Op ongeveer een uur rijden vanaf de Nederlandse grens bevinden zich de prachtige Belgische Ardennen. Een waar wandel- en fietsparadijs door uitgestrekte naald- en loofbossen, prachtige rotsformaties en ruige rivieren en watervallen. In deze blog lees je onze review van een 15,2 kilometer lange hike door het hart van de Ardennen. Deze hike biedt alles wat je van een Ardennen hike mag verwachten. Zorg dat je fit bent, want het is zeker een uitdaging!
Dit kun je verwachten:
Een uitdagende hike van 15,2 kilometer (in te korten naar 13 kilometer) door een uitdagend, heuvelachtig landschap (link naar de route GPX);
Het unieke landschap van de Ardennen;
Een ontmoeting met de Ourthe, een zijrivier van de Maas;
Op een steenworp afstand van bierbrouwerij Chouffe, uitstekend te combineren met een bezoek aan de brouwerij.
De route
De route leidt door het hart van de Ardennnen, met alle uitdagingen van dien. De route heeft een lengte van 15,2 kilometer, maar is in te korten naar 13 kilometer. Indien je de 13 kilometer wil lopen, kun je de laatste lokale ronde overslaan. Tijdens de hike worden er ruim 400 hoogtemeters bedwongen. Deze zijn verdeeld over twee serieuze klimmetjes (de hike start vrijwel meteen met een serieuze klim) en een kort, pittig klimmetje op het laatst. We besloten nog kort voor de hike een wandelstok te kopen en hier hebben we absoluut geen spijt van gekregen. Er zitten dusdanig steile stukken tussen dat een wandelstok zeker geen overbodige luxe is.
De route heeft alles wat de Ardennen te bieden heeft. Allereerst loopt de route door een naaldbos, waar je kans hebt op het horen of zien van een goudhaan of kuifmees. Na een paar kilometer verlaat je het naaldbos en daal je af richting de rivier de Ourthe. Hier verandert ook het landschap. De naaldbomen maken plaats voor loofbomen zoals beuken, berken en esdoorns, veelal bedekt met mos, en er komt meer ondergroei in de vorm van braam en jonge hazelaar.
De Ourthe (De Natuur van hier – Sandra Krol)
De tocht vervolgt een klein stuk langs de Ourthe, waarna het vrij snel afdwaalt langs een zijtak van de Ourthe. Hier gaat het ook meteen weer omhoog. In de zijrivier voelt een beverfamilie zich al jaren thuis, want stroomopwaarts volgen de beverdammen zich snel op en worden ze alsmaar indrukwekkender. Het zijn er in totaal een stuk of zeven en de laatste is van serieuze omvang en meerdere jaren oud. De impact op het omringende landschap was ook duidelijk zichtbaar, er was andere vegetatie te vinden en we zagen er onder andere een blauwe glazenmaker (en dat diep in de herfst).
Verandering van het landschap
Al klimmend vervolgt de route door een stuk naaldbos, een stuk waar de wandelstokken goed van pas kwamen, en kom je uit het bos op ongeveer de hoogste plek van de wandeling (op circa 400 meter). Hier wordt het landschap wat meer open en wisselen bossen en weilanden zich af. Dit zorgt ervoor dat de hike een mooie afwisseling van landschappen heeft. De route gaat vervolgens voornamelijk naar beneden, totdat je weer in Maboge terecht komt. Je steekt de Ourthe weer over en om de 15,2 kilometer te voltooien loop je nog een lokale ronde met daarin een kort, maar steil klimmetje. Als je de 13 kilometer loopt, keer je meteen terug naar de auto.
Flora en fauna
Uiteraard biedt de Ardennen ook altijd een groot scala aan soorten flora en fauna. Voor de vogelliefhebber is er van alles te ontdekken. In de naaldbossen is het uitkijken naar (vuur)goudhaan, kuifmees en zware specht. In de gemengde- en loofbossen zijn daarnaast veel andere meesachtigen te vinden, zoals de koolmees, pimpelmees, staartmees en glanskop.
De herfst is een prachtige periode om door de Ardense bossen te struinen (De natuur van hier – Sandra Krol)
Ook boomkruiper en boomklever zijn veelvuldig aanwezig. Een andere leuke, maar schuwere soort om naar op zoek te gaan is de goudvink. De meeste kans om deze soort te vinden is door te focussen op het kenmerkende geluid dat hij maakt. In het najaar zijn ook veelvuldig gaaien te zien en te horen en een ontbrekende kraaiachtige in Nederland: de notenkraker.
Eerder zeiden we al dat we tijdens de hike een blauwe glazenmaker hadden gezien, maar er zijn nog veel meer soorten libellen te ontdekken. De Ardennen zijn er niet per see om bekend, maar het heeft een grote verscheidenheid aan soorten libellen en juffers. Zo zijn er naast de blauwe glazenmaker ook de bruine glazenmaker, zwarte heidelibel, steenrode heidelibel en gewone bronlibel te vinden.
Qua flora viel ons vooral de reuzenbalsemien op. Deze invasieve exoot verspreid zich enorm snel en zorgt ervoor dat andere inheemse planten geen kans krijgen. Daarnaast zijn oevers die slechts begroeid zijn met reuzenbalsemien extra gevoelig voor erosie in de winter, omdat deze plant in de winter afsterft. Dit kan nadelig zijn voor het functioneren van de rivier en het voortbestaan van soorten die afhankelijk zijn hiervan.
Gelukkig zagen we daarnaast ook een ‘explosie’ van inheemse soorten. Midden oktober stonden de paddenstoelen in alle soorten en maten in volle glorie. In onderstaande galerij een greep van de bijzondere fungi die we onderweg hebben gezien.
Van links naar rechts: gewoon eekhoorntjesbrood, amethistzwam, Myxomyxeet indet, gewone glimmerinktzwam en graskleefsteelmycena (De natuur van hier)
Eten en drinken
Om na de hike in de buurt wat (kleins) te eten of te drinken zijn er diverse opties. Het dichtstbijzijnde is café Den Erpel nabij de kerk in het dorp. Hier heb je de mogelijkheid om iets kleins te eten of om wat te drinken (uitgebreide bierenkaart). Daarnaast kun je ervoor kiezen om naar de Chouffe brouwerij te rijden, zo’n elf kilometer verderop. Hier kun je op diverse plekken wat eten of drinken en zou je zelfs je hike kunnen combineren met een bezoek aan de brouwerij. Heb je zin in wat makkelijks en snel, stop dan op de terug weg bij La baraque de fraiture. Dit is een gezellig wegrestaurant/-cafetaria waar je prima kunt eten.
Wil je na de hike in de buurt blijven overnachten? Kijk dan eens hier op Natuurhuisje voor bijzondere plekken in de buurt van Maboge. Je vindt er vaak de meest unieke en bijzondere plekjes in de natuur, waar je écht tot rust komt.
Waarom bouwen bevers dammen? Of, zoals mensen het ook wel noemen, waarom maken bevers dammen? En waarom maken bevers dammen in beken, sloten en rivieren? Die vragen krijgen we vaak, zeker nu bevers op steeds meer plekken in Nederland opduiken. Waar de één gefascineerd kijkt naar een groeiende dam, ziet de ander ineens ondergelopen weilanden of omgevallen bomen. Dit levert in Nederland soms discussie op.
Bevers bouwen hun dammen niet zomaar. Het is geen toeval dat ze een bepaalde plek uitkiezen of ‘overlastgedrag’. Met het bouwen van dammen vormen ze op een slimme manier hun leefgebied. In deze blog leggen we uit waarom bevers dammen bouwen, wat het verschil is tussen bouwen en maken, hoe een beverdam werkt en wat dit betekent voor natuur, water en mens.
Bevers zien er wat lomp uit, maar ze zijn volledig aangepast op het leven in water (Saxifraga – Mark Zekhuis)
De bever is het grootste knaagdier van Europa en kan tot één meter lang worden (kop-romplengte). Bevers zien er op het land wat plomp uit, maar in het water zijn ze uiterst behendig. Ze hebben een dikke, bruine vacht, die waterafstotend is. Zo kunnen ze hun lichaam ook op temperatuur houden in koud water.
De kleine ogen, oren en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat ze tijdens het zwemmen maar een klein gedeelte van het hoofd boven water hoeven te houden. De dikke, platte, geschubde staart dient als een soort roer, waarmee ze zich makkelijk door het water kunnen bewegen. De zwemvliezen tussen de tenen dragen hier ook aan bij. Bevers worden in de natuur zo’n acht tot twaalf jaar oud.
Vroeger kwam de bever algemeen voor in ons waterrijke land en was het een van de belangrijkste architecten van de natuur. Maar door intensieve bejaging stierf de bever uit in Nederland. Sinds 1988 zijn ze weer in ons land te vinden en doen ze weer wat ze altijd al hebben gedaan: ze bouwen dammen.
Verspreidingskaart van de bever in Nederland (NDFF en Zoogdierenvereniging)
Wat is een beverdam?
Een beverdam is een door bevers aangelegde blokkade in stromend water. Ze bouwen dammen van:
Takken en stammen
Modder en klei
Bladeren en plantenresten
Door een dam te maken, vertraagt of stopt de waterstroom. Achter de dam ontstaat een plas of moerasachtig gebied: precies het leefgebied dat bevers nodig hebben.
Als bevers langere tijd op dezelfde plek (kunnen) blijven, kunnen ze meerdere dammen bouwen. Er ontstaan dan meerdere plassen. In en rondom deze plassen en moerasachtige gebieden groeit de biodiversiteit vaak enorm.
De oren, ogen en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat er maar een klein gedeelte van het hoofd boven water gehouden hoeft te worden (Saxifraga – Mark Zekhuis)
Waarom bouwen bevers dammen?
Bevers bouwen dammen om hun leefomgeving veiliger en stabieler te maken. Dat doen ze om meerdere redenen tegelijk.
