Hoe maakt een spin een spinnenweb?

Spinnenweb

Als je in de natuur bent, zie je ze overal terugkomen: spinnenwebben. Spinnenwebben zijn er in allerlei soorten en maten. Sommige zijn zo volmaakt dat het bijna kunstwerken zijn, andere zo fragiel dat er iedere dag een nieuwe gemaakt dient te worden. Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke grote bouwwerken maken, met een materiaal dat in verhouding sterker is dan staal? Het antwoord op deze prangende vraag heeft de wetenschap tot op heden nog maar deels kunnen ontrafelen. In deze blog gaan we kijken hoe een spin van niets tot een volmaakt spinnenweb komt, en dat vaak in een tijdsbestek van een uurtje.

Alleen de familie ‘echte spinnen’ maken spinnenwebben. Dit doen ze met behulp van spinnenrag, of spinnendraad. Er is gewone spinnendraad en kleverige spinnendraad. De spin laat eerst een draad door de wind meevoeren naar een tak. Vervolgens wordt een soort Y-vorm gemaakt. Vervolgens worden vanuit het midden de spaken van het web gevormd. Het web wordt afgemaakt door spiraalsgewijs nog draad te spannen.

Wie maakt een spinnenweb?

Niet alle spinnen maken spinnenwebben. Binnen de klasse ‘spinachtigen’, waar onder andere ook de teken en schorpioenen tot behoren, is alleen de orde ‘echte spinnen’ verantwoordelijk voor het maken van spinnenwebben. Andere ordes zoals de ‘hooiwagens’ en ‘zweepspinnen’ hebben niet het vermogen om spinnendraad te produceren, wat noodzakelijk is voor het maken van een web.

De orde ‘echte spinnen’ is een grote orde waarin al meer dan 50.000 soorten zijn beschreven (en waarbij er nog jaarlijks nieuwe soorten worden beschreven). De meest algemene spinnen zoals de huisspin, kraamwebspin en kruisspin behoren tot deze orde. Veel van deze spinnen hebben insecten als prooidieren, waardoor ze erg nuttig kunnen zijn in en rondom het huis. We hebben immers vaak last van bijvoorbeeld muggen en vliegen, de favoriete prooien van deze spinnen. Meer van deze spinnen in en rondom het huis zorgt dus voor minder overlast van vliegen en muggen.

Voorjaarshooiwagen
Enkel de orde echte spinnen maken spinnenwebben. Deze voorjaarshooiwagen (behorend tot de orde ‘hooiwagens’) kan dus geen spindraad produceren

Waarom maakt een spin een spinnenweb?

Spinnen maken een spinnenweb om hun prooi mee te vangen. Dit gebeurt op zeer uiteenlopende manieren. De meeste spinnen die dit doen, zijn passieve jagers. Ze maken een web en wachten tot er een prooidier in verstrikt raakt. Sommige soorten lopen er dan direct op af om de prooi in te pakken met extra spindraad, zodat deze zeker niet los kan komen. Andere bouwen een net met zulke fijne en kleverige draden dat dit niet nodig is en de prooi zeker niet los kan komen. Weer andere soorten houden het web vast en wachten tot de prooi voorbij komt. Op het juiste moment laten ze het net dan over de prooi heen vallen, waardoor deze verstrikt raakt. Dit is een meer actieve manier van jagen.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Ook onder de soorten die een echt web maken zijn er verschillen op te merken. Sommige spinnen maken het web laag bij de grond, andere een stuk hoger. Dit heeft alles te maken met het type prooidier welke de spin in kwestie probeert te vangen. Spinnen die het web hoog boven de grond maken jagen op vliegende insecten, zoals juffers en libellen. Spinnen die lager bij de grond een web maken, jagen vooral op springende soorten, zoals bijvoorbeeld sprinkhanen.

Kruisspinnen moeten na iedere vangst het web repareren. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web
Kruisspinnen moeten na iedere vangst het spinnenweb repareren omdat het zo fragiel is. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web

Andere toepassingen van spinnenrag

Naast het maken van een spinnenweb gebruiken spinnen het spinnenrag ook voor andere doeleinden. Lijmspuiters gebruiken het namelijk ook om een prooi mee te vangen, maar doen dit op een andere manier. Ze spuiten hun kleverige spinnenrag van dichtbij op hun prooi, waardoor deze verstrikt raakt.

Sommige spinnen gebruiken het spinnenrag om er een cocon van te maken, waar de eitjes in worden gelegd. Er zijn spinnen bekend die het hol voorzien van een laag spinnenrag en mannetjes die het sperma erin verpakken (een zogeheten spermatofoor).

Hoe maakt een spin een spinnenweb?

Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke bouwwerken kunnen maken? En hoe kan het dat zulke dunne draad zulke grote prooien kan vangen, zonder dat het breekt en de prooi kan ontsnappen? Vragen die in de loop der jaren beantwoord zijn door wetenschappers en die nog relevant kunnen zijn voor onze eigen vooruitgang in technologie.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Materiaal

Spinnen maken het spinnenrag, dat ze gebruiken om een web te maken, van een mengsel van eiwitten. Het spinsel wordt gemaakt door de spinklieren die zich bevinden in de spindoppen. De spindoppen zitten op de spintepels die verbonden zijn aan het achterlichaam. Voor iedere soort draad is een andere spinklier verantwoordelijk. Zo zijn er spinklieren die loopdraad produceren, maar ook spinklieren die voor de kleefdraden zorgen.

De benaming van de soorten draad zorgt meteen voor de verklaring ervan. Er worden draden geproduceerd met en zonder kleefstof. De kleefdraden zijn voorzien van kleverige druppels (kleefstof) die op een bepaalde afstand van elkaar over de draad verdeeld zijn. De spin stapt hier zelf makkelijk overheen, waardoor deze ook over de kleefdraden kan lopen zonder zelf vast te komen zitten. De loopdraden zijn echter bedoelt om snel door het web te kunnen manoeuvreren.

De productie

De spintepels zijn enkel de dragers van de spindoppen. De meeste spinnen hebben zes spintepels, maar ook twee, vier of acht stuks komen voor. Op de spintepels bevinden zich de spindoppen. Deze komen vaak in meerder aantallen bij elkaar voor. De spindoppen zijn onafhankelijk van elkaar te gebruiken.

De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin
De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin

Soorten spinnenwebben

Niet iedere spin maakt eenzelfde web. Zoals zo vaak zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden, dit geldt ook voor spinnen. De meest bekende soort spinnenweb is het wielweb. Wielwebben zijn over het algemeen groot en rond gevormd. Wielwebben hebben een signaaldraad die trilt wanneer er een prooi in het web zit en de spin alarmeert.

Waar wielwebben over het algemeen mooi gevormd en gestructureerd zijn, zijn kaardewebben dat juist totaal niet. Kaardespinnen maken hele onregelmatige webben, waarbij alle draden kriskras door elkaar lopen. Met hun stijve haren achter op het lichaam maken ze een soort inkepingen in de draad, waardoor insecten sneller verstrikt raken.

Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.
Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.

Tenslotte zijn er nog de matwebben en hangmatwebben. Deze bestaan uit meerdere horizontale lagen van spinsel, vaak in het gras, die onderling met verticale draden verbonden zijn. Een wirwar aan spinsel waarin lopende en springende insecten verstrikt raken. De meeste huisspinnen maken zulke webben. Hieraan vast zit vaak nog een trechtervormig web, waarin ze schuilen bij gevaar.

Gewone doolhofspin
De gewone doolhofspin is een soort die een matweb maakt, met daaraan vast een trechtervormig web als schuilplaats

De uitvoering

Als we kijken naar de klassieke spinnenwebben dan zijn spinnen ware ingenieurs dat ze zo een web bouwen. Maar hoe komen ze tot dit bouwwerk? Het begint allemaal met een beetje hulp van de wind. De wind zorgt ervoor dat de eerste draad uit de spintepel wordt getrokken. Deze slingert door de lucht totdat het een tak (of iets anders) te pakken krijgt, waaraan deze blijft kleven. De eerste draad wordt vervolgens verstevigd voordat de spin verder gaat met de rest van het web.

Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur
Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur

Vervolgens wordt er een losse draad getrokken van het ene naar het andere punt. Vanuit het midden van deze losse draad wordt weer een strakke draad naar beneden getrokken, waardoor er een soort Y-vorm ontstaat. Het midden van de Y-vorm wordt ook het midden van het spinnenweb. Vanuit hier kan de spin verder met de drie buitenste punten verder met elkaar te verbinden.

Vanuit het midden worden nu steeds draden naar de buitenkant gespannen, waardoor het web steeds meer op een fietsenwiel met spaken begint te lijken. Daarna begint de spin (vanuit de kern van het web) spiralen te vormen, wat het spinnenweb stevigheid geeft. Tussen de spiralen die voor stevigheid zorgen, worden ook nog kleverige spiralen gespannen. Deze zullen uiteindelijk essentieel zijn om hun prooi mee te vangen. Het spinnenweb is nu klaar voor gebruik. Bewonderenswaardig is het dat de meeste spinnen dit hele proces binnen een uur kunnen voltooien.


Lees ook: wat zijn invasieve exoten?


Een geheime truc

Doordat de spin kleverige draad toepast in zijn web, blijven prooien plakken en raken ze verstrikt. Hierdoor heeft de spin de tijd om naar de prooi te lopen en deze te injecteren met gif, waarna het de prooi leeg zuigt. De kleverige draad is echter niet de enige reden waarom de jachttechniek van spinnen zo succesvol is. Het geheime wapen heeft met de elektrische lading te maken.

Onderzoekers ontdekten dat wanneer ze dode insecten van een elektrische lading voorzagen en deze richting het web gooiden, het web richting het dode insect bewoog. Met uitstekende apparatuur lukte het de onderzoekers dit fenomeen vast te leggen. Vliegende insecten bouwen een elektrische lading op (door wrijving tussen de vleugels en de lucht dier er langs stroomt), en spinnen hebben zich hier evolutionair uitstekend op aan weten te passen. In onderstaande video is dit verschijnsel duidelijk te zien.

Hoe sterk is een spinnenweb?

We weten inmiddels dat een spinnenweb een uitmuntend bouwwerk is, maar het is ook nog eens ontzettend sterk. De draad waarmee het net gemaakt wordt, spinnenrag, is in verhouding sterker dan staal. Vijf keer sterker dan staal zelfs. Wetenschappers weten nog niet precies hoe dit kan. Het is dan ook bewonderenswaardig te noemen dat zo’n klein dier, zo’n belachelijk sterk materiaal kan produceren.

Dit kan dus ook voor onze technologie en vooruitgang ontzettend waardevol zijn. Als we het geheim van de spin kunnen ontrafelen, dan zou er een wereld voor ons open gaan. We zouden het voor een legio aan mogelijkheden kunnen gebruiken, voor bruggen en andere staalconstructies, maar ook voor bijvoorbeeld kogelwerende vesten. Opnieuw een goede reden om de algehele biodiversiteit te beschermen, omdat we zelfs van de kleinste dieren nog ontzettend veel kunnen leren.

Dome boomhut Ardennen

Ardennen

Vlak over de grens bij onze zuiderburen vind je de Ardennen. Een gebied in België dat zich kenmerkt door de grote loof- en naaldbossen, grote rotsformaties en valleien met rivieren en watervallen. Een uitstekend wandelgebied met een gevarieerde flora en fauna. Tijdens ons bezoek aan de Ardennen overnachtten we op een bijzondere plek. In een ‘dome boomhut’ tussen de bomen en recht onder de sterren. Een unieke slaapervaring in een toch al bijzonder gebied.

Inhoudsopgave

Dome boomhut

Op ongeveer een uur rijden vanaf de grens bij Maastricht vind je het plaatsje Fisenne. Fisenne ligt op een kleine afstand van de meer bekende plaats in de Ardennen, Durbuy. De omgeving rondom Fisenne kenmerkt zich door een half openlandschap, waarbij akkers, kruidenrijke graslanden en kleine bossen zich afwisselen. In een weiland gelegen langs een boerderij (250 meter verderop, waar je de auto parkeert) staat een boomhut aan de rand van het bos.

Het is echter geen boomhut zoals je die wellicht zou verwachten. Op een vlonder tussen twee bomen in, circa vier meter boven de grond, staat een bolvormige hut. Deze hut is gemaakt van hetzelfde materiaal als waar springkussens van worden gemaakt. De gehele bovenzijde van de hut is transparant, waardoor je dus de kroon van de twee bomen en de sterrenhemel van dichtbij kunt zien vanuit de hut.

Boomhut dome (Natuurhuisje)
De dome-boomhut staat aan de rand van een bos (foto: natuurhuisje.nl)

Natuur van dichtbij beleven

Hierdoor kun je dus veel vogelsoorten van dichtbij in hun natuurlijke habitat zien, zonder dat zij jou opmerken. De ochtend dat wij wakker werden hebben we in een kort tijdsbestek koolmezen, kuifmezen, zwartkoppen, zanglijsters en een gaai gezien. De avond ervoor hadden we het geluk dat het helder was en hebben we een prachtige sterrenhemel gezien! Fantastisch om naar te kijken, zonder afgeleid te worden van hinderlijke omgevingsgeluiden, maar enkel begeleid door de zang van een bosuil.


Lees ook: Teutoburgerwoud wandelvakantie


Kuifmees
Een van de soorten die je vanuit de boomhut kunt zien is de sierlijke kuifmees

’s Ochtends, als je wakker wordt, kan er nog een aangename verassing op je staan te wachten. Vanuit het bos zouden er namelijk wilde zwijnen of herten naar de bosrand kunnen zijn gekomen, die vlak bij de boomhut staan te foerageren. De beste kans om een van deze zoogdieren te spotten is net voor of tijdens zonsopkomst.

