Vinken in Nederland – Deel II

Appelvink

Nadat we in deel I van de blogserie Vinken in Nederland de vink, keep, distelvink en kneu al hebben besproken, is het nu tijd voor deel II. In dit deel komen de groenling, appelvink, goudvink, kruisbek en grote kruisbek aan bod. Daarnaast bespreken we nog een aantal soorten die hier zo nu en dan te gast zijn.

Groenling – Chloris chloris

Een algemeen bekendere soort is de groenling. De groenling is met zijn veertien tot zestien centimeter lichaamslengte en een spanwijdte van 25 tot 27 centimeter een middelgrote vink. Het is een kleurrijke verschijning. Mannetjes zijn fel gekleurd in allerlei soorten groen. Het verenkleed heeft een variërend patroon van geelgroene en mosgroene delen, afgewisseld met grijze delen. Ze hebben daarnaast een gele vleugelrand en gele staartpennen. De krachtige, witachtige snavel valt ook op. Vrouwtjes zijn overwegend grijsgroen van kleur.

Groenling (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)
De groenling is een kleurrijke verschijning, die zich regelmatig in tuinen laat zien (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Leefwijze en voedsel

Groenlingen zijn van oorsprong bewoners van bosranden. Maar door een afname in dit habitat gedurende de jaren is de groenling zich steeds meer gaan aanpassen aan het door de mens gecreëerde cultuurlandschap. Tegenwoordig is de groenling dan ook veel te vinden in het halfopen landschap, maar ook in tuinen zien we de groenling steeds meer. Belangrijke vereiste voor tuinen is de aanwezigheid van dichte struiken, voor de voortplanting en dienend als uitkijkpost voor de mannetjes om in het voorjaar vanuit een hoog punt te kunnen zingen.

Halfopen landschappen, zoals hier te zien in Limburg, zijn een geschikt leefgebied voor zowel kneuen als groenlingen
Halfopen landschappen, zoals hier in Limburg, zijn een geschikt leefgebied voor zowel kneuen als groenlingen

Groenlingen zijn echte zaadeters. Ze maken de zaden open door deze rond te draaien in hun mond en op de buitenkant te bijten. Hierdoor splijt het omhulsel open en kan de groenling bij het zaad. Daarnaast worden ook rozenbottels van onder andere de hondsroos gegeten. Juvenielen krijgen voornamelijk insecten te eten. Vooral in de winter kan de groenling ook op voedertafels in tuinen afkomen.

De groenling is in veel mindere mate een trekvogel als de meeste andere vinkachtigen. Groenlingen zijn overwegend standvogels. De vogels die wel trekken, trekken net zoals bij de Kneu naar Zuid-Europa en Marokko (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Groenling verspreidingskaart Nederland

Lees ook: arenden in Nederland


Appelvink – Coccothraustes coccothraustes

De grootste vinkensoort in Nederland is de appelvink. Met een lichaamslengte van zestien tot achttien centimeter en een spanwijdte van 29 tot 33 centimeter is het dan ook een imposante zangvogel om te zien. De grote, krachtige snavel en kleurrijke verschijning maken het een zeer mooie waarneming, als je het geluk het deze vink in het bos te zien. De appelvink behoort tot een monotypisch geslacht (Coccothraustes), wat wil zeggen dat het de enige soort is binnen dit geslacht.

De grote snavel van de appelvink wordt in het voorjaar blauwachtig van kleur. Rondom de snavel zijn ze zwart gekleurd, wat doorloopt op de kin. De rest van de kop is oranjebruinachtig. Achter de kop hebben ze een wit tot grijsachtige band. Daarnaast hebben ze op beide vleugels een witte vlek, die in vlucht goed zichtbaar zijn. De bovenkant is donkerbruin met zwart gekleurd, de onderkant lichtbruin.

Appelvink (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)
Appelvink hebben een zeer sterke snavel, waar ze zelfs kersenpitten mee kunnen kraken (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Leefwijze en voedsel

Appelvinken zijn echte bosbewoners en bevinden zich vaak hoog in de toppen van bomen. Hierdoor zijn ze lastig waar te nemen. Ze komen vooral voor in bossen op zandgronden. Ze komen dan ook meer voor in het Oosten van ons land. De voorkeur gaat uit naar wat oudere gemengde- en loofbossen. Vanuit fotohutten zijn appelvinken goed waar te nemen en te fotograferen.

Een appelvink neemt een verfrissend bad (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)
Een appelvink neemt een verfrissend bad (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

De appelvink is een echte zaadeter. Met zijn grote en sterke snavel kunnen ze zeer veel kracht uitoefenen. Kersenpitten en zaden van de veldesdoorn zijn een belangrijk gedeelte van het menu. Zo nu en dan worden er ook insecten gegeten. Appelvinken zijn goede vliegers. Ze kunnen zelfs insecten in hun vlucht vangen.

Het zijn hoofdzakelijk standvogels. Vogels die wel besluiten te trekken, trekken meestal niet ver. Gedurende het seizoen leven appelvinken alleen of in paren. In de winter, wanneer ze niet trekken, leven ze meer in groepen. Er wordt dan ook in groepen gefoerageerd (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl /  Observation.org).

Verspreidingskaart appelvink Nederland

Goudvink – Pyrrhula pyrrhula

Een vink die je, net als de appelvink, niet snel ziet is de goudvink. Goudvinken bereiken een lichaamslengte van veertien tot vijftien centimeter en een spanwijdte van 22 tot 29 centimeter. Ze zijn wat lastig te zien, maar als je er een ziet heb je geluk, want het is een kleurrijke verschijning. Zowel het mannetje als het vrouwtje hebben een zwarte kopkap en een zwarte, kleine snavel. De relatief kleine kop gaat over in een vrij brede nek.

Mannetjes hebben een roodroze buik, borst en wangen. Ze hebben daarnaast een blauwgrijze mantel (bovenzijde van de rug). De vrouwtjes zijn voornamelijk bruingrijs gekleurd. Mannetjes en vrouwtjes hebben beide een zwarte staart met witte stuit en vleugelstreep.


Lees ook: marters in Nederland


Goudvink
Zowel de mannetjes als de vrouwtjes van de goudvink hebben een zwarte kopkap en een kleine, zwarte snavel

Leefwijze en voedsel

Goudvinken komen voor in gemengde- en naaldbossen. Daarnaast komen ze soms ook voor in parken in tuinen. Ze komen vooral voor op zandgronden. Daarnaast ook in de duinen. Hier zijn ze te vinden in de struwelen duindoorn die daar veelvuldig voorkomen. In de bossen is ook de ondergroei (met name de struiklaag) een belangrijk aspect als voorwaarde voor een geschikt leefgebied. In tuinen en parken is vooral de variatie in begroeiing belangrijk. Goudvinken gebruiken de struiken om te broeden. Daarnaast gebruiken de mannetjes de uitstekende begroeiing om in het voorjaar hun zang zo ver mogelijk te laten klinken.

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardig voedsel zoals, zaden, bessen en knoppen van bomen. Bessen worden vooral in het najaar gegeten. De reden dat je goudvinken niet gauw ziet, is omdat ze heel lang stil kunnen zitten en langzaam bewegen.

De Nederlandse populatie goudvinken zijn hoofdzakelijk standvogels. In de winter zien we overigens wel meer goudvinken van meer noordelijk en oostelijk gelegen landen die naar Nederland komen. Soms is er in het najaar ook de ondersoort de Noordse goudvink – Pyrrhula pyrrhula pyrrhula te zien. Deze goudvinken worden iets groter dan de ‘gewone’, Nederlandse goudvink (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / 
Observation.org).

Verspreidingskaart goudvink Nederland

Kruisbek – Loxia curvirostra

De kruisbek is een wat grotere vinkensoort, met een lichaamslengte van vijftien tot zeventien centimeter en een spanwijdte van 27 tot 30 centimeter. De mannetjes zijn prachtig komijnrood gekleurd en hebben enigszins zwarte vleugels en staart. De vrouwtjes zijn overwegend groen gekleurd met een gele onderzijde. In de lucht zijn ze goed te herkennen aan de diep golvende vlucht die ze maken. Maar veruit het opvallendste kenmerk van de kruisbek is de snavel.

Kruisbek
De naam kruisbek is afgeleid van de opvallende snaveldelen die elkaar kruisen

De twee snaveldelen kruisen namelijk. Dit zorgt voor een zeer ongewone uitdrukking, die overigens soms vrij lastig te zien is. Met deze kruisende snaveldelen hebben kruisbekken zich gespecialiseerd in het eten van zaden van voornamelijk naaldbomen. De gekruiste bek zorgt er namelijk voor dat ze feilloos zaden uit dennenappels kunnen plukken. Vooral de zaden van fijnspar en lariks zijn favoriet. Deze pikken ze, al hangend op de kop, uit de vruchtkegels van de naaldbomen. Naast zaden van naaldbomen eten ze ook andere zaden, bessen en insecten.

Schaarse broedvogel

De kruisbek is in Nederland een schaarse broedvogel. De trek van de kruisbek komt overigens vroeg op gang, ze broeden vaak ook al vroeg in het jaar. Meestal broeden ze in de periode februari tot en met april. De kruisbek bezoekt Nederland in invasies. Deze invasies worden vermoedelijk veroorzaakt door een voedseltekort in de gebruikelijke broedgebieden. Sinds 1975 is de kruisbek een jaarlijks terugkerende broedvogel in Nederland (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart kruisbek Nederland

Grote kruisbek – Loxia pytyopsittacus

De grote kruisbek is een vogel die we over het algemeen alleen in Nederland zien als wintergast. Net zoals de kruisbek komen ze dan voornamelijk in invasies, vanuit de Scandinavise landen. Zo nu en dan blijven dan een aantal individuen hangen, waaruit succesvolle broedsels ontstaan.

Grote kruisbek (Saxifraga-Mark Zekhuis)
Grote kruisbekken zijn groter en hebben een dikkere nek dan kruisbekken (Saxifraga-Mark Zekhuis)

Grote kruisbekken lijken op de andere kruisbek, maar ze zijn groter, hebben een dikkere nek (stierennek) en de ondersnavel steekt niet boven de bovensnavel uit. Net zoals de kruisbek heeft de grote kruisbek de kenmerkende snavel, waarmee ze zich volledig gespecialiseerd hebben op het eten van zaden. Met name de zaden uit de zaadkegels van naaldbomen halen is hun specialiteit (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart grote kruisbek Nederland

Lees ook: padden in Nederland


De haakbek

Tot slot is er nog een andere opvallende soort die Nederland wel eens heeft bezocht (maar hier niet heeft gebroed); de haakbek – Loxia pytyopsittacus. De haakbek leeft normaal in Scandinavië en Siberië, maar komt als dwaalgast heel af en toe voor in Nederland. Dit gebeurt als er invasies vanuit deze landen naar het zuidelijker deel van Europa komen, (vermoedelijk) gedreven door voedselgebrek. Het is een grote vinkachtige met de punt van de bovensnavel omlaag gebogen.

Vinken in Nederland deel I en deel III

In vinken deel I (4 soorten) en vinken deel III (4 soorten) lees je de andere vinkachtigen die in Nederland voorkomen en broeden.

Vinken in Nederland deel I: vink, keep, distelvink, kneu

Vinken in Nederland deel III: Europese kanarie, roodmus, sijs, kleine barmsijs

Vinken in Nederland – Deel I

Vink

Iedereen met een groene tuin waarin wat vogelvoer wordt aangeboden ziet hem wel eens. Dat kleine vogeltje met dat overwegend grijze kopje, die korte kenmerkende snavel en die opvallende witte vleugelstrepen. Een mannetjesvink. Maar er zijn in Nederland meer soorten vinken te vinden. In deze blogserie (drie delen) gaan we de vogels uit de vinkenfamilie die in Nederland voorkomen uitvoerig bespreken.

Algemene kenmerken van vinken

Vinkachtigen zijn vogels die behoren tot de zangvogels en die zich vooral kenmerken door hun opvallende snavel. Deze is vaak kort en kegelvormig. De krachtige snavel gebruiken ze om (overwegend) zaden te eten. Naast de snavel zijn ook de kaken aangepast op het kraken van deze harde zaden. Behalve zaden worden er op zijn tijd ook insecten en bessen gegeten.

Taxonomie vinkachtigen Nederland (De natuur van hier)
Taxonomie broedende vinken Nederland (De natuur van hier)

De vinken zijn nauw verwant aan de prachtvinken (zoals de zebravinken), gorzen (zoals de geelgors), en aan de darwinvinken (bekend van het onderzoek dat Charles Darwin er in 1835 naar deed). Ze hebben zich bijna wereldwijd verspreid en komen voornamelijk voor in gebieden met veel bos (uiteraard zijn er uitzonderingen). In Nederland zijn er dertien vinkachtigen die (in meer of mindere mate) broeden:

  • Vink – Fringilla coelebs;
  • Keep- Fringilla montifringilla;
  • Distelvink – Carduelis carduelis;
  • Kneu – Linaria cannabina;
  • Groenling – Chloris chloris;
  • Appelvink – Coccothraustes coccothraustes;
  • Goudvink – Pyrrhula pyrrhula;
  • Kruisbek – Loxia curvirostra;
  • Grote kruisbek – Loxia pytyopsittacus;
  • Europese kanarie – Serinus serinus;
  • Roodmus – Carpodacus erythrinus;
  • Sijs – Spinus spinus;
  • Kleine barmsijs Acanthis cabaret.
Sijzen

Vink – Fringilla coelebs

We starten met de meest algemene vinkachtige in Nederland en in Europa; de vink. De vink is bij de meeste mensen wel bekend. Vooral het mannetje valt op met zijn grijsachtig petje en de oranjerode borst en wangen. Daarnaast zijn de twee witte vleugelstrepen erg opvallend. De vrouw is ook te herkennen aan deze twee witte vleugelstrepen, maar is verder meer bruinachtig gekleurd. Vinken bereiken een lichaamslengte van ongeveer 15 centimeter en een spanwijdte van 25 tot 28 centimeter.

Vink
Mannetjes vinken zijn goed te onderscheiden van de vrouwtjes door hun opvallende grijsachtige petje en de oranjerode borst en wangen

Zoals alle vinken bestaat het voedsel van de vink hoofdzakelijk uit zaden. In het voorjaar eten ze echter vooral insecten. De extra eiwitten die ze hierdoor binnen krijgen kunnen de juvenielen goed gebruiken om te groeien en de ouders om hun extra energieverbruik (door het broeden en opvoeden van de juvenielen) in deze periode te compenseren.

Verspreiding, broeden en trekken

Vinken komen door het hele land voor, maar zijn dichter verspreid in het Oosten dan in het Westen. Echter, overal waar voldoende groen te vinden is kun je de vink tegenkomen. Het is dan ook een vogel die snel je tuin zal komen opzoeken.