1. Veiligheid door voldoende water
Bevers voelen zich het veiligst in het water. Hoewel ze zich op het land ook kunnen voortbewegen, zijn ze daar kwetsbaarder. Door dammen te bouwen verhogen bevers het waterpeil en zorgen ze ervoor dat hun leefgebied nat blijft, ook in drogere periodes. Voldoende water is essentieel: alleen zo kunnen bevers hun burcht veilig bereiken en zich snel terugtrekken bij gevaar.
2. Een veilige burcht met onderwateringang
Het leven van een bever speelt zich grotendeels af in en rond de burcht. Deze bestaat uit zowel natte als droge delen. De ingang van de burcht ligt altijd onder water en komt uit in een natte ‘hal’, waar de bever zich droog kan schudden. Van daaruit leidt een gang naar de nestkamer, ook wel slaapkamer genoemd. Deze ligt hoger, is volledig droog en bekleed met houtsnippers. Door het waterpeil hoog te houden met een dam, blijft deze onderwateringang altijd bereikbaar en veilig, en onbereikbaar voor roofdieren.
3. Bescherming tegen vijanden
Dieper water biedt bevers een belangrijk voordeel. In het water kunnen ze snel wegduiken en ontsnappen aan gevaar. Roofdieren zoals wolven, vossen en honden mijden diep water en kunnen moeilijk bij een burcht waarvan de ingang onder water ligt. De dam fungeert daarmee niet alleen als waterbeheer, maar ook als een effectieve bescherming tegen vijanden.
Binnen in de beverdam bevinden zich kamers waar de bever buiten het bereik van roofdieren kan uitrusten.
4. Toegang tot voedsel
Bevers zijn echte vegetariërs. Ze eten planten, kruiden, bloemen, bladeren en knoppen van twijgen. Houtachtige delen van planten, struiken en bomen worden niet gegeten, maar gebruikt voor het bouwen van dammen. Bevers houden geen winterslaap. Ze leggen daarom een voedselvoorraad aan in hun burcht, om de winter goed door te komen. Bevers zijn monogaam en leven als een familie in een burcht. In Nederland zijn er zo’n 3500 exemplaren te vinden.
Door het waterpeil te verhogen, kunnen ze zwemmend bij bomen komen die anders te ver van het water staan. Dat scheelt energie en risico. Twijgen en takken blijven daarnaast langer vers in het water, zodat ze in de winter altijd vers eten hebben.
Waarom bouwen en maken bevers dammen in stromend water?
De vraag “waarom maken bevers dammen” wordt vaak gesteld wanneer mensen ze zien werken in een beek of rivier. Het antwoord is simpel: bevers houden niet van stromend water.
Stromend water kan ervoor zorgen dat hun dam en burcht weggespoeld worden. Het is daarom van groot belang dat de dam op de juiste wijze gebouwd wordt en dat ze rekening houden met de stroming van de beek of rivier.
In stromende beken en rivieren:
Spoelt hun leefgebied weg
Wordt het water te ondiep
Kunnen ingangen van burchten droogvallen
Door dammen te maken (actief aanleggen en onderhouden) zetten bevers stromend water om in stilstaand of langzaam stromend water. Daarmee beheren ze hun eigen leefgebied.
Afhankelijk van de breedte van de rivier, de sterkte van de stroming en de samenstelling van de beverfamilie, kan een beverdam sterk in grootte variëren. Er zijn beverdammen bekend die nauwelijks een meter lang zijn, maar ook beverdammen met een lengte van tien meter zijn niet ongewoon.
Beverdammen zijn er in allerlei soorten en maten (Saxifraga – Mark Zekhuis)
Hoe bouwen bevers een dam?
Het bouwen van een dam gebeurt stap voor stap:
Bevers plaatsen takken dwars op de waterstroom
Ze verzwaren de constructie met modder en stenen
De dam wordt steeds hoger en steviger
Water hoopt zich op achter de dam
Een beverdam is echter niet zomaar een simpele hoop takken. De bever moet erg secuur werken. Zwakke punten in de dam worden blootgelegd bij hoog water en een sterke stroming. De kans dat de dam dan wordt weggespoeld, wordt groter. Daarom maken bevers een fundament van modder en stenen. Daarop worden dikke stammen gebruikt voor een stevige constructie, die als basis dient voor de rest van de takken. Bomen met een diameter tot ruim 60 centimeter worden omgeknaagd en in kleinere delen geknaagd, waarna de stammetjes worden gebruikt voor de dam en de twijgen en bladeren worden opgegeten. Bevers blijven de dam continu onderhouden en controleren op lekken.
Met het bouwen van de dam krikken bevers het waterpeil op tot maximaal één meter diep. Ze kunnen al overleven in lagere waterstanden, maar waarschijnlijk hebben ze liever een hogere waterstand om in de herfst voldoende voedsel te kunnen stallen om de winter door te komen.
Het bouwen van een dam is een serieuze klus en komt precies. Het is iets wat bevers op instinct kunnen, want ook bevers die geboren zijn in gevangenschap zijn in staat een dam te bouwen. Het lijkt er wel op dat juveniele dieren de vaardigheden verder perfectioneren door het observeren van het gedrag van hun ouders en broertjes en zusjes.
Beverboom (Saxifraga – Jan van der Straaten)Bevervraat (Saxifraga – Roel Meijer)
Wat doet een beverdam met de natuur?
Hoewel een beverdam soms als overlast wordt gezien, heeft hij grote ecologische waarde.
Ecologische impact van beverdammen
Beverdammen dragen bij aan natuurlijke waterberging, waardoor bij hevige regenval piekstroom wordt verminderd en watervoorraad lokaal stijgt. Deze natuurlijke structuren van beverdammen en vijvers dragen bij aan biodiversiteit en veerkracht van ecosystemen:
Het biedt een habitat voor bijvoorbeeld amfibieën (zoals salamanders), vissen, insecten en vogels. Er ontstaat een waterrijk, moerasachtig gebied met veel natte natuur. Hoge waterstanden en natte oevers zoals in een natuurlijke poel in je tuin zijn ideaal voor veel soorten.
De biodiversiteit neemt (enorm) toe, omdat er leefgebied is gecreëerd voor onder andere amfibieën, insecten en vogels. Daarnaast trekt het ook specifieke soorten aan voor moerasachtig gebied.
De vijvers vangen water op en geven het water langzaam af wanneer er droge periodes zijn. Zo zijn de risico’s tijdens en na zeer natte en zeer droge periodes minder groot.
Zulke vijvers zijn van grote waarde in het waterbeheer. De waterstroom vertraagt en het water wordt opgevangen. Hierdoor helpen beverdammen de risico’s op overstromingen te verminderen.
Doordat de waterstroom vertraagd wordt, erodeert er minder in de beken en worden de oevers stabelier.
De vijvers werken als een filter. Ze vangen sediment en verontreinigingen op. Het water wat aan de andere kant van de dam af stroomt, is daardoor van betere kwaliteit.
Bevers worden daarom ook wel ecosysteemingenieurs of landschapsarchitecten genoemd: ze veranderen het landschap op een manier waar veel andere soorten van profiteren.
Met het bouwen van dammen zorgt de bever ervoor dat er permanente en tijdelijke poelen ontstaan. Deze zijn vaak een bron van biodiversiteit. Oevers begroeien met (zeldzame) planten die goed gedijen aan deze oevers. Deze trekken op hun beurt weer vliegende insecten. In het stilstaand water beginnen vissen te paaien en leggen juffers en libellen hun eieren. De (vliegende) insecten zijn weer een belangrijke voedselbron voor andere dieren zoals vogels. Door de het bouwen van dammen ontstaat er dus een heel nieuw ecosysteem in het gebied.
De mensen achter Mossy Earth gingen zelfs zo ver, dat ze in een gebied neppe beverdammen maken om het gebied weer te herstellen en de biodiversiteit er terug te brengen. Dit is allemaal te zien in de deze video.
Bevers zorgen met het bouwen van dammen voor een hogere biodiversiteit in een gebied
Beverdammen en mensen
Levert een beverdam problemen op? Soms wel, maar vooral vanuit menselijk perspectief. Andere diersoorten passen zich aan, maar met name de mens vindt de veranderde situatie onwenselijk.
Mogelijke problemen
Overstroming van landbouwgrond
Wateroverlast bij wegen of bebouwing
Omvallende bomen
Daarom worden beverdammen in Nederland vaak:
Gemonitord (waar en hoe groot is de ‘overlast’)
Soms verlaagd
Zelden volledig verwijderd
De uitdaging is om ruimte te geven aan natuurlijke processen, zonder dat het tot schade leidt. Nederland wordt steeds voller en drukker. Er is veel ruimte voor bebouwing en wegen, en waarschijnlijk zal dat de komende jaren zo blijven en zelfs nog meer worden. Dieren, zoals in dit geval de bever, hebben hun eigen ruimte nodig. Helaas past dit vaak niet in het beleid van de mens, waardoor de bever moet wijken.
Beversporen langs het water (De Natuur van hier)
Waarom zijn bevers zo belangrijk voor het landschap?
Door dammen te bouwen:
Herstellen bevers oude natte landschappen
Maken ze gebieden klimaatbestendiger
Zorgen ze voor natuurlijke sponswerking van de bodem
Zeker met de extreme weersomstandigheden van de laatste en komende jaren is bovenstaande hard nodig. De mens heeft door de eeuwen heen zelf het landschap ontzettend veranderd. Wat de bever doet, is eigenlijk niets anders dan een heel oud, natuurlijk proces. Wat mensen soms “last” noemen, is in feite natuur die (weer) werkt zoals bedoeld.
Conclusie: waarom bouwen en maken bevers dammen?