Wandelen

De Ardennen zijn natuurlijk een uitstekende plek voor van allerlei buitenactiviteiten. Een van de meest populaire daarvan is wandelen. Een wandeling door het unieke landschap van de Ardennen is dan ook uitstekend te combineren met een verblijf in dit natuurhuisje.

Korte wandeling in Durbuy

Een korte wandeling van 5,5 tot 7,5 kilometer (afhankelijk van waar je de auto parkeert) kun je lopen vanuit het historische stadje Durbuy. Dit is, ondanks de korte afstand, een zeer gevarieerde route. Je start bij de Falize rots, die ongeveer 350 miljoen jaar geleden ontstaan is. Het eerste gedeelte loop je langs de rivier De Ourthe (een zijrivier van De Maas), die je leidt naar een pittige klimmetje. Als je boven komt, kom je in het gehucht Bohon. Je vervolgt de weg dan weer richting Durbuy. Je bereikt uiteindelijk Durbuy door in een fraai bos een aantal trappen af te dalen. In Durbuy is daarnaast een groot outdooractiviteitencentrum, waar je onder andere kunt kanoën.

De route is bewegwijzerd door middel van groene rechthoekjes. Hier is ook een uitgebreide beschrijving van de route te vinden.

Falize rots
De Falize rots, zo’n 350 miljoen jaar geleden ontstaan

Middellange wandeling rondom Soy

Dit is een wandeling die ongeveer langs de boomhut loopt en start in Soy bij het kerkhof. Het is een erg rustige wandeling van ongeveer 14,5 kilometer lang. De wandeling leidt je door een redelijk open landschap (waarschijnlijk meer open dan je van de Ardennen gewend bent). Uiteraard doorkruis je zo nu een dan wel een bos, waarbij er in eentje een pittige klim op je te wachten staat. In het meer open landschap vallen de oude eiken en beuken langs de route op. Daarnaast heb je een goede kans om roofvogels zoals buizerds en wouwen in de lucht te zien.

Via deze link van Wandelgids Zuid-Limburg is er meer informatie over deze route te vinden, zoals een gpx-bestand van de route voor je smartwatch en enkele foto’s.


Lees ook: natuurhuisje in La Roche-en-Ardenne


Flora en fauna

Een goede reden om naar de Ardennen te gaan, is de rijkdom aan (bijzondere) dieren en planten. De grote, oude bossen en het hoogteverschil zorgen ervoor dat veel dieren en planten zich er thuis voelen en de invloeden van de mens zijn er nog enigszins beperkt.

Op het gebied van zoogdieren kun je er herten en everzwijnen zien. Maar ook vossen, boommarters, wolven en zelfs lynxen zijn waar te nemen in de Ardennen. De meeste van deze dieren (vooral lynxen) ontwijken echter liever contact met mensen, waardoor je ze niet snel zult zien.

Makkelijker te spotten zijn vogels. Deze laten zich veel makkelijker zien en er zijn een aantal leuke soorten te ontdekken. Eerder noemde we al buizerds en wouwen, maar ook voor bijvoorbeeld spechten ben je aan het juiste adres. Zo heb je hier bijvoorbeeld, naast de spechten die je in Nederland tegen kunt komen, ook de grijskopspecht. Andere gave vogels die je tijdens je verblijf in de Ardennen kunt waarnemen zijn de raaf, gele kwikstaart en de waterspreeuw.

Ook voor bijzondere flora ben je in de Ardennen aan het juiste adres. Wij waren er in het voorjaar, de tijd dat de sleutelbloemen opvallen met hun gele bloemen. De bosanemonen en daslook kleurden de bodem van bossen wit en pinksterbloemen floreerde in de weilanden.

Het verblijf in de dome boomhut

Al met al kunnen we de boomhut in de Ardennen zeker aanraden. Je moet hiervoor wel goed ter been zijn en een beetje avontuurlijk in gesteld zijn. Houd er rekening mee dat het bij koude nachten in de dome boomhut nog wel koud kan worden, ondanks de maatregelen (donsdeken en elektrische heater) die de verhuurder heeft genomen. Tijdens onze nacht daalde de temperatuur tot net onder het vriespunt en werd het in de dome dus best koud. Neem dus zeker warme kleding mee als de weersvoorspellingen niet zo goed zijn.

Ben je bereid de kou te trotseren, of op een ander moment de hut te boeken, dan ben je een ervaring rijker. Via deze link (natuurhuisje.nl) kun je de boomhut boeken en een onvergetelijke ervaring in een unieke accommodate beleven.


Lees ook: hike Epen (Zuid-Limburg) 21km


De beekprik, rivierprik en zeeprik

Beekprik (Shutterstock)

Voor een van de bizarste organismen, moeten we het water in. In de Nederlandse wateren leven een aantal kaakloze vissen, waarvan sommige soorten al meer dan 350 miljoen jaar geleden op aarde rond zwommen. Prikken genaamd. In Nederland vinden we de beekprik, rivierprik en zeeprik. Allen voorzien van een ronde mond zonder kaken, maar met een rasptong voorzien van tandjes. In deze blog maak je kennis met deze absurde dieren, die vaak een indicator zijn van een goede waterkwaliteit.

Levende fossielen

De eerste vondsten van prikken dateren van 360 miljoen jaar gelden. Er waren dus al prikken, die veel leken op de hedendaagse soorten, voordat er dinosaurussen op deze aarde rond liepen. Prikken zijn kaakloze vissen, waarvan er tegenwoordig nog 38 soorten van over de wereld verspreid zijn. Ze behoren dus tot de kaakloze vissen en worden in de taxonomie niet samen gezien met de andere vissen. De ‘gewone’ vissen vallen namelijk onder de kaakdieren, hetgeen (kaken) wat bij de prikken dus ontbreekt.

Beekprik (Saxifraga - Frits Bink)
Prikken behoren tot de kaakloze vissen en hebben zich circa 360 miljoen jaar geleden ontwikkeld (Saxifraga – Frits Bink)

Algemene kenmerken

In plaats van kaken hebben ze een ronde mond, met een rasptong voorzien van tanden. Sommige soorten gebruiken deze ronde mond om zich vast te klampen aan vissen of walvisachtigen. Ze leven dan een parasitair bestaan en voeden zich met het bloed en andere lichaamsstoffen van de gastheer. Niet-parasitaire soorten voeden zich niet tijdens hun volwassen fase. Ze leven dan op de reserves die ze opgebouwd hebben in de juveniele fase. Prikken maken gebruik van feromonen (geurstoffen) voor de onderlinge communicatie.

Er is dus een duidelijk verschil tussen juvenielen en adulten. De juvenielen bevinden zich in de sliblaag van een rivier en voeden zich daar met algen en organische deeltjes. In deze periode zijn ze blind en lijken de onderlinge soorten erg veel op elkaar. De meeste soorten zijn dan niet van elkaar te onderscheiden. Na een aantal jaren (afhankelijk van de soort) ondergaan ze een metamorfose. Ze ontwikkelen grote ogen, met daarachter een rij van zeven kieuwgaten. Deze gaten (prikken) zijn ook verantwoordelijk voor de Nederlandse benaming. In de volwassen fase vindt de voortplanting plaats, waarna de dieren sterven.


Lees ook: eenden in Nederland – deel I


Prikken in Nederland

In Nederland vinden we drie soorten prikken: de beekprik, rivierprik en de zeeprik. Allen tonen ze veel gelijkenissen in uiterlijk en gedrag. Voor natuurbeheerders kan de aan- of juist afwezigheid van een priksoort een belangrijk gegeven zijn. Prikken zijn namelijk erg gevoelig voor waterverontreiniging, maar ook voor het normaliseren van beken (rechttrekken van beken) en het verwijderen van de sliblaag in watergangen. Je zou dus kunnen stellen dat wanneer het goed gaat met de prikken in een watergang, andere soorten hiervan mee profiteren. Beheermaatregelen nemen voor prikken zorgt dus voor een hogere biodiversiteit in het gebied!

Beekprik – Lampetra planeri

Beekprik (Saxifraga - Jelmer Reyntjes)
De beekprik is de kleinste priksoort die we in de Nederlandse watergangen vinden (Saxifraga – Jelmer Reyntjes)

De kleinste prik in Nederland is de beekprik. Beekprikken worden ongeveer twintig centimeter groot en hebben een zilverkleurig tot lichtgeel uiterlijk. Volwassen dieren zijn voorzien van twee relatief grote ogen, met daaropvolgend zeven kieuwgaten. Juvenielen zijn blind, donker gekleurd en hebben nog geen zuigbek.

Beekprikken hebben een voorkeur voor licht stromend water en er moeten grindplaatsen aanwezig zijn voor de voortplanting. Na drie tot zes jaar vindt de metamorfose plaats, waarna de volwassen dieren niet meer eten (ze zijn niet parasitair). In het voorjaar na de metamorfose vindt de paring plaats en worden de eitjes gelegd. Hierna sterven de volwassen dieren.

Verspreiding Nederland

In Nederland vinden we de beekprikken voornamelijk in de provincies Limburg en Gelderland. Ook is de soort te vinden in beken in Brabant en Overijssel, maar veel minder. De soort is in het midden van de vorige eeuw in veel beeksystemen verdwenen doordat het leefgebied werd bedreigd. Om die redenen is er voor gekozen om in 2014 in Brabant een herintroductieprogramma te starten. Er kan gesteld worden dat deze herintroductie succesvol is verlopen, want de aantallen juvenielen namen in de daaropvolgende jaren toe. Droge zomers zorgden er echter voor dat er ook slechte jaren bij zaten. Dit blijft een bedreiging voor de populatie.

Rivierprik – Lampetra fluviatilis

Rivierprik (Saxifraga - Sytske Dijksen)
De rivierprik wordt in volwassen stadium 30 tot 50 centimeter groot (Saxifraga – Sytske Dijksen)

De tweede soort die we in Nederland vinden, is de rivierprik. Deze wordt een stukje groter dan de beekprik, namelijk 30 tot 50 centimeter. Net als de beekprik zijn ze zilverachtig van kleur en alleen te onderscheiden door te kijken naar de grootte. Volwassen rivierprikken hebben maximaal zeven tanden in de zuigbek. Dit zijn er een stuk minder dan hun grotere neven/nichten, de zeeprik.

Juveniele rivierprikken zijn niet te onderscheiden van juveniele beekprikken. Na vier jaar ondergaan ze een metamorfose en bereiken ze het volwassen stadium. Dan vertrekken ze, vanuit de beken waarin ze opgroeien, naar zee. Hier leven ze voornamelijk in de kustzones en in de monding van de rivier. Ze leven daar een parasitair bestaan. Met hun zuigmond klampen ze zich vast aan vissen en doorboren met hun tanden de huid van de vis. Ze voeden zich met het vrijgekomen bloed en andere lichaamssappen.


Lees ook: de herintroductie van de otter in Nederland


Na twee jaar (bij een leeftijd van ongeveer zes jaar) worden ze geslachtsrijp en beginnen ze aan hun tocht naar de paaiplaatsen, verder stroomopwaarts in de rivieren. Ze worden hierna toe getrokken door feromonen die de juveniele dieren uitscheiden. In de rivieren zoeken ze grindplaatsen op voor de paring. Er zijn echter ook exemplaren bekend die paren tussen grote stenen, wanneer geschikte grindplaatsen ontbreken. Na de paring sterven de volwassen dieren. Net uitgekomen juvenielen laten zich meevoeren door de stroming van de rivier. Wanneer ze voedselrijke slibbodems bereiken graven ze zich in, om zich daar de komende jaren te voeden met algen en organisch materiaal (detritus).

Verspreiding Nederland

In het verleden kwam de rivierprik talrijk voor in Nederland. Echter, door watervervuiling is de soort midden en eind vorige eeuw op veel plaatsen verdwenen. Sinds de jaren ’90 is er weer een toename in aantallen zichtbaar. Maar de beperkte migratiemogelijkheden blijven echter een serieus probleem voor de rivierprikken.

Zeeprik – Petromyzon marinus

Zeeprik (Shutterstock)
Zeeprikken leven in volwassen fase op zee (Shutterstock)

De laatste soort prik in Nederland is de zeeprik. Zeeprikken zijn groengrijs gekleurd en hebben een marmerachitge tekening. De larven zijn, net als bij de andere soorten, blind, hebben geen zuigbek en zijn bruinachtig gekleurd. Ze zijn echter te onderscheiden van de andere soorten doordat ze pigment hebben. Volwassen dieren zijn het beste te onderscheiden door de grootte. Zeeprikken kunnen tot maximaal 110 centimeter groot worden. Daarnaast hebben volwassen exemplaren veel meer tanden dan de rivierprik (maximaal zeven) en de beekprik (geen tanden).

Net als de rivierprik is de zeeprik in volwassen stadium parasitair. Ze zuigen zich vast aan vissen, maar er zijn ook gevallen bekend van zeeprikken die zich vastgezogen hadden aan walvisachtigen. De volwassen exemplaren leven op zee. Na ongeveer zeven jaar zijn ze geslachtsrijp en trekken ze landinwaarts de rivieren op. Hier gaan ze op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Dit zijn snelstromende rivieren met grindbanken en grote stenen.

