met het damhert is het gewei. Ze hebben geen schoffelgewei, maar eenzelfde gewei als het edelhert, alleen een stuk kleiner.
De introductie en de bedreiging
Het sikahert is aan het einde van de 19e eeuw geïntroduceerd in West-Europa, als parkdier. Het heeft zich weten te handhaven in landen zoals Engeland, Frankrijk en Duitsland. In Nederland worden maar heel soms sikaherten gezien.
Een opvallend gegeven is het feit dat het sikahert kan kruisen met het edelhert, ondanks dat het een stuk kleiner is. Uit deze kruising kunnen vruchtbare nakomelingen komen, waardoor het een bedreiging vormt voor de genetische biodiversiteit van het inheemse edelhert.
Chinese muntjak – Muntiacus reevesi
De Chinese muntjak is het kleinste hert wat je in Nederland tegen kunt komen. Met een schofthoogte van 45 tot 50 centimeter en een gewicht van circa 12 tot 15 kilogram is het nog een heel stuk kleiner dan het ree. Ze zijn kastanjebruin van kleur, met een wittige kin en buik en een zwart patroon op de kop. Ze hebben een opvallend lange staart en mannetjes hebben een klein gewei, zonder enden.
De Chinese muntjak is een stuk kleiner dan alle andere herten in Nederland
De muntjak komt van oorsprong voor in China en Taiwan. In de 18e eeuw zijn ze in Europa ingevoerd als huis- en parkdier, vooral in Engeland en Frankrijk. De ontsnapte en losgelaten dieren hebben zich weten te vestigen en ze hebben zich over meerdere landen uitgebreid.
Bedreiging
Muntjakken eten twijgen en bladeren van struiken, klimplanten en andere planten die in het bos groeien. Ook eten ze jonge bomen (zaailingen). Als de Chinese muntjak in groten getale voorkomt, kan het een bedreiging vormen voor inheemse planten zoals de boshyacint en bosbingelkruid. Daarnaast kan het verjonging in een bos remmen, wat catastrofaal kan zijn voor het ecosysteem. Om deze redenen wordt het als een invasieve soort beschouwd, waardoor het niet meer ingevoerd mag worden.
Dan zijn er nog twee soorten die, op het moment, niet in Nederland voorkomen, maar wel de moeite waard zijn om te benoemen.
Allereerst de eland (Alces alces). Vroeger kwamen er elanden voor in Nederland, maar de laatste waarneming dateert uit 1025. Er wordt onderzocht of de eland geherintroduceerd kan worden in de Biesbosch (het zijn echte moerasbewoners), dit zou een positieve invloed kunnen hebben op de biodiversiteit in het gebied.
Dan is er nog het reuzenhert (Megaloceros giganteus), een inmiddels uitgestorven hertensoort. Deze herten waren veel groter dan de herten die we tegenwoordig zien. Ze konden een schofthoogte bereiken van 210 centimeter en het gewei kon een spanwijdte bereiken van ruim 360 centimeter! Het reuzenhert is waarschijnlijk zo’n 10.000 jaar geleden uitgestorven. Met enige regelmaat worden er aan de kust nog fossielen van het reuzenhert gevonden. Via waarneming.nl kun je deze waarnemingen (vaak met foto) bekijken.
Veelgestelde vragen
Welke herten komen er voor in Nederland?
In Nederland komen drie inheemse herten voor: het ree, het damhert en het edelhert. Daarnaast zijn er nog twee exoten: het sikahert en de Chinese muntjak. Vroeger leefde er ook de eland en het reuzenhert.
Wat is het grootste hert in Nederland?
Het edelhert is het grootste hert in Nederland en bereikt een schofthoogte van 110 tot 140 centimeter. Ze kunnen tot 225 kilogram wegen en het gewei van de bokken kunnen tot wel 90 centimeter groot worden, met maximaal dertien enden.
Waar komen herten voor in Nederland?
Herten in Nederland vinden we vooral in bossen en aan de rand van het bos. Edelherten komen enkel op de Veluwe, Oostvadersplassen en in het Weerterbos voor. Reeën en damherten komen meer algemeen verspreid voor.
Als je in de natuur bent, zie je ze overal terugkomen: spinnenwebben. Spinnenwebben zijn er in allerlei soorten en maten. Sommige zijn zo volmaakt dat het bijna kunstwerken zijn, andere zo fragiel dat er iedere dag een nieuwe gemaakt dient te worden. Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke grote bouwwerken maken, met een materiaal dat in verhouding sterker is dan staal? Het antwoord op deze prangende vraag heeft de wetenschap tot op heden nog maar deels kunnen ontrafelen. In deze blog gaan we kijken hoe een spin van niets tot een volmaakt spinnenweb komt, en dat vaak in een tijdsbestek van een uurtje.
Alleen de familie ‘echte spinnen’ maken spinnenwebben. Dit doen ze met behulp van spinnenrag, of spinnendraad. Er is gewone spinnendraad en kleverige spinnendraad. De spin laat eerst een draad door de wind meevoeren naar een tak. Vervolgens wordt een soort Y-vorm gemaakt. Vervolgens worden vanuit het midden de spaken van het web gevormd. Het web wordt afgemaakt door spiraalsgewijs nog draad te spannen.
Wie maakt een spinnenweb?
Niet alle spinnen maken spinnenwebben. Binnen de klasse ‘spinachtigen’, waar onder andere ook de teken en schorpioenen tot behoren, is alleen de orde ‘echte spinnen’ verantwoordelijk voor het maken van spinnenwebben. Andere ordes zoals de ‘hooiwagens’ en ‘zweepspinnen’ hebben niet het vermogen om spinnendraad te produceren, wat noodzakelijk is voor het maken van een web.
De orde ‘echte spinnen’ is een grote orde waarin al meer dan 50.000 soorten zijn beschreven (en waarbij er nog jaarlijks nieuwe soorten worden beschreven). De meest algemene spinnen zoals de huisspin, kraamwebspin en kruisspin behoren tot deze orde. Veel van deze spinnen hebben insecten als prooidieren, waardoor ze erg nuttig kunnen zijn in en rondom het huis. We hebben immers vaak last van bijvoorbeeld muggen en vliegen, de favoriete prooien van deze spinnen. Meer van deze spinnen in en rondom het huis zorgt dus voor minder overlast van vliegen en muggen.
Enkel de orde echte spinnen maken spinnenwebben. Deze voorjaarshooiwagen (behorend tot de orde ‘hooiwagens’) kan dus geen spindraad produceren
Waarom maakt een spin een spinnenweb?
Spinnen maken een spinnenweb om hun prooi mee te vangen. Dit gebeurt op zeer uiteenlopende manieren. De meeste spinnen die dit doen, zijn passieve jagers. Ze maken een web en wachten tot er een prooidier in verstrikt raakt. Sommige soorten lopen er dan direct op af om de prooi in te pakken met extra spindraad, zodat deze zeker niet los kan komen. Andere bouwen een net met zulke fijne en kleverige draden dat dit niet nodig is en de prooi zeker niet los kan komen. Weer andere soorten houden het web vast en wachten tot de prooi voorbij komt. Op het juiste moment laten ze het net dan over de prooi heen vallen, waardoor deze verstrikt raakt. Dit is een meer actieve manier van jagen.
Ook onder de soorten die een echt web maken zijn er verschillen op te merken. Sommige spinnen maken het web laag bij de grond, andere een stuk hoger. Dit heeft alles te maken met het type prooidier welke de spin in kwestie probeert te vangen. Spinnen die het web hoog boven de grond maken jagen op vliegende insecten, zoals juffers en libellen. Spinnen die lager bij de grond een web maken, jagen vooral op springende soorten, zoals bijvoorbeeld sprinkhanen.
Kruisspinnen moeten na iedere vangst het spinnenweb repareren omdat het zo fragiel is. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web
Andere toepassingen van spinnenrag
Naast het maken van een spinnenweb gebruiken spinnen het spinnenrag ook voor andere doeleinden. Lijmspuiters gebruiken het namelijk ook om een prooi mee te vangen, maar doen dit op een andere manier. Ze spuiten hun kleverige spinnenrag van dichtbij op hun prooi, waardoor deze verstrikt raakt.
Sommige spinnen gebruiken het spinnenrag om er een cocon van te maken, waar de eitjes in worden gelegd. Er zijn spinnen bekend die het hol voorzien van een laag spinnenrag en mannetjes die het sperma erin verpakken (een zogeheten spermatofoor).
Hoe maakt een spin een spinnenweb?
Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke bouwwerken kunnen maken? En hoe kan het dat zulke dunne draad zulke grote prooien kan vangen, zonder dat het breekt en de prooi kan ontsnappen? Vragen die in de loop der jaren beantwoord zijn door wetenschappers en die nog relevant kunnen zijn voor onze eigen vooruitgang in technologie.
Spinnen maken het spinnenrag, dat ze gebruiken om een web te maken, van een mengsel van eiwitten. Het spinsel wordt gemaakt door de spinklieren die zich bevinden in de spindoppen. De spindoppen zitten op de spintepels die verbonden zijn aan het achterlichaam. Voor iedere soort draad is een andere spinklier verantwoordelijk. Zo zijn er spinklieren die loopdraad produceren, maar ook spinklieren die voor de kleefdraden zorgen.
De benaming van de soorten draad zorgt meteen voor de verklaring ervan. Er worden draden geproduceerd met en zonder kleefstof. De kleefdraden zijn voorzien van kleverige druppels (kleefstof) die op een bepaalde afstand van elkaar over de draad verdeeld zijn. De spin stapt hier zelf makkelijk overheen, waardoor deze ook over de kleefdraden kan lopen zonder zelf vast te komen zitten. De loopdraden zijn echter bedoelt om snel door het web te kunnen manoeuvreren.
De productie
De spintepels zijn enkel de dragers van de spindoppen. De meeste spinnen hebben zes spintepels, maar ook twee, vier of acht stuks komen voor. Op de spintepels bevinden zich de spindoppen. Deze komen vaak in meerder aantallen bij elkaar voor. De spindoppen zijn onafhankelijk van elkaar te gebruiken.
De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin
Soorten spinnenwebben
Niet iedere spin maakt eenzelfde web. Zoals zo vaak zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden, dit geldt ook voor spinnen. De meest bekende soort spinnenweb is het wielweb. Wielwebben zijn over het algemeen groot en rond gevormd. Wielwebben hebben een signaaldraad die trilt wanneer er een prooi in het web zit en de spin alarmeert.
Waar wielwebben over het algemeen mooi gevormd en gestructureerd zijn, zijn kaardewebben dat juist totaal niet. Kaardespinnen maken hele onregelmatige webben, waarbij alle draden kriskras door elkaar lopen. Met hun stijve haren achter op het lichaam maken ze een soort inkepingen in de draad, waardoor insecten sneller verstrikt raken.
Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.