De Nederlandse vinken zijn veelal standvogels. Vogels die wel trekken, (meer noordelijk broedende individuen) vliegen vanaf half september naar Zuid-Europa en Noord-Afrika. De eerste vinken komen vanaf half februari weer terug. Dan is ook de bekende zang van de vink weer te horen. Vinken trekken in grote groepen, vaak samen met andere zangvogels zoals gorzen en kepen. De vink is in Nederland een zeer talrijke broedvogel, en komt in heel het land tot broeden (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart vink Nederland

Keep – Fringilla montifringilla

De keep wordt soms de noordelijke tegenhanger van onze vink genoemd. Ze worden ongeveer even groot, met een lichaamslengte van vijftien centimeter en een spanwijdte van 26 tot 28 centimeter. De keep is te herkennen aan de witte buik en stuit, oranje borst en vleugeldekveren en zwarte vlekken op de rug. Verder hebben ze een gele snavel met een zwarte punt. Mannetjes hebben een donkere, tot bijna zwarte kop.

Keep
Kepen zijn ongeveer even groot als vinken, maar hebben een witte buik en stuit. De mannetjes hebben een donkere tot zwarte kop

De keep is in Nederland voornamelijk te zien in de winter, als wintergast en doortrekker. Dit zijn de individuen die in Scandinavië broeden en in de winter naar het zuiden trekken om te overwinteren. Ze zijn dan veel te vinden in beukenbossen, op zoek naar de beukennootjes die in deze periode de voornaamste voedselbron vormen. Naast beukennootjes eten ze ook andere zaden en in de zomer ook insecten.

Kepen zijn in de winter vaak in grote groepen te vinden, gemengd met vinken. Als trekvogel zien we de keep ook vaak in grote groepen trekken, vaak gemengd met andere trekvogels. De trek vindt meestal overdag plaats, maar er worden soms ook nachttrekkers waargenomen. In Nederland zijn er nauwelijks broedparen te vinden. Dit zijn er maximaal één tot enkele per jaar. De naam van de keep is afgeleid van het roepend geluid dat deze maakt (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart keep Nederland

Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Distelvink – Carduelis carduelis

De laatste vink die we in deel I bespreken is de distelvink. De distelvink is misschien wel beter bekend onder de naam putter, maar wij prefereren de naam distelvink. Verderop in deze blog leggen we uit waarom. De distelvink is een kleine, kleurrijke vogel, met een lichaamslengte van ongeveer elf tot dertien centimeter en een spanwijdte van 21 tot 25 centimeter.

De kop wordt gevormd door een rood masker (deze is bij mannetjes groter dan bij vrouwtjes), die omringd is door een witte baan. De vleugels zijn overwegend zwart, met een kenmerkende gele vleugelstreep die, vooral in vlucht, goed opvalt. De bovenkant en borst zijn lichtbruin van kleur. Ze hebben daarnaast een witte stuit en witte snavel, waarvan de snavelpunt in de winter donkerder wordt.

Distelvink
De distelvink is een kleurrijke verschijning, die zich ook regelmatig in de wat grotere tuinen met wat meer structuur laat zien

Voedsel en leefwijze

Distelvinken hebben een puntige snavel die ze handig gebruiken om zaden uit bloemen te pikken. Dit doen ze vooral bij composietplanten, zoals distels en paardenbloemen. Daarnaast weten ze met hun puntige snavel ook de lastig bereikbare zaden van de kaardenbol te pakken. Naast zaden eten ze ook bessen. Juvenielen krijgen daarnaast ook veel insecten gevoerd. In de winter bezoeken ze ook regelmatig voedertafels in tuinen en parken.

Van oorsprong komt de distelvink vooral voor aan de randen van loofbossen. Echter hebben ze zich in de loop der jaren prima weten aan te passen aan het landschap gecreëerd door de mens. De halfopen-landschappen bij boerderijen en andere grote percelen, met houtwallen en laanbomen blijken een gevarieerd landschap waarin de distelvink zich thuis voelt.

De populatie distelvinken in Nederland stijgt de laatste decennia. Distelvinken zijn gedeeltelijk standvogels en gedeeltelijk trekvogels. Mannetjes zijn vaker standvogels dan vrouwtjes en juvenielen individuen. De trek van distelvinken vindt hoofdzakelijk overdag plaats (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart distelvink Nederland

Putter als kooivogel

Vanwege de bijzondere uiterlijke verschijning, indrukwekkende zang en intelligentie, werd de distelvink van oudsher vaak als kooivogel gehouden. De vogels werden gemakkelijk trucjes aangeleerd, die hem uiteindelijk ook de ondankbare naam putter heeft opgeleverd. De vogel werd namelijk aangeleerd om met een miniatuur emmertje water uit een reservoir te ‘putten’. Gelukkig beseffen we tegenwoordig dat deze vogels net als alle andere vinkachtigen vrij in de natuur horen te vliegen, waardoor wat ons betreft de naam putter niet meer relevant en ongeschikt is.

Kneu – Linaria cannabina

Een van de kleinere vinkensoorten is de kneu. Mannetjes kneus zijn te herkennen aan de rode borst en kruin. Het kopje is overwegend grijs, met een eveneens grijze, kegelvormige snavel. Verder zijn ze overwegend bruin gekleurd en de vleugels hebben witte randen. Bij vrouwtjes (en juvenielen) ontbreekt het rood. Daarnaast hebben de vrouwtjes wat meer een strepenpatroon.

Kneu
Kneuen zijn een van de kleinere vinkensoorten in ons land en leven in groepen

Kneuen bereiken een lichaamslente van rond de veertien centimeter en een spanwijdte van 21 tot 25 centimeter. Kneuen leven in groepen en zijn echte bewoners van het halfopen landschap. Boerderijen met voldoende plekken om voedsel te vinden (kruidenrijke graslanden) en dichte struiken om in te broeden zijn een ideale leefomgeving. Ze komen daarnaast ook voor in de duinen.


Lees ook: eenden in Nederland – deel I


Leefwijze

Sinds de jaren ’70 is de populatie kneuen in Nederland aanzienlijk afgenomen. Vooral op het platteland zijn de aantallen significant achteruit gegaan. De intensivering van de landbouw lijkt hierin een rol te spelen. Sinds een aantal jaren lijkt de populaties kneus in Nederland wat te stabiliseren. Feit is wel dat ze veel minder talrijk zijn geworden.

De meeste kneuen trekken in het najaar naar Zuid-Europa en Marokko. Tijdens de voor- en najaarstrek zijn, naast de ‘Nederlandse’ kneuen ook doortrekkers te zien (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart kneu Nederland

Het broertje van de kneu

Het broertje van de kneu, de frater (Linaria flavirostris), is soms ook in Nederland te zien, als wintergast. Fraters zijn ongeveer even groot als kneuen en kennen een soortgelijke leefwijzen als de kneu. Ze broeden voornamelijk in Engeland en Noorwegen. Het verenkleed is overwegend bruin met zwart gestreept.

Vinken in Nederland deel II & III

In de eerste blog van deze driedelige serie hebben we de eerste vier vinkensoorten die in Nederland voorkomen besproken. In de volgende twee delen zullen we de overige negen soorten vinken bespreken.

Vinken in Nederland deel II: groenling, appelvink, goudvink, kruisbek, grote kruisbek

Vinken in Nederland deel III: Europese kanarie, roodmus, sijs, kleine barmsijs

Waarom houden dieren een winterslaap?

De egel is een van de bekendste zoogdieren die een winterslaap houdt. Verstopt in een stapel bladeren verkeert het lichaam in een ruststand

Tijdens de koude wintermaanden zijn sommige dieren, die je in andere jaargetijden wel ziet, onvindbaar. Deze dieren hebben hun territorium niet verlaten, maar hebben tijdelijk een plek opgezocht om de winter door te brengen. Ze houden een winterslaap. In deze blog vertellen we je alles over winterslaap en winterrust, waarom en welke dieren dit doen.

De egel is een van de bekendste zoogdieren die een winterslaap houdt. Verstopt in een stapel bladeren verkeert het lichaam in een ruststand
De egel is een van de bekendste zoogdieren die een winterslaap houdt. Verstopt in een stapel bladeren verkeert het lichaam in een ruststand

Wat is winterslaap?

Tijdens de winterslaap neemt het lichaam een lager tempo aan. De hartslag en ademhaling vertragen en de lichaamstemperatuur gaat omlaag. Dieren doen dit om de winters door te komen, wanneer er weinig tot soms geen voedsel voorhanden is. Door een winterslaap te houden, besparen ze enorm veel energie. Het verminderde voedselaanbod is ook een van de redenen waarom vogels naar het zuiden trekken.

Dieren die een winterslaap houden, worden vrijwel de hele winter niet wakker. Zodra de temperaturen omhoog gaan, beginnen ze wakker te worden. Tijdens deze rustperiode verliezen ze veel gewicht. Sommige dieren bewegen af en toe tijdens deze periode, maar er zijn ook dieren die helemaal niet bewegen. Dieren die de winter slapend doorbrengen, zijn bijvoorbeeld de egel en de hazelmuis. Voordat ze gaan slapen, zorgen ze ervoor dat ze zoveel mogelijk gegeten hebben. Zo weegt de hazelmuis tegen die tijd rond de 40 gram, waar hij normaal gesproken rond de 17 gram weegt.

De hazelmuis krult zich tijdens de winterslaap op in zijn holletje, om er in het voorjaar weer uit te komen (Shutterstock)
De hazelmuis krult zich tijdens de winterslaap op in zijn holletje, om er in het voorjaar weer uit te komen (Shutterstock)

Er zijn ook dieren, zoals de das en eekhoorn, die een winterrust hebben. Ze zijn tijdens de winter niet actief, maar zijn ook niet continu in slaap. Ze zoeken voedsel en zijn verder voornamelijk in rust. Beren houden bijvoorbeeld ook een winterrust, maar ook hun temperatuur daalt dan sterk.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Ten slotte zijn er ook nog dieren die hun leven eigenlijk hetzelfde blijven leiden tijdens de koude winterperiode. Bepaalde muizen bijvoorbeeld. Wat ze wel doen, is een voedselvoorraad aanleggen. Want tijdens de winter is het voedselaanbod schaars. Ook sommige vogelsoorten doen dit, zoals kraaiachtigen. Voedsel wordt goed verstopt, een ander mag er niet met de buit vandoor gaan.

Winterslaap of niet, als dier moet je je goed voorbereiden op de barre winterperiode, onder andere door een voedselvoorraad aan te leggen
Winterslaap of niet, als dier moet je je goed voorbereiden op de barre winterperiode, onder andere door een voedselvoorraad aan te leggen

Waarom houden dieren een winterslaap?

In de koude wintermaanden is het voedselaanbod schaars. Er zijn weinig tot geen vruchten, noten, zaden of insecten te vinden. Sommige vogels trekken om deze reden naar het zuiden, dieren die hier blijven moeten andere oplossingen vinden. Om de winter toch door te komen, moet het dier zichzelf beschermen tegen honger en kou. Door in winterslaap of winterrust te gaan, verbruikt het lichaam veel minder energie. De hartslag, temperatuur en ademhaling gaan omlaag. Er hoeft minder tot niet gegeten te worden en het dier hoeft het warme hol (vrijwel) niet te verlaten. Tijdens de slaapperiode scheidt het dier geen geurstoffen af, zodat ze geen makkelijke, slapende prooi vormen voor roofdieren.

Waar houden dieren een winterslaap?

Dieren houden op verschillende manieren een winterslaap. Zo hangen vleermuizen vaak bij elkaar in de buurt en zul je egels eerder in hun eentje tegen kunnen komen in een hoop bladeren. De plek is per soort ook verschillend. Egels zijn content met rommelige hoekjes met genoeg bladeren, eekhoorns zullen voor hun winterrust een veilig hol zoeken.

Vleermuizen hangen tijdens het slapen aan hun poten. Dit is tijdens de winterslaap niet anders
Vleermuizen hangen tijdens het slapen aan hun poten. Dit is tijdens de winterslaap niet anders

Hoe kun je helpen?

Je kunt dieren best een handje helpen om de winterslaap te beginnen, door te komen en om daarna fris en fruitig aan het voorjaar te beginnen.

In de herfst kun je het beste je tuin niet (te veel) opruimen. De bladeren worden door veel diersoorten, groter en kleiner, gebruikt om zich in te verschuilen. Ook uitgebloeide planten zijn een veilige schuilplek. Die kun je dus mooi laten staan. Wanneer je bijvoorbeeld notenbomen in je tuin hebt, kun je wat noten laten liggen. Vogels zoals kraaien en ekster en zoogdieren als eekhoorn zullen ze graag gaan verstoppen om later te verorberen.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Bladeren, afgevallen vruchten, noten en uitgebloeide planten hebben dieren nodig om de winter door te komen. Voor voedsel en schuilgelegenheid
Bladeren, afgevallen vruchten, noten en uitgebloeide planten hebben dieren nodig om de winter door te komen. Voor voedsel en schuilgelegenheid

Voor sommige soorten kun je een schuilplaats maken of kopen. Elke soort stelt weer andere eisen aan een schuilplek. Egels brengen bijvoorbeeld hun winterslaap graag door in een egelhuisje (Vivara). Dit luxe model heeft een voorportaal, zodat de egel zeker uit weer en wind blijft. Vleermuizen kun je verblijden met een vleermuizenkast, vaak met plek voor meerdere vleermuizen tegelijk. Deze vleermuiskast, ook van Vivara, hebben wij. Soms worden nestkasten ook gebruikt om de winter in door te brengen.

Er zijn ook eekhoornkasten te koop of om zelf te maken. Zoek een goede plek ervoor uit en het wachten op de eerste eekhoorn is begonnen
Er zijn ook eekhoornkasten te koop of om zelf te maken. Zoek een goede plek ervoor uit en het wachten op de eerste eekhoorn is begonnen

Tijdens de winterslaap of winterrust is er eigenlijk maar een ding belangrijk: laat de dieren met rust. Verstoor de winterslaap niet. Als je per ongeluk bijvoorbeeld een egel hebt gestoord tijdens het opruimen, is het het beste om de situatie zo snel mogelijk weer in orde te maken en erbij weg te gaan. Hoe korter de storing, hoe beter.

Na de winterslaap kun je de dieren helpen door voedsel en water aan te bieden. De dieren kunnen zo weer op gewicht komen en uitgerust aan de lente beginnen. Let er wel op wat je de dieren geeft. Je kunt online of bij tuincentra speciaal voer voor dieren kopen. Ook kun je verschillende soorten voederhuizen kopen, van vogels tot eekhoorns. Geef ze geen eten van eigen tafel.

Om na de winterslaap weer op krachten te komen, kun je helpen door verantwoord voedsel neer te zetten
Om na de winterslaap weer op krachten te komen, kun je helpen door verantwoord voedsel neer te zetten

Lees ook: waarom vliegen vogels in een v-vorm?


Veelgestelde vragen

Waarom houden dieren een winterslaap?

Om energie te besparen, gaan dieren in winterslaap. Hun ademhaling, lichaamstemperatuur en hartslag verlagen. In de winterperiode is er weinig voedsel te vinden.

Wat gebeurt er met het lichaam tijdens winterslaap?

Het lichaam vertraagt: ademhaling, temperatuur en hartslag gaan omlaag. Het lichaam is in rust en verbruikt weinig energie. Het dier verliest tijdens deze periode gewicht.

Welke dieren houden een winterslaap?

Verschillende soorten houden een winterslaap, zoals vleermuizen, egels, bepaalde soorten muizen. Andere dieren, zoals beren en dassen, houden een winterrust. Zij komen dan wel af en toe kort naar buiten.