Hier starten ze met het maken van een nestkuil. Dit doen ze door met hun zuigmond stenen op te tillen en deze in een vorm bij elkaar te leggen. Vervolgens vindt de paring plaats en worden de eieren afgezet in de nestkuil. Hierna sterven de volwassen exemplaren. De net uitgekomen jongen laten zich (net zoals bij de beek- en rivierprik) meedrijven door de stroming tot een geschikte slibbodem, waar ze zich ingraven. Na vijf jaar vindt de metamorfose plaats en vertrekken ze als volwassen zeeprik naar zee.

Zeeprik zuigmond (Shutterstock)
De bizarre zuigmond met tanden van de zeeprik (Shutterstock)

Verspreiding Nederland

In het verleden kwam de zeeprik vrij algemeen voor in Nederland. Echter is de soort flink afgenomen door een verslechtering van de waterkwaliteit. Vanaf de jaren ’90 nemen de aantallen weer toe. Er worden in Nederland vooral volwassen dieren in beken waargenomen. Larven en jonge dieren worden zelden gevonden in Nederland.


Lees ook: verschil tussen kikkers en padden


De laatste tien jaar lijken de aantallen weer wat af te nemen. Een van de belangrijkste redenen hiervoor zijn migratiebarrières. Het verbeteren van bestaande en het aanleggen van nieuwe vistrappen, kan een belangrijke maatregel zijn om de aantallen weer toe te laten nemen. Deze maatregel zou ook voor de andere priksoorten voordelig kunnen zijn.

Verder lezen

Ben je na het lezen van deze blog geïnteresseerd geraakt in prikken? Je kunt meer lezen over deze kaakloze vissen op de website van RAVON. Deze organisatie doet veel onderzoek naar de prikken in Nederland en heeft de meest relevante informatie. Daarnaast raden we je aan het boek ‘Visatlas van Nederland’ van RAVON en Sportvisserij Nederland te lezen. Veel informatie die je in deze blog vindt, komt uit deze atlas, maar er staat nog veel meer in over prikken. Ook alle andere vissen in Nederland worden uitvoerig in dit boek besproken en het is met recht een standaardwerk te noemen. De Visatlas van Nederland is via deze link te bestellen bij bol.com.

Visatlas van Nederland

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Bouwtekening nestkast spreeuw

Spreeuw

Een goede manier om de natuur, vogels in het bijzonder, een handje te helpen is door het plaatsen van nestkasten. Door de toenemende verstedelijking, kunnen vogels soms lastig een geschikte broedplaats vinden. Nestkasten kunnen hier op een goedkope en efficiënte manier een oplossing voor bieden. Een erg leuke soort om naar je tuin te lokken met een (of het liefst meerdere) nestkast(en) is de spreeuw. Het is een van de meest voorkomende broedvogels in Nederland en een fantastische vogel om naar te kijken. Zeker als ze zich in het najaar in groepen verzamelen en hun prachtige show in de lucht opvoeren. Reden genoeg dus om een nestkast voor de spreeuw op te hangen.

Inhoudsopgave

De spreeuw (Sturnus vulgaris)

De spreeuw is een vogel uit de familie van de spreeuwen en de orde van de zangvogels. Deze 19 tot 22 centimeter grote vogel is overwegend zwart gekleurd met een paarsgroene glans in het verenkleed. Ze hebben daarnaast een gespikkeld lichaam. Ze hebben een spitse snavel die in het broedseizoen geel is, maar verder in het jaar donker van kleur. Jonge vogels zijn bruinachtig, met een lichtgekleurde keelstreek.

Spreeuwen leven in groepen. Ze komen voor in grasvelden en tuinen, maar ook in parken in steden. Ze zijn dus breed georiënteerd, en wellicht daarom een van de meest algemene broedvogels in Nederland. Ondanks dat ze het jaarrond in Nederland te zien zijn, zijn het echte trekvogels. In de wintermaanden zijn in Nederland de individuen te zien die het broedseizoen noordelijker hebben.

Spreeuw
Spreeuwen hebben in het broedseizoen een gele snavel. De rest van het jaar is deze donker gekleurd. Hormonen zorgen ervoor dat de snavel in het voorjaar van kleur verandert

Een opvallende vogel

Spreeuwen staan natuurlijk het meest bekend om hun ongeëvenaarde luchtshows. In het najaar verzamelen grote zwermen spreeuwen zich, nabij de slaapplaatsen. Ongeveer een uur voor zonsopgang vliegt de grote zwerm spreeuwen op en voeren een kunstzinnige dans op in de lucht. Een prachtig natuurfenomeen om waar te nemen.

Daarnaast zijn spreeuwen erg goede imitators. Deze eigenschap is bij spreeuwen niet aangeboren, maar wordt wanneer ze jong zijn aangeleerd door de ouders. Onder andere buizerds, spechten en zelfs kikkers en zoogdieren worden tot in perfectie geïmiteerd.

Voedsel en voortplanting

De belangrijkste voedselbron voor spreeuwen zijn insectenlarven. Het zijn echter eigenlijk alleseters. Naast insectenlarven eten ze ook spinnen, sprinkhanen, mieren, kevers en andere soorten insecten. Ze zijn echter het meest dol op emelten en engerlingen die in de graszoden van grasvelden zitten. Met hun spitse snavel pikken ze deze insectenlarven moeiteloos uit het gras. In de wintermaanden, wanneer er minder insecten te vinden zijn, voeden ze zichzelf ook met fruit.


Lees ook: bouwtekening nestkast grauwe vliegenvanger


Doordat spreeuwen zo graag emelten en engerlingen uit het gras plukken, worden ze gezien als natuurlijke bestrijders van deze insectenlarven op sportvelden zoals golfterreinen en voetbalvelden. Emelten en engerlingen kunnen grote schade aanbrengen aan sportvelden omdat ze de grassprieten eten en zo hele sportvelden kaal kunnen vreten. Spreeuwen bieden hiervoor dus een uitkomst. In 2016 deed de KNVB (de nationale voetbalbond) zelfs een oproep, om rondom voetbalvelden meer spreeuwen nestkasten te hangen. Bij een aantal golfterreinen was namelijk bewezen dat dit het aantal emelten en engerlingen in het gras serieus liet dalen. Daarnaast zijn spreeuwen vaak eerder aanwezig dan de kauw en zwarte kraai. Dit is gunstig voor sportveldbeheerders, omdat kraaiachtigen met hun grote snavels schade kunnen aanrichten aan het gras.

Spreeuwen zijn natuurlijke bestrijders van emelten en engerlingen op veel sportvelden
Spreeuwen zijn natuurlijke bestrijders van emelten en engerlingen op veel sportvelden

Voortplanting

Spreeuwen broeden in de periode tussen april en juni. Soms volgt er later in het jaar nog een tweede legsel. Per legsel worden er vier tot zes eieren gelegd. Ze broeden ongeveer twaalf dagen, waarna de jongen uit het ei komen. Na circa 20 dagen vliegen de jongen uit, maar ze worden daarna nog een tijdje bijgevoerd door de ouders. Het mannetje is overigens grotendeels verantwoordelijk voor de bouw van het nest.

Nestkast spreeuw

Het broeden doen spreeuwen graag met meerdere broedparen bij elkaar, ondanks dat het geen echte koloniebroeders zijn. Bomen, kieren en spleten in gebouwen en speciaal gemaakte nestkasten kunnen uitstekende broedplaatsen zijn. Ze broeden graag op hoogte. Broedplaatsen boven de zeven meter hoogte zijn niet uitzonderlijk.

Ondanks dat de spreeuw een van de meest algemene broedvogels in Nederland is, gaan de aantallen de laatste jaren hard achteruit. De intensivering van de landbouw, wat het bodemleven ernstig aantast (en daarmee het voedsel van de spreeuw), is daarvoor de belangrijkste reden. Daarnaast kunnen spreeuwen lastiger geschikte nestlocaties vinden in verstedelijkt gebied. Het plaatsen van nestkasten is daardoor een effectieve maatregel in de bescherming van de spreeuw.

Spreeuw (De Natuur van hier)
Het gaat niet zo goed met de spreeuwen in Nederland. Sinds de jaren ’70 nemen de aantallen al af (De Natuur van hier)

Bouwtekening nestkast spreeuw

De nestkast, en de plaatsing daarvan, moet wel aan een aantal eisen voldoen voordat deze geschikt is. Op onderstaande afbeelding is een bouwtekening zichtbaar voor het maken van een nestkast voor spreeuwen. Hierop staan alle afmetingen, invliegopening en een zaagschema om de nestkast te kunnen maken. Wanneer je de nestkast klaar hebt, kun je deze het beste zo hoog mogelijk, maar minstens 2,5 meter hoog ophangen. Plaats de nestkast op een stevige plek, tegen een grote oude boom of een gevel. Hang wanneer mogelijk twee of drie nestkasten bij elkaar. Zorg dat de invliegopening naar het noorden of oosten gericht is en dat deze vrij toegankelijk is.

Bouwtekening nestkast spreeuw
Bouwtekening nestkast spreeuw (De natuur van hier)

Wij raden aan om als houtsoort beuken-, lariks- of eikenhout, van 15mm dik te gebruiken. Dit is hardhout wat erg duurzaam is en wat lokaal geproduceerd wordt. Let bij het kopen ook op het FSC-keurmerk. Watervast multiplex kan ook gebruikt worden. Onderaan de tekening staat een zaagschema. Als je hout haalt bij de bouwmarkt kan het zijn dat ze een zaagafdeling hebben. Hier kun je soms kosteloos je hout al in de juiste maten laten zagen. Neem je tekening dus mee als je naar de bouwmarkt, het scheelt je wellicht wat zaagwerk!

Gebruik RVS schroeven om het hout mee vast te schroeven. RVS is beter bestand tegen roesten dan verzinkte schroeven, dus beter geschikt om buiten te gebruiken. Bij de bouwmarkt kun je hout en schroeven halen voor je nestkast. Als je nog hout overhoudt, gooi dit dan niet weg! Dit kun je in de toekomst gebruiken om een andere nestkast te maken.

Heb je geen zin om zelf te klussen, maar koop je liever een kant-en-klare kast? Dat kan via deze link (Vivara Natuurproducten). Deze nest is gemaakt van houtbeton en daardoor erg duurzaam. Het heeft daarnaast een isolerende werking, dus zorgt voor een ideaal klimaat in de nestkast.

Nestcamera

Wil je van dichtbij meemaken hoe en wanneer de nestkast gebruikt wordt? Dan kun je een camera in de nestkast plaatsen om alles live te volgen. Wij gebruiken de camera’s van Green Backyard. Deze geeft je eenvoudig via een app live toegang tot de camera. Daarnaast ontvang je een melding wanneer er beweging is in de nestkast en kun je video’s downloaden en opslaan. Ze hebben verschillende types camera’s, wij gebruiken de Longe Range Camera, deze heeft een bereik tot 180 meter! Op onderstaande video zie je een groepje spreeuwen die een torenvalk nestkast onderzoeken (gefilmd met de Longe Range Camera).

Spreeuwen onderzoeken een torenvalk nestkast (De Natuur van hier)

Lees ook: bouwtekening nestkast ringmus


Veelgestelde vragen

Hoe lok je een spreeuw naar je nestkast?

Zorg ervoor dat je nest stevig en hoog in een boom of aan een gevel hangt, het liefst twee of drie bij elkaar. De invliegopening moet vrij zijn en in de omgeving moet een grasveld aanwezig zijn waar ze insectenlarven kunnen vinden.

Hoe maak ik een nestkast voor een spreeuw?

Een nestkast voor een spreeuw maak je het beste van beuken- of eikenhout. De nestkast moet 25x22x30 centimeter groot zijn, met een invliegopening van 4,5 centimeter (diameter). Maak gebruik van bovenstaande bouwtekening, inclusief zaagschema.


Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

10 bijzondere trekvogels

Trekvogels

Elk jaar vertrekken miljoenen vogels uit Nederland richting Zuid-Europa of Afrika. Andere soorten trekken juist vanuit Scandinavië of het poolgebied naar ons land. Deze indrukwekkende verplaatsingen noemen we de vogeltrek.

Maar waarom nemen vogels het risico van zo’n lange reis? En welke soorten kun je in Nederland zien tijdens de trek?

Hieronder vind je een selectie van 10 trekvogels met bijzondere trekstrategieën. Dit is geen complete Nederlandse lijst, maar soorten met opvallende trekpatronen of ecologische bijzonderheden.

Wil je weten waarom vogels naar het zuiden trekken? Lees dan ook onze uitgebreide uitleg over dit bijzondere natuurfenomeen. En in deze blog leggen we uit waarom vogels in een V-vorm vliegen.


Inhoudsopgave


Wat zijn trekvogels?

Trekvogels zijn vogelsoorten die jaarlijks grote afstanden afleggen tussen hun broedgebied en hun overwinteringsgebied. Meestal trekken ze in het najaar naar warmere streken, waar meer voedsel te vinden is. In het voorjaar keren ze terug om hier te broeden.

Niet alle trekvogels leggen dezelfde afstand af. Er zijn:

  • Langeafstandstrekkers, zoals de Noordse stern, die duizenden kilometers afleggen.
  • Korteafstandstrekkers, die slechts naar Zuid-Europa trekken.
  • Deeltrekkers, waarbij een deel van de populatie blijft en een ander deel vertrekt.

Sommige soorten trekken overdag, andere juist ’s nachts. Ze navigeren onder meer op basis van de zon, sterren, het aardmagnetisch veld en herkenningspunten in het landschap.

Waarom trekken vogels?

De belangrijkste reden is voedsel. In de winter zijn insecten, amfibieën en kleine zoogdieren schaars in landen zoals Nederland. Door naar het zuiden te trekken, vergroten vogels hun overlevingskansen. Zodra het voorjaar aanbreekt en het voedselaanbod weer toeneemt, keren ze terug naar hun broedgebieden.

