Marters in Nederland

Boommarter

In Nederland leven verschillende soorten landroofdieren, waarvan de meeste behoren tot de marterachtigen. In totaal zijn er maar liefst acht soorten marterachtigen te ontdekken in ons land en leven ze wijdverspreid over verschillende ecosystemen. Door het langgerekte lichaam, de korte poten, staart en dikke vacht zijn vergelijkingen tussen de onderlinge soorten goed te maken. In deze blog maak je kennis met alle marters in Nederland.

Inhoudsopgave

Kenmerken en leefwijze

Marterachtigen zijn kenmerkende dieren, waarvan er wereldwijd zo’n 70 soorten van beschreven zijn. Onder de marterachtigen vallen onder andere otterachtigen, wezelachtigen, alle soorten dassen (zoals honingdassen en zonnedassen), de veelvraat en de grison. Het zijn uitstekende landroofdieren met een langgerekt lichaam en korte poten. Ze hebben scherpe tanden en kiezen en scherpe klauwen (die niet ingetrokken kunnen worden, zoals bij katachtigen). Marters verspreiden een sterke geur om hun territorium af te bakenen, maar wat daarnaast ook een belangrijke rol speelt in de communicatie onderling. Marters zijn overwegend nachtactief en sommige soorten (zoals bunzing en otter), zijn sterk gebonden aan water.

Mustela erminea 15, Hermelijn, Saxifraga-Luuk Vermeer
Hermelijnen zijn een van de kleinere marterachtigen in Nederland (Saxifraga – Luuk Vermeer)

Marters in Nederland

Het aantal marters in Nederland schommelt sterk. De populatiegrootte bij de meeste soorten is sterk afhankelijk van het prooiaanbod. Wanneer er bijvoorbeeld een goed muizenjaar is, is dat vaak een voorbode voor een goed marterjaar. Andersom werkt dit natuurlijk ook zo. De grootste bedreiging voor marterachtigen is de mens. Zo worden er ieder jaar veel verkeersslachtoffers geregistreerd. Kleine marterachtigen zoals wezel en hermelijn hebben meer natuurlijke vijanden, zoals de vos, (wilde) kat, uilen, andere roofvogelsoorten en andere grote vogels zoals reigers.

In Nederland komen acht soorten marterachtigen voor:

Wezel (Mustela nivalis)Hermelijn (Mustela erminea)
Bunzing (Mustela putorius)Amerikaanse nerts (Neovison vison)
Steenmarter (Martes foina)Boommarter (Martes martes)
Das (Meles meles)Otter (Lutra lutra)
Taxonomie marterachtigen (De natuur van hier)
Taxonomie marterachtigen in Nederland (De natuur van hier)

Lees ook: herten in Nederland


Wezel (Mustela nivalis)

De kleinste van het stel is de wezel. Deze is met zijn 13 tot 23 centimeter (kop-romplengte) zelfs het kleinste landroofdier ter wereld en kan muizen achtervolgen in hun gangenstelsels. De vrouwtjes zijn wat kleiner dan de mannetjes. Wezels hebben een grijsbruine rug en een witte buik. De overgang van bruin naar wit is onregelmatig, een belangrijk verschil (naast de grootte) ten opzichte van de hermelijn. Wezels die meer noordelijk leven kleuren in de winter wit, iets wat in Nederland klaarblijkelijk niet nodig is.

Wezel (Saxifraga - Piet Munsterman)
De wezel is de kleinste marterachtige in ons land (Saxifraga – Piet Munsterman)

Wezels leven in een wat meer open natuur- en cultuurlandschap, maar komen daarnaast ook in bijvoorbeeld de duinen voor. Ze komen voornamelijk voor in een wat droger leefgebied. In Nederland komen ze overal voor, behalve op de Waddeneilanden. Ten opzichte van vroeger zijn ze wel een stuk minder algemeen geworden.

Het menu van de wezel

De belangrijkste eisen aan de leefomgeving voor de wezel zijn voldoende schuilplekken en voldoende voedselaanbod. Het belangrijkste voedsel voor de wezel zijn veruit de woelmuizen. Ongeveer 85% van het menu bestaat uit woelmuizen. Naast woelmuizen worden verder ook nog onder andere kikkers, eieren, mollen, slakken en andere soorten muizen gegeten. Wezels zijn gevoelig voor een schommeling in de (woel)muizenstand. Waar geen woelmuizen voorkomen, komen ook geen wezels voor. Wanneer wezels op zoek zijn naar voedsel, staan ze vaak op hun achterpoten met het lichaam in de lucht, speurend naar prooien. Dit gedrag wordt ook wel kegelen genoemd.

Hermelijn (Mustela erminea)

De hermelijn is een slag groter dan de wezel en bereikt een kop-romplengte van 21 tot 29 centimeter. Verder lijken de wezel en hermelijn veel op elkaar. Ook de hermelijn is bruin van boven met een witte buik. Naast de grootte is de overgang van bruin naar wit een kenmerk waarmee je ze uit elkaar kunt houden. Deze is bij de hermelijn strak, bij de wezel meer onregelmatig. In tegenstelling tot de wezel worden hermelijnen in Nederland in de winter wel vaker (gedeeltelijk) wit. Afhankelijk van de temperatuur en sneeuwval worden hermelijn niet, gedeeltelijk of volledig wit. De staartpunt blijft echter zwart.

Hermelijn (Saxifraga - Luuk Vermeer)
Hermelijnen worden een slag groter dan wezels (Saxifraga – Luuk Vermeer)

Hermelijnen komen wijdverspreid voor in allerlei soorten landschap. Vaak zijn dit wat meer open landschappen met kleine landschapselementen, waar veel schuil- en rustplaatsen te vinden zijn en waar voldoende voedsel aanwezig is. De hermelijn komt in Nederland overal op het vaste land voor. Daarnaast ook op Texel, maar op de overige eilanden is de hermelijn afwezig. Net zoals met de wezel gaat het met de hermelijn echter ook niet goed en staat deze als ‘gevoelig’ op de Rode Lijst. Belangrijke redenen hiervoor zijn de intensivering van de landbouw en verkeersslachtoffers.

Actieve jagers

Zowel overdag als ’s nachts zijn hermelijnen actief. Tussendoor houden ze rustpauzes. Hiervoor gebruiken ze vaak oude konijnenholen of mollennesten. Buiten de voortplantingsperiode om leven hermelijnen solitair. De territoria van mannetjes en vrouwtjes overlappen echter wel. Hermelijnen zijn niet monogaam. Het menu bestaat voornamelijk uit (woel)muizen. Verder worden er ook andere dieren gegeten, zoals amfibieën en reptielen. Hermelijnen zijn uitstekende jagers en vangen soms prooien die groter zijn dan zijzelf.

Bunzing (Mustela putorius)

De derde en laatste soort in het geslacht Mustela (kleine marterachtigen) is de bunzing. Met zijn 28 tot 45 centimeter kop-romplengte is het de grootste van de drie. Bunzings zijn overwegend bruin gekleurd, maar zijn goed te herkennen aan het masker. Ze hebben een donkere neus, omringd met een witte band. Rondom de ogen zijn ook een aantal witachtige haren te vinden. Dit patroon heeft wat weg van een masker. In de winter is de bunzing wat lichter van kleur. Dan komen de geelachtige haren van de ondervacht meer door de bovenvacht heen. De gedomesticeerde fret (Mustela putorius furo), die als huisdier wordt gehouden, is een ondersoort van de bunzing.

Bunzing (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Bunzing (Saxifraga – Mark Zekhuis)

De bunzing is wijdverspreid door Nederland en komt overal voor, behalve op de Waddeneilanden. Meestal zijn ze te vinden in een bosachtig landschap, dat vochtig is. Het zijn dan ook uitstekende zwemmers. Bunzings zijn vooral ’s nachts actief, overdag rusten ze in verlaten konijnen- of andere holen.

Belangrijke schakel in de voedselketen

Bunzingen kennen een rijkelijk gevarieerd menu. Naast (woel)muizen, worden ook (muskus)ratten en konijnen gegeten. Verder staan ook van allerlei soorten amfibieën, reptielen en zelfs zo nu en dan een vogel op het menu. Soms wordt er zelfs fruit gegeten. Bij het jagen maken bunzings vooral gebruik van hun goed ontwikkelde reukvermogen. Voor periodes wanneer het voedselaanbod schaarser is (winter) worden soms voedselvoorraden aangelegd.

Net zoals de andere marterachtigen, vormen bunzings een belangrijke schakel in de voedselketen. Door de aanwezigheid van wezel, hermelijn en bunzing kunnen prooidieren (die vaak bestempeld worden als ongedierte (zoals muizen en konijnen)) niet exponentieel toenemen. Daarnaast worden zwakke en zieke dieren sneller ‘opgeruimd’, wat de verspreiding van ziektes tegen gaat. Deze kleine roofdieren worden vaak als ongewenst en als ongedierte bestempeld, maar zijn dus eigenlijk heel nuttig.

Meer over wezels, hermelijnen en bunzings

Voor wie meer wil weten over de kleinste marterachtigen in ons land, kunnen wij het boek ‘Bunzing, hermelijn en wezel’ van bioloog en natuurfotograaf Edo van Uchelen aanraden. In dit boek worden de drie kleine roofdieren uitvoerig besproken en kom je alles te weten over de ecologie, leefwijze, voortplanting en nog veel meer zaken. Wat ons betreft is dit het beste Nederlandstalige boek dat op de markt is als het gaat over de bunzing, hermelijn en wezel.

Het boek telt 175 bladzijdes en is rijkelijk geïllustreerd. Het boek bunzing, hermelijn en wezel is via deze link (bol.com) te bestellen.

Bunzing, hermelijjn, wezel

Amerikaanse nerts (Neovison vison)

Een soort die ongeveer net zo groot wordt als de bunzing is de Amerikaanse nerts. Met een kop-romp lengte van 32 tot 45 centimeter is de Amerikaanse nerts wel een stukje groter dan de Europese nerts (Mustela lutreola) die overigens niet meer in Nederland voorkomt. Zowel de Amerikaanse als de Europese nerts hebben een donkerbruine tot zwarte vacht, met een witte kinvlek. Een belangrijk verschil tussen de twee is, naast de grootte, dat de Europese nerts een witte vlek op de bovenlip heeft, welke meestal ontbreekt bij de Amerikaanse.

Amerikaanse nerts
De Amerikaanse nerts is in Europa terecht gekomen door de nertsfokkerijen, welke sinds 2021 in Nederland verboden zijn

Een invasieve exoot

Naast de donkerbruine kleur zijn er ook andere kleurvarianten bekend bij de Amerikaanse nerts, zoals beige, en bruin-beige. Dit zijn gekweekte varianten, ten behoeve van de pelsindustrie. Alle Amerikaanse nertsen zijn (invasieve) exoten en zijn hier door toedoen van dezelfde pelsindustrie (welke in Nederland sinds 2021 verboden is) terecht gekomen.


Lees ook: wat zijn invasieve exoten


In de 20e eeuw zijn Amerikaanse nertsen op grote schaal ingevoerd in Europa voor het bont. Door ontsnappingen (en loslaten door dierenactivisten) hebben individuen zich kunnen verspreiden door Europa en hier grote schade aan weten te brengen aan de inheemse natuur. Zo zijn ze verantwoordelijk voor de drastische achteruitgang van de Europese nerts en zijn er ook locaties bekend waar populaties woelratten bedreigd worden door de aanwezigheid van de exoot. In Nederland zijn nertsenfokkerijen sinds 2021 verboden, maar dat geldt niet overal in Europa. In Denemarken is het sinds 2023 weer toegestaan.

Ecologie

Doordat er in Nederland geen Amerikaanse nertsen meer gefokt worden (Nederland was lange tijd een van de grootste producenten van Europa), zijn de aantallen sterk afgenomen. Echter is hier het kwaad al geschied doordat de Europese nerts hier reeds is uitgestorven. Wellicht biedt het in de toekomst wel mogelijkheden tot herintroductie van deze soort.

Amerikaanse nertsen zijn sterk gebonden aan water en leven in de oevers van rivieren en moerassen. Ze zijn uitstekend aangepast op het water, want ze hebben tot halverwege de tenen korte zwemvliezen. Ze zijn hoofdzakelijk ’s nachts actief, maar soms ook overdag. Overdag rusten ze tussendoor in oude holen van bevers en (muskus)ratten. Als ze wakker zijn, zijn ze op jacht naar voedsel. Ze eten voornamelijk kleine vissen, kreeften, amfibieën en ratten. Mannetjes (worden groter dan vrouwtjes) vangen ook regelmatig konijnen en soms worden ook vogels gegeten.

Steenmarter (Martes foina)

Dan zijn we aangekomen bij de wat groter wordende marterachtigen in Nederland. Te beginnen met de steenmarter, welke bij veel mensen wel bekend is omdat hij soms overlast kan bezorgen. Steenmarters worden zo’n 37 tot 52 centimeter groot. Ze hebben een grijsbruine vacht, met een witte bef die vaak doorloopt tot op de voorpoten. Sinds de steenmarter een beschermde status heeft, doet de soort het weer goed in Nederland. Hij komt dan ook wijdverspreid voor en ontbreekt eigenlijk alleen in Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht.

Steenmarter (iStock)AC
De aantallen steenmarters nemen de laatste jaren toe (iStock)

Steenmarters zijn cultuurvolgers. Ze komen voor in de nabijheid van mensen, in dorpen, op boerderijen en soms zelfs in steden. De steenmarter heeft zijn naam te danken aan zijn voorkeur voor stenige biotopen. In het leefgebied in de buurt van mensen is de steenmarter afhankelijk van de aanwezigheid van oude schuren en heggen, waar ze voedsel vinden en plekken om te rusten.

Steenmarters zijn nachtactief. Ze gaan er dan op uit om te zoeken naar voedsel. Ze kennen een gevarieerd menu, dat bestaat uit zowel dierlijk als plantaardig voedsel. Muizen, egels, vogels, konijnen en eekhoorns worden regelmatig gegeten. Daarnaast eten ze ook met regelmaat bramen en bessen van bijvoorbeeld vogelkers. Ook menselijk afval wordt gegeten. Er zijn waarnemingen bekend waarbij steenmarters voedselvoorraden aanleggen.

