Hike Epen (Zuid-Limburg) 21km

Het kenmerkende Zuid-Limburgse heuvellandschap (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

In een voorgaande wandelblog benoemden we het al, Zuid-Limburg is één van de beste plekken voor een mooie wandeling in Nederland. De hike die we in deze blog beschrijven, bewijst dat maar weer eens. Deze lange hike van 21 kilometer start in Epen en leidt je door het bijzondere Vijlenerbos naar het Drielandenpunt in Vaals. De terugweg naar Epen heeft een totaal ander karakter dan de heenweg door het Vijlenerbos.

Dit kun je verwachten:

  • Een uitdagende wandeling van 21 kilometer door een heuvelachtig landschap (link naar de route (PDF, GPX);
  • Een zeer afwisselend landschap met bossen, kruidenrijke graslanden en een rivierdal;
  • Het bijzondere Vijlenerbos;
  • Het drielandenpunt.
Het kenmerkende Zuid-Limburgse heuvellandschap (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)
Het kenmerkende Zuid-Limburgse heuvellandschap (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Landschap

Het landschap is eigenlijk de beste reden om deze wandeling te doen. Tijdens deze wandeling loop je van het prachtige dorpje Epen, met de vele vakwerkhuizen, naar het Drielandenpunt in Vaals en weer terug. Echter zijn de heen en terugweg totaal anders qua landschap. De heenweg leidt je door het Vijlenerbos, of beter gezegd; de Vijlenerbossen. Het zijn namelijk meerdere hellingbossen samen (allen in bezit van Staatsbosbeheer), die samen de Vijlenerbossen vormen.

De heenweg door de Vijlenerbossen zorgen voor flink wat hoogtemeters in de eerste helft. Dit leidt uiteindelijk tot het Drielandenpunt in Vaals. Vanaf hier wordt de weg terug ingezet, waarin voornamelijk gedaald wordt. De weg terug gaat voor een groot deel door België. Hier bevindt je je in meer open landschap, met zo nu en dan prachtige vergezichten. De route loopt door de dorpjes Gemmenich en Cottessen.

Het enige minpuntje aan deze wandeling vonden wij het stuk over de golfbaan en vervolgens een klein stukje over een camping bij Cottessen. Dit past iets minder bij het karakter van de wandeling, maar is zeker geen reden om de wandeling over te slaan.

Als je bereid bent om de wandeling uit te breiden met zo’n 1,5 kilometer en een aantal hoogtemeters, dan heb je ook nog de kans om een 350 (!) jaar oude zomerlinde te zien. Op onderstaande kaart zie je waar je even naar rechts en vervolgens naar links moet op de route (tot aan de blauwe cirkel) om deze verwonderlijke verschijning te zien.

Locatie 350 jaar oude zomerlinde (blauwe cirkel) (bron kaart: wandelgidszuidlimburg.com)
Locatie 350 jaar oude zomerlinde (blauwe cirkel) (bron kaart: wandelgidszuidlimburg.com)

Lees ook: hike Noorbeek (Zuid-Limburg) 13km


Beekjes en bronnen

Het laatste stuk van de route is net zo bijzonder als het stuk door de Vijlenerbossen. Dit keer loop je, nog steeds dalend, door het open landschap in het Geuldal. Dit landschap is rijk aan bronnen, waaruit meerdere beekjes ontspringen. Je loopt hier onder andere langs de Geul, Selzerbeek en Terzieterbeek.

Je passeert daarnaast de Volmolen, gelegen aan de Geul. Deze molen werd vroeger gebruikt om wol te bewerken. Tegenwoordig is het een graanmolen.

Volmolen in Epen (De natuur van hier - Sandra Krol)
De Volmolen in Epen. De eerste vermeldingen van een molen op deze plek dateren uit 1680 (De natuur van hier – Sandra Krol)

Flora en fauna

Ook voor bijzondere flora en fauna zit je met deze wandeling goed. Het Vijlenerbos is een van de weinige plekken met meerdere aan elkaar gelegen hellingbossen op hoogte, met ook nog kalk in de bodem (te zien aan de maretakken in sommige bomen). Dit zorgt voor een eigen microklimaat en biodiversiteit.

Juveniele havik (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)
Vroeg in de ochtend, aan het begin van de wandeling, hoorden en zagen we een juveniele havik druk roepen op zijn ouders (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Je kunt hier bijvoorbeeld, op de draaihals na, alle broedende spechten in Nederland tegenkomen. Daarnaast is dit een van de weinige plekken waar je de zeldzame kortsnavelboomkruiper kunt zien. Andere leuke soorten zijn de grauwe vliegenvanger en hoog in de boomtoppen de appelvink en de wielewaal. Qua roofvogels kun je hier onder andere buizerds, rode wouwen, wespendieven en havikken zien.

In het bos leven daarnaast talloze zoogdieren. Er zijn maar liefst vijf soorten marterachtigen te vinden: de das, wezel, hermelijn, bunzing en steenmarter. Daarnaast komt er ook de zeldzame wilde kat voor. Helaas hebben wij tijdens onze wandeling geen van deze dieren gezien, maar wel enkele andere zoogdieren. Drie keer tijdens de wandeling stonden we oog in oog met een ree en één keer kruisten we de weg met twee everzwijnen.

Ree
Reegeiten zijn in de maanden juli en augustus al ‘fiepend’ op zoek naar reebokken om te paren (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Bijzondere amfibieën

Tot slot willen we nog de bijzondere amfibieën benoemen die in dit gebied voorkomen. De bronnen en beekjes in het Geuldal en het Vijlenerbos zijn ontzettend waardevol voor deze soortgroep. Dit gebied herbergt dan ook enkele van de meest zeldzame soorten die we in Nederland vinden. Het gebied is vooral rijk aan salamanders. Onder andere de alpenwater-, vinpoot- en vuursalamander leven in dit natuurgebied. Het is tevens ook een erg kwetsbaar gebied, dus houd hier rekening mee tijdens je bezoek aan het gebied.


Lees ook: natuurhuisje La Roche-en-Ardenne


Eten en drinken

Als je onderweg wat wil eten en drinken, dan heb je verschillende opties. Maar zorg er wel voor dat je altijd voldoende drinken mee hebt, gezien de afstand van de wandeling. Op de Vaalserberg kun je terecht bij de Wilhelminatoren, de Bokkerijder, Taverne De Grenssteen en Le Bistro. Ter hoogte van de golfbaan kun je terecht bij Brasserie Porcini en aan het begin/einde van de wandeling kun je op het terras plaatsnemen van Hotel Herberg De Smidse.

Wil je na de hike in de buurt blijven overnachten? Kijk dan eens hier op Natuurhuisje voor bijzondere plekken in de buurt van Epen. Je vindt er vaak de meest unieke en bijzondere plekjes in de natuur, waar je écht tot rust komt.

Hike Noorbeek (Zuid-Limburg) 13km

Landschap Noorbeek

Een van de beste gebieden in Nederland voor een prachtige wandeling is Zuid-Limburg. Iedere streek in Zuid-Limburg heeft zijn eigen kenmerken en karakterestieken, allemaal uniek voor ons land. Deze zomer maakten we een wandeling in en rondom Noorbeek en Mheer. Twee idyllische dorpjes aan de grens bij België, middenin het heuvelland. Deze dertien kilometer lange wandeling brengt je op de mooiste plekjes die Zuid-Limburg te bieden heeft.

Dit kun je verwachten:

  • Een 13km lange wandeling door een heuvelachtig landschap (link naar de route (PDF, GPX));
  • Afwisselende landschappen met bossen, bloemrijke graslanden en kleine landschapselementen;
  • Kleine landschapselementen zoals hagen, poelen, graften;
  • De idyllische dorpjes Noorbeek en Mheer;
  • Het kasteel van Mheer.
Noorbeek
Deze wandeling voert door het prachtige heuvelland in Zuid-Limburg (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Landschap

De wandeling loopt onder andere door de dorpjes Noorbeek, Libeek en Mheer. In deze prachtige dorpjes staan her en der nog oude vakwerkhuisjes, die typerend zijn voor deze streek. Daarnaast wordt onder andere het natuurgebied het Noordal aangedaan. Door dit natuurgebied stroomt de rivier de Noor en het natuurgebied is daarnaast het leefgebied van de zeldzame hazelmuis.

Meidoornlaan
Aan het begin van de route loop je door een oude meidoornlaan (De natuur van hier – Sandra Krol)

Tijdens deze wandeling wordt een verscheidenheid aan landschappen aangedaan. De wandeling wisselt van bossen naar bloemrijke graslanden afgewisseld met kleine landschapselementen. Typerende kleine landschapselementen voor dit gebied als holle wegen, graften (smalle oppervlakten van struikachtige begroeiing tussen weilanden op hellingen), poelen en hagen kleuren het landschap.

Landschap Mheer
Het wisselende landschap zorgt ervoor dat je je geen moment verveelt tijdens de wandeling (De natuur van hier – Sandra Krol)

Lees ook: hike La Roche-en-Ardenne (Ardennen) 15,9km


Flora en fauna

Het afwisselend landschap zorgt voor een gevarieerde flora en fauna. Van alle soortgroepen zijn hier, op het juiste moment, prachtige soorten waar te nemen. Een van die bijzondere soorten is de das. De das voelt zich thuis in dit heuvellandschap, waar hij ongestoord zijn burchten kan graven. Een das tijdens de wandeling zien zal er hoogstwaarschijnlijk niet inzitten, het zijn erg schuwe dieren. Voetsporen, uitwerpselen of een burcht zijn natuurlijk wel mogelijk!

Qua vogels zijn hier ook zeker mooie soorten te zien tijdens de wandeling. Hoog in de lucht zijn vaak buizerds en torenvalken te zien, maar ook op de rode wouw maak je een goede kans. In het hoogbos zijn soorten als vuurgoudhaan en middelste bonte specht te zien. In het (half)open landschap maak je kans op de grauwe klauwier en in het juiste seizoen (voor- en najaarsterk) kunnen er zomaar tientallen tot honderden kraanvogels overvliegen.

Poel
De diverse poelen langs de wandelroute zijn uitstekende leefgebieden voor amfibieën (De natuur van hier – Sandra Krol)

Amfibieën, vlinders en flora

De vele poelen in het landschap zijn een uitstekend leefgebied voor van allerlei amfibieën. Onder andere de alpenwatersalamander en de zeldzame vroedmeesterpad komen hier voor. De bloemrijke graslanden trekken veel vlinders aan, waaronder de dagpauwoog, icarusblauwtje en de koninginnenpage.

Wat betreft beplanting kun je onder andere uitkijken naar slanke sleutelbloem, salomonszegel en aarbeiganzerik. Daarnaast zijn er langs de route enkele oude bomen te vinden, met als uitschieter de Huuskesboom in Libeek. Dit is een Hollandse Linde die in de 18e eeuw aangeplant is en dienst deed en doet als grensboom. De boom is ook een zogenoemde spijkerboom en er hangen nog altijd lapjes stof in. Deze worden erin gespijkerd in de hoop op genezing. Er wordt geschat dat de boom ongeveer 250 jaar oud is. Een indrukwekkende verschijning!

Wilde cichorei
Een snorzweefvlieg op de bloem van een wilde cichorei. Een van de meest algemene zweefvliegen in Nederland (De natuur van hier – Sandra Krol)

Kasteel van Mheer

Richting het einde van de route kom je in het dorpje Mheer, waar ook het kasteel van Mheer staat. Een van de vele kastelen in Zuid-Limburg. Dit kasteel is in 1314 gebouwd en gedurende de eeuwen steeds verder uitgebreid. Sinds 1668 is het kasteel al in het bezit van dezelfde familie (familie Loë). Het terrein voor het kasteel is vrij toegankelijk.

Kasteel Mheer
Het kasteel van Mheer werd in 1314 gebouwd en is gedurende de tijd steeds verder uitgebreid (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Lees ook: dome boomhut Ardennen


Eten en drinken

Als je onderweg wat wil eten en drinken dan is dit vooral mogelijk aan het einde van de route, in de dorpjes Mheer en Noorbeek. Wij kozen ervoor om wat te gaan eten bij Taverne in de Smidse in Mheer en dit kunnen we zeker aanraden. Op het terras aan de doorgaande weg genoten we van een goed verzorgde lunch. Voor de ingang van de Taverne is tevens ook een oude waterput in de grond (via een glasplaat) te zien. Deze waterput was lange tijd cruciaal voor de inwoners van het dorp, maar is inmiddels uitgeput.