Het terugkeren naar hun broedgebieden doen vogels om meerdere redenen:

  • De dagen langer worden
  • Er meer voedsel beschikbaar is voor jongen
  • Concurrentie in overwinteringsgebieden toeneemt

De lente in Nederland is daardoor één groot spektakel van terugkerende trekvogels.

Kraanvogels tijdens de trek met zonsondergang
Vogels trekken in het najaar naar het zuiden, om daar meer voedsel te vinden

1. Ooievaar – Ciconia ciconia

De ooievaar is misschien wel de bekendste trekvogel van Nederland. In de jaren ’70 was deze grote, zwart-witte vogel bijna uitgestorven, maar dankzij beschermings- en herintroductieprogramma’s broedt hij weer volop in ons land.

Wat deze soort bijzonder maakt, is dat hij een deeltrekker is. Een aantal van de ooievaars trekt en het andere deel blijft.
Ongeveer 20% blijft in Nederland overwinteren, terwijl de rest naar Spanje of West-Afrika trekt. Andere vogels in Nederland die we kunnen bestempelen als deeltrekkers zijn roodborstjes, blauwe reigers en roerdompen. Deeltrekkers worden ook wel eens genoemd als twijfelaars.

Onderstaande foto hebben we gemaakt in onze achtertuin. Een grote groep ooievaars trok over tijdens de trek, gebruik makend van de thermiek.

Groep ooievaars in vlucht tijdens trek
Ongeveer 1/5e van de ooievaars blijft in Nederland. De rest trekt in het najaar naar het zuiden (De Natuur van hier)

2. Grutto – Limosa limosa

De grutto is onze nationale vogel én een icoon van het Nederlandse weidelandschap. Maar liefst 85% van de West-Europese populatie broedt in Nederland! Maar het gaat niet goed met de soort. Door voedselgebrek en verdroging in de (intensieve) landbouw nemen de aantallen af, met ongeveer 4% per jaar. Kuikens kunnen in het veranderde landschap weinig insecten vinden. Dit voedsel hebben ze nodig om op te groeien en om zich voor te bereiden op de jaarlijkse trek.

In augustus vertrekken grutto’s richting Zuid-West Europa en West-Afrika. Ze vliegen soms op hoogtes van 5 tot 6 kilometer. In februari keren ze terug, om hier te beginnen aan hun broedseizoen.

Grutto in weiland tijdens broedseizoen in Nederland
Het gaat al jaren niet zo goed met de grutto in Nederland. Het aantal broedvogels neemt jaarlijks met zo’n 4% af

3. Grote pijlstormvogel – Ardenna gravis

Nummer drie is een bijzondere zeevogel die juist naar het noorden trekt. Hij broedt in grote kolonies op een aantal eilanden in de Zuidelijke Atlantische Oceaan en trekt van het zuidelijke naar het noordelijke halfrond, naar onder andere Canada. De trek van deze stormvogel bestaat uit meer dan 7000 kilometer!

Tijdens hun terugtocht naar het broedgebied, vliegen ze ook over de Noordzee. Hier wordt hij soms waargenomen. Er zijn in Nederland slechts enkele waarnemingen van grote pijlstormvogels bekend.

Grote pijlstormvogel op zee
De grote pijlstormvogel trekt als een van de weinige soorten naar het noorden, in plaats van het zuiden

4. Noordse stern – Sterna paradisaea

De absolute kampioen onder de trekvogels. Hierboven kon je al lezen dat de grote pijlstormvogel een afstand aflegt van 7000 kilometer. Deze soort legt jaarlijks maar liefst tot 40.000 kilometer af tussen het noordelijk en zuidelijk halfrond. Ze broeden in kolonies op het noordelijk halfrond, in landen als IJsland, Schotland en ook Nederland. Nederland is wel het meest zuidelijke deel van het broedgebied, waardoor de aantallen jaarlijks schommelen.

Na de broedtijd begint de grote trektocht. Ze vliegen de Atlantische Oceaan over naar het zuidelijk halfrond, een tocht van zo’n 15.000 tot 20.000 kilometer. Voor het nieuwe broedseizoen aanbreekt, trekken ze dezelfde kilometers weer terug.

Een Nederlandse Noordse stern vestigde zelfs een record van 90.000 kilometer in één jaar. Dit is meer dan twee keer de aarde rond, in één jaar tijd!

Noordse stern tijdens trek boven zee
Noordse sternen zijn de koningen van de trek. De afstand tussen het broed- en overwinteringsgebied bedraagt zo’n 20.000 kilometer

5. Gierzwaluw – Apus apus

De gierzwaluw brengt bijna zijn hele leven vliegend door. Hij slaapt, eet en paart in de lucht. Ook deze vogel is een lange afstandstrekker. In augustus verlaat hij Nederland en vliegt tot in Centraal-Afrika. Hier wordt overwinterd, in een gebied tussen Mali en Congo.

Eind april/mei keren ze terug naar Nederland. Na een reis van ongeveer 6000 kilometer beginnen ze weer met broeden in Nederland. Gierzwaluwen keren altijd terug naar hun eerdere broedlocatie en vormen samen vaak een koppel voor het leven.

Gierzwaluw vliegend tegen blauwe lucht
De gierzwaluw is bijna constant vliegend in de lucht en gaat bijna nooit zitten (Saxifraga – Luc Hoogenstein)

6. Koekoek – Cuculus canorus

De koekoek staat bekend als broedparasiet. Een vorm van symbiose, die we alleen zien bij insecten en vogels. Ze leggen hun eieren in het nest bij een andere vogelsoort, en laten de jongen door deze vogels opvoeden. De eieren van de koekoek zijn zelfs qua uiterlijk evolutionair aangepast op de eieren van de pleegouders, zodat zij niets in de gaten hebben. Het koekoekjong stoot de andere kuikens vervolgens uit het nest en wordt grootgebracht door de pleegouders.

De ouders trekken vaak na de eileg in juni/juli al terug naar Afrika. De jongen volgen pas in het najaar. In april keren de vogels weer terug naar de broedgebieden. Koekoeken trekken over het algemeen ’s nachts en kunnen dan tot 50 kilometer per dag afleggen.

Koekoek zittend op tak tijdens voorjaar
Volwassen exemplaren van de koekoek vertrekken vaak al meteen na de eileg terug naar Afrika

7. Goudhaan – Regulus regulus

Met slechts 8,5 cm grootte en met een gewicht van nog geen 5 gram is dit de kleinste vogel van Europa. Toch trekt hij honderden kilometers naar Zuid-Europa. In Nederland is de goudhaan een broedvogel in voornamelijk sparrenbossen. Ze zijn vaak lastig te zien, omdat ze veel in de boomtoppen zitten. In het najaar, tijdens de trek, zijn ze beter te zien.

De goudhaan trekt ’s nachts en begint in september aan de trek. Rond maart-april keren ze weer terug naar hun broedgebied. In het najaar zijn er veel goudhaantjes te vinden op de Waddeneilanden, die vanuit de Scandinavische landen naar het zuiden trekken.

Goudhaan in sparrentak tijdens najaar
De goudhaan is met zijn gewicht van circa vijf gram de kleinste vogel van Europa

8. Kraanvogel – Grus grus

Sinds 2001 broedt de kraanvogel weer in Nederland, na jaren van afwezigheid, net zoals we bespraken bij de ooievaars. Tijdens de trek vliegen ze in kenmerkende V-formatie. Kraanvogels zijn een van de grootste vogels van Europa. Hun kenmerkende, trompetterende roep is al van grote afstand hoorbaar. Als je deze roep eenmaal hebt gehoord, zal die je altijd bijblijven.

Eind februari/begin maart keren de vogels terug uit hun overwinteringsgebied in Zuid-Europa en noordelijk Afrika. In oktober maken ze de trek weer andersom en zoeken ze warmere oorden op. Vanwege de zachtere winters door klimaatverandering zie je echter dat de overwinteringsgebieden aan het verschuiven zijn: steeds meer kraanvogels blijven in de winter in Frankrijk en Duitsland en soms zelfs in Nederland.

Kraanvogels in V-formatie tijdens trek
Kraanvogels trekken in grote groepen vanuit Zuid-Europa en Noord-Afrika eind februari weer terug naar hun broedgebied

9. Roofvogels

Wat veel mensen niet weten, is dat veel roofvogels ook in het najaar naar het zuiden trekken. Ze zoeken in de winter de gematigde gebieden op, om dezelfde redenen als andere vogels dit doen. Roofvogels trekken overdag, want ze maken gebruik van de thermiek. Dit zijn een soort warme luchtbellen in de lucht, waarop hij kan blijven zweven. Dit kost minder energie.

De trekstrategieën lopen onder trekkende roofvogels nogal uiteen. Sommige soorten, zoals valken, trekken over het algemeen alleen. Andere soorten, arenden bijvoorbeeld, verzamelen zich en trekken in groepen.

Zwarte wouw zwevend op thermiek tijdens trek
De zwarte wouw is een van de eerste roofvogels die naar het overwinteringsgebied trekt

10. Zangvogels

Veel kleine zangvogels trekken ’s nachts om predatie te vermijden. Ze verzamelen zich vaak in grote groepen om aan de trek te beginnen. Zo kun je in het najaar honderdduizenden sijzen, vinkenspreeuwen, leeuwerikken en graspiepers tegelijk te zien.

Ook sommige tuinvogels, zoals roodborstjes, merels en heggenmussen blijven niet altijd in Nederland. Van de meeste soorten overwinteren exemplaren hier, maar trekken er ook een aantal naar andere oorden, om in het voorjaar weer terug te keren. Het roodborstje die je bijvoorbeeld in de winter in je tuin ziet, is een ander exemplaar dan die je later in het voorjaar ziet. In de winter trekken vogels vanuit Scandinavië naar Nederland en ‘onze’ vogels nog zuidelijker. In het voorjaar gebeurt dat weer andersom.

Een ander voorbeeld zijn merels. De meeste merels zijn standvogels, maar er zijn er ook die naar Spanje en Portugal trekken. Dit gebeurt ’s nachts. Onder de kleine zangvogels is het gebruikelijk om ’s nachts te trekken. Hierdoor wordt de kans dat ze ten prooi vallen een stuk kleiner. Hoe de kleine vogels zich ’s nachts weten te oriënteren, is nog een groot raadsel.

Roodborstje in winter in Nederlandse tuin
Roodborstjes trekken in het najaar naar het zuiden. De roodborstjes die we dan in Nederland zien, zijn broedvogels uit bijvoorbeeld Scandinavië

Zelf trekvogels spotten in Nederland

Wil je zelf trekvogels zien? Na deze lijst van tien bijzondere trekvogels ben je vast enthousiast geraakt om zelf trekvogels te gaan spotten. Daar hebben we nog enkele tips voor.

De beste perioden om trekvogels te zien, zijn:

  • Voorjaar: maart – april (van zuid naar noord)
  • Najaar: september – oktober (van noord naar zuid)

De beste momenten om op zoek te gaan naar trekvogels, is tegen de avond. De zon schijnt dan minder fel en dagtrekkers landen om een rustplaats te vinden. Bij schemering kun je ook betere foto’s maken met fijner licht.

Nederland ligt op de route van een aantal migratieroutes van veel trekvogels. De locaties waar je de meeste kans hebt op trekvogels:

  • Kustgebieden
  • Waddeneilanden
  • Met name Texel

Ga op iemand met iemand anders! Doordat je samen op pad gaat, kun je van elkaar leren en twee paar ogen zien meer dan één.

Is de trek alweer voorbij? Niet getreurd, er zijn natuurlijk ook altijd vogels in je omgeving en je tuin te spotten. Hoe natuurlijker en diervriendelijker je je tuin inricht, hoe meer vogels je zult zien.


Verrekijkers en telescopen

Een goede verrekijker is essentieel tijdens de trek. Een populair instapmodel is de Stern II 10×42 verrekijker van de Vogelbescherming, vanwege de compacte bouw en heldere beeldkwaliteit. We zijn zelf ook met dit model begonnen. Dit is een van de meest gekozen verrekijkers van Nederland.

Een ander fijn model om mee te beginnen of om een stapje hoger te gaan dan bovenstaand model, is de Buizerd II 10×42 van de Vogelbescherming.

Wat eigenlijk onmisbaar is om trekvogels te spotten, is een telescoop. Helemaal als je wil proberen om trekvogels over zee en langs de kust te zien. Een fijn model is bijvoorbeeld de Havik 65 met statief Grutto van de Vogelbescherming.


Boekentip

Wil je je verder verdiepen in trekvogels, dan is het Handboek trekvogels van Stanislas Wroza wellicht iets voor je. In dit boek worden ruim 450 soorten trekvogels besproken. Er wordt vooral aandacht besteed aan de geluiden die worden gemaakt, waardoor je sneller en meer trekvogels kunt herkennen. Ook wordt er verder ingegaan op opnameapparatuur die je zou kunnen gebruiken om trekvogels waar te nemen. Een niet te missen boek dus voor de echte trekvogelaar!


Veelgestelde vragen over trekvogels

Welke trekvogels zie je in Nederland?

Nederland ligt op de route van vele verschillende trekvogels. Van grote vogels zoals ooievaars en kraanvogels tot kleine zangvogeltjes en van roofvogels tot zeldzamere zeevogels.

Wanneer trekken de meeste vogels?

De najaarstrek piekt in september en oktober. De voorjaarstrek piekt in maart en april. Het hangt van de soort af wanneer ze precies vertrekken en weer aankomen. Ook hangt het van de soort af of ze ’s nachts of overdag trekken.

