Hike Maboge (Ardennen) 15,2 km

Loofbos Ardennen (De natuur van hier - Sandra Krol)

Op ongeveer een uur rijden vanaf de Nederlandse grens bevinden zich de prachtige Belgische Ardennen. Een waar wandel- en fietsparadijs door uitgestrekte naald- en loofbossen, prachtige rotsformaties en ruige rivieren en watervallen. In deze blog lees je onze review van een 15,2 kilometer lange hike door het hart van de Ardennen. Deze hike biedt alles wat je van een Ardennen hike mag verwachten. Zorg dat je fit bent, want het is zeker een uitdaging!

Dit kun je verwachten:

  • Een uitdagende hike van 15,2 kilometer (in te korten naar 13 kilometer) door een uitdagend, heuvelachtig landschap (link naar de route GPX);
  • Het unieke landschap van de Ardennen;
  • Een ontmoeting met de Ourthe, een zijrivier van de Maas;
  • Op een steenworp afstand van bierbrouwerij Chouffe, uitstekend te combineren met een bezoek aan de brouwerij.

De route

De route leidt door het hart van de Ardennnen, met alle uitdagingen van dien. De route heeft een lengte van 15,2 kilometer, maar is in te korten naar 13 kilometer. Indien je de 13 kilometer wil lopen, kun je de laatste lokale ronde overslaan. Tijdens de hike worden er ruim 400 hoogtemeters bedwongen. Deze zijn verdeeld over twee serieuze klimmetjes (de hike start vrijwel meteen met een serieuze klim) en een kort, pittig klimmetje op het laatst. We besloten nog kort voor de hike een wandelstok te kopen en hier hebben we absoluut geen spijt van gekregen. Er zitten dusdanig steile stukken tussen dat een wandelstok zeker geen overbodige luxe is.


Lees ook: hike Epen (Zuid-Limburg) 21km


Het landschap

De route heeft alles wat de Ardennen te bieden heeft. Allereerst loopt de route door een naaldbos, waar je kans hebt op het horen of zien van een goudhaan of kuifmees. Na een paar kilometer verlaat je het naaldbos en daal je af richting de rivier de Ourthe. Hier verandert ook het landschap. De naaldbomen maken plaats voor loofbomen zoals beuken, berken en esdoorns, veelal bedekt met mos, en er komt meer ondergroei in de vorm van braam en jonge hazelaar.

De Ourthe (De Natuur van hier - Sandra Krol)
De Ourthe (De Natuur van hier – Sandra Krol)

De tocht vervolgt een klein stuk langs de Ourthe, waarna het vrij snel afdwaalt langs een zijtak van de Ourthe. Hier gaat het ook meteen weer omhoog. In de zijrivier voelt een beverfamilie zich al jaren thuis, want stroomopwaarts volgen de beverdammen zich snel op en worden ze alsmaar indrukwekkender. Het zijn er in totaal een stuk of zeven en de laatste is van serieuze omvang en meerdere jaren oud. De impact op het omringende landschap was ook duidelijk zichtbaar, er was andere vegetatie te vinden en we zagen er onder andere een blauwe glazenmaker (en dat diep in de herfst).

Verandering van het landschap

Al klimmend vervolgt de route door een stuk naaldbos, een stuk waar de wandelstokken goed van pas kwamen, en kom je uit het bos op ongeveer de hoogste plek van de wandeling (op circa 400 meter). Hier wordt het landschap wat meer open en wisselen bossen en weilanden zich af. Dit zorgt ervoor dat de hike een mooie afwisseling van landschappen heeft. De route gaat vervolgens voornamelijk naar beneden, totdat je weer in Maboge terecht komt. Je steekt de Ourthe weer over en om de 15,2 kilometer te voltooien loop je nog een lokale ronde met daarin een kort, maar steil klimmetje. Als je de 13 kilometer loopt, keer je meteen terug naar de auto.

Flora en fauna

Uiteraard biedt de Ardennen ook altijd een groot scala aan soorten flora en fauna. Voor de vogelliefhebber is er van alles te ontdekken. In de naaldbossen is het uitkijken naar (vuur)goudhaan, kuifmees en zware specht. In de gemengde- en loofbossen zijn daarnaast veel andere meesachtigen te vinden, zoals de koolmees, pimpelmees, staartmees en glanskop.

Herfst (De natuur van hier - Sandra Krol)
De herfst is een prachtige periode om door de Ardense bossen te struinen (De natuur van hier – Sandra Krol)

Ook boomkruiper en boomklever zijn veelvuldig aanwezig. Een andere leuke, maar schuwere soort om naar op zoek te gaan is de goudvink. De meeste kans om deze soort te vinden is door te focussen op het kenmerkende geluid dat hij maakt. In het najaar zijn ook veelvuldig gaaien te zien en te horen en een ontbrekende kraaiachtige in Nederland: de notenkraker.


Eerder zeiden we al dat we tijdens de hike een blauwe glazenmaker hadden gezien, maar er zijn nog veel meer soorten libellen te ontdekken. De Ardennen zijn er niet per see om bekend, maar het heeft een grote verscheidenheid aan soorten libellen en juffers. Zo zijn er naast de blauwe glazenmaker ook de bruine glazenmaker, zwarte heidelibel, steenrode heidelibel en gewone bronlibel te vinden.

Lees ook: wat is het verschil tussen juffers en libellen?

Libelle silhouette

Flora en fungi

Qua flora viel ons vooral de reuzenbalsemien op. Deze invasieve exoot verspreid zich enorm snel en zorgt ervoor dat andere inheemse planten geen kans krijgen. Daarnaast zijn oevers die slechts begroeid zijn met reuzenbalsemien extra gevoelig voor erosie in de winter, omdat deze plant in de winter afsterft. Dit kan nadelig zijn voor het functioneren van de rivier en het voortbestaan van soorten die afhankelijk zijn hiervan.

Gelukkig zagen we daarnaast ook een ‘explosie’ van inheemse soorten. Midden oktober stonden de paddenstoelen in alle soorten en maten in volle glorie. In onderstaande galerij een greep van de bijzondere fungi die we onderweg hebben gezien.

Van links naar rechts: gewoon eekhoorntjesbrood, amethistzwam, Myxomyxeet indet, gewone glimmerinktzwam en graskleefsteelmycena (De natuur van hier)

Eten en drinken

Om na de hike in de buurt wat (kleins) te eten of te drinken zijn er diverse opties. Het dichtstbijzijnde is café Den Erpel nabij de kerk in het dorp. Hier heb je de mogelijkheid om iets kleins te eten of om wat te drinken (uitgebreide bierenkaart). Daarnaast kun je ervoor kiezen om naar de Chouffe brouwerij te rijden, zo’n elf kilometer verderop. Hier kun je op diverse plekken wat eten of drinken en zou je zelfs je hike kunnen combineren met een bezoek aan de brouwerij. Heb je zin in wat makkelijks en snel, stop dan op de terug weg bij La baraque de fraiture. Dit is een gezellig wegrestaurant/-cafetaria waar je prima kunt eten.


Lees ook: dome boomhut Ardennen


Wil je na de hike in de buurt blijven overnachten? Kijk dan eens hier op Natuurhuisje voor bijzondere plekken in de buurt van Maboge. Je vindt er vaak de meest unieke en bijzondere plekjes in de natuur, waar je écht tot rust komt.

Waarom bouwen bevers dammen?

Beverdam

Vroeger kwam de bever algemeen voor in ons waterrijke land en was het een van de belangrijkste architecten van de natuurgebieden. Maar door intensieve bejaging verdween de bever uit Nederland. Sinds 1988 zijn er weer bevers in Nederland te vinden. Met hun drang om dammen te bouwen zorgen ze er weer voor dat natuurgebieden veranderen, maar het levert soms ook conflicten op. Waarom bouwen bevers deze dammen? En hoe doen ze dit? Is een beverdam gewenst of ongewenst? In deze blog geven we antwoord op deze vragen.

Bevers bouwen dammen om twee redenen. Allereerst omdat ze zo veilig zijn voor roofdieren. De ingang van de beverdam bevindt zich onder water, zodat er geen roofdieren in de kamers kunnen komen. Daarnaast gebruiken bevers dammen om in het najaar een voedselvoorraad aan te leggen voor de winter. De twijgen en takken blijven langer vers als ze in het water gehouden worden. Met het bouwen van dammen zorgt de bever voor een hogere biodiversiteit in het gebied.

De bever (Castor fiber)

Bever (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Bevers zien er wat lomp uit, maar ze zijn volledig aangepast op het leven in water(Saxifraga – Mark Zekhuis)

De bever is het grootste knaagdier van Europa en kan tot één meter lang worden (kop-romplengte). Bevers zien er op het land wat plomp uit, maar in het water zijn ze uiterst behendig. Ze hebben een dikke, bruine vacht, die waterafstotend is. Zo kunnen ze hun lichaam ook op temperatuur houden in koud water. De kleine ogen, oren en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat ze tijdens het zwemmen maar een klein gedeelte van het hoofd boven water hoeven te houden. De dikke, platte, geschubde staart dient als een soort roer, waarmee ze zich makkelijk door het water kunnen bewegen. De zwemvliezen tussen de tenen dragen hier ook aan bij. Bevers worden in de natuur zo’n acht tot twaalf jaar oud.

De oren, ogen en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat er maar een klein gedeelte van het hoofd boven water gehouden hoeft te worden (Saxifraga - Mark Zekhuis)
De oren, ogen en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat er maar een klein gedeelte van het hoofd boven water gehouden hoeft te worden (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Voedsel en leefwijze

Bevers zijn echte vegetariërs. Ze eten planten, kruiden, bloemen, bladeren en knoppen van twijgen. Houtachtige delen van planten, struiken en bomen worden niet gegeten, maar gebruikt voor het bouwen van dammen. Bevers houden geen winterslaap. Ze leggen daarom een voedselvoorraad aan in hun burcht, om de winter goed door te komen. Bevers zijn monogaam en leven als een familie in een burcht. In Nederland zijn er zo’n 3500 exemplaren te vinden.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Waarom bouwen bevers dammen?

Bevers bouwen dus dammen. Het bouwen van een dam kost veel tijd en ervaring is zeker een must. Als een dam niet op de juiste wijze wordt gebouwd en er geen rekening wordt gehouden met de stroming van de rivier, dan kan deze dam in één klap weg zijn wanneer er meer water door de rivier stroomt dan gebruikelijk. Waarom doen bevers dan al die moeite om een dergelijk bouwwerk te maken, waarbij er ook nog eens de kans is dat deze dam met één overstroming wordt verwoest? Het antwoord is simpel; overleven. Zonder deze dammen zouden bevers veel minder succesvol zijn en zouden ze wellicht niet eens meer bestaan.