Bevers bouwen en maken dammen om:
Veilig te leven, buiten bereik van roofdieren
Voedsel te bereiken en te kunnen opslaan
Water vast te houden
Hun leefgebied te optimaliseren
Een beverdam is geen toeval, maar het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Wie begrijpt waarom bevers dammen bouwen, kijkt vaak met andere ogen naar het landschap.
Meer natuurinspiratie?
Wil je meer lezen over natuurlijke processen, diersoorten, doe-het-zelfprojecten of tuinideeën? Kijk dan eens bij onze andere blogs. Hieronder hebben we een aantal uitgelicht:
Jaarlijks wordt er in september in de bossen rondom Nijmegen het Zevenheuvelen-evenement georganiseerd. Op zaterdag mogen de hardlopers zich testen op het uitdagende heuvelachtige parcours tijdens de Zevenheuvelentrail, op zondag is het de beurt aan de wandelaars tijdens de Zevenheuvelenhike. Op deze dag maak je kennis met de prachtige oude loofbossen en het museumpark Oriëntalis, terwijl je de Nijmeegse Heuvelrugbedwingt. Een absolute aanrader voor mensen die graag in de natuur wandelen en houden van een sportieve uitdaging.
Het Zevenheuvelen-evenement
De Zevenheuvelenhike leidt je door de prachtige bossen rondom Nijmegen
De organisatoren van een van bekendste harloopevents van het land, de Zevenheuvelenloop, organiseren sinds een aantal jaren in september het Zevenheuvelen-evenement, wat bestaat uit een trail op zaterdag en een hike op zondag. Het evenement trekt een paar duizend mensen, die de sportieve uitdaging in de Nijmeegse bossen aan gaan. Tijdens de hike kan er gekozen worden tussen diverse afstanden; 7 (210HM), 14 (375HM), 21 (550HM), en 28 (700HM) kilometer. De start- en finishlocatie is, op een open plek in het bos, ingericht als een soort festivalterrein, met een bar, diverse foodtrucks en een dj. Een perfecte locatie om na de finish te genieten van een verfrissend drankje.
Voor wie denkt rustig te kunnen beginnen aan de hike heeft het mis. Vrijwel meteen worden de eerste hoogtemeters voorgeschoteld en het gaat eigenlijk constant op en neer. Wat dat betreft is de route bijna on-Nederlands en waan je jezelf soms echt in het buitenland. De onverharde bospaadjes leiden je door de mooiste plekken in het gebied, met soms mooie vergezichten tot gevolg. Als je kiest voor de langste afstand (zoals wij deden), loop je over het landgoed van Jurgens, klim je over de Nijmeegse stuwwal en daal je door het prachtige Keteldal.
De hike voert voornamelijk door het bos, maar soms loop je door open landschappen aangrenzend aan het bos
Onderweg (en bij start en finish) zijn meerdere verzorgingsposten (bij de 28 kilometer waren dit er vier). Hier staan toiletten en heb je de mogelijkheid om je water aan te vullen. Verder kun je er koffie krijgen (denk aan het zelf meenemen van een beker, of bestel er een tijdens je inschrijving), maar ook sinaasappels, bananen, koekjes en winegums. Deze verzorgingsposten zijn tot in de puntjes verzorgd en zorgen ervoor dat je weer met nieuwe energie je tocht kunt vervolgen.
Het Kastanjedal en museum Oriëntalis
Een van de mooiste plekken waar je doorheen loopt, vonden wij toch wel het kastanjedal. Dit bos, waar hoofdzakelijk tamme kastanjes groeien, is gelegen in een dal nabij de plaats Beek. Dit is op zichzelf al bijzonder, maar je loopt hier ook nog eens langs de dikste eenstammige boom van Nederland. Naast de dikste, is het waarschijnlijk ook de oudste tamme kastanje in Nederland (circa 450 jaar oud). Hier lees je meer over deze bijzondere boom en zie je ook enkele foto’s van deze oude reus.
Wanneer je bijna bij de finish bent, wacht er nog één bijzonderheid op je. Tijdens de laatste honderden meters wandel je door het museumpark Oriëntalis. 100 jaar geleden werd hier een replica van het ‘Heilig Land’ gesticht. Tegenwoordig is dit verder uitgebreid en geeft dit unieke landschap een extra dimensie aan deze toch al gave hike. Hier vind je meer informatie over het museumpark.
Op de route zijn regelmatig oude bomen te zien
Doe je volgend jaar ook mee?
Al met al is de Zevenheuvelenhike een fantastische ervaring voor mensen die houden van wandelen en hiken en dit graag in de natuur doen. Ga je er liever hardlopend op uit? Dan heb je naast de Zevenheuvelentrail ook nog de keuze om je in te schrijven voor een nieuw evenement: de Zevenheuvelenhike wintereditie, die in december wordt georganiseerd. Via de website kun je je inschrijven voor deze evenementen. Zien we je volgend jaar?
Wil je na de hike in de buurt blijven overnachten? Kijk dan eens hier op Natuurhuisje voor bijzondere plekken in de buurt van Nijmegen. Je vindt er vaak de meest unieke en bijzondere plekjes in de natuur, waar je écht tot rust komt.
De termen amfibie en reptiel worden vaak onterecht door elkaar gebruikt. Salamanders worden regelmatig reptielen genoemd en hagedissen amfibieën. Het zijn echter twee verschillende diergroepen, die veel op elkaar lijken, maar zeker ook op veel facetten van elkaar verschillen. In deze blog lees je het verschil tussen een amfibie en reptiel, maar kijken we ook naar de overeenkomsten tussen de twee diergroepen. Zo weet je altijd wanneer een dier een amfibie is en wanneer het een reptiel is.
De klassen reptielen en amfibieën behoren beide tot de infrastam viervoeters. De infrastam wordt verder aangevuld met de klassen vogels en zoogdieren. De naam viervoeters roept enigzins verwarring op, omdat niet alle geslachten behorend tot deze stam meer in het bezit zijn van vier voeten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan slangen en vogels. De voorouders hadden deze echter wel. Amfibieën en reptielen worden dus gezien als aparte klassen, door diverse verschillen.
Bij slangen zijn de poten die de voorouders hadden nog als rudimentaire organen terug te vinden (Shutterstock)
Als je onderstaande foto’s bekijkt en de twee dieren met elkaar vergelijkt, dan lijken ze veel op elkaar. Zowel de alpenwatersalamander als de levendbarende hagedis hebben beide een langgerekt lichaam, een lange staart en de vier poten bevinden zich aan de zijkant van het lichaam. Tel daarbij op dat het schuwe dieren zijn, die op het moment dat je ze tegenkomt in de natuur snel wegschieten, dan is het niet gek dat de termen amfibie en reptiel door elkaar worden gebruikt. Maar er zijn echter ook verschillen te zien. Zowel fysieke verschillen als verschillen in leefwijze en gedrag. Door op deze verschillen te letten wordt het makkelijker om te bepalen of je een amfibie of reptiel hebt gezien.
Alpenwatersalamander (Saxifraga – Willem van Kruijsbergen)Levendbarende hagedis (Shutterstock)
Fysieke verschillen
Er zijn een aantal, uiterlijke en innerlijke, verschillen op te merken tussen amfibieën en reptielen. Dit begint bij de ademhaling. Reptielen hebben net als zoogdieren longen waarmee ze ademhalen. Amfibieën hebben ook longen om mee adem te halen, maar kunnen ook nog op een andere manier ademhalen. Ze kunnen namelijk ook via de huid ademhalen. In de huid van de amfibie zitten dunne bloedvaatjes waarmee ze door diffusie zuurstof op kunnen nemen in water.
Dat brengt ons meteen bij het tweede verschil, de huid. Reptielen en amfibieën hebben een totaal verschillende huid. Reptielen hebben een harde geschubde huid die veel droger is dan die van amfibieën. Amfibieën hebben een erg vochtige huid met poriën. Deze wordt dus gebruikt voor de ademhaling. Naast zuurstof kunnen amfibieën ook water en andere vloeistoffen via de huid opnemen. Pak amfibieën dan ook nooit op als het niet nodig is. Hierbij bestaat de kans dat er schadelijke stoffen (bijvoorbeeld vuil- en zeepresten) de doorlaatbare huid binnendringen wat schadelijk kan zijn voor het dier.
Eieren en jonge dieren
Ook aan de eieren is een duidelijk verschil te zien. Reptielen leggen eieren met een harde schaal. De eieren van amfibieën zijn altijd zacht en fragiel en liggen altijd in het water. Wanneer de dieren geboren worden is nog een ander opmerkelijk verschil waar te nemen tussen reptielen en amfibieën. De juveniele dieren van reptielen lijken ontzettend op de volwassen dieren (ze zijn alleen wat kleiner). Bij amfibieën worden de juveniele dieren als larve geboren en ondergaan ze een metamorfose of gedaanteverwisseling wanneer ze volwassen worden.
KikkerdrilReptielen eieren
Verschillen in leefwijze
Naast fysieke verschillen zijn er ook duidelijk verschillen op te merken in de leefwijze van de twee diergroepen. Dit start met waar de dieren te vinden zijn. Reptielen zijn vaak bewoners van de drogere omstandigheden. Amfibieën vinden we vaak in, of in de buurt van water. Een deel van het leven zijn ze afhankelijk van water. Dit verschilt per soort. Sommige amfibieën zijn bijna jaarrond in het water te vinden. Andere soorten zijn soms maar een zeer korte periode (enkele weken) in het water te vinden. Desalniettemin zijn alle amfibieën afhankelijk van water en zouden ze uitdrogen in een te droge leefomgeving.
Paring en eileg
De voornaamste reden dat amfibieën aan water gebonden zijn, is vanwege de eileg. Alle amfibieën leggen namelijk hun eieren in het water, of de eieren komen uit in het lichaam waarna de larven in het water ter wereld worden gebracht (wat bij salamanders vaak het geval is). Reptielen leggen de eieren op het land. Deze worden ingegraven, waardoor ze in een relatief constante temperatuur komen te liggen en de ouders er niet meer naar om hoeven te kijken.