Wil je na de hike in de buurt blijven overnachten? Kijk dan eens hier op Natuurhuisje voor bijzondere plekken in de buurt van Noorbeek. Je vindt er vaak de meest unieke en bijzondere plekjes in de natuur, waar je écht tot rust komt.

Kasteel Mheer
Toegangspoort naar de binnenplaats van het Kasteel van Mheer (De natuur van hier – Sandra Krol)

Vinken in Nederland – Deel I

Vink

Iedereen met een groene tuin waarin wat vogelvoer wordt aangeboden ziet hem wel eens. Dat kleine vogeltje met dat overwegend grijze kopje, die korte kenmerkende snavel en die opvallende witte vleugelstrepen. Een mannetjesvink. Maar er zijn in Nederland meer soorten vinken te vinden. In deze blogserie (drie delen) gaan we de vogels uit de vinkenfamilie die in Nederland voorkomen uitvoerig bespreken.

Algemene kenmerken van vinken

Vinkachtigen zijn vogels die behoren tot de zangvogels en die zich vooral kenmerken door hun opvallende snavel. Deze is vaak kort en kegelvormig. De krachtige snavel gebruiken ze om (overwegend) zaden te eten. Naast de snavel zijn ook de kaken aangepast op het kraken van deze harde zaden. Behalve zaden worden er op zijn tijd ook insecten en bessen gegeten.

Taxonomie vinkachtigen Nederland (De natuur van hier)
Taxonomie broedende vinken Nederland (De natuur van hier)

De vinken zijn nauw verwant aan de prachtvinken (zoals de zebravinken), gorzen (zoals de geelgors), en aan de darwinvinken (bekend van het onderzoek dat Charles Darwin er in 1835 naar deed). Ze hebben zich bijna wereldwijd verspreid en komen voornamelijk voor in gebieden met veel bos (uiteraard zijn er uitzonderingen). In Nederland zijn er dertien vinkachtigen die (in meer of mindere mate) broeden:

Vink (Fringilla coelebs)Keep (Fringilla montifringilla)
Distelvink (Carduelis carduelis)Kneu (Linaria cannabina)
Groenling (Chloris chloris)Appelvink (Coccothraustes coccothraustes)
Goudvink (Pyrrhula pyrrhula)Kruisbek (Loxia curvirostra)
Grote kruisbek (Loxia pytyopsittacus)Europese kanarie (Serinus serinus)
Roodmus (Carpodacus erythrinus)Sijs (Spinus spinus)
Kleine barmsijs (Acanthis cabaret)
Sijzen

Vink – Fringilla coelebs

We starten met de meest algemene vinkachtige in Nederland en in Europa; de vink. De vink is bij de meeste mensen wel bekend. Vooral het mannetje valt op met zijn grijsachtig petje en de oranjerode borst en wangen. Daarnaast zijn de twee witte vleugelstrepen erg opvallend. De vrouw is ook te herkennen aan deze twee witte vleugelstrepen, maar is verder meer bruinachtig gekleurd. Vinken bereiken een lichaamslengte van ongeveer 15 centimeter en een spanwijdte van 25 tot 28 centimeter.

Vink
Mannetjes vinken zijn goed te onderscheiden van de vrouwtjes door hun opvallende grijsachtige petje en de oranjerode borst en wangen

Zoals alle vinken bestaat het voedsel van de vink hoofdzakelijk uit zaden. In het voorjaar eten ze echter vooral insecten. De extra eiwitten die ze hierdoor binnen krijgen kunnen de juvenielen goed gebruiken om te groeien en de ouders om hun extra energieverbruik (door het broeden en opvoeden van de juvenielen) in deze periode te compenseren.

Verspreiding, broeden en trekken

Vinken komen door het hele land voor, maar zijn dichter verspreid in het Oosten dan in het Westen. Echter, overal waar voldoende groen te vinden is kun je de vink tegenkomen. Het is dan ook een vogel die snel je tuin zal komen opzoeken.

De Nederlandse vinken zijn veelal standvogels. Vogels die wel trekken, (meer noordelijk broedende individuen) vliegen vanaf half september naar Zuid-Europa en Noord-Afrika. De eerste vinken komen vanaf half februari weer terug. Dan is ook de bekende zang van de vink weer te horen. Vinken trekken in grote groepen, vaak samen met andere zangvogels zoals gorzen en kepen. De vink is in Nederland een zeer talrijke broedvogel, en komt in heel het land tot broeden (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart vink Nederland

Keep – Fringilla montifringilla

De keep wordt soms de noordelijke tegenhanger van onze vink genoemd. Ze worden ongeveer even groot, met een lichaamslengte van vijftien centimeter en een spanwijdte van 26 tot 28 centimeter. De keep is te herkennen aan de witte buik en stuit, oranje borst en vleugeldekveren en zwarte vlekken op de rug. Verder hebben ze een gele snavel met een zwarte punt. Mannetjes hebben een donkere, tot bijna zwarte kop.

Keep
Kepen zijn ongeveer even groot als vinken, maar hebben een witte buik en stuit. De mannetjes hebben een donkere tot zwarte kop

De keep is in Nederland voornamelijk te zien in de winter, als wintergast en doortrekker. Dit zijn de individuen die in Scandinavië broeden en in de winter naar het zuiden trekken om te overwinteren. Ze zijn dan veel te vinden in beukenbossen, op zoek naar de beukennootjes die in deze periode de voornaamste voedselbron vormen. Naast beukennootjes eten ze ook andere zaden en in de zomer ook insecten.

Kepen zijn in de winter vaak in grote groepen te vinden, gemengd met vinken. Als trekvogel zien we de keep ook vaak in grote groepen trekken, vaak gemengd met andere trekvogels. De trek vindt meestal overdag plaats, maar er worden soms ook nachttrekkers waargenomen. In Nederland zijn er nauwelijks broedparen te vinden. Dit zijn er maximaal één tot enkele per jaar. De naam van de keep is afgeleid van het roepend geluid dat deze maakt (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart keep Nederland

Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Distelvink – Carduelis carduelis

De laatste vink die we in deel I bespreken is de distelvink. De distelvink is misschien wel beter bekend onder de naam putter, maar wij prefereren de naam distelvink. Verderop in deze blog leggen we uit waarom. De distelvink is een kleine, kleurrijke vogel, met een lichaamslengte van ongeveer elf tot dertien centimeter en een spanwijdte van 21 tot 25 centimeter.

De kop wordt gevormd door een rood masker (deze is bij mannetjes groter dan bij vrouwtjes), die omringd is door een witte baan. De vleugels zijn overwegend zwart, met een kenmerkende gele vleugelstreep die, vooral in vlucht, goed opvalt. De bovenkant en borst zijn lichtbruin van kleur. Ze hebben daarnaast een witte stuit en witte snavel, waarvan de snavelpunt in de winter donkerder wordt.

Distelvink
De distelvink is een kleurrijke verschijning, die zich ook regelmatig in de wat grotere tuinen met wat meer structuur laat zien

Voedsel en leefwijze

Distelvinken hebben een puntige snavel die ze handig gebruiken om zaden uit bloemen te pikken. Dit doen ze vooral bij composietplanten, zoals distels en paardenbloemen. Daarnaast weten ze met hun puntige snavel ook de lastig bereikbare zaden van de kaardenbol te pakken. Naast zaden eten ze ook bessen. Juvenielen krijgen daarnaast ook veel insecten gevoerd. In de winter bezoeken ze ook regelmatig voedertafels in tuinen en parken.

Van oorsprong komt de distelvink vooral voor aan de randen van loofbossen. Echter hebben ze zich in de loop der jaren prima weten aan te passen aan het landschap gecreëerd door de mens. De halfopen-landschappen bij boerderijen en andere grote percelen, met houtwallen en laanbomen blijken een gevarieerd landschap waarin de distelvink zich thuis voelt.

De populatie distelvinken in Nederland stijgt de laatste decennia. Distelvinken zijn gedeeltelijk standvogels en gedeeltelijk trekvogels. Mannetjes zijn vaker standvogels dan vrouwtjes en juvenielen individuen. De trek van distelvinken vindt hoofdzakelijk overdag plaats (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart distelvink Nederland

Putter als kooivogel

Vanwege de bijzondere uiterlijke verschijning, indrukwekkende zang en intelligentie, werd de distelvink van oudsher vaak als kooivogel gehouden. De vogels werden gemakkelijk trucjes aangeleerd, die hem uiteindelijk ook de ondankbare naam putter heeft opgeleverd. De vogel werd namelijk aangeleerd om met een miniatuur emmertje water uit een reservoir te ‘putten’. Gelukkig beseffen we tegenwoordig dat deze vogels net als alle andere vinkachtigen vrij in de natuur horen te vliegen, waardoor wat ons betreft de naam putter niet meer relevant en ongeschikt is.

Kneu – Linaria cannabina

Een van de kleinere vinkensoorten is de kneu. Mannetjes kneus zijn te herkennen aan de rode borst en kruin. Het kopje is overwegend grijs, met een eveneens grijze, kegelvormige snavel. Verder zijn ze overwegend bruin gekleurd en de vleugels hebben witte randen. Bij vrouwtjes (en juvenielen) ontbreekt het rood. Daarnaast hebben de vrouwtjes wat meer een strepenpatroon.

Kneu
Kneuen zijn een van de kleinere vinkensoorten in ons land en leven in groepen

Kneuen bereiken een lichaamslente van rond de veertien centimeter en een spanwijdte van 21 tot 25 centimeter. Kneuen leven in groepen en zijn echte bewoners van het halfopen landschap. Boerderijen met voldoende plekken om voedsel te vinden (kruidenrijke graslanden) en dichte struiken om in te broeden zijn een ideale leefomgeving. Ze komen daarnaast ook voor in de duinen.


Lees ook: eenden in Nederland – deel I


Leefwijze

Sinds de jaren ’70 is de populatie kneuen in Nederland aanzienlijk afgenomen. Vooral op het platteland zijn de aantallen significant achteruit gegaan. De intensivering van de landbouw lijkt hierin een rol te spelen. Sinds een aantal jaren lijkt de populaties kneus in Nederland wat te stabiliseren. Feit is wel dat ze veel minder talrijk zijn geworden.

De meeste kneuen trekken in het najaar naar Zuid-Europa en Marokko. Tijdens de voor- en najaarstrek zijn, naast de ‘Nederlandse’ kneuen ook doortrekkers te zien (bron verspreidingskaart: Waarneming.nl / Observation.org).

Verspreidingskaart kneu Nederland

Het broertje van de kneu

Het broertje van de kneu, de frater (Linaria flavirostris), is soms ook in Nederland te zien, als wintergast. Fraters zijn ongeveer even groot als kneuen en kennen een soortgelijke leefwijzen als de kneu. Ze broeden voornamelijk in Engeland en Noorwegen. Het verenkleed is overwegend bruin met zwart gestreept.

Vinken in Nederland deel II & III

In de eerste blog van deze driedelige serie hebben we de eerste vier vinkensoorten die in Nederland voorkomen besproken. In de volgende twee delen zullen we de overige negen soorten vinken bespreken.

Vinken in Nederland deel II: groenling, appelvink, goudvink, kruisbek, grote kruisbek

Vinken in Nederland deel III: Europese kanarie, roodmus, sijs, kleine barmsijs

Natuurtuin in ontwikkeling – deel IV

Smeerwortel (Sandra Krol - De natuur van hier)

Ongeveer gelijktijdig met de start van deze website hebben we een huis kunnen kopen met ongeveer 3500m2 grond erbij. Ons doel is deze 35 are de komende jaren om te turnen naar een natuurtuin waarbij er ruimte is voor allerlei wilde vogels en andere dieren. De voortgang hiervan houden we bij en delen we in een terugkerende blog met jullie. In deze blog lees je wat er allemaal gebeurde in de lente!

27 juni 2023

In onze vorige blog, bijna vier maanden geleden, was het winter en was het relatief rustig in de natuurtuin. In deze periode hadden we ook weinig tijd om werkzaamheden uit te voeren in de tuin, en bleef het bij het ophangen van een vleermuizenkast, het plaatsen van een egelhuis en het bouwen en ophangen van een kauwenkast. In deze blog gaan we kijken naar de lente die zijn intrede doet, met de explosie van leven tot gevolg.