Hoe lang duurt een winterslaap?

Ook dit verschilt per soort. Winterslaap kan variëren van enkele dagen tot enkele maanden.

Wat is het verschil tussen een haas en een konijn?

Konijn

In Nederland leven twee soorten dieren die behoren tot de orde haasachtigen, de haas en het konijn. Beide zijn het op de grondlevende dieren met grote oren en relatief lange poten. Ze houden zich op in open- en halfopen landschappen en voeden zich voornamelijk met gras en kruidachtige planten. Maar wat zijn nou de verschillen tussen de haas en het konijn? Als je weet op welke kenmerken je moet letten, wordt het in het veld veel makkelijker om ze uit elkaar te houden.

Taxonomie hazen en konijnen

De meeste mensen zullen denken dat de haas en het konijn behoren tot de knaagdieren, maar ze behoren echter tot een aparte orde binnen de zoogdieren, de haasachtigen. Het werd lange tijd gedacht dat hazen inderdaad tot de knaagdieren behoorde, maar op basis van verschillen in het gebit en de kaken worden ze tegenwoordig gezien als een aparte orde.

Konijn
Haasachtigen zijn goed te herkennen aan de meestal grote oren en spleetvormige neusgaten en gespleten bovenlip

Kenmerkend voor de haasachtigen is dat het lichaam zich laag bij de grond bevindt, ze over het algemeen lange oren hebben, relatief lange poten, een korte staart en een dikke vacht. Ze hebben daarnaast spleetvormige neusgaten en grote voortanden. In Europa zijn tegenwoordig nog zeven soorten haasachtigen te vinden, waarvan er twee ook in Nederland voorkomen (Europese haas – Lepus europaeus en Europees konijn – Oryctolagus cuniculus).

Verschillen hazen en konijnen

Ondanks dat ze veel op elkaar lijken, zijn er ook zeker verschillen te vinden tussen de haas en het konijn. Het eerste verschil is een beetje flauw, maar zit hem al in het lidwoord. We spreken in de Nederlandse taal van de haas en het konijn. Mannetjes noemen we bij beide soorten rammelaren. Vrouwtjes noemen we bij het konijn voedsters, bij hazen moeren.


Lees ook: verschil tussen kikkers en padden


Fysieke verschillen

Om in het veld de haas en het konijn uit elkaar te houden, is het belangrijk om te letten op de fysieke verschillen tussen de twee. Het makkelijkste verschil om te zien is dat een haas een stuk groter en zwaarder is dan een konijn. Hazen hebben een kop-romplengte van 50 tot 65 centimeter en kunnen tot vijf kilogram wegen. Konijnen bereiken een kop-romplengte van 35 tot 45 centimeter met een maximaal gewicht van 2,5 kilogram. Beduidend kleiner dus.

Een ander opvallend kenmerk zijn de oren, waarbij ook wat verschillen zijn op te merken. Als eerste zijn die van de haas langer. Daarnaast hebben hazen aan de bovenkant van de oren een zwarte punt, konijnen hebben enkel een donker randje.

Haas
De grote oren, en de zwarte punt bovenaan de oren, zijn kenmerkend voor de haas

Qua vacht lijken de twee best op elkaar. Beide zijn ze grijsbruin van kleur, al kan er bij hazen onderling nog wel verschil optreden, afhankelijk van waar ze leven. Er is wel een verschil te ontdekken tussen de haas en het konijn in de wolharen, die zich tussen de dikkere dekharen bevinden. Bij konijnen zijn deze grijs, bij hazen wit.

Atletische bouw hazen

Hazen zijn tot slot een stuk atletischer gebouwd dan konijnen. De langere poten zorgen ervoor dat hazen sneller zijn dan konijnen. Daarnaast zijn hazen meer gebouwd om langere afstanden te rennen, konijnen moeten het vooral hebben van de korte sprintjes. Hazen zijn over het algemeen ook wat slanker gebouwd dan konijnen, wat het atletische vermogen onderstreept.

Verschillen in leefwijze

Naast fysieke verschillen zijn er ook zeker verschillen in leefwijze te vinden tussen de haas en het konijn. Hazen leven in Nederland voornamelijk in weilanden, aan de bosranden, in open bossen en soms in kwelders. Konijnen leven vooral in halfopen landschappen en aan de bosrand. Ze komen daarnaast ook voor in tuinen en parken. Konijnen ontbreken in vochtige gebieden en op kleiige gronden.

haas lopend
Hazen zijn goede lopers en kunnen in sprint een snelheid van maar liefst 65 kilometer per uur bereiken

Konijnen zijn holengravers en dat is precies de reden waarom ze niet op kleigronden voorkomen, maar voornamelijk op zandgronden. Hierdoor ontbreekt het konijn op best wat plekken in Nederland, de haas is dus meer verspreid in Nederland. Dit geldt overigens niet in alleen in Nederland. Als we naar Europa kijken, dan heeft de haas ook hier een algemenere verspreiding. Hazen vinden we zelfs in het hooggebergte. Konijnen komen maar tot een hoogte van circa 700 meter boven zeespiegelniveau voor.

Waarnemingen

Beide soorten hebben last van de intensivering van de landbouw. Doordat de landbouwgronden steeds groter worden en er meer een monocultuur wordt toegepast, verdwijnen geschikte leefgebieden voor de haas en het konijn. Het is daarom ook raadzaam om je waarnemingen altijd door te geven via waarneming.nl. Deze gegevens kunnen gebruikt worden om (positieve en negatieve) trends te ontdekken in de populaties, waardoor er beter gestuurd kan worden op het beheer van leefgebieden.


Lees ook: verschil tussen juffers en libellen


Konijnenholen en hazenlegers

Een ander groot verschil tussen de twee betreft het maken van een schuilplaats. Konijnen zijn zoals gezegd echte holengravers. Dit is ook precies de reden waarom ze het meeste voorkomen op zandgronden, hier is het gewoon makkelijker graven. Konijnen zijn daarom ook vaak te vinden in duinen. Hier vervullen ze een belangrijke ecologische rol in het ecosysteem (en daarmee bijdrage aan het behoud van de ecosysteemdiensten die duinen leveren), omdat ze op een natuurlijke wijze (al grazend) de duinen open houden.

Konijnen prefereren een zandgronden, omdat ze hier goed in kunnen graven
Konijnen prefereren zandgronden, omdat ze hier goed in kunnen graven (Saxifraga – Piet Munsterman)

Konijnenholen bestaan vaak uit meerdere gangenstelsels met diverse kamers, meestal zelf gegraven. Zo nu en dan maken ze ook gebruik van een oude dassenburcht, maar vaak genoeg maken ze het hele hol zelf. In een konijnenhol leeft een familie met maximaal tien individuen. Het konijn is honkvast en blijft jaarrond in de buurt van het hol.

Konijnenhol (Saxifraga - Hans Dekker)
Konijnen maken een hol met lange gangenstelsels die diverse kamers met elkaar verbinden (Saxifraga – Hans Dekker)

Hazen besteden iets minder moeite aan hun schuilplek. Hazen maken zogenoemde hazenlegers. Dit is niets meer dan een ondiepe kuil, tien tot twintig centimeter diep waarin hij zijn grote lichaam net kwijt kan. Deze legers maken ze meestal in hoog gras, in de zoom (overgang van gras naar bos) of onder heggen. Hazen zijn dan ook niet zo honkvast aan hun leger als konijnen aan hun hol zijn. In de winter brengen hazen vaak de meeste tijd door in het bos.

Voortplantingsgedrag hazen

Over het algemeen leven hazen solitair, dus niet in een familie zoals konijnen. Enkel tijdens de paartijd, en soms in de winter, zoeken ze elkaar op en leven ze tijdelijk in kleine groepen. In deze periode vindt ook het bekende rammelen plaats, wat we alleen zien bij hazen. De hazen rennen dan achter elkaar aan, wat kan leiden tot het boksen met elkaar. Ze staan dan op hun achterpoten en slaan met de voorpoten naar elkaar. Dit hoort allemaal bij het voorspel op de paring. Wanneer een rammelaar en moer elkaar gevonden hebben, zonderen ze zich af van de groep en vindt de paring plaats.

Het rammelen tijdens de paartijd bij hazen leeft vaak spectaculaire beelden op (Saxifraga - Piet Munsterman)
Het rammelen tijdens de paartijd bij hazen levert vaak spectaculaire beelden op (Saxifraga – Piet Munsterman)

Herten in Nederland

Edelhert

In en rondom onze Nederlandse bossen vinden we een van de meest sierlijke dieren die ons land rijk is: herten. Het elegante lichaam, de kortharige glanzende vacht, de hoge slanke poten waarmee ze zich behoedzaam voortbewegen en het imposante gewei van de volwassen mannetjes. Deze gezamenlijke kenmerken maken de hertachtigen een absolute aanwinst voor de Nederlandse natuur. In deze blog bespreken we alle herten in Nederland.

Ree
Herten zijn elegante, sierlijke dieren. De mannetjes hebben een gewei

Kenmerken en leefwijze

In Nederland kennen we drie inheemse hertensoorten (al is er over één nog wel eens discussie): het ree, het damhert en het edelhert. Alle drie de herten behoren in de taxonomie tot de familie hertachtigen.

Kenmerken

Hertachtigen kenmerken zich voornamelijk door hun lichaamsbouw. Een slank, gestroomlijnd lichaam met lange, lenige ledematen en een kortharige vacht. Ze hebben grote oren, die zich bovenop de kop bevinden, en grote ogen aan de zijkanten van de kop. Deze organen zijn helemaal afgestemd op het in de gaten houden van de omgeving. Doordat de oren zich bovenop de kop bevinden, vangen ze snel omgevingsgeluiden op en met de ogen in de zijkant van de kop kunnen herten bijna de hele omgeving in de gaten houden, op hun hoede voor roofdieren.

Het gewei

Mannetjes van de hertachtigen dragen een gewei (met uitzondering van het Chinese waterree), die ze jaarlijks wisselen. Naarmate de mannetjes ouder worden, worden de geweien imposanter. Het gewei is gemaakt van kraakbeen en bevat een laag waardoor bloedvaten lopen, die het gewei voorzien van zuurstof en voedingsstoffen om te groeien. Op het moment dat het gewei volgroeid is, verandert het kraakbeen in botweefsel en wordt het dood materiaal. In de winter wordt het gewei afgeworpen en start vrij snel daarna de groei van het nieuwe gewei. Deze zal een stukje groter zijn dan het gewei dat het hert het jaar daarvoor had.

Mannetjesherten produceren ieder jaar een nieuw gewei, dat ieder jaar groter is.
Mannetjesherten produceren ieder jaar een nieuw gewei, dat ieder jaar groter is.

Leefwijze

Herten zijn over het algemeen overdag actief, maar in de buurt van mensen zijn ze voornamelijk actief in de ochtend en avond, tijdens de schemering. Je zou misschien denken dat herten echte bosbewoners zijn, maar dit klopt maar deels. De reden dat veel mensen hiervan overtuigd zijn, is omdat we onze edelherten in Nederland alleen maar in afgesloten gebieden met hekwerk eromheen houden. Hierdoor brengen ze voornamelijk tijd door in het bos, maar dit is niet per se een natuurlijke reactie.

Herten leven voornamelijk aan de randen van bossen, tussen het bos en een open gebied (zoals een grasland) in. Hier zijn ze op zoek naar de twijgen van jonge bomen, grassen, kruidahtige planten en zaden. Dit zorgt er in een natuurlijke situatie ook voor dat herten vaak voor een hogere biodiversiteit zorgen in een gebied. Herten zorgen er met hun gegraas voor dat zulke overgangsgebieden breder zijn en een grote variatie in structuur bevatten. Deze gebieden zijn vaak ook essentieel voor andere dieren zoals vogels, kleine zoogdieren en bijen en vlinders.

Herten houden van bossen met open stukken in
Herten houden zich graag op in de randen van het bos, waar het bos overgaat in een meer open landschap

Ree – Capreolus capreolus

De kleinste inheemse soort die we in Nederland tegenkomen, is het ree. Met een schofthoogte tussen de 60 en 90 centimeter is het ree niet groter dan een herdershond. Het gewicht varieert tussen de 15 en 35 kilogram. In de zomer zijn reeën feller gekleurd dan in de winter. Tijdens de warme dagen zijn ze zandgeel tot roodbruin gekleurd, waar dit in de winter kleurt naar grijsbruin. Ze hebben een donkere, zwarte neus met een witte kin eronder. Reeën hebben een witte spiegel (achterwerk). Bij mannetjes is deze niervormig, bij vrouwtjes hartvormig.

Mannetjes hebben een bescheiden gewei dat maximaal 25 centimeter groot wordt. Jonge dieren waarbij het gewei nog geen vertakking vertoont, noemen we een spitser en geweien met één vertakking noemen we een gaffel.

Ree
Reeën zijn de kleinste inheemse herten die we vinden in Nederland

Lees ook: uilen in Nederland – deel I


Het leven van een ree

Mannetjes reeën noemen we reebokken en vrouwtjes noemen we geiten. Het gaat goed met het ree, zowel in Nederland als in de rest van Europa. In Nederland komt het ree overal voor. Voornamelijk in bossen met open plekken, maar ook in andere gebieden, zoals op de heide en in de duinen, leven reeën.

In tegenstelling tot het edelhert is het ree geen typische grazer, maar een browser. Dit houdt in dat het ree in mindere mate gras en kruiden consumeert, maar meer andere dingen zoals twijgen, bladeren, bramen, bessen en noten.

Voorplanting

Reebokken leven alleen en verdedigen hun territorium tegen andere bokken. Reegeiten leven alleen met hun jongen en het leefgebied van de geiten overlappen soms. In de bronsttijd (paartijd voor hertachtigen) zoeken de vrouwtjes de gebieden van de bokken op.

Reeën
Het reekalf blijft bij de moeder tot het moment dat de reegeit opnieuw bevalt van een nieuw kalf

De bronstijd van reeën valt in de zomer, in de periode juli-augustus. De jonge reekalveren worden echter pas het jaar erop in de periode eind mei – begin juni geboren. Het embryo is echter niet al die tijd (ruim 10 maanden) in ontwikkeling. Reeën zijn namelijk de enige evenhoevige die een verlengde draagtijd hebben. Dit betekent dat de eicel in rust is en pas eind december begint te ontwikkelen. Vaak is er namelijk nog een tweede bronstijd, rond oktober. De geiten die in deze periode bevrucht worden hebben een verkorte uitgestelde draagtijd, deze eicellen beginnen ook eind december met de ontwikkeling tot een embryo.

Damhert – Dama dama

In het begin van de blog schreven we dat er over één soort nog wel eens discussie was of deze nou inheems is of niet. Daarmee doelden we op het damhert. De Romeinen hebben namelijk het damhert door het hele Romeinse Rijk ingevoerd. Het damhert kwam op dat moment niet voor in Nederland, maar was tijdens de laatste ijstijd teruggedreven naar Azië. Voor die tijd kwam het hier dus wel voor, waardoor het dus een inheemse soort is.