De voordelen van een beverdam

De belangrijkste reden voor het bouwen van een dam is veiligheid. Zoals eerder benoemd zijn bevers op land vrij ongemakkelijk en een makkelijke prooi voor roofdieren die aan de oevers leven. Als een bever hier een schuilplaats zou bouwen zou deze dus veel te gevoelig zijn voor predatie. Bevers hebben hier op ingenieuze wijze een oplossing voor bedacht. Beverdammen bevinden zich namelijk boven het water, buiten het bereik van roofdieren als de wolf, lynxen en sommige roofvogels (die pakken soms juveniele dieren). De beverdam is alleen bereikbaar vanuit het water, waardoor bevers hier altijd een veilige plek hebben om uit te rusten.

Beverdam
Binnen in de beverdam bevinden zich kamers waar de bever buiten het bereik van roofdieren kan uitrusten.

Het bouwen van een dam heeft echter nog een voordeel. Zoals gezegd houden bevers geen winterslaap. Dit houdt wel in dat ze in het najaar een voedselvoorraad aan moeten leggen, omdat er in de wintermaanden bijna niets te vinden is. Doordat ze de voedsel voorraad in de beverdam opslaan, ligt deze deels onder water waardoor de twijgen en takken met bladeren aan langer vers blijven. Dit zorgt ervoor dat de bever niet in winterslaap hoeft en gedurende de winter voldoende te eten heeft.


Lees ook: hoe maakt een spin een spinnenweb?


Hoe bouwen bevers dammen?

Het bouwen van een beverdam is een serieuze klus en iets wat bevers op instinct kunnen. Ook bevers die geboren worden in gevangenschap zijn in staat een beverdam te bouwen. Echter lijkt het er wel op dat juveniele dieren in het wild de vaardigheden verder perfectioneren door het observeren van het gedrag van ouders en oudere broertjes of zusjes.

Als je denkt dat een beverdam een simpele hoop takken is, dan heb je het mis. Het is van belang dat de bever uiterst secuur te werk gaat. Zwakke punten in de dam zullen bij hoog water en een sterke stroming gauw blootgelegd worden, met de kans dat de hele dam wegspoelt. Om er voor te zorgen dat er geen water onder de dam door spoelt, wordt er een fundament gemaakt van stenen en modder. Vervolgens wordt er met enkele dikke stammen een stevige constructie gebouwd, die dient als basis voor de rest van de takken. Bevers knagen bomen om met een diameter tot ruim 60 centimeter. Deze stammen worden vervolgens in kleinere delen van circa één meter geknaagd. De twijgen en bladeren worden opgegeten en stammetjes worden gebruikt om de dam te bouwen.

Beverdammen zijn er in allerlei soorten en maten (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Beverdammen zijn er in allerlei soorten en maten (Saxifraga – Mark Zekhuis)

De dam wordt verder aangevuld met stammen, takken en modder, om zo weinig mogelijk water door te laten. Zo vormt de dam een sterk geheel, wat minder vatbaar wordt voor sterkere stromingen. Met het bouwen van de dam krikken bevers het waterpeil op tot maximaal één meter diep. Ze kunnen al overleven in lagere waterstanden, maar waarschijnlijk hebben ze liever een hogere waterstand om in de herfst voldoende voedsel te kunnen stallen om de winter door te komen.

De rivier naar zijn hand zetten

De ingang van de burcht is alleen bereikbaar vanuit het water. Via de ingang komt de bever in zijn kamer, waar hij overdag kan rusten, buiten het bereik van roofdieren. Afhankelijk van de breedte van de rivier, de sterkte van de stroming en de samenstelling van de beverfamilie, kan een beverdam sterk in grootte variëren. Er zijn beverdammen bekend die nauwelijks een meter lang zijn, maar ook beverdammen met een lengte van tien meter zijn niet ongewoon.


Lees ook: waarom vliegen vogels in een v-vorm?


Wat zijn de gevolgen van beverdammen?

Bevers zijn met het bouwen van hun dammen ware landschapsarchitecten. Sommige mensen zijn blij met de komst van de bever, andere vrezen de bever juist. Hoe je het ook bekijkt, dat de aanwezigheid van de bever voor verandering zorgt is een feit.

Een ander feit is dat de bever, met het bouwen van zijn dammen, zorgt voor een verhoging van de biodiversiteit in een gebied. Dit is dan ook precies de reden waarom natuurbeheerders vaak blij zijn met de aanwezigheid van de bever in een gebied. Met het bouwen van dammen zorgt de bever ervoor dat er permanente en tijdelijke poelen ontstaan. Deze zijn vaak een bron van biodiversiteit. Oevers begroeien met (zeldzame) planten die goed gedijen aan deze oevers. Deze trekken op hun beurt weer vliegende insecten. In het stilstaand water beginnen vissen te paaien en leggen juffers en libellen hun eieren. De (vliegende) insecten zijn weer een belangrijke voedselbron voor andere dieren zoals vogels. Door de het bouwen van dammen ontstaat er dus een heel nieuw ecosysteem in het gebied.

De mensen achter Mossy Earth gingen zelfs zo ver, dat ze in een gebied neppe beverdammen maken om het gebied weer te herstellen en de biodiversiteit er terug te brengen. Dit is allemaal te zien in de deze video.

Bever
Bevers zorgen met het bouwen van dammen voor een hogere biodiversiteit in een gebied

De bever en de landbouw

Er zijn echter ook mensen die minder blij zijn met de aanwezigheid van de bever. Agrariërs waarvan de percelen grenzen aan de natuurgebieden waar de bever zijn dammen bouwt, kunnen er overlast van ervaren. Bevers zorgen nou eenmaal voor een verandering van de waterstand, wat resulteert in het feit dat het watermanagement op de landbouwgronden lastiger wordt. Ook omwonende rondom een natuurgebied zouden overlast kunnen ervaren, al lijkt het probleem hier minder voor te komen. Daarnaast kan de bever nog een probleem vormen op waterkeringen waarin hij oeverholen kan graven. Het is daarom belangrijk om een goed beleid te voeren en mensen te compenseren die overlast ervaren. Informatie en kennisdeling is daarnaast cruciaal om als mens en bever in de toekomst op een duurzame manier naast elkaar te leven.

De Zevenheuvelenhike (Nijmegen) 7-14-21-28km

Zevenheuvelenhike 5

Jaarlijks wordt er in september in de bossen rondom Nijmegen het Zevenheuvelen-evenement georganiseerd. Op zaterdag mogen de hardlopers zich testen op het uitdagende heuvelachtige parcours tijdens de Zevenheuvelentrail, op zondag is het de beurt aan de wandelaars tijdens de Zevenheuvelenhike. Op deze dag maak je kennis met de prachtige oude loofbossen en het museumpark Oriëntalis, terwijl je de Nijmeegse Heuvelrug bedwingt. Een absolute aanrader voor mensen die graag in de natuur wandelen en houden van een sportieve uitdaging.

Het Zevenheuvelen-evenement

Zevenheuvelenhike
De Zevenheuvelenhike leidt je door de prachtige bossen rondom Nijmegen

De organisatoren van een van bekendste harloopevents van het land, de Zevenheuvelenloop, organiseren sinds een aantal jaren in september het Zevenheuvelen-evenement, wat bestaat uit een trail op zaterdag en een hike op zondag. Het evenement trekt een paar duizend mensen, die de sportieve uitdaging in de Nijmeegse bossen aan gaan. Tijdens de hike kan er gekozen worden tussen diverse afstanden; 7 (210HM), 14 (375HM), 21 (550HM), en 28 (700HM) kilometer. De start- en finishlocatie is, op een open plek in het bos, ingericht als een soort festivalterrein, met een bar, diverse foodtrucks en een dj. Een perfecte locatie om na de finish te genieten van een verfrissend drankje.


Lees ook: Teutoburgerwoud wandelvakantie


De hike

Voor wie denkt rustig te kunnen beginnen aan de hike heeft het mis. Vrijwel meteen worden de eerste hoogtemeters voorgeschoteld en het gaat eigenlijk constant op en neer. Wat dat betreft is de route bijna on-Nederlands en waan je jezelf soms echt in het buitenland. De onverharde bospaadjes leiden je door de mooiste plekken in het gebied, met soms mooie vergezichten tot gevolg. Als je kiest voor de langste afstand (zoals wij deden), loop je over het landgoed van Jurgens, klim je over de Nijmeegse stuwwal en daal je door het prachtige Keteldal.

Zevenheuvelenhike 4
De hike voert voornamelijk door het bos, maar soms loop je door open landschappen aangrenzend aan het bos

Onderweg (en bij start en finish) zijn meerdere verzorgingsposten (bij de 28 kilometer waren dit er vier). Hier staan toiletten en heb je de mogelijkheid om je water aan te vullen. Verder kun je er koffie krijgen (denk aan het zelf meenemen van een beker, of bestel er een tijdens je inschrijving), maar ook sinaasappels, bananen, koekjes en winegums. Deze verzorgingsposten zijn tot in de puntjes verzorgd en zorgen ervoor dat je weer met nieuwe energie je tocht kunt vervolgen.

Het Kastanjedal en museum Oriëntalis

Een van de mooiste plekken waar je doorheen loopt, vonden wij toch wel het kastanjedal. Dit bos, waar hoofdzakelijk tamme kastanjes groeien, is gelegen in een dal nabij de plaats Beek. Dit is op zichzelf al bijzonder, maar je loopt hier ook nog eens langs de dikste eenstammige boom van Nederland. Naast de dikste, is het waarschijnlijk ook de oudste tamme kastanje in Nederland (circa 450 jaar oud). Hier lees je meer over deze bijzondere boom en zie je ook enkele foto’s van deze oude reus.


Lees ook: wandeling Noorbeek (Zuid-Limburg) 13km


Wanneer je bijna bij de finish bent, wacht er nog één bijzonderheid op je. Tijdens de laatste honderden meters wandel je door het museumpark Oriëntalis. 100 jaar geleden werd hier een replica van het ‘Heilig Land’ gesticht. Tegenwoordig is dit verder uitgebreid en geeft dit unieke landschap een extra dimensie aan deze toch al gave hike. Hier vind je meer informatie over het museumpark.

Zevenheuvelenhike 2
Op de route zijn regelmatig oude bomen te zien

Doe je volgend jaar ook mee?