Zondersondergang in het vroeg voorjaar (Sandra Krol - De natuur van hier)
Zonsondergang in het vroege voorjaar (Sandra Krol – De natuur van hier)

Aanleggen van een poel

Voordat we meer kunnen vertellen over die explosie van leven, is het zaak om een van de oorzaken hiervan te bespreken. Een van onze grootste wensen was het aanleggen van een (of meerdere) poel(en) en begin maart namen we het besluit te beginnen met het maken van een klein poeltje, achter in de tuin. Het doel was om een klein poeltje te realiseren op een beschutte plek voor de voortplanting van kikkers, padden en salamanders en een drinkplaats voor vogels te creëren.

De grond die vrij kwam uit het gegraven gat, hebben we gebruikt om naast de poel een kleine heuvel te maken die we hebben ingezaaid met een inheems éénjarig akkermengsel. We hebben daarnaast enkele dode takken rechtop gezet rondom de poel, wat vogels kunnen gebruiken om veilig bij de poel te kunnen landen.

Witte kwikstaart
Een witte kwikstaart is een van de eerste bezoekers bij de pas aangelegde poel (De natuur van hier)

Kikkerdril bruine kikkers

Via via konden we een aantal hompen kikkerdril krijgen. Deze lagen nu in een verwaarloosd zwembad waar een kleine laag water in stond. Het opknappen van het zwembad stond in het voorjaar op de planning, dus de dril had er geen kans van slagen. Ondanks dat onze poel nog in de opstartfase zat, hebben we het aangedurfd om de kikkerdril in onze poel zich verder te laten ontwikkelen. En dat gebeurde.

Een van de hompen kikkerdril (Sandra Krol - De natuur van hier)
Een van de hompen kikkerdril (De natuur van hier – Sandra Krol)

Het feit dat de poel net enkele weken oud was en er nog nauwelijks macrofauna (belangrijk voedsel voor kikkers) in te vinden was, was natuurlijk een risico. Daarnaast zouden de kikkervisjes voor een grote onbalans in de poel zorgen. Maar dat is natuurlijk nog altijd beter dan in een verwaarloosd zwembad wachten totdat deze wordt aangepakt, met alle gevolgen van dien.

Kikkervisjes

Kikkervisjes warmen op in het ondiepe stuk van de poel (Sandra Krol - De Natuur van hier)
Kikkervisjes warmen op in het ondiepe stuk van de poel (De natuur van hier – Sandra Krol)

Na enkele weken zagen we de eerste kikkervisjes rondzwemmen. Eerst een paar, toen tientallen, vervolgens honderden en op het laatst misschien wel meer dan duizend kikkervisjes. Een explosie van nieuw leven, naarstig op zoek naar voedsel om zich verder te kunnen ontwikkelen. Omdat er in de poel nauwelijks wat te vinden was, moesten we met een creatieve oplossing komen. De daarop volgende weken hebben we iedere dag twee keer de kikkervisjes gevoerd met visvoer en gedroogde meelwormen.

Een kikkervisje samen met een gemetamorfoseerde kikker (De natuur van hier)
Een kikkervisje samen met een gemetamorfoseerde kikker (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

En met succes. Na verloop van tijd zagen we het eerste mini-bruine kikkertje dat aan land kroop. Geen staart meer, maar twee achterpoten. Geen dikke kop meer, maar een slank hoofd en een lichaam met een kleurenpatroon dat steeds meer lijkt op dat van de adulte kikkers. Iedere dag kwamen er meer kikkers het water uit gesprongen. Een prachtige levenscyclus in de natuur om van zo dichtbij mee te maken.

Een van de eerste bruine kikkers die na de gedaantewisseling het water uitkomt (Sandra  Krol - De natuur van hier)
Een van de eerste bruine kikkers die na de gedaantewisseling het water uitkomt (De natuur van hier – Sandra Krol)

Vogels, vogels en nog eens vogels!

Naast kikkers was er nog een soortgroep die zich volop heeft ontwikkeld de afgelopen maanden in onze natuurtuin: vogels. Waar we bij de eerste blog nog schreven dat er nauwelijks vogels in de ‘natuurtuin’ aanwezig waren, is dit na pakweg acht maanden totaal anders.

Koolmezen, pimpelmezen, vinken, distelvinken, zwarte roodstaarten, eksters, Turkse tortels en houtduiven zijn vaste gasten in de tuin en hebben allen hun eigen plek gevonden. De mussenfamilie die zich vorig jaar nog ophield in het struweel bij de overburen lijkt ook definitief de straat over gestoken te zijn. Daarnaast laten de zwarte kraaien, kauwen, spreeuwen, grote bonte- en groene spechten zich regelmatig zien. Zelfs de buizerd hebben we een paar keer aangetroffen op het dak van de schuur.

Een kakofonie aan geluiden

Er is dan ook regelmatig een kakofonie aan vogelgeluiden te horen in de tuin. Zeker in het voorjaar, wanneer de mannetjes de vrouwtjes proberen te versieren met hun mooiste zang. Door hier goed naar te luisteren en opnames te maken met de Merlin Bird ID app, ontdekten we ook de vogels die zich niet zo snel laten zien.

Grasmus – Sylvia communis

Grasmus (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Grasmussen zijn onopvallende vogeltjes, maar de zang is daarentegen wel heel opvallend (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Een van die onopvallende vogels is de grasmus. Grasmussen houden zich voornamelijk op in struweel of in de zoomvegetatie aan de rand van een bos. Ze gebruiken vervolgens enkele hogere bomen om hun prachtige zang zo ver mogelijk te laten reiken. Dat is ook het moment dat je ze kunt zien. Je kunt ze herkennen aan de witte keelvlek en de grijsachtige kopkap (vooral bij mannetjes duidelijk zichtbaar). Een ander opvallende kenmerk is de roestoranje vleugel. Hieronder hoor je de grasmus in onze tuin zingen.

Zang grasmus (De natuur van hier)

Kakofonie

Veel vogels in je tuin, betekent in het voorjaar ook veel vogelgeluiden. Naast de prachtige zang van de grasmus lieten nog tientallen vogels in de ochtend- en avonduren hun gezang horen. In onderstaande opname zijn maar liefst twaalf soorten te horen; de merel, zwartkop, vink, boerenzwaluw, grasmus, geelgors, boomkruiper, tjiftjaf, Turkse tortel, distelvink, koolmees en winterkoning!

Zang van diverse vogels (De natuur van hier)

Succesvolle broedsels

Al dat gezang heeft er uiteindelijk ook voor gezorgd dat er paartjes gevormd zijn. Enkele weken later zagen we namelijk meerdere bezette nestjes in onze tuin. De koolmezen hadden een nestkastje gevonden die we hadden opgehangen aan de achterkant van het tuinhuisje. De tortels hadden daarentegen een nest, op een ongemakkelijk uitziende plek, in de grote schuur gevonden. Beide soorten hebben met het eerste legsel van het jaar succesvol twee jongen op de wereld gebracht.

Later werden we nog verrast met enkele juveniele zwarte roodstaarten. Deze hielden zich in de schuur op en hebben daar schijnbaar ook een nestje gehad.

Turkse tortel (De natuur van hier)
De Turkse tortels hadden een succesvol eerste legsel van het jaar (Mickeal Kurvers – De natuur van hier)

Resultaten en planning

Uiteraard hebben we ook dit kwartaal weer de nieuwe soorten bijgehouden. Het vorige totaaloverzicht hebben we herzien en hier wat nieuwe gegevens in gezet. We kijken niet meer naar soorten in en rondom de tuin, maar hebben het enkel nog over soorten in de tuin. Hierbij tellen we bij planten en kleinere dieren enkel de soorten die we daadwerkelijk in de tuin hebben. Bij vogels en zoogdieren rekenen we alle soorten die we vanuit onze tuin kunnen zien. Daarnaast rekenen we uiteraard de plantensoorten die we aangeplant en ingezaaid hebben niet mee.

Soortenoverzicht
Soortenoverzicht natuurtuin 27-06-2023 (De natuur van hier)

In totaal hebben we nu 200 soorten waargenomen. Bij de vorige blog, een kleine vier maanden geleden, waren dit er nog 127. Een mooie stijging dus. Deze 200 soorten zijn verdeeld over 113 verschillende families en zijn ingedeeld in 17 soortgroepen. De twee soortgroepen die we nog steeds het meeste waarnemen zijn vogels en planten. We hebben daarnaast een grafiek toegevoegd die aangeeft hoe vaak we een zeldzaamheid waarnemen. Zoals je ziet is het overgrote deel van de waarnemingen algemeen voorkomend (volgens classificatie waarneming.nl). De data is overigens tot stand gekomen met behulp van de website waarneming.nl.

Planning

De komende periode staan er vooral wat onderhoudsklussen op de planning. Wellicht dat we aan een project beginnen dat iets te maken heeft met een plantenfilter en een stapelmuurtje. Over een kwartaal zullen we de voortgang van onze natuurtuin in ontwikkeling weer delen.

Disclaimer: in deze terugkerende blog spreken we over een natuurtuin. Echter is dit niet een standaard tuin waar de meest mensen aan denken bij het woord tuin. Het grootste deel van het perceel wordt aangeplant met uitsluitend inheemse soorten, die terugkeren in het omliggende landschap. Hier laten we de natuur vervolgens zoveel mogelijk haar gang gaan.

Wat is het verschil tussen een haas en een konijn?

Konijn

In Nederland leven twee soorten dieren die behoren tot de orde haasachtigen, de haas en het konijn. Beide zijn het op de grondlevende dieren met grote oren en relatief lange poten. Ze houden zich op in open- en halfopen landschappen en voeden zich voornamelijk met gras en kruidachtige planten. Maar wat zijn nou de verschillen tussen de haas en het konijn? Als je weet op welke kenmerken je moet letten, wordt het in het veld veel makkelijker om ze uit elkaar te houden.

Taxonomie hazen en konijnen

De meeste mensen zullen denken dat de haas en het konijn behoren tot de knaagdieren, maar ze behoren echter tot een aparte orde binnen de zoogdieren, de haasachtigen. Het werd lange tijd gedacht dat hazen inderdaad tot de knaagdieren behoorde, maar op basis van verschillen in het gebit en de kaken worden ze tegenwoordig gezien als een aparte orde.

Konijn
Haasachtigen zijn goed te herkennen aan de meestal grote oren en spleetvormige neusgaten en gespleten bovenlip

Kenmerkend voor de haasachtigen is dat het lichaam zich laag bij de grond bevindt, ze over het algemeen lange oren hebben, relatief lange poten, een korte staart en een dikke vacht. Ze hebben daarnaast spleetvormige neusgaten en grote voortanden. In Europa zijn tegenwoordig nog zeven soorten haasachtigen te vinden, waarvan er twee ook in Nederland voorkomen (Europese haas – Lepus europaeus en Europees konijn – Oryctolagus cuniculus).

Verschillen hazen en konijnen

Ondanks dat ze veel op elkaar lijken, zijn er ook zeker verschillen te vinden tussen de haas en het konijn. Het eerste verschil is een beetje flauw, maar zit hem al in het lidwoord. We spreken in de Nederlandse taal van de haas en het konijn. Mannetjes noemen we bij beide soorten rammelaren. Vrouwtjes noemen we bij het konijn voedsters, bij hazen moeren.


Lees ook: verschil tussen kikkers en padden


Fysieke verschillen

Om in het veld de haas en het konijn uit elkaar te houden, is het belangrijk om te letten op de fysieke verschillen tussen de twee. Het makkelijkste verschil om te zien is dat een haas een stuk groter en zwaarder is dan een konijn. Hazen hebben een kop-romplengte van 50 tot 65 centimeter en kunnen tot vijf kilogram wegen. Konijnen bereiken een kop-romplengte van 35 tot 45 centimeter met een maximaal gewicht van 2,5 kilogram. Beduidend kleiner dus.

Een ander opvallend kenmerk zijn de oren, waarbij ook wat verschillen zijn op te merken. Als eerste zijn die van de haas langer. Daarnaast hebben hazen aan de bovenkant van de oren een zwarte punt, konijnen hebben enkel een donker randje.

Haas
De grote oren, en de zwarte punt bovenaan de oren, zijn kenmerkend voor de haas

Qua vacht lijken de twee best op elkaar. Beide zijn ze grijsbruin van kleur, al kan er bij hazen onderling nog wel verschil optreden, afhankelijk van waar ze leven. Er is wel een verschil te ontdekken tussen de haas en het konijn in de wolharen, die zich tussen de dikkere dekharen bevinden. Bij konijnen zijn deze grijs, bij hazen wit.

