Distelvink (Putter) – Herkenning, zang, kenmerken & leefgebied

Distelvink (putter) soortpagina. Hier vind je alles over deze vinkachtige (de Natuur van hier)

De distelvink (putter) is een kleurrijke zangvogel uit de familie vinkachtigen die in grote delen van Nederland voorkomt. Met zijn rode masker en gele vleugelstrepen is het een van de meest opvallende vinken in ons landschap. Je ziet hem vooral in bloemrijke graslanden, in akkerranden en in tuinen met veel zaaddragende planten. Op deze pagina lees je hoe je de distelvink herkent, waar hij van leeft en hoe je distelvinken kunt helpen.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Kenmerken van de distelvink (putter)

De distelvink is bij de meeste mensen beter bekend onder de naam putter. De wetenschappelijke naam is Carduelis carduelis. De distelvink (putter) heeft zich de laatste jaren goed weten aan te passen aan het menselijke landschap, waardoor het goed gaat met deze vinkachtige in Nederland. Het is een opvallende verschijning, zowel qua verenkleed als qua zang. Distelvinken bereiken een lichaamslengte van 10,5 tot 13,5 centimeter en een spanwijdte van 21 tot 25 centimeter. Volwassen vogels wegen 14 tot 19 gram.

De distelvink (putter) heeft een kleurrijk verenkleed
De distelvink (putter) heeft een kleurrijk verenkleed

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Verenkleed man en vrouw

Waar er bij de vink sprake is van seksuele dimorfisme (een duidelijk verschil in verenkleed tussen man en vrouw), is dit bij de distelvink niet het geval. Man en vrouw distelvink (putter) lijken namelijk sterk op elkaar en hebben dus beide een kleurrijk verenkleed.

Distelvinken hebben een rood masker, met verder een zwart-witte kop. Ze hebben verder zwarte vleugels, met een opvallende gele vleugelstreep die vooral in vlucht erg goed opvalt. De slagpennen hebben witte toppen. Daarnaast hebben ze een zwarte staart met witte vlekken. De bovenzijde is overwegend bruin. Bij de borst wordt het verenkleed grijzer en de onderzijde is meer wit gekleurd.

Geslachtsonderscheid

Onderscheid tussen man en vrouw is dus minder goed zichtbaar als bij sommige andere vinken. Mannetjes en vrouwtjes zijn echter uit elkaar te houden, voor degene die goed kijken. Het opvallendste verschil zit hem in het rode masker. Bij mannetjes loopt het rood door tot achter het oog, bij vrouwtjes loopt het rood tot halverwege het oog. Mannetjes hebben daarnaast in het zomerkleed een dieper gekleurd masker en dieper gekleurde gele vleugelstreep. Tot slot hebben mannetjes over het algemeen een grotere snavel.

Bij mannetjes distelvinken loopt het rode masker door tot achter het oog, bij vrouwtjes tot halverwege het oog. Daarnaast is het rode masker bij mannetjes feller gekleurd en hebben ze een iets grotere snavel. Op deze foto zijn de verschillen tussen mannetje en vrouwtje goed te zien (de Natuur van hier)
Bij mannetjes distelvinken loopt het rode masker door tot achter het oog, bij vrouwtjes tot halverwege het oog. Daarnaast is het rode masker bij mannetjes feller gekleurd en hebben ze een iets grotere snavel. Op deze foto zijn de verschillen tussen mannetje en vrouwtje goed te zien (de Natuur van hier)

Adult distelvink vs. juveniel distelvink

Waar man en vrouw distelvink lastig uit elkaar te houden zijn, zijn juveniele distelvinken goed te onderscheiden van de volwassen dieren. Juveniele distelvinken hebben een meer grijsbruin verenkleed met kleine zwarte vlekken. Ze hebben daarnaast een effen bruine kop. Wel hebben ze net zoals de volwassen exemplaren de zwarte vleugels met opvallende, gele vleugelstrepen. Hieraan kun je dus goed herkennen dat je met een (juveniele) distelvink te maken hebt.

