Waarom bouwen en maken bevers dammen?

Beverdam

Waarom bouwen bevers dammen? Of, zoals mensen het ook wel noemen, waarom maken bevers dammen? En waarom maken bevers dammen in beken, sloten en rivieren? Die vragen krijgen we vaak, zeker nu bevers op steeds meer plekken in Nederland opduiken. Waar de één gefascineerd kijkt naar een groeiende dam, ziet de ander ineens ondergelopen weilanden of omgevallen bomen. Dit levert in Nederland soms discussie op.

Bevers bouwen hun dammen niet zomaar. Het is geen toeval dat ze een bepaalde plek uitkiezen of ‘overlastgedrag’. Met het bouwen van dammen vormen ze op een slimme manier hun leefgebied. In deze blog leggen we uit waarom bevers dammen bouwen, wat het verschil is tussen bouwen en maken, hoe een beverdam werkt en wat dit betekent voor natuur, water en mens.

Bever op het land - biodiversiteit in een nat landschap (Bever (Saxifraga - Mark Zekhuis))
Bevers zien er wat lomp uit, maar ze zijn volledig aangepast op het leven in water (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Inhoudsopgave

De bever (Castor fiber)

De bever is het grootste knaagdier van Europa en kan tot één meter lang worden (kop-romplengte). Bevers zien er op het land wat plomp uit, maar in het water zijn ze uiterst behendig. Ze hebben een dikke, bruine vacht, die waterafstotend is. Zo kunnen ze hun lichaam ook op temperatuur houden in koud water.

De kleine ogen, oren en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat ze tijdens het zwemmen maar een klein gedeelte van het hoofd boven water hoeven te houden. De dikke, platte, geschubde staart dient als een soort roer, waarmee ze zich makkelijk door het water kunnen bewegen. De zwemvliezen tussen de tenen dragen hier ook aan bij. Bevers worden in de natuur zo’n acht tot twaalf jaar oud.

Vroeger kwam de bever algemeen voor in ons waterrijke land en was het een van de belangrijkste architecten van de natuur. Maar door intensieve bejaging stierf de bever uit in Nederland. Sinds 1988 zijn ze weer in ons land te vinden en doen ze weer wat ze altijd al hebben gedaan: ze bouwen dammen.

Bever verspredingskaart in Nederland (NDFF en Zoogdierenvereniging)
Verspreidingskaart van de bever in Nederland (NDFF en Zoogdierenvereniging)

Wat is een beverdam?

Een beverdam is een door bevers aangelegde blokkade in stromend water. Ze bouwen dammen van:

  • Takken en stammen
  • Modder en klei
  • Bladeren en plantenresten

Door een dam te maken, vertraagt of stopt de waterstroom. Achter de dam ontstaat een plas of moerasachtig gebied: precies het leefgebied dat bevers nodig hebben.

Als bevers langere tijd op dezelfde plek (kunnen) blijven, kunnen ze meerdere dammen bouwen. Er ontstaan dan meerdere plassen. In en rondom deze plassen en moerasachtige gebieden groeit de biodiversiteit vaak enorm.

Bever op weg naar burcht - Saxifraga - Mark Zekhuis)
De oren, ogen en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat er maar een klein gedeelte van het hoofd boven water gehouden hoeft te worden (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Waarom bouwen bevers dammen?

Bevers bouwen dammen om hun leefomgeving veiliger en stabieler te maken. Dat doen ze om meerdere redenen tegelijk.

1. Veiligheid door voldoende water

Bevers voelen zich het veiligst in het water. Hoewel ze zich op het land ook kunnen voortbewegen, zijn ze daar kwetsbaarder. Door dammen te bouwen verhogen bevers het waterpeil en zorgen ze ervoor dat hun leefgebied nat blijft, ook in drogere periodes. Voldoende water is essentieel: alleen zo kunnen bevers hun burcht veilig bereiken en zich snel terugtrekken bij gevaar.

2. Een veilige burcht met onderwateringang

Het leven van een bever speelt zich grotendeels af in en rond de burcht. Deze bestaat uit zowel natte als droge delen. De ingang van de burcht ligt altijd onder water en komt uit in een natte ‘hal’, waar de bever zich droog kan schudden. Van daaruit leidt een gang naar de nestkamer, ook wel slaapkamer genoemd. Deze ligt hoger, is volledig droog en bekleed met houtsnippers. Door het waterpeil hoog te houden met een dam, blijft deze onderwateringang altijd bereikbaar en veilig, en onbereikbaar voor roofdieren.

3. Bescherming tegen vijanden

Dieper water biedt bevers een belangrijk voordeel. In het water kunnen ze snel wegduiken en ontsnappen aan gevaar. Roofdieren zoals wolven, vossen en honden mijden diep water en kunnen moeilijk bij een burcht waarvan de ingang onder water ligt. De dam fungeert daarmee niet alleen als waterbeheer, maar ook als een effectieve bescherming tegen vijanden.

beverdam in rivier – dam gebouwd door bevers
Binnen in de beverdam bevinden zich kamers waar de bever buiten het bereik van roofdieren kan uitrusten.

4. Toegang tot voedsel

Bevers zijn echte vegetariërs. Ze eten planten, kruiden, bloemen, bladeren en knoppen van twijgen. Houtachtige delen van planten, struiken en bomen worden niet gegeten, maar gebruikt voor het bouwen van dammen. Bevers houden geen winterslaap. Ze leggen daarom een voedselvoorraad aan in hun burcht, om de winter goed door te komen. Bevers zijn monogaam en leven als een familie in een burcht. In Nederland zijn er zo’n 3500 exemplaren te vinden.

Door het waterpeil te verhogen, kunnen ze zwemmend bij bomen komen die anders te ver van het water staan. Dat scheelt energie en risico. Twijgen en takken blijven daarnaast langer vers in het water, zodat ze in de winter altijd vers eten hebben.

Waarom bouwen en maken bevers dammen in stromend water?

De vraag “waarom maken bevers dammen” wordt vaak gesteld wanneer mensen ze zien werken in een beek of rivier. Het antwoord is simpel: bevers houden niet van stromend water.

Stromend water kan ervoor zorgen dat hun dam en burcht weggespoeld worden. Het is daarom van groot belang dat de dam op de juiste wijze gebouwd wordt en dat ze rekening houden met de stroming van de beek of rivier.

In stromende beken en rivieren:

  • Spoelt hun leefgebied weg
  • Wordt het water te ondiep
  • Kunnen ingangen van burchten droogvallen

Door dammen te maken (actief aanleggen en onderhouden) zetten bevers stromend water om in stilstaand of langzaam stromend water. Daarmee beheren ze hun eigen leefgebied.

Afhankelijk van de breedte van de rivier, de sterkte van de stroming en de samenstelling van de beverfamilie, kan een beverdam sterk in grootte variëren. Er zijn beverdammen bekend die nauwelijks een meter lang zijn, maar ook beverdammen met een lengte van tien meter zijn niet ongewoon.

beverburcht en biodiversiteit in nat landschap (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Beverdammen zijn er in allerlei soorten en maten (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Hoe bouwen bevers een dam?

Het bouwen van een dam gebeurt stap voor stap:

  1. Bevers plaatsen takken dwars op de waterstroom
  2. Ze verzwaren de constructie met modder en stenen
  3. De dam wordt steeds hoger en steviger
  4. Water hoopt zich op achter de dam

Een beverdam is echter niet zomaar een simpele hoop takken. De bever moet erg secuur werken. Zwakke punten in de dam worden blootgelegd bij hoog water en een sterke stroming. De kans dat de dam dan wordt weggespoeld, wordt groter. Daarom maken bevers een fundament van modder en stenen. Daarop worden dikke stammen gebruikt voor een stevige constructie, die als basis dient voor de rest van de takken. Bomen met een diameter tot ruim 60 centimeter worden omgeknaagd en in kleinere delen geknaagd, waarna de stammetjes worden gebruikt voor de dam en de twijgen en bladeren worden opgegeten. Bevers blijven de dam continu onderhouden en controleren op lekken.

Met het bouwen van de dam krikken bevers het waterpeil op tot maximaal één meter diep. Ze kunnen al overleven in lagere waterstanden, maar waarschijnlijk hebben ze liever een hogere waterstand om in de herfst voldoende voedsel te kunnen stallen om de winter door te komen.

Het bouwen van een dam is een serieuze klus en komt precies. Het is iets wat bevers op instinct kunnen, want ook bevers die geboren zijn in gevangenschap zijn in staat een dam te bouwen. Het lijkt er wel op dat juveniele dieren de vaardigheden verder perfectioneren door het observeren van het gedrag van hun ouders en broertjes en zusjes.

Wat doet een beverdam met de natuur?

Hoewel een beverdam soms als overlast wordt gezien, heeft hij grote ecologische waarde.

Ecologische impact van beverdammen

Beverdammen dragen bij aan natuurlijke waterberging, waardoor bij hevige regenval piekstroom wordt verminderd en watervoorraad lokaal stijgt. Deze natuurlijke structuren van beverdammen en vijvers dragen bij aan biodiversiteit en veerkracht van ecosystemen:

  • Het biedt een habitat voor bijvoorbeeld amfibieën (zoals salamanders), vissen, insecten en vogels. Er ontstaat een waterrijk, moerasachtig gebied met veel natte natuur. Hoge waterstanden en natte oevers zoals in een natuurlijke poel in je tuin zijn ideaal voor veel soorten.
  • De biodiversiteit neemt (enorm) toe, omdat er leefgebied is gecreëerd voor onder andere amfibieën, insecten en vogels. Daarnaast trekt het ook specifieke soorten aan voor moerasachtig gebied.
  • De vijvers vangen water op en geven het water langzaam af wanneer er droge periodes zijn. Zo zijn de risico’s tijdens en na zeer natte en zeer droge periodes minder groot.
  • Zulke vijvers zijn van grote waarde in het waterbeheer. De waterstroom vertraagt en het water wordt opgevangen. Hierdoor helpen beverdammen de risico’s op overstromingen te verminderen.
  • Doordat de waterstroom vertraagd wordt, erodeert er minder in de beken en worden de oevers stabelier.
  • De vijvers werken als een filter. Ze vangen sediment en verontreinigingen op. Het water wat aan de andere kant van de dam af stroomt, is daardoor van betere kwaliteit.

Bron: The Evironmental Literacy Council

Bevers worden daarom ook wel ecosysteemingenieurs of landschapsarchitecten genoemd: ze veranderen het landschap op een manier waar veel andere soorten van profiteren.

Met het bouwen van dammen zorgt de bever ervoor dat er permanente en tijdelijke poelen ontstaan. Deze zijn vaak een bron van biodiversiteit. Oevers begroeien met (zeldzame) planten die goed gedijen aan deze oevers. Deze trekken op hun beurt weer vliegende insecten. In het stilstaand water beginnen vissen te paaien en leggen juffers en libellen hun eieren. De (vliegende) insecten zijn weer een belangrijke voedselbron voor andere dieren zoals vogels. Door de het bouwen van dammen ontstaat er dus een heel nieuw ecosysteem in het gebied.

De mensen achter Mossy Earth gingen zelfs zo ver, dat ze in een gebied neppe beverdammen maken om het gebied weer te herstellen en de biodiversiteit er terug te brengen. Dit is allemaal te zien in de deze video.

bevervijver achter dam – ecosysteem door bevers gevormd
Bevers zorgen met het bouwen van dammen voor een hogere biodiversiteit in een gebied

Beverdammen en mensen

Levert een beverdam problemen op? Soms wel, maar vooral vanuit menselijk perspectief. Andere diersoorten passen zich aan, maar met name de mens vindt de veranderde situatie onwenselijk.

Mogelijke problemen

  • Overstroming van landbouwgrond
  • Wateroverlast bij wegen of bebouwing
  • Omvallende bomen

Daarom worden beverdammen in Nederland vaak:

  • Gemonitord (waar en hoe groot is de ‘overlast’)
  • Soms verlaagd
  • Zelden volledig verwijderd

De uitdaging is om ruimte te geven aan natuurlijke processen, zonder dat het tot schade leidt. Nederland wordt steeds voller en drukker. Er is veel ruimte voor bebouwing en wegen, en waarschijnlijk zal dat de komende jaren zo blijven en zelfs nog meer worden. Dieren, zoals in dit geval de bever, hebben hun eigen ruimte nodig. Helaas past dit vaak niet in het beleid van de mens, waardoor de bever moet wijken.

Beversporen langs het water - waarom bevers dammen bouwen
Beversporen langs het water (De Natuur van hier)

Waarom zijn bevers zo belangrijk voor het landschap?

Door dammen te bouwen:

  • Herstellen bevers oude natte landschappen
  • Maken ze gebieden klimaatbestendiger
  • Zorgen ze voor natuurlijke sponswerking van de bodem

Zeker met de extreme weersomstandigheden van de laatste en komende jaren is bovenstaande hard nodig. De mens heeft door de eeuwen heen zelf het landschap ontzettend veranderd. Wat de bever doet, is eigenlijk niets anders dan een heel oud, natuurlijk proces. Wat mensen soms “last” noemen, is in feite natuur die (weer) werkt zoals bedoeld.

Conclusie: waarom bouwen en maken bevers dammen?

Bevers bouwen en maken dammen om:

  • Veilig te leven, buiten bereik van roofdieren
  • Voedsel te bereiken en te kunnen opslaan
  • Water vast te houden
  • Hun leefgebied te optimaliseren

Een beverdam is geen toeval, maar het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Wie begrijpt waarom bevers dammen bouwen, kijkt vaak met andere ogen naar het landschap.


Meer natuurinspiratie?

Wil je meer lezen over natuurlijke processen, diersoorten, doe-het-zelfprojecten of tuinideeën? Kijk dan eens bij onze andere blogs. Hieronder hebben we een aantal uitgelicht:

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Wat is het verschil tussen een amfibie en een reptiel?

Vuursalamander

De termen amfibie en reptiel worden vaak onterecht door elkaar gebruikt. Salamanders worden regelmatig reptielen genoemd en hagedissen amfibieën. Het zijn echter twee verschillende diergroepen, die veel op elkaar lijken, maar zeker ook op veel facetten van elkaar verschillen. In deze blog lees je het verschil tussen een amfibie en reptiel, maar kijken we ook naar de overeenkomsten tussen de twee diergroepen. Zo weet je altijd wanneer een dier een amfibie is en wanneer het een reptiel is.