Het voorkomen van overlast

Bij steenmarters denken de meeste mensen vooral aan de overlast die de dieren kunnen veroorzaken. Ze kunnen inderdaad voor best wat schade en overlast zorgen, maar met de juiste aanpak kun je de kans hierop verkleinen. Als je dit doet, wordt het zelfs nuttig om steenmarters op je terrein te hebben, want ze zorgen ervoor dat je minder overlast ervaart van muizen en andere knaagdieren.

Steenmarters kunnen zich op zolder of in de spouw vestigen. Dit kan zorgen voor geluidsoverlast en stank (uitwerpselen). Het dier doden of vangen en uitzetten heeft geen zin en is zelfs verboden, snel zal zich een nieuw exemplaar huisvesten.

Steenmarter in huis (iStock)
Steenmarters kunnen in huis voor overlast zorgen (iStock)

Zorg ervoor dat alle toegangen afgedicht zijn, zodat de dieren niet binnen kunnen komen. Als de dieren reeds aanwezig zijn, sluit dan alle openingen af, behalve de meest gebruikte. Wacht tot de dieren buiten zijn en sluit dan ook de laatste opening af.

Daarnaast kunnen de dieren zich onder de motorkap van de auto bevinden en hier schade aanrichten aan leidingen. Hiervoor zou je een marterverjager kunnen installeren, die marters (en andere dieren) met behulp van een hoog geluid op afstand houdt. Omdat we zelf een natuurtuin hebben, hebben we ook een dergelijk apparaat geïnstalleerd om schade te voorkomen. Tot op heden hebben we nog nooit last gehad van marters of andere dieren bij onze auto, terwijl ze wel in en rondom het perceel zitten. De marterverjager is hier te bestellen bij bol.com.

Boommarter (Martes martes)

De boommarter is ongeveer net zo groot als de steenmarter, met een kop-romplengte van 40 tot 53 centimeter. Hiermee zijn ze ook ongeveer net zo groot als een huiskat. Ze hebben een chocolade- tot roodbruine vacht, met een geel tot geelwitte bef. De poten en snuit zijn donker. Boommarters zijn sterke, behendige dieren die uitstekend in bomen kunnen klimmen. Hun scherpe, stevige nagels en lange, sterke staart komen hier goed bij van pas. Naast dat ze goed kunnen klimmen, kunnen ze ook ver springen.

Boommarter
Boommarters zijn uitstekend aangepast op het leven in bossen

Ze brengen hun leven dan ook voornamelijk voor in bomen. Ze rusten en nestelen in boomholtes. Hiervoor gebruiken ze vaak oude nesten van spechten. In de buurt van deze nestplaats is vaak een tak te vinden met een hoopje uitwerpselen. Let dus op deze latrines als je door het bos loopt, grote kans dat er boommarters in de buurt zijn! Boommarters eten zo een beetje alles wat ze tegen komen. Insecten, muizen, eekhoorns en vogels. Daarnaast ook eieren van vogels, bessen en vruchten.

Leefwijze

In Nederland komen boommarters voor in loof-, naald- en gemengde bossen. Ze zijn overwegend nachtactief, maar komen soms ook overdag buiten. Buiten de paartijd om leven boommarters solitair. De laatste jaren gaat het goed met de boommarter in Nederland. De aantallen nemen toe, alhoewel nog steeds zeldzaam, en ze zijn in iedere provincie waargenomen. Deze toename is vooral te danken aan de ecologische verbindingszones en de toename (en het ouder worden) van bos.

Verschil steenmarter en boommarter

Steenmarters en boommarters lijken ontzettend veel op elkaar. Er zijn echter een aantal verschillen te benoemen, maar deze zijn niet altijd 100% waarneembaar. Zo is de bef van steenmarters meestal wit gekleurd en die van boommarters geel. Ook loopt de bef van de steenmarter vaak door op de voorpoten. Boommarters hebben vaak een zwarte neus, waarbij deze bij steenmarters meestal vleeskleurig is. Boommarters hebben daarnaast meestal grotere oren. Het enige echte verschil waarop de soort met zekerheid te onderscheiden is, is de ondervacht. Deze is bij de steenmarter licht van kleur en bij de boommarter donker.

Das (Meles meles)

De das behoort tot de grotere marterachtigen. Met een kop-romplengte van 65-80 centimeter zijn het een van de grootste landzoogdieren in Nederland. Dassen zijn zwaar en log gebouwd en kunnen ruim 15 kilogram wegen. Ze hebben een grote, brede kop en korte poten. De vacht is zwart/wit gekleurd, met een geelwitte buik. De kop is wit, met twee brede zwarte strepen. Ze hebben lange, kromme nagels waarmee ze goed in de grond kunnen graven, op zoek naar voedsel.

Das (Saaxifraga - Luc Hoogenstein)
Dassen zijn atypische marterachtigen (Saxifraga – Luc Hoogenstein)

Een echte alleseter

De das is een buitenbeentje wat betreft marterachtigen die in Nederland voorkomen. Ze zijn qua bouw totaal verschillend ten opzichte van de andere marters, maar daardoor ook qua voedselkeuze. Dassen jagen niet actief op hun prooi, maar snuffelen en graven vooral op en in de bodem op zoek naar voedsel. Hier eten ze alles wat ze tegenkomen. Regenwormen (belangrijkste voedselbron), pissebedden, kevers, slakken, paddenstoelen, noten, eikels en vruchten.

Leefwijze

Dassen houden van een kleinschalig landschap, met heggen, holle wegen, houtwallen en kleine bossen. Ze maken een burcht, die zich op een hoge, droge plek bevindt. In de lager gelegen, vochtigere landschappen zoeken ze naar voedsel. Dit doen ze voornamelijk ’s nachts. De burcht is een belangrijke plek voor de das. Hier leven ze in familieverband en soms delen ze deze burcht gedeeltelijk met konijnen of vossen. Dassen verzorgen hun burcht uiterst goed en bekleden de kamers met bladeren en mos. De behoefte wordt buiten de burcht gedaan, zodat deze schoon blijft. In de winter zijn dassen een stuk minder actief. Ze houden dan geen winterslaap, maar komen soms wel dagen hun burcht niet uit.

In de 20e eeuw zijn de aantallen dassen in Nederland flink terug gelopen. Sinds de dieren beschermd zijn, gaat het weer een stuk beter. De aantallen komen echter niet in de buurt van wat het ooit is geweest, waardoor bescherming dus noodzakelijk blijft. Tegenwoordig treedt er nog wel eens verontwaardiging op wanneer het treinverkeer tijdelijk wordt stilgelegd in verband met een dassenburcht, maar deze maatregelen zijn essentieel om opnieuw achteruitgang in aantallen te voorkomen.


Lees ook: waar leven dassen?


Otter (Lutra lutra)

Ten slotte leeft er nog de otter in Nederland, de achtste marterachtige in ons land. Met een kop-romplengte van 50 tot 95 centimeter is het samen met de das een van de grotere marterachtigen. De otter heeft een donkerbruine, glanzende vacht, welke waterdicht is. De onderzijde is lichtbruin. Otters zijn uitstekend aangepast aan het leven in en om het water.

Otter (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Otters behoren tot de grotere marterachtigen(Saxifraga – Mark Zekhuis)

Ze hebben korte, krachtige poten met zwemvliezen en een sterke ronde staart. Hiermee kunnen ze zich uitstekend door het water bewegen. Daarnaast hebben ze goed ontwikkelde snorharen, waarmee ze prooidieren in het water kunnen waarnemen. De ogen, neusgaten en oren liggen dicht bij elkaar en op één lijn, zodat ze maar een klein gedeelte van het gezicht boven water hoeven te houden tijdens het zwemmen. Bij dreigend gevaar kunnen ze echter ook tot wel vier minuten onder water blijven.

Het menu en de leefwijze

Otters zijn goede jagers. Ze eten voornamelijk vis, die ze vangen door ze in het ondiepe water en tussen het riet te drijven. Verder worden er ook ratten, vogels, kreeften, krabben en amfibieën gegeten. Otters zijn voornamelijk ’s nachts actief, maar worden soms overdag, al zonnebadend, waargenomen. De otter leeft solitair.

Voor otters is de kwaliteit van het water belangrijk. Ze leven in schone wateren, waarin voldoende voedsel en rustplekken te vinden zijn. Hier leven ze in de oeverzone. Overdag rusten ze vaak in een hol onder bijvoorbeeld een omgevallen boom.


Lees ook: de herintroductie van de otter in Nederland


De otter was door bejaging en door de achteruitgang van de waterkwaliteit uitgestorven in Nederland. In 2002 zijn ze in onder ander het Nationaal Park De Weerribben-Wieden weer uitgezet. Sindsdien zit de otter weer in de lift, maar ondervindt deze ook zeker problemen met de verspreiding door het land. In onderstaande blog lees je hier meer over.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Roek – Kraaiachtigen van Nederland – deel V

De roek is hier duidelijk te herkennen aan zijn grijze snavel en hoge voorhoofd

Iedereen kent ze wel: een kauw, zwarte en/of bonte kraai, ekster, gaai, wellicht zelfs een roek, de notenkraker of raaf. Het zijn de kraaiachtigen van Nederland. De familie kraaiachtigen (Corvidae) gaat echter verder dan onze Nederlandse bekenden, want in totaal bestaat de familie uit 128 soorten. Ze komen bijna overal op de wereld voor. Ze behoren tot de zangvogels, hoewel niet iedereen hun geroep als gezang zou kwalificeren.

Kraaiachtigen zijn intelligente wezens. Ze kunnen problemen (leren) oplossen, sommige soorten slagen voor de spiegelproef en ze communiceren met elkaar. In dit deel lichten we de roek uit.

Wil je de hele serie ‘kraaiachtigen van Nederland’ lezen? Klik dan hier om te beginnen met deel I.

Roeken hebben een prachtig glanzend verenkleed en een opvallende snavel
Roeken hebben een prachtig glanzend verenkleed en een opvallende snavel

De roek (Corvus frugilegus)

Roeken, vaak verward met zijn ongeveer even grote verwant de zwarte kraai. Ze zijn wat minder bekend dan bijvoorbeeld de zwarte kraai, ekster of raaf. Roeken komen niet overal evenveel voor, in tegenstelling tot de andere kraaiachtigen. Zo zie je de roek niet veel in het westen, maar meer in het oosten. Wat wel een overeenkomst tussen deze vogels van dezelfde familie is, is dat ze allemaal erg intelligent zijn. Zo dus ook de roek.

Uiterlijk

Roeken hebben een geheel zwart verenkleed. In de zon zie je een blauwige glans op de veren. Tot dusver is de roek moeilijk te onderscheiden van de zwarte kraai. Een handig ezelsbruggetje om ze te onderscheiden: een roek draagt een broek. Het lijkt net alsof een roek een broek aan heeft, omdat de veren ook het bovenste gedeelte van de poten bedekt.

Ook de snavel van de roek valt op. Eerst is de snavel zwart, maar na ongeveer acht maanden wordt de snavelbasis kaal. Daardoor zie je de onderliggende huid, die grijs is. De snavel van de roek is vrij groot en enigszins naar beneden gericht. Roeken hebben een vrij steil voorhoofd, waardoor hun kop in verhouding klein lijkt.

Roeken zijn ongeveer even groot als de zwarte kraai, tussen de 41 en 49 centimeter. De spanwijdte is tussen de 80 en 99 centimeter.

De grijze, kale snavel van de roek is hier duidelijk te zien. Ook zie je de metaalglans in het verenkleed goed
De grijze, kale snavel van de roek is hier duidelijk te zien. Ook zie je de metaalglans in het verenkleed goed

Zwarte kraai vs. roek

Beide vogelsoorten zijn intelligent, zijn ongeveer even groot en hebben een zwart verenpak. Zo klinkt het best lastig om ze van elkaar te onderscheiden. Toch valt dat wel mee, want er zijn enkele opvallende verschillen. Hierboven beschreven we dat roeken een broek dragen. Dit hebben zwarte kraaien niet. Daarnaast hebben zwarte kraaien een zwarte snavel. Roeken eerst ook, maar na acht maanden wordt de snavelbasis kaal en zie je de grijze huid. Ook zijn de snavels van roeken groter en die van zwarte kraaien smaller.

Wanneer je een roek of zwarte kraai in vlucht ziet, kun je ook verschillen ontdekken. Zo heeft de roek een dieper ingesneden vleugelhand en hebben ze meer glijmomenten in hun vlucht. De vleugelslag is ook wat sneller dan die van de zwarte kraai. Qua geluid lijken de twee wel weer erg op elkaar. De roek heeft een wat lichter geluid dan de zwarte kraai.

Ten slotte kun je ook aan het gedrag afleiden of het om een roek of om een zwarte kraai gaat. Over het algemeen zijn kraaien samen met hun partner aan het foerageren, waar roeken dit in groepsverband doen. Je ziet roeken vaak samen met kauwen in een weiland.

Een roek in vlucht laat zich vaak meterslang door de lucht glijden voordat hij landt
Een roek in vlucht laat zich vaak meterslang door de lucht glijden voordat hij landt

Gedrag

Roeken leven in kolonies. Een kolonie kan erg groot worden. Onderling communiceren roeken met elkaar, net als de andere kraaiachtigen. Ze communiceren over voedsel, voedselplekken en hebben sociale interacties met elkaar. Dit laatste zie je terug in bijvoorbeeld spelletjes. Roeken spelen met elkaar, door spullen te laten vallen en op te vangen. Ook schommelen ze samen op takken van bomen. Roeken die samen een paartje vormen, begroeten elkaar.

Het foerageren gebeurt in grote groepen, vaak vergezeld door groepen kauwtjes. De roek is van ’s ochtends vroeg tot laat op de dag actief aan het zoeken naar voedsel. Vaak zijn ze al actief voordat de zon opkomt. Dit heeft als voordeel dat er veel uren per dag beschikbaar zijn om voedsel te zoeken.

Roeken en kauwen zie je vaak samen foerageren in weilanden
Roeken en kauwen zie je vaak samen foerageren in weilanden

Intelligentie

Net als de andere kraaiachtigen uit deze blog zijn ook roeken intelligente vogels. Ze zijn nieuwsgierig en ze kunnen nieuwe dingen leren. Er is een eeuwenoud verhaal waarin wordt verteld dat een dorstige roek door middel van steentjes de waterspiegel in een kruik water liet stijgen, zodat hij kon drinken. Roeken kunnen dus ook problemen oplossen.