Damhert
Damherten zijn groter dan een ree en kleiner dan een edelhert. De zomervacht is meestal roodbruin met witte vlekken en de mannetjes hebben een schoffelgewei

Het damhert is groter dan het ree, maar kleiner dan het edelhert (die hierna aan bod komt). Ze bereiken een schofthoogte die varieert van 85 tot 110 centimeter en ze wegen dan 45 tot 100 kilogram. Binnen de soort bestaat er veel variatie in kleur. Ze zijn meestal overwegend roodbruin, maar kunnen ook bijna helemaal zwart of zelfs overwegend wit zijn. Daarnaast is er een duidelijk verschil tussen zomer- en wintervacht. De wintervacht is meer grijzig met licht vlekken. De zomervacht is overwegend bruin met witte vlekken. Ze hebben een witte spiegel met een zwarte strepen in het midden en bijna volledig rondom het witte vlak.

Damhert wintervacht
Tijdens de winter zijn damherten donkerder gekleurd (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Damherten hebben, anders dan andere herten, een schoffelgewei. Dit verschilt van de andere geweien doordat het in de punten bladvormig wordt. Het heeft dan een vorm die aan een schoffel doet denken. De eerste paar jaar hebben mannetjes damherten alleen twee punten als gewei. Vanaf het derde jaar begint het gewei zijtakken te krijgen. De grootte van een gewei is afhankelijk van meerdere factoren. Uiteraard speelt leeftijd een belangrijke rol, maar ook erfelijkheid en de conditie waarin het hert verkeert zijn van invloed.


Lees ook: marters in Nederland


Leefwijze

Bij damherten noemen we het mannetje een hert, en vrouwtjes een hinde. Zoals gezegd hebben de Romeinen het damhert in Nederland, en op veel andere plekken in Europa, geherintroduceerd. Tegenwoordig gaat het dan ook goed met het damhert in Europa. In Nederland komen herten in alle provincies voor, maar grote populaties beperken zich tot een aantal locaties door het land. Vanuit daar hebben dieren zich verspreid, maar ook vanuit kinderboerderijen en hertenkampen zijn individuen in de natuur terecht gekomen.

Damherten houden zich voornamelijk op in gemengde bossen en loofbossen met voldoende open plekken (graslanden). Ook aan randen van bossen met aangrenzend grasland voelen ze zich thuis. Ze leven hier in roedels. Na de paartijd leven de mannen in kleinere groepen. Maar naast bossen kunnen damherten ook op andere plekken voorkomen. Wij hebben al meerdere keren een groepje damherten in de buurt van onze woning gezien, waar relatief weinig bos te vinden is.

Voedsel en voortplanting

Qua voedsel zijn damherten veelzijdig. Naast grassen en kruiden eten ze ook (jonge) bladeren, twijgen, maar ook noten en bessen. Aan de rand van het Teutoburgerwoud worden in de zomer wel eens damherten waargenomen die rijpe appels uit de boomgaarden plukken.

De bronstijd van damherten valt later in het jaar dan die van reeën. Deze vindt meestal in oktober plaats. In de periode tussen mei en juli worden de kalveren geboren. Een hinde bevalt bijna altijd van slechts één kalf, die ongeveer 4,5 kilogram weegt bij de geboorte.

Damhert juveniel
Damhert kalveren groeien samen op in een roedel

Edelhert – Cervus elaphus

Het inheemse edelhert is de grootste van de drie en tevens het grootste landdier in Nederland. Volwassen dieren bereiken een schofthoogte van 110 tot 140 centimeter en mannetjes kunnen tot wel 225 kilogram wegen. Edelherten die hoofdzakelijk in bos leven zijn overwegend kleiner dan de exemplaren die in meer open landschappen leven.

Zoals de andere herten zijn edelherten in de zomer anders (feller) gekleurd dan in de winter. In de zomer hebben ze een roodbruine vacht, met een witte buik en een roomkleurige spiegel. In de winter zijn ze grauwer van kleur. Tussen de haren bevinden zich dan luchtcellen die voor een isolerende laag zorgen. Mannetjes hebben dan tevens langere haren in de hals.

Edelhert
Edelherten hebben in de winter luchtcellen tussen de haren, wat een isolerende werking heeft

Edelherten zijn natuurlijk bij iedereen bekend vanwege het imposante gewei van de volwassen mannetjes. Het gewei van jonge dieren begint als een spitser, maar krijgt ieder jaar meer vertakkingen, ook wel enden genoemd. Een volgroeid gewei heeft acht tot dertien enden en kan een maximale lengte bereiken van meer dan 90 centimeter. Bij oudere (senioren) herten neemt de grootte van het gewei ieder jaar af.

Leefwijze

Mannetjes van het edelhert worden bokken, of gewoon simpelweg herten genoemd. Vrouwtjes noemen we hinden. Vroeger was het edelhert in Nederland algemeen verspreid. Tegenwoordig vinden we ze echter alleen nog maar op de Veluwe, Oostvaardersplassen en het Weerterbos. Buiten deze gebieden geldt een nulstand, wat wil zeggen dat ze hier niet worden getolereerd en worden afgeschoten. Er kan dus gesteld worden dat de edelherten in Nederland eigenlijk alleen nog maar tussen hekken te bewonderen zijn. De ecologische hoofdstructuur (Natuurnetwerk Nederland) zou hier in de toekomst wellicht verandering in kunnen brengen.

Van nature leeft het edelhert in open bossen, met voldoende graslanden. Echter heeft de soort zich door de jaren heen goed weten aan te passen en komt het ook voor in moerassen en op heidevelden. Edelherten leven in roedels, waarbij de bokken aparte roedels vormen en de hinden met kalveren ook. In de bronstijd zoeken de bokken (afzonderlijk van elkaar) de hindenroedels op en vormen ze een harem.

Voedsel en voortplanting

Het edelhert is een echte grazer. Dit wil zeggen dat het hoofdzakelijk gras eet. Daarnaast eten ze ook andere zaken, zoals bessen, boomschors, wortels, knollen en twijgen van bomen en struiken.

Edelhert burlen
In de bronstijd beginnen de mannetjes met burlen. Hiermee proberen ze indruk te maken op de hindes en een harem te vormen

In de periode eind september tot begin oktober vindt de bronstijd plaats. Zoals gezegd zoeken de bokken dan de hindenroedels op en proberen ze indruk te maken door luider dan hun concurrentie te burlen. Burlen is een soort luide roep van de bok, waarmee de dominantie getoond wordt. Als twee bokken gelijkwaardig aan elkaar burlen, kan dit leiden tot een gevecht waarbij serieuze verwondingen op kunnen treden. De bok die het beste burlt, of het sterkste is in het gevecht, mag paren met de hindes en een roedel vormen. De verliezer druipt af.

Eind mei/begin juni worden de kalveren geboren. In de meeste gevallen bevalt een hinde van één kalf, maar in uitzonderlijke gevallen worden er ook wel eens twee geboren. De kalveren groeien gezamenlijk op in de hindenroedels en blijven tot twee jaar na geboorte bij de moeder.

Exoten

In Nederland vinden we naast de drie inheemse hertachtigen ook een aantal exoten, het sikahert en de Chinese muntjak. Beide vertonen ze invasieve kenmerken en kunnen ze een serieuze bedreiging vormen voor de inheemse natuur.

Sikahert – Cervus nippon

De eerste exoot is het sikahert, dat van origine voorkomt in Oost-Azië. Het sikahert is het beste te vergelijken met het damhert, maar dan een stukje kleiner. Ze zijn ook, in de zomer, roodbruin gekleurd en hebben witte/geelachtige vlekken. In de winter is de vacht donkerder gekleurd. Opvallende kenmerken zijn de manenkraag bij zowel het mannetje als het vrouwtje, de zwarte lipvlek en de korte, witte staart met donkere streep.

SIkahert
Sikaherten hebben een manenkraag, die bij dit mannetje duidelijk te zien is (Shutterstock)

Sikaherten bereiken een schofthoogte tussen de 70 en 100 centimeter en een gewicht van circa 60 tot 65 kilogram, waarmee ze beduidend kleiner zijn dan het damhert. Een opvallend verschil met het damhert is het gewei. Ze hebben geen schoffelgewei, maar eenzelfde gewei als het edelhert, alleen een stuk kleiner.

De introductie en de bedreiging

Het sikahert is aan het einde van de 19e eeuw geïntroduceerd in West-Europa, als parkdier. Het heeft zich weten te handhaven in landen zoals Engeland, Frankrijk en Duitsland. In Nederland worden maar heel soms sikaherten gezien.

Een opvallend gegeven is het feit dat het sikahert kan kruisen met het edelhert, ondanks dat het een stuk kleiner is. Uit deze kruising kunnen vruchtbare nakomelingen komen, waardoor het een bedreiging vormt voor de genetische biodiversiteit van het inheemse edelhert.

Chinese muntjak – Muntiacus reevesi

De Chinese muntjak is het kleinste hert wat je in Nederland tegen kunt komen. Met een schofthoogte van 45 tot 50 centimeter en een gewicht van circa 12 tot 15 kilogram is het nog een heel stuk kleiner dan het ree. Ze zijn kastanjebruin van kleur, met een wittige kin en buik en een zwart patroon op de kop. Ze hebben een opvallend lange staart en mannetjes hebben een klein gewei, zonder enden.

Chinese muntjak
De Chinese muntjak is een stuk kleiner dan alle andere herten in Nederland

De muntjak komt van oorsprong voor in China en Taiwan. In de 18e eeuw zijn ze in Europa ingevoerd als huis- en parkdier, vooral in Engeland en Frankrijk. De ontsnapte en losgelaten dieren hebben zich weten te vestigen en ze hebben zich over meerdere landen uitgebreid.

Bedreiging

Muntjakken eten twijgen en bladeren van struiken, klimplanten en andere planten die in het bos groeien. Ook eten ze jonge bomen (zaailingen). Als de Chinese muntjak in groten getale voorkomt, kan het een bedreiging vormen voor inheemse planten zoals de boshyacint en bosbingelkruid. Daarnaast kan het verjonging in een bos remmen, wat catastrofaal kan zijn voor het ecosysteem. Om deze redenen wordt het als een invasieve soort beschouwd, waardoor het niet meer ingevoerd mag worden.


Lees ook: eenden in Nederland – deel I


Was dat het?

Dan zijn er nog twee soorten die, op het moment, niet in Nederland voorkomen, maar wel de moeite waard zijn om te benoemen.

Allereerst de eland (Alces alces). Vroeger kwamen er elanden voor in Nederland, maar de laatste waarneming dateert uit 1025. Er wordt onderzocht of de eland geherintroduceerd kan worden in de Biesbosch (het zijn echte moerasbewoners), dit zou een positieve invloed kunnen hebben op de biodiversiteit in het gebied.

Dan is er nog het reuzenhert (Megaloceros giganteus), een inmiddels uitgestorven hertensoort. Deze herten waren veel groter dan de herten die we tegenwoordig zien. Ze konden een schofthoogte bereiken van 210 centimeter en het gewei kon een spanwijdte bereiken van ruim 360 centimeter! Het reuzenhert is waarschijnlijk zo’n 10.000 jaar geleden uitgestorven. Met enige regelmaat worden er aan de kust nog fossielen van het reuzenhert gevonden. Via waarneming.nl kun je deze waarnemingen (vaak met foto) bekijken.

Veelgestelde vragen

Welke herten komen er voor in Nederland?

In Nederland komen drie inheemse herten voor: het ree, het damhert en het edelhert. Daarnaast zijn er nog twee exoten: het sikahert en de Chinese muntjak. Vroeger leefde er ook de eland en het reuzenhert.

Wat is het grootste hert in Nederland?

Het edelhert is het grootste hert in Nederland en bereikt een schofthoogte van 110 tot 140 centimeter. Ze kunnen tot 225 kilogram wegen en het gewei van de bokken kunnen tot wel 90 centimeter groot worden, met maximaal dertien enden.

Waar komen herten voor in Nederland?

Herten in Nederland vinden we vooral in bossen en aan de rand van het bos. Edelherten komen enkel op de Veluwe, Oostvadersplassen en in het Weerterbos voor. Reeën en damherten komen meer algemeen verspreid voor.

Hoe maakt een spin een spinnenweb?

Spinnenweb

Als je in de natuur bent, zie je ze overal terugkomen: spinnenwebben. Spinnenwebben zijn er in allerlei soorten en maten. Sommige zijn zo volmaakt dat het bijna kunstwerken zijn, andere zo fragiel dat er iedere dag een nieuwe gemaakt dient te worden. Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke grote bouwwerken maken, met een materiaal dat in verhouding sterker is dan staal? Het antwoord op deze prangende vraag heeft de wetenschap tot op heden nog maar deels kunnen ontrafelen. In deze blog gaan we kijken hoe een spin van niets tot een volmaakt spinnenweb komt, en dat vaak in een tijdsbestek van een uurtje.

Alleen de familie ‘echte spinnen’ maken spinnenwebben. Dit doen ze met behulp van spinnenrag, of spinnendraad. Er is gewone spinnendraad en kleverige spinnendraad. De spin laat eerst een draad door de wind meevoeren naar een tak. Vervolgens wordt een soort Y-vorm gemaakt. Vervolgens worden vanuit het midden de spaken van het web gevormd. Het web wordt afgemaakt door spiraalsgewijs nog draad te spannen.

Wie maakt een spinnenweb?

Niet alle spinnen maken spinnenwebben. Binnen de klasse ‘spinachtigen’, waar onder andere ook de teken en schorpioenen tot behoren, is alleen de orde ‘echte spinnen’ verantwoordelijk voor het maken van spinnenwebben. Andere ordes zoals de ‘hooiwagens’ en ‘zweepspinnen’ hebben niet het vermogen om spinnendraad te produceren, wat noodzakelijk is voor het maken van een web.

De orde ‘echte spinnen’ is een grote orde waarin al meer dan 50.000 soorten zijn beschreven (en waarbij er nog jaarlijks nieuwe soorten worden beschreven). De meest algemene spinnen zoals de huisspin, kraamwebspin en kruisspin behoren tot deze orde. Veel van deze spinnen hebben insecten als prooidieren, waardoor ze erg nuttig kunnen zijn in en rondom het huis. We hebben immers vaak last van bijvoorbeeld muggen en vliegen, de favoriete prooien van deze spinnen. Meer van deze spinnen in en rondom het huis zorgt dus voor minder overlast van vliegen en muggen.

Voorjaarshooiwagen
Enkel de orde echte spinnen maken spinnenwebben. Deze voorjaarshooiwagen (behorend tot de orde ‘hooiwagens’) kan dus geen spindraad produceren

Waarom maakt een spin een spinnenweb?