Tenslotte zijn er nog de matwebben en hangmatwebben. Deze bestaan uit meerdere horizontale lagen van spinsel, vaak in het gras, die onderling met verticale draden verbonden zijn. Een wirwar aan spinsel waarin lopende en springende insecten verstrikt raken. De meeste huisspinnen maken zulke webben. Hieraan vast zit vaak nog een trechtervormig web, waarin ze schuilen bij gevaar.
De gewone doolhofspin is een soort die een matweb maakt, met daaraan vast een trechtervormig web als schuilplaats
De uitvoering
Als we kijken naar de klassieke spinnenwebben dan zijn spinnen ware ingenieurs dat ze zo een web bouwen. Maar hoe komen ze tot dit bouwwerk? Het begint allemaal met een beetje hulp van de wind. De wind zorgt ervoor dat de eerste draad uit de spintepel wordt getrokken. Deze slingert door de lucht totdat het een tak (of iets anders) te pakken krijgt, waaraan deze blijft kleven. De eerste draad wordt vervolgens verstevigd voordat de spin verder gaat met de rest van het web.
Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur
Vervolgens wordt er een losse draad getrokken van het ene naar het andere punt. Vanuit het midden van deze losse draad wordt weer een strakke draad naar beneden getrokken, waardoor er een soort Y-vorm ontstaat. Het midden van de Y-vorm wordt ook het midden van het spinnenweb. Vanuit hier kan de spin verder met de drie buitenste punten verder met elkaar te verbinden.
Vanuit het midden worden nu steeds draden naar de buitenkant gespannen, waardoor het web steeds meer op een fietsenwiel met spaken begint te lijken. Daarna begint de spin (vanuit de kern van het web) spiralen te vormen, wat het spinnenweb stevigheid geeft. Tussen de spiralen die voor stevigheid zorgen, worden ook nog kleverige spiralen gespannen. Deze zullen uiteindelijk essentieel zijn om hun prooi mee te vangen. Het spinnenweb is nu klaar voor gebruik. Bewonderenswaardig is het dat de meeste spinnen dit hele proces binnen een uur kunnen voltooien.
Doordat de spin kleverige draad toepast in zijn web, blijven prooien plakken en raken ze verstrikt. Hierdoor heeft de spin de tijd om naar de prooi te lopen en deze te injecteren met gif, waarna het de prooi leeg zuigt. De kleverige draad is echter niet de enige reden waarom de jachttechniek van spinnen zo succesvol is. Het geheime wapen heeft met de elektrische lading te maken.
Onderzoekers ontdekten dat wanneer ze dode insecten van een elektrische lading voorzagen en deze richting het web gooiden, het web richting het dode insect bewoog. Met uitstekende apparatuur lukte het de onderzoekers dit fenomeen vast te leggen. Vliegende insecten bouwen een elektrische lading op (door wrijving tussen de vleugels en de lucht dier er langs stroomt), en spinnen hebben zich hier evolutionair uitstekend op aan weten te passen. In onderstaande video is dit verschijnsel duidelijk te zien.
Hoe sterk is een spinnenweb?
We weten inmiddels dat een spinnenweb een uitmuntend bouwwerk is, maar het is ook nog eens ontzettend sterk. De draad waarmee het net gemaakt wordt, spinnenrag, is in verhouding sterker dan staal. Vijf keer sterker dan staal zelfs. Wetenschappers weten nog niet precies hoe dit kan. Het is dan ook bewonderenswaardig te noemen dat zo’n klein dier, zo’n belachelijk sterk materiaal kan produceren.
Dit kan dus ook voor onze technologie en vooruitgang ontzettend waardevol zijn. Als we het geheim van de spin kunnen ontrafelen, dan zou er een wereld voor ons open gaan. We zouden het voor een legio aan mogelijkheden kunnen gebruiken, voor bruggen en andere staalconstructies, maar ook voor bijvoorbeeld kogelwerende vesten. Opnieuw een goede reden om de algehele biodiversiteit te beschermen, omdat we zelfs van de kleinste dieren nog ontzettend veel kunnen leren.
Vlak over de grens bij onze zuiderburen vind je de Ardennen. Een gebied in België dat zich kenmerkt door de grote loof- en naaldbossen, grote rotsformaties en valleien met rivieren en watervallen. Een uitstekend wandelgebied met een gevarieerde flora en fauna. Tijdens ons bezoek aan de Ardennen overnachtten we op een bijzondere plek. In een ‘dome boomhut’ tussen de bomen en recht onder de sterren. Een unieke slaapervaring in een toch al bijzonder gebied.
Op ongeveer een uur rijden vanaf de grens bij Maastricht vind je het plaatsje Fisenne. Fisenne ligt op een kleine afstand van de meer bekende plaats in de Ardennen, Durbuy. De omgeving rondom Fisenne kenmerkt zich door een half openlandschap, waarbij akkers, kruidenrijke graslanden en kleine bossen zich afwisselen. In een weiland gelegen langs een boerderij (250 meter verderop, waar je de auto parkeert) staat een boomhut aan de rand van het bos.
Het is echter geen boomhut zoals je die wellicht zou verwachten. Op een vlonder tussen twee bomen in, circa vier meter boven de grond, staat een bolvormige hut. Deze hut is gemaakt van hetzelfde materiaal als waar springkussens van worden gemaakt. De gehele bovenzijde van de hut is transparant, waardoor je dus de kroon van de twee bomen en de sterrenhemel van dichtbij kunt zien vanuit de hut.
De dome-boomhut staat aan de rand van een bos (foto: natuurhuisje.nl)
Natuur van dichtbij beleven
Hierdoor kun je dus veel vogelsoorten van dichtbij in hun natuurlijke habitat zien, zonder dat zij jou opmerken. De ochtend dat wij wakker werden hebben we in een kort tijdsbestek koolmezen, kuifmezen, zwartkoppen, zanglijsters en een gaai gezien. De avond ervoor hadden we het geluk dat het helder was en hebben we een prachtige sterrenhemel gezien! Fantastisch om naar te kijken, zonder afgeleid te worden van hinderlijke omgevingsgeluiden, maar enkel begeleid door de zang van een bosuil.
Een van de soorten die je vanuit de boomhut kunt zien is de sierlijke kuifmees
’s Ochtends, als je wakker wordt, kan er nog een aangename verassing op je staan te wachten. Vanuit het bos zouden er namelijk wilde zwijnen of herten naar de bosrand kunnen zijn gekomen, die vlak bij de boomhut staan te foerageren. De beste kans om een van deze zoogdieren te spotten is net voor of tijdens zonsopkomst.
Wandelen
De Ardennen zijn natuurlijk een uitstekende plek voor van allerlei buitenactiviteiten. Een van de meest populaire daarvan is wandelen. Een wandeling door het unieke landschap van de Ardennen is dan ook uitstekend te combineren met een verblijf in dit natuurhuisje.
Korte wandeling in Durbuy
Een korte wandeling van 5,5 tot 7,5 kilometer (afhankelijk van waar je de auto parkeert) kun je lopen vanuit het historische stadje Durbuy. Dit is, ondanks de korte afstand, een zeer gevarieerde route. Je start bij de Falize rots, die ongeveer 350 miljoen jaar geleden ontstaan is. Het eerste gedeelte loop je langs de rivier De Ourthe (een zijrivier van De Maas), die je leidt naar een pittige klimmetje. Als je boven komt, kom je in het gehucht Bohon. Je vervolgt de weg dan weer richting Durbuy. Je bereikt uiteindelijk Durbuy door in een fraai bos een aantal trappen af te dalen. In Durbuy is daarnaast een groot outdooractiviteitencentrum, waar je onder andere kunt kanoën.
De route is bewegwijzerd door middel van groene rechthoekjes. Hier is ook een uitgebreide beschrijving van de route te vinden.
De Falize rots, zo’n 350 miljoen jaar geleden ontstaan
Middellange wandeling rondom Soy
Dit is een wandeling die ongeveer langs de boomhut loopt en start in Soy bij het kerkhof. Het is een erg rustige wandeling van ongeveer 14,5 kilometer lang. De wandeling leidt je door een redelijk open landschap (waarschijnlijk meer open dan je van de Ardennen gewend bent). Uiteraard doorkruis je zo nu een dan wel een bos, waarbij er in eentje een pittige klim op je te wachten staat. In het meer open landschap vallen de oude eiken en beuken langs de route op. Daarnaast heb je een goede kans om roofvogels zoals buizerds en wouwen in de lucht te zien.
Via deze link van Wandelgids Zuid-Limburg is er meer informatie over deze route te vinden, zoals een gpx-bestand van de route voor je smartwatch en enkele foto’s.
Een goede reden om naar de Ardennen te gaan, is de rijkdom aan (bijzondere) dieren en planten. De grote, oude bossen en het hoogteverschil zorgen ervoor dat veel dieren en planten zich er thuis voelen en de invloeden van de mens zijn er nog enigszins beperkt.
Op het gebied van zoogdieren kun je er herten en everzwijnen zien. Maar ook vossen, boommarters, wolven en zelfs lynxen zijn waar te nemen in de Ardennen. De meeste van deze dieren (vooral lynxen) ontwijken echter liever contact met mensen, waardoor je ze niet snel zult zien.
Makkelijker te spotten zijn vogels. Deze laten zich veel makkelijker zien en er zijn een aantal leuke soorten te ontdekken. Eerder noemde we al buizerds en wouwen, maar ook voor bijvoorbeeld spechten ben je aan het juiste adres. Zo heb je hier bijvoorbeeld, naast de spechten die je in Nederland tegen kunt komen, ook de grijskopspecht. Andere gave vogels die je tijdens je verblijf in de Ardennen kunt waarnemen zijn de raaf, gele kwikstaart en de waterspreeuw.
Ook voor bijzondere flora ben je in de Ardennen aan het juiste adres. Wij waren er in het voorjaar, de tijd dat de sleutelbloemen opvallen met hun gele bloemen. De bosanemonen en daslook kleurden de bodem van bossen wit en pinksterbloemen floreerde in de weilanden.
Het verblijf in de dome boomhut
Al met al kunnen we de boomhut in de Ardennen zeker aanraden. Je moet hiervoor wel goed ter been zijn en een beetje avontuurlijk in gesteld zijn. Houd er rekening mee dat het bij koude nachten in de dome boomhut nog wel koud kan worden, ondanks de maatregelen (donsdeken en elektrische heater) die de verhuurder heeft genomen. Tijdens onze nacht daalde de temperatuur tot net onder het vriespunt en werd het in de dome dus best koud. Neem dus zeker warme kleding mee als de weersvoorspellingen niet zo goed zijn.
Ben je bereid de kou te trotseren, of op een ander moment de hut te boeken, dan ben je een ervaring rijker. Via deze link (natuurhuisje.nl) kun je de boomhut boeken en een onvergetelijke ervaring in een unieke accommodate beleven.
Voor een van de bizarste organismen, moeten we het water in. In de Nederlandse wateren leven een aantal kaakloze vissen, waarvan sommige soorten al meer dan 350 miljoen jaar geleden op aarde rond zwommen. Prikken genaamd. In Nederland vinden we de beekprik, rivierprik en zeeprik. Allen voorzien van een ronde mond zonder kaken, maar met een rasptong voorzien van tandjes. In deze blog maak je kennis met deze absurde dieren, die vaak een indicator zijn van een goede waterkwaliteit.