Deze nu vaak verguisde vogel werd vroeger juist als behulpzaam gezien. Hij hielp de mensen heel vroeger met het verzamelen van voedsel en haalde later door boeren ongewenste ongewervelden uit de akkers. Tegenwoordig wordt de roek ook wel ingezet met het helpen van afval opruimen. In ruil voor beloning komen ze stukjes afval brengen. Roeken weten al snel waar veel en goed voedsel te vinden is.

Slimme vogels, die roeken. Ze weten al snel waar ze voedsel kunnen halen en kunnen problemen oplossen
Slimme vogels, die roeken. Ze weten al snel waar ze voedsel kunnen halen en kunnen problemen oplossen

Wat staat er op het menu?

De roek is een echte alleseter. Ze eten ongewervelden, zoals emelten, slakken en wormen, maar ook insecten, menselijk afval, noten en eikels en vruchten als kers en pruim. Roeken hebben vaak een vast dagritme. In de ochtend pakken ze voedsel wat makkelijk voor het grijpen ligt. ’s Middags graven ze wat dieper voor eten. Dan zie je ze bijvoorbeeld in de weilanden foerageren. Hoe later het wordt, hoe meer moeite de roeken doen om aan voedsel te komen. Tijdens het foerageren in de weilanden zie je ze in groepen het terrein systematisch afwerken. Dit doen ze met hun kenmerkende loopje: plechtige, stijve passen met af en toe een hupje.

Naast bovengenoemde soorten voedsel, houden roeken ook van zaaigoed. En dat levert helaas problemen voor hen op. Dit gedrag wordt als ongewenst beschouwd en er kan een ontheffing tegen hun beschermde status worden aangevraagd, zodat er afschot mag plaatsvinden. Een doorn in het oog van natuur- en vogelliefhebbers.

Roeken zijn alleseters, van insecten en noten tot menselijk afval
Roeken zijn alleseters, van insecten en noten tot menselijk afval

Broeden en opvoeden

Zoals roeken in kolonies voedsel zoeken, zo broeden ze ook in kolonies. Deze kolonies kunnen erg variëren in grootte. Zo zijn er in Wenen zo’n 250.000 roekennesten in een grote kolonie. In Nederland vind je veel kolonies langs snelwegen en treinsporen. Bij de A50, ten noorden van Apeldoorn, is een grote broedkolonie. Een nest ziet er vaak wat slordig uit en zit in de toppen van hoge bomen.

Roeken zijn monogaam en vormen een paar voor het leven. Tijdens de baltsperiode zijn ze veel samen. Ze verzorgen elkaars veren, hebben snavelcontact en zonderen zich samen af van de rest van de kolonie. Ook brengen ze elkaar voedsel. Al vroeg in het jaar, rond maart, wordt begonnen met de nestbouw. Dit doen ze samen. Het paartje is trouw aan hun broedplek en komen hier in andere jaren terug om te broeden.

Samen het nest bouwen, foerageren, de jongen voeden. Roeken zijn monogame vogels
Samen het nest bouwen, foerageren, de jongen voeden. Roeken zijn monogame vogels

Samen maken ze het nest. Het nest wordt gebouwd van buigzame twijgen en de binnenkant wordt bekleed met andere materialen. Als het nest naar tevredenheid is, gaat de vrouw broeden. Ze legt tussen de drie en zeven eieren, meestal vier. De eieren zijn grijsgroen van kleur. Het vrouwtje broedt de eieren in 16-18 dagen uit. De eerste dagen worden het vrouwtje en de jongen door de man gevoerd, daarna gaat het vrouwtje ook mee op voedseljacht. De jongen zitten ongeveer een maand (30-36 dagen) in het nest. Rond de 42-45 dagen kunnen de jonge roeken echt goed vliegen en verlaten ze het nest definitief. De uitgevlogen jongen vormen samen met leeftijdsgenoten een jeugdgroep. Na een jaar begint de paarvorming en na twee jaar zijn ze geslachtsrijp.

Er wordt in kolonies gebroed en geleefd. Roeken zijn echte kolonievogels
Er wordt in kolonies gebroed en geleefd. Roeken zijn echte kolonievogels

Waar kom je de roek tegen?

Het leefgebied van de roek bevindt zich in cultuurlandschap. Dit is een landschap met weides en akkers, afgewisseld met bomen, bomenrijen, bosjes en heggen. Maar je hebt niet overal in het land evenveel kans om roeken te treffen. Je zult ze voornamelijk in het oosten van het land tegenkomen en minder in het westen. Grofweg kun je de lijn Harlingen-Arnhem-Gouda-Breda aanhouden: ten oosten hiervan komen roeken meer voor dan ten westen.

Roeken houden, net als veel andere kraaiachtigen, van vrijstaande, hoge groepen bomen. Daar bouwen ze hun nesten in, maar is ook hun schuil- en slaapplek. Je ziet ze veel langs snelwegen, treinsporen en langs kanalen. Roeken laten zich ook zien in menselijke omgeving, zoals dorpen en steden. In steden wennen roeken aan de mens en vliegen steeds later op.

Roeken zijn voornamelijk standvogels en blijven dus het hele jaar in Nederland. Tijdens de vogeltrek kunnen er roeken uit het noord-oosten van Europa deze kant opkomen. En ‘onze’ roeken kunnen ook overwinteren in het oosten van Engeland. De trek is in oktober-november en februari-maart.

Een roekenkolonie langs de snelweg (Saxifraga - Jan van der Straaten)
Een roekenkolonie langs de snelweg (Saxifraga – Jan van der Straaten)

De roek en de mens

Ook de roek heeft te lijden onder de mens. Er werd (en wordt) gebruik gemaakt van landbouwgif, die de roeken binnenkregen door het eten van voedsel uit akkers waar gif werd gebruikt. Het gebruik van gif in de bodem heeft invloed op de hele voedselpiramide die daar boven zit, van klein tot groot. Hierdoor kwam de roekenstand in 1970 tot een dieptepunt. Daarna herstelde de stand zich, maar vanaf 2000 zien we weer een daling in de aantallen. Dit heeft onder andere te maken met de ontheffing die aangevraagd mag worden om roeken af te schieten.

Wil je de roek helpen? Kies er dan voor om geen gif in de bodem te gebruiken, gooi geen (plastic) afval op straat en maak anderen hier ook bewust van.

De mens: een vriend of vijand voor de roek?
De mens: een vriend of vijand voor de roek?

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen zwarte kraai en roek?

Let op de snavel en de poten. Zwarte kraaien hebben een zwarte snavel, waar roeken een grijze snavel hebben. Ook de vorm verschilt. Daarnaast lijken roeken een broek aan te hebben, doordat hun verenkleed langer doorloopt. De zwarte kraai heeft dit niet.

Wat is het verschil tussen kauw en roek?

Als eerste valt gelijk de grootte op: de roek is behoorlijk groter dan de kauw. Verder hebben kauwtjes een verenpak wat grijs en een beetje zwart is, waar roeken geheel zwart zijn. Roeken hebben een grote, puntige snavel. Kauwtjes hebben lichte ogen. Je ziet ze wel veel samen foerageren in weilanden en dan zie je het verschil tussen beide erg goed.

Is een roek of kraai groter?

Roeken en zwarte kraaien zijn ongeveer even groot. Tijdens de vlucht kun je verschil in de vleugels zien. De vleugelhand van de roek is dieper ingesneden en ze maken meer glijmomenten tijdens de vlucht dan de zwarte kraai.

Hoe slim is een roek?

Net als andere kraaiachtigen is ook de roek erg intelligent. Ze gebruiken verschillende klanken om met elkaar te communiceren, kunnen problemen oplossen, nieuwe dingen leren en hebben sociale interactie onderling.

Lees gauw het volgende deel van onze serie: de raaf!

Waarom bouwen en maken bevers dammen?

Beverdam

Waarom bouwen bevers dammen? Of, zoals mensen het ook wel noemen, waarom maken bevers dammen? En waarom maken bevers dammen in beken, sloten en rivieren? Die vragen krijgen we vaak, zeker nu bevers op steeds meer plekken in Nederland opduiken. Waar de één gefascineerd kijkt naar een groeiende dam, ziet de ander ineens ondergelopen weilanden of omgevallen bomen. Dit levert in Nederland soms discussie op.

Bevers bouwen hun dammen niet zomaar. Het is geen toeval dat ze een bepaalde plek uitkiezen of ‘overlastgedrag’. Met het bouwen van dammen vormen ze op een slimme manier hun leefgebied. In deze blog leggen we uit waarom bevers dammen bouwen, wat het verschil is tussen bouwen en maken, hoe een beverdam werkt en wat dit betekent voor natuur, water en mens.

Bever op het land - biodiversiteit in een nat landschap (Bever (Saxifraga - Mark Zekhuis))
Bevers zien er wat lomp uit, maar ze zijn volledig aangepast op het leven in water (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Inhoudsopgave

De bever (Castor fiber)

De bever is het grootste knaagdier van Europa en kan tot één meter lang worden (kop-romplengte). Bevers zien er op het land wat plomp uit, maar in het water zijn ze uiterst behendig. Ze hebben een dikke, bruine vacht, die waterafstotend is. Zo kunnen ze hun lichaam ook op temperatuur houden in koud water.

De kleine ogen, oren en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat ze tijdens het zwemmen maar een klein gedeelte van het hoofd boven water hoeven te houden. De dikke, platte, geschubde staart dient als een soort roer, waarmee ze zich makkelijk door het water kunnen bewegen. De zwemvliezen tussen de tenen dragen hier ook aan bij. Bevers worden in de natuur zo’n acht tot twaalf jaar oud.

Vroeger kwam de bever algemeen voor in ons waterrijke land en was het een van de belangrijkste architecten van de natuur. Maar door intensieve bejaging stierf de bever uit in Nederland. Sinds 1988 zijn ze weer in ons land te vinden en doen ze weer wat ze altijd al hebben gedaan: ze bouwen dammen.

Bever verspredingskaart in Nederland (NDFF en Zoogdierenvereniging)
Verspreidingskaart van de bever in Nederland (NDFF en Zoogdierenvereniging)

Wat is een beverdam?

Een beverdam is een door bevers aangelegde blokkade in stromend water. Ze bouwen dammen van:

  • Takken en stammen
  • Modder en klei
  • Bladeren en plantenresten

Door een dam te maken, vertraagt of stopt de waterstroom. Achter de dam ontstaat een plas of moerasachtig gebied: precies het leefgebied dat bevers nodig hebben.

Als bevers langere tijd op dezelfde plek (kunnen) blijven, kunnen ze meerdere dammen bouwen. Er ontstaan dan meerdere plassen. In en rondom deze plassen en moerasachtige gebieden groeit de biodiversiteit vaak enorm.

Bever op weg naar burcht - Saxifraga - Mark Zekhuis)
De oren, ogen en neusgaten zitten dicht bij elkaar, zodat er maar een klein gedeelte van het hoofd boven water gehouden hoeft te worden (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Waarom bouwen bevers dammen?

Bevers bouwen dammen om hun leefomgeving veiliger en stabieler te maken. Dat doen ze om meerdere redenen tegelijk.

1. Veiligheid door voldoende water

Bevers voelen zich het veiligst in het water. Hoewel ze zich op het land ook kunnen voortbewegen, zijn ze daar kwetsbaarder. Door dammen te bouwen verhogen bevers het waterpeil en zorgen ze ervoor dat hun leefgebied nat blijft, ook in drogere periodes. Voldoende water is essentieel: alleen zo kunnen bevers hun burcht veilig bereiken en zich snel terugtrekken bij gevaar.

2. Een veilige burcht met onderwateringang

Het leven van een bever speelt zich grotendeels af in en rond de burcht. Deze bestaat uit zowel natte als droge delen. De ingang van de burcht ligt altijd onder water en komt uit in een natte ‘hal’, waar de bever zich droog kan schudden. Van daaruit leidt een gang naar de nestkamer, ook wel slaapkamer genoemd. Deze ligt hoger, is volledig droog en bekleed met houtsnippers. Door het waterpeil hoog te houden met een dam, blijft deze onderwateringang altijd bereikbaar en veilig, en onbereikbaar voor roofdieren.

3. Bescherming tegen vijanden

Dieper water biedt bevers een belangrijk voordeel. In het water kunnen ze snel wegduiken en ontsnappen aan gevaar. Roofdieren zoals wolven, vossen en honden mijden diep water en kunnen moeilijk bij een burcht waarvan de ingang onder water ligt. De dam fungeert daarmee niet alleen als waterbeheer, maar ook als een effectieve bescherming tegen vijanden.

beverdam in rivier – dam gebouwd door bevers
Binnen in de beverdam bevinden zich kamers waar de bever buiten het bereik van roofdieren kan uitrusten.

4. Toegang tot voedsel

Bevers zijn echte vegetariërs. Ze eten planten, kruiden, bloemen, bladeren en knoppen van twijgen. Houtachtige delen van planten, struiken en bomen worden niet gegeten, maar gebruikt voor het bouwen van dammen. Bevers houden geen winterslaap. Ze leggen daarom een voedselvoorraad aan in hun burcht, om de winter goed door te komen. Bevers zijn monogaam en leven als een familie in een burcht. In Nederland zijn er zo’n 3500 exemplaren te vinden.

Door het waterpeil te verhogen, kunnen ze zwemmend bij bomen komen die anders te ver van het water staan. Dat scheelt energie en risico. Twijgen en takken blijven daarnaast langer vers in het water, zodat ze in de winter altijd vers eten hebben.

Waarom bouwen en maken bevers dammen in stromend water?

De vraag “waarom maken bevers dammen” wordt vaak gesteld wanneer mensen ze zien werken in een beek of rivier. Het antwoord is simpel: bevers houden niet van stromend water.

Stromend water kan ervoor zorgen dat hun dam en burcht weggespoeld worden. Het is daarom van groot belang dat de dam op de juiste wijze gebouwd wordt en dat ze rekening houden met de stroming van de beek of rivier.