Al met al is de Zevenheuvelenhike een fantastische ervaring voor mensen die houden van wandelen en hiken en dit graag in de natuur doen. Ga je er liever hardlopend op uit? Dan heb je naast de Zevenheuvelentrail ook nog de keuze om je in te schrijven voor een nieuw evenement: de Zevenheuvelenhike wintereditie, die in december wordt georganiseerd. Via de website kun je je inschrijven voor deze evenementen. Zien we je volgend jaar?

Wil je na de hike in de buurt blijven overnachten? Kijk dan eens hier op Natuurhuisje voor bijzondere plekken in de buurt van Nijmegen. Je vindt er vaak de meest unieke en bijzondere plekjes in de natuur, waar je écht tot rust komt.

Wat is het verschil tussen een amfibie en een reptiel?

Vuursalamander

De termen amfibie en reptiel worden vaak onterecht door elkaar gebruikt. Salamanders worden regelmatig reptielen genoemd en hagedissen amfibieën. Het zijn echter twee verschillende diergroepen, die veel op elkaar lijken, maar zeker ook op veel facetten van elkaar verschillen. In deze blog lees je het verschil tussen een amfibie en reptiel, maar kijken we ook naar de overeenkomsten tussen de twee diergroepen. Zo weet je altijd wanneer een dier een amfibie is en wanneer het een reptiel is.

Taxonomie amfibieën en reptielen

De klassen reptielen en amfibieën behoren beide tot de infrastam viervoeters. De infrastam wordt verder aangevuld met de klassen vogels en zoogdieren. De naam viervoeters roept enigzins verwarring op, omdat niet alle geslachten behorend tot deze stam meer in het bezit zijn van vier voeten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan slangen en vogels. De voorouders hadden deze echter wel. Amfibieën en reptielen worden dus gezien als aparte klassen, door diverse verschillen.

Ringslang
Bij slangen zijn de poten die de voorouders hadden nog als rudimentaire organen terug te vinden

Lees ook: wat is het verschil tussen kikkers en padden?


Verschil amfibieën en reptiel

Als je onderstaande foto’s bekijkt en de twee dieren met elkaar vergelijkt, dan lijken ze veel op elkaar. Zowel de alpenwatersalamander als de levendbarende hagedis hebben beide een langgerekt lichaam, een lange staart en de vier poten bevinden zich aan de zijkant van het lichaam. Tel daarbij op dat het schuwe dieren zijn, die op het moment dat je ze tegenkomt in de natuur snel wegschieten, dan is het niet gek dat de termen amfibie en reptiel door elkaar worden gebruikt. Maar er zijn echter ook verschillen te zien. Zowel fysieke verschillen als verschillen in leefwijze en gedrag. Door op deze verschillen te letten wordt het makkelijker om te bepalen of je een amfibie of reptiel hebt gezien.

Fysieke verschillen

Er zijn een aantal, uiterlijke en innerlijke, verschillen op te merken tussen amfibieën en reptielen. Dit begint bij de ademhaling. Reptielen hebben net als zoogdieren longen waarmee ze ademhalen. Amfibieën hebben ook longen om mee adem te halen, maar kunnen ook nog op een andere manier ademhalen. Ze kunnen namelijk ook via de huid ademhalen. In de huid van de amfibie zitten dunne bloedvaatjes waarmee ze door diffusie zuurstof op kunnen nemen in water.

Dat brengt ons meteen bij het tweede verschil, de huid. Reptielen en amfibieën hebben een totaal verschillende huid. Reptielen hebben een harde geschubde huid die veel droger is dan die van amfibieën. Amfibieën hebben een erg vochtige huid met poriën. Deze wordt dus gebruikt voor de ademhaling. Naast zuurstof kunnen amfibieën ook water en andere vloeistoffen via de huid opnemen. Pak amfibieën dan ook nooit op als het niet nodig is. Hierbij bestaat de kans dat er schadelijke stoffen (bijvoorbeeld vuil- en zeepresten) de doorlaatbare huid binnendringen wat schadelijk kan zijn voor het dier.

Eieren en jonge dieren

Ook aan de eieren is een duidelijk verschil te zien. Reptielen leggen eieren met een harde schaal. De eieren van amfibieën zijn altijd zacht en fragiel en liggen altijd in het water. Wanneer de dieren geboren worden is nog een ander opmerkelijk verschil waar te nemen tussen reptielen en amfibieën. De juveniele dieren van reptielen lijken ontzettend op de volwassen dieren (ze zijn alleen wat kleiner). Bij amfibieën worden de juveniele dieren als larve geboren en ondergaan ze een metamorfose of gedaanteverwisseling wanneer ze volwassen worden.

Verschillen in leefwijze

Naast fysieke verschillen zijn er ook duidelijk verschillen op te merken in de leefwijze van de twee diergroepen. Dit start met waar de dieren te vinden zijn. Reptielen zijn vaak bewoners van de drogere omstandigheden. Amfibieën vinden we vaak in, of in de buurt van water. Een deel van het leven zijn ze afhankelijk van water. Dit verschilt per soort. Sommige amfibieën zijn bijna jaarrond in het water te vinden. Andere soorten zijn soms maar een zeer korte periode (enkele weken) in het water te vinden. Desalniettemin zijn alle amfibieën afhankelijk van water en zouden ze uitdrogen in een te droge leefomgeving.

Paring en eileg

De voornaamste reden dat amfibieën aan water gebonden zijn, is vanwege de eileg. Alle amfibieën leggen namelijk hun eieren in het water, of de eieren komen uit in het lichaam waarna de larven in het water ter wereld worden gebracht (wat bij salamanders vaak het geval is). Reptielen leggen de eieren op het land. Deze worden ingegraven, waardoor ze in een relatief constante temperatuur komen te liggen en de ouders er niet meer naar om hoeven te kijken.

Ook in het paringsgedrag van beide diergroepen zijn verschillen te benoemen. Bij reptielen vindt er altijd contact plaats tijdens de paring. Dat is bij amfibieën (soms) anders. Bij salamanders wordt door het mannetje een pakket zaadcellen afgezet, dat door de vrouwtjes via de cloaca wordt opgenomen. Er vindt dan een inwendige bevruchting plaats, waarbij er geen contact is. Bij kikkers en padden gaat het er anders aan toe. Het mannetje klimt op de rug van het vrouwtje en pakt deze stevig beet (dit noemen we de amplexus). Dit duurt vaak enkele dagen, waarna het vrouwtje de eieren afzet in het water en het mannetje deze bevrucht met zijn zaad. Hier is dan sprake van een uitwendige bevruchting, waarbij er in eerste instantie wel contact is.

Paring padden
Bij kikkers en padden klimt het vaak veel kleinere mannetje bovenop het vrouwtje en blijft daar dan soms dagen zitten. Deze paargreep wordt de amplexus genoemd. Na verloop van tijd zet het vrouwtje haar eieren af in het water en bevrucht het mannetje de eieren met zijn zaad.

Tot slot

Als je beter kijkt, zijn er dus voldoende verschillen te vinden tussen amfibieën en reptielen. Het is echter te begrijpen dat deze twee dierklassen door elkaar worden gehaald. Ze zijn immers beide koudbloedig, het zijn schuwe dieren en bij veel mensen niet bekend. Voor natuurbeheerders zijn het echter enorm belangrijke soorten die vaak iets zeggen over de toestand van het betreffende gebied. Van beide soorten gaan de aantallen flink achteruit en de aanwezigheid van veel verschillende soorten amfibieën en reptielen in een gebied zijn een belangrijke indicator voor goed beheer, wat vaak ook andere flora en faunasoorten ten goede komt. Meer informatie over deze twee soorten vind je bij RAVON.


Lees ook: zelf een poel aanleggen


Bouwtekening nestkast bosuil

Bosuilen

Een goede manier om de natuur, vogels in het bijzonder, een handje te helpen is door het plaatsen van nestkasten. Door de toenemende verstedelijking kunnen vogels soms lastig een geschikte broedplaats vinden. Nestkasten kunnen hier op een goedkope en efficiënte manier een oplossing voor bieden. Als je een grote tuin hebt, met veel oude bomen dan kun je misschien wel een nestkast voor een bosuil ophangen. Deze prachtige uilen broeden graag in nestkasten, dus lees in deze blog alles wat je moet weten om een broedend uilenpaartje in je tuin te krijgen.

De bosuil – Strix aluco

Bosuil
De bosuil is de meest voorkomende uilensoort in Nederland, en broedt soms ook in bosachtige tuinen

Bosuilen zijn uilen van middelgroot formaat, ze worden ongeveer net zo groot als een zwarte kraai. Volwassen exemplaren bereiken een lichaamslengte van 37 tot 43 centimeter en een spanwijdte van 80 tot 85 centimeter. Ze wegen dan rond de halve kilo (vrouwtjes zijn wat zwaarder dan mannetjes).

Het lichaam van de bosuil is vrij log, met daar bovenop een grote, ronde kop met diepe, zwarte ogen. Bosuilen hebben geen oorpluimen, zoals bijvoorbeeld de ransuil en de oehoe deze hebben. Bosuilen verschijnen in drie kleurvarianten, grijs, grijsbruin en roodbruin. In Nederland zijn bosuilen overwegend grijsbruin gekleurd. Alle kleurvarianten hebben echter een verticaal gestreept verenkleed met witte vlekken.

De bosuil is overwegend nachtactief. Ze zijn dan te herkennen aan hun roep. Iedereen die met donker wel eens in een bos is geweest zal deze kenmerkende “…hoe-hoééé…” herkennen. Overdag zoeken bosuilen een boom op om in te slapen. Iedere bosuil heeft één of meerdere zogenaamde roestbomen, waar ze zich gedurende de dag koest houden. Doordat ze zich tegen de stam aan drukken en door hun schutkleuren zie je ze dan niet zitten.


Lees ook: bouwtekening nestkast torenvalk


Voedsel en voortplanting

De bosuil heeft een gevarieerd menu. Het grootste deel van het menu bestaat uit kleine zoogdieren zoals muizen, ratten en soms zelfs konijnen of jonge hazen. Naast zoogdieren worden ook vogels gegeten en amfibieën zoals kikkers en padden. Incidenteel worden zelfs kevers en regenwormen genuttigd. Het gevarieerde menu van de bosuil legt hem geen windeieren, bosuilen kunnen zich hierdoor uitstekend aanpassen op hetgeen wat er voor handen is. In slechte muizenjaren schakelt hij dus gemakkelijk over op een ander dieet. Zoals andere uilen produceren bosuilen ook braakballen. Door deze braakballen te ontleden is het gemakkelijk te achterhalen wat de bosuil gegeten heeft.