Ook in het paringsgedrag van beide diergroepen zijn verschillen te benoemen. Bij reptielen vindt er altijd contact plaats tijdens de paring. Dat is bij amfibieën (soms) anders. Bij salamanders wordt door het mannetje een pakket zaadcellen afgezet, dat door de vrouwtjes via de cloaca wordt opgenomen. Er vindt dan een inwendige bevruchting plaats, waarbij er geen contact is. Bij kikkers en padden gaat het er anders aan toe. Het mannetje klimt op de rug van het vrouwtje en pakt deze stevig beet (dit noemen we de amplexus). Dit duurt vaak enkele dagen, waarna het vrouwtje de eieren afzet in het water en het mannetje deze bevrucht met zijn zaad. Hier is dan sprake van een uitwendige bevruchting, waarbij er in eerste instantie wel contact is.
Bij kikkers en padden klimt het vaak veel kleinere mannetje bovenop het vrouwtje en blijft daar dan soms dagen zitten. Deze paargreep wordt de amplexus genoemd. Na verloop van tijd zet het vrouwtje haar eieren af in het water en bevrucht het mannetje de eieren met zijn zaad.
Als je beter kijkt, zijn er dus voldoende verschillen te vinden tussen amfibieën en reptielen. Het is echter te begrijpen dat deze twee dierklassen door elkaar worden gehaald. Ze zijn immers beide koudbloedig, het zijn schuwe dieren en bij veel mensen niet bekend. Voor natuurbeheerders zijn het echter enorm belangrijke soorten die vaak iets zeggen over de toestand van het betreffende gebied. Van beide soorten gaan de aantallen flink achteruit en de aanwezigheid van veel verschillende soorten amfibieën en reptielen in een gebied zijn een belangrijke indicator voor goed beheer, wat vaak ook andere flora en faunasoorten ten goede komt. Meer informatie over deze twee soorten vind je bij RAVON.
Een goede manier om de natuur, vogels in het bijzonder, een handje te helpen is door het plaatsen van nestkasten. Door de toenemende verstedelijking, kunnen vogels soms lastig een geschikte broedplaats vinden. Nestkasten kunnen hier op een goedkope en efficiënte manier een oplossing voor bieden. Een erg leuke soort om naar je tuin te lokken met een nestkast is de pimpelmees. Deze kleine, kleurrijke meesjes maken dankbaar gebruik van een nestkast en stellen niet veel eisen aan de tuin. Ideaal om mee te starten dus!
De pimpelmees (Parus caeruleus)
De pimpelmees is een kleurrijke verschijning en een mooie aanvulling in iedere tuin (De Natuur van hier)
In bijna iedere tuin zie je ze wel, de pimpelmeesjes. Deze kleine meesachtige worden zo’n tien tot twaalf centimeter groot en vallen goed op door hun kleurrijke verenkleed. Vooral het kopje is opvallend, met een wit voorhoofd, witte wangen, een blauwe halsband, blauw petje en een zwarte oogstreep. Verder hebben pimpelmezen een gele buik en een mosgroene rug met blauwachtige vleugels.
Van oorsprong zijn het bewoners van het bos, net zoals de koolmees, waar ze in holtes van bomen broeden. Ze hebben zich echter uitstekend aan weten te passen aan het cultuurlandschap dat door mens is ontstaan. Pimpelmezen voelen zich thuis in veel tuinen en parken waar groen te vinden is. Zeker als er wordt bijgevoerd kan het haast niet anders dan dat er pimpelmezen aanwezig zijn. Het ophangen van een nestkast heeft dan ook vaak een goede slagingskans.
Pimpelmezen zijn echte standvogels, wat wil zeggen dat ze het hele jaar door in Nederland verblijven. In de winter komen er echter vaak wel nog wat bij, die meer noordelijk broeden. Over het algemeen gaat het goed met de pimpelmees in Nederland. Doordat onze (loof)bossen ouder worden nemen ook de aantallen pimpelmezen toe. De pimpelmees is zeer goed verspreid over Nederland. Alleen in het noorden en westen op plekken waar bossen en tuinen en parken ontbreken zijn minder individuen te vinden. De hoogste dichtheden worden waargenomen in loofbossen.
Voedsel en voortplanting
Net zoals alle andere mezensoorten zijn pimpelmezen echte insecteneters. Naast insecten worden ook spinnen en andere ongewervelden gegeten. In de winter zijn er minder insecten te vinden, dus dan hebben ze een meer plantaardig dieet. Vooral zaden en bessen worden dan gegeten.
Ze komen daarnaast ook veelvuldig op aangeboden vogelvoer in de tuin af. Zeker in de winter kunnen tuinvogels wat hulp gebruiken door voedsel aan te bieden. Geef dan wel biologisch vogelvoer. Dit is vrij van gifstoffen en niet schadelijk voor de vogels.
Als je in de winter wat vetbollen ophangt dan kan dat prachtige gezichten opleveren. Ze hangen dan vaak met meerdere pimpelmeesjes tegelijk aan de vetbollen.
In het voorjaar zijn de ouders druk met het voeren van de juvenielen
Nestkast pimpelmees
Van origine broeden pimpelmezen in boomholtes in loofbossen, maar in dorpen en steden zijn minder bomen te vinden. Daarom maken ze dankbaar gebruik van nestkasten die worden opgehangen. Nestkasten voor pimpelmezen lijken erg op de nestkasten voor koolmezen, maar het belangrijkste verschil is de diameter van de invliegopening. Veelal worden de nestkasten met grotere diameter opgehangen, wat ten goede komt van soorten als koolmees en vliegenvangers. Maar het is zeker zo belangrijk om nestkasten met een kleinere invliegopening op te hangen, zodat de pimpelmees minder last heeft van concurrenten (die passen er namelijk niet in).
Om te voorkomen dat het nest geroofd wordt door roofdieren als katten en marters, is het raadzaam om hier maatregelen voor te treffen. Via bol.com zijn er diverse producten te bestellen die dit kunnen voorkomen. Je kunt een invliegpaaltje of een eekhoorn/marterkorfje erop monteren wat voorkomt dat roofdieren de invliegopening verder open maken en het nest roven.
Wanneer nestkasten ouder worden en het hout verweerd is, worden invliegopeningen makkelijker kapot te krijgen door roofdieren. Dit kan voorkomen worden door hier speciale invliegplaatjes op te monteren
Bouwtekening nestkast pimpelmees
Op onderstaande tekening zijn alle gegevens te zien voor het maken van een nestkast voor een pimpelmees. Op deze bouwtekening vind je de afmetingen van de nestkast, welke houtsoort je kunt gebruiken en een zaagschema om de juiste planken te zagen. Bij veel bouwmarkten kun je het hout meteen op maat laten zagen als je het koopt, dus neem de tekening zeker mee naar de bouwmarkt.
Bouwtekening nestkast pimpelmees (De Natuur van hier)
Als houtsoort kun je het beste beuken-, lariks- of eikenhout gebruiken. Daarnaast kan ook watervastmultiplex gebruikt worden. Als dikte raden we 15 millimeter aan. Let bij het kopen van het hout op het FSC-keurmerk. Gebruik RVS schroeven om het hout mee vast te schroeven. RVS is beter bestand tegen roesten dan verzinkte schroeven, dus beter geschikt om buiten te gebruiken. Eventueel kun je het dak afwerken met dakleer, zodat het hout minder te verduren krijgt en de kast langer mee gaat. Geen zin om zelf een nestkast te maken? Bestel dan een kant-en-klare nestkast via Vivara!
Bij het ophangen van de nestkast is het belangrijk om op een paar dingen te letten. Zorg er allereerst voor dat de nestkast stevig hangt, op circa twee meter hoogte. De nestkast kan het beste met de invliegopening richten het noorden, noordoosten of oosten gericht worden, zodat wind en felle zon vermeden worden. Let er daarnaast op dat de invliegopening goed bereikbaar is en katten en andere roofdieren er niet gemakkelijk bijkomen.
Indien je meerdere nestkastjes in de tuin op wil hangen, zorg er dan voor dat er genoeg ruimte is tussen de twee kasten in. Raadzaam is om zeker vijf meter er tussen te laten. Zorg er daarnaast voor dat er voldoende groen en voedsel te vinden is, voor meerdere broedsels tegelijk. In het najaar (rond oktober) is het tijd om de nestkast schoon te maken. Gebruik hiervoor geen schoonmaakmiddelen, maar alleen heet water. Hang de nestkast daarna meteen weer op, want soms worden ze in de winter gebruikt als rustplek.
Nestcamera
Wil je van dichtbij meemaken hoe en wanneer de nestkast gebruikt wordt? Dan kun je een camera in de nestkast plaatsen om alles live te volgen. Wij gebruiken de camera’s van Green Backyard. Deze geeft je eenvoudig via een app live toegang tot de camera. Daarnaast ontvang je een melding wanneer er beweging is in de nestkast en kun je video’s downloaden en opslaan.
Er zijn verschillende type camera’s, je vindt ze hier. Voor een nestkast dichtbij huis kun je aan de slag met de Wireless Bird Box Camera. Na de eenvoudige installatie kun je vanaf de bank met je mobiel de nestkast in de gaten houden! Op onderstaande video zie je acht jonge koolmezen die samen met een ouder de voedertafel in onze natuurtuin bezoeken. Met de Longe Range Wifi Camera van Green Backyard maakte we deze prachtige beelden. Hier vind je nog een aantal beelden gemaakt met de camera’s van Green Backyard.
In deze beelden, gemaakt met de Longe Range Wifi Camera van Geen Backyard, zie je acht jonge koolmezen die samen met een ouder de voedertafel in onze natuurtuin bezoeken (De Natuur van hier)
Veelgestelde vragen
Hoe lok ik een pimpelmees naar mijn tuin?