In stromende beken en rivieren:

  • Spoelt hun leefgebied weg
  • Wordt het water te ondiep
  • Kunnen ingangen van burchten droogvallen

Door dammen te maken (actief aanleggen en onderhouden) zetten bevers stromend water om in stilstaand of langzaam stromend water. Daarmee beheren ze hun eigen leefgebied.

Afhankelijk van de breedte van de rivier, de sterkte van de stroming en de samenstelling van de beverfamilie, kan een beverdam sterk in grootte variëren. Er zijn beverdammen bekend die nauwelijks een meter lang zijn, maar ook beverdammen met een lengte van tien meter zijn niet ongewoon.

beverburcht en biodiversiteit in nat landschap (Saxifraga - Mark Zekhuis)
Beverdammen zijn er in allerlei soorten en maten (Saxifraga – Mark Zekhuis)

Hoe bouwen bevers een dam?

Het bouwen van een dam gebeurt stap voor stap:

  1. Bevers plaatsen takken dwars op de waterstroom
  2. Ze verzwaren de constructie met modder en stenen
  3. De dam wordt steeds hoger en steviger
  4. Water hoopt zich op achter de dam

Een beverdam is echter niet zomaar een simpele hoop takken. De bever moet erg secuur werken. Zwakke punten in de dam worden blootgelegd bij hoog water en een sterke stroming. De kans dat de dam dan wordt weggespoeld, wordt groter. Daarom maken bevers een fundament van modder en stenen. Daarop worden dikke stammen gebruikt voor een stevige constructie, die als basis dient voor de rest van de takken. Bomen met een diameter tot ruim 60 centimeter worden omgeknaagd en in kleinere delen geknaagd, waarna de stammetjes worden gebruikt voor de dam en de twijgen en bladeren worden opgegeten. Bevers blijven de dam continu onderhouden en controleren op lekken.

Met het bouwen van de dam krikken bevers het waterpeil op tot maximaal één meter diep. Ze kunnen al overleven in lagere waterstanden, maar waarschijnlijk hebben ze liever een hogere waterstand om in de herfst voldoende voedsel te kunnen stallen om de winter door te komen.

Het bouwen van een dam is een serieuze klus en komt precies. Het is iets wat bevers op instinct kunnen, want ook bevers die geboren zijn in gevangenschap zijn in staat een dam te bouwen. Het lijkt er wel op dat juveniele dieren de vaardigheden verder perfectioneren door het observeren van het gedrag van hun ouders en broertjes en zusjes.

Wat doet een beverdam met de natuur?

Hoewel een beverdam soms als overlast wordt gezien, heeft hij grote ecologische waarde.

Ecologische impact van beverdammen

Beverdammen dragen bij aan natuurlijke waterberging, waardoor bij hevige regenval piekstroom wordt verminderd en watervoorraad lokaal stijgt. Deze natuurlijke structuren van beverdammen en vijvers dragen bij aan biodiversiteit en veerkracht van ecosystemen:

  • Het biedt een habitat voor bijvoorbeeld amfibieën (zoals salamanders), vissen, insecten en vogels. Er ontstaat een waterrijk, moerasachtig gebied met veel natte natuur. Hoge waterstanden en natte oevers zoals in een natuurlijke poel in je tuin zijn ideaal voor veel soorten.
  • De biodiversiteit neemt (enorm) toe, omdat er leefgebied is gecreëerd voor onder andere amfibieën, insecten en vogels. Daarnaast trekt het ook specifieke soorten aan voor moerasachtig gebied.
  • De vijvers vangen water op en geven het water langzaam af wanneer er droge periodes zijn. Zo zijn de risico’s tijdens en na zeer natte en zeer droge periodes minder groot.
  • Zulke vijvers zijn van grote waarde in het waterbeheer. De waterstroom vertraagt en het water wordt opgevangen. Hierdoor helpen beverdammen de risico’s op overstromingen te verminderen.
  • Doordat de waterstroom vertraagd wordt, erodeert er minder in de beken en worden de oevers stabelier.
  • De vijvers werken als een filter. Ze vangen sediment en verontreinigingen op. Het water wat aan de andere kant van de dam af stroomt, is daardoor van betere kwaliteit.

Bron: The Evironmental Literacy Council

Bevers worden daarom ook wel ecosysteemingenieurs of landschapsarchitecten genoemd: ze veranderen het landschap op een manier waar veel andere soorten van profiteren.

Met het bouwen van dammen zorgt de bever ervoor dat er permanente en tijdelijke poelen ontstaan. Deze zijn vaak een bron van biodiversiteit. Oevers begroeien met (zeldzame) planten die goed gedijen aan deze oevers. Deze trekken op hun beurt weer vliegende insecten. In het stilstaand water beginnen vissen te paaien en leggen juffers en libellen hun eieren. De (vliegende) insecten zijn weer een belangrijke voedselbron voor andere dieren zoals vogels. Door de het bouwen van dammen ontstaat er dus een heel nieuw ecosysteem in het gebied.

De mensen achter Mossy Earth gingen zelfs zo ver, dat ze in een gebied neppe beverdammen maken om het gebied weer te herstellen en de biodiversiteit er terug te brengen. Dit is allemaal te zien in de deze video.

bevervijver achter dam – ecosysteem door bevers gevormd
Bevers zorgen met het bouwen van dammen voor een hogere biodiversiteit in een gebied

Beverdammen en mensen

Levert een beverdam problemen op? Soms wel, maar vooral vanuit menselijk perspectief. Andere diersoorten passen zich aan, maar met name de mens vindt de veranderde situatie onwenselijk.

Mogelijke problemen

  • Overstroming van landbouwgrond
  • Wateroverlast bij wegen of bebouwing
  • Omvallende bomen

Daarom worden beverdammen in Nederland vaak:

  • Gemonitord (waar en hoe groot is de ‘overlast’)
  • Soms verlaagd
  • Zelden volledig verwijderd

De uitdaging is om ruimte te geven aan natuurlijke processen, zonder dat het tot schade leidt. Nederland wordt steeds voller en drukker. Er is veel ruimte voor bebouwing en wegen, en waarschijnlijk zal dat de komende jaren zo blijven en zelfs nog meer worden. Dieren, zoals in dit geval de bever, hebben hun eigen ruimte nodig. Helaas past dit vaak niet in het beleid van de mens, waardoor de bever moet wijken.

Beversporen langs het water - waarom bevers dammen bouwen
Beversporen langs het water (De Natuur van hier)

Waarom zijn bevers zo belangrijk voor het landschap?

Door dammen te bouwen:

  • Herstellen bevers oude natte landschappen
  • Maken ze gebieden klimaatbestendiger
  • Zorgen ze voor natuurlijke sponswerking van de bodem

Zeker met de extreme weersomstandigheden van de laatste en komende jaren is bovenstaande hard nodig. De mens heeft door de eeuwen heen zelf het landschap ontzettend veranderd. Wat de bever doet, is eigenlijk niets anders dan een heel oud, natuurlijk proces. Wat mensen soms “last” noemen, is in feite natuur die (weer) werkt zoals bedoeld.

Conclusie: waarom bouwen en maken bevers dammen?

Bevers bouwen en maken dammen om:

  • Veilig te leven, buiten bereik van roofdieren
  • Voedsel te bereiken en te kunnen opslaan
  • Water vast te houden
  • Hun leefgebied te optimaliseren

Een beverdam is geen toeval, maar het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Wie begrijpt waarom bevers dammen bouwen, kijkt vaak met andere ogen naar het landschap.


Meer natuurinspiratie?

Wil je meer lezen over natuurlijke processen, diersoorten, doe-het-zelfprojecten of tuinideeën? Kijk dan eens bij onze andere blogs. Hieronder hebben we een aantal uitgelicht:

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Wat is het verschil tussen een amfibie en een reptiel?

Vuursalamander

De termen amfibie en reptiel worden vaak onterecht door elkaar gebruikt. Salamanders worden regelmatig reptielen genoemd en hagedissen amfibieën. Het zijn echter twee verschillende diergroepen, die veel op elkaar lijken, maar zeker ook op veel facetten van elkaar verschillen. In deze blog lees je het verschil tussen een amfibie en reptiel, maar kijken we ook naar de overeenkomsten tussen de twee diergroepen. Zo weet je altijd wanneer een dier een amfibie is en wanneer het een reptiel is.

Boomkikker (de Natuur van hier)
Boomkikker (de Natuur van hier)

Inhoudsopgave

Taxonomie amfibieën en reptielen

De klassen reptielen en amfibieën behoren beide tot de infrastam viervoeters. De infrastam wordt verder aangevuld met de klassen vogels en zoogdieren. De naam viervoeters roept enigzins verwarring op, omdat niet alle geslachten behorend tot deze stam meer in het bezit zijn van vier voeten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan slangen en vogels. De voorouders hadden deze echter wel. Amfibieën en reptielen worden dus gezien als aparte klassen, door diverse verschillen.

Bij slangen zijn de poten die de voorouders hadden nog als rudimentaire organen terug te vinden (Shutterstock)
Bij slangen zijn de poten die de voorouders hadden nog als rudimentaire organen terug te vinden (Shutterstock)

Lees ook: wat is het verschil tussen kikkers en padden?


Verschil amfibieën en reptiel

Als je onderstaande foto’s bekijkt en de twee dieren met elkaar vergelijkt, dan lijken ze veel op elkaar. Zowel de alpenwatersalamander als de levendbarende hagedis hebben beide een langgerekt lichaam, een lange staart en de vier poten bevinden zich aan de zijkant van het lichaam. Tel daarbij op dat het schuwe dieren zijn, die op het moment dat je ze tegenkomt in de natuur snel wegschieten, dan is het niet gek dat de termen amfibie en reptiel door elkaar worden gebruikt. Maar er zijn echter ook verschillen te zien. Zowel fysieke verschillen als verschillen in leefwijze en gedrag. Door op deze verschillen te letten wordt het makkelijker om te bepalen of je een amfibie of reptiel hebt gezien.

Fysieke verschillen

Er zijn een aantal, uiterlijke en innerlijke, verschillen op te merken tussen amfibieën en reptielen. Dit begint bij de ademhaling. Reptielen hebben net als zoogdieren longen waarmee ze ademhalen. Amfibieën hebben ook longen om mee adem te halen, maar kunnen ook nog op een andere manier ademhalen. Ze kunnen namelijk ook via de huid ademhalen. In de huid van de amfibie zitten dunne bloedvaatjes waarmee ze door diffusie zuurstof op kunnen nemen in water.

Dat brengt ons meteen bij het tweede verschil, de huid. Reptielen en amfibieën hebben een totaal verschillende huid. Reptielen hebben een harde geschubde huid die veel droger is dan die van amfibieën. Amfibieën hebben een erg vochtige huid met poriën. Deze wordt dus gebruikt voor de ademhaling. Naast zuurstof kunnen amfibieën ook water en andere vloeistoffen via de huid opnemen. Pak amfibieën dan ook nooit op als het niet nodig is. Hierbij bestaat de kans dat er schadelijke stoffen (bijvoorbeeld vuil- en zeepresten) de doorlaatbare huid binnendringen wat schadelijk kan zijn voor het dier.

Eieren en jonge dieren

Ook aan de eieren is een duidelijk verschil te zien. Reptielen leggen eieren met een harde schaal. De eieren van amfibieën zijn altijd zacht en fragiel en liggen altijd in het water. Wanneer de dieren geboren worden is nog een ander opmerkelijk verschil waar te nemen tussen reptielen en amfibieën. De juveniele dieren van reptielen lijken ontzettend op de volwassen dieren (ze zijn alleen wat kleiner). Bij amfibieën worden de juveniele dieren als larve geboren en ondergaan ze een metamorfose of gedaanteverwisseling wanneer ze volwassen worden.

Verschillen in leefwijze

Naast fysieke verschillen zijn er ook duidelijk verschillen op te merken in de leefwijze van de twee diergroepen. Dit start met waar de dieren te vinden zijn. Reptielen zijn vaak bewoners van de drogere omstandigheden. Amfibieën vinden we vaak in, of in de buurt van water. Een deel van het leven zijn ze afhankelijk van water. Dit verschilt per soort. Sommige amfibieën zijn bijna jaarrond in het water te vinden. Andere soorten zijn soms maar een zeer korte periode (enkele weken) in het water te vinden. Desalniettemin zijn alle amfibieën afhankelijk van water en zouden ze uitdrogen in een te droge leefomgeving.

Paring en eileg

De voornaamste reden dat amfibieën aan water gebonden zijn, is vanwege de eileg. Alle amfibieën leggen namelijk hun eieren in het water, of de eieren komen uit in het lichaam waarna de larven in het water ter wereld worden gebracht (wat bij salamanders vaak het geval is). Reptielen leggen de eieren op het land. Deze worden ingegraven, waardoor ze in een relatief constante temperatuur komen te liggen en de ouders er niet meer naar om hoeven te kijken.

Ook in het paringsgedrag van beide diergroepen zijn verschillen te benoemen. Bij reptielen vindt er altijd contact plaats tijdens de paring. Dat is bij amfibieën (soms) anders. Bij salamanders wordt door het mannetje een pakket zaadcellen afgezet, dat door de vrouwtjes via de cloaca wordt opgenomen. Er vindt dan een inwendige bevruchting plaats, waarbij er geen contact is. Bij kikkers en padden gaat het er anders aan toe. Het mannetje klimt op de rug van het vrouwtje en pakt deze stevig beet (dit noemen we de amplexus). Dit duurt vaak enkele dagen, waarna het vrouwtje de eieren afzet in het water en het mannetje deze bevrucht met zijn zaad. Hier is dan sprake van een uitwendige bevruchting, waarbij er in eerste instantie wel contact is.

Paring padden
Bij kikkers en padden klimt het vaak veel kleinere mannetje bovenop het vrouwtje en blijft daar dan soms dagen zitten. Deze paargreep wordt de amplexus genoemd. Na verloop van tijd zet het vrouwtje haar eieren af in het water en bevrucht het mannetje de eieren met zijn zaad.