Bosuil volwassen (Saxifraga - Martin Mollet)
De zwarte ogen van de bosuil vallen goed op (Saxifraga – Martin Mollet)

Als een van de eerste vogels in het jaar beginnen bosuilen te broeden. De eieren worden soms al in februari gelegd, maar meestal in maart. Gemiddeld worden er twee tot vier eieren gelegd, echter kan dit aantal oplopen tot maar liefst zeven stuks! Na een maand broeden komen de eieren uit, waarna de juvenielen nog ongeveer een maand op het nest blijven. Wanneer ze uit het nest geklauterd zijn blijven ze nog ongeveer drie maanden in de buurt van de ouders. Via Beleef de lente is ieder jaar een paartje bosuilen te volgen!

Bosuilenpaartjes zijn monogaam en blijven hun hele leven in hetzelfde territorium. Ze blijven dus ook in de winter om dit territorium te verdedigen. Het zijn dus echte standvogels. Alhoewel bosuilen in vele landschappen zich kunnen nestelen, komen ze het meest voor in loof- en naaldbossen. Daarnaast worden ze soms ook gezien in een wat meer open landschap en zelfs in woonwijken. Ze worden echter niet snel opgemerkt omdat ze nachtactief zijn.

Bosuil (Saxifraga - Martin Mollet)
Jonge bosuilen blijven ongeveer een maand op het nest, maar verkennen dan vaak wel al de aangrenzende takken in de boom. Ze worden dan takkelingen genoemd (Saxifraga – Martin Mollet)

Nestkast bosuil

Bosuilen komen dus wijdverspreid voor in Nederland, maar ontbreken op plekken waar weinig of geen bomen zijn. Het aantal broedparen in Nederland blijft stabiel over het laatste decennium. Boomholten zijn de belangrijkste broedplekken voor bosuilen. Naast boomholten broeden ze ook af en toe in openingen in gebouwen en gebruiken ze soms verlaten nesten van eksters. Daarnaast maken ze dankbaar gebruik van nestkasten.

Bouwtekening nestkast bosuil

Op onderstaande tekening zijn alle gegevens te zien voor het maken van een nestkast voor een bosuil. Op deze bouwtekening vind je de afmetingen van de nestkast, welke houtsoort je kunt gebruiken en een zaagschema om de juiste planken te zagen. Bij veel bouwmarkten kun je het hout meteen op maat laten zagen als je het koopt, dus neem de tekening zeker mee naar de bouwmarkt. Geen zin om zelf een nestkast te maken? Bestel dan een kant-en-klare nestkast via Vivara. Met je aankoop draag je ook nog eens bij aan het beschermen van de natuur in Nederland.

Bouwtekening nestkast bosuil (De natuur van hier)
Bouwtekening nestkast bosuil (De natuur van hier)

Als houtsoort kun je het beste beuken-, lariks- of eikenhout gebruiken. Daarnaast kan ook watervastmultiplex gebruikt worden. Als dikte raden we 15 millimeter aan. Let bij het kopen van het hout op het FSC-keurmerk. Gebruik RVS schroeven om het hout mee vast te schroeven. RVS is beter bestand tegen roesten dan verzinkte schroeven, dus beter geschikt om buiten te gebruiken. Eventueel kun je het dak afwerken met dakleer, zodat het hout minder te verduren krijgt en de nestkast langer mee gaat.


Lees ook: bouwtekening nestkast boomkruiper


Ophangen nestkast bosuil

Bij het ophangen van de nestkast is het belangrijk om enkele dingen in acht te nemen. Allereerst is het belangrijk om de nestkast is een grote, stevige boom te hangen, het liefst omringd door meerdere bomen. Gebruik een achterlat om de nestkast op te hangen, hiermee zorg je ervoor dat deze steviger hangt. Plaats de kast op een hoogte van circa vier tot zes meter. Hang de nestkast met de opening het liefst naar het zuidoosten en zorg voor een vrije aanvliegroute. Zorg er in ieder geval voor dat de opening niet vol in de regen en wind hangt. Let er ten laatste op dat de nestkast niet boven een poel of vijver hangt. De jonge bosuilen vallen vaak op de grond, waarna ze beschutting zoeken in het omliggende groen. Raap er dus ook nooit een op als je er een vindt, de moeder is vaak niet ver weg.

Bosuilen worden regelmatig gezien in woonwijken en grotere tuinen met meerder volwassen bomen
Bosuilen worden regelmatig gezien in woonwijken en grotere tuinen met meerdere volwassen bomen

Bij het ophangen van de nestkast vul je de nestkast het best met wat houtsnippers en wellicht enkele kleine takjes. Bosuilen verzamelen zelf geen nestmateriaal, maar schrapen een ‘nest’ in het materiaal dat reeds aanwezig is. Houtsnippers zijn hier ideaal voor. Vroeg in het najaar (september) kun je het best de nestkast ondervinden aan een inspectie. Verwijder eventueel (gedeeltelijk) het nestmateriaal, vul het verder aan met houtsnippers en let er op dat alles nog veilig vast zit en niet tocht. Naast bosuilen maken ook kauwen en holenduiven gebruik van de nestkasten.

Nestcamera

Wil je van dichtbij meemaken hoe en wanneer de nestkast gebruikt wordt? Dan kun je een camera in de nestkast plaatsen om alles live te volgen. Wij gebruiken de camera’s van Green Backyard. Deze geeft je eenvoudig via een app live toegang tot de camera. Daarnaast ontvang je een melding wanneer er beweging is in de nestkast en kun je video’s downloaden en opslaan. Ze hebben verschillende types camera’s, wij gebruiken de Longe Range Camera, deze heeft een bereik tot 180 meter! Op onderstaande video zie je een kerkuil die de nestkast inkomt, gefilmd met de Longe Range Camera.

Een kerkuil die de nestkast binnenkomt, gefilmd met de Longe Range Wifi Camera van Green Backyard (De Natuur van hier)

Veelgestelde vragen

Hoe lok ik een bosuil naar mijn tuin?

Zorg ervoor dat je de nestkast stevig ophangt, aan een volwassen boom op circa vier tot zes meter hoogte. Zorg er daarnaast voor dat er meerdere andere volwassen bomen rondom de ‘nestboom’ staan en dat de opening van de nestkast vrij is en gericht is op het zuidoosten.

Hoe maak ik een nestkast voor een bosuil?

Een nestkast voor een bosuil kun je maken van beuken-, lariks- of eikenhouten planken. De kast moet circa 45x45x55 centimeter groot zijn met een invliegopening van 130 millimeter. Gebruik de bouwtekening (inclusief zaagschema) in deze blog.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Bouwtekening nestkast pimpelmees

Nestkast pimpelmees

Een goede manier om de natuur, vogels in het bijzonder, een handje te helpen is door het plaatsen van nestkasten. Door de toenemende verstedelijking, kunnen vogels soms lastig een geschikte broedplaats vinden. Nestkasten kunnen hier op een goedkope en efficiënte manier een oplossing voor bieden. Een erg leuke soort om naar je tuin te lokken met een nestkast is de pimpelmees. Deze kleine, kleurrijke meesjes maken dankbaar gebruik van een nestkast en stellen niet veel eisen aan de tuin. Ideaal om mee te starten dus!

De pimpelmees (Parus caeruleus)

Pimpelmees
De pimpelmees is een kleurrijke verschijning en een mooie aanvulling in iedere tuin

In bijna iedere tuin zie je ze wel, de pimpelmeesjes. Deze kleine meesachtige worden zo’n tien tot twaalf centimeter groot en vallen goed op door hun kleurrijke verenkleed. Vooral het kopje is opvallend, met een wit voorhoofd, witte wangen, een blauwe halsband, blauw petje en een zwarte oogstreep. Verder hebben pimpelmezen een gele buik en een mosgroene rug met blauwachtige vleugels.

Van oorsprong zijn het bewoners van het bos, net zoals de koolmees, waar ze in holtes van bomen broeden. Ze hebben zich echter uitstekend aan weten te passen aan het cultuurlandschap dat door mens is ontstaan. Pimpelmezen voelen zich thuis in veel tuinen en parken waar groen te vinden is. Zeker als er wordt bijgevoerd kan het haast niet anders dan dat er pimpelmezen aanwezig zijn. Het ophangen van een nestkast heeft dan ook vaak een goede slagingskans.


Lees ook: bouwtekening nestkast koolmees


Pimpelmezen zijn echte standvogels, wat wil zeggen dat ze het hele jaar door in Nederland verblijven. In de winter komen er echter vaak wel nog wat bij, die meer noordelijk broeden. Over het algemeen gaat het goed met de pimpelmees in Nederland. Doordat onze (loof)bossen ouder worden nemen ook de aantallen pimpelmezen toe. De pimpelmees is zeer goed verspreid over Nederland. Alleen in het noorden en westen op plekken waar bossen en tuinen en parken ontbreken zijn minder individuen te vinden. De hoogste dichtheden worden waargenomen in loofbossen.

Voedsel en voortplanting

Net zoals alle andere mezensoorten zijn pimpelmezen echte insecteneters. Naast insecten worden ook spinnen en andere ongewervelden gegeten. In de winter zijn er minder insecten te vinden, dus dan hebben ze een meer plantaardig dieet. Vooral zaden en bessen worden dan gegeten.

Ze komen daarnaast ook veelvuldig op aangeboden vogelvoer in de tuin af. Zeker in de winter zijn vetbollen en pindakaaspotjes zeer geliefd. Wil je zelf wat ophangen, kies dan voor vetbollen of pindakaaspotjes waarin insecten zijn verwerkt. Via Vivara is kwalitatief goed vogelvoer te bestellen wat door de Vogelbescherming wordt aangeraden. Daarnaast steunen ze allerlei natuurorganisaties in Nederland waar je met je aankoop dus automatisch aan bijdraagt. Een win-win situatie.

Als je in de winter wat vetbollen ophangt dan kan dat prachtige gezichten opleveren. Ze hangen dan vaak met meerdere pimpelmeesjes tegelijk aan de vetbollen.

Pimpelmees voert juveniel
In het voorjaar zijn de ouders druk met het voeren van de juvenielen

Nestkast pimpelmees

Van origine broeden pimpelmezen in boomholtes in loofbossen, maar in dorpen en steden zijn minder bomen te vinden. Daarom maken ze dankbaar gebruik van nestkasten die worden opgehangen. Nestkasten voor pimpelmezen lijken erg op de nestkasten voor koolmezen, maar het belangrijkste verschil is de diameter van de invliegopening. Veelal worden de nestkasten met grotere diameter opgehangen, wat ten goede komt van soorten als koolmees en vliegenvangers. Maar het is zeker zo belangrijk om nestkasten met een kleinere invliegopening op te hangen, zodat de pimpelmees minder last heeft van concurrenten (die passen er namelijk niet in).