Snavel

Distelvinken hebben een vrij lange en spitse snavel waarmee ze goed zaden kunnen eten (zelfs zaden die voor veel andere soorten onbereikbaar zijn, zoals de zaden van de kaardenbol). De snavel is in het zomerkleed volledig wit, in de winter wordt de snavelpunt donkerder. Mannetjes hebben verder nog een iets grotere snavel dan vrouwtjes.

Vluchtbeeld

In vlucht is de distelvink goed te herkennen aan de opvallende gele vleugelstrepen, die duidelijk afsteken tegen de zwarte vleugels. Het geel licht vooral op wanneer de vogel van plek naar plek vliegt. De vlucht is licht en golvend, met snelle vleugelslagen afgewisseld door korte glijmomenten. Distelvinken vliegen vaak in kleine groepjes en laten zich daarbij regelmatig horen met hun kenmerkende roep.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Distelvink
Wetenschappelijke naam Carduelis carduelis
Kenmerken Rood gezicht, zwart-witte kop, gele vleugelstrepen
Zang Vrolijk geratel met heldere fluittonen, vaak vloeiend
Habitat Platteland bij dorpen en boerderijen en in buitenwijken van steden
Broeden in NL Talrijk
Broedparen 46,000-58,000

Waarom heet de distelvink ook wel putter?

De naam putter wordt vaak verklaard vanuit het geluid dat de distelvink maakt: een helder, klingelend “put-put” dat vooral tijdens de vlucht te horen is. In de loop der tijd raakte deze naam ook verbonden met een minder fraai verleden, waarin distelvinken veelvuldig in kooitjes werden gehouden.
Omdat de naam distelvink verwijst naar het natuurlijke voedsel en gedrag van de vogel, gebruiken wij bij voorkeur deze benaming, met putter als aanvullende naam.

Zang en roep

De distelvink heeft een helder en levendig geluid, dat goed past bij zijn actieve en beweeglijke gedrag. De roep is een scherp, klingelend “tieteliet’ of “put-put”, vaak te horen wanneer de vogel overvliegt en contact houdt met soortgenoten.

Roep distelvink (Xeno-canto – Lee Alder)

De zang bestaat uit snelle reeksen trillers en heldere tonen, soms afgewisseld met korte pauzes. Vooral in het voorjaar zingen mannetjes er op los, vaak vanaf een hoge zangpost zoals een boomtop of een struik. Distelvinken zingen ook regelmatig in vlucht, wat bijdraagt aan hun opvallende aanwezigheid in het landschap.

Zang distelvink (Xeno-canto – Francesco Sottile)

Meer vogelgeluiden leren herkennen? Lees dan eens onze blog vogelgeluiden leren herkennen om de geluiden van de meest algemene tuinvogels te herkennen!

Mannetjes distelvinken gebruiken vaak een hoge boomtop of struik om vanuit daar hun melodieuze zang te laten horen, die zich wijd door het landschap versprijd (de Natuur van hier)
Mannetjes distelvinken gebruiken vaak een hoge boomtop of struik om vanuit daar hun melodieuze zang te laten horen, die zich weid door het landschap verspreid (de Natuur van hier)

Gedrag

Distelvinken zijn sociale vogels die buiten de broedtijd vaak in groepen te zien zijn. Gezamenlijk trekken ze door het landschap en zoeken ze naar voedsel. Dit doen ze al kwetterend en zingend, en vliegen zo van de ene plek naar de andere plek.