Waarom trekken vogels ’s nachts?

Vogels trekken vaak ’s nachts om roofdieren te vermijden en om energie te besparen. ’s Nachts is de lucht koeler en rustiger, wat beter is voor de vlucht. Hoe warmer de lucht, hoe meer inspanning. Overdag wordt gebruikt om voedsel te zoeken en te rusten. Daarnaast worden de maan en sterren gebruikt als navigatie.


Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Arenden in Nederland – Roofvogels deel V

Visarend

Lange tijd waren ze een zeldzaamheid in Nederland, maar er komen steeds meer arenden voor in Nederland. Deze gigantische vogels kennen de meeste van ons van vakanties in Frankrijk of Italië in de Alpen, of van de moerasgebieden in Oost-Europa. Maar tegenwoordig hoef je niet meer zo ver te gaan. Het gaat goed met de arenden in Nederland. Zo goed zelfs dat er van sommige soorten al meerdere broedparen in Nederland bekend zijn. In deel V van de blogserie roofvogels in Nederland geven we een overzicht van alle arenden in Nederland!

Inhoudsopgave

Grote krachtpatsers van de lucht

Arenden zijn grote vogels die van weinig andere wat te dulden hebben. Ze zijn groot van formaat, hebben een grote haaksnavel en krachtige poten met scherpe klauwen, welke ze gebruiken om hun prooien te pakken. Ze hebben daarnaast sterk ontwikkelde ogen, om van grote hoogte te speuren naar prooien op het land of in het water.

Zeearend (Saxifraga - Hans Dekker)
Arenden zijn goed te herkennen aan hun grootte in de lucht. Weinig andere (roof)vogels in Nederland zijn hiermee te vergelijken (Saxifraga – Hans Dekker)

Mannetjes en vrouwtjes lijken veel op elkaar, al zijn de vrouwtjes in de meeste gevallen groter. Jonge exemplaren doen er enkele jaren over om het volwassen verenkleed te ontwikkelen. Jonge dieren zijn op basis hiervan dan ook makkelijk te identificeren.

Alle arenden in Nederland behoren tot de orde Accipitriformes. Tot deze orde van vogels behoren onder andere ook de gieren. Bijna alle arenden worden onderverdeeld in de familie havikachtigen. Echter de visarenden behoren tot een eigen familie. Belangrijkste kenmerken waarom ze tot een aparte familie behoren zijn de poten en de tenen. Deze zijn meer aangepast op het vangen van vis.

Taxonomie arenden Nederland
Taxonomische indeling van de arenden in Nederland. Er is gekozen om alleen de drie meestvoorkomende soorten hierin op te nemen, en de dwaalgasten buiten beschouwing te laten. (De natuur van hier)

Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Zeearend (Haliaeetus albicilla)

De zeearend kwam vroeger talrijk voor in Nederland, maar was in de laatste decennia verdwenen uit Nederland (hoofdzakelijk door landbouwgif), net zoals op veel andere plekken in Europa. In de jaren ’90 was er het plan om de vogels weer terug uit te zetten in Nederland, maar dit plan is uiteindelijk niet doorgegaan. Niet veel later kwam de zeearend op eigen houtje, en sindsdien nemen de aantallen gestaag toe.

De zeearend is teruggekeerd als wintergast, maar sinds 2006 broedt de vogel weer in Nederland. Inmiddels is het aantal broedparen opgelopen tot meer dan 20. Er zijn zo’n 100 tot 150 exemplaren die overwinteren in Nederland. Het gaat dus goed met de zeearend. Dit komt onder andere doordat ze vrij dicht op elkaar kunnen broeden, mits er voldoende voedsel in het gebied te vinden is.

Zeearend (Shutterstock)
Volwassen zeearenden hebben een witte staart (Shutterstock)

Kenmerken

Met een lengte van 75 tot 95 centimeter en een spanwijdte van 2 tot 2,5 meter is de Europese zeearend de grootste roofvogel in Europa. In vlucht hebben ze opvallend diep gevingerde vleugels. Ze hebben een bruin gekleurd verenkleed met een witte staart (naast Europese zeearend worden ze ook witstaartzeearend genoemd). Ze hebben daarnaast krachtige, gele poten en een grote gele haaksnavel. Bij jonge dieren is de snavel meer zwart en moet de witte staart zich nog ontwikkelen. Daarnaast hebben ze donkere ogen, die als ze volwassen zijn geel worden. Jonge exemplaren zijn daardoor makkelijk te determineren.

Echte alleseters

Het menu van de zeearend is zeer gevarieerd. Ze jagen onder andere op aan het oppervlakte zwemmende vis. Deze worden met de grote, scherpe klauwen uit het water gevist. Naast vissen eten ze ook watervogels zoals meerkoeten, meeuwen en zelfs grauwe ganzen. Op het land jagen ze op hazen, otters en soms zelfs vossen. In de winter zijn het ook aaseters. Het zijn dus erg opportunistische dieren, wat hun terugkeer deels verklaart.

Zeearenden zoeken in hun leven een partner en blijven daar de rest van hun leven bij. Ze zijn monogaam dus. Ze hebben vaak meerdere nesten (twee tot drie), en kiezen ieder jaar het meest geschikte nest. De arenden blijven deze nesten uitbouwen, totdat de boom omvalt waarin het nest zich begeeft. Via Beleef de lente is ieder jaar een paartje zeearenden te volgen.

Uitgestrekte moerasgebieden met voldoende bomen is waar de zeearend zich thuis voelt. In Nederland zijn dit plekken zoals het Lauwersmeergebied in Friesland, de Oostvaardersplassen in Flevoland en de Biesbosch in Zuid-Holland en Noord-Brabant.


Lees ook: marters in Nederland


Visarend (Pandion haliaetus)

Sinds 2016 kennen we nog een andere arend die hier broedt, de visarend. Als doortrekker is het een vrij algemene soort (100-150 exemplaren) in de periodes augustus-september en april in ons land. Maar dat de visarend hier nu broedt is natuurlijk een mooi compliment naar het beter wordende natuurbeheer in Nederland. Het eerste broedpaartje in 2016 werd gevonden in de Biesbosch. Momenteel zijn er minstens zes broedparen in Nederland.

Visarend
Sinds 2016 is de visarend een broedvogel in Nederland. Inmiddels is het aantal broedparen opgelopen tot ten minste zes paren.

Een vreemde eend in de bijt

De visarend is een vreemde eend in de bijt, taxonomisch gezien. Zoals eerder benoemd behoort hij niet tot de familie havikachtigen waar alle andere arenden onder vallen, maar is het een aparte familie genaamd visarenden. Dit heeft dus te maken met de poten. Alle tenen van de visarend zijn even lang. Daarnaast wijzen bij andere arenden drie tenen naar voren en één naar achteren. Bij de visarend kunnen deze zowel naar voren als naar achteren wijzen. Bij de jacht op vissen worden twee tenen naar voren gericht en twee naar achteren, zodat de vis als een soort grijper gegrepen kan worden.

Voor een arendachtige, is de visarend vrij klein. Met een lichaamslengte van circa 55 centimeter en een spanwijdte van 150 tot 170 centimeter, is deze een stuk kleiner dan de Europese zeearend. In vlucht zijn ze goed te herkennen aan de overwegend witte onderkant, met donkere accenten en de geknikte vleugels (wat andere arenden niet hebben). De bovenkant is donkerbruin van kleur.

Waterrijke gebieden

Waterrijke gebieden zijn essentieel voor de visarend. Zoals de naam al doet vermoeden eet de visarend vis, uitsluitend vis. Ze leven dan ook in beboste gebieden met een hoge waterstand, zoals meren, plassen en rivieren. Ze hangen dan vaak biddend boven het water om vis te lokaliseren. Als ze een vis gezien hebben, duiken ze het water in om de vis te grijpen. Ze kunnen bij deze actie volledig kopje onder gaan. Ze vangen meestal vissen van ongeveer 200-300 gram, maar kunnen vissen tot wel 2 kilo uit het water halen!

Visarend (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Visarenden maken dankbaar gebruik van volwassen bomen die aan of in het water staan (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Bomen aan de rand van het water worden gebruikt als uitkijk- en rustplek. Daarnaast worden er nesten in gemaakt. Ze maken een groot nest boven in de boom. Na ongeveer 50 dagen vliegen de jongen uit, waarna ze nog één à twee maanden blijven terugkeren. Via Beleef de lente is vaak een broedend paar te volgen.

In april komen de visarenden vanuit Afrika naar Europa en in de maanden augustus en september keren ze weer terug. In deze periodes zijn visarenden geregeld waar te nemen in Nederland. Alle waterrijke gebieden in Nederland zijn dan kansrijk om een visarend te zien. Gebieden als de Biesbosch, de Delta en het IJselmeergebied zijn bij uitstek goede gebieden.

Slangenarend (Circaetus gallicus)

Tegenwoordig heb je in Nederland ook steeds meer kans om een slangenarend te zien. De soort broedt hier niet zoals de zeearend en de visarend, maar is wel steeds vaker te zien als zomergast. Er zijn jaarlijks één of meerdere exemplaren die van hun terugreis van Afrika naar Zuid-Europa iets te ver doorvliegen en in Nederland belanden. Vaak blijven deze dieren, totdat ze aan het einde van de zomer weer terugvliegen naar Afrika, in ons land.

Slangenarend (Saxifraga - Jan van der Straaten)
De slangenarend is inmiddels een vaste zomergast in ons land (Saxifraga – Jan van der Straaten)

De slangenarend wordt ongeveer 60-70 centimeter groot, ongeveer 1,5 keer zo groot als een buizerd. De spanwijdte bedraagt 160-170 centimeter. Op de bovenzijde is de arend bruin gekleurd en hebben ze een overwegend witte onderzijde, met donkere stippen in lijnvorm. Volwassen exemplaren hebben meestal een donkere kop, ook wel bivakmuts genoemd. Ze hebben grote gele ogen, wat ze enigszins op uilen doet lijken.

Slangen

Zoals de naam al doet vermoeden bestaat het meeste voedsel uit slangen, ongeveer 70% van het totale menu. Verder eten ze ook andere reptielen, amfibieën, vogels en soms kleine zoogdieren. Dit doen ze door hoog in de lucht te bidden en met hun uitstekend ontwikkelde ogen op de grond te speuren naar deze prooien.

Slangearend (Saxifrag - Martin Mollet)
Slangenarenden zijn van de onderkant overwegend wit, met donkere stippen die in een lijn over het lichaam en de vleugels lopen (Saxifraga – Martin Mollet)

In Nederland vinden we de soort vaak op heidegebieden en in halfopen bossen. Goede voorbeelden waar de afgelopen jaren slangenarenden zijn gezien zijn de Strabrechtse heide, het Fochteloërveen en de Veluwe. Door het hele land in de zomer te zien dus. In gebieden waar geen slangen zijn, weten deze dieren zich te voeden met kikkers, padden en konijnen. Aangezien roofvogels opportunisten zijn, is het niet uit te sluiten dat de soort hier ooit nog gaat broeden. Dit hadden immers de meeste mensen in eerste instantie ook niet gedacht van de zeearend en de visarend.

Dwaalgasten

Dan zijn er nog een aantal soorten die hier soms worden gezien, die een verkeerde afslag hebben genomen: de dwaalgasten. Hiervan worden slechts losse waarnemingen gedaan, die meestal ook weer binnen een paar dagen, of maximaal een paar weken, zijn vertrokken.

Steenarend
Het gaat goed met de steenarenden in West-Europa, bijvoorbeeld in landen zoals Schotland en Denemarken

Een van die dwaalgasten is de steenarend. De steenarend is in Nederland een zeer zeldzame soort, die gemiddeld maar één keer in de vier jaar gezien wordt, meestal in de wintermaanden. Het gaat echter goed met de steenarend in Europa, bijvoorbeeld in landen zoals Denemarken en Schotland. De kans dat we vaker (meestal jonge) steenarenden in Nederland gaan zien, is dan ook aannemelijk.

Dan is er nog een arendsoort die dicht tegen de Nederlandse grens broedt (Noord-Oost Duitsland), maar desondanks weinig gezien wordt in ons land. De schreeuwarend dankt zijn naam aan het geluid dat hij maakt en wordt meestal in Nederland gezien in de zomer en herfst.

Andere zeer zeldzame dwaalgasten in Nederland zijn de bastaardarend, die meer oostelijk in Europa voorkomt en de dwergarend, waarvan een paartje ooit in Duitsland gebroed heeft. Daarnaast wordt de havikarend heel soms waargenomen, die broedt in Zuid-Europa en de keizerarend, die zich normaliter meer zuidelijker en oostelijker bevindt. Als laatste kunnen we nog de steppearend benoemen, waarvan maar slechts zes gevalideerde waarnemingen bekend zijn.

Zeearenden
Zullen we in de toekomst meer arenden in de lucht boven ons land zien?

Tot slot

Nederland doet het goed onder de arenden. Wie had dertig jaar geleden kunnen bedenken dat twee grote arenden zich zo thuis zouden voelen in Nederland en dat ze zelfs hier zouden gaan broeden. En dat de slangenarend, een echte soort uit het Middellandse zee gebied, zich met steeds meer exemplaren iedere zomer in Nederland huisvest? De vraag is dan ook hoe dit verder gaat en welke arenden we in de toekomst nog meer mogen verwelkomen.

De serie Roofvogels in Nederland

In totaal zijn er zes delen nodig om de orde Accipitriformes te bespreken. De valken, de orde Falconiformes, worden in een apart deel besproken. De uilen zijn al een keer in een driedelige blog besproken. Via onderstaand overzicht kom je bij de verschillende soorten terecht.