Atletische bouw hazen

Hazen zijn tot slot een stuk atletischer gebouwd dan konijnen. De langere poten zorgen ervoor dat hazen sneller zijn dan konijnen. Daarnaast zijn hazen meer gebouwd om langere afstanden te rennen, konijnen moeten het vooral hebben van de korte sprintjes. Hazen zijn over het algemeen ook wat slanker gebouwd dan konijnen, wat het atletische vermogen onderstreept.

Verschillen in leefwijze

Naast fysieke verschillen zijn er ook zeker verschillen in leefwijze te vinden tussen de haas en het konijn. Hazen leven in Nederland voornamelijk in weilanden, aan de bosranden, in open bossen en soms in kwelders. Konijnen leven vooral in halfopen landschappen en aan de bosrand. Ze komen daarnaast ook voor in tuinen en parken. Konijnen ontbreken in vochtige gebieden en op kleiige gronden.

haas lopend
Hazen zijn goede lopers en kunnen in sprint een snelheid van maar liefst 65 kilometer per uur bereiken

Konijnen zijn holengravers en dat is precies de reden waarom ze niet op kleigronden voorkomen, maar voornamelijk op zandgronden. Hierdoor ontbreekt het konijn op best wat plekken in Nederland, de haas is dus meer verspreid in Nederland. Dit geldt overigens niet in alleen in Nederland. Als we naar Europa kijken, dan heeft de haas ook hier een algemenere verspreiding. Hazen vinden we zelfs in het hooggebergte. Konijnen komen maar tot een hoogte van circa 700 meter boven zeespiegelniveau voor.

Waarnemingen

Beide soorten hebben last van de intensivering van de landbouw. Doordat de landbouwgronden steeds groter worden en er meer een monocultuur wordt toegepast, verdwijnen geschikte leefgebieden voor de haas en het konijn. Het is daarom ook raadzaam om je waarnemingen altijd door te geven via waarneming.nl. Deze gegevens kunnen gebruikt worden om (positieve en negatieve) trends te ontdekken in de populaties, waardoor er beter gestuurd kan worden op het beheer van leefgebieden.


Lees ook: verschil tussen juffers en libellen


Konijnenholen en hazenlegers

Een ander groot verschil tussen de twee betreft het maken van een schuilplaats. Konijnen zijn zoals gezegd echte holengravers. Dit is ook precies de reden waarom ze het meeste voorkomen op zandgronden, hier is het gewoon makkelijker graven. Konijnen zijn daarom ook vaak te vinden in duinen. Hier vervullen ze een belangrijke ecologische rol in het ecosysteem (en daarmee bijdrage aan het behoud van de ecosysteemdiensten die duinen leveren), omdat ze op een natuurlijke wijze (al grazend) de duinen open houden.

Konijnen prefereren een zandgronden, omdat ze hier goed in kunnen graven
Konijnen prefereren zandgronden, omdat ze hier goed in kunnen graven (Saxifraga – Piet Munsterman)

Konijnenholen bestaan vaak uit meerdere gangenstelsels met diverse kamers, meestal zelf gegraven. Zo nu en dan maken ze ook gebruik van een oude dassenburcht, maar vaak genoeg maken ze het hele hol zelf. In een konijnenhol leeft een familie met maximaal tien individuen. Het konijn is honkvast en blijft jaarrond in de buurt van het hol.

Konijnenhol (Saxifraga - Hans Dekker)
Konijnen maken een hol met lange gangenstelsels die diverse kamers met elkaar verbinden (Saxifraga – Hans Dekker)

Hazen besteden iets minder moeite aan hun schuilplek. Hazen maken zogenoemde hazenlegers. Dit is niets meer dan een ondiepe kuil, tien tot twintig centimeter diep waarin hij zijn grote lichaam net kwijt kan. Deze legers maken ze meestal in hoog gras, in de zoom (overgang van gras naar bos) of onder heggen. Hazen zijn dan ook niet zo honkvast aan hun leger als konijnen aan hun hol zijn. In de winter brengen hazen vaak de meeste tijd door in het bos.

Voortplantingsgedrag hazen

Over het algemeen leven hazen solitair, dus niet in een familie zoals konijnen. Enkel tijdens de paartijd, en soms in de winter, zoeken ze elkaar op en leven ze tijdelijk in kleine groepen. In deze periode vindt ook het bekende rammelen plaats, wat we alleen zien bij hazen. De hazen rennen dan achter elkaar aan, wat kan leiden tot het boksen met elkaar. Ze staan dan op hun achterpoten en slaan met de voorpoten naar elkaar. Dit hoort allemaal bij het voorspel op de paring. Wanneer een rammelaar en moer elkaar gevonden hebben, zonderen ze zich af van de groep en vindt de paring plaats.

Het rammelen tijdens de paartijd bij hazen leeft vaak spectaculaire beelden op (Saxifraga - Piet Munsterman)
Het rammelen tijdens de paartijd bij hazen levert vaak spectaculaire beelden op (Saxifraga – Piet Munsterman)

Uilen van het eeuwige ijs – Boekenreview

Boeken

In de bossen in Oost-Siberië, aan de Japanse zee, leeft een mysterieuze uil, die maar zelden gezien (laat staan onderzocht) is door mensen. De Blakistons visuil is de grootste uil ter wereld, maar doordat ze een teruggetrokken leven leiden in de ondoordringbare bossen weten we er nauwelijks wat van. Tot nu. In deze boekenreview bespreken we het boek van Jonathan Slaght: Uilen van het eeuwige ijs. Dit is een verslag van zijn reis naar de wildernis van Rusland voor het onderzoek naar een van de minst bekende vogels van deze wereld: de Blakistons visuil.

Uilen van het eeuwige ijs

Uilen van het eeuwige ijs – Jonathan Slaght

Het boek Uilen van het eeuwige ijs is een boek dat in 2020 is uitgebracht door de Amerikaanse wildlife bioloog Jonathan Slaght. In het boek doet Slaght zijn verslag van het meerjarige onderzoek dat hij geleid heeft naar de Blakistons visuil. Door dit onderzoek is Jonathan Slaght één van ’s werelds vooraanstaande experts op het gebied van de visuil en het gebied waarin deze leeft. Uilen van het eeuwige ijs telt in totaal 335 bladzijdes en is hier (bol.com) te verkrijgen als paperback en als e-book.

Samenvatting

Om onderzoek te doen naar de grootste uil ter wereld, moest Jonathan Slaght naar Oost-Siberië, gelegen in Rusland aan de Japanse zee. De Blakistons visuil komt naast Rusland enkel in een deel van China en Japan voor en leeft daar aan brede rivieren die door dichte bossen voeren.

Hetgeen wat de expeditie pas echt extreem maakte, was het feit dat het veldonderzoek plaats moest vinden in de winter. In deze periode waren sporen van visuilen beter, en veel langer, zichtbaar dan in de zomer en was een groot deel van de rivier bevroren. Dit was een voordeel, omdat visuilen dan maar op slechts enkele open plekken in de rivier konden jagen, waardoor ze makkelijker te vinden waren, beter te observeren en uiteindelijk eenvoudiger te vangen waren (in hoeverre je kunt spreken van ‘makkelijk’ bij het vangen van een uil die ruim 65 centimeter kan worden en meer dan 4,5 kilogram kan wegen).

Visuil (shutterstock)
De imposante visuil is een soort die maar weinig mensen in het wild waarnemen (Shutterstock)

In totaal bracht Jonathan samen met een aantal Russische collega’s vier seizoenen door in de barre omstandigheden in Oost-Siberië. Dit alles om meer te weten te komen over de Blakistons visuil, om zo een beschermingsplan op te zetten. Het startte allemaal met het zoeken naar geschikte leefgebieden voor visuilen en naar het zoeken van de visuilen zelf. Zodra ze deze hadden gevonden, konden ze de leefgebieden in kaart gaan brengen en meer te weten komen over de leefwijze van deze enorme uilen. Uiteindelijk wisten ze diverse paartjes op verschillende locaties langs de rivier te vinden en kon het onderzoek echt van start gaan.


Lees ook: uilen in Nederland – deel I


Uitdagingen

Het uitvoeren van het onderzoek bracht veel uitdagingen met zich mee en zorgde ervoor dat Jonathan en zijn collega’s gedwongen werden tot innovatieve oplossingen. De grootste uitdaging was de helse winter in Siberië. Om zich te kunnen verplaatsen tussen het basiskamp en de verschillende leefgebieden van de paartjes visuilen werd er gebruik gemaakt van sneeuwscooters en skies. Vaak moesten ze meerdere keren op en neer skieën om al de benodigde apparatuur op de juiste locatie te krijgen. Hier waren ze dan bijna een hele dag aan kwijt, om enkele dagen later alle apparatuur weer op dezelfde manier terug te brengen naar het basiskamp.

Het werd pas echt gevaarlijk aan het einde van ieder veldseizoen, als de temperatuur langzaam begon te stijgen. Om het gebied te verlaten moesten ze met de sneeuwscooters door de bossen en over de rivieren. Echter ontstonden er door de dooi al zwakke plekken in het ijs, waardoor het oversteken van de rivier levensgevaarlijk was. Dit is meerdere keren maar net goed afgelopen.

Siberië
Voor het onderzoek naar de visuil moest het onherbergzame gebied van Oost-Siberië bedwongen worden

Het onderzoek naar de visuil

Na het lokaliseren van de visuilen kon het onderzoek echt beginnen. De eerste waarnemingen waren van het geluid van de visuil. Door de donkere, koude bossen klonk een duet van zingende visuilen. Met deze duetten werd duidelijk dat ze in een territorium van een paartje zaten. Nu was het zaak om de nestboom te vinden. Dit is een cruciaal onderdeel in het leefgebied van de visuil en ze zijn vrij kritisch als het op nestbomen aan komt. Ze nestelen namelijk hoog in de kruinlaag van een bos, in oude dode bomen waar de top is uitgebroken door ziekte of door storm. Dit konden iepen, chosenia’s, populieren of andere hoge bomen zijn die in de oude bossen voorkwamen.

De vangst

Nu ze de visuilen gelokaliseerd hadden en het leefgebied in kaart hadden gebracht, was het tijd om een plan te maken om ze te vangen. Vervolgens konden ze van allerlei gegevens opmeten, de visuilen voorzien van zenders en ze zo voor langere tijd volgen. De broedende visuilen werden echter niet gevangen (om verstoring van de voortplanting te voorkomen). Het bleek nog knap lastig te zijn om deze uilen te vangen, ondanks de weinige plekken die de uilen hadden om te jagen in de rivier. Verschillende vangtechnieken werden geprobeerd en na een tijd hadden ze dan eindelijk een goede methode gevonden.

Visuil
Visuilen zoeken in de winter open plekken in de rivier op om te kunnen jagen (Shutterstock)

Na vangst werden de visuilen voorzien van zenders die het veldseizoen erna uitgelezen zouden worden. Dit draaide echter uit op een mislukking. Om verschillende redenen (defect door de extreme kou, kapot geprikt door de visuil, etc.) was bijna geen een zender meer werkend het jaar erop. Er moest dus iets anders verzonnen worden. Uiteindelijk wist Slaght een aantal gps-dataloggers te strikken. Deze kostten echter een veelvoud van de andere zenders, maar hierdoor konden de uilen alsnog gevolgd worden. Dit heeft geleid tot een unieke inkijk in het leven van de mysterieuze uilen.


Lees ook: een bevlogen jaar – boekenreview


Het leefgebied

Naast de leefwijze heeft Slaght samen met zijn Russische collega’s veel tijd gestoken in het onderzoeken van het leefgebied van de visuil. In het territorium werden alle plantensoorten in kaart gebracht en in de rivier werden de vissoorten vastgesteld. Door deze gegevens te combineren met de vliegpatronen van de visuilen, kwam Slaght erachter dat visuilen de verschillende zalmsoorten in de rivier volgde naar de plekken waar ze zich voort planten. Dit zorgde ervoor dat de visuil erg succesvol was in zijn jachttechniek. Daarnaast kwamen ze erachter dat met het beschermen van de paaiplaatsen van de zalmen ook de visuilen beschermd werden.