Zorg ervoor dat je de nestkast stevig ophangt, op circa twee meter boven de grond, met de invliegopening gericht op het noordoosten. Richt je tuin zo in dat er voldoende voedsel te vinden is en er een plek is waar vogels kunnen drinken.
Hoe maak ik een nestkast voor een pimpelmees?
Een nestkast voor een pimpelmees kun je maken van beuken-, lariks- of eikenhouten planken. De kast moet circa 16x16x28cm groot zijn met een invliegopening van 28mm. Gebruik de bouwtekening (inclusief zaagschema) in deze blog.
In het voorjaar hoor je in je tuin een symfonie van geluiden. Allerlei bekende tuinvogels laten hun beste zang horen, om een partner te vinden voor het aanstaande broedseizoen. Voor een leek is er geen onderscheid tussen al deze vogelgeluiden, maar wie zich er in verdiept zal steeds meer vogelgeluiden van elkaar kunnen onderscheiden. In deze blog bespreken we de zang (en laten we deze horen) van negen van de meest voorkomende tuinvogels.
Het geluid van vogels
Vogels kunnen verschillende soorten geluid maken, met verschillende doeleinden. Naast de bekende zang van zangvogels, hebben de meeste vogels verschillende soorten roepgeluiden om met elkaar te communiceren. Daarnaast zijn er nog vogels die geen zang kennen, maar andere geluiden maken, zoals ooievaars die klepperen en spechten die tegen een boom aan roffelen.
De zangvogels gebruiken geen stembanden om hun prachtige zang te produceren, maar hebben hiervoor een speciaal orgaan; de syrinx. Deze zit in de buurt van de luchtpijp en is dus niet aanwezig bij alle vogels. Hoe gespierder de syrinx, hoe uitgebreider het zangpakket van de vogel.
Hulpmiddelen bij het herkennen van vogelgeluiden
Voor de beginnende vogelaar is het bijna onmogelijk om alle geluiden van elkaar te kunnen onderscheiden. Gelukkig zijn er een paar hulpmiddelen en ezelsbruggetjes die je op weg kunnen helpen. Allereerst is het vooral belangrijk om te oefenen. Hoe vaker je er mee bezig bent, hoe sneller je de eerste vogelgeluiden kunt herkennen. Daarnaast kun je de app Merlin Bird ID op je telefoon installeren. Deze app kan een groot scala aan vogelgeluiden herkennen en is handig als je buiten in de tuin of in het veld bent.
Tot slot kunnen we nog het boek ‘Wat zingt daar?’ aanraden. Dit is een praktisch boek met veel achtergrondinformatie over vogels. Tevens is het boek zo opgebouwd dat je per maand kunt zien wat je in de natuur zoal kunt horen en kun je dus ook heel specifiek op zoek. Dit boek is daardoor een boek dat niet mag ontbreken in de boekenkast van een vogelaar. Via deze link (bol.com) is het boek te bestellen.
Koolmees (Parus major)
De koolmees, een van de meest voorkomende tuinvogels in ons land, heeft een zeer gevarieerde en uitbundige zang. De tweetonige zang van de grootste mees van ons land kan vergeleken worden met het geluid van een fietspomp. Het geluid bestaat maar uit twee tonen, maar hierin kent de koolmees veel variatie. De zang van de koolmees is, naast in de tuin, op veel andere plekken te horen zoals in parken en bossen. Maak zelf een nestkast voor de koolmees, zodat de veelzijdige zang van de koolmees voortaan ook in jouw tuin is te beluisteren.
De zang van de koolmees
Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)
Het kleinere neefje van de koolmees is al een net zo graag geziene gast in de Nederlandse tuinen, de pimpelmees. Net zoals de koolmees is de pimpelmees van origine een bosvogel en kun je hem daar dus ook horen.
De zang van de pimpelmees kan omschreven worden als een fijne, heldere zang. Hij start met twee hogere tonen, gevolgd door een aantal lagere tonen. Die serie lagere tonen kan vergeleken worden met een belletje. Deze strofe herhalen ze regelmatig, waarna ze daarna nog verrassend kunnen gaan variëren in zang.
Het roodborstje is met zijn rode, opvallende borst (bij mannetjes) een onmiskenbare tuinnvogel. Maar naast het in het oog springende uiterlijk kun je de roodborst ook goed herkennen aan zijn zang. Ze hebben namelijk een opvallende, melodieuze zang die vaak omschreven wordt als een kabbelend beekje of waterval. De strofes worden afgewisseld met kenmerkende pauzes van ongeveer drie seconden.
Als een van de weinige vogels is de zang van het roodborstje ook in de winter te horen. Ze verdedigen dan nog fel hun territorium en dulden dan geen enkele soortgenoot (ook de vrouwtjes niet). Uit onderzoek blijkt dat roodborstjes hun zang afstemmen op hun omgevingsgeluiden. Op plekken met veel verkeerslawaai zingen roodborsten vroeger in de ochtend, zodat ze goed hoorbaar zijn voor concurrenten en potentiële partners.
De zang van het roodborstje
Vink (Fringilla coelebs)
Een andere graag geziene gast in veel tuinen is de vink. Ze komen in het hele land voor en de mannetjes vinken laten hun zang al vroeg in het jaar horen. Vaak zijn de eerste vinken al in februari te horen, wanneer ze terugkeren van het overwinteringsgebied (de standvogels zijn ook vanaf half februari te horen).
De vink heeft een herkenbare zang, die door het hele land te horen is, maar per regio kan verschillen. In grote lijnen is de zang van de vink te omschrijven als een lange, snelle zang met op het einde enkele korte, hoge tonen, die ook wel de vinkenslag genoemd wordt.
Dan door naar de meest voorkomende duif in Nederland, de houtduif. Deze grote duif is grijs van kleur en goed te herkennen aan de witte vleugelstreep en witte halsvlek, die overigens alleen bij volwassen dieren aanwezig is.
Ook het geluid is goed te onderscheiden van de ander duivensoorten, deze bestaat namelijk uit vijf tonen. Een handig ezelsbruggetje is dat je de vijf tonen kunt vervangen door: m’n opóe is dóód. Het geluid is daarnaast laag en schor. Naast de zang zijn de vleugels goed te horen van de duif. Bij opstijgen slaan deze boven én onder het lichaam tegen elkaar aan.
Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers
De zang van de houtduif
Turkse tortel (Streptopelia decaocto)
De andere duivensoort die zich regelmatig in tuinen laat zien (en horen) is de Turkse torel. Deze parmantige duiven zijn meer roze-beige van kleur, hebben een donkere halsband en donkerrode irissen. Naast dat de Turkse tortel qua uiterlijk goed te onderscheiden is van de houtduif, is deze aan de zang ook gemakkelijk te herkennen.
In plaats van vijf tonen bestaat de zang van de Turkse tortel meestal uit drie tonen. Deze start met een korte toon, gevolgd door een lange toon en eindigend met wederom een korte toon. In deze drie tonen is m’n opoe te horen, een beetje korter dan bij de houtduif dus. De zang van de Turkse tortel is vrijwel het hele jaar te horen.
Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers
De zang van de Turkse tortel (Xeno-canto – Frank Roos)
Merel (Turdus merula)
De merel is wellicht een van de mooiste vogels om in je tuin te treffen. De mannetjes hebben een prachtige zang en de vogels zijn zeer actief, waardoor er dus altijd wat te beleven is.
Ondanks het usutuvirus (waar de merel veel last van heeft) is het nog steeds de talrijkste broedvogel in ons land.
Merels zijn luidruchtige vogels. Naast de prachtige zang van de mannetjes hebben ze ook een luide, hevige alarmroep. De uitbundige zang laat het mannetje vaak horen vanaf een hoge plek, vaak vroeg in de ochtend of op het einde van de dag. De zang kan omschreven worden als een lange, rollende zang, met veel variatie.
In hun zang verwerken merels ook imitaties van andere vogels en omgevingsgeluiden. Als je dus goed gaat luisteren naar de merel zul je horen dat iedere merel net wat anders klinkt.
Een ander opvallend vogeltje die zich in veel tuinen laat zien is de winterkoning. Het is een van de kleinste vogels van ons land, maar heeft desondanks een zeer luide zang. De winterkoning is goed te herkennen aan het formaat, de bruine kleur en het omhoog staande staartje.
Zoals gezegd hebben ze een zeer luide, harde zang (zeker in vergelijking met het formaat). Ze beginnen al vroeg in het jaar te zingen. De zang wordt soms omschreven als een haperend wekkertje. De zang bestaat uit verschillende strofes met rollers en trillers erin verwerkt en meestal eindigend met een harde noot.
De zang van de winterkoning (Xeno-canto – Uku Paal)
Huismus (Passer domesticus)
We sluiten af met de vogel die het meeste gezien wordt in de Nederlandse tuinen (volgens de nationale tuinvogeltelling): de huismus. Ondanks dat de huismus het meest gezien wordt, lopen de aantallen toch sterk terug.
Mannetjes en vrouwtjes verschillen qua uiterlijk sterk van elkaar. In geschikte tuinen vormen huismussen vaak grote families en zijn dan ook veelvuldig te horen. De zang beperkt zich tot een kenmerkend getjilp. In het tjilpen zijn veel variaties te ontdekken. Als je je eenmaal bewust bent van het getjilp van de huismus, hoor je hem overal.
De zang van de huimus (Xeno-canto – Pascal Christe)
In deze blog hebben we de zang van enkele van de meest algemene tuinvogels besproken. Deze vogels zijn een uitstekend beginpunt om te starten met het herkennen van vogelgeluiden. Voor de meeste is er een handig ezelsbruggetje en veel zijn vanuit je eigen tuin te horen. Wanneer je deze eigen hebt gemaakt kun je er op uit en proberen ook de geluiden van andere vogels te herkennen. Welke vogels hoor jij allemaal in je tuin?