Roofvogels in Nederland – deel I

Buizerd, sperwer en havik – deel II

Kiekendieven – deel III

Wouwen en wespendief – deel IV

Arenden – deel V

Gieren – deel VI

Valken in Nederland

Uilen in Nederland – deel I

Uilen in Nederland – deel II

Uilen in Nederland – deel III

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Natuurtuin in ontwikkeling – deel III

Fazant

Ongeveer gelijktijdig met de start van deze website hebben we een huis kunnen kopen met ongeveer 3500 m2 grond erbij. Ons doel is deze 35 are de komende jaren om te turnen naar een natuurtuin waarbij er ruimte is voor allerlei wilde vogels en andere dieren. De voortgang hiervan houden we bij en delen we in een terugkerende blog met jullie. In deze blog lees je wat er te beleven valt in de tuin in de winter, wat we de afgelopen drie maanden hebben gedaan en wat we verwachten voor het aanstaande voorjaar.

05 maart, 2023

In de vorige blog, die we drie maanden geleden schreven, heb je kunnen lezen dat we flink wat hebben aangeplant. Een gemengde haag, een struweel en veel losse heesters en bomen moeten dit jaar voor veel groen in de tuin gaan zorgen. Nu, aan het einde van de winter, gaan we kijken wat de tuin in ruste nog heeft gedaan en wat ons te wachten staat voor het groeiseizoen dat voor de deur staat.

Winter, maar toch leven te ontdekken

Ondanks dat het winter is en de meeste planten geen blad hebben, zie je dat het struweel en de overige beplanting, die we pas recentelijk aangeplant hebben, al volop gebruikt worden door kleine zangvogels. Ze vliegen van stammetje naar stammetje, druk zoekend naar voedsel. Twee pimpelmezen zijn duidelijk al bezig met het voorjaar. Er is constant een interactie tussen de twee vogels zichtbaar, en ze lijken elkaar gevonden te hebben. Wellicht dat ze eind maart een van onze nestkastjes opzoeken.

Pimpelmees
Pimpelmezen zijn sinds dag één een vaste bezoeker in onze tuin

De natuurtuin wordt volop bezocht door leuke soorten. Op een vroege ochtend kwam ik buiten en zag ik dat onze notenboom dienst deed als slaapplek voor een mannetjesfazant. Fazanten zoeken in de avond een boom op voor de roest (slaap), waar ze veilig zitten voor vossen die ’s nachts op pad zijn.

Maar goed dat de fazant voor zijn slaap een boom op zoekt, want in februari hebben we een vos achter in de tuin waargenomen met onze wildcamera. Net voor middernacht doorkruist de vos onze tuin. Het is tot nog toe bij deze waarneming gebleven.

Vos wildcamera (De natuur van hier)
Een vos vastgelegd met de wildcamera (De natuur van hier)

Bijzondere bezoekers

In januari hoorden we plotseling een knal tegen het raam aan in de woonkamer. Toen we uit het raam keken, zagen we een sperwer bedeesd om zich heen kijken, en maakte haast om in de dichtstbijzijnde boom beschutting te zoeken. Even zat hij met prooi in de boom, waarna hij naar het struweel in het aangrenzende weiland vloog.


Lees ook: tips voor het aanleggen van een natuurtuin


In februari zagen we op een zonnige dag, tegen de schemering aan, tot onze verbazing op zo’n 80 meter afstand een hertachtige staan. We dachten een paar weken eerder een zestal reeën gezien te hebben, op een wat grotere afstand, dus we gingen er vanuit dat dit ook een ree was. Toen we hem wat langer bekeken zagen we dat het geen ree betrof, maar een damhert. Damherten zijn door de Romeinen in ons land geherintroduceerd en zijn wat groter dan een ree, maar kleiner dan een edelhert. Opmerkelijk, omdat de omgeving niet per definitie erg bosrijk is.

Damhert
Het damhert naderde onze tuin tot op zo’n 80 meter (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Maatregelen

Na de grote aanplant die we in oktober/november hebben gedaan, hebben we deze maanden in de tuin vrij weinig gedaan. We hadden binnenshuis onze prioriteiten liggen, waardoor we geen tijd hadden om in de tuin nog grote dingen aan te pakken. We hebben echter wel een paar kleine aanpassingen gedaan.

Allereerst hebben we een vleermuizenkast gekocht, en deze zo hoog mogelijk tegen de gevel geplaatst. Omdat we eerder in het jaar een paar keer een egel hebben waargenomen, hebben we ook een egelmand geplaatst. Het nieuw aangeplante struweel leek ons hiervoor een goede plek. Deze bevindt zich achter in de tuin, waardoor de egel zo min mogelijk wordt gestoord en de heesters zullen daarnaast ervoor zorgen dat de egel ook om het huis heen bescherming vindt.


Lees ook: gemengde haag aanplanten


Om de mand waterdicht te maken, hebben we hier eerst een laag plastic overheen gemaakt. Deze plastic hebben we afgedekt met bladeren en ten slotte takken om alles op zijn plek te houden en het een natuurlijke uitstraling te geven. Dit geheel zorgt ervoor dat het egelhuis wind- en waterdicht is.

Egelhuis stap 2
In het struweel hebben we een egelmand geplaatst. De mand hebben we afgedekt met plastic, bladeren en takken om deze wind- en waterdicht te maken (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Ten slotte hebben we nog een nestkast voor kauwen gemaakt en geplaatst. Dit is een erg grote kast, met een invliegopening van maar liefst 12 centimeter in doorsnee. De nestkast hebben we op circa drie meter hoogte, stevig opgehangen in één van de twee notenbomen. Hopelijk zal deze kast in de toekomst bezocht worden door een paartje kauwen, zodat we deze bijzondere vogels van dichtbij kunnen volgen!

kauw nestkast
Een nestkast voor een kauw moet groot en stevig zijn, met een grote invliegopening (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Resultaten en planning

Ondanks dat het winter is, bijna alles in rust is en we weinig maatregelen hebben getroffen, hebben we toch weer een aantal nieuwe soorten weten waar te nemen. In totaal staat de teller nu op 127 soorten, waarvan er 116 in de tuin en 11 rondom de tuin. Dit zijn er 20 meer dan in de vorige blog. Veruit de meeste soorten die we hebben waargenomen zijn planten en vogels. Onderaan deze blog staat het gebruikelijke soortenoverzicht.

Winterkoning
Het winterkoninkje heeft zich deze winter veelvuldig laten zien (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Helaas hebben we door tijdsgebrek afgelopen kwartaal niet meer kunnen doen. We zijn voornemens het komende kwartaal wel wat tijd vrij te maken om nog enkele aanpassingen te doen in onze natuurtuin. Een van de dingen die we als eerste willen creëren is een kleine poel. Het aanleggen van een poel is een must voor iedere tuin en zorgt voor een snelle toename van biodiversiteit in je tuin. Deze poel willen we verder aankleden met wat kruidachtige planten en dood hout.

Daarnaast willen we een takkenwal in de tuin aanbrengen. Wanneer er tijd is zullen we hier ook al een begin mee maken. Over ongeveer drie maanden zullen we weer met een update komen over hoe de natuurtuin er dan bij ligt.


Lees ook: hoe plant ik een boom?


Disclaimer: in deze terugkerende blog spreken we over een natuurtuin. Echter is dit niet een standaard tuin waar de meest mensen aan denken bij het woord tuin. Het grootste deel van het perceel wordt aangeplant met uitsluitend inheemse soorten, die terugkeren in het omliggende landschap. Hier laten we de natuur vervolgens zoveel mogelijk haar gang gaan.

Soortenoverzicht
Soortenoverzicht natuurtuin 5-3-2023 (De natuur van hier)

Lees verder in natuurtuin in ontwikkeling deel IV


De lynx in Nederland

Lynx

Na de terugkeer van de ooievaar, otter en wolf lijkt er nog een diersoort zijn weg terug te vinden naar Nederland, na decennia van afwezigheid. De grootste katachtige van Europa, de lynx, wordt steeds dichter in de buurt van onze landsgrenzen waargenomen en het lijkt dan ook een kwestie van tijd voordat deze roofdieren zich weer in Nederland bevinden. Een kers op de taart van het huidige (Europese) natuurbeleid? Of een bedreiging voor de veiligheid van mens en (huis)dier? In deze blog blikken we vooruit op het moment dat onafwendbaar lijkt, de terugkeer van de lynx in Nederland!

De lynx – Lynx lynx

De lynx, of beter gezegd, de Euraziatische lynx is de grootste katachtige van Europa. Het is de grootste van de vier lynxsoorten die wereldwijd voorkomen en zijn leefgebied bestrijkt Noord-Europa tot aan de Russische Federatie en meer geconcentreerd in Centraal-Europa.

Lynx (Saxifraga, Bart Vastenhouw)
Door hun dikke vacht in de winter en haarkussens aan de voeten zijn lynxen uitstekend bestand tegen kou (Saxifraga – Bart Vastenhouw)

De Euraziatische lynx (in de rest van dit artikel kortweg lynx genoemd) bereikt een grootte zo hoog als een grote hond, formaat herdershond ongeveer. De schofthoogte bedraagt 60 tot 75 centimeter en de kop-romp lengte betreft 80 tot 130 centimeter. Ze bereiken een gewicht van circa 25 kilogram.

Ze zijn geelbruin gekleurd in de zomer, maar in de winter verandert de vacht. Deze wordt dan dikker en een stuk lichter, zodat de lynx goed gecamoufleerd blijft in de sneeuw en bestand is tegen de kou. Karakteristieke kenmerken zijn de gepluimde oren, donkere bakkebaarden en een korte staart.


Lees ook: de vos in Nederland


Een echte sleutelsoort

De lynx is een echte jager en staat bovenaan de voedselketen. Prooidieren zoals haas, ree, wild zwijn, vos en marterachtigen worden vanuit een hinderlaag gepakt (meestal bij schemering). Dit zorgt ervoor dat de lynx prooien kan vangen die soms een voordeel op hem hebben. Hazen zijn bijvoorbeeld sneller dan een lynx en wilde zwijnen vaak sterker. Doordat de lynx het prooidier verrast met het jagen vanuit een hinderlaag, kan hij dit voordeel uitschakelen en daardoor op een breed scala aan prooidieren jagen. De ree is overigens het favoriete prooidier van de lynx. Uit onderzoek is gebleken dat bijna 75% van het menu hieruit bestaat.

Lynx (Saxifraga - Martin Molet)
De lynx is een echte jager en staat aan de top van de voedselketen (Saxifraga – Martin Molet)

Doordat de lynx aan de top van de voedselketen staat, is het een sleutelsoort voor de ecosystemen waarin hij leeft. Dit wil zeggen dat de soort een cruciale rol speelt in het ecosysteem en met zijn aanwezigheid een directe invloed heeft op hoe het ecosysteem tot uiting komt.

De aanwezigheid van de lynx zorgt ervoor dat populaties prooidieren op een natuurlijke wijze gereguleerd worden, iets waarvoor nu in Nederland bejaging nodig is. Naast de regulatie van populaties, zorgt de lynx ervoor dat er een bepaalde waakzaamheid en/of angst bij prooidieren ontstaat. Dit heeft tot gevolg dat prooidieren minder lang op één plek blijven hangen en doortrekken naar een ander gebied. Resultaat hiervan is dat er op meer plekken een natuurlijke verjonging (natuurlijke regeneratie) optreedt, wat essentieel is voor gezonde ecosystemen (en hun ecosysteemdiensten).

Geschikte leefgebieden

Het gaat goed met de lynx in Europa. Over heel Europa lijken nu zo’n 10.000 exemplaren verspreid te zijn. Op het laagste punt, toen deze nog volop bejaagd werd, waren er nog zo’n 700 exemplaren te vinden in Europa. Deze toename is het resultaat van een beter natuurbeleid, waarbij jacht op dergelijke dieren verboden is en waarin herintroductieprogramma’s worden opgezet. In totaal zijn er door Europa verspreid zo’n vijftien herintroductieprogramma’s geweest, wat er onder ander voor gezorgd heeft dat de lynx nu op de deur van onze landgrenzen klopt.

Lynxen leven solitair, zowel de mannetjes als de vrouwtjes, waardoor er in Nederland maar weinig plekken geschikt lijken voor een vitaal leefgebied. Daarnaast hebben ze een groot leefgebied van 100 tot 1000 km2, waarbij het leefgebied van één mannetje overlapt met dat van meerdere vrouwtjes.


Lees ook: marters in Nederland


De Veluwe

Het enige gebied in Nederland dat lijkt te voldoen aan de eisen van de lynx is de Veluwe, gelegen centraal in ons land. Je zou het misschien niet direct verwachten in Nederland, maar de Veluwe is een van de grootste aaneengesloten natuurgebieden van Nederland. De totale oppervlakte bedraagt ruim 900 vierkante kilometer, bestaande uit bossen, afgewisseld met open stukken als heide en grasland. Dit zou een ideaal leefgebied kunnen zijn voor de lynx, daar er voldoende voedsel te vinden is in het natuurgebied.

De Veluwe
De Veluwe lijkt het enige geschikte leefgebied voor de lynx in Nederland. Maar weet de lynx er te komen?

De grote vraag is: kunnen de exemplaren die zich aan onze landgrenzen bevinden, gemakkelijk de weg vinden naar de Veluwe? Dit zou de terugkeer van de lynx in Nederland nog wel eens op kunnen houden. Want hoe groot en geschikt de Veluwe dan wel mag zijn, er omheen is het een wirwar van drukke autowegen en volle steden wat voor wilde dieren funest is (denk maar aan de verkeersslachtoffers bij de otter). Het blijft dus afwachten of de fragmentatie van natuurgebieden en de hoge bevolkingsdichtheid een probleem gaat vormen voor de terugkeer en het creëren van een vitale populatie lynxen in Nederland.