Visuilen zalm
Visuilen profiteren van beschermingsmaatregelen voor vissen in de rivieren, die stromen door hun leefgebied (Shutterstock)

De resultaten

In de periode tussen 2006 en 2010 heeft Jonathan Slaght in totaal 20 maanden doorgebracht in de Russische bossen. Alle data die hij in die tijd heeft verzameld, heeft hij gebundeld en in zijn onderzoek gebruikt ter bescherming van de visuil. Een van de resultaten was dat de visuilen uitsluitend in de dalen bij de rivieren leven. Hier lagen echter ook de belangrijkste wegen in het gebied, die voornamelijk gebruikt werden door de houthandelbedrijven, wat zorgde voor een conflict. Met behulp van het onderzoek heeft Jonathan samen met zijn team belangrijke beschermingsmaatregelen kunnen afspreken. Hierdoor kan er in de toekomst meer rekening gehouden worden met de visuil in het gebied, wat zou moeten leiden tot minder (verkeer)slachtoffers.

Conclusie

Het boek Uilen van het eeuwige ijs is een vermakelijk boek dat je kennis laat maken met een van de gaafste uilen ter wereld. Maar naast de kennismaking met de Blakistons visuil, zul je ook kennis maken met een gebied dat voor vele van ons onbekend is en waar de meeste nooit zullen komen. Het boek geeft daarnaast een uitstekend inzicht in het uitdagende werk van een wildlife bioloog.

Naast de Blakistons visuil laat Jonathan Slaght je kennis maken met ander wildlife uit de regio zoals de Stellers zeearenden, oeraluilen, Chinese woudapen en zwarte beren. Het boek is, naast dat het ontzettend leuk is om te lezen, belangrijk omdat het aandacht vraagt voor een van de laatste wildernissen op deze aarde. Het geeft een unieke kijk in het gebied en na het lezen van het boek kun je niet anders dan het met me eens zijn dat deze wildernis de moeite is om te beschermen. Het boek is hier te bestellen bij bol.com.


Lees ook: kraaien in Nederland – deel I


Verder lezen

Nog niet uitgelezen? Lees dan hier onze review over het boek ‘Een bevlogen jaar’ geschreven door Arjan Dwarshuis. In dit spannende boek neemt Arjan je mee rond de wereld om het wereldrecord vogels kijken in één jaar te verbreken!

Herten in Nederland

Edelhert

In en rondom onze Nederlandse bossen vinden we een van de meest sierlijke dieren die ons land rijk is: herten. Het elegante lichaam, de kortharige glanzende vacht, de hoge slanke poten waarmee ze zich behoedzaam voortbewegen en het imposante gewei van de volwassen mannetjes. Deze gezamenlijke kenmerken maken de hertachtigen een absolute aanwinst voor de Nederlandse natuur. In deze blog bespreken we alle herten in Nederland.

Ree
Herten zijn elegante, sierlijke dieren. De mannetjes hebben een gewei

Kenmerken en leefwijze

In Nederland kennen we drie inheemse hertensoorten (al is er over één nog wel eens discussie): het ree, het damhert en het edelhert. Alle drie de herten behoren in de taxonomie tot de familie hertachtigen.

Kenmerken

Hertachtigen kenmerken zich voornamelijk door hun lichaamsbouw. Een slank, gestroomlijnd lichaam met lange, lenige ledematen en een kortharige vacht. Ze hebben grote oren, die zich bovenop de kop bevinden, en grote ogen aan de zijkanten van de kop. Deze organen zijn helemaal afgestemd op het in de gaten houden van de omgeving. Doordat de oren zich bovenop de kop bevinden, vangen ze snel omgevingsgeluiden op en met de ogen in de zijkant van de kop kunnen herten bijna de hele omgeving in de gaten houden, op hun hoede voor roofdieren.

Het gewei

Mannetjes van de hertachtigen dragen een gewei (met uitzondering van het Chinese waterree), die ze jaarlijks wisselen. Naarmate de mannetjes ouder worden, worden de geweien imposanter. Het gewei is gemaakt van kraakbeen en bevat een laag waardoor bloedvaten lopen, die het gewei voorzien van zuurstof en voedingsstoffen om te groeien. Op het moment dat het gewei volgroeid is, verandert het kraakbeen in botweefsel en wordt het dood materiaal. In de winter wordt het gewei afgeworpen en start vrij snel daarna de groei van het nieuwe gewei. Deze zal een stukje groter zijn dan het gewei dat het hert het jaar daarvoor had.

Mannetjesherten produceren ieder jaar een nieuw gewei, dat ieder jaar groter is.
Mannetjesherten produceren ieder jaar een nieuw gewei, dat ieder jaar groter is.

Leefwijze

Herten zijn over het algemeen overdag actief, maar in de buurt van mensen zijn ze voornamelijk actief in de ochtend en avond, tijdens de schemering. Je zou misschien denken dat herten echte bosbewoners zijn, maar dit klopt maar deels. De reden dat veel mensen hiervan overtuigd zijn, is omdat we onze edelherten in Nederland alleen maar in afgesloten gebieden met hekwerk eromheen houden. Hierdoor brengen ze voornamelijk tijd door in het bos, maar dit is niet per se een natuurlijke reactie.

Herten leven voornamelijk aan de randen van bossen, tussen het bos en een open gebied (zoals een grasland) in. Hier zijn ze op zoek naar de twijgen van jonge bomen, grassen, kruidahtige planten en zaden. Dit zorgt er in een natuurlijke situatie ook voor dat herten vaak voor een hogere biodiversiteit zorgen in een gebied. Herten zorgen er met hun gegraas voor dat zulke overgangsgebieden breder zijn en een grote variatie in structuur bevatten. Deze gebieden zijn vaak ook essentieel voor andere dieren zoals vogels, kleine zoogdieren en bijen en vlinders.

Herten houden van bossen met open stukken in
Herten houden zich graag op in de randen van het bos, waar het bos overgaat in een meer open landschap

Ree – Capreolus capreolus

De kleinste inheemse soort die we in Nederland tegenkomen, is het ree. Met een schofthoogte tussen de 60 en 90 centimeter is het ree niet groter dan een herdershond. Het gewicht varieert tussen de 15 en 35 kilogram. In de zomer zijn reeën feller gekleurd dan in de winter. Tijdens de warme dagen zijn ze zandgeel tot roodbruin gekleurd, waar dit in de winter kleurt naar grijsbruin. Ze hebben een donkere, zwarte neus met een witte kin eronder. Reeën hebben een witte spiegel (achterwerk). Bij mannetjes is deze niervormig, bij vrouwtjes hartvormig.

Mannetjes hebben een bescheiden gewei dat maximaal 25 centimeter groot wordt. Jonge dieren waarbij het gewei nog geen vertakking vertoont, noemen we een spitser en geweien met één vertakking noemen we een gaffel.

Ree
Reeën zijn de kleinste inheemse herten die we vinden in Nederland

Lees ook: uilen in Nederland – deel I


Het leven van een ree

Mannetjes reeën noemen we reebokken en vrouwtjes noemen we geiten. Het gaat goed met het ree, zowel in Nederland als in de rest van Europa. In Nederland komt het ree overal voor. Voornamelijk in bossen met open plekken, maar ook in andere gebieden, zoals op de heide en in de duinen, leven reeën.

In tegenstelling tot het edelhert is het ree geen typische grazer, maar een browser. Dit houdt in dat het ree in mindere mate gras en kruiden consumeert, maar meer andere dingen zoals twijgen, bladeren, bramen, bessen en noten.

Voorplanting

Reebokken leven alleen en verdedigen hun territorium tegen andere bokken. Reegeiten leven alleen met hun jongen en het leefgebied van de geiten overlappen soms. In de bronsttijd (paartijd voor hertachtigen) zoeken de vrouwtjes de gebieden van de bokken op.

Reeën
Het reekalf blijft bij de moeder tot het moment dat de reegeit opnieuw bevalt van een nieuw kalf

De bronstijd van reeën valt in de zomer, in de periode juli-augustus. De jonge reekalveren worden echter pas het jaar erop in de periode eind mei – begin juni geboren. Het embryo is echter niet al die tijd (ruim 10 maanden) in ontwikkeling. Reeën zijn namelijk de enige evenhoevige die een verlengde draagtijd hebben. Dit betekent dat de eicel in rust is en pas eind december begint te ontwikkelen. Vaak is er namelijk nog een tweede bronstijd, rond oktober. De geiten die in deze periode bevrucht worden hebben een verkorte uitgestelde draagtijd, deze eicellen beginnen ook eind december met de ontwikkeling tot een embryo.

Damhert – Dama dama

In het begin van de blog schreven we dat er over één soort nog wel eens discussie was of deze nou inheems is of niet. Daarmee doelden we op het damhert. De Romeinen hebben namelijk het damhert door het hele Romeinse Rijk ingevoerd. Het damhert kwam op dat moment niet voor in Nederland, maar was tijdens de laatste ijstijd teruggedreven naar Azië. Voor die tijd kwam het hier dus wel voor, waardoor het dus een inheemse soort is.

Damhert
Damherten zijn groter dan een ree en kleiner dan een edelhert. De zomervacht is meestal roodbruin met witte vlekken en de mannetjes hebben een schoffelgewei

Het damhert is groter dan het ree, maar kleiner dan het edelhert (die hierna aan bod komt). Ze bereiken een schofthoogte die varieert van 85 tot 110 centimeter en ze wegen dan 45 tot 100 kilogram. Binnen de soort bestaat er veel variatie in kleur. Ze zijn meestal overwegend roodbruin, maar kunnen ook bijna helemaal zwart of zelfs overwegend wit zijn. Daarnaast is er een duidelijk verschil tussen zomer- en wintervacht. De wintervacht is meer grijzig met licht vlekken. De zomervacht is overwegend bruin met witte vlekken. Ze hebben een witte spiegel met een zwarte strepen in het midden en bijna volledig rondom het witte vlak.

Damhert wintervacht
Tijdens de winter zijn damherten donkerder gekleurd (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Damherten hebben, anders dan andere herten, een schoffelgewei. Dit verschilt van de andere geweien doordat het in de punten bladvormig wordt. Het heeft dan een vorm die aan een schoffel doet denken. De eerste paar jaar hebben mannetjes damherten alleen twee punten als gewei. Vanaf het derde jaar begint het gewei zijtakken te krijgen. De grootte van een gewei is afhankelijk van meerdere factoren. Uiteraard speelt leeftijd een belangrijke rol, maar ook erfelijkheid en de conditie waarin het hert verkeert zijn van invloed.


Lees ook: marters in Nederland


Leefwijze

Bij damherten noemen we het mannetje een hert, en vrouwtjes een hinde. Zoals gezegd hebben de Romeinen het damhert in Nederland, en op veel andere plekken in Europa, geherintroduceerd. Tegenwoordig gaat het dan ook goed met het damhert in Europa. In Nederland komen herten in alle provincies voor, maar grote populaties beperken zich tot een aantal locaties door het land. Vanuit daar hebben dieren zich verspreid, maar ook vanuit kinderboerderijen en hertenkampen zijn individuen in de natuur terecht gekomen.

Damherten houden zich voornamelijk op in gemengde bossen en loofbossen met voldoende open plekken (graslanden). Ook aan randen van bossen met aangrenzend grasland voelen ze zich thuis. Ze leven hier in roedels. Na de paartijd leven de mannen in kleinere groepen. Maar naast bossen kunnen damherten ook op andere plekken voorkomen. Wij hebben al meerdere keren een groepje damherten in de buurt van onze woning gezien, waar relatief weinig bos te vinden is.

Voedsel en voortplanting

Qua voedsel zijn damherten veelzijdig. Naast grassen en kruiden eten ze ook (jonge) bladeren, twijgen, maar ook noten en bessen. Aan de rand van het Teutoburgerwoud worden in de zomer wel eens damherten waargenomen die rijpe appels uit de boomgaarden plukken.

De bronstijd van damherten valt later in het jaar dan die van reeën. Deze vindt meestal in oktober plaats. In de periode tussen mei en juli worden de kalveren geboren. Een hinde bevalt bijna altijd van slechts één kalf, die ongeveer 4,5 kilogram weegt bij de geboorte.

Damhert juveniel
Damhert kalveren groeien samen op in een roedel

Edelhert – Cervus elaphus

Het inheemse edelhert is de grootste van de drie en tevens het grootste landdier in Nederland. Volwassen dieren bereiken een schofthoogte van 110 tot 140 centimeter en mannetjes kunnen tot wel 225 kilogram wegen. Edelherten die hoofdzakelijk in bos leven zijn overwegend kleiner dan de exemplaren die in meer open landschappen leven.

Zoals de andere herten zijn edelherten in de zomer anders (feller) gekleurd dan in de winter. In de zomer hebben ze een roodbruine vacht, met een witte buik en een roomkleurige spiegel. In de winter zijn ze grauwer van kleur. Tussen de haren bevinden zich dan luchtcellen die voor een isolerende laag zorgen. Mannetjes hebben dan tevens langere haren in de hals.