Spinnen maken een spinnenweb om hun prooi mee te vangen. Dit gebeurt op zeer uiteenlopende manieren. De meeste spinnen die dit doen, zijn passieve jagers. Ze maken een web en wachten tot er een prooidier in verstrikt raakt. Sommige soorten lopen er dan direct op af om de prooi in te pakken met extra spindraad, zodat deze zeker niet los kan komen. Andere bouwen een net met zulke fijne en kleverige draden dat dit niet nodig is en de prooi zeker niet los kan komen. Weer andere soorten houden het web vast en wachten tot de prooi voorbij komt. Op het juiste moment laten ze het net dan over de prooi heen vallen, waardoor deze verstrikt raakt. Dit is een meer actieve manier van jagen.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Ook onder de soorten die een echt web maken zijn er verschillen op te merken. Sommige spinnen maken het web laag bij de grond, andere een stuk hoger. Dit heeft alles te maken met het type prooidier welke de spin in kwestie probeert te vangen. Spinnen die het web hoog boven de grond maken jagen op vliegende insecten, zoals juffers en libellen. Spinnen die lager bij de grond een web maken, jagen vooral op springende soorten, zoals bijvoorbeeld sprinkhanen.

Kruisspinnen moeten na iedere vangst het web repareren. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web
Kruisspinnen moeten na iedere vangst het spinnenweb repareren omdat het zo fragiel is. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web

Andere toepassingen van spinnenrag

Naast het maken van een spinnenweb gebruiken spinnen het spinnenrag ook voor andere doeleinden. Lijmspuiters gebruiken het namelijk ook om een prooi mee te vangen, maar doen dit op een andere manier. Ze spuiten hun kleverige spinnenrag van dichtbij op hun prooi, waardoor deze verstrikt raakt.

Sommige spinnen gebruiken het spinnenrag om er een cocon van te maken, waar de eitjes in worden gelegd. Er zijn spinnen bekend die het hol voorzien van een laag spinnenrag en mannetjes die het sperma erin verpakken (een zogeheten spermatofoor).

Hoe maakt een spin een spinnenweb?

Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke bouwwerken kunnen maken? En hoe kan het dat zulke dunne draad zulke grote prooien kan vangen, zonder dat het breekt en de prooi kan ontsnappen? Vragen die in de loop der jaren beantwoord zijn door wetenschappers en die nog relevant kunnen zijn voor onze eigen vooruitgang in technologie.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Materiaal

Spinnen maken het spinnenrag, dat ze gebruiken om een web te maken, van een mengsel van eiwitten. Het spinsel wordt gemaakt door de spinklieren die zich bevinden in de spindoppen. De spindoppen zitten op de spintepels die verbonden zijn aan het achterlichaam. Voor iedere soort draad is een andere spinklier verantwoordelijk. Zo zijn er spinklieren die loopdraad produceren, maar ook spinklieren die voor de kleefdraden zorgen.

De benaming van de soorten draad zorgt meteen voor de verklaring ervan. Er worden draden geproduceerd met en zonder kleefstof. De kleefdraden zijn voorzien van kleverige druppels (kleefstof) die op een bepaalde afstand van elkaar over de draad verdeeld zijn. De spin stapt hier zelf makkelijk overheen, waardoor deze ook over de kleefdraden kan lopen zonder zelf vast te komen zitten. De loopdraden zijn echter bedoelt om snel door het web te kunnen manoeuvreren.

De productie

De spintepels zijn enkel de dragers van de spindoppen. De meeste spinnen hebben zes spintepels, maar ook twee, vier of acht stuks komen voor. Op de spintepels bevinden zich de spindoppen. Deze komen vaak in meerder aantallen bij elkaar voor. De spindoppen zijn onafhankelijk van elkaar te gebruiken.

De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin
De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin

Soorten spinnenwebben

Niet iedere spin maakt eenzelfde web. Zoals zo vaak zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden, dit geldt ook voor spinnen. De meest bekende soort spinnenweb is het wielweb. Wielwebben zijn over het algemeen groot en rond gevormd. Wielwebben hebben een signaaldraad die trilt wanneer er een prooi in het web zit en de spin alarmeert.

Waar wielwebben over het algemeen mooi gevormd en gestructureerd zijn, zijn kaardewebben dat juist totaal niet. Kaardespinnen maken hele onregelmatige webben, waarbij alle draden kriskras door elkaar lopen. Met hun stijve haren achter op het lichaam maken ze een soort inkepingen in de draad, waardoor insecten sneller verstrikt raken.

Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.
Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.

Tenslotte zijn er nog de matwebben en hangmatwebben. Deze bestaan uit meerdere horizontale lagen van spinsel, vaak in het gras, die onderling met verticale draden verbonden zijn. Een wirwar aan spinsel waarin lopende en springende insecten verstrikt raken. De meeste huisspinnen maken zulke webben. Hieraan vast zit vaak nog een trechtervormig web, waarin ze schuilen bij gevaar.

Gewone doolhofspin
De gewone doolhofspin is een soort die een matweb maakt, met daaraan vast een trechtervormig web als schuilplaats

De uitvoering

Als we kijken naar de klassieke spinnenwebben dan zijn spinnen ware ingenieurs dat ze zo een web bouwen. Maar hoe komen ze tot dit bouwwerk? Het begint allemaal met een beetje hulp van de wind. De wind zorgt ervoor dat de eerste draad uit de spintepel wordt getrokken. Deze slingert door de lucht totdat het een tak (of iets anders) te pakken krijgt, waaraan deze blijft kleven. De eerste draad wordt vervolgens verstevigd voordat de spin verder gaat met de rest van het web.

Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur
Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur

Vervolgens wordt er een losse draad getrokken van het ene naar het andere punt. Vanuit het midden van deze losse draad wordt weer een strakke draad naar beneden getrokken, waardoor er een soort Y-vorm ontstaat. Het midden van de Y-vorm wordt ook het midden van het spinnenweb. Vanuit hier kan de spin verder met de drie buitenste punten verder met elkaar te verbinden.

Vanuit het midden worden nu steeds draden naar de buitenkant gespannen, waardoor het web steeds meer op een fietsenwiel met spaken begint te lijken. Daarna begint de spin (vanuit de kern van het web) spiralen te vormen, wat het spinnenweb stevigheid geeft. Tussen de spiralen die voor stevigheid zorgen, worden ook nog kleverige spiralen gespannen. Deze zullen uiteindelijk essentieel zijn om hun prooi mee te vangen. Het spinnenweb is nu klaar voor gebruik. Bewonderenswaardig is het dat de meeste spinnen dit hele proces binnen een uur kunnen voltooien.


Lees ook: wat zijn invasieve exoten?


Een geheime truc

Doordat de spin kleverige draad toepast in zijn web, blijven prooien plakken en raken ze verstrikt. Hierdoor heeft de spin de tijd om naar de prooi te lopen en deze te injecteren met gif, waarna het de prooi leeg zuigt. De kleverige draad is echter niet de enige reden waarom de jachttechniek van spinnen zo succesvol is. Het geheime wapen heeft met de elektrische lading te maken.

Onderzoekers ontdekten dat wanneer ze dode insecten van een elektrische lading voorzagen en deze richting het web gooiden, het web richting het dode insect bewoog. Met uitstekende apparatuur lukte het de onderzoekers dit fenomeen vast te leggen. Vliegende insecten bouwen een elektrische lading op (door wrijving tussen de vleugels en de lucht dier er langs stroomt), en spinnen hebben zich hier evolutionair uitstekend op aan weten te passen. In deze video is dit verschijnsel duidelijk te zien.

Hoe sterk is een spinnenweb?

We weten inmiddels dat een spinnenweb een uitmuntend bouwwerk is, maar het is ook nog eens ontzettend sterk. De draad waarmee het net gemaakt wordt, spinnenrag, is in verhouding sterker dan staal. Vijf keer sterker dan staal zelfs. Wetenschappers weten nog niet precies hoe dit kan. Het is dan ook bewonderenswaardig te noemen dat zo’n klein dier, zo’n belachelijk sterk materiaal kan produceren.

Dit kan dus ook voor onze technologie en vooruitgang ontzettend waardevol zijn. Als we het geheim van de spin kunnen ontrafelen, dan zou er een wereld voor ons open gaan. We zouden het voor een legio aan mogelijkheden kunnen gebruiken, voor bruggen en andere staalconstructies, maar ook voor bijvoorbeeld kogelwerende vesten. Opnieuw een goede reden om de algehele biodiversiteit te beschermen, omdat we zelfs van de kleinste dieren nog ontzettend veel kunnen leren.

De beekprik, rivierprik en zeeprik

Beekprik (Shutterstock)

Voor een van de bizarste organismen, moeten we het water in. In de Nederlandse wateren leven een aantal kaakloze vissen, waarvan sommige soorten al meer dan 350 miljoen jaar geleden op aarde rond zwommen. Prikken genaamd. In Nederland vinden we de beekprik, rivierprik en zeeprik. Allen voorzien van een ronde mond zonder kaken, maar met een rasptong voorzien van tandjes. In deze blog maak je kennis met deze absurde dieren, die vaak een indicator zijn van een goede waterkwaliteit.

Levende fossielen

De eerste vondsten van prikken dateren van 360 miljoen jaar gelden. Er waren dus al prikken, die veel leken op de hedendaagse soorten, voordat er dinosaurussen op deze aarde rond liepen. Prikken zijn kaakloze vissen, waarvan er tegenwoordig nog 38 soorten van over de wereld verspreid zijn. Ze behoren dus tot de kaakloze vissen en worden in de taxonomie niet samen gezien met de andere vissen. De ‘gewone’ vissen vallen namelijk onder de kaakdieren, hetgeen (kaken) wat bij de prikken dus ontbreekt.

Beekprik (Saxifraga - Frits Bink)
Prikken behoren tot de kaakloze vissen en hebben zich circa 360 miljoen jaar geleden ontwikkeld (Saxifraga – Frits Bink)

Algemene kenmerken

In plaats van kaken hebben ze een ronde mond, met een rasptong voorzien van tanden. Sommige soorten gebruiken deze ronde mond om zich vast te klampen aan vissen of walvisachtigen. Ze leven dan een parasitair bestaan en voeden zich met het bloed en andere lichaamsstoffen van de gastheer. Niet-parasitaire soorten voeden zich niet tijdens hun volwassen fase. Ze leven dan op de reserves die ze opgebouwd hebben in de juveniele fase. Prikken maken gebruik van feromonen (geurstoffen) voor de onderlinge communicatie.

Er is dus een duidelijk verschil tussen juvenielen en adulten. De juvenielen bevinden zich in de sliblaag van een rivier en voeden zich daar met algen en organische deeltjes. In deze periode zijn ze blind en lijken de onderlinge soorten erg veel op elkaar. De meeste soorten zijn dan niet van elkaar te onderscheiden. Na een aantal jaren (afhankelijk van de soort) ondergaan ze een metamorfose. Ze ontwikkelen grote ogen, met daarachter een rij van zeven kieuwgaten. Deze gaten (prikken) zijn ook verantwoordelijk voor de Nederlandse benaming. In de volwassen fase vindt de voortplanting plaats, waarna de dieren sterven.


Lees ook: eenden in Nederland – deel I


Prikken in Nederland

In Nederland vinden we drie soorten prikken: de beekprik, rivierprik en de zeeprik. Allen tonen ze veel gelijkenissen in uiterlijk en gedrag. Voor natuurbeheerders kan de aan- of juist afwezigheid van een priksoort een belangrijk gegeven zijn. Prikken zijn namelijk erg gevoelig voor waterverontreiniging, maar ook voor het normaliseren van beken (rechttrekken van beken) en het verwijderen van de sliblaag in watergangen. Je zou dus kunnen stellen dat wanneer het goed gaat met de prikken in een watergang, andere soorten hiervan mee profiteren. Beheermaatregelen nemen voor prikken zorgt dus voor een hogere biodiversiteit in het gebied!

Beekprik – Lampetra planeri

Beekprik (Saxifraga - Jelmer Reyntjes)
De beekprik is de kleinste priksoort die we in de Nederlandse watergangen vinden (Saxifraga – Jelmer Reyntjes)

De kleinste prik in Nederland is de beekprik. Beekprikken worden ongeveer twintig centimeter groot en hebben een zilverkleurig tot lichtgeel uiterlijk. Volwassen dieren zijn voorzien van twee relatief grote ogen, met daaropvolgend zeven kieuwgaten. Juvenielen zijn blind, donker gekleurd en hebben nog geen zuigbek.

Beekprikken hebben een voorkeur voor licht stromend water en er moeten grindplaatsen aanwezig zijn voor de voortplanting. Na drie tot zes jaar vindt de metamorfose plaats, waarna de volwassen dieren niet meer eten (ze zijn niet parasitair). In het voorjaar na de metamorfose vindt de paring plaats en worden de eitjes gelegd. Hierna sterven de volwassen dieren.

Verspreiding Nederland

In Nederland vinden we de beekprikken voornamelijk in de provincies Limburg en Gelderland. Ook is de soort te vinden in beken in Brabant en Overijssel, maar veel minder. De soort is in het midden van de vorige eeuw in veel beeksystemen verdwenen doordat het leefgebied werd bedreigd. Om die redenen is er voor gekozen om in 2014 in Brabant een herintroductieprogramma te starten. Er kan gesteld worden dat deze herintroductie succesvol is verlopen, want de aantallen juvenielen namen in de daaropvolgende jaren toe. Droge zomers zorgden er echter voor dat er ook slechte jaren bij zaten. Dit blijft een bedreiging voor de populatie.

Rivierprik – Lampetra fluviatilis

Rivierprik (Saxifraga - Sytske Dijksen)
De rivierprik wordt in volwassen stadium 30 tot 50 centimeter groot (Saxifraga – Sytske Dijksen)

De tweede soort die we in Nederland vinden, is de rivierprik. Deze wordt een stukje groter dan de beekprik, namelijk 30 tot 50 centimeter. Net als de beekprik zijn ze zilverachtig van kleur en alleen te onderscheiden door te kijken naar de grootte. Volwassen rivierprikken hebben maximaal zeven tanden in de zuigbek. Dit zijn er een stuk minder dan hun grotere neven/nichten, de zeeprik.

Juveniele rivierprikken zijn niet te onderscheiden van juveniele beekprikken. Na vier jaar ondergaan ze een metamorfose en bereiken ze het volwassen stadium. Dan vertrekken ze, vanuit de beken waarin ze opgroeien, naar zee. Hier leven ze voornamelijk in de kustzones en in de monding van de rivier. Ze leven daar een parasitair bestaan. Met hun zuigmond klampen ze zich vast aan vissen en doorboren met hun tanden de huid van de vis. Ze voeden zich met het vrijgekomen bloed en andere lichaamssappen.


Lees ook: de herintroductie van de otter in Nederland


Na twee jaar (bij een leeftijd van ongeveer zes jaar) worden ze geslachtsrijp en beginnen ze aan hun tocht naar de paaiplaatsen, verder stroomopwaarts in de rivieren. Ze worden hierna toe getrokken door feromonen die de juveniele dieren uitscheiden. In de rivieren zoeken ze grindplaatsen op voor de paring. Er zijn echter ook exemplaren bekend die paren tussen grote stenen, wanneer geschikte grindplaatsen ontbreken. Na de paring sterven de volwassen dieren. Net uitgekomen juvenielen laten zich meevoeren door de stroming van de rivier. Wanneer ze voedselrijke slibbodems bereiken graven ze zich in, om zich daar de komende jaren te voeden met algen en organisch materiaal (detritus).

Verspreiding Nederland

In het verleden kwam de rivierprik talrijk voor in Nederland. Echter, door watervervuiling is de soort midden en eind vorige eeuw op veel plaatsen verdwenen. Sinds de jaren ’90 is er weer een toename in aantallen zichtbaar. Maar de beperkte migratiemogelijkheden blijven echter een serieus probleem voor de rivierprikken.