Paargedrag en nestbouw

In grote wintergroepen worden vaak al paartjes gevormd (al gebeurt dit soms ook in het vroege voorjaar). Het vrouwtje begint dan vervolgens met het maken van een nest in een boom of struik . Als nestmateriaal wordt van alles gebruikt: bladeren, grassen, mossen, korstmossen en veertjes. Het vrouwtje maakt zelf het nest, het mannetje draagt echter wel nestmateriaal aan. Meestal worden er twee legsels per seizoen gemaakt door de distelvink, soms drie. Per legsel worden er 4 tot 6 eieren gelegd die in ongeveer 10 dagen worden uitgebroed. Na 13 tot 18 dagen vliegen de jongen uit. De jongen worden dan nog een á twee weken bijgevoerd door de ouders.

Foerageergedrag en voedselkeuze

Het is seizoensafhankelijk hoe distelvinken naar voedsel zoeken. In de winter foerageren distelvinken vaak in grote, losse groepen, die regelmatig gemengd zijn met andere vinkachtigen, zoals vinken en kepen. Buiten de winter zoeken ze doorgaans in kleinere groepjes of paartjes naar voedsel. Tijdens de broedperiode is het foerageergedrag meer territoriaal en beperken distelvinken zich vooral tot de omgeving van het nest. Het voedsel (hoofdzakelijk zaden) wordt voornamelijk gezocht in open gebied, zoals bermen, graslanden en akkers met granen en onkruiden.

Een (deel van een) grote groep vinkachtigen in de winter, gezamenlijk op zoek naar voedsel op een akker met granen en kruiden die nog vol met zaden zitten. De totale groep bevatte minimaal 400 vogels en bestond onder ander uit distelvinken (putter), kepen en vinken (de Natuur van hier)
Een (deel van een) grote groep vinkachtigen in de winter, gezamenlijk op zoek naar voedsel op een akker met granen en kruiden die nog vol met zaden zitten. De totale groep bevatte minimaal 400 vogels en bestond onder andere uit distelvinken (putters), kepen en vinken (de Natuur van hier)

Distelvinken eten dus voornamelijk zaden. Vooral zaden van composietplanten zoals paardenbloem, distels en zonnebloemen worden gegeten. Ook kaardenbol is favoriet bij distelvinken. Met hun lange en spitse snavel kunnen ze goed bij de moeilijk bereikbare (voor veel andere vogels) zaden. In de winter eten ze daarnaast ook zaden van bomen zoals berk en els. Daarnaast bezoeken ze in de winter ook regelmatig voedertafels in tuinen, op zoek naar zonnebloempitten of andere zaden. De jongen krijgen veel insecten als voedsel. Dit is een belangrijke eiwitbron en energiemotor voor de jongen distelvinken die zo snel groeien.

Waarneming uit het veld

In onze natuurtuin is de distelvink een graag geziene gast. In ieder seizoen zien we de distelvinken terug in onze tuin en meestal zijn ze op zoek naar voedsel. Al druk roepend en zingend komen ze in paartjes of in kleine groepen de natuurtuin in en gaan dan op zoek naar zaaddragende planten. Achterin de tuin hebben we grote kaardenbol staan en dit is een ware distelvink magneet. Na de bloei in de zomer, blijven de stekelige bloemkoppen staan, die dan nog vol zitten met zaden. De distelvinken blijven terugkomen naar deze bloemkoppen en eten deze leeg tot de laatste zaden die erin zitten opgegeten zijn. Hiervan kunnen we vaak tot diep in de winter genieten (laat uitgebloeide bloemen dus altijd staan gedurende de winter!).

Maar ook de paardenbloem is geliefd bij distelvinken. Deze bloeit rijkelijk in ons kruidenrijk grasland en uitgebloeide paardenbloemen zijn een waar feestje voor de distelvinken. Onderstaande foto hebben we kunnen maken vanuit onze keuken. De distelvink kwam af op de uitgebloeide paardenbloem, die nog geen meter van het keukenraam stond. Door rustig vanaf de keukenvloer te kijken, konden we de distelvink aandachtig bekijken en fotograferen, terwijl deze zijn natuurlijke gedrag vertoonden. Fantastisch om dit vanuit je eigen huis te kunnen bekijken!