In een voorgaande wandelblog benoemden we het al, Zuid-Limburg is één van de beste plekken voor een mooie wandeling in Nederland. De hike die we in deze blog beschrijven, bewijst dat maar weer eens. Deze lange hike van 21 kilometer start in Epen en leidt je door het bijzondere Vijlenerbos naar het Drielandenpunt in Vaals. De terugweg naar Epen heeft een totaal ander karakter dan de heenweg door het Vijlenerbos.
Dit kun je verwachten:
Een uitdagende wandeling van 21 kilometer door een heuvelachtig landschap (link naar de route (PDF, GPX);
Een zeer afwisselend landschap met bossen, kruidenrijke graslanden en een rivierdal;
Het bijzondere Vijlenerbos;
Het drielandenpunt.
Het kenmerkende Zuid-Limburgse heuvellandschap (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
Landschap
Het landschap is eigenlijk de beste reden om deze wandeling te doen. Tijdens deze wandeling loop je van het prachtige dorpje Epen, met de vele vakwerkhuizen, naar het Drielandenpunt in Vaals en weer terug. Echter zijn de heen en terugweg totaal anders qua landschap. De heenweg leidt je door het Vijlenerbos, of beter gezegd; de Vijlenerbossen. Het zijn namelijk meerdere hellingbossen samen (allen in bezit van Staatsbosbeheer), die samen de Vijlenerbossen vormen.
De heenweg door de Vijlenerbossen zorgen voor flink wat hoogtemeters in de eerste helft. Dit leidt uiteindelijk tot het Drielandenpunt in Vaals. Vanaf hier wordt de weg terug ingezet, waarin voornamelijk gedaald wordt. De weg terug gaat voor een groot deel door België. Hier bevindt je je in meer open landschap, met zo nu en dan prachtige vergezichten. De route loopt door de dorpjes Gemmenich en Cottessen.
Het enige minpuntje aan deze wandeling vonden wij het stuk over de golfbaan en vervolgens een klein stukje over een camping bij Cottessen. Dit past iets minder bij het karakter van de wandeling, maar is zeker geen reden om de wandeling over te slaan.
Deze zomerlinde werd rond 1670 aangeplant (De natuur van hier – Sandra Krol)
Als je bereid bent om de wandeling uit te breiden met zo’n 1,5 kilometer en een aantal hoogtemeters, dan heb je ook nog de kans om een 350 (!) jaar oude zomerlinde te zien. Op onderstaande kaart zie je waar je even naar rechts en vervolgens naar links moet op de route (tot aan de blauwe cirkel) om deze verwonderlijke verschijning te zien.
Locatie 350 jaar oude zomerlinde (blauwe cirkel) (bron kaart: wandelgidszuidlimburg.com)
Het laatste stuk van de route is net zo bijzonder als het stuk door de Vijlenerbossen. Dit keer loop je, nog steeds dalend, door het open landschap in het Geuldal. Dit landschap is rijk aan bronnen, waaruit meerdere beekjes ontspringen. Je loopt hier onder andere langs de Geul, Selzerbeek en Terzieterbeek.
Je passeert daarnaast de Volmolen, gelegen aan de Geul. Deze molen werd vroeger gebruikt om wol te bewerken. Tegenwoordig is het een graanmolen.
De Volmolen in Epen. De eerste vermeldingen van een molen op deze plek dateren uit 1680 (De natuur van hier – Sandra Krol)
Flora en fauna
Ook voor bijzondere flora en fauna zit je met deze wandeling goed. Het Vijlenerbos is een van de weinige plekken met meerdere aan elkaar gelegen hellingbossen op hoogte, met ook nog kalk in de bodem (te zien aan de maretakken in sommige bomen). Dit zorgt voor een eigen microklimaat en biodiversiteit.
Vroeg in de ochtend, aan het begin van de wandeling, hoorden en zagen we een juveniele havik druk roepen op zijn ouders (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
Je kunt hier bijvoorbeeld, op de draaihals na, alle broedende spechten in Nederland tegenkomen. Daarnaast is dit een van de weinige plekken waar je de zeldzame kortsnavelboomkruiper kunt zien. Andere leuke soorten zijn de grauwe vliegenvanger en hoog in de boomtoppen de appelvink en de wielewaal. Qua roofvogels kun je hier onder andere buizerds, rode wouwen, wespendieven en haviken zien.
In het bos leven daarnaast talloze zoogdieren. Er zijn maar liefst vijf soorten marterachtigen te vinden: de das, wezel, hermelijn, bunzing en steenmarter. Daarnaast komt er ook de zeldzame wilde kat voor. Helaas hebben wij tijdens onze wandeling geen van deze dieren gezien, maar wel enkele andere zoogdieren. Drie keer tijdens de wandeling stonden we oog in oog met een ree en één keer kruisten we de weg met twee everzwijnen.
Reegeiten zijn in de maanden juli en augustus al ‘fiepend’ op zoek naar reebokken om te paren (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
Bijzondere amfibieën
Tot slot willen we nog de bijzondere amfibieën benoemen die in dit gebied voorkomen. De bronnen en beekjes in het Geuldal en het Vijlenerbos zijn ontzettend waardevol voor deze soortgroep. Dit gebied herbergt dan ook enkele van de meest zeldzame soorten die we in Nederland vinden. Het gebied is vooral rijk aan salamanders. Onder andere de alpenwater-, vinpoot- en vuursalamander leven in dit natuurgebied. Het is tevens ook een erg kwetsbaar gebied, dus houd hier rekening mee tijdens je bezoek aan het gebied.
Buizerd (De natuur van hier)Gewone pad – juveniel (De natuur van hier)Gewone wijngaardslak (De natuur van hier)
Eten en drinken
Als je onderweg wat wil eten en drinken, dan heb je verschillende opties. Maar zorg er wel voor dat je altijd voldoende drinken mee hebt, gezien de afstand van de wandeling. Op de Vaalserberg kun je terecht bij de Wilhelminatoren, de Bokkerijder, Taverne De Grenssteen en Le Bistro. Ter hoogte van de golfbaan kun je terecht bij Brasserie Porcini en aan het begin/einde van de wandeling kun je op het terras plaatsnemen van Hotel Herberg De Smidse.
Wil je na de hike in de buurt blijven overnachten? Kijk dan eens hier op Natuurhuisje voor bijzondere plekken in de buurt van Epen. Je vindt er vaak de meest unieke en bijzondere plekjes in de natuur, waar je écht tot rust komt.
Een van de beste gebieden in Nederland voor een prachtige wandeling is Zuid-Limburg. Iedere streek in Zuid-Limburg heeft zijn eigen kenmerken en karakterestieken, allemaal uniek voor ons land. Deze zomer maakten we een wandeling in en rondom Noorbeek en Mheer. Twee idyllische dorpjes aan de grens bij België, middenin het heuvelland. Deze dertien kilometer lange wandeling brengt je op de mooiste plekjes die Zuid-Limburg te bieden heeft.
Dit kun je verwachten:
Een 13km lange wandeling door een heuvelachtig landschap (link naar de route (PDF, GPX));
Afwisselende landschappen met bossen, bloemrijke graslanden en kleine landschapselementen;
Kleine landschapselementen zoals hagen, poelen, graften;
De idyllische dorpjes Noorbeek en Mheer;
Het kasteel van Mheer.
Deze wandeling voert door het prachtige heuvelland in Zuid-Limburg(De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
Landschap
De wandeling loopt onder andere door de dorpjes Noorbeek, Libeek en Mheer. In deze prachtige dorpjes staan her en der nog oude vakwerkhuisjes, die typerend zijn voor deze streek. Daarnaast wordt onder andere het natuurgebied het Noordal aangedaan. Door dit natuurgebied stroomt de rivier de Noor en het natuurgebied is daarnaast het leefgebied van de zeldzame hazelmuis.
Aan het begin van de route loop je door een oude meidoornlaan (De natuur van hier – Sandra Krol)
Tijdens deze wandeling wordt een verscheidenheid aan landschappen aangedaan. De wandeling wisselt van bossen naar bloemrijke graslanden afgewisseld met kleine landschapselementen. Typerende kleine landschapselementen voor dit gebied als holle wegen, graften (smalle oppervlakten van struikachtige begroeiing tussen weilanden op hellingen), poelen en hagen kleuren het landschap.
Het wisselende landschap zorgt ervoor dat je je geen moment verveelt tijdens de wandeling(De natuur van hier – Sandra Krol)
Het afwisselend landschap zorgt voor een gevarieerde flora en fauna. Van alle soortgroepen zijn hier, op het juiste moment, prachtige soorten waar te nemen. Een van die bijzondere soorten is de das. De das voelt zich thuis in dit heuvellandschap, waar hij ongestoord zijn burchten kan graven. Een das tijdens de wandeling zien zal er hoogstwaarschijnlijk niet inzitten, het zijn erg schuwe dieren. Voetsporen, uitwerpselen of een burcht zijn natuurlijk wel mogelijk!
Qua vogels zijn hier ook zeker mooie soorten te zien tijdens de wandeling. Hoog in de lucht zijn vaak buizerds en torenvalken te zien, maar ook op de rode wouw maak je een goede kans. In het hoogbos zijn soorten als vuurgoudhaan en middelste bonte specht te zien. In het (half)open landschap maak je kans op de grauwe klauwier en in het juiste seizoen (voor- en najaarsterk) kunnen er zomaar tientallen tot honderden kraanvogels overvliegen.
De diverse poelen langs de wandelroute zijn uitstekende leefgebieden voor amfibieën(De natuur van hier – Sandra Krol)
Amfibieën, vlinders en flora
De vele poelen in het landschap zijn een uitstekend leefgebied voor van allerlei amfibieën. Onder andere de alpenwatersalamander en de zeldzame vroedmeesterpad komen hier voor. De bloemrijke graslanden trekken veel vlinders aan, waaronder de dagpauwoog, icarusblauwtje en de koninginnenpage.