Zeeprik – Petromyzon marinus

Zeeprik (Shutterstock)
Zeeprikken leven in volwassen fase op zee (Shutterstock)

De laatste soort prik in Nederland is de zeeprik. Zeeprikken zijn groengrijs gekleurd en hebben een marmerachitge tekening. De larven zijn, net als bij de andere soorten, blind, hebben geen zuigbek en zijn bruinachtig gekleurd. Ze zijn echter te onderscheiden van de andere soorten doordat ze pigment hebben. Volwassen dieren zijn het beste te onderscheiden door de grootte. Zeeprikken kunnen tot maximaal 110 centimeter groot worden. Daarnaast hebben volwassen exemplaren veel meer tanden dan de rivierprik (maximaal zeven) en de beekprik (geen tanden).

Net als de rivierprik is de zeeprik in volwassen stadium parasitair. Ze zuigen zich vast aan vissen, maar er zijn ook gevallen bekend van zeeprikken die zich vastgezogen hadden aan walvisachtigen. De volwassen exemplaren leven op zee. Na ongeveer zeven jaar zijn ze geslachtsrijp en trekken ze landinwaarts de rivieren op. Hier gaan ze op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Dit zijn snelstromende rivieren met grindbanken en grote stenen.

Hier starten ze met het maken van een nestkuil. Dit doen ze door met hun zuigmond stenen op te tillen en deze in een vorm bij elkaar te leggen. Vervolgens vindt de paring plaats en worden de eieren afgezet in de nestkuil. Hierna sterven de volwassen exemplaren. De net uitgekomen jongen laten zich (net zoals bij de beek- en rivierprik) meedrijven door de stroming tot een geschikte slibbodem, waar ze zich ingraven. Na vijf jaar vindt de metamorfose plaats en vertrekken ze als volwassen zeeprik naar zee.

Zeeprik zuigmond (Shutterstock)
De bizarre zuigmond met tanden van de zeeprik (Shutterstock)

Verspreiding Nederland

In het verleden kwam de zeeprik vrij algemeen voor in Nederland. Echter is de soort flink afgenomen door een verslechtering van de waterkwaliteit. Vanaf de jaren ’90 nemen de aantallen weer toe. Er worden in Nederland vooral volwassen dieren in beken waargenomen. Larven en jonge dieren worden zelden gevonden in Nederland.


Lees ook: verschil tussen kikkers en padden


De laatste tien jaar lijken de aantallen weer wat af te nemen. Een van de belangrijkste redenen hiervoor zijn migratiebarrières. Het verbeteren van bestaande en het aanleggen van nieuwe vistrappen, kan een belangrijke maatregel zijn om de aantallen weer toe te laten nemen. Deze maatregel zou ook voor de andere priksoorten voordelig kunnen zijn.

Verder lezen

Ben je na het lezen van deze blog geïnteresseerd geraakt in prikken? Je kunt meer lezen over deze kaakloze vissen op de website van RAVON. Deze organisatie doet veel onderzoek naar de prikken in Nederland en heeft de meest relevante informatie. Daarnaast raden we je aan het boek ‘Visatlas van Nederland’ van RAVON en Sportvisserij Nederland te lezen. Veel informatie die je in deze blog vindt, komt uit deze atlas, maar er staat nog veel meer in over prikken. Ook alle andere vissen in Nederland worden uitvoerig in dit boek besproken en het is met recht een standaardwerk te noemen. De Visatlas van Nederland is via deze link te bestellen bij bol.com.

Visatlas van Nederland

Tips voor meer bijen en vlinders in je tuin

De lente is begonnen en de bomen en planten beginnen weer in blad te komen. Dit is het ideale moment om je tuin voor te bereiden op de verdere lente en de zomer. In deze blog geven we tips om meer bijen en vlinders naar je tuin te lokken. Dit kun je doen door de juiste planten te kiezen, maar ook door soms juist helemaal niks te doen.

Zet je tuin of balkon vol bloeiende plantensoorten en kijk je ogen uit
Zet je tuin of balkon vol bloeiende plantensoorten en kijk je ogen uit

Groen, groen, groen!

Tegeltuinen kunnen anno 2023 echt niet meer. Het is slecht voor de biodiversiteit, afwatering en het wordt hartstikke heet in de zomer. Allemaal redenen voor een groene tuin. Hier help je je omgeving mee, maar ook jezelf. Ook wanneer je een kleine tuin hebt of een balkon, zijn er dingen die je kunt doen om bijen, hommels en vlinders te lokken. Dat is belangrijk, want ze kunnen best wat hulp gebruiken om zich staande te houden in de snel veranderende wereld. We beginnen met waarom bijen en vlinders zo belangrijk zijn.

Waarom zijn bijen en vlinders nuttig?

Bijen leven in een symbiose met bloeiende planten. De plant voorziet voedsel voor de bij (nectar), de bij bestuift de planten door het stuifmeel op zijn lichaam van bloem tot bloem mee te dragen. Hierdoor kunnen de planten zich voortplanten. Wij plukken daar -letterlijk- de vruchten van, want de planten geven ons uiteindelijk weer groente en fruit. Zonder dat je daar iets voor hoeft te doen. Zelfs 80% van het voedsel wat we eten wordt bestoven door bijen. Je kunt dus wel stellen dat met name bijen nodig zijn voor het leven op aarde. Hoog tijd om ze een handje te helpen!


Lees ook: verschil bijen, wespen, hommels en hoornaars


Welke planten kun je gebruiken?

Er zijn veel soorten om uit te kiezen, dus de opsomming hieronder is slechts een greep uit het totaal. Wat belangrijk is om te controleren wanneer je planten en/of zaden koopt, is een biologisch keurmerk. Op die manier weet je zeker dat de plant of het zaad geen bestrijdingsmiddelen met zich meebrengt en daarmee schade kan aanrichten aan de biodiversiteit in je tuin. We spreken in deze blog vaker over tuin, maar onderstaande planten zijn ook geschikt om in potten op je terras of balkon te zetten (klik hier voor onze blog over nog meer kruidachtige planten voor in je tuin of voor in een pot). Gebruik zelf ook geen bestrijdingsmiddelen in je tuin. Kies voor zover mogelijk het liefst voor inheemse planten.

We hebben bijen hard nodig voor de bestuiving van planten. Koop daarom zoveel mogelijk biologische planten en zaden
We hebben bijen hard nodig voor de bestuiving van planten. Koop daarom zoveel mogelijk biologische planten en zaden

Een warm welkom voor al wat leeft

Wat belangrijk is voor het leven in je tuin of op je balkon, is om planten te kiezen waarbij je het gehele jaar bloei hebt. Op die manier hebben vlinders en bijen het hele jaar de mogelijkheid om nectar uit de planten te halen. Nectar is de zoete stof die insecten naar de plant lokt. Elke plant geeft een andere hoeveelheid en smaak. Daarom raden we je aan om verschillende soorten aan te planten, zodat er voor ieder wat wils is.

Verder houden insecten van warme, beschutte plekjes. Ze warmen op in de zon en doen nieuwe energie op. Je kunt wat platte stenen neerleggen waar ze zich kunnen warmen en uit kunnen rusten. Een plek om te schuilen is ook fijn. Je kunt een insectenhotel kopen (bol.com heeft een handig overzicht) of zelf maken. Er zijn ook vlinderhotels te koop, te herkennen aan de lange spleten waar de vlinders in kunnen kruipen. Je kunt ook restjes fruit in de tuin leggen. Bepaalde vlindersoorten zijn er gek op. Als je ten slotte ook nog zorgt voor een plekje waar water aangeboden wordt en je houdt de grond wat vochtig, zijn de beestjes zeer tevreden met jou. Lees hier hoe je zelf een poel aanlegt. Naast bijen en vlinders profiteren daar nog veel meer soorten van!

Vlinders maak je ook blij met fruit en suikerwater. Dubbel handig, want zo hoef je geen overrijp fruit meer weg te gooien. Leg het in de tuin!
Vlinders maak je ook blij met fruit en suikerwater. Dubbel handig, want zo hoef je geen overrijp fruit meer weg te gooien. Leg het in de tuin!

Planten voor bijen

Uit onderzoek blijkt dat bijen vooral afkomen op de kleuren geel, paars, blauw en wit. Kies planten uit die in deze kleur bloeien. Hieronder noemen we enkele voorbeelden. De planten staan gesorteerd op bloeiperiode, van winter tot en met herfst.

Winter: bloembollen

Bloeitijd: december-maart. In het najaar kun je bollen planten van bijvoorbeeld krokus en narcis. Zorg dat ze goed onder de aarde liggen. Na het planten hoef je alleen nog maar te wachten tot de eerste bollen uitkomen. Verwilderende bloembollen vermeerderen zich met de jaren, dus op den duur heb je een heel tapijt aan bloeiers in de winter.

Krokussen zijn een goed voorbeeld van een echte voorjaarsbloeier, perfect voor de eerste insecten na de winterslaap of winterrust
Krokussen zijn een goed voorbeeld van een echte voorjaarsbloeier, perfect voor de eerste insecten na de winterslaap of winterrust

Winter: fruitbomen

Bloeitijd: maart-april. Aan het einde van de winter beginnen de fruitbomen met bloeien. Je kunt zelf een fruitboom in je tuin zetten of eentje in pot. Denk hierbij aan soorten als kers, peer, appel of pruim. Het is extra leuk om voor een fruitboom te kiezen. Je helpt de bijen aan nectar, zij zorgen voor bestuiving en uiteindelijk geeft de boom je fruit. Daarna begint het proces opnieuw.

Bloeiende fruitbomen zijn een grote voedingsbron voor onder andere bijen en hommels
Bloeiende fruitbomen zijn een grote voedingsbron voor onder andere bijen en hommels

Lees ook: tips voor aanleggen natuurtuin


Lente: smeerwortel (Symphytum officinale)

Bloeitijd: april-september. Bijen en hommels zijn vaak te vinden bij deze plant. De plant krijgt al vroeg in het voorjaar blad en bloeit even later met paarse bloemetjes, die als trosjes naar beneden hangen. Een makkelijke plant, die zich in de tuin kan vermeerderen. Smeerwortel staat graag in de zon, met af en toe wat schaduw.

Smeerwortel is een makkelijke plant die mooi bloeit. Elk jaar wordt de plant wat meer
Smeerwortel is een makkelijke plant die mooi bloeit. Elk jaar wordt de plant wat meer

Zomer: vingerhoedskruid (Digitalis purpurea)

Bloeitijd: mei-september. Een prachtige plant om te zien wanneer ze bloeit. Hommels en bijen zie je helemaal verdwijnen in de hoedjes van vingerhoedskruid. Deze plant zaait zichzelf makkelijk uit, dus met een paar planten zit je goed. Vingerhoedskruid kan tweejarig of meerjarig zijn. Het is een makkelijke plant, die niet veel eisen stelt aan haar standplaats of grond. Denk er wel om dat ze niet te nat of te droog staat. Let op, want bepaalde delen van de plant zijn giftig voor mens en dier bij inname.

Bijen, hommels en ook zweefvliegen komen graag op het bloeiende vingerhoedskruid af
Bijen, hommels en ook zweefvliegen komen graag op het bloeiende vingerhoedskruid af

Herfst: duizendblad (Achillea millefolium)

Bloeitijd: juni-november (in warme jaren zelfs tot in januari). Duizendblad kun je overal tegenkomen, in bermen, weilanden en op dijken. Deze inheemse plant stelt niet veel eisen aan de omgeving, is winterhard en bloeit wit met grote schermen, die bestaan uit allemaal kleine bloemhoofdjes. Wij kunnen de plant zelf ook gebruiken als kruid. Ze is meerjarig en verspreidt zich door de wortelstokken.

Duizendblad is een plant waar zowel mens als dier dankbaar gebruik van maken
Duizendblad is een plant waar zowel mens als dier dankbaar gebruik van maken

Planten voor vlinders

Net zoals bijen op bepaalde kleuren afkomen, hebben vlinders dat ook. Vlinders houden van de kleuren roze, paars, rood, oranje en geel. Vlinders zijn enigszins kieskeurig, elke soort heeft bepaalde planten waar ze naartoe gaan. Daarom is het een goed idee om meerdere soorten aan te planten, zodat je ook meerdere soorten vlinders aantrekt. Je kunt op Waarneming.nl bekijken welke soorten in jouw omgeving voorkomen, zodat je voor hen de juiste planten kunt uitzoeken.

Wanneer het weer kouder wordt, vanaf september-oktober, wordt het steeds moeilijker tot onmogelijk om planten met nectar te vinden. Daarom overleven veel vlinders de winter niet. Eitjes, rupsen en poppen brengen de winter in winterrust door, wachtend op betere tijden. Van sommige soorten brengt de vlinder zelf ook de winter in winterrust door, bijvoorbeeld de citroenvlinder en de dagpauwoog.


Lees ook: de beste inheemse vaste planten


Voorjaar: vergeet-mij-nietje (Myosotis)

Bloeitijd: april-juni. Dit plantje bloeit al in het voorjaar met blauwe bloemetjes en een geel hart. Dit is een tweejarige plant. Ook deze plant zaait zichzelf uit en zorgt er dus zelf voor dat ze aanwezig blijft. Deze plant staat graag in de zon en heeft de grond liever te nat dan te droog.

De eerste vlinders na de winter zullen blij zijn met het vergeet-mij-nietje
De eerste vlinders na de winter zullen blij zijn met het vergeet-mij-nietje

Zomer: margriet (Leucanthemum vulgare)

Bloeitijd: mei-juli. Net als duizendblad kun je margriet ook overal tegenkomen, zolang de grond maar niet te bemest is. Margriet bloeit wit met een geel hart, waarmee ze lijken op madeliefjes. Margrieten worden echter groter dan madeliefjes. In weilanden, bermen of velden waar margriet staat, zul je ook vaak paardenbloemen zien. Deze zijn ook geliefd bij vlinders. Margriet is geliefd bij onder andere de kamillevlinder.

Hier is een bruin zandoogje te zien op een margriet
Hier is een bruin zandoogje te zien op een margriet

Herfst: hertshooi (Hypericum)

Bloeitijd: juli-oktober. Deze plant met gele bloemen trekt vlinders, maar ook bijen en hommels aan. Hier bereik je een groot publiek mee. De bloemen worden ook gebruikt als geneeskrachtig kruid. Insecten zul je veel zien bij de vele meeldraden van de bloem. De plant is ook een uitstekende bodembedekker.

De vele meeldraden van de bloem zijn hier duidelijk te zien. Insecten zijn er gek op
De vele meeldraden van de bloem zijn hier duidelijk te zien. Insecten zijn er gek op

Er is meer

Bovenstaande plantensoorten zijn slechts een enkele voorbeelden. Er is natuurlijk nog veel meer te kiezen. Zo zul je ook veel vlinders naar je tuin kunnen lokken met een vlinderstruik. Er zijn ook kleinere varianten van te koop, die minder groot worden. Verder kun je bij planten voor bijen en vlinders nog denken aan bijvoorbeeld zonnebloem, duifkruid, viburnum, hemelsleutel, ijzerhard, koninginnekruid, stokroos, wilg en hazelaar. Ook kun je gerust wat brandnetels en distels laten staan. Deze dienen als waardplant.