Distelvinken kunnen met hun lange, spitse snavel goed bij zaden bij composietplanten en andere zaaddragende planten (de Natuur van hier)
Distelvinken kunnen met hun lange, spitse snavel goed bij zaden bij composietplanten en andere zaaddragende planten (de Natuur van hier)

Leefgebied en verspreiding

De distelvink is een vogel van het open tot halfopen landschap, waar voldoende zaaddragende planten aanwezig zijn. Oorspronkelijk was de soort vooral te vinden in bloemrijke graslanden, langs bosranden en in open struweel. Tegenwoordig profiteert de distelvink ook van het door de mens gevormde landschap en is hij op veel meer plekken te zien.

In Nederland komt de distelvink vooral voor in agrarische gebieden met kruidenrijke akkerranden, in extensief beheerde graslanden, langs wegbermen en dijken, maar ook in tuinen, parken en buitenwijken. Voorwaarde is wel dat er voldoende natuurlijke voedselbronnen aanwezig zijn, zoals distels, paardenbloemen, kaardenbol en andere zaaddragende planten. Monotone, intensief beheerde graslanden zonder bloeiende kruiden zijn niet geschikt als leefgebied.

Kruidenrijke grasland vormt een belangrijk leefgebied voor de distelvink, vanwege de vele zaaddragende planten die erin voorkomen (de Natuur van hier)
Kruidenrijke grasland vormt een belangrijk leefgebied voor de distelvink, vanwege de vele zaaddragende planten die erin voorkomen (de Natuur van hier)

Tijdens de broedperiode zoekt de distelvink beschutting in struiken, hagen en kleine bomen, waar goed verborgen een nest kan worden gemaakt. Daarbij wordt vaak gekozen voor locaties in de buurt van open terrein, zodat voedsel gemakkelijker bereikbaar blijft. Buiten de broedtijd zijn distelvinken minder plaatsgebonden en zwerven ze door het landschap op zoek naar plekken met veel zaden.

De distelvink is in heel Nederland een algemene broedvogel, met hogere dichtheden in kleinschalige landbouwgebieden en in landschappen met veel groene structuren. Ook in stedelijke gebieden is de soort de laatste decennia duidelijk toegenomen, mede dankzij natuurrijke tuinen en het aanbieden van zaden bij voedertafels. Op onderstaande afbeelding van SOVON is de verspreiding van de distelvink in Nederland te zien.

Op Europese schaal komt de distelvink voor in grote delen van Europa, Noord-Afrika en West-Azië. In het noorden en oosten van Europa zijn distelvinken vaker trekvogels, terwijl populaties in Zuid- en West-Europa grotendeels standvogel zijn. Nederland ligt in een overgangsgebied, waar zowel standvogels als overwinterende vogels uit noordelijker gebied voorkomen.

Voortplanting

Distelvinken broeden van april tot en met juli en hebben meestal 2 en soms 3 legsels per jaar (afhankelijk van het aanbod insecten, hoofdvoedsel voor de jongen, gedurende het seizoen). Het nest wordt gemaakt in struiken, hagen of bomen, die in open of halfopen gebied staan. Voorbeelden van geschikte locaties om een nest te maken zijn tuinen, groene erven, parken, bosranden en houtwallen, in de buurt van open terrein om gemakkelijk en snel voedsel te kunnen vinden. Het vrouwtje bouwt een komvormig nest op een goed verscholen plek in de vegetatie. Het mannetje voert verschillend soort nestmateriaal aan: grassen, mossen, korstmossen en veertjes.

Meestal worden er 4 tot 6 eieren gelegd. De eieren zijn lichtblauw van kleur met donkere vlekken. Na 10 tot 12 dagen komen de eieren uit. Het vrouwtje broedt de eieren uit, het mannetje houdt de omgeving in de gaten en levert voedsel aan. Als de jongen geboren zijn dan krijgen ze hoofdzakelijk eiwitrijke insecten als voedsel. Na 13 tot 18 dagen vliegen de jongen uit. Ze worden dan nog ongeveer 2 weken bijgevoerd.