Boomkikker (de Natuur van hier)
Boomkikker (de Natuur van hier)

Inhoudsopgave

Taxonomie amfibieën en reptielen

De klassen reptielen en amfibieën behoren beide tot de infrastam viervoeters. De infrastam wordt verder aangevuld met de klassen vogels en zoogdieren. De naam viervoeters roept enigzins verwarring op, omdat niet alle geslachten behorend tot deze stam meer in het bezit zijn van vier voeten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan slangen en vogels. De voorouders hadden deze echter wel. Amfibieën en reptielen worden dus gezien als aparte klassen, door diverse verschillen.

Bij slangen zijn de poten die de voorouders hadden nog als rudimentaire organen terug te vinden (Shutterstock)
Bij slangen zijn de poten die de voorouders hadden nog als rudimentaire organen terug te vinden (Shutterstock)

Lees ook: wat is het verschil tussen kikkers en padden?


Verschil amfibieën en reptiel

Als je onderstaande foto’s bekijkt en de twee dieren met elkaar vergelijkt, dan lijken ze veel op elkaar. Zowel de alpenwatersalamander als de levendbarende hagedis hebben beide een langgerekt lichaam, een lange staart en de vier poten bevinden zich aan de zijkant van het lichaam. Tel daarbij op dat het schuwe dieren zijn, die op het moment dat je ze tegenkomt in de natuur snel wegschieten, dan is het niet gek dat de termen amfibie en reptiel door elkaar worden gebruikt. Maar er zijn echter ook verschillen te zien. Zowel fysieke verschillen als verschillen in leefwijze en gedrag. Door op deze verschillen te letten wordt het makkelijker om te bepalen of je een amfibie of reptiel hebt gezien.

Fysieke verschillen

Er zijn een aantal, uiterlijke en innerlijke, verschillen op te merken tussen amfibieën en reptielen. Dit begint bij de ademhaling. Reptielen hebben net als zoogdieren longen waarmee ze ademhalen. Amfibieën hebben ook longen om mee adem te halen, maar kunnen ook nog op een andere manier ademhalen. Ze kunnen namelijk ook via de huid ademhalen. In de huid van de amfibie zitten dunne bloedvaatjes waarmee ze door diffusie zuurstof op kunnen nemen in water.

Dat brengt ons meteen bij het tweede verschil, de huid. Reptielen en amfibieën hebben een totaal verschillende huid. Reptielen hebben een harde geschubde huid die veel droger is dan die van amfibieën. Amfibieën hebben een erg vochtige huid met poriën. Deze wordt dus gebruikt voor de ademhaling. Naast zuurstof kunnen amfibieën ook water en andere vloeistoffen via de huid opnemen. Pak amfibieën dan ook nooit op als het niet nodig is. Hierbij bestaat de kans dat er schadelijke stoffen (bijvoorbeeld vuil- en zeepresten) de doorlaatbare huid binnendringen wat schadelijk kan zijn voor het dier.

Eieren en jonge dieren

Ook aan de eieren is een duidelijk verschil te zien. Reptielen leggen eieren met een harde schaal. De eieren van amfibieën zijn altijd zacht en fragiel en liggen altijd in het water. Wanneer de dieren geboren worden is nog een ander opmerkelijk verschil waar te nemen tussen reptielen en amfibieën. De juveniele dieren van reptielen lijken ontzettend op de volwassen dieren (ze zijn alleen wat kleiner). Bij amfibieën worden de juveniele dieren als larve geboren en ondergaan ze een metamorfose of gedaanteverwisseling wanneer ze volwassen worden.

Verschillen in leefwijze

Naast fysieke verschillen zijn er ook duidelijk verschillen op te merken in de leefwijze van de twee diergroepen. Dit start met waar de dieren te vinden zijn. Reptielen zijn vaak bewoners van de drogere omstandigheden. Amfibieën vinden we vaak in, of in de buurt van water. Een deel van het leven zijn ze afhankelijk van water. Dit verschilt per soort. Sommige amfibieën zijn bijna jaarrond in het water te vinden. Andere soorten zijn soms maar een zeer korte periode (enkele weken) in het water te vinden. Desalniettemin zijn alle amfibieën afhankelijk van water en zouden ze uitdrogen in een te droge leefomgeving.

Paring en eileg

De voornaamste reden dat amfibieën aan water gebonden zijn, is vanwege de eileg. Alle amfibieën leggen namelijk hun eieren in het water, of de eieren komen uit in het lichaam waarna de larven in het water ter wereld worden gebracht (wat bij salamanders vaak het geval is). Reptielen leggen de eieren op het land. Deze worden ingegraven, waardoor ze in een relatief constante temperatuur komen te liggen en de ouders er niet meer naar om hoeven te kijken.

Ook in het paringsgedrag van beide diergroepen zijn verschillen te benoemen. Bij reptielen vindt er altijd contact plaats tijdens de paring. Dat is bij amfibieën (soms) anders. Bij salamanders wordt door het mannetje een pakket zaadcellen afgezet, dat door de vrouwtjes via de cloaca wordt opgenomen. Er vindt dan een inwendige bevruchting plaats, waarbij er geen contact is. Bij kikkers en padden gaat het er anders aan toe. Het mannetje klimt op de rug van het vrouwtje en pakt deze stevig beet (dit noemen we de amplexus). Dit duurt vaak enkele dagen, waarna het vrouwtje de eieren afzet in het water en het mannetje deze bevrucht met zijn zaad. Hier is dan sprake van een uitwendige bevruchting, waarbij er in eerste instantie wel contact is.

Paring padden
Bij kikkers en padden klimt het vaak veel kleinere mannetje bovenop het vrouwtje en blijft daar dan soms dagen zitten. Deze paargreep wordt de amplexus genoemd. Na verloop van tijd zet het vrouwtje haar eieren af in het water en bevrucht het mannetje de eieren met zijn zaad.

Lees ook: zelf een poel aanleggen


Tot slot

Als je beter kijkt, zijn er dus voldoende verschillen te vinden tussen amfibieën en reptielen. Het is echter te begrijpen dat deze twee dierklassen door elkaar worden gehaald. Ze zijn immers beide koudbloedig, het zijn schuwe dieren en bij veel mensen niet bekend. Voor natuurbeheerders zijn het echter enorm belangrijke soorten die vaak iets zeggen over de toestand van het betreffende gebied. Van beide soorten gaan de aantallen flink achteruit en de aanwezigheid van veel verschillende soorten amfibieën en reptielen in een gebied zijn een belangrijke indicator voor goed beheer, wat vaak ook andere flora en faunasoorten ten goede komt. Meer informatie over deze twee soorten vind je bij RAVON.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Vogelgeluiden leren herkennen

Huismussen

In het voorjaar hoor je in je tuin een symfonie van geluiden. Allerlei bekende tuinvogels laten hun beste zang horen, om een partner te vinden voor het aanstaande broedseizoen. Voor een leek is er geen onderscheid tussen al deze vogelgeluiden, maar wie zich er in verdiept zal steeds meer vogelgeluiden van elkaar kunnen onderscheiden. In deze blog bespreken we de zang (en laten we deze horen) van negen van de meest voorkomende tuinvogels.

Het geluid van vogels

Vogels kunnen verschillende soorten geluid maken, met verschillende doeleinden. Naast de bekende zang van zangvogels, hebben de meeste vogels verschillende soorten roepgeluiden om met elkaar te communiceren. Daarnaast zijn er nog vogels die geen zang kennen, maar andere geluiden maken, zoals ooievaars die klepperen en spechten die tegen een boom aan roffelen.

De zangvogels gebruiken geen stembanden om hun prachtige zang te produceren, maar hebben hiervoor een speciaal orgaan; de syrinx. Deze zit in de buurt van de luchtpijp en is dus niet aanwezig bij alle vogels. Hoe gespierder de syrinx, hoe uitgebreider het zangpakket van de vogel.

Hulpmiddelen bij het herkennen van vogelgeluiden

Voor de beginnende vogelaar is het bijna onmogelijk om alle geluiden van elkaar te kunnen onderscheiden. Gelukkig zijn er een paar hulpmiddelen en ezelsbruggetjes die je op weg kunnen helpen. Allereerst is het vooral belangrijk om te oefenen. Hoe vaker je er mee bezig bent, hoe sneller je de eerste vogelgeluiden kunt herkennen. Daarnaast kun je de app Merlin Bird ID op je telefoon installeren. Deze app kan een groot scala aan vogelgeluiden herkennen en is handig als je buiten in de tuin of in het veld bent.

Zingende vogel

Tot slot kunnen we nog het boek ‘Wat zingt daar?’ aanraden. Dit is een praktisch boek met veel achtergrondinformatie over vogels. Tevens is het boek zo opgebouwd dat je per maand kunt zien wat je in de natuur zoal kunt horen en kun je dus ook heel specifiek op zoek. Dit boek is daardoor een boek dat niet mag ontbreken in de boekenkast van een vogelaar. Via deze link (bol.com) is het boek te bestellen.

Koolmees (Parus major)

De koolmees, een van de meest voorkomende tuinvogels in ons land, heeft een zeer gevarieerde en uitbundige zang. De tweetonige zang van de grootste mees van ons land kan vergeleken worden met het geluid van een fietspomp. Het geluid bestaat maar uit twee tonen, maar hierin kent de koolmees veel variatie. De zang van de koolmees is, naast in de tuin, op veel andere plekken te horen zoals in parken en bossen. Maak zelf een nestkast voor de koolmees, zodat de veelzijdige zang van de koolmees voortaan ook in jouw tuin is te beluisteren.

De zang van de koolmees

Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)

pimpelmees

Het kleinere neefje van de koolmees is al een net zo graag geziene gast in de Nederlandse tuinen, de pimpelmees. Net zoals de koolmees is de pimpelmees van origine een bosvogel en kun je hem daar dus ook horen.

De zang van de pimpelmees kan omschreven worden als een fijne, heldere zang. Hij start met twee hogere tonen, gevolgd door een aantal lagere tonen. Die serie lagere tonen kan vergeleken worden met een belletje. Deze strofe herhalen ze regelmatig, waarna ze daarna nog verrassend kunnen gaan variëren in zang.

De zang van de pimpelmees

Lees ook: 10 tips voor meer vogels in je tuin

Roodborst (Erithacus rubecula)

Het roodborstje is met zijn rode, opvallende borst (bij mannetjes) een onmiskenbare tuinnvogel. Maar naast het in het oog springende uiterlijk kun je de roodborst ook goed herkennen aan zijn zang. Ze hebben namelijk een opvallende, melodieuze zang die vaak omschreven wordt als een kabbelend beekje of waterval. De strofes worden afgewisseld met kenmerkende pauzes van ongeveer drie seconden.

Als een van de weinige vogels is de zang van het roodborstje ook in de winter te horen. Ze verdedigen dan nog fel hun territorium en dulden dan geen enkele soortgenoot (ook de vrouwtjes niet). Uit onderzoek blijkt dat roodborstjes hun zang afstemmen op hun omgevingsgeluiden. Op plekken met veel verkeerslawaai zingen roodborsten vroeger in de ochtend, zodat ze goed hoorbaar zijn voor concurrenten en potentiële partners.

Roodborst

De zang van het roodborstje

Vink (Fringilla coelebs)

Vink

Een andere graag geziene gast in veel tuinen is de vink. Ze komen in het hele land voor en de mannetjes vinken laten hun zang al vroeg in het jaar horen. Vaak zijn de eerste vinken al in februari te horen, wanneer ze terugkeren van het overwinteringsgebied (de standvogels zijn ook vanaf half februari te horen).

De vink heeft een herkenbare zang, die door het hele land te horen is, maar per regio kan verschillen. In grote lijnen is de zang van de vink te omschrijven als een lange, snelle zang met op het einde enkele korte, hoge tonen, die ook wel de vinkenslag genoemd wordt.

De zang van de vink

Lees ook: vinken in Nederland – Deel I

Houtduif (Columba palumbus)

Dan door naar de meest voorkomende duif in Nederland, de houtduif. Deze grote duif is grijs van kleur en goed te herkennen aan de witte vleugelstreep en witte halsvlek, die overigens alleen bij volwassen dieren aanwezig is.

Ook het geluid is goed te onderscheiden van de ander duivensoorten, deze bestaat namelijk uit vijf tonen. Een handig ezelsbruggetje is dat je de vijf tonen kunt vervangen door: m’n opóe is dóód. Het geluid is daarnaast laag en schor. Naast de zang zijn de vleugels goed te horen van de duif. Bij opstijgen slaan deze boven én onder het lichaam tegen elkaar aan.

Houtduif (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers

De zang van de houtduif

Turkse tortel (Streptopelia decaocto)

Turkse tortel (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

De andere duivensoort die zich regelmatig in tuinen laat zien (en horen) is de Turkse torel. Deze parmantige duiven zijn meer roze-beige van kleur, hebben een donkere halsband en donkerrode irissen. Naast dat de Turkse tortel qua uiterlijk goed te onderscheiden is van de houtduif, is deze aan de zang ook gemakkelijk te herkennen.

In plaats van vijf tonen bestaat de zang van de Turkse tortel meestal uit drie tonen. Deze start met een korte toon, gevolgd door een lange toon en eindigend met wederom een korte toon. In deze drie tonen is m’n opoe te horen, een beetje korter dan bij de houtduif dus. De zang van de Turkse tortel is vrijwel het hele jaar te horen.

Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers

De zang van de Turkse tortel (Xeno-canto – Frank Roos)

Merel (Turdus merula)

De merel is wellicht een van de mooiste vogels om in je tuin te treffen. De mannetjes hebben een prachtige zang en de vogels zijn zeer actief, waardoor er dus altijd wat te beleven is.

Ondanks het usutuvirus (waar de merel veel last van heeft) is het nog steeds de talrijkste broedvogel in ons land.

Merels zijn luidruchtige vogels. Naast de prachtige zang van de mannetjes hebben ze ook een luide, hevige alarmroep. De uitbundige zang laat het mannetje vaak horen vanaf een hoge plek, vaak vroeg in de ochtend of op het einde van de dag. De zang kan omschreven worden als een lange, rollende zang, met veel variatie.