En nu: niks meer doen

Je hebt allerlei verschillende soorten geplant en je kunt niet wachten tot de eerste bij, hommel of vlinder zich laat zien. Wacht rustig af, vaak duurt het niet lang voordat je planten gevonden worden. Zoals we al in de inleiding zeiden, je hoeft nu niets meer te doen.

Last van slakken in je tuin? Laat ze maar. Zij dienen weer als voedsel voor vogels, zodat je van hun gefluit kunt genieten. Bladeren die zich door de wind ophopen in de hoek? Laat het toch liggen. Allerlei beestjes die daar in schuilen en vogels die daar naar voedsel kunnen zoeken. Geen zin om te maaien in de warmte? Doe het ook maar niet, laat de kruiden en bloemen bloeien. Planten die in het najaar afsterven en bruin en dor worden? Lekker laten staan. Zij dienen als overwinteringsplek voor insecten en andere beestjes. Je hoeft het alleen maar te zien.

Ook andere dieren hebben baat bij een niet-opgeruimde tuin. Egels slapen bijvoorbeeld in bladerhopen
Ook andere dieren hebben baat bij een niet-opgeruimde tuin. Egels slapen bijvoorbeeld in bladerhopen

Alle tips op een rijtje

  • Zorg voor rommelhoekjes. Houd je tuin niet te netjes. Dieren, hoe klein ook, hebben het nodig ter beschutting en om voedsel in te zoeken.
  • Gebruik geen bestrijdingsmiddelen.
  • Gebruik zoveel mogelijk inheemse planten. In onze blog over een gemengde haag aanplanten lees je nog meer voorbeelden.
  • Laat ‘onkruid’ staan, maai minder (wat is nou mooier, een biljartlaken in de tuin of een grasveld vol bloemen en kruiden?), laat planten in de herfst en winter staan.
  • Plaats insectenhotels, platte stenen in de zon en een plek met water.
  • Klimop is een plant die zowel bijen als vlinders gebruiken. Vlinders en rupsen als voeding, bijen als waardplant.
  • Veel gemeenten stimuleren het idee ’tegel eruit, plant erin’. Ook lokale tuincentra doen hier vaak aan mee. Een makkelijke manier om je tuin te vergroenen.
  • Maai even niet! Laat het gras groeien en geef bloemen de kans om te gaan bloeien. En als je dan toch echt moet maaien, zorg dan dat je in fases maait en ook langere stukken laat staan.
  • Wil je nog meer inspiratie hoe je je tuin natuurlijker krijgt? Lees hier dan mee met de ontwikkeling van onze natuurtuin.

10 bijzondere trekvogels

Trekvogels

Jaarlijks vertrekken miljoenen vogels van hun zomerverblijf naar de overwinteringsplek. Dit gaat vaak gepaard met een lange, risicovolle trektocht, vaak over honderden tot duizenden kilometers. Maar iedere soort heeft zijn eigen methode. Sommige vogels trekken overdag, andere in de nacht. Sommige vogels verzamelen met tienduizenden om aan de trek te beginnen, andere vliegen overwegend alleen. Er zijn vogels die ervoor kiezen duizenden kilometers af te leggen en sommige maken zo een kleine tocht, dat je het nauwelijks een trek kunt noemen. In deze blog benoemen we tien bijzondere trekvogels, welke er een opmerkelijke strategie op na houden

Waarom trekken?

Vogels hebben verschillende goede redenen om twee keer per jaar (de heen- en terugreis) aan een risicovolle trektocht te beginnen. De belangrijkste is omdat er te weinig voedselaanbod (insecten) in de wintermaanden te vinden is in het huidige leefgebied. Dit komt met name door de koudere temperaturen en het korten van de dagen wanneer de winter nadert. Veel vogels kiezen er dan voor om meer zuidelijk te trekken, op zoek naar meer voedsel.

Maar waarom trekken vogels dan weer terug naar het eerste gebied, als ze in het overwinteringsgebied voldoende voedsel vinden om de winter door te komen? Dan zou er in het voorjaar en de zomer toch ook genoeg voedsel te vinden zijn, zou je denken. Dat, en nog veel meer over trekvogels, lees je in onze blog over waarom vogels naar het zuiden trekken.

Trekvogels zonsondergang
Vogels trekken in het najaar naar het zuiden, om daar meer voedsel te vinden

1. Ooievaar – Ciconia ciconia

We trappen de lijst af met een vogel die iedereen kent. De ooievaar is een grote zwart-witte vogel die in de jaren ’70 in Nederland nagenoeg was uitgestorven. Inmiddels zijn ze weer, met dank aan een herintroductieprogramma, weer volop in Nederland aanwezig als broedvogel. Het is een aparte trekvogel omdat het een zogenaamde deeltrekker is. Dit houdt in dat een deel van de exemplaren naar Afrika trekt en een deel in Nederland overwintert. Ongeveer 1/5 van de ooievaars in Nederland blijft in eigen land.

Andere vogels in Nederland die we kunnen bestempelen als deeltrekkers zijn roodborstjes, blauwe reigers en roerdompen. Deeltrekkers worden ook wel eens genoemd als twijfelaars.

Ooievaar
Ongeveer 1/5e van de ooievaars blijft in Nederland. De rest trekt in het najaar naar het zuiden

Lees ook: 10 tips voor meer vogels in je tuin


2. Grutto – Limosa limosa

Een andere bijzondere trekvogel is onze nationale vogel, de grutto. Het bijzondere van deze vogel is vooral dat het overgrote deel van de West-Europese populatie in Nederland broedt, 85% maar liefst! Maar helaas gaat het niet zo goed met de grutto in Nederland. De populatie broedvogels neemt jaarlijks met ongeveer 4% af.

Dit heeft er vooral mee te maken dat de kuikens weinig voedsel (insecten) kunnen vinden, wat cruciaal is om zich voor te bereiden op de jaarlijkse trek wat hun te wachten staat. In droge voorjaren, wanneer er nauwelijks natte weilanden te vinden zijn, is dit voedseltekort nog eens extra funest.

In augustus beginnen de grutto’s aan hun trektocht. Ze vliegen dan in groten getale naar Zuid-West Europa en West-Afrika om te overwinteren. Tijdens deze trek kunnen ze op 5-6 kilometer hoogte vliegen! In februari keren de grutto’s weer terug, om hier te beginnen aan hun broedseizoen.

Grutto
Het gaat al jaren niet zo goed met de grutto in Nederland. Het aantal broedvogels neemt jaarlijks met zo’n 4% af

3. Grote pijlstormvogel – Ardenna gravis

De derde in de lijst is een echte zeevogel, die broedt in grote kolonies op een aantal eilanden in de Zuidelijke Atlantische oceaan. We hebben het hier over de grote pijlstormvogel. Het bijzondere aan deze stormvogel is namelijk dat deze, als een van de weinige vogelsoorten, naar het noorden trekt in plaats van naar het zuiden.

Ze leggen tijdens deze toch al bijzondere tocht ook nog eens een enorme afstand af. Ze vliegen dan van het zuidelijk naar het noordelijk halfrond naar onder andere Canada. Tijdens deze trek legt de stormvogel meer dan 7000 kilometer af. Wanneer ze terugvliegen naar het broedgebied, vliegen ze ook over de Noordzee. Er zijn in Nederland echter slechts enkele waarnemingen van grote pijlstormvogels bekend.

Grote pijlstormvogel
De grote pijlstormvogel trekt als een van de weinige soorten naar het noorden, in plaats van het zuiden

4. Noordse stern – Sterna paradisaea

We zeiden net dat de grote pijlstormvogel een grote afstand aflegt, maar in het afleggen van afstanden spant de Noordse stern toch echt de kroon. Noordse sternen broeden in kolonies op het Noordelijk halfrond, in landen als IJsland, Schotland en ook Nederland. Al is Nederland wel het meest zuidelijke van het broedgebied, waardoor de aantallen broedvogels hier jaarlijks schommelen.

Na de broedtijd beginnen ze aan de monstertrektocht. Ze vliegen de Atlantische Oceaan over naar het zuidelijk halfrond. Deze tocht bedraagt zo’n 15.000-20.000 kilometer! Wanneer het broedseizoen weer bijna aanbreekt, vliegen ze dezelfde kilometers weer terug. Het record van alle vogels staat op naam van een Nederlandse Noordse stern. Deze vloog in één jaar tijd maar liefst 90.000 kilometer. Dit is meer dan twee keer de aarde rond in een jaar tijd! Ongeëvenaard.

Noordse stern
Noordse sternen zijn de koningen van de trek. De afstand tussen het broed- en overwinteringsgebied bedraagt zo’n 20.000 kilometer

Lees ook: vinken in Nederland – deel I


5. Gierzwaluw – Apus apus

Een andere vogel die niet graag stilzit, is de gierzwaluw. En deze zwaluwen zitten echt niet graag stil, want ze brengen het overgrote deel van hun leven vliegend door. Ze slapen, eten, drinken en paren al vliegend en landen dus bijna nooit.

Het zal je dan ook niet verbazen dat de gierzwaluw een lange afstandstrekker is. In augustus vertrekt de gierzwaluw uit Nederland en vliegt dan helemaal tot in Centraal-Afrika. Hier overwinteren ze, in een gebied tussen Mali en Congo. Eind april/begin mei keren ze weer terug naar Nederland. Na een reis van ongeveer 6000 kilometer zoeken ze hier een plekje op om te broeden.

Gierzwaluw (Saxifraga - Luc Hoogenstein)
De gierzwaluw is bijna constant vliegend in de lucht en gaat bijna nooit zitten (Saxifraga – Luc Hoogenstein)

6. Koekoek – Cuculus canorus

Een andere trekvogel die helemaal tot in Centraal-Afrika trekt is de koekoek, bij iedereen wel bekend. Maar wat niet bij iedereen bekend is, is dat de koekoek een echte broedparasiet is. Een vorm van symbiose, die we alleen zien bij insecten en vogels. Ze leggen hun eieren in het nest bij een andere vogelsoort, en laten de jongen door deze vogels opvoeden. De eieren van de koekoek zijn zelfs qua uiterlijk evolutionair aangepast op de eieren van de pleegouders, zodat zij niets in de gaten hebben. Het koekoekjong stoot de andere kuikens vervolgens uit het nest.

De ouders trekken vaak na de eileg in juni/juli al terug naar Afrika. De jongen volgen pas in het najaar. In april keren ze weer terug naar de broedgebieden. Koekoeken trekken over het algemeen ’s nachts en kunnen dan tot 50 kilometer per dag afleggen.

Koekoek
Volwassen exemplaren van de koekoek vertrekken vaak al meteen na de eileg terug naar Afrika

7. Goudhaan – Regulus regulus

Een andere bijzondere trekvogel is het goudhaantje. Dit is namelijk het kleinste vogeltje van Europa. Met een lengte van slechts 8,5 centimeter en een gewicht van nog geen 5 gram is het bewonderenswaardig te noemen dat deze vogel een vogeltrek houdt.

De goudhaan is in Nederland een broedvogel, die zich dan voornamelijk ophoudt in sparrenbossen en dan lastig te zien is, omdat ze zich hoog in de boomtoppen ophouden. In het najaar, tijdens de trek, zijn ze beter te zien. De meeste Nederlandse goudhanen trekken dan naar Zuid-Europa om daar te overwinteren. Ze trekken ’s nachts en beginnen hun trek in september. In maart-april keren ze weer terug naar hun broedgebied. In het najaar zijn vaak ook veel goudhaantjes te zien op de waddeneilanden, die komen vanuit de Scandinavische landen.

Goudhaan
De goudhaan is met zijn gewicht van circa vijf gram de kleinste vogel van Europa

8. Kraanvogel – Grus grus

Na de ooievaar, is dit de tweede soort in deze lijst die, na jaren van afwezigheid, weer broedt in Nederland. We hebben het hier over de kraanvogel. Kraanvogels zijn een van de grootste vogels van Europa en ze broeden sinds 2001 weer in ons land. Het aantal broedparen is opgelopen tot ongeveer 40 paartjes.

Eind februari/begin maart keren de kraanvogels terug van het overwinteringsgebied in Zuid-Europa en noordelijk Afrika. Je ziet ze dan hoog in de lucht, in de kenmerkende v-vorm, overvliegen. Vaak hoor je ze al van ver aankomen. Als je eenmaal het trompetter geluid gehoord hebt, zul je ze in het vervolg direct herkennen. Vanaf oktober keren de kraanvogels weer terug naar het overwinteringsgebied.

Kraanvogels
Kraanvogels trekken in grote groepen vanuit Zuid-Europa en Noord-Afrika eind februari weer terug naar hun broedgebied

9. Roofvogels

Wat veel mensen niet weten, is dat veel roofvogels in het najaar ook naar het zuiden trekken. Ze zoeken in de winter de gematigde gebieden op, met dezelfde reden als dat andere vogels dit doen. Roofvogels maken echter meer gebruik van de thermiek in de lucht. Dit zijn een soort warme luchtbellen in de lucht, waarop een roofvogel kan blijven zweven. Dit zorgt ervoor dat de roofvogel een minimum aan energie verbruikt.
De trekstrategieën onder roofvogels lopen nogal uiteen. Sommige soorten, zoals valken trekken over het algemeen alleen. Andere soorten, arenden bijvoorbeeld, verzamelen zich en trekken in groepen. Wat ze wel gemeen hebben is dat ze eigenlijk allemaal overdag trekken. Dit komt omdat ze normaliter ook overdag actief zijn en omdat ze overdag gebruik kunnen maken van de thermiek in de lucht.

Zwarte wouw
De zwarte wouw is een van de eerste roofvogels die naar het overwinteringsgebied trekt

Lees ook: arenden in Nederland


10. Zangvogels

De laatste in deze rij, spenderen we aan de zangvogels. Dit heeft er mee te maken dat zangvogels vaak in grote getallen verzamelen om aan de trek te beginnen. In het najaar bestaat de kans om honderdduizenden sijzen, vinken spreeuwen, leeuwerikken en graspiepers tegelijk te zien.

Ook sommige tuinvogels, zoals roodborstjes, merels en heggenmussen blijven niet altijd in Nederland. Van de meeste soorten overwinteren exemplaren hier, maar trekken er ook een aantal naar andere oorden, om in het voorjaar weer terug te keren. Zo kan het ook zijn dat je in de winter dezelfde tuinvogels ziet, maar deze hun broedgebied noordelijker hebben. Deze overwinteren dus in Nederland.

Een ander voorbeeld zijn merels. De meeste merels zijn standvogels, maar er zijn er ook die naar Spanje en Portugal trekken. Dit gebeurt ’s nachts. Onder de kleine zangvogels is het gebruikelijk om ’s nachts te trekken. Hierdoor wordt de kans dat ze ten prooi vallen een stuk kleiner. Hoe de kleine vogels zich ’s nachts weten te oriënteren, is nog een groot raadsel.