Levende fossielen
De eerste vondsten van prikken dateren van 360 miljoen jaar gelden. Er waren dus al prikken, die veel leken op de hedendaagse soorten, voordat er dinosaurussen op deze aarde rond liepen. Prikken zijn kaakloze vissen, waarvan er tegenwoordig nog 38 soorten van over de wereld verspreid zijn. Ze behoren dus tot de kaakloze vissen en worden in de taxonomie niet samen gezien met de andere vissen. De ‘gewone’ vissen vallen namelijk onder de kaakdieren, hetgeen (kaken) wat bij de prikken dus ontbreekt.
Prikken behoren tot de kaakloze vissen en hebben zich circa 360 miljoen jaar geleden ontwikkeld (Saxifraga – Frits Bink)
Algemene kenmerken
In plaats van kaken hebben ze een ronde mond, met een rasptong voorzien van tanden. Sommige soorten gebruiken deze ronde mond om zich vast te klampen aan vissen of walvisachtigen. Ze leven dan een parasitair bestaan en voeden zich met het bloed en andere lichaamsstoffen van de gastheer. Niet-parasitaire soorten voeden zich niet tijdens hun volwassen fase. Ze leven dan op de reserves die ze opgebouwd hebben in de juveniele fase. Prikken maken gebruik van feromonen (geurstoffen) voor de onderlinge communicatie.
Er is dus een duidelijk verschil tussen juvenielen en adulten. De juvenielen bevinden zich in de sliblaag van een rivier en voeden zich daar met algen en organische deeltjes. In deze periode zijn ze blind en lijken de onderlinge soorten erg veel op elkaar. De meeste soorten zijn dan niet van elkaar te onderscheiden. Na een aantal jaren (afhankelijk van de soort) ondergaan ze een metamorfose. Ze ontwikkelen grote ogen, met daarachter een rij van zeven kieuwgaten. Deze gaten (prikken) zijn ook verantwoordelijk voor de Nederlandse benaming. In de volwassen fase vindt de voortplanting plaats, waarna de dieren sterven.
In Nederland vinden we drie soorten prikken: de beekprik, rivierprik en de zeeprik. Allen tonen ze veel gelijkenissen in uiterlijk en gedrag. Voor natuurbeheerders kan de aan- of juist afwezigheid van een priksoort een belangrijk gegeven zijn. Prikken zijn namelijk erg gevoelig voor waterverontreiniging, maar ook voor het normaliseren van beken (rechttrekken van beken) en het verwijderen van de sliblaag in watergangen. Je zou dus kunnen stellen dat wanneer het goed gaat met de prikken in een watergang, andere soorten hiervan mee profiteren. Beheermaatregelen nemen voor prikken zorgt dus voor een hogere biodiversiteit in het gebied!
Beekprik – Lampetra planeri
De beekprik is de kleinste priksoort die we in de Nederlandse watergangen vinden (Saxifraga – Jelmer Reyntjes)
De kleinste prik in Nederland is de beekprik. Beekprikken worden ongeveer twintig centimeter groot en hebben een zilverkleurig tot lichtgeel uiterlijk. Volwassen dieren zijn voorzien van twee relatief grote ogen, met daaropvolgend zeven kieuwgaten. Juvenielen zijn blind, donker gekleurd en hebben nog geen zuigbek.
Beekprikken hebben een voorkeur voor licht stromend water en er moeten grindplaatsen aanwezig zijn voor de voortplanting. Na drie tot zes jaar vindt de metamorfose plaats, waarna de volwassen dieren niet meer eten (ze zijn niet parasitair). In het voorjaar na de metamorfose vindt de paring plaats en worden de eitjes gelegd. Hierna sterven de volwassen dieren.
Verspreiding Nederland
In Nederland vinden we de beekprikken voornamelijk in de provincies Limburg en Gelderland. Ook is de soort te vinden in beken in Brabant en Overijssel, maar veel minder. De soort is in het midden van de vorige eeuw in veel beeksystemen verdwenen doordat het leefgebied werd bedreigd. Om die redenen is er voor gekozen om in 2014 in Brabant een herintroductieprogramma te starten. Er kan gesteld worden dat deze herintroductie succesvol is verlopen, want de aantallen juvenielen namen in de daaropvolgende jaren toe. Droge zomers zorgden er echter voor dat er ook slechte jaren bij zaten. Dit blijft een bedreiging voor de populatie.
Rivierprik – Lampetra fluviatilis
De rivierprik wordt in volwassen stadium 30 tot 50 centimeter groot (Saxifraga – Sytske Dijksen)
De tweede soort die we in Nederland vinden, is de rivierprik. Deze wordt een stukje groter dan de beekprik, namelijk 30 tot 50 centimeter. Net als de beekprik zijn ze zilverachtig van kleur en alleen te onderscheiden door te kijken naar de grootte. Volwassen rivierprikken hebben maximaal zeven tanden in de zuigbek. Dit zijn er een stuk minder dan hun grotere neven/nichten, de zeeprik.
Juveniele rivierprikken zijn niet te onderscheiden van juveniele beekprikken. Na vier jaar ondergaan ze een metamorfose en bereiken ze het volwassen stadium. Dan vertrekken ze, vanuit de beken waarin ze opgroeien, naar zee. Hier leven ze voornamelijk in de kustzones en in de monding van de rivier. Ze leven daar een parasitair bestaan. Met hun zuigmond klampen ze zich vast aan vissen en doorboren met hun tanden de huid van de vis. Ze voeden zich met het vrijgekomen bloed en andere lichaamssappen.
Na twee jaar (bij een leeftijd van ongeveer zes jaar) worden ze geslachtsrijp en beginnen ze aan hun tocht naar de paaiplaatsen, verder stroomopwaarts in de rivieren. Ze worden hierna toe getrokken door feromonen die de juveniele dieren uitscheiden. In de rivieren zoeken ze grindplaatsen op voor de paring. Er zijn echter ook exemplaren bekend die paren tussen grote stenen, wanneer geschikte grindplaatsen ontbreken. Na de paring sterven de volwassen dieren. Net uitgekomen juvenielen laten zich meevoeren door de stroming van de rivier. Wanneer ze voedselrijke slibbodems bereiken graven ze zich in, om zich daar de komende jaren te voeden met algen en organisch materiaal (detritus).
Verspreiding Nederland
In het verleden kwam de rivierprik talrijk voor in Nederland. Echter, door watervervuiling is de soort midden en eind vorige eeuw op veel plaatsen verdwenen. Sinds de jaren ’90 is er weer een toename in aantallen zichtbaar. Maar de beperkte migratiemogelijkheden blijven echter een serieus probleem voor de rivierprikken.
Zeeprik – Petromyzon marinus
Zeeprikken leven in volwassen fase op zee (Shutterstock)
De laatste soort prik in Nederland is de zeeprik. Zeeprikken zijn groengrijs gekleurd en hebben een marmerachitge tekening. De larven zijn, net als bij de andere soorten, blind, hebben geen zuigbek en zijn bruinachtig gekleurd. Ze zijn echter te onderscheiden van de andere soorten doordat ze pigment hebben. Volwassen dieren zijn het beste te onderscheiden door de grootte. Zeeprikken kunnen tot maximaal 110 centimeter groot worden. Daarnaast hebben volwassen exemplaren veel meer tanden dan de rivierprik (maximaal zeven) en de beekprik (geen tanden).
Net als de rivierprik is de zeeprik in volwassen stadium parasitair. Ze zuigen zich vast aan vissen, maar er zijn ook gevallen bekend van zeeprikken die zich vastgezogen hadden aan walvisachtigen. De volwassen exemplaren leven op zee. Na ongeveer zeven jaar zijn ze geslachtsrijp en trekken ze landinwaarts de rivieren op. Hier gaan ze op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Dit zijn snelstromende rivieren met grindbanken en grote stenen.
Hier starten ze met het maken van een nestkuil. Dit doen ze door met hun zuigmond stenen op te tillen en deze in een vorm bij elkaar te leggen. Vervolgens vindt de paring plaats en worden de eieren afgezet in de nestkuil. Hierna sterven de volwassen exemplaren. De net uitgekomen jongen laten zich (net zoals bij de beek- en rivierprik) meedrijven door de stroming tot een geschikte slibbodem, waar ze zich ingraven. Na vijf jaar vindt de metamorfose plaats en vertrekken ze als volwassen zeeprik naar zee.
De bizarre zuigmond met tanden van de zeeprik (Shutterstock)
Verspreiding Nederland
In het verleden kwam de zeeprik vrij algemeen voor in Nederland. Echter is de soort flink afgenomen door een verslechtering van de waterkwaliteit. Vanaf de jaren ’90 nemen de aantallen weer toe. Er worden in Nederland vooral volwassen dieren in beken waargenomen. Larven en jonge dieren worden zelden gevonden in Nederland.
De laatste tien jaar lijken de aantallen weer wat af te nemen. Een van de belangrijkste redenen hiervoor zijn migratiebarrières. Het verbeteren van bestaande en het aanleggen van nieuwe vistrappen, kan een belangrijke maatregel zijn om de aantallen weer toe te laten nemen. Deze maatregel zou ook voor de andere priksoorten voordelig kunnen zijn.
Verder lezen
Ben je na het lezen van deze blog geïnteresseerd geraakt in prikken? Je kunt meer lezen over deze kaakloze vissen op de website van RAVON. Deze organisatie doet veel onderzoek naar de prikken in Nederland en heeft de meest relevante informatie. Daarnaast raden we je aan het boek ‘Visatlas van Nederland’ van RAVON en Sportvisserij Nederland te lezen. Veel informatie die je in deze blog vindt, komt uit deze atlas, maar er staat nog veel meer in over prikken. Ook alle andere vissen in Nederland worden uitvoerig in dit boek besproken en het is met recht een standaardwerk te noemen. De Visatlas van Nederland is via deze link te bestellen bij bol.com.
Een goede manier om de natuur, vogels in het bijzonder, een handje te helpen is door het plaatsen van nestkasten. Door de toenemende verstedelijking, kunnen vogels soms lastig een geschikte broedplaats vinden. Nestkasten kunnen hier op een goedkope en efficiënte manier een oplossing voor bieden. Een erg leuke soort om naar je tuin te lokken met een (of het liefst meerdere) nestkast(en) is de spreeuw. Het is een van de meest voorkomende broedvogels in Nederland en een fantastische vogel om naar te kijken. Zeker als ze zich in het najaar in groepen verzamelen en hun prachtige show in de lucht opvoeren. Reden genoeg dus om een nestkast voor de spreeuw op te hangen.
De spreeuw is een vogel uit de familie van de spreeuwen en de orde van de zangvogels. Deze 19 tot 22 centimeter grote vogel is overwegend zwart gekleurd met een paarsgroene glans in het verenkleed. Ze hebben daarnaast een gespikkeld lichaam. Ze hebben een spitse snavel die in het broedseizoen geel is, maar verder in het jaar donker van kleur. Jonge vogels zijn bruinachtig, met een lichtgekleurde keelstreek.