Om te voorkomen dat het nest geroofd wordt door roofdieren als katten en marters, is het raadzaam om hier maatregelen voor te treffen. Via Vivara zijn er diverse producten te bestellen die dit kunnen voorkomen. Je kunt een invliegpaaltje of een invliegbeveiliging erop monteren wat voorkomt dat roofdieren de invliegopening verder open maken en het nest roven.

Pimpelmees nestkast schade
Wanneer nestkasten ouder worden en het hout verweerd is, worden invliegopeningen makkelijker kapot te krijgen door roofdieren. Dit kan voorkomen worden door hier speciale invliegplaatjes op te monteren

Bouwtekening nestkast pimpelmees

Op onderstaande tekening zijn alle gegevens te zien voor het maken van een nestkast voor een pimpelmees. Op deze bouwtekening vind je de afmetingen van de nestkast, welke houtsoort je kunt gebruiken en een zaagschema om de juiste planken te zagen. Bij veel bouwmarkten kun je het hout meteen op maat laten zagen als je het koopt, dus neem de tekening zeker mee naar de bouwmarkt.

Bouwtekening nestkast pimpelmees (De natuur van hier)
Bouwtekening nestkast pimpelmees (De natuur van hier)

Als houtsoort kun je het beste beuken-, lariks- of eikenhout gebruiken. Daarnaast kan ook watervastmultiplex gebruikt worden. Als dikte raden we 15 millimeter aan. Let bij het kopen van het hout op het FSC-keurmerk. Gebruik RVS schroeven om het hout mee vast te schroeven. RVS is beter bestand tegen roesten dan verzinkte schroeven, dus beter geschikt om buiten te gebruiken. Eventueel kun je het dak afwerken met dakleer, zodat het hout minder te verduren krijgt en de kast langer mee gaat.


Lees ook: bouwtekening nestkast spreeuw


Ophangen nestkast pimpelmees

Bij het ophangen van de nestkast is het belangrijk om op een paar dingen te letten. Zorg er allereerst voor dat de nestkast stevig hangt, op circa twee meter hoogte. De nestkast kan het beste met de invliegopening richten het noorden, noordoosten of oosten gericht worden, zodat wind en felle zon vermeden worden. Let er daarnaast op dat de invliegopening goed bereikbaar is en katten en andere roofdieren er niet gemakkelijk bijkomen.

Indien je meerdere nestkastjes in de tuin op wil hangen, zorg er dan voor dat er genoeg ruimte is tussen de twee kasten in. Raadzaam is om zeker vijf meter er tussen te laten. Zorg er daarnaast voor dat er voldoende groen en voedsel te vinden is, voor meerdere broedsels tegelijk. In het najaar (rond oktober) is het tijd om de nestkast schoon te maken. Gebruik hiervoor geen schoonmaakmiddelen, maar alleen heet water. Hang de nestkast daarna meteen weer op, want soms worden ze in de winter gebruikt als rustplek.

Veelgestelde vragen

Hoe lok ik een pimpelmees naar mijn tuin?

Zorg ervoor dat je de nestkast stevig ophangt, op circa twee meter boven de grond, met de invliegopening gericht op het noordoosten. Richt je tuin zo in dat er voldoende voedsel te vinden is en er een plek is waar vogels kunnen drinken. 

Hoe maak ik een nestkast voor een pimpelmees?

Een nestkast voor een pimpelmees kun je maken van beuken-, lariks- of eikenhouten planken. De kast moet circa 16x16x28cm groot zijn met een invliegopening van 28mm. Gebruik de bouwtekening (inclusief zaagschema) in deze blog.

Bouwtekening nestkast kauw

Kauw

Een goede manier om de natuur, vogels in het bijzonder, een handje te helpen is door het plaatsen van nestkasten. Door de toenemende verstedelijking kunnen vogels soms lastig een geschikte broedplaats vinden. Nestkasten kunnen hier op een goedkope en efficiënte manier een oplossing voor bieden. Een erg leuke soort om naar je tuin te lokken met een nestkast is de kauw. Kauwtjes worden vaak door mensen verguisd, maar zijn eigenlijk hele bijzondere, intelligente vogels. Het observeren van het gedrag van deze grappige vogels is echt een aanrader en reden genoeg om zelf een nestkast voor de kauw te maken.

Kauw
Kauwen zijn overwegend zwart van kleur, met grijze accenten

De kauw (Corvus monedula)

De kauw is een vogel uit de familie kraaiachtigen die behoren te de orde van de zangvogels. Het is de kleinste uit de familie kraaiachtigen die in Nederland voorkomt, maar is toch nog best een forse vogel met een lengte van 34 tot 39 centimeter. Kauwen zijn overwegend zwart gekleurd, met grijze accenten. Het achterhoofd en de nek zijn lichtgrijs van kleur. Daarnaast valt het donkere, zwarte petje op. Mannetjes en vrouwtjes lijken veel op elkaar. Kauwtjes hebben een opvallende lichte iris, die bij juvenielen meer blauwig is.

De meeste kauwen zijn standvogels, wat betekent dat ze jaarrond in ons land verblijven. In de winter worden de aantallen echter aangevuld met individuen die meer noordelijk broeden. De ondersoorten Russische en Noordse kauw zijn dan ook soms in ons land te zien.


Lees ook: bouwtekening nestkast koolmees


Voedsel en voortplanting

Kauwen kennen een gevarieerd dieet en kunnen bestempeld worden als alleseters. Het grootste deel van het menu bestaat echter wel uit ongewervelden, zoals insecten, spinnen en slakken. Verder worden er ook bessen, zaden en fruit gegeten. Ze zijn daarnaast ook soms aaseters en in de buurt van mensen wordt ook menselijk afval gegeten. Opmerkelijk aan kauwtjes is dat ze eten met elkaar delen, een kenmerk van een hoge sociale band die ze onderling met elkaar hebben.

Kauwtjes laten zich regelmatig in tuinen zien
Kauwtjes laten zich regelmatig in tuinen zien

In tegenstelling tot de andere kraaiachtigen maken kauwen hun nest niet in grote gebouwde nesten in bomen, maar zijn het echte holenbroeders. Ze broeden tussen april en juni en leggen dan meestal drie tot acht eieren. In de meeste gevallen houden ze het bij één legsel per jaar. De broedtijd bedraagt zeventien tot negentien dagen. Als de juvenielen zijn uitgekomen, blijven ze nog ongeveer een maand op het nest, voordat ze uitvliegen. Wanneer ze uitgevlogen zijn, worden ze nog een maand door de ouders bijgevoerd en blijven ze in de buurt van het nest.

Nestkast kauw

Zoals gezegd zijn kauwen holenbroeders. Ze nestelen vaak in holen van bomen, in openingen in muren, in schoorstenen en onder dakpannen van huizen of schuren. Soms broeden ze zelfs in konijnenholen. Ook de nestkasten gemaakt voor bosuilen en torenvalken worden regelmatig gekaapt. Ze broeden vooral in bebouwd gebied, verder ook in bossen en meer open landschappen, maar veel minder.

kauw nestkast
Een zelfgemaakte nestkast voor kauwtjes. Als houtsoort is watervast multiplex gebruikt en het dakje is afgewerkt met dakleer, voor een langere levensduur (De natuur van hier)

Bouwtekening nestkast kauw

Het ophangen van een nestkast in een geschikte tuin is een goed idee, aangezien de kauw vrij algemeen broedt in ons land. Belangrijk bij het maken en plaatsen van een nestkast is dat er vooraf wel over een aantal dingen goed wordt nagedacht. Op onderstaande afbeelding is een bouwtekening zichtbaar voor het maken van een nestkast voor kauwtjes. Hierop staan alle afmetingen, invliegopening en een zaagschema om de nestkast te kunnen maken

Bouwtekening nestkast kauw
Bouwtekening nestkast kauw (De natuur van hier)

Wij raden aan om als houtsoort beuken-, lariks- of eikenhout, van 15mm dik te gebruiken. Dit is hardhout wat erg duurzaam is en wat lokaal geproduceerd wordt. Let bij het kopen ook op het FSC-keurmerk. Watervast multiplex kan ook gebruikt worden. Onderaan de tekening staat een zaagschema. Bij veel bouwmarkten kun je het hout al op maat laten zagen. Vergeet de tekening dus niet als je hout gaat halen.

Gebruik RVS schroeven om het hout mee vast te schroeven. RVS is beter bestand tegen roesten dan verzinkte schroeven, dus beter geschikt om buiten te gebruiken. Eventueel kun je het dak afwerken met dakleer, zodat het hout minder te verduren krijgt en de kast langer mee gaat.


Lees ook: bouwtekening nestkast spreeuw


Ophangen nestkast kauw

Ook bij het ophangen van de nestkast is het zaak enkele regels in acht te nemen. Zorg ervoor dat de nestkast in een grote, stevige boom wordt opgehangen en zorg dat de invliegopening vrij is van hinderlijke takken en bladeren. Een kauwenkast is niet geschikt voor iedere tuin. Kauwen zijn grote dieren en hebben rondom de kast enige rust nodig wanneer de jongen geboren zijn. In kleine tuinen zonder voldoende groen zal er dan ook weinig kans zijn op het lokken van een kauw naar de nestkast.

Zorg ervoor dat de nestkast stevig wordt opgehangen, zodat deze ook met stormachtig weer goed blijft zitten. De nestkast dient op minimaal drie meter hoogte te worden opgehangen en de invliegopening dient niet op het zuidwesten gericht te zijn, zo houd je de meeste wind en regen buiten. Zorg er tot slot voor dat de nestkast niet de gehele dag in de zon hangt en niet in de buurt van andere (grote) vogelsoorten. Meerdere nestkasten van kauwen bij elkaar in de buurt zou wel kunnen, ze broeden graag in de buurt van soortgenoten.

Tot slot

De kauw is bij de meeste mensen niet de eerste keuze als ze een nestkast gaan maken. Kauwtjes worden over het algemeen als ongewenst gezien in tuinen, maar dat is wat ons betreft niet juist. Wie de tijd neemt om de kauw aandachtig te bestuderen zal zien dat het zeer interessante vogels zijn, met fascinerend gedrag en een hoog ontwikkelde sociale structuur. Deze vogels in je eigen tuin zien broeden is een absolute aanrader.