In hun zang verwerken merels ook imitaties van andere vogels en omgevingsgeluiden. Als je dus goed gaat luisteren naar de merel zul je horen dat iedere merel net wat anders klinkt.

Merel

Lees ook: tuinvogel uitgelicht: de merel

Winterkoning (Troglodytes troglodytes)

Een ander opvallend vogeltje die zich in veel tuinen laat zien is de winterkoning. Het is een van de kleinste vogels van ons land, maar heeft desondanks een zeer luide zang. De winterkoning is goed te herkennen aan het formaat, de bruine kleur en het omhoog staande staartje.

Zoals gezegd hebben ze een zeer luide, harde zang (zeker in vergelijking met het formaat). Ze beginnen al vroeg in het jaar te zingen. De zang wordt soms omschreven als een haperend wekkertje. De zang bestaat uit verschillende strofes met rollers en trillers erin verwerkt en meestal eindigend met een harde noot.

Winterkoning

De zang van de winterkoning (Xeno-canto – Uku Paal)

Huismus (Passer domesticus)

We sluiten af met de vogel die het meeste gezien wordt in de Nederlandse tuinen (volgens de nationale tuinvogeltelling): de huismus. Ondanks dat de huismus het meest gezien wordt, lopen de aantallen toch sterk terug.

Mannetjes en vrouwtjes verschillen qua uiterlijk sterk van elkaar. In geschikte tuinen vormen huismussen vaak grote families en zijn dan ook veelvuldig te horen. De zang beperkt zich tot een kenmerkend getjilp. In het tjilpen zijn veel variaties te ontdekken. Als je je eenmaal bewust bent van het getjilp van de huismus, hoor je hem overal.

Huismus

De zang van de huimus (Xeno-canto – Pascal Christe)

In deze blog hebben we de zang van enkele van de meest algemene tuinvogels besproken. Deze vogels zijn een uitstekend beginpunt om te starten met het herkennen van vogelgeluiden. Voor de meeste is er een handig ezelsbruggetje en veel zijn vanuit je eigen tuin te horen. Wanneer je deze eigen hebt gemaakt kun je er op uit en proberen ook de geluiden van andere vogels te herkennen. Welke vogels hoor jij allemaal in je tuin?

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Witte vlinders herkennen in Nederland – met foto’s en tips

Groot koolwitje

Er zijn vlinders in allerlei soorten, maten en kleuren. Opvallende vlinders zijn vaak niet moeilijk te herkennen, maar vlinders die er grotendeels hetzelfde uitzien, zijn moeilijker om uit elkaar te houden. Zo ook witte vlinders. Hoe leer je witte vlinders herkennen? In deze blog geven we je daar tips voor: waar kun je op letten en wat onderscheidt de ene vlinder van de andere? Aan het eind van deze blog geven we nog tips hoe je vlinders zelf kunt helpen.

Inhoudsopgave

Een koolwitje, maar is het de grote of de kleine?
Een koolwitje, maar is het de grote of de kleine?

Witte vlinders behoren tot de familie witjes: Pieridae. Als je op de Latijnse namen van de vlinders let, zul je al gauw opmerken welke tot hetzelfde geslacht behoren en welke niet. Waardplanten zijn voornamelijk koolsoorten en kruisbloemigen.

Overzichtstabel

Soort (Nederlands) Wetenschappelijke naam Spanwijdte Zwarte vleugelpunten Stippen (m/v) Activiteitsperiode Kenmerken & tips
Groot koolwitje Pieris brassicae 28–32 mm Grote, halvemaanvormige zwarte punten die diep doorlopen Vrouw: 2 stippen; man: geen Maart–oktober Zeer prominente vleugelpunt; groene rups met zwarte spikkels
Klein koolwitje Pieris rapae 21–27 mm Kleine, recht afgesneden zwarte punten Beide: zwarte vlekken; bij vrouw opvallender Maart–oktober Algemeen voorkomend; smalle gele streep op rups
Klein geaderd witje Pieris napi 20–24 mm Zwart, druppelvormig; aders grijsgroen onder Man: 1 vlek; vrouw: 2 April–oktober Ondervleugels met grijs-groene aders; vaak bij vochtige biotopen
Scheefbloemwitje Pieris mannii Iets kleiner dan klein koolwitje Middelgrote vleugelpunt Soortgelijke stippen als klein koolwitje Zeldzaam, in opkomst Moeilijk te onderscheiden; vleugelpunt tussen klein en groot koolwitje
Citroenvlinder Gonepteryx rhamni 27–30 mm Geen zwart; puntige vleugelvorm Oranje vlek op vleugel bij beide geslachten Februari–oktober Vrouwtje vaak bijna wit; duidelijk andere vleugelvorm

Groot koolwitje (Pieris brassicae)

De voorste vleugelpunten zijn zwart. Dit loopt tot bijna onderaan de voorste vleugelpunt door naar beneden, in de vorm van een maansikkel. Vrouwtjes hebben twee zwarte stippen op de voorste vleugels, mannetjes hebben dit niet. De stippen kunnen per generatie verschillen.

Het groot koolwitje is meestal tussen de 28 en 32 mm groot. Het groot koolwitje kun je in het hele land tussen maart en oktober tegenkomen.De rupsen zijn groen met een zwart gespikkelde rug.

Pieris brassicae 7, Groot koolwitje, Vlinderstichting-Henk Bosma
De donkere vleugelpunten en zwarte stippen zijn hier duidelijk te zien bij dit vrouwtje (Vlinderstichting/Saxifraga – Henk Bosma)

Klein koolwitje (Pieris rapae)

Het klein koolwitje heeft minder zwarte vleugelpunten dan het groot koolwitje. En natuurlijk zijn ze kleiner (21-27 mm). De vleugelpunten zijn zwart, maar dat loopt niet zo ver door als bij het groot koolwitje. Zowel mannetjes als vrouwtjes hebben zwarte vlekken op hun voorvleugel, maar bij de vrouwtjes zijn deze meer aanwezig.

Het klein koolwitje is ook een algemene vlinder en kun je overal in ons land zien fladderen tussen maart en oktober. De rupsen zijn groen en heel licht gespikkeld. Ook valt de smalle, gele streep op.

Pieris rapae 26, Klein koolwitje, Saxifraga-Rudmer Zwerver
Vergeleken met de foto hierboven zie je bij het klein koolwitje duidelijk verschil in de vleugelpunten (Saxifraga – Rudmer Zwerver)

Klein geaderd witje (Pieris napi)

Deze witte vlinder (20-24 mm) lijkt in de zomer erg op het klein koolwitje. In de lente vallen de aders meer op. De aders op de onderste vleugels zijn grijsgroen bestoven. De mannetjes hebben één vlek op de voorste vleugels, vrouwtjes hebben er twee. De vleugelpunten zijn ook bij deze vlinders zwart en zijn druppelvormig.

Dit witje komt in het gehele land voor en zie je tussen april en oktober. De rups is blauwgroen met kleine gele vlekjes over de zijkant, waar de ademhalingsgaatjes in zitten.

Klein geaderd witje (Vlinderstichting/Saxifraga - Kars Veling)
De bestoven aders zijn hier goed te zien (Vlinderstichting/Saxifraga – Kars Veling)

Lees ook: hoe maakt een bij honing?


Citroenvlinder (Gonepteryx rhamni)

Deze vlinder zul je vooral kennen door de heldere, gele kleur, maar de vrouwtjes zijn een stuk minder geel. Soms zelfs tegen het wit aan. Dan is het vrij makkelijk om de vlinder voor een witje aan te zien. Net als de witjes kun je deze vlinder ook overal in Nederland zien (februari-oktober).

De citroenvlinder is tussen de 27 en 30 mm groot. Aan zowel de voor- als de achtervleugel is een duidelijk puntje te zien. Mannetjes en vrouwtjes hebben een oranje vlekken op de vleugels. De rups is groen met hele fijne zwarte spikkeltjes.

Citroenvlinders hebben duidelijke puntjes aan de vleugels (Vlinderstichting/Saxifraga – Chris van Swaay)

Oranjetipje (Anthocharis cardamines)

Hoewel deze vlinder ook voornamelijk wit is, valt de grote oranje vlek op de voorste vleugel goed op. Maar let op: vrouwtjes hebben deze oranje vlek niet. Daardoor kun je deze vlinder snel onderscheiden van andere witte vlinders.

Oranjetipjes zie je vooral in het voorjaar. In het oosten zitten ze veel, maar verder kun je ze overal door het land tegenkomen. Ze zijn ongeveer 20 mm groot en je ziet ze van maart tot en met juni. De rups is is grijsgroen en fijn zwart gespikkeld en heeft een witte streep over de lengte van het lichaam.

Anthocharis cardamines 71, Oranjetipje, Saxifraga-Rudmer Zwerver
Hier is het verschil tussen man en vrouw oranjetipje goed te zien (Saxifraga – Rudmer Zwerver)

Scheefbloemwitje (Pieris mannii)

Deze witte vlinder lijkt heel erg op beide koolwitjes en is dus vrij lastig te herkennen. Het klein koolwitje heeft een vrij rechte zwarte vleugelpunt, het groot koolwitje juist een grote zwarte vlek die uitloopt en het scheefbloemwitje zit daar tussenin. Daarnaast is de vlek op de vleugel hol van binnen.

Dit vlindertje is 19-25 mm groot en een nieuwkomer in Nederland. Je ziet hem vanuit het zuiden steeds noordelijker trekken. Van maart tot en met oktober is deze vlinder actief. De rups is lichtgroen met twee gele strepen op het lichaam, die over de lengte lopen.

Pieris mannii 3, Scheefbloemwitje, Saxifraga-Willem van Kruijsbergen
Het scheefbloemwitje lijkt erg op de andere witjes (Saxifraga – Willem van Kruijsbergen)

Lees ook: hoe maakt een spin een spinnenweb?


Afsluiting

Wie natuurontwikkeling volgt, weet dat het de laatste jaren niet goed gaat met veel vlinders. Net als veel andere diersoorten hebben ook zij last van onder andere stikstofneerslag, droogte en ander extreem weer. We hebben elkaar nodig om hier iets aan te kunnen veranderen. Daarom hebben we hier enkele tips op een rijtje gezet waar je gelijk mee uit de voeten kunt.

  • Hang een vlinderhotel op. Het beste kun je een vlinderhotel op een beschutte plek hangen, zodat er geen regen en wind naar binnen kan komen. De hoogte maakt niet uit. Wij hebben bijvoorbeeld dit vlinderhotel gekocht.
  • Vlinders zijn gek op zoetigheid. Leg ergens wat (rottend) fruit neer en je zult binnen de kortste keren de eerste vlinders zien verschijnen. Wist je dat soorten vlinders van verschillende fruitsoorten houden? Probeer dus gerust verschillend (biologisch) fruit uit.
  • Vooral met warme dagen en zeker met langere, droge periodes is het belangrijk dat vlinders ergens kunnen drinken. Je kunt zorgen voor schaaltjes met water, vochtige planten en bodem en je kunt eventueel ook suikerwater maken.
  • Deel je vlinders op waarneming.nl! Via de app ObsIdentify is het vrij eenvoudig om de soort te laten herkennen. Vanuit daar kun je hem uploaden op waarneming.nl. Ook handig met die zoveel op elkaar lijkende witte vlinders. Benieuwd welke vlinders er in onze natuurtuin rondfladderen? We houden een soortenlijst bij.
  • De vlinderstruik. Een geliefde struik in menig tuin. Wij raden af om nog vlinderstruiken aan te planten. Ze woekeren en komen hier niet van nature voor, daarmee zijn ze een bedreiging voor onze inheemse soorten. Een (invasieve) exoot dus. Daarnaast blijkt uit onderzoek van Sprinklr dat er op onder andere de vlinderstruik (en helaas andere tuinplanten) nog vaak allerlei soorten gif zit. Je kunt beter kiezen voor biologisch gekweekte, inheemse soorten, zoals wollige sneeuwbal, duizendblad of slangenkruid.

Meer vlinders in de tuin
Wil je jouw tuin ook aantrekkelijker maken voor vlinders, dan kun je met biologisch gekweekte planten zorgen voor nectar, het voedsel van vlinders. Belangrijk is dan wel dat planten biologisch gekweekt zijn omdat deze geen pesticiden bevatten. Hierdoor kunnen vlinders onbezorgd van de nectar in de bloemen in jouw tuin genieten.
Sprinklr heeft een groot aanbod aan biologisch gekweekte planten. Ze hebben daarnaast een speciaal pakket voor vlinders samengesteld. Dit pakket bestaat uit vijf verschillende soorten vaste planten. Met dit pakket zorg je ervoor dat vlinders tot diep in het najaar bloemen met nectar tot hun beschikking hebben. Daarnaast zit er pijpenstrootje in het pakket, voor veel vlinders een goede plant om de rupsen op te laten opgroeien. Vlinders zullen je dus heel dankbaar zijn wanneer je een vlinderpakket in je tuin plant!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Waarom houden dieren een winterslaap?

De egel is een van de bekendste zoogdieren die een winterslaap houdt. Verstopt in een stapel bladeren verkeert het lichaam in een ruststand

Tijdens de koude wintermaanden zijn sommige dieren, die je in andere jaargetijden wel ziet, onvindbaar. Deze dieren hebben hun territorium niet verlaten, maar hebben tijdelijk een plek opgezocht om de winter door te brengen. Ze houden een winterslaap. In deze blog vertellen we je alles over winterslaap en winterrust, waarom en welke dieren dit doen.

De egel is een van de bekendste zoogdieren die een winterslaap houdt. Verstopt in een stapel bladeren verkeert het lichaam in een ruststand
De egel is een van de bekendste zoogdieren die een winterslaap houdt. Verstopt in een stapel bladeren verkeert het lichaam in een ruststand

Inhoudsopgave

Wat is winterslaap?

Tijdens de winterslaap neemt het lichaam een lager tempo aan. De hartslag en ademhaling vertragen en de lichaamstemperatuur gaat omlaag. Dieren doen dit om de winters door te komen, wanneer er weinig tot soms geen voedsel voorhanden is. Door een winterslaap te houden, besparen ze enorm veel energie. Het verminderde voedselaanbod is ook een van de redenen waarom vogels naar het zuiden trekken.