Lees ook: zelf een poel aanleggen


Tot slot

Als je beter kijkt, zijn er dus voldoende verschillen te vinden tussen amfibieën en reptielen. Het is echter te begrijpen dat deze twee dierklassen door elkaar worden gehaald. Ze zijn immers beide koudbloedig, het zijn schuwe dieren en bij veel mensen niet bekend. Voor natuurbeheerders zijn het echter enorm belangrijke soorten die vaak iets zeggen over de toestand van het betreffende gebied. Van beide soorten gaan de aantallen flink achteruit en de aanwezigheid van veel verschillende soorten amfibieën en reptielen in een gebied zijn een belangrijke indicator voor goed beheer, wat vaak ook andere flora en faunasoorten ten goede komt. Meer informatie over deze twee soorten vind je bij RAVON.

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Vogelgeluiden leren herkennen

Huismussen

In het voorjaar hoor je in je tuin een symfonie van geluiden. Allerlei bekende tuinvogels laten hun beste zang horen, om een partner te vinden voor het aanstaande broedseizoen. Voor een leek is er geen onderscheid tussen al deze vogelgeluiden, maar wie zich er in verdiept zal steeds meer vogelgeluiden van elkaar kunnen onderscheiden. In deze blog bespreken we de zang (en laten we deze horen) van negen van de meest voorkomende tuinvogels.

Het geluid van vogels

Vogels kunnen verschillende soorten geluid maken, met verschillende doeleinden. Naast de bekende zang van zangvogels, hebben de meeste vogels verschillende soorten roepgeluiden om met elkaar te communiceren. Daarnaast zijn er nog vogels die geen zang kennen, maar andere geluiden maken, zoals ooievaars die klepperen en spechten die tegen een boom aan roffelen.

De zangvogels gebruiken geen stembanden om hun prachtige zang te produceren, maar hebben hiervoor een speciaal orgaan; de syrinx. Deze zit in de buurt van de luchtpijp en is dus niet aanwezig bij alle vogels. Hoe gespierder de syrinx, hoe uitgebreider het zangpakket van de vogel.

Hulpmiddelen bij het herkennen van vogelgeluiden

Voor de beginnende vogelaar is het bijna onmogelijk om alle geluiden van elkaar te kunnen onderscheiden. Gelukkig zijn er een paar hulpmiddelen en ezelsbruggetjes die je op weg kunnen helpen. Allereerst is het vooral belangrijk om te oefenen. Hoe vaker je er mee bezig bent, hoe sneller je de eerste vogelgeluiden kunt herkennen. Daarnaast kun je de app Merlin Bird ID op je telefoon installeren. Deze app kan een groot scala aan vogelgeluiden herkennen en is handig als je buiten in de tuin of in het veld bent.

Zingende vogel

Tot slot kunnen we nog het boek ‘Wat zingt daar?’ aanraden. Dit is een praktisch boek met veel achtergrondinformatie over vogels. Tevens is het boek zo opgebouwd dat je per maand kunt zien wat je in de natuur zoal kunt horen en kun je dus ook heel specifiek op zoek. Dit boek is daardoor een boek dat niet mag ontbreken in de boekenkast van een vogelaar. Via deze link (bol.com) is het boek te bestellen.

Koolmees (Parus major)

De koolmees, een van de meest voorkomende tuinvogels in ons land, heeft een zeer gevarieerde en uitbundige zang. De tweetonige zang van de grootste mees van ons land kan vergeleken worden met het geluid van een fietspomp. Het geluid bestaat maar uit twee tonen, maar hierin kent de koolmees veel variatie. De zang van de koolmees is, naast in de tuin, op veel andere plekken te horen zoals in parken en bossen. Maak zelf een nestkast voor de koolmees, zodat de veelzijdige zang van de koolmees voortaan ook in jouw tuin is te beluisteren.

De zang van de koolmees

Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)

pimpelmees

Het kleinere neefje van de koolmees is al een net zo graag geziene gast in de Nederlandse tuinen, de pimpelmees. Net zoals de koolmees is de pimpelmees van origine een bosvogel en kun je hem daar dus ook horen.

De zang van de pimpelmees kan omschreven worden als een fijne, heldere zang. Hij start met twee hogere tonen, gevolgd door een aantal lagere tonen. Die serie lagere tonen kan vergeleken worden met een belletje. Deze strofe herhalen ze regelmatig, waarna ze daarna nog verrassend kunnen gaan variëren in zang.

De zang van de pimpelmees

Lees ook: 10 tips voor meer vogels in je tuin

Roodborst (Erithacus rubecula)

Het roodborstje is met zijn rode, opvallende borst (bij mannetjes) een onmiskenbare tuinnvogel. Maar naast het in het oog springende uiterlijk kun je de roodborst ook goed herkennen aan zijn zang. Ze hebben namelijk een opvallende, melodieuze zang die vaak omschreven wordt als een kabbelend beekje of waterval. De strofes worden afgewisseld met kenmerkende pauzes van ongeveer drie seconden.

Als een van de weinige vogels is de zang van het roodborstje ook in de winter te horen. Ze verdedigen dan nog fel hun territorium en dulden dan geen enkele soortgenoot (ook de vrouwtjes niet). Uit onderzoek blijkt dat roodborstjes hun zang afstemmen op hun omgevingsgeluiden. Op plekken met veel verkeerslawaai zingen roodborsten vroeger in de ochtend, zodat ze goed hoorbaar zijn voor concurrenten en potentiële partners.

Roodborst

De zang van het roodborstje

Vink (Fringilla coelebs)

Vink

Een andere graag geziene gast in veel tuinen is de vink. Ze komen in het hele land voor en de mannetjes vinken laten hun zang al vroeg in het jaar horen. Vaak zijn de eerste vinken al in februari te horen, wanneer ze terugkeren van het overwinteringsgebied (de standvogels zijn ook vanaf half februari te horen).

De vink heeft een herkenbare zang, die door het hele land te horen is, maar per regio kan verschillen. In grote lijnen is de zang van de vink te omschrijven als een lange, snelle zang met op het einde enkele korte, hoge tonen, die ook wel de vinkenslag genoemd wordt.

De zang van de vink

Lees ook: vinken in Nederland – Deel I

Houtduif (Columba palumbus)

Dan door naar de meest voorkomende duif in Nederland, de houtduif. Deze grote duif is grijs van kleur en goed te herkennen aan de witte vleugelstreep en witte halsvlek, die overigens alleen bij volwassen dieren aanwezig is.

Ook het geluid is goed te onderscheiden van de ander duivensoorten, deze bestaat namelijk uit vijf tonen. Een handig ezelsbruggetje is dat je de vijf tonen kunt vervangen door: m’n opóe is dóód. Het geluid is daarnaast laag en schor. Naast de zang zijn de vleugels goed te horen van de duif. Bij opstijgen slaan deze boven én onder het lichaam tegen elkaar aan.

Houtduif (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers

De zang van de houtduif

Turkse tortel (Streptopelia decaocto)

Turkse tortel (De natuur van hier - Mickeal Kurvers)

De andere duivensoort die zich regelmatig in tuinen laat zien (en horen) is de Turkse torel. Deze parmantige duiven zijn meer roze-beige van kleur, hebben een donkere halsband en donkerrode irissen. Naast dat de Turkse tortel qua uiterlijk goed te onderscheiden is van de houtduif, is deze aan de zang ook gemakkelijk te herkennen.

In plaats van vijf tonen bestaat de zang van de Turkse tortel meestal uit drie tonen. Deze start met een korte toon, gevolgd door een lange toon en eindigend met wederom een korte toon. In deze drie tonen is m’n opoe te horen, een beetje korter dan bij de houtduif dus. De zang van de Turkse tortel is vrijwel het hele jaar te horen.

Foto: De natuur van hier – Mickeal Kurvers

De zang van de Turkse tortel (Xeno-canto – Frank Roos)

Merel (Turdus merula)

De merel is wellicht een van de mooiste vogels om in je tuin te treffen. De mannetjes hebben een prachtige zang en de vogels zijn zeer actief, waardoor er dus altijd wat te beleven is.

Ondanks het usutuvirus (waar de merel veel last van heeft) is het nog steeds de talrijkste broedvogel in ons land.

Merels zijn luidruchtige vogels. Naast de prachtige zang van de mannetjes hebben ze ook een luide, hevige alarmroep. De uitbundige zang laat het mannetje vaak horen vanaf een hoge plek, vaak vroeg in de ochtend of op het einde van de dag. De zang kan omschreven worden als een lange, rollende zang, met veel variatie.

In hun zang verwerken merels ook imitaties van andere vogels en omgevingsgeluiden. Als je dus goed gaat luisteren naar de merel zul je horen dat iedere merel net wat anders klinkt.

Merel

Lees ook: tuinvogel uitgelicht: de merel

Winterkoning (Troglodytes troglodytes)

Een ander opvallend vogeltje die zich in veel tuinen laat zien is de winterkoning. Het is een van de kleinste vogels van ons land, maar heeft desondanks een zeer luide zang. De winterkoning is goed te herkennen aan het formaat, de bruine kleur en het omhoog staande staartje.

Zoals gezegd hebben ze een zeer luide, harde zang (zeker in vergelijking met het formaat). Ze beginnen al vroeg in het jaar te zingen. De zang wordt soms omschreven als een haperend wekkertje. De zang bestaat uit verschillende strofes met rollers en trillers erin verwerkt en meestal eindigend met een harde noot.

Winterkoning

De zang van de winterkoning (Xeno-canto – Uku Paal)

Huismus (Passer domesticus)

We sluiten af met de vogel die het meeste gezien wordt in de Nederlandse tuinen (volgens de nationale tuinvogeltelling): de huismus. Ondanks dat de huismus het meest gezien wordt, lopen de aantallen toch sterk terug.

Mannetjes en vrouwtjes verschillen qua uiterlijk sterk van elkaar. In geschikte tuinen vormen huismussen vaak grote families en zijn dan ook veelvuldig te horen. De zang beperkt zich tot een kenmerkend getjilp. In het tjilpen zijn veel variaties te ontdekken. Als je je eenmaal bewust bent van het getjilp van de huismus, hoor je hem overal.

Huismus

De zang van de huimus (Xeno-canto – Pascal Christe)

In deze blog hebben we de zang van enkele van de meest algemene tuinvogels besproken. Deze vogels zijn een uitstekend beginpunt om te starten met het herkennen van vogelgeluiden. Voor de meeste is er een handig ezelsbruggetje en veel zijn vanuit je eigen tuin te horen. Wanneer je deze eigen hebt gemaakt kun je er op uit en proberen ook de geluiden van andere vogels te herkennen. Welke vogels hoor jij allemaal in je tuin?

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Witte vlinders herkennen in Nederland – met foto’s en tips

Groot koolwitje

Er zijn vlinders in allerlei soorten, maten en kleuren. Opvallende vlinders zijn vaak niet moeilijk te herkennen, maar vlinders die er grotendeels hetzelfde uitzien, zijn moeilijker om uit elkaar te houden. Zo ook witte vlinders. Hoe leer je witte vlinders herkennen? In deze blog geven we je daar tips voor: waar kun je op letten en wat onderscheidt de ene vlinder van de andere? Aan het eind van deze blog geven we nog tips hoe je vlinders zelf kunt helpen.

Inhoudsopgave

Een koolwitje, maar is het de grote of de kleine?
Een koolwitje, maar is het de grote of de kleine?

Witte vlinders behoren tot de familie witjes: Pieridae. Als je op de Latijnse namen van de vlinders let, zul je al gauw opmerken welke tot hetzelfde geslacht behoren en welke niet. Waardplanten zijn voornamelijk koolsoorten en kruisbloemigen.

Overzichtstabel

Soort (Nederlands) Wetenschappelijke naam Spanwijdte Zwarte vleugelpunten Stippen (m/v) Activiteitsperiode Kenmerken & tips
Groot koolwitje Pieris brassicae 28–32 mm Grote, halvemaanvormige zwarte punten die diep doorlopen Vrouw: 2 stippen; man: geen Maart–oktober Zeer prominente vleugelpunt; groene rups met zwarte spikkels
Klein koolwitje Pieris rapae 21–27 mm Kleine, recht afgesneden zwarte punten Beide: zwarte vlekken; bij vrouw opvallender Maart–oktober Algemeen voorkomend; smalle gele streep op rups
Klein geaderd witje Pieris napi 20–24 mm Zwart, druppelvormig; aders grijsgroen onder Man: 1 vlek; vrouw: 2 April–oktober Ondervleugels met grijs-groene aders; vaak bij vochtige biotopen
Scheefbloemwitje Pieris mannii Iets kleiner dan klein koolwitje Middelgrote vleugelpunt Soortgelijke stippen als klein koolwitje Zeldzaam, in opkomst Moeilijk te onderscheiden; vleugelpunt tussen klein en groot koolwitje
Citroenvlinder Gonepteryx rhamni 27–30 mm Geen zwart; puntige vleugelvorm Oranje vlek op vleugel bij beide geslachten Februari–oktober Vrouwtje vaak bijna wit; duidelijk andere vleugelvorm

Groot koolwitje (Pieris brassicae)

De voorste vleugelpunten zijn zwart. Dit loopt tot bijna onderaan de voorste vleugelpunt door naar beneden, in de vorm van een maansikkel. Vrouwtjes hebben twee zwarte stippen op de voorste vleugels, mannetjes hebben dit niet. De stippen kunnen per generatie verschillen.

Het groot koolwitje is meestal tussen de 28 en 32 mm groot. Het groot koolwitje kun je in het hele land tussen maart en oktober tegenkomen.De rupsen zijn groen met een zwart gespikkelde rug.

Pieris brassicae 7, Groot koolwitje, Vlinderstichting-Henk Bosma
De donkere vleugelpunten en zwarte stippen zijn hier duidelijk te zien bij dit vrouwtje (Vlinderstichting/Saxifraga – Henk Bosma)

Klein koolwitje (Pieris rapae)

Het klein koolwitje heeft minder zwarte vleugelpunten dan het groot koolwitje. En natuurlijk zijn ze kleiner (21-27 mm). De vleugelpunten zijn zwart, maar dat loopt niet zo ver door als bij het groot koolwitje. Zowel mannetjes als vrouwtjes hebben zwarte vlekken op hun voorvleugel, maar bij de vrouwtjes zijn deze meer aanwezig.

Het klein koolwitje is ook een algemene vlinder en kun je overal in ons land zien fladderen tussen maart en oktober. De rupsen zijn groen en heel licht gespikkeld. Ook valt de smalle, gele streep op.