Geen zin om zelf te klussen? Kies dan voor een kant-en-klare nestkast om de kauw naar je tuin te lokken. Via deze link (Vivara.nl) is een stevige, duurzame nestkast voor de kauw te bestellen. Naast deze nestkast zijn andere nestkasten gemaakt voor bosuilen ook geschikt voor kauwen.

Veelgestelde vragen

Hoe lok ik een kauw naar mijn nestkast?

Zorg ervoor dat je de nestkast stevig in een grote boom hangt, op ongeveer drie meter hoogte. Zorg ervoor dat de invliegopening niet naar het zuidwesten gericht is en dat deze vrij is om in te vliegen. De nestkast mag niet de hele dag in de zon hangen.

Hoe maak ik een nestkast voor een kauw?

Een nestkast voor een kauw maak je het beste van beuken-, eiken- of larikshout. Ook watervast multiplex is geschikt. Gebruik bij voorkeur vijftien millimeter dik hout en rvs schroeven. De nestkast moet 23x23x45 centimeter groot zijn, met een invliegopening van twaalf centimeter. Gebruik bovenstaande bouwtekening (inclusief zaagschema) om er zelf een te maken.

Vogelgeluiden leren herkennen

Huismussen

In het voorjaar hoor je in je tuin een symfonie van geluiden. Allerlei bekende tuinvogels laten hun beste zang horen, om een partner te vinden voor het aanstaande broedseizoen. Voor een leek is er geen onderscheid tussen al deze vogelgeluiden, maar wie zich er in verdiept zal steeds meer vogelgeluiden van elkaar kunnen onderscheiden. In deze blog bespreken we de zang (en laten we deze horen) van negen van de meest voorkomende tuinvogels.

Het geluid van vogels

Vogels kunnen verschillende soorten geluid maken, met verschillende doeleinden. Naast de bekende zang van zangvogels, hebben de meeste vogels verschillende soorten roepgeluiden om met elkaar te communiceren. Daarnaast zijn er nog vogels die geen zang kennen, maar andere geluiden maken, zoals ooievaars die klepperen en spechten die tegen een boom aan roffelen.

De zangvogels gebruiken geen stembanden om hun prachtige zang te produceren, maar hebben hiervoor een speciaal orgaan; de syrinx. Deze zit in de buurt van de luchtpijp en is dus niet aanwezig bij alle vogels. Hoe gespierder de syrinx, hoe uitgebreider het zangpakket van de vogel.

Hulpmiddelen bij het herkennen van vogelgeluiden

Voor de beginnende vogelaar is het bijna onmogelijk om alle geluiden van elkaar te kunnen onderscheiden. Gelukkig zijn er een paar hulpmiddelen en ezelsbruggetjes die je op weg kunnen helpen. Allereerst is het vooral belangrijk om te oefenen. Hoe vaker je er mee bezig bent, hoe sneller je de eerste vogelgeluiden kunt herkennen. Daarnaast kun je de app Merlin Bird ID op je telefoon installeren. Deze app kan een groot scala aan vogelgeluiden herkennen en is handig als je buiten in de tuin of in het veld bent.

Zingende vogel

Tot slot kunnen we nog het boek ‘Wat zingt daar?’ aanraden. Dit is een praktisch boek met veel achtergrondinformatie over vogels. Tevens is het boek zo opgebouwd dat je per maand kunt zien wat je in de natuur zoal kunt horen en kun je dus ook heel specifiek op zoek. Dit boek is daardoor een boek dat niet mag ontbreken in de boekenkast van een vogelaar. Via deze link (bol.com) is het boek te bestellen.

Koolmees (Parus major)

De koolmees, een van de meest voorkomende tuinvogels in ons land, heeft een zeer gevarieerde en uitbundige zang. De tweetonige zang van de grootste mees van ons land kan vergeleken worden met het geluid van een fietspomp. Het geluid bestaat maar uit twee tonen, maar hierin kent de koolmees veel variatie. De zang van de koolmees is, naast in de tuin, op veel andere plekken te horen zoals in parken en bossen. Maak zelf een nestkast voor de koolmees, zodat de veelzijdige zang van de koolmees voortaan ook in jouw tuin is te beluisteren.

De zang van de koolmees

Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)

pimpelmees

Het kleinere neefje van de koolmees is al een net zo graag geziene gast in de Nederlandse tuinen, de pimpelmees. Net zoals de koolmees is de pimpelmees van origine een bosvogel en kun je hem daar dus ook horen.

De zang van de pimpelmees kan omschreven worden als een fijne, heldere zang. Hij start met twee hogere tonen, gevolgd door een aantal lagere tonen. Die serie lagere tonen kan vergeleken worden met een belletje. Deze strofe herhalen ze regelmatig, waarna ze daarna nog verrassend kunnen gaan variëren in zang.

De zang van de pimpelmees

Lees ook: 10 tips voor meer vogels in je tuin

Roodborst (Erithacus rubecula)

Het roodborstje is met zijn rode, opvallende borst (bij mannetjes) een onmiskenbare tuinnvogel. Maar naast het in het oog springende uiterlijk kun je de roodborst ook goed herkennen aan zijn zang. Ze hebben namelijk een opvallende, melodieuze zang die vaak omschreven wordt als een kabbelend beekje of waterval. De strofes worden afgewisseld met kenmerkende pauzes van ongeveer drie seconden.

Als een van de weinige vogels is de zang van het roodborstje ook in de winter te horen. Ze verdedigen dan nog fel hun territorium en dulden dan geen enkele soortgenoot (ook de vrouwtjes niet). Uit onderzoek blijkt dat roodborstjes hun zang afstemmen op hun omgevingsgeluiden. Op plekken met veel verkeerslawaai zingen roodborsten vroeger in de ochtend, zodat ze goed hoorbaar zijn voor concurrenten en potentiële partners.

Roodborst

De zang van het roodborstje

Vink (Fringilla coelebs)

Vink

Een andere graag geziene gast in veel tuinen is de vink. Ze komen in het hele land voor en de mannetjes vinken laten hun zang al vroeg in het jaar horen. Vaak zijn de eerste vinken al in februari te horen, wanneer ze terugkeren van het overwinteringsgebied (de standvogels zijn ook vanaf half februari te horen).

De vink heeft een herkenbare zang, die door het hele land te horen is, maar per regio kan verschillen. In grote lijnen is de zang van de vink te omschrijven als een lange, snelle zang met op het einde enkele korte, hoge tonen, die ook wel de vinkenslag genoemd wordt.

De zang van de vink

Lees ook: vinken in Nederland – Deel I

Houtduif (Columba palumbus)

Dan door naar de meest voorkomende duif in Nederland, de houtduif. Deze grote duif is grijs van kleur en goed te herkennen aan de witte vleugelstreep en witte halsvlek, die overigens alleen bij volwassen dieren aanwezig is.

Ook het geluid is goed te onderscheiden van de ander duivensoorten, deze bestaat namelijk uit vijf tonen. Een handig ezelsbruggetje is dat je de vijf tonen kunt vervangen door: m’n opóe is dóód. Het geluid is daarnaast laag en schor. Naast de zang zijn de vleugels goed te horen van de duif. Bij opstijgen slaan deze boven én onder het lichaam tegen elkaar aan.

Houtduif (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers

De zang van de houtduif

Turkse tortel (Streptopelia decaocto)

Turkse tortel (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

De andere duivensoort die zich regelmatig in tuinen laat zien (en horen) is de Turkse torel. Deze parmantige duiven zijn meer roze-beige van kleur, hebben een donkere halsband en donkerrode irissen. Naast dat de Turkse tortel qua uiterlijk goed te onderscheiden is van de houtduif, is deze aan de zang ook gemakkelijk te herkennen.

In plaats van vijf tonen bestaat de zang van de Turkse tortel meestal uit drie tonen. Deze start met een korte toon, gevolgd door een lange toon en eindigend met wederom een korte toon. In deze drie tonen is m’n opoe te horen, een beetje korter dan bij de houtduif dus. De zang van de Turkse tortel is vrijwel het hele jaar te horen.

Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers

De zang van de Turkse tortel (Xeno-canto – Frank Roos)

Merel (Turdus merula)

De merel is wellicht een van de mooiste vogels om in je tuin te treffen. De mannetjes hebben een prachtige zang en de vogels zijn zeer actief, waardoor er dus altijd wat te beleven is.

Ondanks het usutuvirus (waar de merel veel last van heeft) is het nog steeds de talrijkste broedvogel in ons land.

Merels zijn luidruchtige vogels. Naast de prachtige zang van de mannetjes hebben ze ook een luide, hevige alarmroep. De uitbundige zang laat het mannetje vaak horen vanaf een hoge plek, vaak vroeg in de ochtend of op het einde van de dag. De zang kan omschreven worden als een lange, rollende zang, met veel variatie.

In hun zang verwerken merels ook imitaties van andere vogels en omgevingsgeluiden. Als je dus goed gaat luisteren naar de merel zul je horen dat iedere merel net wat anders klinkt.

Merel

Lees ook: tuinvogel uitgelicht: de merel

Winterkoning (Troglodytes troglodytes)

Een ander opvallend vogeltje die zich in veel tuinen laat zien is de winterkoning. Het is een van de kleinste vogels van ons land, maar heeft desondanks een zeer luide zang. De winterkoning is goed te herkennen aan het formaat, de bruine kleur en het omhoog staande staartje.

Zoals gezegd hebben ze een zeer luide, harde zang (zeker in vergelijking met het formaat). Ze beginnen al vroeg in het jaar te zingen. De zang wordt soms omschreven als een haperend wekkertje. De zang bestaat uit verschillende strofes met rollers en trillers erin verwerkt en meestal eindigend met een harde noot.

Winterkoning

De zang van de winterkoning (Xeno-canto – Uku Paal)

Huismus (Passer domesticus)

We sluiten af met de vogel die het meeste gezien wordt in de Nederlandse tuinen (volgens de nationale tuinvogeltelling): de huismus. Ondanks dat de huismus het meest gezien wordt, lopen de aantallen toch sterk terug.

Mannetjes en vrouwtjes verschillen qua uiterlijk sterk van elkaar. In geschikte tuinen vormen huismussen vaak grote families en zijn dan ook veelvuldig te horen. De zang beperkt zich tot een kenmerkend getjilp. In het tjilpen zijn veel variaties te ontdekken. Als je je eenmaal bewust bent van het getjilp van de huismus, hoor je hem overal.

Huismus

De zang van de huimus (Xeno-canto – Pascal Christe)

In deze blog hebben we de zang van enkele van de meest algemene tuinvogels besproken. Deze vogels zijn een uitstekend beginpunt om te starten met het herkennen van vogelgeluiden. Voor de meeste is er een handig ezelsbruggetje en veel zijn vanuit je eigen tuin te horen. Wanneer je deze eigen hebt gemaakt kun je er op uit en proberen ook de geluiden van andere vogels te herkennen. Welke vogels hoor jij allemaal in je tuin?