Dieren die een winterslaap houden, worden vrijwel de hele winter niet wakker. Zodra de temperaturen omhoog gaan, beginnen ze wakker te worden. Tijdens deze rustperiode verliezen ze veel gewicht. Sommige dieren bewegen af en toe tijdens deze periode, maar er zijn ook dieren die helemaal niet bewegen. Dieren die de winter slapend doorbrengen, zijn bijvoorbeeld de egel en de hazelmuis. Voordat ze gaan slapen, zorgen ze ervoor dat ze zoveel mogelijk gegeten hebben. Zo weegt de hazelmuis tegen die tijd rond de 40 gram, waar hij normaal gesproken rond de 17 gram weegt.

De hazelmuis krult zich tijdens de winterslaap op in zijn holletje, om er in het voorjaar weer uit te komen (Shutterstock)
De hazelmuis krult zich tijdens de winterslaap op in zijn holletje, om er in het voorjaar weer uit te komen (Shutterstock)

Er zijn ook dieren, zoals de das en eekhoorn, die een winterrust hebben. Ze zijn tijdens de winter niet actief, maar zijn ook niet continu in slaap. Ze zoeken voedsel en zijn verder voornamelijk in rust. Beren houden bijvoorbeeld ook een winterrust, maar ook hun temperatuur daalt dan sterk.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Ten slotte zijn er ook nog dieren die hun leven eigenlijk hetzelfde blijven leiden tijdens de koude winterperiode. Bepaalde muizen bijvoorbeeld. Wat ze wel doen, is een voedselvoorraad aanleggen. Want tijdens de winter is het voedselaanbod schaars. Ook sommige vogelsoorten doen dit, zoals kraaiachtigen. Voedsel wordt goed verstopt, een ander mag er niet met de buit vandoor gaan.

Winterslaap of niet, als dier moet je je goed voorbereiden op de barre winterperiode, onder andere door een voedselvoorraad aan te leggen
Winterslaap of niet, als dier moet je je goed voorbereiden op de barre winterperiode, onder andere door een voedselvoorraad aan te leggen

Waarom houden dieren een winterslaap?

In de koude wintermaanden is het voedselaanbod schaars. Er zijn weinig tot geen vruchten, noten, zaden of insecten te vinden. Sommige vogels trekken om deze reden naar het zuiden, dieren die hier blijven moeten andere oplossingen vinden. Om de winter toch door te komen, moet het dier zichzelf beschermen tegen honger en kou. Door in winterslaap of winterrust te gaan, verbruikt het lichaam veel minder energie. De hartslag, temperatuur en ademhaling gaan omlaag. Er hoeft minder tot niet gegeten te worden en het dier hoeft het warme hol (vrijwel) niet te verlaten. Tijdens de slaapperiode scheidt het dier geen geurstoffen af, zodat ze geen makkelijke, slapende prooi vormen voor roofdieren.

Waar houden dieren een winterslaap?

Dieren houden op verschillende manieren een winterslaap. Zo hangen vleermuizen vaak bij elkaar in de buurt en zul je egels eerder in hun eentje tegen kunnen komen in een hoop bladeren. De plek is per soort ook verschillend. Egels zijn content met rommelige hoekjes met genoeg bladeren, eekhoorns zullen voor hun winterrust een veilig hol zoeken.

Vleermuizen hangen tijdens het slapen aan hun poten. Dit is tijdens de winterslaap niet anders
Vleermuizen hangen tijdens het slapen aan hun poten. Dit is tijdens de winterslaap niet anders

Hoe kun je helpen?

Je kunt dieren best een handje helpen om de winterslaap te beginnen, door te komen en om daarna fris en fruitig aan het voorjaar te beginnen.

In de herfst kun je het beste je tuin niet (te veel) opruimen. De bladeren worden door veel diersoorten, groter en kleiner, gebruikt om zich in te verschuilen. Ook uitgebloeide planten zijn een veilige schuilplek. Die kun je dus mooi laten staan. Wanneer je bijvoorbeeld notenbomen in je tuin hebt, kun je wat noten laten liggen. Vogels zoals kraaien en ekster en zoogdieren als eekhoorn zullen ze graag gaan verstoppen om later te verorberen.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Bladeren, afgevallen vruchten, noten en uitgebloeide planten hebben dieren nodig om de winter door te komen. Voor voedsel en schuilgelegenheid
Bladeren, afgevallen vruchten, noten en uitgebloeide planten hebben dieren nodig om de winter door te komen. Voor voedsel en schuilgelegenheid

Voor sommige soorten kun je een schuilplaats maken of kopen. Elke soort stelt weer andere eisen aan een schuilplek. Egels brengen bijvoorbeeld hun winterslaap graag door in een egelhuis (Vivara Natuurproducten). Dit luxe model heeft een voorportaal, zodat de egel zeker uit weer en wind blijft. Vleermuizen kun je verblijden met een vleermuizenkast, vaak met plek voor meerdere vleermuizen tegelijk. Soms worden nestkasten ook gebruikt om de winter in door te brengen.

Er zijn ook eekhoornkasten te koop of om zelf te maken. Zoek een goede plek ervoor uit en het wachten op de eerste eekhoorn is begonnen
Er zijn ook eekhoornkasten te koop of om zelf te maken. Zoek een goede plek ervoor uit en het wachten op de eerste eekhoorn is begonnen

Tijdens de winterslaap of winterrust is er eigenlijk maar een ding belangrijk: laat de dieren met rust. Verstoor de winterslaap niet. Als je per ongeluk bijvoorbeeld een egel hebt gestoord tijdens het opruimen, is het het beste om de situatie zo snel mogelijk weer in orde te maken en erbij weg te gaan. Hoe korter de storing, hoe beter.

Na de winterslaap kun je de dieren helpen door voedsel en water aan te bieden. De dieren kunnen zo weer op gewicht komen en uitgerust aan de lente beginnen. Let er wel op wat je de dieren geeft. Probeer altijd te gaan voor biologisch voer, dit is vrij van gif wat schadelijk is voor dieren. Ook kun je verschillende soorten voederhuizen kopen, van vogels tot eekhoorns. Geef ze geen eten van eigen tafel.

Om na de winterslaap weer op krachten te komen, kun je helpen door verantwoord voedsel neer te zetten
Om na de winterslaap weer op krachten te komen, kun je helpen door verantwoord voedsel neer te zetten

Lees ook: waarom vliegen vogels in een v-vorm?


Veelgestelde vragen

Waarom houden dieren een winterslaap?

Om energie te besparen, gaan dieren in winterslaap. Hun ademhaling, lichaamstemperatuur en hartslag verlagen. In de winterperiode is er weinig voedsel te vinden.

Wat gebeurt er met het lichaam tijdens winterslaap?

Het lichaam vertraagt: ademhaling, temperatuur en hartslag gaan omlaag. Het lichaam is in rust en verbruikt weinig energie. Het dier verliest tijdens deze periode gewicht.

Welke dieren houden een winterslaap?

Verschillende soorten houden een winterslaap, zoals vleermuizen, egels, bepaalde soorten muizen. Andere dieren, zoals beren en dassen, houden een winterrust. Zij komen dan wel af en toe kort naar buiten.

Hoe lang duurt een winterslaap?

Ook dit verschilt per soort. Winterslaap kan variëren van enkele dagen tot enkele maanden.


Wil je meer te weten komen over dieren of de natuur en inspiratie ontvangen over inheemse planten of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!

Niets meer missen. Volg ons op onze socials!

Wat is het verschil tussen een haas en een konijn?

Haas (de Natuur van hier)

In Nederland leven twee soorten dieren die behoren tot de orde haasachtigen, de haas en het konijn. Beide zijn het op de grondlevende dieren met grote oren en relatief lange poten. Ze houden zich op in open- en halfopen landschappen en voeden zich voornamelijk met gras en kruidachtige planten. Maar wat zijn nou de verschillen tussen de haas en het konijn? Als je weet op welke kenmerken je moet letten, wordt het in het veld veel makkelijker om ze uit elkaar te houden.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Taxonomie hazen en konijnen

De meeste mensen zullen denken dat de haas en het konijn behoren tot de knaagdieren, maar ze behoren echter tot een aparte orde binnen de zoogdieren, de haasachtigen. Het werd lange tijd gedacht dat hazen inderdaad tot de knaagdieren behoorde, maar op basis van verschillen in het gebit en de kaken worden ze tegenwoordig gezien als een aparte orde.

Konijn
Haasachtigen zijn goed te herkennen aan de meestal grote oren en spleetvormige neusgaten en gespleten bovenlip

Kenmerkend voor de haasachtigen is dat het lichaam zich laag bij de grond bevindt, ze over het algemeen lange oren hebben, relatief lange poten, een korte staart en een dikke vacht. Ze hebben daarnaast spleetvormige neusgaten en grote voortanden. In Europa zijn tegenwoordig nog zeven soorten haasachtigen te vinden, waarvan er twee ook in Nederland voorkomen (Europese haas – Lepus europaeus en Europees konijn – Oryctolagus cuniculus).

Verschillen hazen en konijnen

Ondanks dat ze veel op elkaar lijken, zijn er ook zeker verschillen te vinden tussen de haas en het konijn. Het eerste verschil is een beetje flauw, maar zit hem al in het lidwoord. We spreken in de Nederlandse taal van de haas en het konijn. Mannetjes noemen we bij beide soorten rammelaren. Vrouwtjes noemen we bij het konijn voedsters, bij hazen moeren.


Lees ook: verschil tussen kikkers en padden


Fysieke verschillen

Om in het veld de haas en het konijn uit elkaar te houden, is het belangrijk om te letten op de fysieke verschillen tussen de twee. Het makkelijkste verschil om te zien is dat een haas een stuk groter en zwaarder is dan een konijn. Hazen hebben een kop-romplengte van 50 tot 65 centimeter en kunnen tot vijf kilogram wegen. Konijnen bereiken een kop-romplengte van 35 tot 45 centimeter met een maximaal gewicht van 2,5 kilogram. Beduidend kleiner dus.

Een ander opvallend kenmerk zijn de oren, waarbij ook wat verschillen zijn op te merken. Als eerste zijn die van de haas langer. Daarnaast hebben hazen aan de bovenkant van de oren een zwarte punt, konijnen hebben enkel een donker randje.

Haas
De grote oren, en de zwarte punt bovenaan de oren, zijn kenmerkend voor de haas

Qua vacht lijken de twee best op elkaar. Beide zijn ze grijsbruin van kleur, al kan er bij hazen onderling nog wel verschil optreden, afhankelijk van waar ze leven. Er is wel een verschil te ontdekken tussen de haas en het konijn in de wolharen, die zich tussen de dikkere dekharen bevinden. Bij konijnen zijn deze grijs, bij hazen wit.

Atletische bouw hazen

Hazen zijn tot slot een stuk atletischer gebouwd dan konijnen. De langere poten zorgen ervoor dat hazen sneller zijn dan konijnen. Daarnaast zijn hazen meer gebouwd om langere afstanden te rennen, konijnen moeten het vooral hebben van de korte sprintjes. Hazen zijn over het algemeen ook wat slanker gebouwd dan konijnen, wat het atletische vermogen onderstreept.

Verschillen in leefwijze

Naast fysieke verschillen zijn er ook zeker verschillen in leefwijze te vinden tussen de haas en het konijn. Hazen leven in Nederland voornamelijk in weilanden, aan de bosranden, in open bossen en soms in kwelders. Konijnen leven vooral in halfopen landschappen en aan de bosrand. Ze komen daarnaast ook voor in tuinen en parken. Konijnen ontbreken in vochtige gebieden en op kleiige gronden.

haas lopend
Hazen zijn goede lopers en kunnen in sprint een snelheid van maar liefst 65 kilometer per uur bereiken

Konijnen zijn holengravers en dat is precies de reden waarom ze niet op kleigronden voorkomen, maar voornamelijk op zandgronden. Hierdoor ontbreekt het konijn op best wat plekken in Nederland, de haas is dus meer verspreid in Nederland. Dit geldt overigens niet in alleen in Nederland. Als we naar Europa kijken, dan heeft de haas ook hier een algemenere verspreiding. Hazen vinden we zelfs in het hooggebergte. Konijnen komen maar tot een hoogte van circa 700 meter boven zeespiegelniveau voor.

Waarnemingen

Beide soorten hebben last van de intensivering van de landbouw. Doordat de landbouwgronden steeds groter worden en er meer een monocultuur wordt toegepast, verdwijnen geschikte leefgebieden voor de haas en het konijn. Het is daarom ook raadzaam om je waarnemingen altijd door te geven via waarneming.nl. Deze gegevens kunnen gebruikt worden om (positieve en negatieve) trends te ontdekken in de populaties, waardoor er beter gestuurd kan worden op het beheer van leefgebieden.


Lees ook: verschil tussen juffers en libellen


Konijnenholen en hazenlegers

Een ander groot verschil tussen de twee betreft het maken van een schuilplaats. Konijnen zijn zoals gezegd echte holengravers. Dit is ook precies de reden waarom ze het meeste voorkomen op zandgronden, hier is het gewoon makkelijker graven. Konijnen zijn daarom ook vaak te vinden in duinen. Hier vervullen ze een belangrijke ecologische rol in het ecosysteem (en daarmee bijdrage aan het behoud van de ecosysteemdiensten die duinen leveren), omdat ze op een natuurlijke wijze (al grazend) de duinen open houden.

Konijnen prefereren een zandgronden, omdat ze hier goed in kunnen graven
Konijnen prefereren zandgronden, omdat ze hier goed in kunnen graven (Saxifraga – Piet Munsterman)

Konijnenholen bestaan vaak uit meerdere gangenstelsels met diverse kamers, meestal zelf gegraven. Zo nu en dan maken ze ook gebruik van een oude dassenburcht, maar vaak genoeg maken ze het hele hol zelf. In een konijnenhol leeft een familie met maximaal tien individuen. Het konijn is honkvast en blijft jaarrond in de buurt van het hol.