Wat betreft beplanting kun je onder andere uitkijken naar slanke sleutelbloem, salomonszegel en aarbeiganzerik. Daarnaast zijn er langs de route enkele oude bomen te vinden, met als uitschieter de Huuskesboom in Libeek. Dit is een Hollandse Linde die in de 18e eeuw aangeplant is en dienst deed en doet als grensboom. De boom is ook een zogenoemde spijkerboom en er hangen nog altijd lapjes stof in. Deze worden erin gespijkerd in de hoop op genezing. Er wordt geschat dat de boom ongeveer 250 jaar oud is. Een indrukwekkende verschijning!
Een snorzweefvlieg op de bloem van een wilde cichorei. Een van de meest algemene zweefvliegen in Nederland(De natuur van hier – Sandra Krol)
Kasteel van Mheer
Richting het einde van de route kom je in het dorpje Mheer, waar ook het kasteel van Mheer staat. Een van de vele kastelen in Zuid-Limburg. Dit kasteel is in 1314 gebouwd en gedurende de eeuwen steeds verder uitgebreid. Sinds 1668 is het kasteel al in het bezit van dezelfde familie (familie Loë). Het terrein voor het kasteel is vrij toegankelijk.
Het kasteel van Mheer werd in 1314 gebouwd en is gedurende de tijd steeds verder uitgebreid(De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
Als je onderweg wat wil eten en drinken dan is dit vooral mogelijk aan het einde van de route, in de dorpjes Mheer en Noorbeek. Wij kozen ervoor om wat te gaan eten bij Taverne in de Smidse in Mheer en dit kunnen we zeker aanraden. Op het terras aan de doorgaande weg genoten we van een goed verzorgde lunch. Voor de ingang van de Taverne is tevens ook een oude waterput in de grond (via een glasplaat) te zien. Deze waterput was lange tijd cruciaal voor de inwoners van het dorp, maar is inmiddels uitgeput.
Wil je na de hike in de buurt blijven overnachten? Kijk dan eens hier op Natuurhuisje voor bijzondere plekken in de buurt van Noorbeek. Je vindt er vaak de meest unieke en bijzondere plekjes in de natuur, waar je écht tot rust komt.
Toegangspoort naar de binnenplaats van het Kasteel van Mheer(De natuur van hier – Sandra Krol)
Ongeveer gelijktijdig met de start van deze website hebben we een huis kunnen kopen met ongeveer 3500m2 grond erbij. Ons doel is deze 35 are de komende jaren om te turnen naar een natuurtuin waarbij er ruimte is voor allerlei wilde vogels en andere dieren. De voortgang hiervan houden we bij en delen we in een terugkerende blog met jullie. In deze blog lees je wat er allemaal gebeurde in de lente!
27 juni 2023
In onze vorige blog, bijna vier maanden geleden, was het winter en was het relatief rustig in de natuurtuin. In deze periode hadden we ook weinig tijd om werkzaamheden uit te voeren in de tuin, en bleef het bij het ophangen van een vleermuizenkast, het plaatsen van een egelhuis en het bouwen en ophangen van een kauwenkast. In deze blog gaan we kijken naar de lente die zijn intrede doet, met de explosie van leven tot gevolg.
Zonsondergang in het vroege voorjaar (Sandra Krol – De natuur van hier)
Aanleggen van een poel
Voordat we meer kunnen vertellen over die explosie van leven, is het zaak om een van de oorzaken hiervan te bespreken. Een van onze grootste wensen was het aanleggen van een (of meerdere) poel(en) en begin maart namen we het besluit te beginnen met het maken van een klein poeltje, achter in de tuin. Het doel was om een klein poeltje te realiseren op een beschutte plek voor de voortplanting van kikkers, padden en salamanders en een drinkplaats voor vogels te creëren.
De grond die vrij kwam uit het gegraven gat, hebben we gebruikt om naast de poel een kleine heuvel te maken die we hebben ingezaaid met een inheems éénjarig akkermengsel. We hebben daarnaast enkele dode takken rechtop gezet rondom de poel, wat vogels kunnen gebruiken om veilig bij de poel te kunnen landen.
Een witte kwikstaart is een van de eerste bezoekers bij de pas aangelegde poel (De natuur van hier)
Kikkerdril bruine kikkers
Via via konden we een aantal hompen kikkerdril krijgen. Deze lagen nu in een verwaarloosd zwembad waar een kleine laag water in stond. Het opknappen van het zwembad stond in het voorjaar op de planning, dus de dril had er geen kans van slagen. Ondanks dat onze poel nog in de opstartfase zat, hebben we het aangedurfd om de kikkerdril in onze poel zich verder te laten ontwikkelen. En dat gebeurde.
Een van de hompen kikkerdril (De natuur van hier – Sandra Krol)
Het feit dat de poel net enkele weken oud was en er nog nauwelijks macrofauna (belangrijk voedsel voor kikkers) in te vinden was, was natuurlijk een risico. Daarnaast zouden de kikkervisjes voor een grote onbalans in de poel zorgen. Maar dat is natuurlijk nog altijd beter dan in een verwaarloosd zwembad wachten totdat deze wordt aangepakt, met alle gevolgen van dien.
Kikkervisjes
Kikkervisjes warmen op in het ondiepe stuk van de poel (De natuur van hier – Sandra Krol)
Na enkele weken zagen we de eerste kikkervisjes rondzwemmen. Eerst een paar, toen tientallen, vervolgens honderden en op het laatst misschien wel meer dan duizend kikkervisjes. Een explosie van nieuw leven, naarstig op zoek naar voedsel om zich verder te kunnen ontwikkelen. Omdat er in de poel nauwelijks wat te vinden was, moesten we met een creatieve oplossing komen. De daarop volgende weken hebben we iedere dag twee keer de kikkervisjes gevoerd met visvoer en gedroogde meelwormen.
Een kikkervisje samen met een gemetamorfoseerde kikker (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)
En met succes. Na verloop van tijd zagen we het eerste mini-bruine kikkertje dat aan land kroop. Geen staart meer, maar twee achterpoten. Geen dikke kop meer, maar een slank hoofd en een lichaam met een kleurenpatroon dat steeds meer lijkt op dat van de adulte kikkers. Iedere dag kwamen er meer kikkers het water uit gesprongen. Een prachtige levenscyclus in de natuur om van zo dichtbij mee te maken.
Een van de eerste bruine kikkers die na de gedaantewisseling het water uitkomt (De natuur van hier – Sandra Krol)
Vogels, vogels en nog eens vogels!
Naast kikkers was er nog een soortgroep die zich volop heeft ontwikkeld de afgelopen maanden in onze natuurtuin: vogels. Waar we bij de eerste blog nog schreven dat er nauwelijks vogels in de ‘natuurtuin’ aanwezig waren, is dit na pakweg acht maanden totaal anders.
Koolmezen, pimpelmezen, vinken, distelvinken, zwarte roodstaarten, eksters, Turkse tortels en houtduiven zijn vaste gasten in de tuin en hebben allen hun eigen plek gevonden. De mussenfamilie die zich vorig jaar nog ophield in het struweel bij de overburen lijkt ook definitief de straat over gestoken te zijn. Daarnaast laten de zwarte kraaien, kauwen, spreeuwen, grote bonte- en groene spechten zich regelmatig zien. Zelfs de buizerd hebben we een paar keer aangetroffen op het dak van de schuur.
Een kakofonie aan geluiden
Er is dan ook regelmatig een kakofonie aan vogelgeluiden te horen in de tuin. Zeker in het voorjaar, wanneer de mannetjes de vrouwtjes proberen te versieren met hun mooiste zang. Door hier goed naar te luisteren en opnames te maken met de Merlin Bird ID app, ontdekten we ook de vogels die zich niet zo snel laten zien.
Grasmus – Sylvia communis
Grasmussen zijn onopvallende vogeltjes, maar de zang is daarentegen wel heel opvallend (Saxifraga – Mark Zekhuis)
Een van die onopvallende vogels is de grasmus. Grasmussen houden zich voornamelijk op in struweel of in de zoomvegetatie aan de rand van een bos. Ze gebruiken vervolgens enkele hogere bomen om hun prachtige zang zo ver mogelijk te laten reiken. Dat is ook het moment dat je ze kunt zien. Je kunt ze herkennen aan de witte keelvlek en de grijsachtige kopkap (vooral bij mannetjes duidelijk zichtbaar). Een ander opvallende kenmerk is de roestoranje vleugel. Hieronder hoor je de grasmus in onze tuin zingen.
Zang grasmus (De natuur van hier)
Kakofonie
Veel vogels in je tuin, betekent in het voorjaar ook veel vogelgeluiden. Naast de prachtige zang van de grasmus lieten nog tientallen vogels in de ochtend- en avonduren hun gezang horen. In onderstaande opname zijn maar liefst twaalf soorten te horen; de merel, zwartkop, vink, boerenzwaluw, grasmus, geelgors, boomkruiper, tjiftjaf, Turkse tortel, distelvink, koolmees en winterkoning!
Zang van diverse vogels (De natuur van hier)
Succesvolle broedsels
Al dat gezang heeft er uiteindelijk ook voor gezorgd dat er paartjes gevormd zijn. Enkele weken later zagen we namelijk meerdere bezette nestjes in onze tuin. De koolmezen hadden een nestkastje gevonden die we hadden opgehangen aan de achterkant van het tuinhuisje. De tortels hadden daarentegen een nest, op een ongemakkelijk uitziende plek, in de grote schuur gevonden. Beide soorten hebben met het eerste legsel van het jaar succesvol twee jongen op de wereld gebracht.
Later werden we nog verrast met enkele juveniele zwarte roodstaarten. Deze hielden zich in de schuur op en hebben daar schijnbaar ook een nestje gehad.