De gevolgen van de terugkeer van de lynx in Nederland

Het lijkt een kwestie van tijd totdat de eerste waarnemingen van de lynx in Nederland gevalideerd zullen worden. Maar wat heeft de terugkeer van deze grote katachtige voor een consequenties? Zitten we te wachten op de terugkeer van een ander roofdier? En wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse natuur zoals we hem nu kennen?

Ree
In Nederland leven zo’n 100.000 reeën. Wat heeft de terugkeer van de lynx voor een gevolgen voor deze hertachtige?

Voor de Nederlandse natuur

Zoals eerder benoemd kan de lynx gezien worden als een echte sleutelsoort binnen een ecosysteem. En een sleutelsoort heeft een belangrijke invloed op een ecosysteem. De argumenten die eerder werden aangedragen, het reguleren van populaties en het opjagen van prooidieren (met natuurlijke verjonging als gevolg), zorgt ervoor dat het landschap drastisch kan veranderen. Vaak leidt dit tot meer biodiversiteit in een gebied. De terugkeer van de lynx kan dus een positieve bijdrage leveren aan het herstel van de Nederlandse natuur.

Daarnaast kan de lynx een natuurlijke concurrent vormen voor de wolf. Concurrentie zorgt ervoor dat één soort niet dominant kan worden en voor teveel overlast zorgt. De aanwezigheid van de lynx kan er voor zorgen dat de populatie wolven in Nederland niet explosief groeit, waardoor er wellicht minder overlast te verwachten is.

Voor de mens

Dan rest ons nog de vraag wat de terugkeer van de lynx betekent voor de mens. Komt de veiligheid van mensen en huisdieren in het geding door de terugkeer van de lynx? Dit is een terechte vraag die nader onderzocht dient te worden.

Puur feitelijk gezien kan een lynx een mens doden en is het dus een bedreiging voor onze veiligheid. Echter is dit in de praktijk zeer onwaarschijnlijk dat dit gebeurt en zijn er ook geen dodelijke slachtoffers door toedoen van de Euraziatische lynx. Hiervoor zijn enkele argumenten te bedenken.

Zwakke plek

Het eerste argument is dat lynxen slimme dieren zijn en niet zomaar risico’s nemen. Lynxen jagen op dieren waarvan ze weten dat ze grijpen, zonder hier zelf hele grote schade op kunnen lopen. Als een lynx een grotere prooi aanvalt, dan mikt hij op de nek van het dier. Doordat ze de nek grijpen van bijvoorbeeld een hert, kunnen ze niet geraakt worden door de krachtige poten van het hert. De lynx weet dat een dergelijke zwakke plek op het menselijk lichaam lastiger te vinden is. In bijna alle gevallen zou een mens terug kunnen vechten en daarmee de lynx serieus kunnen verwonden. Een lynx denkt dus wel twee keer na, voordat hij een dergelijk risico neemt.

Een zeldzame ontmoeting

Daarnaast is een ontmoeting tussen mens en lynx zeer zeldzaam. De meeste mensen die wonen in een leefgebied van de lynx zal nooit in zijn leven een lynx tegen het lijf lopen zolang hij er niet actief naar op zoek gaat. Dit komt omdat lynxen zeer schuwe dieren zijn, die contact met mensen zoveel mogelijk vermijdt. Ze zijn daarnaast voornamelijk actief bij nacht en ze leven in dichtbegroeide bossen. Dit is dus totaal het tegenovergestelde van de levenswijze van de gemiddelde mens.

Dit betekent niet dat er helemaal geen gevaar is. Het blijven wilde dieren met instrumenten (klauwen en beet), waarmee ze serieuze schade aan kunnen richten en in staat zijn een mens te doden. Er zijn enkele gevallen bekend van verwonding door lynxen, echter waren hier altijd aanleidingen voor te vinden. Wanneer een lynx wordt bedreigd, kan het dus levensgevaarlijk zijn.


Lees ook: arenden in Nederland


De lynx
Lynxen zijn met hun grote klauwen en krachtige beet in staat mensen te doden, maar vormen ze ook een serieuze bedreiging voor ons? (Saxifraga – Martin Mollet)

Vee en huisdieren

Monitoring in Europa heeft aangetoond dat de lynx voor vee wel een bedreiging kan vormen. Echter zijn de meeste gevallen die bekend zijn voorbeelden uit als Noorwegen, waar vee, zoals schapen, vaak los lopen in een groot gebied. Op andere plaatsen, waar veel voornamelijk achter hekwerk gehouden wordt, zijn beduidend minder gevallen van slachtoffers bekend. Aanvallen van lynxen op huisdieren zijn zeer zeldzaam, waardoor dit niet per se als een risico gezien kan worden.

Conclusie

Lynxen worden momenteel aan onze landgrenzen waargenomen. Het lijkt dus een kwestie van tijd totdat de eerste waarneming van een lynx in Nederland gevalideerd wordt. De Veluwe wordt gezien als het enige geschikte leefgebied in Nederland. Maar lukt het lynxen om van natuurgebieden in onze buurlanden (denk aan de Ardennen in België of het Teutoburgerwoud in Duitsland) door te trekken naar de Veluwe en alle obstakels onderweg te overwinnen? De tijd zal het uit moeten wijzen.

Wil je meer informatie over de terugkeer van de lynx in Nederland of de verspreiding van de lynx in Europa? Kijk dan op de website van de zoogdiervereniging of ga naar het YouTube-kanaal van Mossy Earth voor de meest relevante informatie.

Veel gestelde vragen

Komt de lynx voor in Nederland?

De lynx is nog niet met zekerheid vastgesteld in Nederland, maar wel op een paar kilometer van de grens. Het lijkt dus een kwestie van tijd, totdat de eerste lynx in Nederland gezien wordt.

Is Nederland een geschikt leefgebied voor de lynx?

Uit onderzoek is gebleken dat de Veluwe het enige geschikte leefgebied is in Nederland voor de lynx. Het is één van de grootste aaneengesloten natuurgebieden in Europa, met voldoende voedsel. De verbindingen er naar toe zijn echter beperkt en worden veel onderbroken door (auto)wegen, wat de kans op verkeersslachtoffers verhoogt.

Vormt de lynx een bedreiging voor de mens?

De lynx heeft de wapens om serieuze schade aan te richten bij de mens of zelfs te doden. Echter is het zeer onwaarschijnlijk dat een mens wordt aangevallen door een lynx. Lynxen zijn namelijk zeer schuw, leven in dichtbegroeide bossen en zijn voornamelijk nachtactief. Daarnaast schatten lynxen de risico’s in en zullen ze niet gauw een mens aanvallen, als dat niet nodig is.

Bouwtekening nestkast boomkruiper

Gewone boomkruiper

Een goede manier om de natuur, vogels in het bijzonder, een handje te helpen is door het plaatsen van nestkasten. Door de toenemende verstedelijking, kunnen vogels soms lastig een geschikte broedplaats vinden. Nestkasten kunnen hier op een goedkope en efficiënte manier een oplossing voor bieden. Als je het geluk hebt één, of meerdere, volwassen bomen in je tuin te hebben, dan kan het interessant zijn om een nestkast voor een boomkruiper op te hangen. Deze nieuwsgierige, kleine vogels zijn een genot om naar te kijken, wanneer ze druk speurend langs de stam van een boom af hoppen, op zoek naar insecten.  

De gewone boomkruiper (Certhia brachydactyla)

Boomkruiper
De boomkruiper is goed te herkennen aan zijn omlaag gebogen snavel, overwegend bruine kleur met witte buik

De gewone boomkruiper, of kortweg boomkruiper, is een kleine zangvogel van maximaal twaalf centimeter groot, die behoort tot de familie echte boomkruipers. De boomkruiper komt algemeen voor in Nederland. Naast de gewone boomkruiper komen er nog twee andere boomkruipers voor in Nederland, de kortsnavelboomkruiper en taigaboomkruiper. Deze zijn echter veel zeldzamer en komen meer geconcentreerd voor in Nederland.   

De gewone boomkruiper is een klein blijvende soort met een overwegend bruinachtige kleur, een witte buik en een lichte wenkbrauwstreep. Ze hebben een kenmerkende, omlaag gebogen snavel waarmee ze insecten onder de bast van een boomstam vandaan krijgen. Ze hebben een relatief lange staart die ze gebruiken om evenwicht te houden wanneer ze over de boom hoppen en welke helpt bij het afzetten bij het vliegen.  

Boomkruipers zijn echte standvogels, wat betekent dat ze het hele jaar door in ons land verblijven. Ze broeden met grote aantallen in ons land, maar ook in de meeste andere delen van Europa. 

Voedsel en voortplanting

Boomkruipers danken hun naam aan de manier waarop ze naar voedsel zoeken. Wanneer ze opzoek gaan naar voedsel, landen ze onderaan de stam van een boom. Deze ‘kruipen’ ze spiraalsgewijs omhoog en zoeken dan driftig naar spinnen, insecten en insectenlarven die zich schuilhouden onder de bast van de boomstam.


Lees ook: bouwtekening nestkast bosuil


In tegenstelling tot de boomklever, die ook voornamelijk op de stam van bomen leeft, kruipt de boomkruiper de stam enkel omhoog en niet omlaag. Wanneer de boomkruiper de bovenkant van de boomstam nadert, vliegt hij naar een andere boom in de buurt en land daar onderaan de stam, om vervolgens weer langzaam omhoog te kruipen, zoekend naar insecten onder de bast.

Boomkruiper vlieg
Boomkruipers zoeken op de stammen van oude bomen naar insecten

Voortplanting

In april, mei of juni worden de eieren gelegd door de boomkruipers. Soms vindt er later in het jaar nog een tweede legsel plaats. Er worden gemiddeld vijf tot zeven eieren per legsel gelegd. De eieren zijn wit van kleur met roze stippen, voornamelijk op het uiteinde van het ei. De eieren worden gelegd in een nest dat de vogels gemaakt hebben in boomholten, tussen stukken bast van de stam, of in speciaal gemaakte nestkasten. Als deze nestkasten op een juiste manier gemaakt en opgehangen worden, wordt hier door de kleine boomkruipers dankbaar gebruik van gemaakt. Verderop in deze blog vertellen we hoe je een perfecte nestkast maakt voor de boomkruipers in jouw tuin.

Nadat de eieren gelegd zijn, wordt er zo’n achttien dagen gebroed door het vrouwtje, voordat de eieren uitkomen. Drie weken lang worden de juveniele boomkruipers gevoed door de ouders. Hierna zijn ze klaar om het nest uit te vliegen. Na het uitvliegen keren de juvenielen nog een aantal keren ’s nachts naar het nest terug, om de nacht hier samen met de ouders door te brengen.

Nestkast boomkruiper

Boomkruipers stellen niet veel eisen aan de plek waar ze broeden. Zoals gezegd doen (nauwe) boomstamholtes en stukken los zittende bast dienst als nestlocaties. Daarnaast maken ze ook dankbaar gebruik van nestkasten. Maar als ze niet veel eisen stellen aan de nestplaats, waarom zouden we dan moeite doen om speciaal gemaakte nestkasten op te hangen, zou je denken? Een nestkast zorgt voor een duurzame plek om meerdere jaren te broeden en kan daarnaast meer bescherming bieden tegen predatoren (bijvoorbeeld marterachtigen en de grote bonte specht) dan een stukje los zittende bast. Het plaatsen van nestkasten kan dus bijdragen aan een hogere slagingskans van het groot brengen van de juveniele boomkruipers.

Grote bonte specht

Predatoren zoals de grote bonte specht vormen een bedreiging voor de pasgeboren boomkruipers. Een nestkast kan bescherming bieden

Plaatsen nestkast

Als je hieronder de bouwtekening van de nestkast voor een boomkruiper ziet, zul je opmerken dat deze nestkast er anders uit ziet dan de meeste nestkasten. Dit heeft te maken met de levenswijze van deze kleine vogels. Omdat ze veel tijd op boomstammen doorbrengen, moeten we de nestkast, en de plaatsing daarvan, hier ook op aanpassen. Het is dus overbodig om te zeggen dat je de nestkast van een boomkruiper tegen een boomstam plaatst.

Kies een wat oudere, stevige en dikke boom uit. Ideaal is het als je op de boom al een keer een boomkruiper hebt zien kruipen, maar dit hoeft natuurlijk niet. Gezien de algemene verspreiding van de boomkruiper in Nederland heb je een goede kans dat er vanzelf een boomkruiper jouw nestkast vindt. Hang de kast stevig op en minstens twee meter boven de grond. Dit zorgt ervoor dat deze minder toegankelijk is voor bepaalde roofdieren, zoals katten. Zorg er tenslotte voor dat de opening (die bevindt zich aan de zijkant van de kast) makkelijk toegankelijk is vanaf de boomstam.


Lees ook: bouwtekening nestkast grauwe vliegenvanger


Bouwtekening nestkast

Hieronder vind je de gratis bouwtekening voor een nestkast voor de boomkruiper. Wij raden aan om als houtsoort beuken-, lariks- of eikenhout, van 15mm dik te gebruiken. Dit is hardhout wat erg duurzaam is en wat lokaal geproduceerd wordt. Watervast multiplex kan ook gebruikt worden. Let hierbij op het FSC-keurmerk, zodat je weet dat je hout koopt uit goed beheerde bossen. Onderaan de tekening staat een zaagschema. Als je hout haalt bij de bouwmarkt kan het zijn dat ze een zaagafdeling hebben. Hier kun je soms kosteloos je hout al in de juiste maten laten zagen. Neem je tekening dus mee als je naar de bouwmarkt gaat!