Edelhert
Edelherten hebben in de winter luchtcellen tussen de haren, wat een isolerende werking heeft

Edelherten zijn natuurlijk bij iedereen bekend vanwege het imposante gewei van de volwassen mannetjes. Het gewei van jonge dieren begint als een spitser, maar krijgt ieder jaar meer vertakkingen, ook wel enden genoemd. Een volgroeid gewei heeft acht tot dertien enden en kan een maximale lengte bereiken van meer dan 90 centimeter. Bij oudere (senioren) herten neemt de grootte van het gewei ieder jaar af.

Leefwijze

Mannetjes van het edelhert worden bokken, of gewoon simpelweg herten genoemd. Vrouwtjes noemen we hinden. Vroeger was het edelhert in Nederland algemeen verspreid. Tegenwoordig vinden we ze echter alleen nog maar op de Veluwe, Oostvaardersplassen en het Weerterbos. Buiten deze gebieden geldt een nulstand, wat wil zeggen dat ze hier niet worden getolereerd en worden afgeschoten. Er kan dus gesteld worden dat de edelherten in Nederland eigenlijk alleen nog maar tussen hekken te bewonderen zijn. De ecologische hoofdstructuur (Natuurnetwerk Nederland) zou hier in de toekomst wellicht verandering in kunnen brengen.

Van nature leeft het edelhert in open bossen, met voldoende graslanden. Echter heeft de soort zich door de jaren heen goed weten aan te passen en komt het ook voor in moerassen en op heidevelden. Edelherten leven in roedels, waarbij de bokken aparte roedels vormen en de hinden met kalveren ook. In de bronstijd zoeken de bokken (afzonderlijk van elkaar) de hindenroedels op en vormen ze een harem.

Voedsel en voortplanting

Het edelhert is een echte grazer. Dit wil zeggen dat het hoofdzakelijk gras eet. Daarnaast eten ze ook andere zaken, zoals bessen, boomschors, wortels, knollen en twijgen van bomen en struiken.

Edelhert burlen
In de bronstijd beginnen de mannetjes met burlen. Hiermee proberen ze indruk te maken op de hindes en een harem te vormen

In de periode eind september tot begin oktober vindt de bronstijd plaats. Zoals gezegd zoeken de bokken dan de hindenroedels op en proberen ze indruk te maken door luider dan hun concurrentie te burlen. Burlen is een soort luide roep van de bok, waarmee de dominantie getoond wordt. Als twee bokken gelijkwaardig aan elkaar burlen, kan dit leiden tot een gevecht waarbij serieuze verwondingen op kunnen treden. De bok die het beste burlt, of het sterkste is in het gevecht, mag paren met de hindes en een roedel vormen. De verliezer druipt af.

Eind mei/begin juni worden de kalveren geboren. In de meeste gevallen bevalt een hinde van één kalf, maar in uitzonderlijke gevallen worden er ook wel eens twee geboren. De kalveren groeien gezamenlijk op in de hindenroedels en blijven tot twee jaar na geboorte bij de moeder.

Exoten

In Nederland vinden we naast de drie inheemse hertachtigen ook een aantal exoten, het sikahert en de Chinese muntjak. Beide vertonen ze invasieve kenmerken en kunnen ze een serieuze bedreiging vormen voor de inheemse natuur.

Sikahert – Cervus nippon

De eerste exoot is het sikahert, dat van origine voorkomt in Oost-Azië. Het sikahert is het beste te vergelijken met het damhert, maar dan een stukje kleiner. Ze zijn ook, in de zomer, roodbruin gekleurd en hebben witte/geelachtige vlekken. In de winter is de vacht donkerder gekleurd. Opvallende kenmerken zijn de manenkraag bij zowel het mannetje als het vrouwtje, de zwarte lipvlek en de korte, witte staart met donkere streep.

SIkahert
Sikaherten hebben een manenkraag, die bij dit mannetje duidelijk te zien is (Shutterstock)

Sikaherten bereiken een schofthoogte tussen de 70 en 100 centimeter en een gewicht van circa 60 tot 65 kilogram, waarmee ze beduidend kleiner zijn dan het damhert. Een opvallend verschil met het damhert is het gewei. Ze hebben geen schoffelgewei, maar eenzelfde gewei als het edelhert, alleen een stuk kleiner.

De introductie en de bedreiging

Het sikahert is aan het einde van de 19e eeuw geïntroduceerd in West-Europa, als parkdier. Het heeft zich weten te handhaven in landen zoals Engeland, Frankrijk en Duitsland. In Nederland worden maar heel soms sikaherten gezien.

Een opvallend gegeven is het feit dat het sikahert kan kruisen met het edelhert, ondanks dat het een stuk kleiner is. Uit deze kruising kunnen vruchtbare nakomelingen komen, waardoor het een bedreiging vormt voor de genetische biodiversiteit van het inheemse edelhert.

Chinese muntjak – Muntiacus reevesi

De Chinese muntjak is het kleinste hert wat je in Nederland tegen kunt komen. Met een schofthoogte van 45 tot 50 centimeter en een gewicht van circa 12 tot 15 kilogram is het nog een heel stuk kleiner dan het ree. Ze zijn kastanjebruin van kleur, met een wittige kin en buik en een zwart patroon op de kop. Ze hebben een opvallend lange staart en mannetjes hebben een klein gewei, zonder enden.

Chinese muntjak
De Chinese muntjak is een stuk kleiner dan alle andere herten in Nederland

De muntjak komt van oorsprong voor in China en Taiwan. In de 18e eeuw zijn ze in Europa ingevoerd als huis- en parkdier, vooral in Engeland en Frankrijk. De ontsnapte en losgelaten dieren hebben zich weten te vestigen en ze hebben zich over meerdere landen uitgebreid.

Bedreiging

Muntjakken eten twijgen en bladeren van struiken, klimplanten en andere planten die in het bos groeien. Ook eten ze jonge bomen (zaailingen). Als de Chinese muntjak in groten getale voorkomt, kan het een bedreiging vormen voor inheemse planten zoals de boshyacint en bosbingelkruid. Daarnaast kan het verjonging in een bos remmen, wat catastrofaal kan zijn voor het ecosysteem. Om deze redenen wordt het als een invasieve soort beschouwd, waardoor het niet meer ingevoerd mag worden.


Lees ook: eenden in Nederland – deel I


Was dat het?

Dan zijn er nog twee soorten die, op het moment, niet in Nederland voorkomen, maar wel de moeite waard zijn om te benoemen.

Allereerst de eland (Alces alces). Vroeger kwamen er elanden voor in Nederland, maar de laatste waarneming dateert uit 1025. Er wordt onderzocht of de eland geherintroduceerd kan worden in de Biesbosch (het zijn echte moerasbewoners), dit zou een positieve invloed kunnen hebben op de biodiversiteit in het gebied.

Dan is er nog het reuzenhert (Megaloceros giganteus), een inmiddels uitgestorven hertensoort. Deze herten waren veel groter dan de herten die we tegenwoordig zien. Ze konden een schofthoogte bereiken van 210 centimeter en het gewei kon een spanwijdte bereiken van ruim 360 centimeter! Het reuzenhert is waarschijnlijk zo’n 10.000 jaar geleden uitgestorven. Met enige regelmaat worden er aan de kust nog fossielen van het reuzenhert gevonden. Via waarneming.nl kun je deze waarnemingen (vaak met foto) bekijken.

Veelgestelde vragen

Welke herten komen er voor in Nederland?

In Nederland komen drie inheemse herten voor: het ree, het damhert en het edelhert. Daarnaast zijn er nog twee exoten: het sikahert en de Chinese muntjak. Vroeger leefde er ook de eland en het reuzenhert.

Wat is het grootste hert in Nederland?

Het edelhert is het grootste hert in Nederland en bereikt een schofthoogte van 110 tot 140 centimeter. Ze kunnen tot 225 kilogram wegen en het gewei van de bokken kunnen tot wel 90 centimeter groot worden, met maximaal dertien enden.

Waar komen herten voor in Nederland?

Herten in Nederland vinden we vooral in bossen en aan de rand van het bos. Edelherten komen enkel op de Veluwe, Oostvadersplassen en in het Weerterbos voor. Reeën en damherten komen meer algemeen verspreid voor.

Hoe maakt een spin een spinnenweb?

Spinnenweb

Als je in de natuur bent, zie je ze overal terugkomen: spinnenwebben. Spinnenwebben zijn er in allerlei soorten en maten. Sommige zijn zo volmaakt dat het bijna kunstwerken zijn, andere zo fragiel dat er iedere dag een nieuwe gemaakt dient te worden. Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke grote bouwwerken maken, met een materiaal dat in verhouding sterker is dan staal? Het antwoord op deze prangende vraag heeft de wetenschap tot op heden nog maar deels kunnen ontrafelen. In deze blog gaan we kijken hoe een spin van niets tot een volmaakt spinnenweb komt, en dat vaak in een tijdsbestek van een uurtje.

Alleen de familie ‘echte spinnen’ maken spinnenwebben. Dit doen ze met behulp van spinnenrag, of spinnendraad. Er is gewone spinnendraad en kleverige spinnendraad. De spin laat eerst een draad door de wind meevoeren naar een tak. Vervolgens wordt een soort Y-vorm gemaakt. Vervolgens worden vanuit het midden de spaken van het web gevormd. Het web wordt afgemaakt door spiraalsgewijs nog draad te spannen.

Wie maakt een spinnenweb?

Niet alle spinnen maken spinnenwebben. Binnen de klasse ‘spinachtigen’, waar onder andere ook de teken en schorpioenen tot behoren, is alleen de orde ‘echte spinnen’ verantwoordelijk voor het maken van spinnenwebben. Andere ordes zoals de ‘hooiwagens’ en ‘zweepspinnen’ hebben niet het vermogen om spinnendraad te produceren, wat noodzakelijk is voor het maken van een web.

De orde ‘echte spinnen’ is een grote orde waarin al meer dan 50.000 soorten zijn beschreven (en waarbij er nog jaarlijks nieuwe soorten worden beschreven). De meest algemene spinnen zoals de huisspin, kraamwebspin en kruisspin behoren tot deze orde. Veel van deze spinnen hebben insecten als prooidieren, waardoor ze erg nuttig kunnen zijn in en rondom het huis. We hebben immers vaak last van bijvoorbeeld muggen en vliegen, de favoriete prooien van deze spinnen. Meer van deze spinnen in en rondom het huis zorgt dus voor minder overlast van vliegen en muggen.

Voorjaarshooiwagen
Enkel de orde echte spinnen maken spinnenwebben. Deze voorjaarshooiwagen (behorend tot de orde ‘hooiwagens’) kan dus geen spindraad produceren

Waarom maakt een spin een spinnenweb?

Spinnen maken een spinnenweb om hun prooi mee te vangen. Dit gebeurt op zeer uiteenlopende manieren. De meeste spinnen die dit doen, zijn passieve jagers. Ze maken een web en wachten tot er een prooidier in verstrikt raakt. Sommige soorten lopen er dan direct op af om de prooi in te pakken met extra spindraad, zodat deze zeker niet los kan komen. Andere bouwen een net met zulke fijne en kleverige draden dat dit niet nodig is en de prooi zeker niet los kan komen. Weer andere soorten houden het web vast en wachten tot de prooi voorbij komt. Op het juiste moment laten ze het net dan over de prooi heen vallen, waardoor deze verstrikt raakt. Dit is een meer actieve manier van jagen.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Ook onder de soorten die een echt web maken zijn er verschillen op te merken. Sommige spinnen maken het web laag bij de grond, andere een stuk hoger. Dit heeft alles te maken met het type prooidier welke de spin in kwestie probeert te vangen. Spinnen die het web hoog boven de grond maken jagen op vliegende insecten, zoals juffers en libellen. Spinnen die lager bij de grond een web maken, jagen vooral op springende soorten, zoals bijvoorbeeld sprinkhanen.

Kruisspinnen moeten na iedere vangst het web repareren. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web
Kruisspinnen moeten na iedere vangst het spinnenweb repareren omdat het zo fragiel is. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web

Andere toepassingen van spinnenrag

Naast het maken van een spinnenweb gebruiken spinnen het spinnenrag ook voor andere doeleinden. Lijmspuiters gebruiken het namelijk ook om een prooi mee te vangen, maar doen dit op een andere manier. Ze spuiten hun kleverige spinnenrag van dichtbij op hun prooi, waardoor deze verstrikt raakt.