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Vinken in Nederland – Deel III

Sijs (Saxifraga - Bart Vastenhouw)

In deel I van de driedelige vinkenserie hebben we de vink, keep, distelvink en kneu besproken en in deel II kwamen de groenling, appelvink, goudvink, kruisbek en grote kruisbek aan bod. In dit derde deel worden de laatste vier vinken besproken die in Nederland broeden: de Europese kanarie, roodmus, sijs en kleine barmsijs.

Bron omslagfoto: Saxifraga – Bart Vastenhouw

Europese kanarie – Serinus serinus

Het laatste deel van deze serie trappen we af met de Europese kanarie. De Europese kanarie is een kleine vinkachtige die een lichaamslengte van elf tot twaalf centimeter bereikt en een spanwijdte van achttien tot twintig centimeter. Het zijn opvallende, kleurrijke vogels. Mannetjes hebben een citroengele kop, wenkbrauwstreep, hals en borst. Ze hebben, net als de vrouwtjes, verder een gestreept verenkleed. Vrouwtjes zijn daarnaast meer geelwit gekleurd. Beide geslachten hebben een korte, grijze snavel. Juvenielen zijn lastig te onderscheiden van andere vinkachtigen.

Europese-kanarie-Saxifraga-Peter-Meininger
De Europese kanarie is een kleurrijke verschijning (Saxifraga-Peter Meininger)

De Europese kanarie is net zoals de meeste andere vinken een echte zadeneter. Voornamelijk graszaden en bloemzaden worden gegeten. Doordat er steeds minder onkruidvegetatie te vinden is, gaan de aantallen achteruit. Een klein gedeelte van het menu van de kanarie bestaat uit insecten(larven).

Leefgebied en verspreiding

Kanaries leven in Nederland vaak op, of in de buurt van begraafplaatsen. Daarnaast komen ze ook voor in bosranden, boomgaarden en parken. Naast dat het een uitbundige verschijning is, is de kanarie ook een uitbundige zanger. De mannetjes zoeken in het voorjaar vaak een hoog punt op, om hun melodieuze zang zover mogelijk te laten reiken.

Van oorsprong komen ze voor in Zuid-Europa, maar de afgelopen eeuwen heeft de Europese kanarie zich steeds noordelijker verspreid. Nederland is het meest noordelijk gelegen deel van het leefgebied. In ons land zijn er jaarlijks enkele broedparen. Sommige individuen zijn standvogels, maar de meeste kanaries trekken in het najaar naar Zuid-Europa, om in het voorjaar weer terug te keren om te broeden (Bron verspreidingskaart: Waarneming.nl/Observation.org).

Verspreidingskaart Europese Kanarie

Roodmus – Carpodacus erythrinus

De roodmus is een middelgrote vinkachtige die een lichaamslengte bereikt van dertien tot vijftien centimeter en een spanwijdte van 22 tot 26 centimeter. De naam roodmus heeft eigenlijk alleen maar betrekking op de mannetjes. Bij de roodmus is namelijk sprake van geslachtsdimorfisme. Dit wil zeggen dat de mannetjes en vrouwtjes van de roodmus totaal niet op elkaar lijken.

Roodmus (Saxifraga - Peter Meininger)
De mannetjes van roodmussen zijn onmiskenbaar (Saxifraga – Peter Meininger)

Mannetjes hebben de opvallende rode kleur. De kop, borst en buik zijn diep rood gekleurd. De rode kleur op de buik gaat geleidelijk over in een lichtere kleur. Boven het oog heeft het mannetje een witte streep. Vrouwtjes vertonen verschillende tinten bruin en hebben een lichte wenkbrauwstreep. Doordat vrouwtjes onopvallend gekleurd zijn, zijn ze makkelijk te verwarren met andere vinksoorten.

Voedsel en leefwijze

Het hoofdvoedsel van roodmussen bestaat uit zaden, maar ook knoppen van planten, bessen en insecten worden gegeten. Ze zoeken hun eten vaak op de grond, soms in groepen met andere vinkachtigen.

In Nederland komt de roodmus vooral voor in de duinen. Daarnaast zijn ze soms ook te vinden in moerasgebieden met veel struiken, die gebruikt worden als schuilplek en broedplaats. De roodmus is in Nederland een schaarse broedvogel. Pas in 1987 werd het eerste broedpaartje ontdekt, op Schiermonnikoog. Sinds die tijd nam het aantal broedparen snel toe, maar is dit inmiddels ook weer teruggezakt. Nu wordt het aantal broedpaartjes geschat op zo’n tien tot twintig paartjes. De ‘Nederlandse’ roodmussen trekken in het najaar richting Zuidoost-Azië (bron verspreidingskaart: 
Waarneming.nl/Observation.org).

Verspreidingskaart roodmus (Waarneming.nl / Observation.org)

Lees ook: vogelgeluiden leren herkennen


Sijs – Spinus spinus

Een andere opvallende vinkachtige is de sijs. Sijzen zijn kleine vinken die een lichaamslengte van elf tot twaalf centimeter en een spanwijdte van 20 tot 23 centimeter bereiken. De mannetjes zijn opvallend geel en groen gekleurd, met een zwarte kruin, kin en vleugelstreep. De vrouwtjes zijn onopvallender grijsgroen gekleurd, maar hebben wel, net zoals de mannetjes, een opvallende gele vleugelstreep. Deze gele vleugelstreep maakt sijzen in vlucht ook goed te herkennen. Daarnaast valt bij beide geslachten de korte gevorkte staart op.

Sijs
Sijzen zijn kleine vinkachtigen, waarvan de mannetjes fel gekleurd zijn

Voedsel en verspreiding

Sijzen komen voor in naaldbossen, liefst met de aanwezigheid van meerdere naaldboomsoorten (spar, den, lariks). Daarnaast zien we ze ook in polders in elzensingels en op boerderijen waar ze coniferen gebruiken om te broeden. Ze ontbreken echter in uitgestrekte landschappen. Soms worden sijzen waargenomen in groepen, samen met andere vinksoorten op zoek naar voedsel.

Het zijn hoofdzakelijk zadeneters. Zaden van elzen, berken en lariksen zijn favoriet. Met hun relatief lange, spitse snavel komen ze gemakkelijk bij de zaden in de zaadhulzen. In de zomer wordt het menu aangevuld met insecten. In de winter maak je ook kans om sijzen in de tuin te krijgen bij de voedertafel. Hier komen ze af op vetbollen, noten en zaden.

In Nederland zien we de sijs vooral als wintergast, maar sinds de 20e eeuw broeden er ook sijzen in Nederland. De broedende paartjes beginnen al vroeg met broeden, soms al in februari. Afhankelijk van het voedselaanbod worden er één of twee legsels in een jaar geproduceerd. Het aantal broedgevallen schommelt flink per jaar. (Bron verspreidingskaart: Waarneming.nl/Observation.org).

Verspreidingskaart sijs Nederland

Kleine barmsijs – Acanthis cabaret

De laatste broedende vinkensoort in Nederland is de kleine barmsijs. De kleine barmsijs bereikt een lichaamslengte van elf tot twaalf centimeter en een spanwijdte van 20 tot 22 centimeter. Het is daarmee een van de kleinere vinken in ons land. Mannetjes en vrouwtjes van de kleine barmsijs lijken veel op elkaar. Ze hebben beide een bruin gestreept verenkleed. Ze hebben daarnaast een rood voorhoofd en een kleine, zwarte bef. In de broedperiode hebben mannetjes een roze tot rode borst.

Kleine barmsijs (Saxifraga - Mark Zekhuis)
De mannetjes en vrouwtjes van de kleine barmsijs lijken veel op elkaar (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Voedsel en verspreiding

Kleine barmsijzen komen veel voor in gemengde bossen en naaldbossen. Ze komen daarnaast ook voor op heidevelden waar enkele bomen te vinden zijn. In Nederland zien we de kleine barmsijs voornamelijk veel in het duingebied.

Het hoofdmenu van de kleine barmsijs bestaat uit zaden. Met name zaden van berken en elzen zijn favoriet. Verder worden er ook zaden van andere bomen gegeten, maar ook zaad van grassen en kruidachtige planten eten ze graag. In de zomer wordt het zadendieet aangevuld met insecten.

In Nederland zien we de kleine barmsijs vaak als doortrekker en als wintergast. Hij komt echter ook voor als schaarse broedvogel. Het eerste broedgeval dateert echter pas van 1942 (Bron verspreidingskaart: Waarneming.nl/Observation.org).

Verspreidingskaart kleine barmsijs

Lees ook: 10 tips voor meer vogels in je tuin


In de winter zijn kleine barmsijzen vaak te vinden in groepen, druk op zoek naar voedsel. Dit zijn vaak gemengde groepen waarin ook grote barmsijzen (Acanthis flammea) voorkomen. Het grotere broertje van de kleine barmsijs kent een soortgelijke levenswijze, echter broedt deze niet in Nederland. De jaarlijkse aantallen fluctueren veel en lijken afhankelijk van de hoeveelheid beschikbaar berkenzaad. Tot slot willen we nog een dwaalgast benoemen: de witstuitbarmsijs (Acanthis hornemanni). De witstuitbarmsijs wordt maar zeer zelden gezien in Nederland en komt meer algemeen voor in Scandinavië, Rusland en Groenland.

Grote barmsijs
De grote barmsijs broedt niet in Nederland, maar overwintert hier wel

Vinken in Nederland deel I en II

Vinken in Nederland deel I: vink, keep, putter, kneu

Vinken in Nederland deel II: groenling, appelvink, goudvink, kruisbek, grote kruisbek

Vinken in Nederland – Deel II

Appelvink

Nadat we in deel I van de blogserie Vinken in Nederland de vink, keep, distelvink en kneu al hebben besproken, is het nu tijd voor deel II. In dit deel komen de groenling, appelvink, goudvink, kruisbek en grote kruisbek aan bod. Daarnaast bespreken we nog een aantal soorten die hier zo nu en dan te gast zijn.

Groenling – Chloris chloris

Een algemeen bekendere soort is de groenling. De groenling is met zijn veertien tot zestien centimeter lichaamslengte en een spanwijdte van 25 tot 27 centimeter een middelgrote vink. Het is een kleurrijke verschijning. Mannetjes zijn fel gekleurd in allerlei soorten groen. Het verenkleed heeft een variërend patroon van geelgroene en mosgroene delen, afgewisseld met grijze delen. Ze hebben daarnaast een gele vleugelrand en gele staartpennen. De krachtige, witachtige snavel valt ook op. Vrouwtjes zijn overwegend grijsgroen van kleur.