Spreeuwen leven in groepen. Ze komen voor in grasvelden en tuinen, maar ook in parken in steden. Ze zijn dus breed georiënteerd, en wellicht daarom een van de meest algemene broedvogels in Nederland. Ondanks dat ze het jaarrond in Nederland te zien zijn, zijn het echte trekvogels. In de wintermaanden zijn in Nederland de individuen te zien die het broedseizoen noordelijker hebben.
Spreeuwen hebben in het broedseizoen een gele snavel. De rest van het jaar is deze donker gekleurd. Hormonen zorgen ervoor dat de snavel in het voorjaar van kleur verandert
Een opvallende vogel
Spreeuwen staan natuurlijk het meest bekend om hun ongeëvenaarde luchtshows. In het najaar verzamelen grote zwermen spreeuwen zich, nabij de slaapplaatsen. Ongeveer een uur voor zonsopgang vliegt de grote zwerm spreeuwen op en voeren een kunstzinnige dans op in de lucht. Een prachtig natuurfenomeen om waar te nemen.
Daarnaast zijn spreeuwen erg goede imitators. Deze eigenschap is bij spreeuwen niet aangeboren, maar wordt wanneer ze jong zijn aangeleerd door de ouders. Onder andere buizerds, spechten en zelfs kikkers en zoogdieren worden tot in perfectie geïmiteerd.
Voedsel en voortplanting
De belangrijkste voedselbron voor spreeuwen zijn insectenlarven. Het zijn echter eigenlijk alleseters. Naast insectenlarven eten ze ook spinnen, sprinkhanen, mieren, kevers en andere soorten insecten. Ze zijn echter het meest dol op emelten en engerlingen die in de graszoden van grasvelden zitten. Met hun spitse snavel pikken ze deze insectenlarven moeiteloos uit het gras. In de wintermaanden, wanneer er minder insecten te vinden zijn, voeden ze zichzelf ook met fruit.
Doordat spreeuwen zo graag emelten en engerlingen uit het gras plukken, worden ze gezien als natuurlijke bestrijders van deze insectenlarven op sportvelden zoals golfterreinen en voetbalvelden. Emelten en engerlingen kunnen grote schade aanbrengen aan sportvelden omdat ze de grassprieten eten en zo hele sportvelden kaal kunnen vreten. Spreeuwen bieden hiervoor dus een uitkomst. In 2016 deed de KNVB (de nationale voetbalbond) zelfs een oproep, om rondom voetbalvelden meer spreeuwen nestkasten te hangen. Bij een aantal golfterreinen was namelijk bewezen dat dit het aantal emelten en engerlingen in het gras serieus liet dalen. Daarnaast zijn spreeuwen vaak eerder aanwezig dan de kauw en zwarte kraai. Dit is gunstig voor sportveldbeheerders, omdat kraaiachtigen met hun grote snavels schade kunnen aanrichten aan het gras.
Spreeuwen zijn natuurlijke bestrijders van emelten en engerlingen op veel sportvelden
Voortplanting
Spreeuwen broeden in de periode tussen april en juni. Soms volgt er later in het jaar nog een tweede legsel. Per legsel worden er vier tot zes eieren gelegd. Ze broeden ongeveer twaalf dagen, waarna de jongen uit het ei komen. Na circa 20 dagen vliegen de jongen uit, maar ze worden daarna nog een tijdje bijgevoerd door de ouders. Het mannetje is overigens grotendeels verantwoordelijk voor de bouw van het nest.
Nestkast spreeuw
Het broeden doen spreeuwen graag met meerdere broedparen bij elkaar, ondanks dat het geen echte koloniebroeders zijn. Bomen, kieren en spleten in gebouwen en speciaal gemaakte nestkasten kunnen uitstekende broedplaatsen zijn. Ze broeden graag op hoogte. Broedplaatsen boven de zeven meter hoogte zijn niet uitzonderlijk.
Ondanks dat de spreeuw een van de meest algemene broedvogels in Nederland is, gaan de aantallen de laatste jaren hard achteruit. De intensivering van de landbouw, wat het bodemleven ernstig aantast (en daarmee het voedsel van de spreeuw), is daarvoor de belangrijkste reden. Daarnaast kunnen spreeuwen lastiger geschikte nestlocaties vinden in verstedelijkt gebied. Het plaatsen van nestkasten is daardoor een effectieve maatregel in de bescherming van de spreeuw.
Het gaat niet zo goed met de spreeuwen in Nederland. Sinds de jaren ’70 nemen de aantallen al af (De Natuur van hier)
Bouwtekening nestkast spreeuw
De nestkast, en de plaatsing daarvan, moet wel aan een aantal eisen voldoen voordat deze geschikt is. Op onderstaande afbeelding is een bouwtekening zichtbaar voor het maken van een nestkast voor spreeuwen. Hierop staan alle afmetingen, invliegopening en een zaagschema om de nestkast te kunnen maken. Wanneer je de nestkast klaar hebt, kun je deze het beste zo hoog mogelijk, maar minstens 2,5 meter hoog ophangen. Plaats de nestkast op een stevige plek, tegen een grote oude boom of een gevel. Hang wanneer mogelijk twee of drie nestkasten bij elkaar. Zorg dat de invliegopening naar het noorden of oosten gericht is en dat deze vrij toegankelijk is.
Bouwtekening nestkast spreeuw(De natuur van hier)
Wij raden aan om als houtsoort beuken-, lariks- of eikenhout, van 15mm dik te gebruiken. Dit is hardhout wat erg duurzaam is en wat lokaal geproduceerd wordt. Let bij het kopen ook op het FSC-keurmerk. Watervast multiplex kan ook gebruikt worden. Onderaan de tekening staat een zaagschema. Als je hout haalt bij de bouwmarkt kan het zijn dat ze een zaagafdeling hebben. Hier kun je soms kosteloos je hout al in de juiste maten laten zagen. Neem je tekening dus mee als je naar de bouwmarkt, het scheelt je wellicht wat zaagwerk!
Gebruik RVS schroeven om het hout mee vast te schroeven. RVS is beter bestand tegen roesten dan verzinkte schroeven, dus beter geschikt om buiten te gebruiken. Bij de bouwmarkt kun je hout en schroeven halen voor je nestkast. Als je nog hout overhoudt, gooi dit dan niet weg! Dit kun je in de toekomst gebruiken om een andere nestkast te maken.
Heb je geen zin om zelf te klussen, maar koop je liever een kant-en-klare kast? Dat kan via deze link (Vivara Natuurproducten). Deze nest is gemaakt van houtbeton en daardoor erg duurzaam. Het heeft daarnaast een isolerende werking, dus zorgt voor een ideaal klimaat in de nestkast.
Nestcamera
Wil je van dichtbij meemaken hoe en wanneer de nestkast gebruikt wordt? Dan kun je een camera in de nestkast plaatsen om alles live te volgen. Wij gebruiken de camera’s van Green Backyard. Deze geeft je eenvoudig via een app live toegang tot de camera. Daarnaast ontvang je een melding wanneer er beweging is in de nestkast en kun je video’s downloaden en opslaan. Ze hebben verschillende types camera’s, wij gebruiken de Longe Range Camera, deze heeft een bereik tot 180 meter! Op onderstaande video zie je een groepje spreeuwen die een torenvalk nestkast onderzoeken (gefilmd met de Longe Range Camera).
Spreeuwen onderzoeken een torenvalk nestkast (De Natuur van hier)
Zorg ervoor dat je nest stevig en hoog in een boom of aan een gevel hangt, het liefst twee of drie bij elkaar. De invliegopening moet vrij zijn en in de omgeving moet een grasveld aanwezig zijn waar ze insectenlarven kunnen vinden.
Hoe maak ik een nestkast voor een spreeuw?
Een nestkast voor een spreeuw maak je het beste van beuken- of eikenhout. De nestkast moet 25x22x30 centimeter groot zijn, met een invliegopening van 4,5 centimeter (diameter). Maak gebruik van bovenstaande bouwtekening, inclusief zaagschema.
Elk jaar vertrekken miljoenen vogels uit Nederland richting Zuid-Europa of Afrika. Andere soorten trekken juist vanuit Scandinavië of het poolgebied naar ons land. Deze indrukwekkende verplaatsingen noemen we de vogeltrek.
Maar waarom nemen vogels het risico van zo’n lange reis? En welke soorten kun je in Nederland zien tijdens de trek?
Hieronder vind je een selectie van 10 trekvogels met bijzondere trekstrategieën. Dit is geen complete Nederlandse lijst, maar soorten met opvallende trekpatronen of ecologische bijzonderheden.
Trekvogels zijn vogelsoorten die jaarlijks grote afstanden afleggen tussen hun broedgebied en hun overwinteringsgebied. Meestal trekken ze in het najaar naar warmere streken, waar meer voedsel te vinden is. In het voorjaar keren ze terug om hier te broeden.
Niet alle trekvogels leggen dezelfde afstand af. Er zijn:
Langeafstandstrekkers, zoals de Noordse stern, die duizenden kilometers afleggen.
Korteafstandstrekkers, die slechts naar Zuid-Europa trekken.
Deeltrekkers, waarbij een deel van de populatie blijft en een ander deel vertrekt.
Sommige soorten trekken overdag, andere juist ’s nachts. Ze navigeren onder meer op basis van de zon, sterren, het aardmagnetisch veld en herkenningspunten in het landschap.
Waarom trekken vogels?
De belangrijkste reden is voedsel. In de winter zijn insecten, amfibieën en kleine zoogdieren schaars in landen zoals Nederland. Door naar het zuiden te trekken, vergroten vogels hun overlevingskansen. Zodra het voorjaar aanbreekt en het voedselaanbod weer toeneemt, keren ze terug naar hun broedgebieden.
Het terugkeren naar hun broedgebieden doen vogels om meerdere redenen:
De dagen langer worden
Er meer voedsel beschikbaar is voor jongen
Concurrentie in overwinteringsgebieden toeneemt
De lente in Nederland is daardoor één groot spektakel van terugkerende trekvogels.
Vogels trekken in het najaar naar het zuiden, om daar meer voedsel te vinden
1. Ooievaar – Ciconia ciconia
De ooievaar is misschien wel de bekendste trekvogel van Nederland. In de jaren ’70 was deze grote, zwart-witte vogel bijna uitgestorven, maar dankzij beschermings- en herintroductieprogramma’s broedt hij weer volop in ons land.
Wat deze soort bijzonder maakt, is dat hij een deeltrekker is. Een aantal van de ooievaars trekt en het andere deel blijft. Ongeveer 20% blijft in Nederland overwinteren, terwijl de rest naar Spanje of West-Afrika trekt. Andere vogels in Nederland die we kunnen bestempelen als deeltrekkers zijn roodborstjes, blauwe reigers en roerdompen. Deeltrekkers worden ook wel eens genoemd als twijfelaars.