In stand houden van de populatie

Een bloemrijke omgeving is cruciaal voor het grootbrengen van de jongen. Nectarbloemen trekken immers insecten aan, het voedsel waar de jongen op worden grootgebracht. Belangrijkste redenen waarom nesten mislukken zijn dan ook een voedseltekort, aangestuurd door een insectenarme omgeving of door aanhoudende slechte weersomstandigheden. Daarnaast kan verstoring er ook voor zorgen dat een nest mislukt. Door verstoring kan het zijn dat de ouders onvoldoende voedsel aangevoerd krijgen, waardoor één of meerdere jongen het niet redden.

Essentieel is het voor de populatie distelvinken dat ieder paartje minimaal 2 en in sommige jaren 3 succesvolle legsels hebben. Niet alle jongen zullen volwassen worden en zelf ook aan broeden toekomen. Voor die tijd zal een deel van de nieuwe aanwas al uitgevallen zijn door verschillende redenen. Een deel van de jongen valt ten prooi aan predatoren (kiekendieven, boomvalken, huiskatten, etc.) en sommige komen om door voedselgebrek (op trek of doordat ze geen eigen territorium kunnen vinden).

Trekgedrag van de distelvink

De distelvink is een gedeeltelijke trekvogel. Een deel van de Nederlandse populatie blijft het hele jaar in ons land, terwijl andere distelvinken in de herfst en winter zuidelijker trekken of rondzwerven op zoek naar voedsel.

Vooral in de winter kunnen grote aantallen distelvinken worden gezien, soms aangevuld met vogels uit Noord- en Oost-Europa. Deze wintergroepen zwerven door het landschap en verzamelen zich op plekken waar veel zaden beschikbaar zijn.

In het voorjaar keren de trekkende distelvinken terug naar hun broedgebieden. De trekafstanden zijn over het algemeen beperkt en sterk afhankelijk van de weersomstandigheden en voedselbeschikbaarheid. Hierdoor verschilt het trekgedrag per jaar en per individu.

Distelvinken in de tuin

Distelvinken zijn steeds vaker bezoekers van tuinen, mits deze aan een aantal voorwaarden voldoen. Vooral groene tuinen met bloemen, kruiden en zaden worden bezocht. Daarnaast komen ze soms ook af op voedertafels, maar natuurlijke voedselbronnen zijn belangrijker voor ze.

Wil je dus distelvinken in je tuin, zorg dan eerst dat je de natuurlijke voedselbronnen op orde krijgt. Plant zaadplanten aan (of laat ze staan als ze spontaan opkomen), zoals grote kaardenbol, distels (zoals akkerdistel, kruisdistel en speerdistel), paardenbloemen, zonnebloemen, grote klit en teunisbloemen. Belangrijk hierbij is dat je uitgebloeide planten tot na de winter laat staan, zodat ze voldoende voedsel in de winter kunnen vinden. Zorg er dus voor dat je tuin niet te opgeruimd is. Als je planten gaat aanplanten, kies dan altijd voor biologische planten. Deze bevatten geen pesticiden en zijn dus niet giftig voor insecten en vogels!

Daarnaast kun je natuurlijk ook nog bijvoeren, zeker in de winterperiode. Distelvinken zijn gek op zonnebloempitten. Verder zou je ook nog een zadenmix kunnen aanbieden. Kies wederom voor biologisch vogelvoer, dan weet je zeker dat het de vogels niet schaadt!

Biedt het voer aan in een voedersilo of op een voedertafel. Heb je een wat grotere tuin? Maak dan meerdere voederplekken en kies rustige plekken uit waar je het voer aanbiedt. Zorg tot slot ook nog voor een aantal struiken en bomen in je tuin, zodat ze een veilige plek hebben.