Groenling (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)
De groenling is een kleurrijke verschijning, die zich regelmatig in tuinen laat zien (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Leefwijze en voedsel

Groenlingen zijn van oorsprong bewoners van bosranden. Maar door een afname in dit habitat gedurende de jaren is de groenling zich steeds meer gaan aanpassen aan het door de mens gecreëerde cultuurlandschap. Tegenwoordig is de groenling dan ook veel te vinden in het halfopen landschap, maar ook in tuinen zien we de groenling steeds meer. Belangrijke vereiste voor tuinen is de aanwezigheid van dichte struiken, voor de voortplanting en dienend als uitkijkpost voor de mannetjes om in het voorjaar vanuit een hoog punt te kunnen zingen.

Halfopen landschappen, zoals hier te zien in Limburg, zijn een geschikt leefgebied voor zowel kneuen als groenlingen
Halfopen landschappen, zoals hier in Limburg, zijn een geschikt leefgebied voor zowel kneuen als groenlingen

Groenlingen zijn echte zaadeters. Ze maken de zaden open door deze rond te draaien in hun mond en op de buitenkant te bijten. Hierdoor splijt het omhulsel open en kan de groenling bij het zaad. Daarnaast worden ook rozenbottels van onder andere de hondsroos gegeten. Juvenielen krijgen voornamelijk insecten te eten. Vooral in de winter kan de groenling ook op voedertafels in tuinen afkomen.

De groenling is in veel mindere mate een trekvogel als de meeste andere vinkachtigen. Groenlingen zijn overwegend standvogels. De vogels die wel trekken, trekken net zoals bij de Kneu naar Zuid-Europa en Marokko (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Groenling verspreidingskaart Nederland

Lees ook: arenden in Nederland


Appelvink – Coccothraustes coccothraustes

De grootste vinkensoort in Nederland is de appelvink. Met een lichaamslengte van zestien tot achttien centimeter en een spanwijdte van 29 tot 33 centimeter is het dan ook een imposante zangvogel om te zien. De grote, krachtige snavel en kleurrijke verschijning maken het een zeer mooie waarneming, als je het geluk het deze vink in het bos te zien. De appelvink behoort tot een monotypisch geslacht (Coccothraustes), wat wil zeggen dat het de enige soort is binnen dit geslacht.

De grote snavel van de appelvink wordt in het voorjaar blauwachtig van kleur. Rondom de snavel zijn ze zwart gekleurd, wat doorloopt op de kin. De rest van de kop is oranjebruinachtig. Achter de kop hebben ze een wit tot grijsachtige band. Daarnaast hebben ze op beide vleugels een witte vlek, die in vlucht goed zichtbaar zijn. De bovenkant is donkerbruin met zwart gekleurd, de onderkant lichtbruin.

Appelvink (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)
Appelvink hebben een zeer sterke snavel, waar ze zelfs kersenpitten mee kunnen kraken (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Leefwijze en voedsel

Appelvinken zijn echte bosbewoners en bevinden zich vaak hoog in de toppen van bomen. Hierdoor zijn ze lastig waar te nemen. Ze komen vooral voor in bossen op zandgronden. Ze komen dan ook meer voor in het Oosten van ons land. De voorkeur gaat uit naar wat oudere gemengde- en loofbossen. Vanuit fotohutten zijn appelvinken goed waar te nemen en te fotograferen.

Een appelvink neemt een verfrissend bad (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)
Een appelvink neemt een verfrissend bad (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

De appelvink is een echte zaadeter. Met zijn grote en sterke snavel kunnen ze zeer veel kracht uitoefenen. Kersenpitten en zaden van de veldesdoorn zijn een belangrijk gedeelte van het menu. Zo nu en dan worden er ook insecten gegeten. Appelvinken zijn goede vliegers. Ze kunnen zelfs insecten in hun vlucht vangen.

Het zijn hoofdzakelijk standvogels. Vogels die wel besluiten te trekken, trekken meestal niet ver. Gedurende het seizoen leven appelvinken alleen of in paren. In de winter, wanneer ze niet trekken, leven ze meer in groepen. Er wordt dan ook in groepen gefoerageerd (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl /  Observation.org).

Verspreidingskaart appelvink Nederland

Goudvink – Pyrrhula pyrrhula

Een vink die je, net als de appelvink, niet snel ziet is de goudvink. Goudvinken bereiken een lichaamslengte van veertien tot vijftien centimeter en een spanwijdte van 22 tot 29 centimeter. Ze zijn wat lastig te zien, maar als je er een ziet heb je geluk, want het is een kleurrijke verschijning. Zowel het mannetje als het vrouwtje hebben een zwarte kopkap en een zwarte, kleine snavel. De relatief kleine kop gaat over in een vrij brede nek.

Mannetjes hebben een roodroze buik, borst en wangen. Ze hebben daarnaast een blauwgrijze mantel (bovenzijde van de rug). De vrouwtjes zijn voornamelijk bruingrijs gekleurd. Mannetjes en vrouwtjes hebben beide een zwarte staart met witte stuit en vleugelstreep.


Lees ook: marters in Nederland


Goudvink
Zowel de mannetjes als de vrouwtjes van de goudvink hebben een zwarte kopkap en een kleine, zwarte snavel

Leefwijze en voedsel

Goudvinken komen voor in gemengde- en naaldbossen. Daarnaast komen ze soms ook voor in parken in tuinen. Ze komen vooral voor op zandgronden. Daarnaast ook in de duinen. Hier zijn ze te vinden in de struwelen duindoorn die daar veelvuldig voorkomen. In de bossen is ook de ondergroei (met name de struiklaag) een belangrijk aspect als voorwaarde voor een geschikt leefgebied. In tuinen en parken is vooral de variatie in begroeiing belangrijk. Goudvinken gebruiken de struiken om te broeden. Daarnaast gebruiken de mannetjes de uitstekende begroeiing om in het voorjaar hun zang zo ver mogelijk te laten klinken.

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardig voedsel zoals, zaden, bessen en knoppen van bomen. Bessen worden vooral in het najaar gegeten. De reden dat je goudvinken niet gauw ziet, is omdat ze heel lang stil kunnen zitten en langzaam bewegen.

De Nederlandse populatie goudvinken zijn hoofdzakelijk standvogels. In de winter zien we overigens wel meer goudvinken van meer noordelijk en oostelijk gelegen landen die naar Nederland komen. Soms is er in het najaar ook de ondersoort de Noordse goudvink – Pyrrhula pyrrhula pyrrhula te zien. Deze goudvinken worden iets groter dan de ‘gewone’, Nederlandse goudvink (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / 
Observation.org).

Verspreidingskaart goudvink Nederland

Kruisbek – Loxia curvirostra

De kruisbek is een wat grotere vinkensoort, met een lichaamslengte van vijftien tot zeventien centimeter en een spanwijdte van 27 tot 30 centimeter. De mannetjes zijn prachtig komijnrood gekleurd en hebben enigszins zwarte vleugels en staart. De vrouwtjes zijn overwegend groen gekleurd met een gele onderzijde. In de lucht zijn ze goed te herkennen aan de diep golvende vlucht die ze maken. Maar veruit het opvallendste kenmerk van de kruisbek is de snavel.

Kruisbek
De naam kruisbek is afgeleid van de opvallende snaveldelen die elkaar kruisen

De twee snaveldelen kruisen namelijk. Dit zorgt voor een zeer ongewone uitdrukking, die overigens soms vrij lastig te zien is. Met deze kruisende snaveldelen hebben kruisbekken zich gespecialiseerd in het eten van zaden van voornamelijk naaldbomen. De gekruiste bek zorgt er namelijk voor dat ze feilloos zaden uit dennenappels kunnen plukken. Vooral de zaden van fijnspar en lariks zijn favoriet. Deze pikken ze, al hangend op de kop, uit de vruchtkegels van de naaldbomen. Naast zaden van naaldbomen eten ze ook andere zaden, bessen en insecten.

Schaarse broedvogel

De kruisbek is in Nederland een schaarse broedvogel. De trek van de kruisbek komt overigens vroeg op gang, ze broeden vaak ook al vroeg in het jaar. Meestal broeden ze in de periode februari tot en met april. De kruisbek bezoekt Nederland in invasies. Deze invasies worden vermoedelijk veroorzaakt door een voedseltekort in de gebruikelijke broedgebieden. Sinds 1975 is de kruisbek een jaarlijks terugkerende broedvogel in Nederland (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart kruisbek Nederland

Grote kruisbek – Loxia pytyopsittacus

De grote kruisbek is een vogel die we over het algemeen alleen in Nederland zien als wintergast. Net zoals de kruisbek komen ze dan voornamelijk in invasies, vanuit de Scandinavise landen. Zo nu en dan blijven dan een aantal individuen hangen, waaruit succesvolle broedsels ontstaan.

Grote kruisbek (Saxifraga-Mark Zekhuis)
Grote kruisbekken zijn groter en hebben een dikkere nek dan kruisbekken (Saxifraga-Mark Zekhuis)

Grote kruisbekken lijken op de andere kruisbek, maar ze zijn groter, hebben een dikkere nek (stierennek) en de ondersnavel steekt niet boven de bovensnavel uit. Net zoals de kruisbek heeft de grote kruisbek de kenmerkende snavel, waarmee ze zich volledig gespecialiseerd hebben op het eten van zaden. Met name de zaden uit de zaadkegels van naaldbomen halen is hun specialiteit (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart grote kruisbek Nederland

Lees ook: padden in Nederland


De haakbek

Tot slot is er nog een andere opvallende soort die Nederland wel eens heeft bezocht (maar hier niet heeft gebroed); de haakbek – Loxia pytyopsittacus. De haakbek leeft normaal in Scandinavië en Siberië, maar komt als dwaalgast heel af en toe voor in Nederland. Dit gebeurt als er invasies vanuit deze landen naar het zuidelijker deel van Europa komen, (vermoedelijk) gedreven door voedselgebrek. Het is een grote vinkachtige met de punt van de bovensnavel omlaag gebogen.

Vinken in Nederland deel I en deel III

In vinken deel I (4 soorten) en vinken deel III (4 soorten) lees je de andere vinkachtigen die in Nederland voorkomen en broeden.

Vinken in Nederland deel I: vink, keep, distelvink, kneu

Vinken in Nederland deel III: Europese kanarie, roodmus, sijs, kleine barmsijs

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!