Konijnenhol (Saxifraga - Hans Dekker)
Konijnen maken een hol met lange gangenstelsels die diverse kamers met elkaar verbinden (Saxifraga – Hans Dekker)

Hazen besteden iets minder moeite aan hun schuilplek. Hazen maken zogenoemde hazenlegers. Dit is niets meer dan een ondiepe kuil, tien tot twintig centimeter diep waarin hij zijn grote lichaam net kwijt kan. Deze legers maken ze meestal in hoog gras, in de zoom (overgang van gras naar bos) of onder heggen. Hazen zijn dan ook niet zo honkvast aan hun leger als konijnen aan hun hol zijn. In de winter brengen hazen vaak de meeste tijd door in het bos.

Voortplantingsgedrag hazen

Over het algemeen leven hazen solitair, dus niet in een familie zoals konijnen. Enkel tijdens de paartijd, en soms in de winter, zoeken ze elkaar op en leven ze tijdelijk in kleine groepen. In deze periode vindt ook het bekende rammelen plaats, wat we alleen zien bij hazen. De hazen rennen dan achter elkaar aan, wat kan leiden tot het boksen met elkaar. Ze staan dan op hun achterpoten en slaan met de voorpoten naar elkaar. Dit hoort allemaal bij het voorspel op de paring. Wanneer een rammelaar en moer elkaar gevonden hebben, zonderen ze zich af van de groep en vindt de paring plaats.

Het rammelen tijdens de paartijd bij hazen leeft vaak spectaculaire beelden op (Saxifraga - Piet Munsterman)
Het rammelen tijdens de paartijd bij hazen levert vaak spectaculaire beelden op (Saxifraga – Piet Munsterman)

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Herten in Nederland

Edelhert

In en rondom onze Nederlandse bossen vinden we een van de meest sierlijke dieren die ons land rijk is: herten. Het elegante lichaam, de kortharige glanzende vacht, de hoge slanke poten waarmee ze zich behoedzaam voortbewegen en het imposante gewei van de volwassen mannetjes. Deze gezamenlijke kenmerken maken de hertachtigen een absolute aanwinst voor de Nederlandse natuur. In deze blog bespreken we alle herten in Nederland.

Ree
Herten zijn elegante, sierlijke dieren. De mannetjes hebben een gewei

Kenmerken en leefwijze

In Nederland kennen we drie inheemse hertensoorten (al is er over één nog wel eens discussie): het ree, het damhert en het edelhert. Alle drie de herten behoren in de taxonomie tot de familie hertachtigen.

Kenmerken

Hertachtigen kenmerken zich voornamelijk door hun lichaamsbouw. Een slank, gestroomlijnd lichaam met lange, lenige ledematen en een kortharige vacht. Ze hebben grote oren, die zich bovenop de kop bevinden, en grote ogen aan de zijkanten van de kop. Deze organen zijn helemaal afgestemd op het in de gaten houden van de omgeving. Doordat de oren zich bovenop de kop bevinden, vangen ze snel omgevingsgeluiden op en met de ogen in de zijkant van de kop kunnen herten bijna de hele omgeving in de gaten houden, op hun hoede voor roofdieren.

Het gewei

Mannetjes van de hertachtigen dragen een gewei (met uitzondering van het Chinese waterree), die ze jaarlijks wisselen. Naarmate de mannetjes ouder worden, worden de geweien imposanter. Het gewei is gemaakt van kraakbeen en bevat een laag waardoor bloedvaten lopen, die het gewei voorzien van zuurstof en voedingsstoffen om te groeien. Op het moment dat het gewei volgroeid is, verandert het kraakbeen in botweefsel en wordt het dood materiaal. In de winter wordt het gewei afgeworpen en start vrij snel daarna de groei van het nieuwe gewei. Deze zal een stukje groter zijn dan het gewei dat het hert het jaar daarvoor had.

Mannetjesherten produceren ieder jaar een nieuw gewei, dat ieder jaar groter is.
Mannetjesherten produceren ieder jaar een nieuw gewei, dat ieder jaar groter is.

Leefwijze

Herten zijn over het algemeen overdag actief, maar in de buurt van mensen zijn ze voornamelijk actief in de ochtend en avond, tijdens de schemering. Je zou misschien denken dat herten echte bosbewoners zijn, maar dit klopt maar deels. De reden dat veel mensen hiervan overtuigd zijn, is omdat we onze edelherten in Nederland alleen maar in afgesloten gebieden met hekwerk eromheen houden. Hierdoor brengen ze voornamelijk tijd door in het bos, maar dit is niet per se een natuurlijke reactie.

Herten leven voornamelijk aan de randen van bossen, tussen het bos en een open gebied (zoals een grasland) in. Hier zijn ze op zoek naar de twijgen van jonge bomen, grassen, kruidahtige planten en zaden. Dit zorgt er in een natuurlijke situatie ook voor dat herten vaak voor een hogere biodiversiteit zorgen in een gebied. Herten zorgen er met hun gegraas voor dat zulke overgangsgebieden breder zijn en een grote variatie in structuur bevatten. Deze gebieden zijn vaak ook essentieel voor andere dieren zoals vogels, kleine zoogdieren en bijen en vlinders.

Herten houden van bossen met open stukken in
Herten houden zich graag op in de randen van het bos, waar het bos overgaat in een meer open landschap

Ree – Capreolus capreolus

De kleinste inheemse soort die we in Nederland tegenkomen, is het ree. Met een schofthoogte tussen de 60 en 90 centimeter is het ree niet groter dan een herdershond. Het gewicht varieert tussen de 15 en 35 kilogram. In de zomer zijn reeën feller gekleurd dan in de winter. Tijdens de warme dagen zijn ze zandgeel tot roodbruin gekleurd, waar dit in de winter kleurt naar grijsbruin. Ze hebben een donkere, zwarte neus met een witte kin eronder. Reeën hebben een witte spiegel (achterwerk). Bij mannetjes is deze niervormig, bij vrouwtjes hartvormig.

Mannetjes hebben een bescheiden gewei dat maximaal 25 centimeter groot wordt. Jonge dieren waarbij het gewei nog geen vertakking vertoont, noemen we een spitser en geweien met één vertakking noemen we een gaffel.

Ree
Reeën zijn de kleinste inheemse herten die we vinden in Nederland

Lees ook: uilen in Nederland – deel I


Het leven van een ree

Mannetjes reeën noemen we reebokken en vrouwtjes noemen we geiten. Het gaat goed met het ree, zowel in Nederland als in de rest van Europa. In Nederland komt het ree overal voor. Voornamelijk in bossen met open plekken, maar ook in andere gebieden, zoals op de heide en in de duinen, leven reeën.

In tegenstelling tot het edelhert is het ree geen typische grazer, maar een browser. Dit houdt in dat het ree in mindere mate gras en kruiden consumeert, maar meer andere dingen zoals twijgen, bladeren, bramen, bessen en noten.

Voorplanting

Reebokken leven alleen en verdedigen hun territorium tegen andere bokken. Reegeiten leven alleen met hun jongen en het leefgebied van de geiten overlappen soms. In de bronsttijd (paartijd voor hertachtigen) zoeken de vrouwtjes de gebieden van de bokken op.

Reeën
Het reekalf blijft bij de moeder tot het moment dat de reegeit opnieuw bevalt van een nieuw kalf

De bronstijd van reeën valt in de zomer, in de periode juli-augustus. De jonge reekalveren worden echter pas het jaar erop in de periode eind mei – begin juni geboren. Het embryo is echter niet al die tijd (ruim 10 maanden) in ontwikkeling. Reeën zijn namelijk de enige evenhoevige die een verlengde draagtijd hebben. Dit betekent dat de eicel in rust is en pas eind december begint te ontwikkelen. Vaak is er namelijk nog een tweede bronstijd, rond oktober. De geiten die in deze periode bevrucht worden hebben een verkorte uitgestelde draagtijd, deze eicellen beginnen ook eind december met de ontwikkeling tot een embryo.

Damhert – Dama dama

In het begin van de blog schreven we dat er over één soort nog wel eens discussie was of deze nou inheems is of niet. Daarmee doelden we op het damhert. De Romeinen hebben namelijk het damhert door het hele Romeinse Rijk ingevoerd. Het damhert kwam op dat moment niet voor in Nederland, maar was tijdens de laatste ijstijd teruggedreven naar Azië. Voor die tijd kwam het hier dus wel voor, waardoor het dus een inheemse soort is.

Damhert
Damherten zijn groter dan een ree en kleiner dan een edelhert. De zomervacht is meestal roodbruin met witte vlekken en de mannetjes hebben een schoffelgewei

Het damhert is groter dan het ree, maar kleiner dan het edelhert (die hierna aan bod komt). Ze bereiken een schofthoogte die varieert van 85 tot 110 centimeter en ze wegen dan 45 tot 100 kilogram. Binnen de soort bestaat er veel variatie in kleur. Ze zijn meestal overwegend roodbruin, maar kunnen ook bijna helemaal zwart of zelfs overwegend wit zijn. Daarnaast is er een duidelijk verschil tussen zomer- en wintervacht. De wintervacht is meer grijzig met licht vlekken. De zomervacht is overwegend bruin met witte vlekken. Ze hebben een witte spiegel met een zwarte strepen in het midden en bijna volledig rondom het witte vlak.

Damhert wintervacht
Tijdens de winter zijn damherten donkerder gekleurd (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Damherten hebben, anders dan andere herten, een schoffelgewei. Dit verschilt van de andere geweien doordat het in de punten bladvormig wordt. Het heeft dan een vorm die aan een schoffel doet denken. De eerste paar jaar hebben mannetjes damherten alleen twee punten als gewei. Vanaf het derde jaar begint het gewei zijtakken te krijgen. De grootte van een gewei is afhankelijk van meerdere factoren. Uiteraard speelt leeftijd een belangrijke rol, maar ook erfelijkheid en de conditie waarin het hert verkeert zijn van invloed.


Lees ook: marters in Nederland


Leefwijze

Bij damherten noemen we het mannetje een hert, en vrouwtjes een hinde. Zoals gezegd hebben de Romeinen het damhert in Nederland, en op veel andere plekken in Europa, geherintroduceerd. Tegenwoordig gaat het dan ook goed met het damhert in Europa. In Nederland komen herten in alle provincies voor, maar grote populaties beperken zich tot een aantal locaties door het land. Vanuit daar hebben dieren zich verspreid, maar ook vanuit kinderboerderijen en hertenkampen zijn individuen in de natuur terecht gekomen.

Damherten houden zich voornamelijk op in gemengde bossen en loofbossen met voldoende open plekken (graslanden). Ook aan randen van bossen met aangrenzend grasland voelen ze zich thuis. Ze leven hier in roedels. Na de paartijd leven de mannen in kleinere groepen. Maar naast bossen kunnen damherten ook op andere plekken voorkomen. Wij hebben al meerdere keren een groepje damherten in de buurt van onze woning gezien, waar relatief weinig bos te vinden is.

Voedsel en voortplanting

Qua voedsel zijn damherten veelzijdig. Naast grassen en kruiden eten ze ook (jonge) bladeren, twijgen, maar ook noten en bessen. Aan de rand van het Teutoburgerwoud worden in de zomer wel eens damherten waargenomen die rijpe appels uit de boomgaarden plukken.

De bronstijd van damherten valt later in het jaar dan die van reeën. Deze vindt meestal in oktober plaats. In de periode tussen mei en juli worden de kalveren geboren. Een hinde bevalt bijna altijd van slechts één kalf, die ongeveer 4,5 kilogram weegt bij de geboorte.

Damhert juveniel
Damhert kalveren groeien samen op in een roedel

Edelhert – Cervus elaphus

Het inheemse edelhert is de grootste van de drie en tevens het grootste landdier in Nederland. Volwassen dieren bereiken een schofthoogte van 110 tot 140 centimeter en mannetjes kunnen tot wel 225 kilogram wegen. Edelherten die hoofdzakelijk in bos leven zijn overwegend kleiner dan de exemplaren die in meer open landschappen leven.

Zoals de andere herten zijn edelherten in de zomer anders (feller) gekleurd dan in de winter. In de zomer hebben ze een roodbruine vacht, met een witte buik en een roomkleurige spiegel. In de winter zijn ze grauwer van kleur. Tussen de haren bevinden zich dan luchtcellen die voor een isolerende laag zorgen. Mannetjes hebben dan tevens langere haren in de hals.

Edelhert
Edelherten hebben in de winter luchtcellen tussen de haren, wat een isolerende werking heeft

Edelherten zijn natuurlijk bij iedereen bekend vanwege het imposante gewei van de volwassen mannetjes. Het gewei van jonge dieren begint als een spitser, maar krijgt ieder jaar meer vertakkingen, ook wel enden genoemd. Een volgroeid gewei heeft acht tot dertien enden en kan een maximale lengte bereiken van meer dan 90 centimeter. Bij oudere (senioren) herten neemt de grootte van het gewei ieder jaar af.

Leefwijze

Mannetjes van het edelhert worden bokken, of gewoon simpelweg herten genoemd. Vrouwtjes noemen we hinden. Vroeger was het edelhert in Nederland algemeen verspreid. Tegenwoordig vinden we ze echter alleen nog maar op de Veluwe, Oostvaardersplassen en het Weerterbos. Buiten deze gebieden geldt een nulstand, wat wil zeggen dat ze hier niet worden getolereerd en worden afgeschoten. Er kan dus gesteld worden dat de edelherten in Nederland eigenlijk alleen nog maar tussen hekken te bewonderen zijn. De ecologische hoofdstructuur (Natuurnetwerk Nederland) zou hier in de toekomst wellicht verandering in kunnen brengen.

Van nature leeft het edelhert in open bossen, met voldoende graslanden. Echter heeft de soort zich door de jaren heen goed weten aan te passen en komt het ook voor in moerassen en op heidevelden. Edelherten leven in roedels, waarbij de bokken aparte roedels vormen en de hinden met kalveren ook. In de bronstijd zoeken de bokken (afzonderlijk van elkaar) de hindenroedels op en vormen ze een harem.

Voedsel en voortplanting

Het edelhert is een echte grazer. Dit wil zeggen dat het hoofdzakelijk gras eet. Daarnaast eten ze ook andere zaken, zoals bessen, boomschors, wortels, knollen en twijgen van bomen en struiken.