Pieris rapae 26, Klein koolwitje, Saxifraga-Rudmer Zwerver
Vergeleken met de foto hierboven zie je bij het klein koolwitje duidelijk verschil in de vleugelpunten (Saxifraga – Rudmer Zwerver)

Klein geaderd witje (Pieris napi)

Deze witte vlinder (20-24 mm) lijkt in de zomer erg op het klein koolwitje. In de lente vallen de aders meer op. De aders op de onderste vleugels zijn grijsgroen bestoven. De mannetjes hebben één vlek op de voorste vleugels, vrouwtjes hebben er twee. De vleugelpunten zijn ook bij deze vlinders zwart en zijn druppelvormig.

Dit witje komt in het gehele land voor en zie je tussen april en oktober. De rups is blauwgroen met kleine gele vlekjes over de zijkant, waar de ademhalingsgaatjes in zitten.

Klein geaderd witje (Vlinderstichting/Saxifraga - Kars Veling)
De bestoven aders zijn hier goed te zien (Vlinderstichting/Saxifraga – Kars Veling)

Lees ook: hoe maakt een bij honing?


Citroenvlinder (Gonepteryx rhamni)

Deze vlinder zul je vooral kennen door de heldere, gele kleur, maar de vrouwtjes zijn een stuk minder geel. Soms zelfs tegen het wit aan. Dan is het vrij makkelijk om de vlinder voor een witje aan te zien. Net als de witjes kun je deze vlinder ook overal in Nederland zien (februari-oktober).

De citroenvlinder is tussen de 27 en 30 mm groot. Aan zowel de voor- als de achtervleugel is een duidelijk puntje te zien. Mannetjes en vrouwtjes hebben een oranje vlekken op de vleugels. De rups is groen met hele fijne zwarte spikkeltjes.

Citroenvlinders hebben duidelijke puntjes aan de vleugels (Vlinderstichting/Saxifraga – Chris van Swaay)

Oranjetipje (Anthocharis cardamines)

Hoewel deze vlinder ook voornamelijk wit is, valt de grote oranje vlek op de voorste vleugel goed op. Maar let op: vrouwtjes hebben deze oranje vlek niet. Daardoor kun je deze vlinder snel onderscheiden van andere witte vlinders.

Oranjetipjes zie je vooral in het voorjaar. In het oosten zitten ze veel, maar verder kun je ze overal door het land tegenkomen. Ze zijn ongeveer 20 mm groot en je ziet ze van maart tot en met juni. De rups is is grijsgroen en fijn zwart gespikkeld en heeft een witte streep over de lengte van het lichaam.

Anthocharis cardamines 71, Oranjetipje, Saxifraga-Rudmer Zwerver
Hier is het verschil tussen man en vrouw oranjetipje goed te zien (Saxifraga – Rudmer Zwerver)

Scheefbloemwitje (Pieris mannii)

Deze witte vlinder lijkt heel erg op beide koolwitjes en is dus vrij lastig te herkennen. Het klein koolwitje heeft een vrij rechte zwarte vleugelpunt, het groot koolwitje juist een grote zwarte vlek die uitloopt en het scheefbloemwitje zit daar tussenin. Daarnaast is de vlek op de vleugel hol van binnen.

Dit vlindertje is 19-25 mm groot en een nieuwkomer in Nederland. Je ziet hem vanuit het zuiden steeds noordelijker trekken. Van maart tot en met oktober is deze vlinder actief. De rups is lichtgroen met twee gele strepen op het lichaam, die over de lengte lopen.

Pieris mannii 3, Scheefbloemwitje, Saxifraga-Willem van Kruijsbergen
Het scheefbloemwitje lijkt erg op de andere witjes (Saxifraga – Willem van Kruijsbergen)

Lees ook: hoe maakt een spin een spinnenweb?


Afsluiting

Wie natuurontwikkeling volgt, weet dat het de laatste jaren niet goed gaat met veel vlinders. Net als veel andere diersoorten hebben ook zij last van onder andere stikstofneerslag, droogte en ander extreem weer. We hebben elkaar nodig om hier iets aan te kunnen veranderen. Daarom hebben we hier enkele tips op een rijtje gezet waar je gelijk mee uit de voeten kunt.

  • Hang een vlinderhotel op. Het beste kun je een vlinderhotel op een beschutte plek hangen, zodat er geen regen en wind naar binnen kan komen. De hoogte maakt niet uit. Wij hebben bijvoorbeeld dit vlinderhotel gekocht.
  • Vlinders zijn gek op zoetigheid. Leg ergens wat (rottend) fruit neer en je zult binnen de kortste keren de eerste vlinders zien verschijnen. Wist je dat soorten vlinders van verschillende fruitsoorten houden? Probeer dus gerust verschillend (biologisch) fruit uit.
  • Vooral met warme dagen en zeker met langere, droge periodes is het belangrijk dat vlinders ergens kunnen drinken. Je kunt zorgen voor schaaltjes met water, vochtige planten en bodem en je kunt eventueel ook suikerwater maken.
  • Deel je vlinders op waarneming.nl! Via de app ObsIdentify is het vrij eenvoudig om de soort te laten herkennen. Vanuit daar kun je hem uploaden op waarneming.nl. Ook handig met die zoveel op elkaar lijkende witte vlinders. Benieuwd welke vlinders er in onze natuurtuin rondfladderen? We houden een soortenlijst bij.
  • De vlinderstruik. Een geliefde struik in menig tuin. Wij raden af om nog vlinderstruiken aan te planten. Ze woekeren en komen hier niet van nature voor, daarmee zijn ze een bedreiging voor onze inheemse soorten. Een (invasieve) exoot dus. Daarnaast blijkt uit onderzoek van Sprinklr dat er op onder andere de vlinderstruik (en helaas andere tuinplanten) nog vaak allerlei soorten gif zit. Je kunt beter kiezen voor biologisch gekweekte, inheemse planten, zoals wollige sneeuwbal, duizendblad of slangenkruid.

Meer vlinders in de tuin
Wil je jouw tuin ook aantrekkelijker maken voor vlinders, dan kun je met biologisch gekweekte planten zorgen voor nectar, het voedsel van vlinders. Belangrijk is dan wel dat planten biologisch gekweekt zijn omdat deze geen pesticiden bevatten. Hierdoor kunnen vlinders onbezorgd van de nectar in de bloemen in jouw tuin genieten.
Sprinklr heeft een groot aanbod aan biologisch gekweekte planten. Ze hebben daarnaast een speciaal pakket voor vlinders samengesteld. Dit pakket bestaat uit vijf verschillende soorten vaste planten. Met dit pakket zorg je ervoor dat vlinders tot diep in het najaar bloemen met nectar tot hun beschikking hebben. Daarnaast zit er pijpenstrootje in het pakket, voor veel vlinders een goede plant om de rupsen op te laten opgroeien. Vlinders zullen je dus heel dankbaar zijn wanneer je een vlinderpakket in je tuin plant!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Waarom houden dieren een winterslaap?

De egel is een van de bekendste zoogdieren die een winterslaap houdt. Verstopt in een stapel bladeren verkeert het lichaam in een ruststand

Tijdens de koude wintermaanden zijn sommige dieren, die je in andere jaargetijden wel ziet, onvindbaar. Deze dieren hebben hun territorium niet verlaten, maar hebben tijdelijk een plek opgezocht om de winter door te brengen. Ze houden een winterslaap. In deze blog vertellen we je alles over winterslaap en winterrust, waarom en welke dieren dit doen.

De egel is een van de bekendste zoogdieren die een winterslaap houdt. Verstopt in een stapel bladeren verkeert het lichaam in een ruststand
De egel is een van de bekendste zoogdieren die een winterslaap houdt. Verstopt in een stapel bladeren verkeert het lichaam in een ruststand

Inhoudsopgave

Wat is winterslaap?

Tijdens de winterslaap neemt het lichaam een lager tempo aan. De hartslag en ademhaling vertragen en de lichaamstemperatuur gaat omlaag. Dieren doen dit om de winters door te komen, wanneer er weinig tot soms geen voedsel voorhanden is. Door een winterslaap te houden, besparen ze enorm veel energie. Het verminderde voedselaanbod is ook een van de redenen waarom vogels naar het zuiden trekken.

Dieren die een winterslaap houden, worden vrijwel de hele winter niet wakker. Zodra de temperaturen omhoog gaan, beginnen ze wakker te worden. Tijdens deze rustperiode verliezen ze veel gewicht. Sommige dieren bewegen af en toe tijdens deze periode, maar er zijn ook dieren die helemaal niet bewegen. Dieren die de winter slapend doorbrengen, zijn bijvoorbeeld de egel en de hazelmuis. Voordat ze gaan slapen, zorgen ze ervoor dat ze zoveel mogelijk gegeten hebben. Zo weegt de hazelmuis tegen die tijd rond de 40 gram, waar hij normaal gesproken rond de 17 gram weegt.

De hazelmuis krult zich tijdens de winterslaap op in zijn holletje, om er in het voorjaar weer uit te komen (Shutterstock)
De hazelmuis krult zich tijdens de winterslaap op in zijn holletje, om er in het voorjaar weer uit te komen (Shutterstock)

Er zijn ook dieren, zoals de das en eekhoorn, die een winterrust hebben. Ze zijn tijdens de winter niet actief, maar zijn ook niet continu in slaap. Ze zoeken voedsel en zijn verder voornamelijk in rust. Beren houden bijvoorbeeld ook een winterrust, maar ook hun temperatuur daalt dan sterk.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Ten slotte zijn er ook nog dieren die hun leven eigenlijk hetzelfde blijven leiden tijdens de koude winterperiode. Bepaalde muizen bijvoorbeeld. Wat ze wel doen, is een voedselvoorraad aanleggen. Want tijdens de winter is het voedselaanbod schaars. Ook sommige vogelsoorten doen dit, zoals kraaiachtigen. Voedsel wordt goed verstopt, een ander mag er niet met de buit vandoor gaan.

Winterslaap of niet, als dier moet je je goed voorbereiden op de barre winterperiode, onder andere door een voedselvoorraad aan te leggen
Winterslaap of niet, als dier moet je je goed voorbereiden op de barre winterperiode, onder andere door een voedselvoorraad aan te leggen

Waarom houden dieren een winterslaap?

In de koude wintermaanden is het voedselaanbod schaars. Er zijn weinig tot geen vruchten, noten, zaden of insecten te vinden. Sommige vogels trekken om deze reden naar het zuiden, dieren die hier blijven moeten andere oplossingen vinden. Om de winter toch door te komen, moet het dier zichzelf beschermen tegen honger en kou. Door in winterslaap of winterrust te gaan, verbruikt het lichaam veel minder energie. De hartslag, temperatuur en ademhaling gaan omlaag. Er hoeft minder tot niet gegeten te worden en het dier hoeft het warme hol (vrijwel) niet te verlaten. Tijdens de slaapperiode scheidt het dier geen geurstoffen af, zodat ze geen makkelijke, slapende prooi vormen voor roofdieren.

Waar houden dieren een winterslaap?

Dieren houden op verschillende manieren een winterslaap. Zo hangen vleermuizen vaak bij elkaar in de buurt en zul je egels eerder in hun eentje tegen kunnen komen in een hoop bladeren. De plek is per soort ook verschillend. Egels zijn content met rommelige hoekjes met genoeg bladeren, eekhoorns zullen voor hun winterrust een veilig hol zoeken.

Vleermuizen hangen tijdens het slapen aan hun poten. Dit is tijdens de winterslaap niet anders
Vleermuizen hangen tijdens het slapen aan hun poten. Dit is tijdens de winterslaap niet anders

Hoe kun je helpen?

Je kunt dieren best een handje helpen om de winterslaap te beginnen, door te komen en om daarna fris en fruitig aan het voorjaar te beginnen.

In de herfst kun je het beste je tuin niet (te veel) opruimen. De bladeren worden door veel diersoorten, groter en kleiner, gebruikt om zich in te verschuilen. Ook uitgebloeide planten zijn een veilige schuilplek. Die kun je dus mooi laten staan. Wanneer je bijvoorbeeld notenbomen in je tuin hebt, kun je wat noten laten liggen. Vogels zoals kraaien en ekster en zoogdieren als eekhoorn zullen ze graag gaan verstoppen om later te verorberen.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Bladeren, afgevallen vruchten, noten en uitgebloeide planten hebben dieren nodig om de winter door te komen. Voor voedsel en schuilgelegenheid
Bladeren, afgevallen vruchten, noten en uitgebloeide planten hebben dieren nodig om de winter door te komen. Voor voedsel en schuilgelegenheid

Voor sommige soorten kun je een schuilplaats maken of kopen. Elke soort stelt weer andere eisen aan een schuilplek. Egels brengen bijvoorbeeld hun winterslaap graag door in een egelhuis (Vivara Natuurproducten). Dit luxe model heeft een voorportaal, zodat de egel zeker uit weer en wind blijft. Vleermuizen kun je verblijden met een vleermuizenkast, vaak met plek voor meerdere vleermuizen tegelijk. Soms worden nestkasten ook gebruikt om de winter in door te brengen.

Er zijn ook eekhoornkasten te koop of om zelf te maken. Zoek een goede plek ervoor uit en het wachten op de eerste eekhoorn is begonnen
Er zijn ook eekhoornkasten te koop of om zelf te maken. Zoek een goede plek ervoor uit en het wachten op de eerste eekhoorn is begonnen

Tijdens de winterslaap of winterrust is er eigenlijk maar een ding belangrijk: laat de dieren met rust. Verstoor de winterslaap niet. Als je per ongeluk bijvoorbeeld een egel hebt gestoord tijdens het opruimen, is het het beste om de situatie zo snel mogelijk weer in orde te maken en erbij weg te gaan. Hoe korter de storing, hoe beter.

Na de winterslaap kun je de dieren helpen door voedsel en water aan te bieden. De dieren kunnen zo weer op gewicht komen en uitgerust aan de lente beginnen. Let er wel op wat je de dieren geeft. Probeer altijd te gaan voor biologisch voer, dit is vrij van gif wat schadelijk is voor dieren. Ook kun je verschillende soorten voederhuizen kopen, van vogels tot eekhoorns. Geef ze geen eten van eigen tafel.