Interessante weetjes

Tot slot hebben we nog een aantal interessante weetjes over distelvinken (putters) op een rijtje gezet:

  • Distelvinken zijn gespecialiseerd in het eten van zaden van composietplanten, zoals distels en kaardenbol, waar veel andere vogels moeilijk bij kunnen.
  • De soort zingt niet alleen vanaf een zangpost, maar laat ook regelmatig zijn zang horen tijdens de vlucht.
  • Juveniele distelvinken missen het kenmerkende rode masker en hebben een meer onopvallend bruin verenkleed.
  • Distelvinken vormen buiten de broedtijd vaak grote groepen, soms samen met andere vinkachtigen.
  • De naam putter is afgeleid van de heldere roep die distelvinken laten horen tijdens de vlucht.
  • Distelvinken profiteren sterk van natuurrijke tuinen en bloemrijke bermen.
  • In de winter kunnen distelvinken uit Noord- en Oost-Europa in Nederland overwinteren.

Veelgestelde vragen

Is de distelvink een standvogel?

De distelvink is een gedeeltelijke trekvogel. Een deel van de Nederlandse distelvinken blijft het hele jaar in ons land, terwijl andere vogels in de winter zuidelijker trekken of rondzwerven op zoek naar voedsel. In de winter worden Nederlandse vogels vaak aangevuld met distelvinken uit Noord- en Oost-Europa.

Wat eet een distelvink in de winter?

In de winter bestaat het voedsel van de distelvink vooral uit zaden. Vooral zaden van distels, kaardenbol, paardenbloem, zonnebloem en bomen zoals berk en els worden gegeten. Ook biologisch vogelvoer, zoals zonnebloempitten en nigerzaad, wordt in tuinen graag benut.

Wanneer broedt de distelvink?

Distelvinken broeden meestal van april tot en met juli. In deze periode kunnen zij twee, en soms zelfs drie legsels grootbrengen. De timing hangt sterk samen met het voedselaanbod en de weersomstandigheden.

Waarom zie ik distelvinken vaak in groepen?

Buiten de broedtijd zijn distelvinken sociale vogels die graag in groepen leven. Door samen te foerageren vergroten ze de kans op het vinden van voedsel en zijn ze beter beschermd tegen predatoren. In de winter kunnen deze groepen behoorlijk groot worden.

Hoe kan ik distelvinken naar mijn tuin lokken?

Distelvinken voelen zich vooral thuis in tuinen met veel bloeiende en zaaddragende planten. Door planten zoals kaardenbol, distels en paardenbloemen te laten staan, bied je een natuurlijke voedselbron. In de winter kun je dit aanvullen met biologisch vogelvoer, zoals zonnebloempitten of nigerzaad.

Wat is het verschil tussen een distelvink en een putter?

Er is geen verschil: distelvink en putter zijn twee namen voor dezelfde vogelsoort. De naam putter is afgeleid van de kenmerkende roep van de vogel, terwijl de naam distelvink verwijst naar het voedsel en leefgedrag.

Is de distelvink een beschermde vogel?

Ja, de distelvink is in Nederland een beschermde inheemse vogelsoort. Het is niet toegestaan om de vogels, hun nesten of eieren te verstoren, te vangen of te verhandelen.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Akkervogels in Nederland

Gele kwikstaart (de Natuur van hier)

Nederland bestaat voor een groot deel uit agrarisch gebied. Van oudsher zijn veel vogelsoorten gebonden aan dit landschap, wat bestond uit kleinschalige bloeiende akkerpercelen omringd met heggen en houtsingels. Dit landschap is de laatste decennia sterk veranderd, waardoor veel akkervogels het zwaar hebben. In deze blog aandacht voor de akkervogels die we in Nederland kennen.

Omslagfoto: gele kwikstaart (de Natuur van hier)

De patrijs is misschien wel het bekendste voorbeeld van een akkervogel in nood (de Natuur van hier)
De patrijs is misschien wel het bekendste voorbeeld van een akkervogel in nood (de Natuur van hier)

Inhoudsopgave

Wat zijn akkervogels?