Onderstaande foto hebben we gemaakt in onze achtertuin. Een grote groep ooievaars trok over tijdens de trek, gebruik makend van de thermiek.
Ongeveer 1/5e van de ooievaars blijft in Nederland. De rest trekt in het najaar naar het zuiden (De Natuur van hier)
2. Grutto – Limosa limosa
De grutto is onze nationale vogel én een icoon van het Nederlandse weidelandschap. Maar liefst 85% van de West-Europese populatie broedt in Nederland! Maar het gaat niet goed met de soort. Door voedselgebrek en verdroging in de (intensieve) landbouw nemen de aantallen af, met ongeveer 4% per jaar. Kuikens kunnen in het veranderde landschap weinig insecten vinden. Dit voedsel hebben ze nodig om op te groeien en om zich voor te bereiden op de jaarlijkse trek.
In augustus vertrekken grutto’s richting Zuid-West Europa en West-Afrika. Ze vliegen soms op hoogtes van 5 tot 6 kilometer. In februari keren ze terug, om hier te beginnen aan hun broedseizoen.
Het gaat al jaren niet zo goed met de grutto in Nederland. Het aantal broedvogels neemt jaarlijks met zo’n 4% af
3. Grote pijlstormvogel – Ardenna gravis
Nummer drie is een bijzondere zeevogel die juist naar het noorden trekt. Hij broedt in grote kolonies op een aantal eilanden in de Zuidelijke Atlantische Oceaan en trekt van het zuidelijke naar het noordelijke halfrond, naar onder andere Canada. De trek van deze stormvogel bestaat uit meer dan 7000 kilometer!
Tijdens hun terugtocht naar het broedgebied, vliegen ze ook over de Noordzee. Hier wordt hij soms waargenomen. Er zijn in Nederland slechts enkele waarnemingen van grote pijlstormvogels bekend.
De grote pijlstormvogel trekt als een van de weinige soorten naar het noorden, in plaats van het zuiden
4. Noordse stern – Sterna paradisaea
De absolute kampioen onder de trekvogels. Hierboven kon je al lezen dat de grote pijlstormvogel een afstand aflegt van 7000 kilometer. Deze soort legt jaarlijks maar liefst tot 40.000 kilometer af tussen het noordelijk en zuidelijk halfrond. Ze broeden in kolonies op het noordelijk halfrond, in landen als IJsland, Schotland en ook Nederland. Nederland is wel het meest zuidelijke deel van het broedgebied, waardoor de aantallen jaarlijks schommelen.
Na de broedtijd begint de grote trektocht. Ze vliegen de Atlantische Oceaan over naar het zuidelijk halfrond, een tocht van zo’n 15.000 tot 20.000 kilometer. Voor het nieuwe broedseizoen aanbreekt, trekken ze dezelfde kilometers weer terug.
Een Nederlandse Noordse stern vestigde zelfs een record van 90.000 kilometer in één jaar. Dit is meer dan twee keer de aarde rond, in één jaar tijd!
Noordse sternen zijn de koningen van de trek. De afstand tussen het broed- en overwinteringsgebied bedraagt zo’n 20.000 kilometer
5. Gierzwaluw – Apus apus
De gierzwaluw brengt bijna zijn hele leven vliegend door. Hij slaapt, eet en paart in de lucht. Ook deze vogel is een lange afstandstrekker. In augustus verlaat hij Nederland en vliegt tot in Centraal-Afrika. Hier wordt overwinterd, in een gebied tussen Mali en Congo.
Eind april/mei keren ze terug naar Nederland. Na een reis van ongeveer 6000 kilometer beginnen ze weer met broeden in Nederland. Gierzwaluwen keren altijd terug naar hun eerdere broedlocatie en vormen samen vaak een koppel voor het leven.
De gierzwaluw is bijna constant vliegend in de lucht en gaat bijna nooit zitten (Saxifraga – Luc Hoogenstein)
6. Koekoek – Cuculus canorus
De koekoek staat bekend als broedparasiet. Een vorm van symbiose, die we alleen zien bij insecten en vogels. Ze leggen hun eieren in het nest bij een andere vogelsoort, en laten de jongen door deze vogels opvoeden. De eieren van de koekoek zijn zelfs qua uiterlijk evolutionair aangepast op de eieren van de pleegouders, zodat zij niets in de gaten hebben. Het koekoekjong stoot de andere kuikens vervolgens uit het nest en wordt grootgebracht door de pleegouders.
De ouders trekken vaak na de eileg in juni/juli al terug naar Afrika. De jongen volgen pas in het najaar. In april keren de vogels weer terug naar de broedgebieden. Koekoeken trekken over het algemeen ’s nachts en kunnen dan tot 50 kilometer per dag afleggen.
Volwassen exemplaren van de koekoek vertrekken vaak al meteen na de eileg terug naar Afrika
7. Goudhaan – Regulus regulus
Met slechts 8,5 cm grootte en met een gewicht van nog geen 5 gram is dit de kleinste vogel van Europa. Toch trekt hij honderden kilometers naar Zuid-Europa. In Nederland is de goudhaan een broedvogel in voornamelijk sparrenbossen. Ze zijn vaak lastig te zien, omdat ze veel in de boomtoppen zitten. In het najaar, tijdens de trek, zijn ze beter te zien.
De goudhaan trekt ’s nachts en begint in september aan de trek. Rond maart-april keren ze weer terug naar hun broedgebied. In het najaar zijn er veel goudhaantjes te vinden op de Waddeneilanden, die vanuit de Scandinavische landen naar het zuiden trekken.
De goudhaan is met zijn gewicht van circa vijf gram de kleinste vogel van Europa
8. Kraanvogel – Grus grus
Sinds 2001 broedt de kraanvogel weer in Nederland, na jaren van afwezigheid, net zoals we bespraken bij de ooievaars. Tijdens de trek vliegen ze in kenmerkende V-formatie. Kraanvogels zijn een van de grootste vogels van Europa. Hun kenmerkende, trompetterende roep is al van grote afstand hoorbaar. Als je deze roep eenmaal hebt gehoord, zal die je altijd bijblijven.
Eind februari/begin maart keren de vogels terug uit hun overwinteringsgebied in Zuid-Europa en noordelijk Afrika. In oktober maken ze de trek weer andersom en zoeken ze warmere oorden op. Vanwege de zachtere winters door klimaatverandering zie je echter dat de overwinteringsgebieden aan het verschuiven zijn: steeds meer kraanvogels blijven in de winter in Frankrijk en Duitsland en soms zelfs in Nederland.
Kraanvogels trekken in grote groepen vanuit Zuid-Europa en Noord-Afrika eind februari weer terug naar hun broedgebied
9. Roofvogels
Wat veel mensen niet weten, is dat veel roofvogels ook in het najaar naar het zuiden trekken. Ze zoeken in de winter de gematigde gebieden op, om dezelfde redenen als andere vogels dit doen. Roofvogels trekken overdag, want ze maken gebruik van de thermiek. Dit zijn een soort warme luchtbellen in de lucht, waarop hij kan blijven zweven. Dit kost minder energie.
De trekstrategieën lopen onder trekkende roofvogels nogal uiteen. Sommige soorten, zoals valken, trekken over het algemeen alleen. Andere soorten, arenden bijvoorbeeld, verzamelen zich en trekken in groepen.
De zwarte wouw is een van de eerste roofvogels die naar het overwinteringsgebied trekt
10. Zangvogels
Veel kleine zangvogels trekken ’s nachts om predatie te vermijden. Ze verzamelen zich vaak in grote groepen om aan de trek te beginnen. Zo kun je in het najaar honderdduizenden sijzen, vinken, spreeuwen, leeuwerikken en graspiepers tegelijk te zien.
Ook sommige tuinvogels, zoals roodborstjes, merels en heggenmussen blijven niet altijd in Nederland. Van de meeste soorten overwinteren exemplaren hier, maar trekken er ook een aantal naar andere oorden, om in het voorjaar weer terug te keren. Het roodborstje die je bijvoorbeeld in de winter in je tuin ziet, is een ander exemplaar dan die je later in het voorjaar ziet. In de winter trekken vogels vanuit Scandinavië naar Nederland en ‘onze’ vogels nog zuidelijker. In het voorjaar gebeurt dat weer andersom.
Een ander voorbeeld zijn merels. De meeste merels zijn standvogels, maar er zijn er ook die naar Spanje en Portugal trekken. Dit gebeurt ’s nachts. Onder de kleine zangvogels is het gebruikelijk om ’s nachts te trekken. Hierdoor wordt de kans dat ze ten prooi vallen een stuk kleiner. Hoe de kleine vogels zich ’s nachts weten te oriënteren, is nog een groot raadsel.
Roodborstjes trekken in het najaar naar het zuiden. De roodborstjes die we dan in Nederland zien, zijn broedvogels uit bijvoorbeeld Scandinavië
Zelf trekvogels spotten in Nederland
Wil je zelf trekvogels zien? Na deze lijst van tien bijzondere trekvogels ben je vast enthousiast geraakt om zelf trekvogels te gaan spotten. Daar hebben we nog enkele tips voor.
De beste perioden om trekvogels te zien, zijn:
Voorjaar: maart – april (van zuid naar noord)
Najaar: september – oktober (van noord naar zuid)
De beste momenten om op zoek te gaan naar trekvogels, is tegen de avond. De zon schijnt dan minder fel en dagtrekkers landen om een rustplaats te vinden. Bij schemering kun je ook betere foto’s maken met fijner licht.
Nederland ligt op de route van een aantal migratieroutes van veel trekvogels. De locaties waar je de meeste kans hebt op trekvogels:
Kustgebieden
Waddeneilanden
Met name Texel
Ga op iemand met iemand anders! Doordat je samen op pad gaat, kun je van elkaar leren en twee paar ogen zien meer dan één.
Een goede verrekijker is essentieel tijdens de trek. Een populair instapmodel is de Stern II 10×42verrekijker van de Vogelbescherming, vanwege de compacte bouw en heldere beeldkwaliteit. We zijn zelf ook met dit model begonnen. Dit is een van de meest gekozen verrekijkers van Nederland.
Een ander fijn model om mee te beginnen of om een stapje hoger te gaan dan bovenstaand model, is de Buizerd II 10×42 van de Vogelbescherming.
Wat eigenlijk onmisbaar is om trekvogels te spotten, is een telescoop. Helemaal als je wil proberen om trekvogels over zee en langs de kust te zien. Een fijn model is bijvoorbeeld de Havik 65 met statief Grutto van de Vogelbescherming.
Boekentip
Wil je je verder verdiepen in trekvogels, dan is het Handboek trekvogels van Stanislas Wroza wellicht iets voor je. In dit boek worden ruim 450 soorten trekvogels besproken. Er wordt vooral aandacht besteed aan de geluiden die worden gemaakt, waardoor je sneller en meer trekvogels kunt herkennen. Ook wordt er verder ingegaan op opnameapparatuur die je zou kunnen gebruiken om trekvogels waar te nemen. Een niet te missen boek dus voor de echte trekvogelaar!