Roodborstje
Roodborstjes trekken in het najaar naar het zuiden. De roodborstjes die we dan in Nederland zien, zijn broedvogels uit bijvoorbeeld Scandinavië

Zelf trekvogels spotten

Na deze lijst van tien bijzondere trekvogels ben je vast enthousiast om ze zelf te gaan spotten. Daarvoor geven we je tenslotte nog enkele tips.

  • Trekvogels zijn natuurlijk niet ieder jaargetij te zien. Je bent afhankelijk van het najaar, wanneer de vogels naar het zuiden trekken, en het voorjaar, wanneer de vogels weer terugkeren naar het broedgebied. In oktober bereikt de najaarstrek een piek, in voorjaar is dit in maart en april.
  • Een goed moment om zoek te gaan naar trekvogels is tegen de avond. De zon schijnt dan minder fel en de dagtrekkers landen dan om een rustplaats te vinden. Een ander bijkomend voordeel van bij schemering trekvogels spotten, is dat de zon dan minder hard schijnt en dit een veel beter moment is om foto’s te maken van dit fenomeen.
  • Nederland is een bijzonder goede plek om trekvogels te zien. Nederland ligt op een aantal migratieroutes van vele trekvogels, en met name langs de kust is er in de juiste periode erg vele te zien. Een van de beste plaatsen om trekvogels te bewonderen in Nederland, is Texel. Absoluut de moeite waard om te bezoeken in de trekvogeltijd.
  • Als je trekvogels gaat spotten mag een verrekijker natuurlijk niet ontbreken. Er zijn veel soorten verrekijkers te krijgen, variërend in prijs van enkele tientjes tot enkele duizenden euro’s. Een goed en betaalbaar instapmodel (waar we zelf ook mee zijn begonnen), is de Vortex Diamondback 8x32mm. Dit is een compacte verrekijker, met een lensdiameter van 32mm en een maximale vergroting van 8x. Er zijn op de markt zekere betere verrekijkers te verkrijgen, maar met een Vortex koop je kwaliteit tegen een goede prijs, en heb je absoluut een goed beeld van de trekvogels die je voorbij ziet komen. Deze verrekijker is via deze link te bestellen bij bol.com.
  • Ga op pad samen met iemand anders. Doordat je samen op pad gaat, kun je leren van elkaar en heb je er uiteindelijk een stuk meer plezier aan!

Arenden in Nederland

Visarend

Lange tijd waren ze een zeldzaamheid in Nederland, maar er komen steeds meer arenden voor in Nederland. Deze gigantische vogels kennen de meeste van ons van vakanties in Frankrijk of Italië in de Alpen, of van de moerasgebieden in Oost-Europa. Maar tegenwoordig hoef je niet meer zo ver te gaan. Het gaat goed met de arenden in Nederland. Zo goed zelfs dat er van sommige soorten al meerdere broedparen in Nederland bekend zijn. Tijd voor een overzicht van alle arenden in Nederland!

Grote krachtpatsers van de lucht

Arenden zijn grote vogels die van weinig andere wat te dulden hebben. Ze zijn groot van formaat, hebben een grote haaksnavel en krachtige poten met scherpe klauwen, welke ze gebruiken om hun prooien te pakken. Ze hebben daarnaast sterk ontwikkelde ogen, om van grote hoogte te speuren naar prooien op het land of in het water.

Zeearend (Saxifraga - Hans Dekker)
Arenden zijn goed te herkennen aan hun grootte in de lucht. Weinig andere (roof)vogels in Nederland zijn hiermee te vergelijken (Saxifraga – Hans Dekker)

Mannetjes en vrouwtjes lijken veel op elkaar, al zijn de vrouwtjes in de meeste gevallen groter. Jonge exemplaren doen er enkele jaren over om het volwassen verenkleed te ontwikkelen. Jonge dieren zijn op basis hiervan dan ook makkelijk te identificeren.

Alle arenden in Nederland behoren tot de orde Accipitriformes. Tot deze orde van vogels behoren onder andere ook de gieren. Bijna alle arenden worden onderverdeeld in de familie havikachtigen. Echter de visarenden behoren tot een eigen familie. Belangrijkste kenmerken waarom ze tot een aparte familie behoren zijn de poten en de tenen. Deze zijn meer aangepast op het vangen van vis.

Taxonomie arenden Nederland
Taxonomische indeling van de arenden in Nederland. Er is gekozen om alleen de drie meestvoorkomende soorten hierin op te nemen, en de dwaalgasten buiten beschouwing te laten. (De natuur van hier)

Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Zeearend – Haliaeetus albicilla

De zeearend kwam vroeger talrijk voor in Nederland, maar was in de laatste decennia verdwenen uit Nederland (hoofdzakelijk door landbouwgif), net zoals op veel andere plekken in Europa. In de jaren ’90 was er het plan om de vogels weer terug uit te zetten in Nederland, maar dit plan is uiteindelijk niet doorgegaan. Niet veel later kwam de zeearend op eigen houtje, en sindsdien nemen de aantallen gestaag toe.

De zeearend is teruggekeerd als wintergast, maar sinds 2006 broedt de vogel weer in Nederland. Inmiddels is het aantal broedparen opgelopen tot meer dan 20. Er zijn zo’n 100 tot 150 exemplaren die overwinteren in Nederland. Het gaat dus goed met de zeearend. Dit komt onder andere doordat ze vrij dicht op elkaar kunnen broeden, mits er voldoende voedsel in het gebied te vinden is.

Zeearenden
De Europese zeearend komt voor in bijna heel Europa, maar is in het midden en zuiden van Europa flink afgenomen. Ze komen verder voor in Rusland tot in het noorden van China (Saxifraga – Piet Munsterman)

Kenmerken

Met een lengte van 75 tot 95 centimeter en een spanwijdte van 2 tot 2,5 meter is de Europese zeearend de grootste roofvogel in Europa. In vlucht hebben ze opvallend diep gevingerde vleugels. Ze hebben een bruin gekleurd verenkleed met een witte staart (naast Europese zeearend worden ze ook witstaartzeearend genoemd). Ze hebben daarnaast krachtige, gele poten en een grote gele haaksnavel. Bij jonge dieren is de snavel meer zwart en moet de witte staart zich nog ontwikkelen. Daarnaast hebben ze donkere ogen, die als ze volwassen zijn geel worden. Jonge exemplaren zijn daardoor makkelijk te determineren.

Echte alleseters

Het menu van de zeearend is zeer gevarieerd. Ze jagen onder andere op aan het oppervlakte zwemmende vis. Deze worden met de grote, scherpe klauwen uit het water gevist. Naast vissen eten ze ook watervogels zoals meerkoeten, meeuwen en zelfs grauwe ganzen. Op het land jagen ze op hazen, otters en soms zelfs vossen. In de winter zijn het ook aaseters. Het zijn dus erg opportunistische dieren, wat hun terugkeer deels verklaart.

Zeearenden zoeken in hun leven een partner en blijven daar de rest van hun leven bij. Ze zijn monogaam dus. Ze hebben vaak meerdere nesten (twee tot drie), en kiezen ieder jaar het meest geschikte nest. De arenden blijven deze nesten uitbouwen, totdat de boom omvalt waarin het nest zich begeeft. Via Beleef de lente is ieder jaar een paartje zeearenden te volgen.

Uitgestrekte moerasgebieden met voldoende bomen is waar de zeearend zich thuis voelt. In Nederland zijn dit plekken zoals het Lauwersmeergebied in Friesland, de Oostvaardersplassen in Flevoland en de Biesbosch in Zuid-Holland en Noord-Brabant.


Lees ook: marters in Nederland


Visarend – Pandion haliaetus

Sinds 2016 kennen we nog een andere arend die hier broedt, de visarend. Als doortrekker is het een vrij algemene soort (100-150 exemplaren) in de periodes augustus-september en april in ons land. Maar dat de visarend hier nu broedt is natuurlijk een mooi compliment naar het beter wordende natuurbeheer in Nederland. Het eerste broedpaartje in 2016 werd gevonden in de Biesbosch. Momenteel zijn er minstens zes broedparen in Nederland.

Visarend
Sinds 2016 is de visarend een broedvogel in Nederland. Inmiddels is het aantal broedparen opgelopen tot ten minste zes paren.

Een vreemde eend in de bijt

De visarend is een vreemde eend in de bijt, taxonomisch gezien. Zoals eerder benoemd behoort hij niet tot de familie havikachtigen waar alle andere arenden onder vallen, maar is het een aparte familie genaamd visarenden. Dit heeft dus te maken met de poten. Alle tenen van de visarend zijn even lang. Daarnaast wijzen bij andere arenden drie tenen naar voren en één naar achteren. Bij de visarend kunnen deze zowel naar voren als naar achteren wijzen. Bij de jacht op vissen worden twee tenen naar voren gericht en twee naar achteren, zodat de vis als een soort grijper gegrepen kan worden.

Voor een arendachtige, is de visarend vrij klein. Met een lichaamslengte van circa 55 centimeter en een spanwijdte van 150 tot 170 centimeter, is deze een stuk kleiner dan de Europese zeearend. In vlucht zijn ze goed te herkennen aan de overwegend witte onderkant, met donkere accenten en de geknikte vleugels (wat andere arenden niet hebben). De bovenkant is donkerbruin van kleur.

Waterrijke gebieden

Waterrijke gebieden zijn essentieel voor de visarend. Zoals de naam al doet vermoeden eet de visarend vis, uitsluitend vis. Ze leven dan ook in beboste gebieden met een hoge waterstand, zoals meren, plassen en rivieren. Ze hangen dan vaak biddend boven het water om vis te lokaliseren. Als ze een vis gezien hebben, duiken ze het water in om de vis te grijpen. Ze kunnen bij deze actie volledig kopje onder gaan. Ze vangen meestal vissen van ongeveer 200-300 gram, maar kunnen vissen tot wel 2 kilo uit het water halen!

Visarend (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Visarenden maken dankbaar gebruik van volwassen bomen die aan of in het water staan (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Bomen aan de rand van het water worden gebruikt als uitkijk- en rustplek. Daarnaast worden er nesten in gemaakt. Ze maken een groot nest boven in de boom. Na ongeveer 50 dagen vliegen de jongen uit, waarna ze nog één à twee maanden blijven terugkeren. Via Beleef de lente is vaak een broedend paar te volgen.

In april komen de visarenden vanuit Afrika naar Europa en in de maanden augustus en september keren ze weer terug. In deze periodes zijn visarenden geregeld waar te nemen in Nederland. Alle waterrijke gebieden in Nederland zijn dan kansrijk om een visarend te zien. Gebieden als de Biesbosch, de Delta en het IJselmeergebied zijn bij uitstek goede gebieden.

Slangenarend – Circaetus gallicus

Tegenwoordig heb je in Nederland ook steeds meer kans om een slangenarend te zien. De soort broedt hier niet zoals de zeearend en de visarend, maar is wel steeds vaker te zien als zomergast. Er zijn jaarlijks één of meerdere exemplaren die van hun terugreis van Afrika naar Zuid-Europa iets te ver doorvliegen en in Nederland belanden. Vaak blijven deze dieren, totdat ze aan het einde van de zomer weer terugvliegen naar Afrika, in ons land.

Slangenarend (Saxifraga - Jan van der Straaten)
De slangenarend is inmiddels een vaste zomergast in ons land (Saxifraga – Jan van der Straaten)

De slangenarend wordt ongeveer 60-70 centimeter groot, ongeveer 1,5 keer zo groot als een buizerd. De spanwijdte bedraagt 160-170 centimeter. Op de bovenzijde is de arend bruin gekleurd en hebben ze een overwegend witte onderzijde, met donkere stippen in lijnvorm. Volwassen exemplaren hebben meestal een donkere kop, ook wel bivakmuts genoemd. Ze hebben grote gele ogen, wat ze enigszins op uilen doet lijken.

Slangen

Zoals de naam al doet vermoeden bestaat het meeste voedsel uit slangen, ongeveer 70% van het totale menu. Verder eten ze ook andere reptielen, amfibieën, vogels en soms kleine zoogdieren. Dit doen ze door hoog in de lucht te bidden en met hun uitstekend ontwikkelde ogen op de grond te speuren naar deze prooien.

Slangearend (Saxifrag - Martin Mollet)
Slangenarenden zijn van de onderkant overwegend wit, met donkere stippen die in een lijn over het lichaam en de vleugels lopen (Saxifraga – Martin Mollet)

In Nederland vinden we de soort vaak op heidegebieden en in halfopen bossen. Goede voorbeelden waar de afgelopen jaren slangenarenden zijn gezien zijn de Strabrechtse heide, het Fochteloërveen en de Veluwe. Door het hele land in de zomer te zien dus. In gebieden waar geen slangen zijn, weten deze dieren zich te voeden met kikkers, padden en konijnen. Aangezien roofvogels opportunisten zijn, is het niet uit te sluiten dat de soort hier ooit nog gaat broeden. Dit hadden immers de meeste mensen in eerste instantie ook niet gedacht van de zeearend en de visarend.


Lees ook: vinken in Nederland – deel I


Dwaalgasten

Dan zijn er nog een aantal soorten die hier soms worden gezien, die een verkeerde afslag hebben genomen: de dwaalgasten. Hiervan worden slechts losse waarnemingen gedaan, die meestal ook weer binnen een paar dagen, of maximaal een paar weken, zijn vertrokken.

Steenarend
Het gaat goed met de steenarenden in West-Europa, bijvoorbeeld in landen zoals Schotland en Denemarken

Een van die dwaalgasten is de steenarend. De steenarend is in Nederland een zeer zeldzame soort, die gemiddeld maar één keer in de vier jaar gezien wordt, meestal in de wintermaanden. Het gaat echter goed met de steenarend in Europa, bijvoorbeeld in landen zoals Denemarken en Schotland. De kans dat we vaker (meestal jonge) steenarenden in Nederland gaan zien, is dan ook aannemelijk.

Dan is er nog een arendsoort die dicht tegen de Nederlandse grens broedt (Noord-Oost Duitsland), maar desondanks weinig gezien wordt in ons land. De schreeuwarend dankt zijn naam aan het geluid dat hij maakt en wordt meestal in Nederland gezien in de zomer en herfst.

Andere zeer zeldzame dwaalgasten in Nederland zijn de bastaardarend, die meer oostelijk in Europa voorkomt en de dwergarend, waarvan een paartje ooit in Duitsland gebroed heeft. Daarnaast wordt de havikarend heel soms waargenomen, die broedt in Zuid-Europa en de keizerarend, die zich normaliter meer zuidelijker en oostelijker bevindt. Als laatste kunnen we nog de steppearend benoemen, waarvan maar slechts zes gevalideerde waarnemingen bekend zijn.

Zeearenden
Zullen we in de toekomst meer arenden in de lucht boven ons land zien?

Tot slot

Nederland doet het goed onder de arenden. Wie had dertig jaar geleden kunnen bedenken dat twee grote arenden zich zo thuis zouden voelen in Nederland en dat ze zelfs hier zouden gaan broeden. En dat de slangenarend, een echte soort uit het Middellandse zee gebied, zich met steeds meer exemplaren iedere zomer in Nederland huisvest? De vraag is dan ook hoe dit verder gaat en welke arenden we in de toekomst nog meer mogen verwelkomen.

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!