Akkervogels zijn vogels die op of in de buurt van akkers broeden en daar ook hun voedsel vinden. Veelal broeden akkervogels op de grond, goed verscholen tussen de vegetatie of aan de voet van een haag. Akkervogels vinden voedsel in de vorm van granen en onkruidzaden, maar sommige soorten eten ook de insecten die op de bloemen afkomen. Er zijn ook een aantal roofvogels die in de akkers jagen op (zang)vogels en muizen.


Lees ook: de teloorgang van de zomertortel en de opkomst van de bijeneter


Akkervogels

De akkervogels zijn grofweg in te delen in de zangvogels, fazantachtigen, roofvogels & uilen en een overige categorie. Ieder met hun eigen levenswijze, op hun eigen plek in het akkerlandschap.

Zangvogels

Zoals in praktisch ieder biotoop zijn er zangvogels te vinden. De kleine, vlugge en luidruchtige vogels zorgen voor leven in de brouwerij. Binnen het akkerlandschap zijn er zangvogels die het kleinschalige landschap prefereren, maar ook soorten die houden van de open en weidse velden.

Zangers van het kleinschalige landschap

Een aantal zangvogels prefereren het kleinschalige landschap, waarin akker worden afgewisseld met landschapselementen zoals scheerheggen, struweelhagen en houtsingels. Kneuen leven in grote groepen en bewonen meidoornhagen en braamstruwelen. De ringmus voelt zich thuis in een kleinschalig landschap met akkers en bomen met holen, waarin ze kunnen broeden

Geelgorzen broeden in heggen en houtsingels en vinden voedsel (grotendeels zaden) op de akkers. Ook de grauwe gors kwam vroeger een stuk meer voor in Nederland, maar is tegenwoordig nog maar op enkele plekken te vinden in ons land.

Zangers van het open veld

Meer in het open terrein voelen andere zangvogels zich thuis. De bekendste hiervan is misschien wel de veldleeuwerik. Met zijn prachtige zang en sierlijke vlucht geven ze kleur aan het landschap. Helaas is de soort sinds de jaren ’70 met 95% afgenomen.

Ook kwikstaarten zijn bewoners van de open akkergebieden. De witte kwikstaart, gele kwikstaart en Engelse kwikstaart voelen zich thuis op de akkers. Ze broeden er veelal op de grond en struinen de akkers af op zoek naar insecten.

Gele kwikstaarten op de akkers
In Nederland komen verschillende soorten gele kwikstaarten voor. Twee daarvan zijn geregeld te vinden op akkers: de gele kwikstaart en de Engelse kwikstaart. De gele kwikstaart (man) heeft een gele keel en borst, en een prachtige blauwgrijze kop met een witte wenkbrauwstreep. De mannetjes van de Engelse kwikstaart hebben ook een gele keel en borst, maar een geelgroene kop.
De andere twee gele kwikstaarten zijn de grote gele kwikstaart en de Noordse kwikstaart. De grote gele kwikstaart leeft voornamelijk langs stromende beken en de Noordse kwikstaarten is enkel in ons land te bewonderen als doortrekker.

Wintervoedsel

Dan zijn er nog een aantal zangvogels die akkers gebruiken om in de winter voldoende voedsel te vinden. Op speciaal ingerichte akkers vinden soorten zoals graspiepers, groenlingen, vinken, en distelvinken in de winter voedsel in de vorm van zaden van granen, kruiden en grassen. Cruciaal voor deze soorten om de winter door te komen.

Fazantachtigen

Dan zijn er nog een aantal typische akkervogels die behoren tot de fazantachtigen. Drie soorten behorend tot deze familie komen voor in de Nederlandse akkers: de kwartel, de patrijs en de fazant. Deze grondbroedende vogels leggen over het algemeen veel eieren (meer dan 10 is vrij normaal) en voeden zich met zaden van grassen, onkruiden en granen en met insecten.