Veelgestelde vragen over trekvogels
Welke trekvogels zie je in Nederland?
Nederland ligt op de route van vele verschillende trekvogels. Van grote vogels zoals ooievaars en kraanvogels tot kleine zangvogeltjes en van roofvogels tot zeldzamere zeevogels.
Wanneer trekken de meeste vogels?
De najaarstrek piekt in september en oktober. De voorjaarstrek piekt in maart en april. Het hangt van de soort af wanneer ze precies vertrekken en weer aankomen. Ook hangt het van de soort af of ze ’s nachts of overdag trekken.
Waarom trekken vogels ’s nachts?
Vogels trekken vaak ’s nachts om roofdieren te vermijden en om energie te besparen. ’s Nachts is de lucht koeler en rustiger, wat beter is voor de vlucht. Hoe warmer de lucht, hoe meer inspanning. Overdag wordt gebruikt om voedsel te zoeken en te rusten. Daarnaast worden de maan en sterren gebruikt als navigatie.
Lange tijd waren ze een zeldzaamheid in Nederland, maar er komen steeds meer arenden voor in Nederland. Deze gigantische vogels kennen de meeste van ons van vakanties in Frankrijk of Italië in de Alpen, of van de moerasgebieden in Oost-Europa. Maar tegenwoordig hoef je niet meer zo ver te gaan. Het gaat goed met de arenden in Nederland. Zo goed zelfs dat er van sommige soorten al meerdere broedparen in Nederland bekend zijn. In deel V van de blogserie roofvogels in Nederland geven we een overzicht van alle arenden in Nederland!
Arenden zijn grote vogels die van weinig andere wat te dulden hebben. Ze zijn groot van formaat, hebben een grote haaksnavel en krachtige poten met scherpe klauwen, welke ze gebruiken om hun prooien te pakken. Ze hebben daarnaast sterk ontwikkelde ogen, om van grote hoogte te speuren naar prooien op het land of in het water.
Arenden zijn goed te herkennen aan hun grootte in de lucht. Weinig andere (roof)vogels in Nederland zijn hiermee te vergelijken (Saxifraga – Hans Dekker)
Mannetjes en vrouwtjes lijken veel op elkaar, al zijn de vrouwtjes in de meeste gevallen groter. Jonge exemplaren doen er enkele jaren over om het volwassen verenkleed te ontwikkelen. Jonge dieren zijn op basis hiervan dan ook makkelijk te identificeren.
Alle arenden in Nederland behoren tot de orde Accipitriformes. Tot deze orde van vogels behoren onder andere ook de gieren. Bijna alle arenden worden onderverdeeld in de familie havikachtigen. Echter de visarenden behoren tot een eigen familie. Belangrijkste kenmerken waarom ze tot een aparte familie behoren zijn de poten en de tenen. Deze zijn meer aangepast op het vangen van vis.
Taxonomische indeling van de arenden in Nederland. Er is gekozen om alleen de drie meestvoorkomende soorten hierin op te nemen, en de dwaalgasten buiten beschouwing te laten. (De natuur van hier)
De zeearend kwam vroeger talrijk voor in Nederland, maar was in de laatste decennia verdwenen uit Nederland (hoofdzakelijk door landbouwgif), net zoals op veel andere plekken in Europa. In de jaren ’90 was er het plan om de vogels weer terug uit te zetten in Nederland, maar dit plan is uiteindelijk niet doorgegaan. Niet veel later kwam de zeearend op eigen houtje, en sindsdien nemen de aantallen gestaag toe.
De zeearend is teruggekeerd als wintergast, maar sinds 2006 broedt de vogel weer in Nederland. Inmiddels is het aantal broedparen opgelopen tot meer dan 20. Er zijn zo’n 100 tot 150 exemplaren die overwinteren in Nederland. Het gaat dus goed met de zeearend. Dit komt onder andere doordat ze vrij dicht op elkaar kunnen broeden, mits er voldoende voedsel in het gebied te vinden is.
Volwassen zeearenden hebben een witte staart (Shutterstock)
Kenmerken
Met een lengte van 75 tot 95 centimeter en een spanwijdte van 2 tot 2,5 meter is de Europese zeearend de grootste roofvogel in Europa. In vlucht hebben ze opvallend diep gevingerde vleugels. Ze hebben een bruin gekleurd verenkleed met een witte staart (naast Europese zeearend worden ze ook witstaartzeearend genoemd). Ze hebben daarnaast krachtige, gele poten en een grote gele haaksnavel. Bij jonge dieren is de snavel meer zwart en moet de witte staart zich nog ontwikkelen. Daarnaast hebben ze donkere ogen, die als ze volwassen zijn geel worden. Jonge exemplaren zijn daardoor makkelijk te determineren.
Echte alleseters
Het menu van de zeearend is zeer gevarieerd. Ze jagen onder andere op aan het oppervlakte zwemmende vis. Deze worden met de grote, scherpe klauwen uit het water gevist. Naast vissen eten ze ook watervogels zoals meerkoeten, meeuwen en zelfs grauwe ganzen. Op het land jagen ze op hazen, otters en soms zelfs vossen. In de winter zijn het ook aaseters. Het zijn dus erg opportunistische dieren, wat hun terugkeer deels verklaart.
Zeearenden zoeken in hun leven een partner en blijven daar de rest van hun leven bij. Ze zijn monogaam dus. Ze hebben vaak meerdere nesten (twee tot drie), en kiezen ieder jaar het meest geschikte nest. De arenden blijven deze nesten uitbouwen, totdat de boom omvalt waarin het nest zich begeeft. Via Beleef de lente is ieder jaar een paartje zeearenden te volgen.
Uitgestrekte moerasgebieden met voldoende bomen is waar de zeearend zich thuis voelt. In Nederland zijn dit plekken zoals het Lauwersmeergebied in Friesland, de Oostvaardersplassen in Flevoland en de Biesbosch in Zuid-Holland en Noord-Brabant.
Sinds 2016 kennen we nog een andere arend die hier broedt, de visarend. Als doortrekker is het een vrij algemene soort (100-150 exemplaren) in de periodes augustus-september en april in ons land. Maar dat de visarend hier nu broedt is natuurlijk een mooi compliment naar het beter wordende natuurbeheer in Nederland. Het eerste broedpaartje in 2016 werd gevonden in de Biesbosch. Momenteel zijn er minstens zes broedparen in Nederland.
Sinds 2016 is de visarend een broedvogel in Nederland. Inmiddels is het aantal broedparen opgelopen tot ten minste zes paren.
Een vreemde eend in de bijt
De visarend is een vreemde eend in de bijt, taxonomisch gezien. Zoals eerder benoemd behoort hij niet tot de familie havikachtigen waar alle andere arenden onder vallen, maar is het een aparte familie genaamd visarenden. Dit heeft dus te maken met de poten. Alle tenen van de visarend zijn even lang. Daarnaast wijzen bij andere arenden drie tenen naar voren en één naar achteren. Bij de visarend kunnen deze zowel naar voren als naar achteren wijzen. Bij de jacht op vissen worden twee tenen naar voren gericht en twee naar achteren, zodat de vis als een soort grijper gegrepen kan worden.
Voor een arendachtige, is de visarend vrij klein. Met een lichaamslengte van circa 55 centimeter en een spanwijdte van 150 tot 170 centimeter, is deze een stuk kleiner dan de Europese zeearend. In vlucht zijn ze goed te herkennen aan de overwegend witte onderkant, met donkere accenten en de geknikte vleugels (wat andere arenden niet hebben). De bovenkant is donkerbruin van kleur.
Waterrijke gebieden
Waterrijke gebieden zijn essentieel voor de visarend. Zoals de naam al doet vermoeden eet de visarend vis, uitsluitend vis. Ze leven dan ook in beboste gebieden met een hoge waterstand, zoals meren, plassen en rivieren. Ze hangen dan vaak biddend boven het water om vis te lokaliseren. Als ze een vis gezien hebben, duiken ze het water in om de vis te grijpen. Ze kunnen bij deze actie volledig kopje onder gaan. Ze vangen meestal vissen van ongeveer 200-300 gram, maar kunnen vissen tot wel 2 kilo uit het water halen!
Visarenden maken dankbaar gebruik van volwassen bomen die aan of in het water staan (Saxifraga – Mark Zekhuis)
Bomen aan de rand van het water worden gebruikt als uitkijk- en rustplek. Daarnaast worden er nesten in gemaakt. Ze maken een groot nest boven in de boom. Na ongeveer 50 dagen vliegen de jongen uit, waarna ze nog één à twee maanden blijven terugkeren. Via Beleef de lente is vaak een broedend paar te volgen.
In april komen de visarenden vanuit Afrika naar Europa en in de maanden augustus en september keren ze weer terug. In deze periodes zijn visarenden geregeld waar te nemen in Nederland. Alle waterrijke gebieden in Nederland zijn dan kansrijk om een visarend te zien. Gebieden als de Biesbosch, de Delta en het IJselmeergebied zijn bij uitstek goede gebieden.
Slangenarend (Circaetus gallicus)
Tegenwoordig heb je in Nederland ook steeds meer kans om een slangenarend te zien. De soort broedt hier niet zoals de zeearend en de visarend, maar is wel steeds vaker te zien als zomergast. Er zijn jaarlijks één of meerdere exemplaren die van hun terugreis van Afrika naar Zuid-Europa iets te ver doorvliegen en in Nederland belanden. Vaak blijven deze dieren, totdat ze aan het einde van de zomer weer terugvliegen naar Afrika, in ons land.
De slangenarend is inmiddels een vaste zomergast in ons land (Saxifraga – Jan van der Straaten)
De slangenarend wordt ongeveer 60-70 centimeter groot, ongeveer 1,5 keer zo groot als een buizerd. De spanwijdte bedraagt 160-170 centimeter. Op de bovenzijde is de arend bruin gekleurd en hebben ze een overwegend witte onderzijde, met donkere stippen in lijnvorm. Volwassen exemplaren hebben meestal een donkere kop, ook wel bivakmuts genoemd. Ze hebben grote gele ogen, wat ze enigszins op uilen doet lijken.
Slangen
Zoals de naam al doet vermoeden bestaat het meeste voedsel uit slangen, ongeveer 70% van het totale menu. Verder eten ze ook andere reptielen, amfibieën, vogels en soms kleine zoogdieren. Dit doen ze door hoog in de lucht te bidden en met hun uitstekend ontwikkelde ogen op de grond te speuren naar deze prooien.
Slangenarenden zijn van de onderkant overwegend wit, met donkere stippen die in een lijn over het lichaam en de vleugels lopen (Saxifraga – Martin Mollet)
In Nederland vinden we de soort vaak op heidegebieden en in halfopen bossen. Goede voorbeelden waar de afgelopen jaren slangenarenden zijn gezien zijn de Strabrechtse heide, het Fochteloërveen en de Veluwe. Door het hele land in de zomer te zien dus. In gebieden waar geen slangen zijn, weten deze dieren zich te voeden met kikkers, padden en konijnen. Aangezien roofvogels opportunisten zijn, is het niet uit te sluiten dat de soort hier ooit nog gaat broeden. Dit hadden immers de meeste mensen in eerste instantie ook niet gedacht van de zeearend en de visarend.