Om na de winterslaap weer op krachten te komen, kun je helpen door verantwoord voedsel neer te zetten
Om na de winterslaap weer op krachten te komen, kun je helpen door verantwoord voedsel neer te zetten

Lees ook: waarom vliegen vogels in een v-vorm?


Veelgestelde vragen

Waarom houden dieren een winterslaap?

Om energie te besparen, gaan dieren in winterslaap. Hun ademhaling, lichaamstemperatuur en hartslag verlagen. In de winterperiode is er weinig voedsel te vinden.

Wat gebeurt er met het lichaam tijdens winterslaap?

Het lichaam vertraagt: ademhaling, temperatuur en hartslag gaan omlaag. Het lichaam is in rust en verbruikt weinig energie. Het dier verliest tijdens deze periode gewicht.

Welke dieren houden een winterslaap?

Verschillende soorten houden een winterslaap, zoals vleermuizen, egels, bepaalde soorten muizen. Andere dieren, zoals beren en dassen, houden een winterrust. Zij komen dan wel af en toe kort naar buiten.

Hoe lang duurt een winterslaap?

Ook dit verschilt per soort. Winterslaap kan variëren van enkele dagen tot enkele maanden.


Wil je meer te weten komen over dieren of de natuur en inspiratie ontvangen over inheemse planten of andere tuintips? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische tuintips en winacties!

Niets meer missen. Volg ons op onze socials!

Wat is het verschil tussen een haas en een konijn?

Haas (de Natuur van hier)

In Nederland leven twee soorten dieren die behoren tot de orde haasachtigen, de haas en het konijn. Beide zijn het op de grondlevende dieren met grote oren en relatief lange poten. Ze houden zich op in open- en halfopen landschappen en voeden zich voornamelijk met gras en kruidachtige planten. Maar wat zijn nou de verschillen tussen de haas en het konijn? Als je weet op welke kenmerken je moet letten, wordt het in het veld veel makkelijker om ze uit elkaar te houden.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Taxonomie hazen en konijnen

De meeste mensen zullen denken dat de haas en het konijn behoren tot de knaagdieren, maar ze behoren echter tot een aparte orde binnen de zoogdieren, de haasachtigen. Het werd lange tijd gedacht dat hazen inderdaad tot de knaagdieren behoorde, maar op basis van verschillen in het gebit en de kaken worden ze tegenwoordig gezien als een aparte orde.

Konijn
Haasachtigen zijn goed te herkennen aan de meestal grote oren en spleetvormige neusgaten en gespleten bovenlip

Kenmerkend voor de haasachtigen is dat het lichaam zich laag bij de grond bevindt, ze over het algemeen lange oren hebben, relatief lange poten, een korte staart en een dikke vacht. Ze hebben daarnaast spleetvormige neusgaten en grote voortanden. In Europa zijn tegenwoordig nog zeven soorten haasachtigen te vinden, waarvan er twee ook in Nederland voorkomen (Europese haas – Lepus europaeus en Europees konijn – Oryctolagus cuniculus).

Verschillen hazen en konijnen

Ondanks dat ze veel op elkaar lijken, zijn er ook zeker verschillen te vinden tussen de haas en het konijn. Het eerste verschil is een beetje flauw, maar zit hem al in het lidwoord. We spreken in de Nederlandse taal van de haas en het konijn. Mannetjes noemen we bij beide soorten rammelaren. Vrouwtjes noemen we bij het konijn voedsters, bij hazen moeren.


Lees ook: verschil tussen kikkers en padden


Fysieke verschillen

Om in het veld de haas en het konijn uit elkaar te houden, is het belangrijk om te letten op de fysieke verschillen tussen de twee. Het makkelijkste verschil om te zien is dat een haas een stuk groter en zwaarder is dan een konijn. Hazen hebben een kop-romplengte van 50 tot 65 centimeter en kunnen tot vijf kilogram wegen. Konijnen bereiken een kop-romplengte van 35 tot 45 centimeter met een maximaal gewicht van 2,5 kilogram. Beduidend kleiner dus.

Een ander opvallend kenmerk zijn de oren, waarbij ook wat verschillen zijn op te merken. Als eerste zijn die van de haas langer. Daarnaast hebben hazen aan de bovenkant van de oren een zwarte punt, konijnen hebben enkel een donker randje.

Haas
De grote oren, en de zwarte punt bovenaan de oren, zijn kenmerkend voor de haas

Qua vacht lijken de twee best op elkaar. Beide zijn ze grijsbruin van kleur, al kan er bij hazen onderling nog wel verschil optreden, afhankelijk van waar ze leven. Er is wel een verschil te ontdekken tussen de haas en het konijn in de wolharen, die zich tussen de dikkere dekharen bevinden. Bij konijnen zijn deze grijs, bij hazen wit.

Atletische bouw hazen

Hazen zijn tot slot een stuk atletischer gebouwd dan konijnen. De langere poten zorgen ervoor dat hazen sneller zijn dan konijnen. Daarnaast zijn hazen meer gebouwd om langere afstanden te rennen, konijnen moeten het vooral hebben van de korte sprintjes. Hazen zijn over het algemeen ook wat slanker gebouwd dan konijnen, wat het atletische vermogen onderstreept.

Verschillen in leefwijze

Naast fysieke verschillen zijn er ook zeker verschillen in leefwijze te vinden tussen de haas en het konijn. Hazen leven in Nederland voornamelijk in weilanden, aan de bosranden, in open bossen en soms in kwelders. Konijnen leven vooral in halfopen landschappen en aan de bosrand. Ze komen daarnaast ook voor in tuinen en parken. Konijnen ontbreken in vochtige gebieden en op kleiige gronden.

haas lopend
Hazen zijn goede lopers en kunnen in sprint een snelheid van maar liefst 65 kilometer per uur bereiken

Konijnen zijn holengravers en dat is precies de reden waarom ze niet op kleigronden voorkomen, maar voornamelijk op zandgronden. Hierdoor ontbreekt het konijn op best wat plekken in Nederland, de haas is dus meer verspreid in Nederland. Dit geldt overigens niet in alleen in Nederland. Als we naar Europa kijken, dan heeft de haas ook hier een algemenere verspreiding. Hazen vinden we zelfs in het hooggebergte. Konijnen komen maar tot een hoogte van circa 700 meter boven zeespiegelniveau voor.

Waarnemingen

Beide soorten hebben last van de intensivering van de landbouw. Doordat de landbouwgronden steeds groter worden en er meer een monocultuur wordt toegepast, verdwijnen geschikte leefgebieden voor de haas en het konijn. Het is daarom ook raadzaam om je waarnemingen altijd door te geven via waarneming.nl. Deze gegevens kunnen gebruikt worden om (positieve en negatieve) trends te ontdekken in de populaties, waardoor er beter gestuurd kan worden op het beheer van leefgebieden.


Lees ook: verschil tussen juffers en libellen


Konijnenholen en hazenlegers

Een ander groot verschil tussen de twee betreft het maken van een schuilplaats. Konijnen zijn zoals gezegd echte holengravers. Dit is ook precies de reden waarom ze het meeste voorkomen op zandgronden, hier is het gewoon makkelijker graven. Konijnen zijn daarom ook vaak te vinden in duinen. Hier vervullen ze een belangrijke ecologische rol in het ecosysteem (en daarmee bijdrage aan het behoud van de ecosysteemdiensten die duinen leveren), omdat ze op een natuurlijke wijze (al grazend) de duinen open houden.

Konijnen prefereren een zandgronden, omdat ze hier goed in kunnen graven
Konijnen prefereren zandgronden, omdat ze hier goed in kunnen graven (Saxifraga – Piet Munsterman)

Konijnenholen bestaan vaak uit meerdere gangenstelsels met diverse kamers, meestal zelf gegraven. Zo nu en dan maken ze ook gebruik van een oude dassenburcht, maar vaak genoeg maken ze het hele hol zelf. In een konijnenhol leeft een familie met maximaal tien individuen. Het konijn is honkvast en blijft jaarrond in de buurt van het hol.

Konijnenhol (Saxifraga - Hans Dekker)
Konijnen maken een hol met lange gangenstelsels die diverse kamers met elkaar verbinden (Saxifraga – Hans Dekker)

Hazen besteden iets minder moeite aan hun schuilplek. Hazen maken zogenoemde hazenlegers. Dit is niets meer dan een ondiepe kuil, tien tot twintig centimeter diep waarin hij zijn grote lichaam net kwijt kan. Deze legers maken ze meestal in hoog gras, in de zoom (overgang van gras naar bos) of onder heggen. Hazen zijn dan ook niet zo honkvast aan hun leger als konijnen aan hun hol zijn. In de winter brengen hazen vaak de meeste tijd door in het bos.

Voortplantingsgedrag hazen

Over het algemeen leven hazen solitair, dus niet in een familie zoals konijnen. Enkel tijdens de paartijd, en soms in de winter, zoeken ze elkaar op en leven ze tijdelijk in kleine groepen. In deze periode vindt ook het bekende rammelen plaats, wat we alleen zien bij hazen. De hazen rennen dan achter elkaar aan, wat kan leiden tot het boksen met elkaar. Ze staan dan op hun achterpoten en slaan met de voorpoten naar elkaar. Dit hoort allemaal bij het voorspel op de paring. Wanneer een rammelaar en moer elkaar gevonden hebben, zonderen ze zich af van de groep en vindt de paring plaats.

Het rammelen tijdens de paartijd bij hazen leeft vaak spectaculaire beelden op (Saxifraga - Piet Munsterman)
Het rammelen tijdens de paartijd bij hazen levert vaak spectaculaire beelden op (Saxifraga – Piet Munsterman)

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Herten in Nederland

Edelhert

In en rondom onze Nederlandse bossen vinden we een van de meest sierlijke dieren die ons land rijk is: herten. Het elegante lichaam, de kortharige glanzende vacht, de hoge slanke poten waarmee ze zich behoedzaam voortbewegen en het imposante gewei van de volwassen mannetjes. Deze gezamenlijke kenmerken maken de hertachtigen een absolute aanwinst voor de Nederlandse natuur. In deze blog bespreken we alle herten in Nederland.

Ree
Herten zijn elegante, sierlijke dieren. De mannetjes hebben een gewei

Kenmerken en leefwijze

In Nederland kennen we drie inheemse hertensoorten (al is er over één nog wel eens discussie): het ree, het damhert en het edelhert. Alle drie de herten behoren in de taxonomie tot de familie hertachtigen.

Kenmerken

Hertachtigen kenmerken zich voornamelijk door hun lichaamsbouw. Een slank, gestroomlijnd lichaam met lange, lenige ledematen en een kortharige vacht. Ze hebben grote oren, die zich bovenop de kop bevinden, en grote ogen aan de zijkanten van de kop. Deze organen zijn helemaal afgestemd op het in de gaten houden van de omgeving. Doordat de oren zich bovenop de kop bevinden, vangen ze snel omgevingsgeluiden op en met de ogen in de zijkant van de kop kunnen herten bijna de hele omgeving in de gaten houden, op hun hoede voor roofdieren.

Het gewei

Mannetjes van de hertachtigen dragen een gewei (met uitzondering van het Chinese waterree), die ze jaarlijks wisselen. Naarmate de mannetjes ouder worden, worden de geweien imposanter. Het gewei is gemaakt van kraakbeen en bevat een laag waardoor bloedvaten lopen, die het gewei voorzien van zuurstof en voedingsstoffen om te groeien. Op het moment dat het gewei volgroeid is, verandert het kraakbeen in botweefsel en wordt het dood materiaal. In de winter wordt het gewei afgeworpen en start vrij snel daarna de groei van het nieuwe gewei. Deze zal een stukje groter zijn dan het gewei dat het hert het jaar daarvoor had.

Mannetjesherten produceren ieder jaar een nieuw gewei, dat ieder jaar groter is.
Mannetjesherten produceren ieder jaar een nieuw gewei, dat ieder jaar groter is.

Leefwijze

Herten zijn over het algemeen overdag actief, maar in de buurt van mensen zijn ze voornamelijk actief in de ochtend en avond, tijdens de schemering. Je zou misschien denken dat herten echte bosbewoners zijn, maar dit klopt maar deels. De reden dat veel mensen hiervan overtuigd zijn, is omdat we onze edelherten in Nederland alleen maar in afgesloten gebieden met hekwerk eromheen houden. Hierdoor brengen ze voornamelijk tijd door in het bos, maar dit is niet per se een natuurlijke reactie.

Herten leven voornamelijk aan de randen van bossen, tussen het bos en een open gebied (zoals een grasland) in. Hier zijn ze op zoek naar de twijgen van jonge bomen, grassen, kruidahtige planten en zaden. Dit zorgt er in een natuurlijke situatie ook voor dat herten vaak voor een hogere biodiversiteit zorgen in een gebied. Herten zorgen er met hun gegraas voor dat zulke overgangsgebieden breder zijn en een grote variatie in structuur bevatten. Deze gebieden zijn vaak ook essentieel voor andere dieren zoals vogels, kleine zoogdieren en bijen en vlinders.

Herten houden van bossen met open stukken in
Herten houden zich graag op in de randen van het bos, waar het bos overgaat in een meer open landschap

Ree – Capreolus capreolus

De kleinste inheemse soort die we in Nederland tegenkomen, is het ree. Met een schofthoogte tussen de 60 en 90 centimeter is het ree niet groter dan een herdershond. Het gewicht varieert tussen de 15 en 35 kilogram. In de zomer zijn reeën feller gekleurd dan in de winter. Tijdens de warme dagen zijn ze zandgeel tot roodbruin gekleurd, waar dit in de winter kleurt naar grijsbruin. Ze hebben een donkere, zwarte neus met een witte kin eronder. Reeën hebben een witte spiegel (achterwerk). Bij mannetjes is deze niervormig, bij vrouwtjes hartvormig.

Mannetjes hebben een bescheiden gewei dat maximaal 25 centimeter groot wordt. Jonge dieren waarbij het gewei nog geen vertakking vertoont, noemen we een spitser en geweien met één vertakking noemen we een gaffel.