Sommige spinnen gebruiken het spinnenrag om er een cocon van te maken, waar de eitjes in worden gelegd. Er zijn spinnen bekend die het hol voorzien van een laag spinnenrag en mannetjes die het sperma erin verpakken (een zogeheten spermatofoor).

Hoe maakt een spin een spinnenweb?

Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke bouwwerken kunnen maken? En hoe kan het dat zulke dunne draad zulke grote prooien kan vangen, zonder dat het breekt en de prooi kan ontsnappen? Vragen die in de loop der jaren beantwoord zijn door wetenschappers en die nog relevant kunnen zijn voor onze eigen vooruitgang in technologie.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Materiaal

Spinnen maken het spinnenrag, dat ze gebruiken om een web te maken, van een mengsel van eiwitten. Het spinsel wordt gemaakt door de spinklieren die zich bevinden in de spindoppen. De spindoppen zitten op de spintepels die verbonden zijn aan het achterlichaam. Voor iedere soort draad is een andere spinklier verantwoordelijk. Zo zijn er spinklieren die loopdraad produceren, maar ook spinklieren die voor de kleefdraden zorgen.

De benaming van de soorten draad zorgt meteen voor de verklaring ervan. Er worden draden geproduceerd met en zonder kleefstof. De kleefdraden zijn voorzien van kleverige druppels (kleefstof) die op een bepaalde afstand van elkaar over de draad verdeeld zijn. De spin stapt hier zelf makkelijk overheen, waardoor deze ook over de kleefdraden kan lopen zonder zelf vast te komen zitten. De loopdraden zijn echter bedoelt om snel door het web te kunnen manoeuvreren.

De productie

De spintepels zijn enkel de dragers van de spindoppen. De meeste spinnen hebben zes spintepels, maar ook twee, vier of acht stuks komen voor. Op de spintepels bevinden zich de spindoppen. Deze komen vaak in meerder aantallen bij elkaar voor. De spindoppen zijn onafhankelijk van elkaar te gebruiken.

De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin
De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin

Soorten spinnenwebben

Niet iedere spin maakt eenzelfde web. Zoals zo vaak zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden, dit geldt ook voor spinnen. De meest bekende soort spinnenweb is het wielweb. Wielwebben zijn over het algemeen groot en rond gevormd. Wielwebben hebben een signaaldraad die trilt wanneer er een prooi in het web zit en de spin alarmeert.

Waar wielwebben over het algemeen mooi gevormd en gestructureerd zijn, zijn kaardewebben dat juist totaal niet. Kaardespinnen maken hele onregelmatige webben, waarbij alle draden kriskras door elkaar lopen. Met hun stijve haren achter op het lichaam maken ze een soort inkepingen in de draad, waardoor insecten sneller verstrikt raken.

Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.
Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.

Tenslotte zijn er nog de matwebben en hangmatwebben. Deze bestaan uit meerdere horizontale lagen van spinsel, vaak in het gras, die onderling met verticale draden verbonden zijn. Een wirwar aan spinsel waarin lopende en springende insecten verstrikt raken. De meeste huisspinnen maken zulke webben. Hieraan vast zit vaak nog een trechtervormig web, waarin ze schuilen bij gevaar.

Gewone doolhofspin
De gewone doolhofspin is een soort die een matweb maakt, met daaraan vast een trechtervormig web als schuilplaats

De uitvoering

Als we kijken naar de klassieke spinnenwebben dan zijn spinnen ware ingenieurs dat ze zo een web bouwen. Maar hoe komen ze tot dit bouwwerk? Het begint allemaal met een beetje hulp van de wind. De wind zorgt ervoor dat de eerste draad uit de spintepel wordt getrokken. Deze slingert door de lucht totdat het een tak (of iets anders) te pakken krijgt, waaraan deze blijft kleven. De eerste draad wordt vervolgens verstevigd voordat de spin verder gaat met de rest van het web.

Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur
Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur

Vervolgens wordt er een losse draad getrokken van het ene naar het andere punt. Vanuit het midden van deze losse draad wordt weer een strakke draad naar beneden getrokken, waardoor er een soort Y-vorm ontstaat. Het midden van de Y-vorm wordt ook het midden van het spinnenweb. Vanuit hier kan de spin verder met de drie buitenste punten verder met elkaar te verbinden.

Vanuit het midden worden nu steeds draden naar de buitenkant gespannen, waardoor het web steeds meer op een fietsenwiel met spaken begint te lijken. Daarna begint de spin (vanuit de kern van het web) spiralen te vormen, wat het spinnenweb stevigheid geeft. Tussen de spiralen die voor stevigheid zorgen, worden ook nog kleverige spiralen gespannen. Deze zullen uiteindelijk essentieel zijn om hun prooi mee te vangen. Het spinnenweb is nu klaar voor gebruik. Bewonderenswaardig is het dat de meeste spinnen dit hele proces binnen een uur kunnen voltooien.


Lees ook: wat zijn invasieve exoten?


Een geheime truc

Doordat de spin kleverige draad toepast in zijn web, blijven prooien plakken en raken ze verstrikt. Hierdoor heeft de spin de tijd om naar de prooi te lopen en deze te injecteren met gif, waarna het de prooi leeg zuigt. De kleverige draad is echter niet de enige reden waarom de jachttechniek van spinnen zo succesvol is. Het geheime wapen heeft met de elektrische lading te maken.

Onderzoekers ontdekten dat wanneer ze dode insecten van een elektrische lading voorzagen en deze richting het web gooiden, het web richting het dode insect bewoog. Met uitstekende apparatuur lukte het de onderzoekers dit fenomeen vast te leggen. Vliegende insecten bouwen een elektrische lading op (door wrijving tussen de vleugels en de lucht dier er langs stroomt), en spinnen hebben zich hier evolutionair uitstekend op aan weten te passen. In onderstaande video is dit verschijnsel duidelijk te zien.

Hoe sterk is een spinnenweb?

We weten inmiddels dat een spinnenweb een uitmuntend bouwwerk is, maar het is ook nog eens ontzettend sterk. De draad waarmee het net gemaakt wordt, spinnenrag, is in verhouding sterker dan staal. Vijf keer sterker dan staal zelfs. Wetenschappers weten nog niet precies hoe dit kan. Het is dan ook bewonderenswaardig te noemen dat zo’n klein dier, zo’n belachelijk sterk materiaal kan produceren.

Dit kan dus ook voor onze technologie en vooruitgang ontzettend waardevol zijn. Als we het geheim van de spin kunnen ontrafelen, dan zou er een wereld voor ons open gaan. We zouden het voor een legio aan mogelijkheden kunnen gebruiken, voor bruggen en andere staalconstructies, maar ook voor bijvoorbeeld kogelwerende vesten. Opnieuw een goede reden om de algehele biodiversiteit te beschermen, omdat we zelfs van de kleinste dieren nog ontzettend veel kunnen leren.

Dome boomhut Ardennen

Ardennen

Vlak over de grens bij onze zuiderburen vind je de Ardennen. Een gebied in België dat zich kenmerkt door de grote loof- en naaldbossen, grote rotsformaties en valleien met rivieren en watervallen. Een uitstekend wandelgebied met een gevarieerde flora en fauna. Tijdens ons bezoek aan de Ardennen overnachtten we op een bijzondere plek. In een ‘dome boomhut’ tussen de bomen en recht onder de sterren. Een unieke slaapervaring in een toch al bijzonder gebied.

Dome boomhut

Op ongeveer een uur rijden vanaf de grens bij Maastricht vind je het plaatsje Fisenne. Fisenne ligt op een kleine afstand van de meer bekende plaats in de Ardennen, Durbuy. De omgeving rondom Fisenne kenmerkt zich door een half openlandschap, waarbij akkers, kruidenrijke graslanden en kleine bossen zich afwisselen. In een weiland gelegen langs een boerderij (250 meter verderop, waar je de auto parkeert) staat een boomhut aan de rand van het bos.

Het is echter geen boomhut zoals je die wellicht zou verwachten. Op een vlonder tussen twee bomen in, circa vier meter boven de grond, staat een bolvormige hut. Deze hut is gemaakt van hetzelfde materiaal als waar springkussens van worden gemaakt. De gehele bovenzijde van de hut is transparant, waardoor je dus de kroon van de twee bomen en de sterrenhemel van dichtbij kunt zien vanuit de hut.

Boomhut dome (Natuurhuisje)
De dome-boomhut staat aan de rand van een bos (foto: natuurhuisje.nl)

Natuur van dichtbij beleven

Hierdoor kun je dus veel vogelsoorten van dichtbij in hun natuurlijke habitat zien, zonder dat zij jou opmerken. De ochtend dat wij wakker werden hebben we in een kort tijdsbestek koolmezen, kuifmezen, zwartkoppen, zanglijsters en een gaai gezien. De avond ervoor hadden we het geluk dat het helder was en hebben we een prachtige sterrenhemel gezien! Fantastisch om naar te kijken, zonder afgeleid te worden van hinderlijke omgevingsgeluiden, maar enkel begeleid door de zang van een bosuil.


Lees ook: Teutoburgerwoud wandelvakantie


Kuifmees
Een van de soorten die je vanuit de boomhut kunt zien is de sierlijke kuifmees

’s Ochtends, als je wakker wordt, kan er nog een aangename verassing op je staan te wachten. Vanuit het bos zouden er namelijk wilde zwijnen of herten naar de bosrand kunnen zijn gekomen, die vlak bij de boomhut staan te foerageren. De beste kans om een van deze zoogdieren te spotten is net voor of tijdens zonsopkomst.

Wandelen

De Ardennen zijn natuurlijk een uitstekende plek voor van allerlei buitenactiviteiten. Een van de meest populaire daarvan is wandelen. Een wandeling door het unieke landschap van de Ardennen is dan ook uitstekend te combineren met een verblijf in dit natuurhuisje.

Korte wandeling in Durbuy

Een korte wandeling van 5,5 tot 7,5 kilometer (afhankelijk van waar je de auto parkeert) kun je lopen vanuit het historische stadje Durbuy. Dit is, ondanks de korte afstand, een zeer gevarieerde route. Je start bij de Falize rots, die ongeveer 350 miljoen jaar geleden ontstaan is. Het eerste gedeelte loop je langs de rivier De Ourthe (een zijrivier van De Maas), die je leidt naar een pittige klimmetje. Als je boven komt, kom je in het gehucht Bohon. Je vervolgt de weg dan weer richting Durbuy. Je bereikt uiteindelijk Durbuy door in een fraai bos een aantal trappen af te dalen. In Durbuy is daarnaast een groot outdooractiviteitencentrum, waar je onder andere kunt kanoën.

De route is bewegwijzerd door middel van groene rechthoekjes. Hier is ook een uitgebreide beschrijving van de route te vinden.

Falize rots
De Falize rots, zo’n 350 miljoen jaar geleden ontstaan

Middellange wandeling rondom Soy

Dit is een wandeling die ongeveer langs de boomhut loopt en start in Soy bij het kerkhof. Het is een erg rustige wandeling van ongeveer 14,5 kilometer lang. De wandeling leidt je door een redelijk open landschap (waarschijnlijk meer open dan je van de Ardennen gewend bent). Uiteraard doorkruis je zo nu een dan wel een bos, waarbij er in eentje een pittige klim op je te wachten staat. In het meer open landschap vallen de oude eiken en beuken langs de route op. Daarnaast heb je een goede kans om roofvogels zoals buizerds en wouwen in de lucht te zien.

Via deze link van Wandelgids Zuid-Limburg is er meer informatie over deze route te vinden, zoals een gpx-bestand van de route voor je smartwatch en enkele foto’s.


Lees ook: natuurhuisje in La Roche-en-Ardenne


Flora en fauna

Een goede reden om naar de Ardennen te gaan, is de rijkdom aan (bijzondere) dieren en planten. De grote, oude bossen en het hoogteverschil zorgen ervoor dat veel dieren en planten zich er thuis voelen en de invloeden van de mens zijn er nog enigszins beperkt.

Op het gebied van zoogdieren kun je er herten en everzwijnen zien. Maar ook vossen, boommarters, wolven en zelfs lynxen zijn waar te nemen in de Ardennen. De meeste van deze dieren (vooral lynxen) ontwijken echter liever contact met mensen, waardoor je ze niet snel zult zien.