Dwaalgasten
Dan zijn er nog een aantal soorten die hier soms worden gezien, die een verkeerde afslag hebben genomen: de dwaalgasten. Hiervan worden slechts losse waarnemingen gedaan, die meestal ook weer binnen een paar dagen, of maximaal een paar weken, zijn vertrokken.
Het gaat goed met de steenarenden in West-Europa, bijvoorbeeld in landen zoals Schotland en Denemarken
Een van die dwaalgasten is de steenarend. De steenarend is in Nederland een zeer zeldzame soort, die gemiddeld maar één keer in de vier jaar gezien wordt, meestal in de wintermaanden. Het gaat echter goed met de steenarend in Europa, bijvoorbeeld in landen zoals Denemarken en Schotland. De kans dat we vaker (meestal jonge) steenarenden in Nederland gaan zien, is dan ook aannemelijk.
Dan is er nog een arendsoort die dicht tegen de Nederlandse grens broedt (Noord-Oost Duitsland), maar desondanks weinig gezien wordt in ons land. De schreeuwarend dankt zijn naam aan het geluid dat hij maakt en wordt meestal in Nederland gezien in de zomer en herfst.
Andere zeer zeldzame dwaalgasten in Nederland zijn de bastaardarend, die meer oostelijk in Europa voorkomt en de dwergarend, waarvan een paartje ooit in Duitsland gebroed heeft. Daarnaast wordt de havikarend heel soms waargenomen, die broedt in Zuid-Europa en de keizerarend, die zich normaliter meer zuidelijker en oostelijker bevindt. Als laatste kunnen we nog de steppearend benoemen, waarvan maar slechts zes gevalideerde waarnemingen bekend zijn.
Zullen we in de toekomst meer arenden in de lucht boven ons land zien?
Tot slot
Nederland doet het goed onder de arenden. Wie had dertig jaar geleden kunnen bedenken dat twee grote arenden zich zo thuis zouden voelen in Nederland en dat ze zelfs hier zouden gaan broeden. En dat de slangenarend, een echte soort uit het Middellandse zee gebied, zich met steeds meer exemplaren iedere zomer in Nederland huisvest? De vraag is dan ook hoe dit verder gaat en welke arenden we in de toekomst nog meer mogen verwelkomen.
De serie Roofvogels in Nederland
In totaal zijn er zes delen nodig om de orde Accipitriformes te bespreken. De valken, de orde Falconiformes, worden in een apart deel besproken. De uilen zijn al een keer in een driedelige blog besproken. Via onderstaand overzicht kom je bij de verschillende soorten terecht.
Ongeveer gelijktijdig met de start van deze website hebben we een huis kunnen kopen met ongeveer 3500 m2 grond erbij. Ons doel is deze 35 are de komende jaren om te turnen naar een natuurtuin waarbij er ruimte is voor allerlei wilde vogels en andere dieren. De voortgang hiervan houden we bij en delen we in een terugkerende blog met jullie. In deze blog lees je wat er te beleven valt in de tuin in de winter, wat we de afgelopen drie maanden hebben gedaan en wat we verwachten voor het aanstaande voorjaar.
05 maart, 2023
In de vorige blog, die we drie maanden geleden schreven, heb je kunnen lezen dat we flink wat hebben aangeplant. Een gemengde haag, een struweel en veel losse heesters en bomen moeten dit jaar voor veel groen in de tuin gaan zorgen. Nu, aan het einde van de winter, gaan we kijken wat de tuin in ruste nog heeft gedaan en wat ons te wachten staat voor het groeiseizoen dat voor de deur staat.
Winter, maar toch leven te ontdekken
Ondanks dat het winter is en de meeste planten geen blad hebben, zie je dat het struweel en de overige beplanting, die we pas recentelijk aangeplant hebben, al volop gebruikt worden door kleine zangvogels. Ze vliegen van stammetje naar stammetje, druk zoekend naar voedsel. Twee pimpelmezen zijn duidelijk al bezig met het voorjaar. Er is constant een interactie tussen de twee vogels zichtbaar, en ze lijken elkaar gevonden te hebben. Wellicht dat ze eind maart een van onze nestkastjes opzoeken.
Pimpelmezen zijn sinds dag één een vaste bezoeker in onze tuin
De natuurtuin wordt volop bezocht door leuke soorten. Op een vroege ochtend kwam ik buiten en zag ik dat onze notenboom dienst deed als slaapplek voor een mannetjesfazant. Fazanten zoeken in de avond een boom op voor de roest (slaap), waar ze veilig zitten voor vossen die ’s nachts op pad zijn.
Maar goed dat de fazant voor zijn slaap een boom op zoekt, want in februari hebben we een vos achter in de tuin waargenomen met onze wildcamera. Net voor middernacht doorkruist de vos onze tuin. Het is tot nog toe bij deze waarneming gebleven.
Een vos vastgelegd met de wildcamera (De natuur van hier)
Bijzondere bezoekers
In januari hoorden we plotseling een knal tegen het raam aan in de woonkamer. Toen we uit het raam keken, zagen we een sperwer bedeesd om zich heen kijken, en maakte haast om in de dichtstbijzijnde boom beschutting te zoeken. Even zat hij met prooi in de boom, waarna hij naar het struweel in het aangrenzende weiland vloog.
In februari zagen we op een zonnige dag, tegen de schemering aan, tot onze verbazing op zo’n 80 meter afstand een hertachtige staan. We dachten een paar weken eerder een zestal reeën gezien te hebben, op een wat grotere afstand, dus we gingen er vanuit dat dit ook een ree was. Toen we hem wat langer bekeken zagen we dat het geen ree betrof, maar een damhert. Damherten zijn door de Romeinen in ons land geherintroduceerd en zijn wat groter dan een ree, maar kleiner dan een edelhert. Opmerkelijk, omdat de omgeving niet per definitie erg bosrijk is.
Het damhert naderde onze tuin tot op zo’n 80 meter (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
Maatregelen
Na de grote aanplant die we in oktober/november hebben gedaan, hebben we deze maanden in de tuin vrij weinig gedaan. We hadden binnenshuis onze prioriteiten liggen, waardoor we geen tijd hadden om in de tuin nog grote dingen aan te pakken. We hebben echter wel een paar kleine aanpassingen gedaan.
Allereerst hebben we een vleermuizenkast gekocht, en deze zo hoog mogelijk tegen de gevel geplaatst. Omdat we eerder in het jaar een paar keer een egel hebben waargenomen, hebben we ook een egelmand geplaatst. Het nieuw aangeplante struweel leek ons hiervoor een goede plek. Deze bevindt zich achter in de tuin, waardoor de egel zo min mogelijk wordt gestoord en de heesters zullen daarnaast ervoor zorgen dat de egel ook om het huis heen bescherming vindt.
Om de mand waterdicht te maken, hebben we hier eerst een laag plastic overheen gemaakt. Deze plastic hebben we afgedekt met bladeren en ten slotte takken om alles op zijn plek te houden en het een natuurlijke uitstraling te geven. Dit geheel zorgt ervoor dat het egelhuis wind- en waterdicht is.
In het struweel hebben we een egelmand geplaatst. De mand hebben we afgedekt met plastic, bladeren en takken om deze wind- en waterdicht te maken (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
Ten slotte hebben we nog een nestkast voor kauwen gemaakt en geplaatst. Dit is een erg grote kast, met een invliegopening van maar liefst 12 centimeter in doorsnee. De nestkast hebben we op circa drie meter hoogte, stevig opgehangen in één van de twee notenbomen. Hopelijk zal deze kast in de toekomst bezocht worden door een paartje kauwen, zodat we deze bijzondere vogels van dichtbij kunnen volgen!
Een nestkast voor een kauw moet groot en stevig zijn, met een grote invliegopening (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
Resultaten en planning
Ondanks dat het winter is, bijna alles in rust is en we weinig maatregelen hebben getroffen, hebben we toch weer een aantal nieuwe soorten weten waar te nemen. In totaal staat de teller nu op 127 soorten, waarvan er 116 in de tuin en 11 rondom de tuin. Dit zijn er 20 meer dan in de vorige blog. Veruit de meeste soorten die we hebben waargenomen zijn planten en vogels. Onderaan deze blog staat het gebruikelijke soortenoverzicht.
Het winterkoninkje heeft zich deze winter veelvuldig laten zien (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
Helaas hebben we door tijdsgebrek afgelopen kwartaal niet meer kunnen doen. We zijn voornemens het komende kwartaal wel wat tijd vrij te maken om nog enkele aanpassingen te doen in onze natuurtuin. Een van de dingen die we als eerste willen creëren is een kleine poel. Het aanleggen van een poel is een must voor iedere tuin en zorgt voor een snelle toename van biodiversiteit in je tuin. Deze poel willen we verder aankleden met wat kruidachtige planten en dood hout.
Daarnaast willen we een takkenwal in de tuin aanbrengen. Wanneer er tijd is zullen we hier ook al een begin mee maken. Over ongeveer drie maanden zullen we weer met een update komen over hoe de natuurtuin er dan bij ligt.
Disclaimer: in deze terugkerende blog spreken we over een natuurtuin. Echter is dit niet een standaard tuin waar de meest mensen aan denken bij het woord tuin. Het grootste deel van het perceel wordt aangeplant met uitsluitend inheemse soorten, die terugkeren in het omliggende landschap. Hier laten we de natuur vervolgens zoveel mogelijk haar gang gaan.
Soortenoverzicht natuurtuin 5-3-2023 (De natuur van hier)
Na de terugkeer van de ooievaar, otter en wolf lijkt er nog een diersoort zijn weg terug te vinden naar Nederland, na decennia van afwezigheid. De grootste katachtige van Europa, de lynx, wordt steeds dichter in de buurt van onze landsgrenzen waargenomen en het lijkt dan ook een kwestie van tijd voordat deze roofdieren zich weer in Nederland bevinden. Een kers op de taart van het huidige (Europese) natuurbeleid? Of een bedreiging voor de veiligheid van mens en (huis)dier? In deze blog blikken we vooruit op het moment dat onafwendbaar lijkt, de terugkeer van de lynx in Nederland!
De lynx – Lynx lynx
De lynx, of beter gezegd, de Euraziatische lynx is de grootste katachtige van Europa. Het is de grootste van de vier lynxsoorten die wereldwijd voorkomen en zijn leefgebied bestrijkt Noord-Europa tot aan de Russische Federatie en meer geconcentreerd in Centraal-Europa.
Door hun dikke vacht in de winter en haarkussens aan de voeten zijn lynxen uitstekend bestand tegen kou (Saxifraga – Bart Vastenhouw)
De Euraziatische lynx (in de rest van dit artikel kortweg lynx genoemd) bereikt een grootte zo hoog als een grote hond, formaat herdershond ongeveer. De schofthoogte bedraagt 60 tot 75 centimeter en de kop-romp lengte betreft 80 tot 130 centimeter. Ze bereiken een gewicht van circa 25 kilogram.