Edelhert burlen
In de bronstijd beginnen de mannetjes met burlen. Hiermee proberen ze indruk te maken op de hindes en een harem te vormen

In de periode eind september tot begin oktober vindt de bronstijd plaats. Zoals gezegd zoeken de bokken dan de hindenroedels op en proberen ze indruk te maken door luider dan hun concurrentie te burlen. Burlen is een soort luide roep van de bok, waarmee de dominantie getoond wordt. Als twee bokken gelijkwaardig aan elkaar burlen, kan dit leiden tot een gevecht waarbij serieuze verwondingen op kunnen treden. De bok die het beste burlt, of het sterkste is in het gevecht, mag paren met de hindes en een roedel vormen. De verliezer druipt af.

Eind mei/begin juni worden de kalveren geboren. In de meeste gevallen bevalt een hinde van één kalf, maar in uitzonderlijke gevallen worden er ook wel eens twee geboren. De kalveren groeien gezamenlijk op in de hindenroedels en blijven tot twee jaar na geboorte bij de moeder.

Exoten

In Nederland vinden we naast de drie inheemse hertachtigen ook een aantal exoten, het sikahert en de Chinese muntjak. Beide vertonen ze invasieve kenmerken en kunnen ze een serieuze bedreiging vormen voor de inheemse natuur.

Sikahert – Cervus nippon

De eerste exoot is het sikahert, dat van origine voorkomt in Oost-Azië. Het sikahert is het beste te vergelijken met het damhert, maar dan een stukje kleiner. Ze zijn ook, in de zomer, roodbruin gekleurd en hebben witte/geelachtige vlekken. In de winter is de vacht donkerder gekleurd. Opvallende kenmerken zijn de manenkraag bij zowel het mannetje als het vrouwtje, de zwarte lipvlek en de korte, witte staart met donkere streep.

SIkahert
Sikaherten hebben een manenkraag, die bij dit mannetje duidelijk te zien is (Shutterstock)

Sikaherten bereiken een schofthoogte tussen de 70 en 100 centimeter en een gewicht van circa 60 tot 65 kilogram, waarmee ze beduidend kleiner zijn dan het damhert. Een opvallend verschil met het damhert is het gewei. Ze hebben geen schoffelgewei, maar eenzelfde gewei als het edelhert, alleen een stuk kleiner.

De introductie en de bedreiging

Het sikahert is aan het einde van de 19e eeuw geïntroduceerd in West-Europa, als parkdier. Het heeft zich weten te handhaven in landen zoals Engeland, Frankrijk en Duitsland. In Nederland worden maar heel soms sikaherten gezien.

Een opvallend gegeven is het feit dat het sikahert kan kruisen met het edelhert, ondanks dat het een stuk kleiner is. Uit deze kruising kunnen vruchtbare nakomelingen komen, waardoor het een bedreiging vormt voor de genetische biodiversiteit van het inheemse edelhert.

Chinese muntjak – Muntiacus reevesi

De Chinese muntjak is het kleinste hert wat je in Nederland tegen kunt komen. Met een schofthoogte van 45 tot 50 centimeter en een gewicht van circa 12 tot 15 kilogram is het nog een heel stuk kleiner dan het ree. Ze zijn kastanjebruin van kleur, met een wittige kin en buik en een zwart patroon op de kop. Ze hebben een opvallend lange staart en mannetjes hebben een klein gewei, zonder enden.

Chinese muntjak
De Chinese muntjak is een stuk kleiner dan alle andere herten in Nederland

De muntjak komt van oorsprong voor in China en Taiwan. In de 18e eeuw zijn ze in Europa ingevoerd als huis- en parkdier, vooral in Engeland en Frankrijk. De ontsnapte en losgelaten dieren hebben zich weten te vestigen en ze hebben zich over meerdere landen uitgebreid.

Bedreiging

Muntjakken eten twijgen en bladeren van struiken, klimplanten en andere planten die in het bos groeien. Ook eten ze jonge bomen (zaailingen). Als de Chinese muntjak in groten getale voorkomt, kan het een bedreiging vormen voor inheemse planten zoals de boshyacint en bosbingelkruid. Daarnaast kan het verjonging in een bos remmen, wat catastrofaal kan zijn voor het ecosysteem. Om deze redenen wordt het als een invasieve soort beschouwd, waardoor het niet meer ingevoerd mag worden.


Lees ook: eenden in Nederland – deel I


Was dat het?

Dan zijn er nog twee soorten die, op het moment, niet in Nederland voorkomen, maar wel de moeite waard zijn om te benoemen.

Allereerst de eland (Alces alces). Vroeger kwamen er elanden voor in Nederland, maar de laatste waarneming dateert uit 1025. Er wordt onderzocht of de eland geherintroduceerd kan worden in de Biesbosch (het zijn echte moerasbewoners), dit zou een positieve invloed kunnen hebben op de biodiversiteit in het gebied.

Dan is er nog het reuzenhert (Megaloceros giganteus), een inmiddels uitgestorven hertensoort. Deze herten waren veel groter dan de herten die we tegenwoordig zien. Ze konden een schofthoogte bereiken van 210 centimeter en het gewei kon een spanwijdte bereiken van ruim 360 centimeter! Het reuzenhert is waarschijnlijk zo’n 10.000 jaar geleden uitgestorven. Met enige regelmaat worden er aan de kust nog fossielen van het reuzenhert gevonden. Via waarneming.nl kun je deze waarnemingen (vaak met foto) bekijken.

Veelgestelde vragen

Welke herten komen er voor in Nederland?

In Nederland komen drie inheemse herten voor: het ree, het damhert en het edelhert. Daarnaast zijn er nog twee exoten: het sikahert en de Chinese muntjak. Vroeger leefde er ook de eland en het reuzenhert.

Wat is het grootste hert in Nederland?

Het edelhert is het grootste hert in Nederland en bereikt een schofthoogte van 110 tot 140 centimeter. Ze kunnen tot 225 kilogram wegen en het gewei van de bokken kunnen tot wel 90 centimeter groot worden, met maximaal dertien enden.

Waar komen herten voor in Nederland?

Herten in Nederland vinden we vooral in bossen en aan de rand van het bos. Edelherten komen enkel op de Veluwe, Oostvadersplassen en in het Weerterbos voor. Reeën en damherten komen meer algemeen verspreid voor.

Hoe maakt een spin een spinnenweb?

Spinnenweb

Als je in de natuur bent, zie je ze overal terugkomen: spinnenwebben. Spinnenwebben zijn er in allerlei soorten en maten. Sommige zijn zo volmaakt dat het bijna kunstwerken zijn, andere zo fragiel dat er iedere dag een nieuwe gemaakt dient te worden. Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke grote bouwwerken maken, met een materiaal dat in verhouding sterker is dan staal? Het antwoord op deze prangende vraag heeft de wetenschap tot op heden nog maar deels kunnen ontrafelen. In deze blog gaan we kijken hoe een spin van niets tot een volmaakt spinnenweb komt, en dat vaak in een tijdsbestek van een uurtje.

Alleen de familie ‘echte spinnen’ maken spinnenwebben. Dit doen ze met behulp van spinnenrag, of spinnendraad. Er is gewone spinnendraad en kleverige spinnendraad. De spin laat eerst een draad door de wind meevoeren naar een tak. Vervolgens wordt een soort Y-vorm gemaakt. Vervolgens worden vanuit het midden de spaken van het web gevormd. Het web wordt afgemaakt door spiraalsgewijs nog draad te spannen.

Wie maakt een spinnenweb?

Niet alle spinnen maken spinnenwebben. Binnen de klasse ‘spinachtigen’, waar onder andere ook de teken en schorpioenen tot behoren, is alleen de orde ‘echte spinnen’ verantwoordelijk voor het maken van spinnenwebben. Andere ordes zoals de ‘hooiwagens’ en ‘zweepspinnen’ hebben niet het vermogen om spinnendraad te produceren, wat noodzakelijk is voor het maken van een web.

De orde ‘echte spinnen’ is een grote orde waarin al meer dan 50.000 soorten zijn beschreven (en waarbij er nog jaarlijks nieuwe soorten worden beschreven). De meest algemene spinnen zoals de huisspin, kraamwebspin en kruisspin behoren tot deze orde. Veel van deze spinnen hebben insecten als prooidieren, waardoor ze erg nuttig kunnen zijn in en rondom het huis. We hebben immers vaak last van bijvoorbeeld muggen en vliegen, de favoriete prooien van deze spinnen. Meer van deze spinnen in en rondom het huis zorgt dus voor minder overlast van vliegen en muggen.

Voorjaarshooiwagen
Enkel de orde echte spinnen maken spinnenwebben. Deze voorjaarshooiwagen (behorend tot de orde ‘hooiwagens’) kan dus geen spindraad produceren

Waarom maakt een spin een spinnenweb?

Spinnen maken een spinnenweb om hun prooi mee te vangen. Dit gebeurt op zeer uiteenlopende manieren. De meeste spinnen die dit doen, zijn passieve jagers. Ze maken een web en wachten tot er een prooidier in verstrikt raakt. Sommige soorten lopen er dan direct op af om de prooi in te pakken met extra spindraad, zodat deze zeker niet los kan komen. Andere bouwen een net met zulke fijne en kleverige draden dat dit niet nodig is en de prooi zeker niet los kan komen. Weer andere soorten houden het web vast en wachten tot de prooi voorbij komt. Op het juiste moment laten ze het net dan over de prooi heen vallen, waardoor deze verstrikt raakt. Dit is een meer actieve manier van jagen.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Ook onder de soorten die een echt web maken zijn er verschillen op te merken. Sommige spinnen maken het web laag bij de grond, andere een stuk hoger. Dit heeft alles te maken met het type prooidier welke de spin in kwestie probeert te vangen. Spinnen die het web hoog boven de grond maken jagen op vliegende insecten, zoals juffers en libellen. Spinnen die lager bij de grond een web maken, jagen vooral op springende soorten, zoals bijvoorbeeld sprinkhanen.

Kruisspinnen moeten na iedere vangst het web repareren. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web
Kruisspinnen moeten na iedere vangst het spinnenweb repareren omdat het zo fragiel is. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web

Andere toepassingen van spinnenrag

Naast het maken van een spinnenweb gebruiken spinnen het spinnenrag ook voor andere doeleinden. Lijmspuiters gebruiken het namelijk ook om een prooi mee te vangen, maar doen dit op een andere manier. Ze spuiten hun kleverige spinnenrag van dichtbij op hun prooi, waardoor deze verstrikt raakt.

Sommige spinnen gebruiken het spinnenrag om er een cocon van te maken, waar de eitjes in worden gelegd. Er zijn spinnen bekend die het hol voorzien van een laag spinnenrag en mannetjes die het sperma erin verpakken (een zogeheten spermatofoor).

Hoe maakt een spin een spinnenweb?

Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke bouwwerken kunnen maken? En hoe kan het dat zulke dunne draad zulke grote prooien kan vangen, zonder dat het breekt en de prooi kan ontsnappen? Vragen die in de loop der jaren beantwoord zijn door wetenschappers en die nog relevant kunnen zijn voor onze eigen vooruitgang in technologie.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Materiaal

Spinnen maken het spinnenrag, dat ze gebruiken om een web te maken, van een mengsel van eiwitten. Het spinsel wordt gemaakt door de spinklieren die zich bevinden in de spindoppen. De spindoppen zitten op de spintepels die verbonden zijn aan het achterlichaam. Voor iedere soort draad is een andere spinklier verantwoordelijk. Zo zijn er spinklieren die loopdraad produceren, maar ook spinklieren die voor de kleefdraden zorgen.

De benaming van de soorten draad zorgt meteen voor de verklaring ervan. Er worden draden geproduceerd met en zonder kleefstof. De kleefdraden zijn voorzien van kleverige druppels (kleefstof) die op een bepaalde afstand van elkaar over de draad verdeeld zijn. De spin stapt hier zelf makkelijk overheen, waardoor deze ook over de kleefdraden kan lopen zonder zelf vast te komen zitten. De loopdraden zijn echter bedoelt om snel door het web te kunnen manoeuvreren.

De productie

De spintepels zijn enkel de dragers van de spindoppen. De meeste spinnen hebben zes spintepels, maar ook twee, vier of acht stuks komen voor. Op de spintepels bevinden zich de spindoppen. Deze komen vaak in meerder aantallen bij elkaar voor. De spindoppen zijn onafhankelijk van elkaar te gebruiken.

De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin
De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin

Soorten spinnenwebben

Niet iedere spin maakt eenzelfde web. Zoals zo vaak zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden, dit geldt ook voor spinnen. De meest bekende soort spinnenweb is het wielweb. Wielwebben zijn over het algemeen groot en rond gevormd. Wielwebben hebben een signaaldraad die trilt wanneer er een prooi in het web zit en de spin alarmeert.

Waar wielwebben over het algemeen mooi gevormd en gestructureerd zijn, zijn kaardewebben dat juist totaal niet. Kaardespinnen maken hele onregelmatige webben, waarbij alle draden kriskras door elkaar lopen. Met hun stijve haren achter op het lichaam maken ze een soort inkepingen in de draad, waardoor insecten sneller verstrikt raken.

Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.
Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.

Tenslotte zijn er nog de matwebben en hangmatwebben. Deze bestaan uit meerdere horizontale lagen van spinsel, vaak in het gras, die onderling met verticale draden verbonden zijn. Een wirwar aan spinsel waarin lopende en springende insecten verstrikt raken. De meeste huisspinnen maken zulke webben. Hieraan vast zit vaak nog een trechtervormig web, waarin ze schuilen bij gevaar.

Gewone doolhofspin
De gewone doolhofspin is een soort die een matweb maakt, met daaraan vast een trechtervormig web als schuilplaats

De uitvoering

Als we kijken naar de klassieke spinnenwebben dan zijn spinnen ware ingenieurs dat ze zo een web bouwen. Maar hoe komen ze tot dit bouwwerk? Het begint allemaal met een beetje hulp van de wind. De wind zorgt ervoor dat de eerste draad uit de spintepel wordt getrokken. Deze slingert door de lucht totdat het een tak (of iets anders) te pakken krijgt, waaraan deze blijft kleven. De eerste draad wordt vervolgens verstevigd voordat de spin verder gaat met de rest van het web.

Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur
Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur

Vervolgens wordt er een losse draad getrokken van het ene naar het andere punt. Vanuit het midden van deze losse draad wordt weer een strakke draad naar beneden getrokken, waardoor er een soort Y-vorm ontstaat. Het midden van de Y-vorm wordt ook het midden van het spinnenweb. Vanuit hier kan de spin verder met de drie buitenste punten verder met elkaar te verbinden.

Vanuit het midden worden nu steeds draden naar de buitenkant gespannen, waardoor het web steeds meer op een fietsenwiel met spaken begint te lijken. Daarna begint de spin (vanuit de kern van het web) spiralen te vormen, wat het spinnenweb stevigheid geeft. Tussen de spiralen die voor stevigheid zorgen, worden ook nog kleverige spiralen gespannen. Deze zullen uiteindelijk essentieel zijn om hun prooi mee te vangen. Het spinnenweb is nu klaar voor gebruik. Bewonderenswaardig is het dat de meeste spinnen dit hele proces binnen een uur kunnen voltooien.


Lees ook: wat zijn invasieve exoten?


Een geheime truc

Doordat de spin kleverige draad toepast in zijn web, blijven prooien plakken en raken ze verstrikt. Hierdoor heeft de spin de tijd om naar de prooi te lopen en deze te injecteren met gif, waarna het de prooi leeg zuigt. De kleverige draad is echter niet de enige reden waarom de jachttechniek van spinnen zo succesvol is. Het geheime wapen heeft met de elektrische lading te maken.

Onderzoekers ontdekten dat wanneer ze dode insecten van een elektrische lading voorzagen en deze richting het web gooiden, het web richting het dode insect bewoog. Met uitstekende apparatuur lukte het de onderzoekers dit fenomeen vast te leggen. Vliegende insecten bouwen een elektrische lading op (door wrijving tussen de vleugels en de lucht dier er langs stroomt), en spinnen hebben zich hier evolutionair uitstekend op aan weten te passen. In onderstaande video is dit verschijnsel duidelijk te zien.

Hoe sterk is een spinnenweb?

We weten inmiddels dat een spinnenweb een uitmuntend bouwwerk is, maar het is ook nog eens ontzettend sterk. De draad waarmee het net gemaakt wordt, spinnenrag, is in verhouding sterker dan staal. Vijf keer sterker dan staal zelfs. Wetenschappers weten nog niet precies hoe dit kan. Het is dan ook bewonderenswaardig te noemen dat zo’n klein dier, zo’n belachelijk sterk materiaal kan produceren.

Dit kan dus ook voor onze technologie en vooruitgang ontzettend waardevol zijn. Als we het geheim van de spin kunnen ontrafelen, dan zou er een wereld voor ons open gaan. We zouden het voor een legio aan mogelijkheden kunnen gebruiken, voor bruggen en andere staalconstructies, maar ook voor bijvoorbeeld kogelwerende vesten. Opnieuw een goede reden om de algehele biodiversiteit te beschermen, omdat we zelfs van de kleinste dieren nog ontzettend veel kunnen leren.

De beekprik, rivierprik en zeeprik

Beekprik (Shutterstock)

Voor een van de bizarste organismen, moeten we het water in. In de Nederlandse wateren leven een aantal kaakloze vissen, waarvan sommige soorten al meer dan 350 miljoen jaar geleden op aarde rond zwommen. Prikken genaamd. In Nederland vinden we de beekprik, rivierprik en zeeprik. Allen voorzien van een ronde mond zonder kaken, maar met een rasptong voorzien van tandjes. In deze blog maak je kennis met deze absurde dieren, die vaak een indicator zijn van een goede waterkwaliteit.

Levende fossielen

De eerste vondsten van prikken dateren van 360 miljoen jaar gelden. Er waren dus al prikken, die veel leken op de hedendaagse soorten, voordat er dinosaurussen op deze aarde rond liepen. Prikken zijn kaakloze vissen, waarvan er tegenwoordig nog 38 soorten van over de wereld verspreid zijn. Ze behoren dus tot de kaakloze vissen en worden in de taxonomie niet samen gezien met de andere vissen. De ‘gewone’ vissen vallen namelijk onder de kaakdieren, hetgeen (kaken) wat bij de prikken dus ontbreekt.

Beekprik (Saxifraga - Frits Bink)
Prikken behoren tot de kaakloze vissen en hebben zich circa 360 miljoen jaar geleden ontwikkeld (Saxifraga – Frits Bink)

Algemene kenmerken

In plaats van kaken hebben ze een ronde mond, met een rasptong voorzien van tanden. Sommige soorten gebruiken deze ronde mond om zich vast te klampen aan vissen of walvisachtigen. Ze leven dan een parasitair bestaan en voeden zich met het bloed en andere lichaamsstoffen van de gastheer. Niet-parasitaire soorten voeden zich niet tijdens hun volwassen fase. Ze leven dan op de reserves die ze opgebouwd hebben in de juveniele fase. Prikken maken gebruik van feromonen (geurstoffen) voor de onderlinge communicatie.

Er is dus een duidelijk verschil tussen juvenielen en adulten. De juvenielen bevinden zich in de sliblaag van een rivier en voeden zich daar met algen en organische deeltjes. In deze periode zijn ze blind en lijken de onderlinge soorten erg veel op elkaar. De meeste soorten zijn dan niet van elkaar te onderscheiden. Na een aantal jaren (afhankelijk van de soort) ondergaan ze een metamorfose. Ze ontwikkelen grote ogen, met daarachter een rij van zeven kieuwgaten. Deze gaten (prikken) zijn ook verantwoordelijk voor de Nederlandse benaming. In de volwassen fase vindt de voortplanting plaats, waarna de dieren sterven.


Lees ook: eenden in Nederland – deel I


Prikken in Nederland

In Nederland vinden we drie soorten prikken: de beekprik, rivierprik en de zeeprik. Allen tonen ze veel gelijkenissen in uiterlijk en gedrag. Voor natuurbeheerders kan de aan- of juist afwezigheid van een priksoort een belangrijk gegeven zijn. Prikken zijn namelijk erg gevoelig voor waterverontreiniging, maar ook voor het normaliseren van beken (rechttrekken van beken) en het verwijderen van de sliblaag in watergangen. Je zou dus kunnen stellen dat wanneer het goed gaat met de prikken in een watergang, andere soorten hiervan mee profiteren. Beheermaatregelen nemen voor prikken zorgt dus voor een hogere biodiversiteit in het gebied!

Beekprik – Lampetra planeri

Beekprik (Saxifraga - Jelmer Reyntjes)
De beekprik is de kleinste priksoort die we in de Nederlandse watergangen vinden (Saxifraga – Jelmer Reyntjes)

De kleinste prik in Nederland is de beekprik. Beekprikken worden ongeveer twintig centimeter groot en hebben een zilverkleurig tot lichtgeel uiterlijk. Volwassen dieren zijn voorzien van twee relatief grote ogen, met daaropvolgend zeven kieuwgaten. Juvenielen zijn blind, donker gekleurd en hebben nog geen zuigbek.

Beekprikken hebben een voorkeur voor licht stromend water en er moeten grindplaatsen aanwezig zijn voor de voortplanting. Na drie tot zes jaar vindt de metamorfose plaats, waarna de volwassen dieren niet meer eten (ze zijn niet parasitair). In het voorjaar na de metamorfose vindt de paring plaats en worden de eitjes gelegd. Hierna sterven de volwassen dieren.

Verspreiding Nederland

In Nederland vinden we de beekprikken voornamelijk in de provincies Limburg en Gelderland. Ook is de soort te vinden in beken in Brabant en Overijssel, maar veel minder. De soort is in het midden van de vorige eeuw in veel beeksystemen verdwenen doordat het leefgebied werd bedreigd. Om die redenen is er voor gekozen om in 2014 in Brabant een herintroductieprogramma te starten. Er kan gesteld worden dat deze herintroductie succesvol is verlopen, want de aantallen juvenielen namen in de daaropvolgende jaren toe. Droge zomers zorgden er echter voor dat er ook slechte jaren bij zaten. Dit blijft een bedreiging voor de populatie.

Rivierprik – Lampetra fluviatilis

Rivierprik (Saxifraga - Sytske Dijksen)
De rivierprik wordt in volwassen stadium 30 tot 50 centimeter groot (Saxifraga – Sytske Dijksen)

De tweede soort die we in Nederland vinden, is de rivierprik. Deze wordt een stukje groter dan de beekprik, namelijk 30 tot 50 centimeter. Net als de beekprik zijn ze zilverachtig van kleur en alleen te onderscheiden door te kijken naar de grootte. Volwassen rivierprikken hebben maximaal zeven tanden in de zuigbek. Dit zijn er een stuk minder dan hun grotere neven/nichten, de zeeprik.

Juveniele rivierprikken zijn niet te onderscheiden van juveniele beekprikken. Na vier jaar ondergaan ze een metamorfose en bereiken ze het volwassen stadium. Dan vertrekken ze, vanuit de beken waarin ze opgroeien, naar zee. Hier leven ze voornamelijk in de kustzones en in de monding van de rivier. Ze leven daar een parasitair bestaan. Met hun zuigmond klampen ze zich vast aan vissen en doorboren met hun tanden de huid van de vis. Ze voeden zich met het vrijgekomen bloed en andere lichaamssappen.


Lees ook: de herintroductie van de otter in Nederland


Na twee jaar (bij een leeftijd van ongeveer zes jaar) worden ze geslachtsrijp en beginnen ze aan hun tocht naar de paaiplaatsen, verder stroomopwaarts in de rivieren. Ze worden hierna toe getrokken door feromonen die de juveniele dieren uitscheiden. In de rivieren zoeken ze grindplaatsen op voor de paring. Er zijn echter ook exemplaren bekend die paren tussen grote stenen, wanneer geschikte grindplaatsen ontbreken. Na de paring sterven de volwassen dieren. Net uitgekomen juvenielen laten zich meevoeren door de stroming van de rivier. Wanneer ze voedselrijke slibbodems bereiken graven ze zich in, om zich daar de komende jaren te voeden met algen en organisch materiaal (detritus).

Verspreiding Nederland

In het verleden kwam de rivierprik talrijk voor in Nederland. Echter, door watervervuiling is de soort midden en eind vorige eeuw op veel plaatsen verdwenen. Sinds de jaren ’90 is er weer een toename in aantallen zichtbaar. Maar de beperkte migratiemogelijkheden blijven echter een serieus probleem voor de rivierprikken.

Zeeprik – Petromyzon marinus

Zeeprik (Shutterstock)
Zeeprikken leven in volwassen fase op zee (Shutterstock)

De laatste soort prik in Nederland is de zeeprik. Zeeprikken zijn groengrijs gekleurd en hebben een marmerachitge tekening. De larven zijn, net als bij de andere soorten, blind, hebben geen zuigbek en zijn bruinachtig gekleurd. Ze zijn echter te onderscheiden van de andere soorten doordat ze pigment hebben. Volwassen dieren zijn het beste te onderscheiden door de grootte. Zeeprikken kunnen tot maximaal 110 centimeter groot worden. Daarnaast hebben volwassen exemplaren veel meer tanden dan de rivierprik (maximaal zeven) en de beekprik (geen tanden).

Net als de rivierprik is de zeeprik in volwassen stadium parasitair. Ze zuigen zich vast aan vissen, maar er zijn ook gevallen bekend van zeeprikken die zich vastgezogen hadden aan walvisachtigen. De volwassen exemplaren leven op zee. Na ongeveer zeven jaar zijn ze geslachtsrijp en trekken ze landinwaarts de rivieren op. Hier gaan ze op zoek naar geschikte paaiplaatsen. Dit zijn snelstromende rivieren met grindbanken en grote stenen.

Hier starten ze met het maken van een nestkuil. Dit doen ze door met hun zuigmond stenen op te tillen en deze in een vorm bij elkaar te leggen. Vervolgens vindt de paring plaats en worden de eieren afgezet in de nestkuil. Hierna sterven de volwassen exemplaren. De net uitgekomen jongen laten zich (net zoals bij de beek- en rivierprik) meedrijven door de stroming tot een geschikte slibbodem, waar ze zich ingraven. Na vijf jaar vindt de metamorfose plaats en vertrekken ze als volwassen zeeprik naar zee.

Zeeprik zuigmond (Shutterstock)
De bizarre zuigmond met tanden van de zeeprik (Shutterstock)

Verspreiding Nederland

In het verleden kwam de zeeprik vrij algemeen voor in Nederland. Echter is de soort flink afgenomen door een verslechtering van de waterkwaliteit. Vanaf de jaren ’90 nemen de aantallen weer toe. Er worden in Nederland vooral volwassen dieren in beken waargenomen. Larven en jonge dieren worden zelden gevonden in Nederland.


Lees ook: verschil tussen kikkers en padden


De laatste tien jaar lijken de aantallen weer wat af te nemen. Een van de belangrijkste redenen hiervoor zijn migratiebarrières. Het verbeteren van bestaande en het aanleggen van nieuwe vistrappen, kan een belangrijke maatregel zijn om de aantallen weer toe te laten nemen. Deze maatregel zou ook voor de andere priksoorten voordelig kunnen zijn.

Verder lezen

Ben je na het lezen van deze blog geïnteresseerd geraakt in prikken? Je kunt meer lezen over deze kaakloze vissen op de website van RAVON. Deze organisatie doet veel onderzoek naar de prikken in Nederland en heeft de meest relevante informatie. Daarnaast raden we je aan het boek ‘Visatlas van Nederland’ van RAVON en Sportvisserij Nederland te lezen. Veel informatie die je in deze blog vindt, komt uit deze atlas, maar er staat nog veel meer in over prikken. Ook alle andere vissen in Nederland worden uitvoerig in dit boek besproken en het is met recht een standaardwerk te noemen. De Visatlas van Nederland is via deze link te bestellen bij bol.com.