De kwartel is de kleinste van het stel. Ze hebben een donkerbruin verenkleed met lichtgele strepen. Maar zien doe je ze niet snel, je zult ze eerder horen. Het bekende kwik-me-dit, kwik-me-dat geluid is vooral op zomeravonden goed te horen in graanvelden.

De patrijs is een stukje groter dan de kwartel. Het is misschien wel hét bekendste voorbeeld van vogelsoorten die drastisch te leiden hebben gehad onder de intensivering van de landbouw. De populatie is sinds de jaren ’70 met 95%(!) afgenomen. De eens zo normale broedvogel is nu bijna een zeldzaamheid geworden.

Tot slot nog de fazant. Deze kleurrijke verschijning komt hier van origine niet voor maar is in het verleden (en nu nog steeds, maar dan illegaal) uitgezet als jachtwild. Fazanten zijn in Nederland het hele jaar door op akkerland te zien, het zijn standvogels.


Lees ook: Kraaien in Nederland – deel I


Roofvogels & uilen

Een van de kleinste roofvogels die je boven een akker zult zien is de torenvalk. Deze valk hangt vaak biddend boven een akker of grasland, op zoek naar veldmuizen. Torenvalken hebben een roodbruine rug. Het mannetje heeft een grijze kop en staart. Vrouwtjes zijn minder opvallend bruin en hebben een gebandeerde staart.

Daarnaast zijn er nog de slanke en elegante kiekendieven die graag gebruik maken van akkers. De grauwe kiekendief broedt nog met enkele tientallen, vooral in de provincie Groningen. Hier broeden ze vooral in graan- en luzerneakkers. Met de blauwe kiekendief is het minder goed gesteld in ons land. Deze is namelijk bijna uitgestorven als broedvogel in Nederland. Tot slot is er zo nu en dan nog een dwaalgast in de akkers in Nederland ontdekt: de steppekiekendief. Deze mysterieuze vogel van de steppes in Rusland is echter voor het eerst in 2017 tot broeden gekomen in Nederland, ergens in (wederom) Groningen.

Uilen

Dan zijn er ook nog een aantal uilen die gebruik maken van het (half)open akkerlandschap. Het kleinste uitlje van Nederland, de steenuil, is een typisch voorbeeld van kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Ook de ransuil en kerkuil maken gebruik van het open akkerveld om op muizen te jagen. Ransuilen broeden in bomen, kerkuilen broeden vaak ook op (boeren)erven in schuren.

Tot slot komt ook de velduil voor in het akkerlandschap. Wanneer de omstandigheden gunstig genoeg zijn kunnen ze er zelfs soms broeden. Het nest maken ze op de grond. Het zijn geen echte trekvogels, maar verplaatsen zich naar waar de omstandigheden het beste zijn.

Overige akkervogels

Dan zijn er nog een aantal akkervogels die niet in bovenstaande groepen in te delen zijn. Sommige soorten zijn typische akkervogels, andere komen naast het akkerlandschap ook nog in andere biotopen voor.

De zomertortel, een duivensoort die zich thuis voelt in het kleinschalige agrarische landschap. Helaas is de soort sterk afgenomen, onder andere door jacht in Zuid-Europa en de schaalvergroting in de landbouw. Een andere bijzondere akkervogel is de kwartelkoning. Kwartelkoningen laten zich lastig zien, een belangrijk aspect van het leefgebied is dan ook voldoende dekking. Mannetjes maken in het voorjaar een kenmerkend crex-crex geluid, dat tot ver te horen is.

Tot slot zijn er nog twee soorten die normaliter eerder tot de weidevogels worden gerekend, maar toch ook regelmatig op bouwland te vinden zijn. Dit geldt zowel voor de scholekster als voor de kievit. Beide soorten profiteren van het open land en de afwisseling van gras- en bouwland.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!