Ze zijn geelbruin gekleurd in de zomer, maar in de winter verandert de vacht. Deze wordt dan dikker en een stuk lichter, zodat de lynx goed gecamoufleerd blijft in de sneeuw en bestand is tegen de kou. Karakteristieke kenmerken zijn de gepluimde oren, donkere bakkebaarden en een korte staart.
De lynx is een echte jager en staat bovenaan de voedselketen. Prooidieren zoals haas, ree, wild zwijn, vos en marterachtigen worden vanuit een hinderlaag gepakt (meestal bij schemering). Dit zorgt ervoor dat de lynx prooien kan vangen die soms een voordeel op hem hebben. Hazen zijn bijvoorbeeld sneller dan een lynx en wilde zwijnen vaak sterker. Doordat de lynx het prooidier verrast met het jagen vanuit een hinderlaag, kan hij dit voordeel uitschakelen en daardoor op een breed scala aan prooidieren jagen. De ree is overigens het favoriete prooidier van de lynx. Uit onderzoek is gebleken dat bijna 75% van het menu hieruit bestaat.
De lynx is een echte jager en staat aan de top van de voedselketen (Saxifraga – Martin Molet)
Doordat de lynx aan de top van de voedselketen staat, is het een sleutelsoort voor de ecosystemen waarin hij leeft. Dit wil zeggen dat de soort een cruciale rol speelt in het ecosysteem en met zijn aanwezigheid een directe invloed heeft op hoe het ecosysteem tot uiting komt.
De aanwezigheid van de lynx zorgt ervoor dat populaties prooidieren op een natuurlijke wijze gereguleerd worden, iets waarvoor nu in Nederland bejaging nodig is. Naast de regulatie van populaties, zorgt de lynx ervoor dat er een bepaalde waakzaamheid en/of angst bij prooidieren ontstaat. Dit heeft tot gevolg dat prooidieren minder lang op één plek blijven hangen en doortrekken naar een ander gebied. Resultaat hiervan is dat er op meer plekken een natuurlijke verjonging (natuurlijke regeneratie) optreedt, wat essentieel is voor gezonde ecosystemen (en hun ecosysteemdiensten).
Geschikte leefgebieden
Het gaat goed met de lynx in Europa. Over heel Europa lijken nu zo’n 10.000 exemplaren verspreid te zijn. Op het laagste punt, toen deze nog volop bejaagd werd, waren er nog zo’n 700 exemplaren te vinden in Europa. Deze toename is het resultaat van een beter natuurbeleid, waarbij jacht op dergelijke dieren verboden is en waarin herintroductieprogramma’s worden opgezet. In totaal zijn er door Europa verspreid zo’n vijftien herintroductieprogramma’s geweest, wat er onder ander voor gezorgd heeft dat de lynx nu op de deur van onze landgrenzen klopt.
Lynxen leven solitair, zowel de mannetjes als de vrouwtjes, waardoor er in Nederland maar weinig plekken geschikt lijken voor een vitaal leefgebied. Daarnaast hebben ze een groot leefgebied van 100 tot 1000 km2, waarbij het leefgebied van één mannetje overlapt met dat van meerdere vrouwtjes.
Het enige gebied in Nederland dat lijkt te voldoen aan de eisen van de lynx is de Veluwe, gelegen centraal in ons land. Je zou het misschien niet direct verwachten in Nederland, maar de Veluwe is een van de grootste aaneengesloten natuurgebieden van Nederland. De totale oppervlakte bedraagt ruim 900 vierkante kilometer, bestaande uit bossen, afgewisseld met open stukken als heide en grasland. Dit zou een ideaal leefgebied kunnen zijn voor de lynx, daar er voldoende voedsel te vinden is in het natuurgebied.
De Veluwe lijkt het enige geschikte leefgebied voor de lynx in Nederland. Maar weet de lynx er te komen?
De grote vraag is: kunnen de exemplaren die zich aan onze landgrenzen bevinden, gemakkelijk de weg vinden naar de Veluwe? Dit zou de terugkeer van de lynx in Nederland nog wel eens op kunnen houden. Want hoe groot en geschikt de Veluwe dan wel mag zijn, er omheen is het een wirwar van drukke autowegen en volle steden wat voor wilde dieren funest is (denk maar aan de verkeersslachtoffers bij de otter). Het blijft dus afwachten of de fragmentatie van natuurgebieden en de hoge bevolkingsdichtheid een probleem gaat vormen voor de terugkeer en het creëren van een vitale populatie lynxen in Nederland.
De gevolgen van de terugkeer van de lynx in Nederland
Het lijkt een kwestie van tijd totdat de eerste waarnemingen van de lynx in Nederland gevalideerd zullen worden. Maar wat heeft de terugkeer van deze grote katachtige voor een consequenties? Zitten we te wachten op de terugkeer van een ander roofdier? En wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse natuur zoals we hem nu kennen?
In Nederland leven zo’n 100.000 reeën. Wat heeft de terugkeer van de lynx voor een gevolgen voor deze hertachtige?
Voor de Nederlandse natuur
Zoals eerder benoemd kan de lynx gezien worden als een echte sleutelsoort binnen een ecosysteem. En een sleutelsoort heeft een belangrijke invloed op een ecosysteem. De argumenten die eerder werden aangedragen, het reguleren van populaties en het opjagen van prooidieren (met natuurlijke verjonging als gevolg), zorgt ervoor dat het landschap drastisch kan veranderen. Vaak leidt dit tot meer biodiversiteit in een gebied. De terugkeer van de lynx kan dus een positieve bijdrage leveren aan het herstel van de Nederlandse natuur.
Daarnaast kan de lynx een natuurlijke concurrent vormen voor de wolf. Concurrentie zorgt ervoor dat één soort niet dominant kan worden en voor teveel overlast zorgt. De aanwezigheid van de lynx kan er voor zorgen dat de populatie wolven in Nederland niet explosief groeit, waardoor er wellicht minder overlast te verwachten is.
Voor de mens
Dan rest ons nog de vraag wat de terugkeer van de lynx betekent voor de mens. Komt de veiligheid van mensen en huisdieren in het geding door de terugkeer van de lynx? Dit is een terechte vraag die nader onderzocht dient te worden.
Puur feitelijk gezien kan een lynx een mens doden en is het dus een bedreiging voor onze veiligheid. Echter is dit in de praktijk zeer onwaarschijnlijk dat dit gebeurt en zijn er ook geen dodelijke slachtoffers door toedoen van de Euraziatische lynx. Hiervoor zijn enkele argumenten te bedenken.
Zwakke plek
Het eerste argument is dat lynxen slimme dieren zijn en niet zomaar risico’s nemen. Lynxen jagen op dieren waarvan ze weten dat ze grijpen, zonder hier zelf hele grote schade op kunnen lopen. Als een lynx een grotere prooi aanvalt, dan mikt hij op de nek van het dier. Doordat ze de nek grijpen van bijvoorbeeld een hert, kunnen ze niet geraakt worden door de krachtige poten van het hert. De lynx weet dat een dergelijke zwakke plek op het menselijk lichaam lastiger te vinden is. In bijna alle gevallen zou een mens terug kunnen vechten en daarmee de lynx serieus kunnen verwonden. Een lynx denkt dus wel twee keer na, voordat hij een dergelijk risico neemt.
Een zeldzame ontmoeting
Daarnaast is een ontmoeting tussen mens en lynx zeer zeldzaam. De meeste mensen die wonen in een leefgebied van de lynx zal nooit in zijn leven een lynx tegen het lijf lopen zolang hij er niet actief naar op zoek gaat. Dit komt omdat lynxen zeer schuwe dieren zijn, die contact met mensen zoveel mogelijk vermijdt. Ze zijn daarnaast voornamelijk actief bij nacht en ze leven in dichtbegroeide bossen. Dit is dus totaal het tegenovergestelde van de levenswijze van de gemiddelde mens.
Dit betekent niet dat er helemaal geen gevaar is. Het blijven wilde dieren met instrumenten (klauwen en beet), waarmee ze serieuze schade aan kunnen richten en in staat zijn een mens te doden. Er zijn enkele gevallen bekend van verwonding door lynxen, echter waren hier altijd aanleidingen voor te vinden. Wanneer een lynx wordt bedreigd, kan het dus levensgevaarlijk zijn.
Lynxen zijn met hun grote klauwen en krachtige beet in staat mensen te doden, maar vormen ze ook een serieuze bedreiging voor ons? (Saxifraga – Martin Mollet)
Vee en huisdieren
Monitoring in Europa heeft aangetoond dat de lynx voor vee wel een bedreiging kan vormen. Echter zijn de meeste gevallen die bekend zijn voorbeelden uit als Noorwegen, waar vee, zoals schapen, vaak los lopen in een groot gebied. Op andere plaatsen, waar veel voornamelijk achter hekwerk gehouden wordt, zijn beduidend minder gevallen van slachtoffers bekend. Aanvallen van lynxen op huisdieren zijn zeer zeldzaam, waardoor dit niet per se als een risico gezien kan worden.
Conclusie
Lynxen worden momenteel aan onze landgrenzen waargenomen. Het lijkt dus een kwestie van tijd totdat de eerste waarneming van een lynx in Nederland gevalideerd wordt. De Veluwe wordt gezien als het enige geschikte leefgebied in Nederland. Maar lukt het lynxen om van natuurgebieden in onze buurlanden (denk aan de Ardennen in België of het Teutoburgerwoud in Duitsland) door te trekken naar de Veluwe en alle obstakels onderweg te overwinnen? De tijd zal het uit moeten wijzen.
Wil je meer informatie over de terugkeer van de lynx in Nederland of de verspreiding van de lynx in Europa? Kijk dan op de website van de zoogdiervereniging of ga naar het YouTube-kanaal van Mossy Earth voor de meest relevante informatie.
Veel gestelde vragen
Komt de lynx voor in Nederland?
De lynx is nog niet met zekerheid vastgesteld in Nederland, maar wel op een paar kilometer van de grens. Het lijkt dus een kwestie van tijd, totdat de eerste lynx in Nederland gezien wordt.
Is Nederland een geschikt leefgebied voor de lynx?
Uit onderzoek is gebleken dat de Veluwe het enige geschikte leefgebied is in Nederland voor de lynx. Het is één van de grootste aaneengesloten natuurgebieden in Europa, met voldoende voedsel. De verbindingen er naar toe zijn echter beperkt en worden veel onderbroken door (auto)wegen, wat de kans op verkeersslachtoffers verhoogt.
Vormt de lynx een bedreiging voor de mens?
De lynx heeft de wapens om serieuze schade aan te richten bij de mens of zelfs te doden. Echter is het zeer onwaarschijnlijk dat een mens wordt aangevallen door een lynx. Lynxen zijn namelijk zeer schuw, leven in dichtbegroeide bossen en zijn voornamelijk nachtactief. Daarnaast schatten lynxen de risico’s in en zullen ze niet gauw een mens aanvallen, als dat niet nodig is.