Makkelijker te spotten zijn vogels. Deze laten zich veel makkelijker zien en er zijn een aantal leuke soorten te ontdekken. Eerder noemde we al buizerds en wouwen, maar ook voor bijvoorbeeld spechten ben je aan het juiste adres. Zo heb je hier bijvoorbeeld, naast de spechten die je in Nederland tegen kunt komen, ook de grijskopspecht. Andere gave vogels die je tijdens je verblijf in de Ardennen kunt waarnemen zijn de raaf, gele kwikstaart en de waterspreeuw.

Ook voor bijzondere flora ben je in de Ardennen aan het juiste adres. Wij waren er in het voorjaar, de tijd dat de sleutelbloemen opvallen met hun gele bloemen. De bosanemonen en daslook kleurden de bodem van bossen wit en pinksterbloemen floreerde in de weilanden.

Het verblijf in de dome boomhut

Al met al kunnen we de boomhut in de Ardennen zeker aanraden. Je moet hiervoor wel goed ter been zijn en een beetje avontuurlijk in gesteld zijn. Houd er rekening mee dat het bij koude nachten in de dome boomhut nog wel koud kan worden, ondanks de maatregelen (donsdeken en elektrische heater) die de verhuurder heeft genomen. Tijdens onze nacht daalde de temperatuur tot net onder het vriespunt en werd het in de dome dus best koud. Neem dus zeker warme kleding mee als de weersvoorspellingen niet zo goed zijn.

Ben je bereid de kou te trotseren, of op een ander moment de hut te boeken, dan ben je een ervaring rijker. Via deze link (natuurhuisje.nl) kun je de boomhut boeken en een onvergetelijke ervaring in een unieke accommodate beleven.


Lees ook: hike Epen (Zuid-Limburg) 21km


De beekprik, rivierprik en zeeprik

Beekprik (Shutterstock)

Voor een van de bizarste organismen, moeten we het water in. In de Nederlandse wateren leven een aantal kaakloze vissen, waarvan sommige soorten al meer dan 350 miljoen jaar geleden op aarde rond zwommen. Prikken genaamd. In Nederland vinden we de beekprik, rivierprik en zeeprik. Allen voorzien van een ronde mond zonder kaken, maar met een rasptong voorzien van tandjes. In deze blog maak je kennis met deze absurde dieren, die vaak een indicator zijn van een goede waterkwaliteit.

Levende fossielen

De eerste vondsten van prikken dateren van 360 miljoen jaar gelden. Er waren dus al prikken, die veel leken op de hedendaagse soorten, voordat er dinosaurussen op deze aarde rond liepen. Prikken zijn kaakloze vissen, waarvan er tegenwoordig nog 38 soorten van over de wereld verspreid zijn. Ze behoren dus tot de kaakloze vissen en worden in de taxonomie niet samen gezien met de andere vissen. De ‘gewone’ vissen vallen namelijk onder de kaakdieren, hetgeen (kaken) wat bij de prikken dus ontbreekt.

Beekprik (Saxifraga - Frits Bink)
Prikken behoren tot de kaakloze vissen en hebben zich circa 360 miljoen jaar geleden ontwikkeld (Saxifraga – Frits Bink)

Algemene kenmerken

In plaats van kaken hebben ze een ronde mond, met een rasptong voorzien van tanden. Sommige soorten gebruiken deze ronde mond om zich vast te klampen aan vissen of walvisachtigen. Ze leven dan een parasitair bestaan en voeden zich met het bloed en andere lichaamsstoffen van de gastheer. Niet-parasitaire soorten voeden zich niet tijdens hun volwassen fase. Ze leven dan op de reserves die ze opgebouwd hebben in de juveniele fase. Prikken maken gebruik van feromonen (geurstoffen) voor de onderlinge communicatie.

Er is dus een duidelijk verschil tussen juvenielen en adulten. De juvenielen bevinden zich in de sliblaag van een rivier en voeden zich daar met algen en organische deeltjes. In deze periode zijn ze blind en lijken de onderlinge soorten erg veel op elkaar. De meeste soorten zijn dan niet van elkaar te onderscheiden. Na een aantal jaren (afhankelijk van de soort) ondergaan ze een metamorfose. Ze ontwikkelen grote ogen, met daarachter een rij van zeven kieuwgaten. Deze gaten (prikken) zijn ook verantwoordelijk voor de Nederlandse benaming. In de volwassen fase vindt de voortplanting plaats, waarna de dieren sterven.


Lees ook: eenden in Nederland – deel I


Prikken in Nederland

In Nederland vinden we drie soorten prikken: de beekprik, rivierprik en de zeeprik. Allen tonen ze veel gelijkenissen in uiterlijk en gedrag. Voor natuurbeheerders kan de aan- of juist afwezigheid van een priksoort een belangrijk gegeven zijn. Prikken zijn namelijk erg gevoelig voor waterverontreiniging, maar ook voor het normaliseren van beken (rechttrekken van beken) en het verwijderen van de sliblaag in watergangen. Je zou dus kunnen stellen dat wanneer het goed gaat met de prikken in een watergang, andere soorten hiervan mee profiteren. Beheermaatregelen nemen voor prikken zorgt dus voor een hogere biodiversiteit in het gebied!

Beekprik – Lampetra planeri

Beekprik (Saxifraga - Jelmer Reyntjes)
De beekprik is de kleinste priksoort die we in de Nederlandse watergangen vinden (Saxifraga – Jelmer Reyntjes)

De kleinste prik in Nederland is de beekprik. Beekprikken worden ongeveer twintig centimeter groot en hebben een zilverkleurig tot lichtgeel uiterlijk. Volwassen dieren zijn voorzien van twee relatief grote ogen, met daaropvolgend zeven kieuwgaten. Juvenielen zijn blind, donker gekleurd en hebben nog geen zuigbek.

Beekprikken hebben een voorkeur voor licht stromend water en er moeten grindplaatsen aanwezig zijn voor de voortplanting. Na drie tot zes jaar vindt de metamorfose plaats, waarna de volwassen dieren niet meer eten (ze zijn niet parasitair). In het voorjaar na de metamorfose vindt de paring plaats en worden de eitjes gelegd. Hierna sterven de volwassen dieren.

Verspreiding Nederland

In Nederland vinden we de beekprikken voornamelijk in de provincies Limburg en Gelderland. Ook is de soort te vinden in beken in Brabant en Overijssel, maar veel minder. De soort is in het midden van de vorige eeuw in veel beeksystemen verdwenen doordat het leefgebied werd bedreigd. Om die redenen is er voor gekozen om in 2014 in Brabant een herintroductieprogramma te starten. Er kan gesteld worden dat deze herintroductie succesvol is verlopen, want de aantallen juvenielen namen in de daaropvolgende jaren toe. Droge zomers zorgden er echter voor dat er ook slechte jaren bij zaten. Dit blijft een bedreiging voor de populatie.

Rivierprik – Lampetra fluviatilis

Rivierprik (Saxifraga - Sytske Dijksen)
De rivierprik wordt in volwassen stadium 30 tot 50 centimeter groot (Saxifraga – Sytske Dijksen)

De tweede soort die we in Nederland vinden, is de rivierprik. Deze wordt een stukje groter dan de beekprik, namelijk 30 tot 50 centimeter. Net als de beekprik zijn ze zilverachtig van kleur en alleen te onderscheiden door te kijken naar de grootte. Volwassen rivierprikken hebben maximaal zeven tanden in de zuigbek. Dit zijn er een stuk minder dan hun grotere neven/nichten, de zeeprik.

Juveniele rivierprikken zijn niet te onderscheiden van juveniele beekprikken. Na vier jaar ondergaan ze een metamorfose en bereiken ze het volwassen stadium. Dan vertrekken ze, vanuit de beken waarin ze opgroeien, naar zee. Hier leven ze voornamelijk in de kustzones en in de monding van de rivier. Ze leven daar een parasitair bestaan. Met hun zuigmond klampen ze zich vast aan vissen en doorboren met hun tanden de huid van de vis. Ze voeden zich met het vrijgekomen bloed en andere lichaamssappen.


Lees ook: de herintroductie van de otter in Nederland


Na twee jaar (bij een leeftijd van ongeveer zes jaar) worden ze geslachtsrijp en beginnen ze aan hun tocht naar de paaiplaatsen, verder stroomopwaarts in de rivieren. Ze worden hierna toe getrokken door feromonen die de juveniele dieren uitscheiden. In de rivieren zoeken ze grindplaatsen op voor de paring. Er zijn echter ook exemplaren bekend die paren tussen grote stenen, wanneer geschikte grindplaatsen ontbreken. Na de paring sterven de volwassen dieren. Net uitgekomen juvenielen laten zich meevoeren door de stroming van de rivier. Wanneer ze voedselrijke slibbodems bereiken graven ze zich in, om zich daar de komende jaren te voeden met algen en organisch materiaal (detritus).

Verspreiding Nederland

In het verleden kwam de rivierprik talrijk voor in Nederland. Echter, door watervervuiling is de soort midden en eind vorige eeuw op veel plaatsen verdwenen. Sinds de jaren ’90 is er weer een toename in aantallen zichtbaar. Maar de beperkte migratiemogelijkheden blijven echter een serieus probleem voor de rivierprikken.

Zeeprik – Petromyzon marinus

Zeeprik (Shutterstock)
Zeeprikken leven in volwassen fase op zee (Shutterstock)

De laatste soort prik in Nederland is de zeeprik. Zeeprikken zijn groengrijs gekleurd en hebben een marmerachitge tekening. De larven zijn, net als bij de andere soorten, blind, hebben geen zuigbek en zijn bruinachtig gekleurd. Ze zijn echter te onderscheiden van de andere soorten doordat ze pigment hebben. Volwassen dieren zijn het beste te onderscheiden door de grootte. Zeeprikken kunnen tot maximaal 110 centimeter groot worden. Daarnaast hebben volwassen exemplaren veel meer tanden dan de rivierprik (maximaal zeven) en de beekprik (geen tanden).

Net als de rivierprik is de zeeprik in volwassen stadium parasitair. Ze zuigen zich vast aan vissen, maar er zijn ook gevallen bekend van zeeprikken die zich vastgezogen hadden aan walvisachtigen. De volwassen exemplaren leven op zee. Na ongeveer zeven jaar zijn ze geslachtsrijp en trekken ze landinwaarts de rivieren op. Hier gaan ze op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Dit zijn snelstromende rivieren met grindbanken en grote stenen.

Hier starten ze met het maken van een nestkuil. Dit doen ze door met hun zuigmond stenen op te tillen en deze in een vorm bij elkaar te leggen. Vervolgens vindt de paring plaats en worden de eieren afgezet in de nestkuil. Hierna sterven de volwassen exemplaren. De net uitgekomen jongen laten zich (net zoals bij de beek- en rivierprik) meedrijven door de stroming tot een geschikte slibbodem, waar ze zich ingraven. Na vijf jaar vindt de metamorfose plaats en vertrekken ze als volwassen zeeprik naar zee.

Zeeprik zuigmond (Shutterstock)
De bizarre zuigmond met tanden van de zeeprik (Shutterstock)

Verspreiding Nederland

In het verleden kwam de zeeprik vrij algemeen voor in Nederland. Echter is de soort flink afgenomen door een verslechtering van de waterkwaliteit. Vanaf de jaren ’90 nemen de aantallen weer toe. Er worden in Nederland vooral volwassen dieren in beken waargenomen. Larven en jonge dieren worden zelden gevonden in Nederland.


Lees ook: verschil tussen kikkers en padden


De laatste tien jaar lijken de aantallen weer wat af te nemen. Een van de belangrijkste redenen hiervoor zijn migratiebarrières. Het verbeteren van bestaande en het aanleggen van nieuwe vistrappen, kan een belangrijke maatregel zijn om de aantallen weer toe te laten nemen. Deze maatregel zou ook voor de andere priksoorten voordelig kunnen zijn.

Verder lezen

Ben je na het lezen van deze blog geïnteresseerd geraakt in prikken? Je kunt meer lezen over deze kaakloze vissen op de website van RAVON. Deze organisatie doet veel onderzoek naar de prikken in Nederland en heeft de meest relevante informatie. Daarnaast raden we je aan het boek ‘Visatlas van Nederland’ van RAVON en Sportvisserij Nederland te lezen. Veel informatie die je in deze blog vindt, komt uit deze atlas, maar er staat nog veel meer in over prikken. Ook alle andere vissen in Nederland worden uitvoerig in dit boek besproken en het is met recht een standaardwerk te noemen. De Visatlas van Nederland is via deze link te bestellen bij bol.com.

Visatlas van Nederland

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!