De Turkse tortels hadden een succesvol eerste legsel van het jaar (Mickeal Kurvers – De natuur van hier)
Resultaten en planning
Uiteraard hebben we ook dit kwartaal weer de nieuwe soorten bijgehouden. Het vorige totaaloverzicht hebben we herzien en hier wat nieuwe gegevens in gezet. We kijken niet meer naar soorten in en rondom de tuin, maar hebben het enkel nog over soorten in de tuin. Hierbij tellen we bij planten en kleinere dieren enkel de soorten die we daadwerkelijk in de tuin hebben. Bij vogels en zoogdieren rekenen we alle soorten die we vanuit onze tuin kunnen zien. Daarnaast rekenen we uiteraard de plantensoorten die we aangeplant en ingezaaid hebben niet mee.
Soortenoverzicht natuurtuin 27-06-2023 (De natuur van hier)
In totaal hebben we nu 200 soorten waargenomen. Bij de vorige blog, een kleine vier maanden geleden, waren dit er nog 127. Een mooie stijging dus. Deze 200 soorten zijn verdeeld over 113 verschillende families en zijn ingedeeld in 17 soortgroepen. De twee soortgroepen die we nog steeds het meeste waarnemen zijn vogels en planten. We hebben daarnaast een grafiek toegevoegd die aangeeft hoe vaak we een zeldzaamheid waarnemen. Zoals je ziet is het overgrote deel van de waarnemingen algemeen voorkomend (volgens classificatie waarneming.nl). De data is overigens tot stand gekomen met behulp van de website waarneming.nl.
Planning
De komende periode staan er vooral wat onderhoudsklussen op de planning. Wellicht dat we aan een project beginnen dat iets te maken heeft met een plantenfilter en een stapelmuurtje. Over een kwartaal zullen we de voortgang van onze natuurtuin in ontwikkeling weer delen.
Disclaimer: in deze terugkerende blog spreken we over een natuurtuin. Echter is dit niet een standaard tuin waar de meest mensen aan denken bij het woord tuin. Het grootste deel van het perceel wordt aangeplant met uitsluitend inheemse beplanting, die terugkeren in het omliggende landschap. Hier laten we de natuur vervolgens zoveel mogelijk haar gang gaan.
In Nederland leven twee soorten dieren die behoren tot de orde haasachtigen, de haas en het konijn. Beide zijn het op de grondlevende dieren met grote oren en relatief lange poten. Ze houden zich op in open- en halfopen landschappen en voeden zich voornamelijk met gras en kruidachtige planten. Maar wat zijn nou de verschillen tussen de haas en het konijn? Als je weet op welke kenmerken je moet letten, wordt het in het veld veel makkelijker om ze uit elkaar te houden.
De meeste mensen zullen denken dat de haas en het konijn behoren tot de knaagdieren, maar ze behoren echter tot een aparte orde binnen de zoogdieren, de haasachtigen. Het werd lange tijd gedacht dat hazen inderdaad tot de knaagdieren behoorde, maar op basis van verschillen in het gebit en de kaken worden ze tegenwoordig gezien als een aparte orde.
Haasachtigen zijn goed te herkennen aan de meestal grote oren en spleetvormige neusgaten en gespleten bovenlip
Kenmerkend voor de haasachtigen is dat het lichaam zich laag bij de grond bevindt, ze over het algemeen lange oren hebben, relatief lange poten, een korte staart en een dikke vacht. Ze hebben daarnaast spleetvormige neusgaten en grote voortanden. In Europa zijn tegenwoordig nog zeven soorten haasachtigen te vinden, waarvan er twee ook in Nederland voorkomen (Europese haas – Lepus europaeus en Europees konijn – Oryctolagus cuniculus).
Verschillen hazen en konijnen
Ondanks dat ze veel op elkaar lijken, zijn er ook zeker verschillen te vinden tussen de haas en het konijn. Het eerste verschil is een beetje flauw, maar zit hem al in het lidwoord. We spreken in de Nederlandse taal van de haas en het konijn. Mannetjes noemen we bij beide soorten rammelaren. Vrouwtjes noemen we bij het konijn voedsters, bij hazen moeren.
Om in het veld de haas en het konijn uit elkaar te houden, is het belangrijk om te letten op de fysieke verschillen tussen de twee. Het makkelijkste verschil om te zien is dat een haas een stuk groter en zwaarder is dan een konijn. Hazen hebben een kop-romplengte van 50 tot 65 centimeter en kunnen tot vijf kilogram wegen. Konijnen bereiken een kop-romplengte van 35 tot 45 centimeter met een maximaal gewicht van 2,5 kilogram. Beduidend kleiner dus.
Een ander opvallend kenmerk zijn de oren, waarbij ook wat verschillen zijn op te merken. Als eerste zijn die van de haas langer. Daarnaast hebben hazen aan de bovenkant van de oren een zwarte punt, konijnen hebben enkel een donker randje.
De grote oren, en de zwarte punt bovenaan de oren, zijn kenmerkend voor de haas
Qua vacht lijken de twee best op elkaar. Beide zijn ze grijsbruin van kleur, al kan er bij hazen onderling nog wel verschil optreden, afhankelijk van waar ze leven. Er is wel een verschil te ontdekken tussen de haas en het konijn in de wolharen, die zich tussen de dikkere dekharen bevinden. Bij konijnen zijn deze grijs, bij hazen wit.
Atletische bouw hazen
Hazen zijn tot slot een stuk atletischer gebouwd dan konijnen. De langere poten zorgen ervoor dat hazen sneller zijn dan konijnen. Daarnaast zijn hazen meer gebouwd om langere afstanden te rennen, konijnen moeten het vooral hebben van de korte sprintjes. Hazen zijn over het algemeen ook wat slanker gebouwd dan konijnen, wat het atletische vermogen onderstreept.
Verschillen in leefwijze
Naast fysieke verschillen zijn er ook zeker verschillen in leefwijze te vinden tussen de haas en het konijn. Hazen leven in Nederland voornamelijk in weilanden, aan de bosranden, in open bossen en soms in kwelders. Konijnen leven vooral in halfopen landschappen en aan de bosrand. Ze komen daarnaast ook voor in tuinen en parken. Konijnen ontbreken in vochtige gebieden en op kleiige gronden.
Hazen zijn goede lopers en kunnen in sprint een snelheid van maar liefst 65 kilometer per uur bereiken
Konijnen zijn holengravers en dat is precies de reden waarom ze niet op kleigronden voorkomen, maar voornamelijk op zandgronden. Hierdoor ontbreekt het konijn op best wat plekken in Nederland, de haas is dus meer verspreid in Nederland. Dit geldt overigens niet in alleen in Nederland. Als we naar Europa kijken, dan heeft de haas ook hier een algemenere verspreiding. Hazen vinden we zelfs in het hooggebergte. Konijnen komen maar tot een hoogte van circa 700 meter boven zeespiegelniveau voor.
Waarnemingen
Beide soorten hebben last van de intensivering van de landbouw. Doordat de landbouwgronden steeds groter worden en er meer een monocultuur wordt toegepast, verdwijnen geschikte leefgebieden voor de haas en het konijn. Het is daarom ook raadzaam om je waarnemingen altijd door te geven via waarneming.nl. Deze gegevens kunnen gebruikt worden om (positieve en negatieve) trends te ontdekken in de populaties, waardoor er beter gestuurd kan worden op het beheer van leefgebieden.
Een ander groot verschil tussen de twee betreft het maken van een schuilplaats. Konijnen zijn zoals gezegd echte holengravers. Dit is ook precies de reden waarom ze het meeste voorkomen op zandgronden, hier is het gewoon makkelijker graven. Konijnen zijn daarom ook vaak te vinden in duinen. Hier vervullen ze een belangrijke ecologische rol in het ecosysteem (en daarmee bijdrage aan het behoud van de ecosysteemdiensten die duinen leveren), omdat ze op een natuurlijke wijze (al grazend) de duinen open houden.
Konijnen prefereren zandgronden, omdat ze hier goed in kunnen graven (Saxifraga – Piet Munsterman)
Konijnenholen bestaan vaak uit meerdere gangenstelsels met diverse kamers, meestal zelf gegraven. Zo nu en dan maken ze ook gebruik van een oude dassenburcht, maar vaak genoeg maken ze het hele hol zelf. In een konijnenhol leeft een familie met maximaal tien individuen. Het konijn is honkvast en blijft jaarrond in de buurt van het hol.
Konijnen maken een hol met lange gangenstelsels die diverse kamers met elkaar verbinden (Saxifraga – Hans Dekker)
Hazen besteden iets minder moeite aan hun schuilplek. Hazen maken zogenoemde hazenlegers. Dit is niets meer dan een ondiepe kuil, tien tot twintig centimeter diep waarin hij zijn grote lichaam net kwijt kan. Deze legers maken ze meestal in hoog gras, in de zoom (overgang van gras naar bos) of onder heggen. Hazen zijn dan ook niet zo honkvast aan hun leger als konijnen aan hun hol zijn. In de winter brengen hazen vaak de meeste tijd door in het bos.
Voortplantingsgedrag hazen
Over het algemeen leven hazen solitair, dus niet in een familie zoals konijnen. Enkel tijdens de paartijd, en soms in de winter, zoeken ze elkaar op en leven ze tijdelijk in kleine groepen. In deze periode vindt ook het bekende rammelen plaats, wat we alleen zien bij hazen. De hazen rennen dan achter elkaar aan, wat kan leiden tot het boksen met elkaar. Ze staan dan op hun achterpoten en slaan met de voorpoten naar elkaar. Dit hoort allemaal bij het voorspel op de paring. Wanneer een rammelaar en moer elkaar gevonden hebben, zonderen ze zich af van de groep en vindt de paring plaats.
Het rammelen tijdens de paartijd bij hazen levert vaak spectaculaire beelden op (Saxifraga – Piet Munsterman)