Gebruik RVS schroeven om het hout mee vast te schroeven. RVS is beter bestand tegen roesten dan verzinkte schroeven, dus geschikter om buiten te gebruiken. Bij de bouwmarkt kun je hout en schroeven halen voor je nestkast. Als je nog hout overhoudt, gooi dit dan niet weg! Dit kun je in de toekomst gebruiken om er een andere nestkast mee te maken. Heb je geen zin om zelf te gaan klussen maar wil je wel graag een nestkastje ophangen? Bestel dan een kant-en-klare nestkast voor je tuin.

Bouwtekening nestkast boomkruiper
Bouwtekening nestkast boomkruiper

Veel gestelde vragen

Hoe krijg ik een boomkruiper in mijn tuin?

Boomkruipers zijn afhankelijk van bomen. Zorg er dus voor dat je meerder (half)volwassen bomen in je tuin hebt, die redelijk in de buurt van elkaar staan. Dit zorgt ervoor dat de boomkruiper voedsel kan vinden in je tuin, waardoor je tuin aantrekkelijk wordt als leefgebied.

Hoe maak ik een nestkast voor een boomkruiper?

Een nestkast voor een boomkruiper kun je maken van beuken-, lariks-. of eikenhout. Watervast multiplex is ook geschikt. Let op het FSC-keurmerk. De nestkast is ongeveer 36x14cm groot, met de invliegopening aan de zijkant. Zie de bouwtekening in dit artikel.

Hoe plaats ik een nestkast voor een boomkruiper?

Hang de nestkast op een rustige plek, tegen een oude stevige boom. Zorg dat de invliegopening vrij is, en de kast minimaal twee meter boven de grond hangt. Zorg dat er geen spechtenholen of -nestkasten in de buurt zijn.

De herintroductie van de otter in Nederland

De otter

In het begin van de 20e leefden er in onze zoetwaterplassen otters. Prachtige zoogdieren met een donkere, bruine vacht, zwempoten en een lichaamsbouw aangepast aan het leven in het water. Eind jaren ’80 stierf de otter uit in Nederland. Reden van uitsterven? Versnippering van het leefgebied, een toenemende verkeersdruk, visserij en een slechte waterkwaliteit. In 2002 is de otter opnieuw geïntroduceerd in ons land. Lukt het deze soort te overleven in een druk land waar maar beperkt ruimte is voor natuur?

De otter – Lutra lutra

Otters behoren tot de marterachtigen. Een groep roofdieren binnen de klasse zoogdieren, die zich kenmerkt door hun langgerekte lichaam, met korte poten en een dikke vacht. Nauw verwanten in Nederland zijn onder andere de das, steenmarter en hermelijn.

Europese otter
De otter is een marterachtige. Dit is terug te zien aan het kenmerkende langgerekte lichaam met dikke vacht en korte poten

Kenmerken

De otter heeft een overwegend bruingekleurde vacht, met een duidelijk lichtere buik en borst, wat door kan lopen tot aan de kin. Ze hebben een dikke vacht. De vacht bestaat uit een buitenste laag met dikke dekharen en een binnenste laag met dicht op elkaar staande donsharen. De droge lucht tussen de donsharen zorgt ervoor dat de otter warm blijft. De buitenste laag is waterdicht, waardoor de otter goed aangepast is aan het leven in en rondom het water.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Ze worden ongeveer 80-140 centimeter lang, waarvan ongeveer een derde staart is. Ze wegen ongeveer vijf tot twaalf kilo. Mannetjes worden over het algemeen groter en zwaarder dan vrouwtjes. Otters hebben een platte kop waarbij de ogen, oren en neusgaten op dezelfde lijn liggen, zodat ze deze boven water kunnen houden. De oren en neusgaten zijn afsluitbaar, waardoor ze goed onder water kunnen duiken. De zwemvliezen tussen de tenen, het gestroomlijnde lichaam en de lange, sterke staart zorgen ervoor dat het uitstekende zwemmers zijn.

Otter (Saxifra - Mark Zekhuis)
Otters zijn goed aangepast aan het leven in het water (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Leefwijze

Otters zijn overwegend nachtactief en leven over het algemeen solitair. Overdag rusten ze in holen of in de rietbedden aan de waterkant. Zoals gezegd zijn het uitstekende zwemmers, die prima de hele nacht in het water door kunnen brengen. Ze jagen hier voornamelijk op vis, maar eten eigenlijk alles wat op hun pad komt.

Ze houden van schone wateren met rijkelijk begroeide oevers. In de oeverzone brengen ze de meeste tijd door. Rivieren, beken en meren zijn allemaal mogelijke woonplaatsen voor de otter. De belangrijkste eisen zijn dat het schoon water betreft, er een begroeide oever aanwezig is en voldoende vis. Doordat otters zeer gevoelig zijn voor vervuiling van het water, zijn ze goede indicatoren voor de toestand van de biotoop waarin ze leven.

Otters zijn vrij territoriaal en beslaan een groot territorium. Het territorium van één mannetje kan tot 40 kilometer oeverlengte beslaan! Het territorium van een mannetje overlapt met meerdere vrouwtjes. Mannelijke otters zijn zeer territoriaal en verdedigen hun territorium met hand en tand tegen andere mannetjes.

Inzicht in het leven van de otter

De zoogdiervereniging is één van de belangrijkste organisaties als het aankomt op het monitoren van de aantallen, en het leefgebied van de otters. Bij deze organisatie is meer informatie in te winnen over de otter en je kunt er zelf je steentje aan bijdrage door bijvoorbeeld lid te worden, of door als vrijwilliger aan de slag te gaan.

De herintroductie

Otters
In 2002 zijn er opnieuw otters in Nederland geïntroduceerd

Het plan

Nadat de otter was uitgestorven in Nederland, werd er langzaam gewerkt aan het verbeteren van de ongunstige factoren, waardoor de otter uitgestorven was. Helaas bleek dit niet genoeg te zijn voor een natuurlijke terugkeer van de otter. Er werd daarom besloten om de otter terug te laten keren middels herintroductie.

Vanaf 2002 werden er in totaal 31 otters uitgezet in zuidoost Friesland en noordwest Overijssel. De otters werden gehaald in Oost-Europa en uit diverse dierparken. De eerste otters werden vrijgelaten in Nationaal Park De Weerribben-Wieden. Dit gebied leek het meest geschikt omdat het het grootste aaneengesloten laagveenmoeras van Noordwest-Europa is.

Nationaal Park De Weerribben-Wieben
Het Nationaal Park De Weerribben werd gezien als een geschikt gebied voor de herintroductie van de otter

De resultaten

Het is nu ruim 20 jaar geleden dat de eerste otters in het Nationaal Park de Weerribben werden geherintroduceerd. Maar heeft dit ook nog wat opgeleverd? Zijn er nog steeds otters in Nederland te vinden, en hebben ze zich weten voort te planten? De belangrijkste resultaten zullen we hier bespreken.

Monitoring

Het werk begon pas, nadat de eerste otters waren uitgezet. Zouden de getroffen maatregelen voldoende zijn geweest om het de otter weer naar de zin te maken? Dit vraagstuk werd beantwoord door de monitoring van de uitgezette otters. Alle otters werden voorzien van een zender, waarmee ze nauwkeurig gevolgd konden worden. Naast het voorzien van een zender, werd van iedere otter een bloedmonster genomen. Hiermee kon een ‘bloedpaspoort’ opgesteld worden van ieder otter. Dit was noodzakelijk omdat de batterij van de zenders maar een jaar mee gingen, waarna de zender dus nutteloos werd.

Doordat van iedere otter een bloedpaspoort werd gemaakt, kon er met behulp van DNA uit sprains (otter uitwerpselen) nog steeds een goed inzicht verkregen worden in de verspreiding van ieder individu. Deze methode ging zelfs zo ver, dat wanneer er DNA werd gevonden van een nakomeling, er nagegaan kon worden wie de ouders waren. Dit zorgde ervoor dat er over meerdere jaren onderzoek gedaan kon worden naar de verspreiding van de otter. Helaas was er maar een beperkt budget beschikbaar voor het onderzoek, waardoor er momenteel alleen nog maar onderzoek gedaan kan worden door het binnenbrengen van dode dieren. Het melden van verkeersslachtoffers en andere dode dieren kan gemakkelijk via DWHC.

De otter
Bij de herintroductie werd van ieder exemplaar een bloedpaspoort gemaakt, om de verspreiding te kunnen monitoren

Verspreiding

Nadat er vanaf 2002 31 otters werden geïntroduceerd, waren er in 2008 voor het eerst meer otters aanwezig in het uitzetgebied dan er werden uitgezet. In 2010 schatte men de populatie op 50 exemplaren. Er bleek dat twee dominante mannetjes de andere mannetjes hadden verjaagd uit het kerngebied, wat er tot inteelt zou kunnen leiden. Er werd daarom geadviseerd om vrouwtjes uit te zetten in de omliggende gebieden. Dit zou ertoe kunnen leiden dat mannetjes zouden volgen.

In 2014 werd de populatie otters in Nederland geschat op 100 exemplaren. De laatste jaren lijkt het nog harder te gaan, in 2020 werd het aantal geschat op 450 individuen. De otters lijken zich te hebben gevestigd in drie leefgebieden. Deze verspreiden zich van midden Friesland tot westelijk Groningen, en van zuidwestelijk Drenthe tot aan oost Flevoland.


Lees ook: herten in Nederland


De waarde van herintroductie

De herintroductie van de otter zorgt voor meer balans in de natuurgebieden. De komst van een roofdier in een ecoysteem kan er voor zorgen dat het ecosysteem minder last heeft van plagen. De otter heeft in de Nederlandse rivieren ervoor gezorgd dat zelfs een aantal exoten het weer wat lastiger krijgen, nadat ze jaren voor problemen hebben gezorgd (dit wil overigens nog niet zeggen dat deze problemen zijn opgelost).

Zoals gezegd eten otters naast vis ook andere (onderwater-)dieren, zoals woelratten, amfibieën (zoals kikkers en padden) en rivierkreeften. En laat onze binnenlandse rivieren nou net overspoeld worden met exotische rivierkreeften. Deze rivierkreeften zorgen ervoor dat de waterkwaliteit van onze rivieren er op achter uit gaan doordat ze in hoog tempo waterplanten eten. Daarnaast zorgen ze er met hun gedrag voor dat het slib opstuift, waardoor het water troebeler wordt en er minder plantengroei is. Dit heeft als gevolg dat er minder biodiversiteit te vinden is in de rivieren. Door het toevoegen van een roofdier aan het ecosysteem, kan er voor gezorgd worden dat de populatie rivierkreeften krimpt, en de biodiversiteit weer toeneemt.

Ecotoerisme

Naast het bestrijden van exoten, kan de otter nog een andere toegevoegde waarde met zich mee brengen. Otters zijn namelijk erg aantrekkelijke dieren, waarvan iedereen een glimlach krijgt als hij ze ziet. Met hun uiterlijk en gedrag zorgen ze ervoor dat mensen natuur meer waarderen. Ze kunnen dus een belangrijke factor worden in het ecotoerisme in Nederland. De otter is een leuke toevoeging op de andere zoogdieren in Nederland. Daarnaast is zijn grote thuishaven het Nationaal Park de Weerribben-Wieden. De aanwezigheid van de otter in dit gebied zorgt voor meer toerisme in dit toch al bekende gebied, wat de lokale economie ten goede komt.

Otter juvenielen
Otters kunnen met hun uiterlijk en gedrag een positieve bijdrage leveren aan het ecotoerisme in Nederland

Conclusie

Er kan geconcludeerd worden dat het goed gaat met de otter. Dit komt voornamelijk door de verbeterde waterkwaliteit, wat geleid heeft tot schoon water en relatief veel vis in onze wateren. Barrières zoals drukke wegen zorgen echter wel nog voor een grote uitval. Daarnaast is er sprake van een genetische verarming in de populatie. Dit komt door het territoriale gedrag van de dieren, in combinatie met de beperkte migratiebarrières. Constante monitoring en het verbinden van natuurgebieden blijven dus essentieel voor het voortbestaan van de otter in Nederland. Voor meer informatie verwijzen we je door naar Wageningen University & Research.

Mochten er meer verbindingen komen tussen natuurgebieden, waardoor het aantal verkeersslachtoffers zou verminderen, dan zou het zomaar kunnen dat de otter zich verder gaat verspreiden door Nederland. Gelderland en Limburg lijken dan logische verspreidingsgebieden.


Lees ook: marters in Nederland


Veelgestelde vragen

Hoe gaat het met de otter in Nederland?

Na de herintroductie van de otter in 2002 zijn de aantallen gestaag toegenomen. In ruim 20 jaar tijd zijn de aantallen gestegen van 31 exemplaren naar ongeveer 450. Het aantal verkeersslachtoffers blijft echter hoog.

Waar leeft de otter in Nederland?

Het kerngebied van het leefgebied van de otter is Nationaal Park de Weerribben-Wieden. Het verspreidingsgebied strekt zich uit over Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en Flevoland.

Wat moet je doen als je een dode otter vindt?

Als je een dode otter vindt, kun je dit het beste melden via DWHC. Hiermee help je mee aan het onderzoek naar het verspreidingsgebied en het verbeteren van het leefgebied van de otters in Nederland.

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!