Visatlas van Nederland

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Tips voor meer bijen en vlinders in je tuin

De lente is begonnen en de bomen en planten beginnen weer in blad te komen. Dit is het ideale moment om je tuin voor te bereiden op de verdere lente en de zomer. In deze blog geven we tips om meer bijen en vlinders naar je tuin te lokken. Dit kun je doen door de juiste planten te kiezen, maar ook door soms juist helemaal niks te doen.

Zet je tuin of balkon vol bloeiende plantensoorten en kijk je ogen uit
Zet je tuin of balkon vol bloeiende plantensoorten en kijk je ogen uit

Groen, groen, groen!

Tegeltuinen kunnen anno 2023 echt niet meer. Het is slecht voor de biodiversiteit, afwatering en het wordt hartstikke heet in de zomer. Allemaal redenen voor een groene tuin. Hier help je je omgeving mee, maar ook jezelf. Ook wanneer je een kleine tuin hebt of een balkon, zijn er dingen die je kunt doen om bijen, hommels en vlinders te lokken. Dat is belangrijk, want ze kunnen best wat hulp gebruiken om zich staande te houden in de snel veranderende wereld. We beginnen met waarom bijen en vlinders zo belangrijk zijn.

Waarom zijn bijen en vlinders nuttig?

Bijen leven in een symbiose met bloeiende planten. De plant voorziet voedsel voor de bij (nectar), de bij bestuift de planten door het stuifmeel op zijn lichaam van bloem tot bloem mee te dragen. Hierdoor kunnen de planten zich voortplanten. Wij plukken daar -letterlijk- de vruchten van, want de planten geven ons uiteindelijk weer groente en fruit. Zonder dat je daar iets voor hoeft te doen. Zelfs 80% van het voedsel wat we eten wordt bestoven door bijen. Je kunt dus wel stellen dat met name bijen nodig zijn voor het leven op aarde. Hoog tijd om ze een handje te helpen!


Lees ook: verschil bijen, wespen, hommels en hoornaars


Welke planten kun je gebruiken?

Er zijn veel soorten om uit te kiezen, dus de opsomming hieronder is slechts een greep uit het totaal. Wat belangrijk is om te controleren wanneer je planten en/of zaden koopt, is een biologisch keurmerk. Op die manier weet je zeker dat de plant of het zaad geen bestrijdingsmiddelen met zich meebrengt en daarmee schade kan aanrichten aan de biodiversiteit in je tuin. We spreken in deze blog vaker over tuin, maar onderstaande planten zijn ook geschikt om in potten op je terras of balkon te zetten (klik hier voor onze blog over nog meer kruidachtige planten voor in je tuin of voor in een pot). Gebruik zelf ook geen bestrijdingsmiddelen in je tuin. Kies voor zover mogelijk het liefst voor inheemse planten.

We hebben bijen hard nodig voor de bestuiving van planten. Koop daarom zoveel mogelijk biologische planten en zaden
We hebben bijen hard nodig voor de bestuiving van planten. Koop daarom zoveel mogelijk biologische planten en zaden

Een warm welkom voor al wat leeft

Wat belangrijk is voor het leven in je tuin of op je balkon, is om planten te kiezen waarbij je het gehele jaar bloei hebt. Op die manier hebben vlinders en bijen het hele jaar de mogelijkheid om nectar uit de planten te halen. Nectar is de zoete stof die insecten naar de plant lokt. Elke plant geeft een andere hoeveelheid en smaak. Daarom raden we je aan om verschillende soorten aan te planten, zodat er voor ieder wat wils is.

Verder houden insecten van warme, beschutte plekjes. Ze warmen op in de zon en doen nieuwe energie op. Je kunt wat platte stenen neerleggen waar ze zich kunnen warmen en uit kunnen rusten. Een plek om te schuilen is ook fijn. Je kunt een insectenhotel kopen (bol.com heeft een handig overzicht) of zelf maken. Er zijn ook vlinderhotels te koop, te herkennen aan de lange spleten waar de vlinders in kunnen kruipen. Je kunt ook restjes fruit in de tuin leggen. Bepaalde vlindersoorten zijn er gek op. Als je ten slotte ook nog zorgt voor een plekje waar water aangeboden wordt en je houdt de grond wat vochtig, zijn de beestjes zeer tevreden met jou. Lees hier hoe je zelf een poel aanlegt. Naast bijen en vlinders profiteren daar nog veel meer soorten van!

Vlinders maak je ook blij met fruit en suikerwater. Dubbel handig, want zo hoef je geen overrijp fruit meer weg te gooien. Leg het in de tuin!
Vlinders maak je ook blij met fruit en suikerwater. Dubbel handig, want zo hoef je geen overrijp fruit meer weg te gooien. Leg het in de tuin!

Planten voor bijen

Uit onderzoek blijkt dat bijen vooral afkomen op de kleuren geel, paars, blauw en wit. Kies planten uit die in deze kleur bloeien. Hieronder noemen we enkele voorbeelden. De planten staan gesorteerd op bloeiperiode, van winter tot en met herfst.

Winter: bloembollen

Bloeitijd: december-maart. In het najaar kun je bollen planten van bijvoorbeeld krokus en narcis. Zorg dat ze goed onder de aarde liggen. Na het planten hoef je alleen nog maar te wachten tot de eerste bollen uitkomen. Verwilderende bloembollen vermeerderen zich met de jaren, dus op den duur heb je een heel tapijt aan bloeiers in de winter.

Krokussen zijn een goed voorbeeld van een echte voorjaarsbloeier, perfect voor de eerste insecten na de winterslaap of winterrust
Krokussen zijn een goed voorbeeld van een echte voorjaarsbloeier, perfect voor de eerste insecten na de winterslaap of winterrust

Winter: fruitbomen

Bloeitijd: maart-april. Aan het einde van de winter beginnen de fruitbomen met bloeien. Je kunt zelf een fruitboom in je tuin zetten of eentje in pot. Denk hierbij aan soorten als kers, peer, appel of pruim. Het is extra leuk om voor een fruitboom te kiezen. Je helpt de bijen aan nectar, zij zorgen voor bestuiving en uiteindelijk geeft de boom je fruit. Daarna begint het proces opnieuw.

Bloeiende fruitbomen zijn een grote voedingsbron voor onder andere bijen en hommels
Bloeiende fruitbomen zijn een grote voedingsbron voor onder andere bijen en hommels

Lees ook: tips voor aanleggen natuurtuin


Lente: smeerwortel (Symphytum officinale)

Bloeitijd: april-september. Bijen en hommels zijn vaak te vinden bij deze plant. De plant krijgt al vroeg in het voorjaar blad en bloeit even later met paarse bloemetjes, die als trosjes naar beneden hangen. Een makkelijke plant, die zich in de tuin kan vermeerderen. Smeerwortel staat graag in de zon, met af en toe wat schaduw.

Smeerwortel is een makkelijke plant die mooi bloeit. Elk jaar wordt de plant wat meer
Smeerwortel is een makkelijke plant die mooi bloeit. Elk jaar wordt de plant wat meer

Zomer: vingerhoedskruid (Digitalis purpurea)

Bloeitijd: mei-september. Een prachtige plant om te zien wanneer ze bloeit. Hommels en bijen zie je helemaal verdwijnen in de hoedjes van vingerhoedskruid. Deze plant zaait zichzelf makkelijk uit, dus met een paar planten zit je goed. Vingerhoedskruid kan tweejarig of meerjarig zijn. Het is een makkelijke plant, die niet veel eisen stelt aan haar standplaats of grond. Denk er wel om dat ze niet te nat of te droog staat. Let op, want bepaalde delen van de plant zijn giftig voor mens en dier bij inname.

Bijen, hommels en ook zweefvliegen komen graag op het bloeiende vingerhoedskruid af
Bijen, hommels en ook zweefvliegen komen graag op het bloeiende vingerhoedskruid af

Herfst: duizendblad (Achillea millefolium)

Bloeitijd: juni-november (in warme jaren zelfs tot in januari). Duizendblad kun je overal tegenkomen, in bermen, weilanden en op dijken. Deze inheemse plant stelt niet veel eisen aan de omgeving, is winterhard en bloeit wit met grote schermen, die bestaan uit allemaal kleine bloemhoofdjes. Wij kunnen de plant zelf ook gebruiken als kruid. Ze is meerjarig en verspreidt zich door de wortelstokken.

Duizendblad is een plant waar zowel mens als dier dankbaar gebruik van maken
Duizendblad is een plant waar zowel mens als dier dankbaar gebruik van maken

Planten voor vlinders

Net zoals bijen op bepaalde kleuren afkomen, hebben vlinders dat ook. Vlinders houden van de kleuren roze, paars, rood, oranje en geel. Vlinders zijn enigszins kieskeurig, elke soort heeft bepaalde planten waar ze naartoe gaan. Daarom is het een goed idee om meerdere soorten aan te planten, zodat je ook meerdere soorten vlinders aantrekt. Je kunt op Waarneming.nl bekijken welke soorten in jouw omgeving voorkomen, zodat je voor hen de juiste planten kunt uitzoeken.

Wanneer het weer kouder wordt, vanaf september-oktober, wordt het steeds moeilijker tot onmogelijk om planten met nectar te vinden. Daarom overleven veel vlinders de winter niet. Eitjes, rupsen en poppen brengen de winter in winterrust door, wachtend op betere tijden. Van sommige soorten brengt de vlinder zelf ook de winter in winterrust door, bijvoorbeeld de citroenvlinder en de dagpauwoog.


Lees ook: de beste inheemse vaste planten


Voorjaar: vergeet-mij-nietje (Myosotis)

Bloeitijd: april-juni. Dit plantje bloeit al in het voorjaar met blauwe bloemetjes en een geel hart. Dit is een tweejarige plant. Ook deze plant zaait zichzelf uit en zorgt er dus zelf voor dat ze aanwezig blijft. Deze plant staat graag in de zon en heeft de grond liever te nat dan te droog.

De eerste vlinders na de winter zullen blij zijn met het vergeet-mij-nietje
De eerste vlinders na de winter zullen blij zijn met het vergeet-mij-nietje

Zomer: margriet (Leucanthemum vulgare)

Bloeitijd: mei-juli. Net als duizendblad kun je margriet ook overal tegenkomen, zolang de grond maar niet te bemest is. Margriet bloeit wit met een geel hart, waarmee ze lijken op madeliefjes. Margrieten worden echter groter dan madeliefjes. In weilanden, bermen of velden waar margriet staat, zul je ook vaak paardenbloemen zien. Deze zijn ook geliefd bij vlinders. Margriet is geliefd bij onder andere de kamillevlinder.

Hier is een bruin zandoogje te zien op een margriet
Hier is een bruin zandoogje te zien op een margriet

Herfst: hertshooi (Hypericum)

Bloeitijd: juli-oktober. Deze plant met gele bloemen trekt vlinders, maar ook bijen en hommels aan. Hier bereik je een groot publiek mee. De bloemen worden ook gebruikt als geneeskrachtig kruid. Insecten zul je veel zien bij de vele meeldraden van de bloem. De plant is ook een uitstekende bodembedekker.

De vele meeldraden van de bloem zijn hier duidelijk te zien. Insecten zijn er gek op
De vele meeldraden van de bloem zijn hier duidelijk te zien. Insecten zijn er gek op

Er is meer

Bovenstaande plantensoorten zijn slechts een enkele voorbeelden. Er is natuurlijk nog veel meer te kiezen. Zo zul je ook veel vlinders naar je tuin kunnen lokken met een vlinderstruik. Er zijn ook kleinere varianten van te koop, die minder groot worden. Verder kun je bij planten voor bijen en vlinders nog denken aan bijvoorbeeld zonnebloem, duifkruid, viburnum, hemelsleutel, ijzerhard, koninginnekruid, stokroos, wilg en hazelaar. Ook kun je gerust wat brandnetels en distels laten staan. Deze dienen als waardplant.

En nu: niks meer doen

Je hebt allerlei verschillende soorten geplant en je kunt niet wachten tot de eerste bij, hommel of vlinder zich laat zien. Wacht rustig af, vaak duurt het niet lang voordat je planten gevonden worden. Zoals we al in de inleiding zeiden, je hoeft nu niets meer te doen.

Last van slakken in je tuin? Laat ze maar. Zij dienen weer als voedsel voor vogels, zodat je van hun gefluit kunt genieten. Bladeren die zich door de wind ophopen in de hoek? Laat het toch liggen. Allerlei beestjes die daar in schuilen en vogels die daar naar voedsel kunnen zoeken. Geen zin om te maaien in de warmte? Doe het ook maar niet, laat de kruiden en bloemen bloeien. Planten die in het najaar afsterven en bruin en dor worden? Lekker laten staan. Zij dienen als overwinteringsplek voor insecten en andere beestjes. Je hoeft het alleen maar te zien.

Ook andere dieren hebben baat bij een niet-opgeruimde tuin. Egels slapen bijvoorbeeld in bladerhopen
Ook andere dieren hebben baat bij een niet-opgeruimde tuin. Egels slapen bijvoorbeeld in bladerhopen

Alle tips op een rijtje

  • Zorg voor rommelhoekjes. Houd je tuin niet te netjes. Dieren, hoe klein ook, hebben het nodig ter beschutting en om voedsel in te zoeken.
  • Gebruik geen bestrijdingsmiddelen.
  • Gebruik zoveel mogelijk inheemse planten. In onze blog over een gemengde haag aanplanten lees je nog meer voorbeelden.
  • Laat ‘onkruid’ staan, maai minder (wat is nou mooier, een biljartlaken in de tuin of een grasveld vol bloemen en kruiden?), laat planten in de herfst en winter staan.
  • Plaats insectenhotels, platte stenen in de zon en een plek met water.
  • Klimop is een plant die zowel bijen als vlinders gebruiken. Vlinders en rupsen als voeding, bijen als waardplant.
  • Veel gemeenten stimuleren het idee ’tegel eruit, plant erin’. Ook lokale tuincentra doen hier vaak aan mee. Een makkelijke manier om je tuin te vergroenen.
  • Maai even niet! Laat het gras groeien en geef bloemen de kans om te gaan bloeien. En als je dan toch echt moet maaien, zorg dan dat je in fases maait en ook langere stukken laat staan.
  • Wil je nog meer inspiratie hoe je je tuin natuurlijker krijgt? Lees hier dan mee met de ontwikkeling van onze natuurtuin.

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!