Ree
Reeën zijn de kleinste inheemse herten die we vinden in Nederland

Lees ook: uilen in Nederland – deel I


Het leven van een ree

Mannetjes reeën noemen we reebokken en vrouwtjes noemen we geiten. Het gaat goed met het ree, zowel in Nederland als in de rest van Europa. In Nederland komt het ree overal voor. Voornamelijk in bossen met open plekken, maar ook in andere gebieden, zoals op de heide en in de duinen, leven reeën.

In tegenstelling tot het edelhert is het ree geen typische grazer, maar een browser. Dit houdt in dat het ree in mindere mate gras en kruiden consumeert, maar meer andere dingen zoals twijgen, bladeren, bramen, bessen en noten.

Voorplanting

Reebokken leven alleen en verdedigen hun territorium tegen andere bokken. Reegeiten leven alleen met hun jongen en het leefgebied van de geiten overlappen soms. In de bronsttijd (paartijd voor hertachtigen) zoeken de vrouwtjes de gebieden van de bokken op.

Reeën
Het reekalf blijft bij de moeder tot het moment dat de reegeit opnieuw bevalt van een nieuw kalf

De bronstijd van reeën valt in de zomer, in de periode juli-augustus. De jonge reekalveren worden echter pas het jaar erop in de periode eind mei – begin juni geboren. Het embryo is echter niet al die tijd (ruim 10 maanden) in ontwikkeling. Reeën zijn namelijk de enige evenhoevige die een verlengde draagtijd hebben. Dit betekent dat de eicel in rust is en pas eind december begint te ontwikkelen. Vaak is er namelijk nog een tweede bronstijd, rond oktober. De geiten die in deze periode bevrucht worden hebben een verkorte uitgestelde draagtijd, deze eicellen beginnen ook eind december met de ontwikkeling tot een embryo.

Damhert – Dama dama

In het begin van de blog schreven we dat er over één soort nog wel eens discussie was of deze nou inheems is of niet. Daarmee doelden we op het damhert. De Romeinen hebben namelijk het damhert door het hele Romeinse Rijk ingevoerd. Het damhert kwam op dat moment niet voor in Nederland, maar was tijdens de laatste ijstijd teruggedreven naar Azië. Voor die tijd kwam het hier dus wel voor, waardoor het dus een inheemse soort is.

Damhert
Damherten zijn groter dan een ree en kleiner dan een edelhert. De zomervacht is meestal roodbruin met witte vlekken en de mannetjes hebben een schoffelgewei

Het damhert is groter dan het ree, maar kleiner dan het edelhert (die hierna aan bod komt). Ze bereiken een schofthoogte die varieert van 85 tot 110 centimeter en ze wegen dan 45 tot 100 kilogram. Binnen de soort bestaat er veel variatie in kleur. Ze zijn meestal overwegend roodbruin, maar kunnen ook bijna helemaal zwart of zelfs overwegend wit zijn. Daarnaast is er een duidelijk verschil tussen zomer- en wintervacht. De wintervacht is meer grijzig met licht vlekken. De zomervacht is overwegend bruin met witte vlekken. Ze hebben een witte spiegel met een zwarte strepen in het midden en bijna volledig rondom het witte vlak.

Damhert wintervacht
Tijdens de winter zijn damherten donkerder gekleurd (De natuur van hier – Mickeal Kurvers)

Damherten hebben, anders dan andere herten, een schoffelgewei. Dit verschilt van de andere geweien doordat het in de punten bladvormig wordt. Het heeft dan een vorm die aan een schoffel doet denken. De eerste paar jaar hebben mannetjes damherten alleen twee punten als gewei. Vanaf het derde jaar begint het gewei zijtakken te krijgen. De grootte van een gewei is afhankelijk van meerdere factoren. Uiteraard speelt leeftijd een belangrijke rol, maar ook erfelijkheid en de conditie waarin het hert verkeert zijn van invloed.


Lees ook: marters in Nederland


Leefwijze

Bij damherten noemen we het mannetje een hert, en vrouwtjes een hinde. Zoals gezegd hebben de Romeinen het damhert in Nederland, en op veel andere plekken in Europa, geherintroduceerd. Tegenwoordig gaat het dan ook goed met het damhert in Europa. In Nederland komen herten in alle provincies voor, maar grote populaties beperken zich tot een aantal locaties door het land. Vanuit daar hebben dieren zich verspreid, maar ook vanuit kinderboerderijen en hertenkampen zijn individuen in de natuur terecht gekomen.

Damherten houden zich voornamelijk op in gemengde bossen en loofbossen met voldoende open plekken (graslanden). Ook aan randen van bossen met aangrenzend grasland voelen ze zich thuis. Ze leven hier in roedels. Na de paartijd leven de mannen in kleinere groepen. Maar naast bossen kunnen damherten ook op andere plekken voorkomen. Wij hebben al meerdere keren een groepje damherten in de buurt van onze woning gezien, waar relatief weinig bos te vinden is.

Voedsel en voortplanting

Qua voedsel zijn damherten veelzijdig. Naast grassen en kruiden eten ze ook (jonge) bladeren, twijgen, maar ook noten en bessen. Aan de rand van het Teutoburgerwoud worden in de zomer wel eens damherten waargenomen die rijpe appels uit de boomgaarden plukken.

De bronstijd van damherten valt later in het jaar dan die van reeën. Deze vindt meestal in oktober plaats. In de periode tussen mei en juli worden de kalveren geboren. Een hinde bevalt bijna altijd van slechts één kalf, die ongeveer 4,5 kilogram weegt bij de geboorte.

Damhert juveniel
Damhert kalveren groeien samen op in een roedel

Edelhert – Cervus elaphus

Het inheemse edelhert is de grootste van de drie en tevens het grootste landdier in Nederland. Volwassen dieren bereiken een schofthoogte van 110 tot 140 centimeter en mannetjes kunnen tot wel 225 kilogram wegen. Edelherten die hoofdzakelijk in bos leven zijn overwegend kleiner dan de exemplaren die in meer open landschappen leven.

Zoals de andere herten zijn edelherten in de zomer anders (feller) gekleurd dan in de winter. In de zomer hebben ze een roodbruine vacht, met een witte buik en een roomkleurige spiegel. In de winter zijn ze grauwer van kleur. Tussen de haren bevinden zich dan luchtcellen die voor een isolerende laag zorgen. Mannetjes hebben dan tevens langere haren in de hals.

Edelhert
Edelherten hebben in de winter luchtcellen tussen de haren, wat een isolerende werking heeft

Edelherten zijn natuurlijk bij iedereen bekend vanwege het imposante gewei van de volwassen mannetjes. Het gewei van jonge dieren begint als een spitser, maar krijgt ieder jaar meer vertakkingen, ook wel enden genoemd. Een volgroeid gewei heeft acht tot dertien enden en kan een maximale lengte bereiken van meer dan 90 centimeter. Bij oudere (senioren) herten neemt de grootte van het gewei ieder jaar af.

Leefwijze

Mannetjes van het edelhert worden bokken, of gewoon simpelweg herten genoemd. Vrouwtjes noemen we hinden. Vroeger was het edelhert in Nederland algemeen verspreid. Tegenwoordig vinden we ze echter alleen nog maar op de Veluwe, Oostvaardersplassen en het Weerterbos. Buiten deze gebieden geldt een nulstand, wat wil zeggen dat ze hier niet worden getolereerd en worden afgeschoten. Er kan dus gesteld worden dat de edelherten in Nederland eigenlijk alleen nog maar tussen hekken te bewonderen zijn. De ecologische hoofdstructuur (Natuurnetwerk Nederland) zou hier in de toekomst wellicht verandering in kunnen brengen.

Van nature leeft het edelhert in open bossen, met voldoende graslanden. Echter heeft de soort zich door de jaren heen goed weten aan te passen en komt het ook voor in moerassen en op heidevelden. Edelherten leven in roedels, waarbij de bokken aparte roedels vormen en de hinden met kalveren ook. In de bronstijd zoeken de bokken (afzonderlijk van elkaar) de hindenroedels op en vormen ze een harem.

Voedsel en voortplanting

Het edelhert is een echte grazer. Dit wil zeggen dat het hoofdzakelijk gras eet. Daarnaast eten ze ook andere zaken, zoals bessen, boomschors, wortels, knollen en twijgen van bomen en struiken.

Edelhert burlen
In de bronstijd beginnen de mannetjes met burlen. Hiermee proberen ze indruk te maken op de hindes en een harem te vormen

In de periode eind september tot begin oktober vindt de bronstijd plaats. Zoals gezegd zoeken de bokken dan de hindenroedels op en proberen ze indruk te maken door luider dan hun concurrentie te burlen. Burlen is een soort luide roep van de bok, waarmee de dominantie getoond wordt. Als twee bokken gelijkwaardig aan elkaar burlen, kan dit leiden tot een gevecht waarbij serieuze verwondingen op kunnen treden. De bok die het beste burlt, of het sterkste is in het gevecht, mag paren met de hindes en een roedel vormen. De verliezer druipt af.

Eind mei/begin juni worden de kalveren geboren. In de meeste gevallen bevalt een hinde van één kalf, maar in uitzonderlijke gevallen worden er ook wel eens twee geboren. De kalveren groeien gezamenlijk op in de hindenroedels en blijven tot twee jaar na geboorte bij de moeder.

Exoten

In Nederland vinden we naast de drie inheemse hertachtigen ook een aantal exoten, het sikahert en de Chinese muntjak. Beide vertonen ze invasieve kenmerken en kunnen ze een serieuze bedreiging vormen voor de inheemse natuur.

Sikahert – Cervus nippon

De eerste exoot is het sikahert, dat van origine voorkomt in Oost-Azië. Het sikahert is het beste te vergelijken met het damhert, maar dan een stukje kleiner. Ze zijn ook, in de zomer, roodbruin gekleurd en hebben witte/geelachtige vlekken. In de winter is de vacht donkerder gekleurd. Opvallende kenmerken zijn de manenkraag bij zowel het mannetje als het vrouwtje, de zwarte lipvlek en de korte, witte staart met donkere streep.

SIkahert
Sikaherten hebben een manenkraag, die bij dit mannetje duidelijk te zien is (Shutterstock)

Sikaherten bereiken een schofthoogte tussen de 70 en 100 centimeter en een gewicht van circa 60 tot 65 kilogram, waarmee ze beduidend kleiner zijn dan het damhert. Een opvallend verschil met het damhert is het gewei. Ze hebben geen schoffelgewei, maar eenzelfde gewei als het edelhert, alleen een stuk kleiner.

De introductie en de bedreiging

Het sikahert is aan het einde van de 19e eeuw geïntroduceerd in West-Europa, als parkdier. Het heeft zich weten te handhaven in landen zoals Engeland, Frankrijk en Duitsland. In Nederland worden maar heel soms sikaherten gezien.

Een opvallend gegeven is het feit dat het sikahert kan kruisen met het edelhert, ondanks dat het een stuk kleiner is. Uit deze kruising kunnen vruchtbare nakomelingen komen, waardoor het een bedreiging vormt voor de genetische biodiversiteit van het inheemse edelhert.

Chinese muntjak – Muntiacus reevesi

De Chinese muntjak is het kleinste hert wat je in Nederland tegen kunt komen. Met een schofthoogte van 45 tot 50 centimeter en een gewicht van circa 12 tot 15 kilogram is het nog een heel stuk kleiner dan het ree. Ze zijn kastanjebruin van kleur, met een wittige kin en buik en een zwart patroon op de kop. Ze hebben een opvallend lange staart en mannetjes hebben een klein gewei, zonder enden.

Chinese muntjak
De Chinese muntjak is een stuk kleiner dan alle andere herten in Nederland

De muntjak komt van oorsprong voor in China en Taiwan. In de 18e eeuw zijn ze in Europa ingevoerd als huis- en parkdier, vooral in Engeland en Frankrijk. De ontsnapte en losgelaten dieren hebben zich weten te vestigen en ze hebben zich over meerdere landen uitgebreid.

Bedreiging

Muntjakken eten twijgen en bladeren van struiken, klimplanten en andere planten die in het bos groeien. Ook eten ze jonge bomen (zaailingen). Als de Chinese muntjak in groten getale voorkomt, kan het een bedreiging vormen voor inheemse planten zoals de boshyacint en bosbingelkruid. Daarnaast kan het verjonging in een bos remmen, wat catastrofaal kan zijn voor het ecosysteem. Om deze redenen wordt het als een invasieve soort beschouwd, waardoor het niet meer ingevoerd mag worden.


Lees ook: eenden in Nederland – deel I


Was dat het?

Dan zijn er nog twee soorten die, op het moment, niet in Nederland voorkomen, maar wel de moeite waard zijn om te benoemen.

Allereerst de eland (Alces alces). Vroeger kwamen er elanden voor in Nederland, maar de laatste waarneming dateert uit 1025. Er wordt onderzocht of de eland geherintroduceerd kan worden in de Biesbosch (het zijn echte moerasbewoners), dit zou een positieve invloed kunnen hebben op de biodiversiteit in het gebied.

Dan is er nog het reuzenhert (Megaloceros giganteus), een inmiddels uitgestorven hertensoort. Deze herten waren veel groter dan de herten die we tegenwoordig zien. Ze konden een schofthoogte bereiken van 210 centimeter en het gewei kon een spanwijdte bereiken van ruim 360 centimeter! Het reuzenhert is waarschijnlijk zo’n 10.000 jaar geleden uitgestorven. Met enige regelmaat worden er aan de kust nog fossielen van het reuzenhert gevonden. Via waarneming.nl kun je deze waarnemingen (vaak met foto) bekijken.

Veelgestelde vragen

Welke herten komen er voor in Nederland?

In Nederland komen drie inheemse herten voor: het ree, het damhert en het edelhert. Daarnaast zijn er nog twee exoten: het sikahert en de Chinese muntjak. Vroeger leefde er ook de eland en het reuzenhert.

Wat is het grootste hert in Nederland?

Het edelhert is het grootste hert in Nederland en bereikt een schofthoogte van 110 tot 140 centimeter. Ze kunnen tot 225 kilogram wegen en het gewei van de bokken kunnen tot wel 90 centimeter groot worden, met maximaal dertien enden.

Waar komen herten voor in Nederland?

Herten in Nederland vinden we vooral in bossen en aan de rand van het bos. Edelherten komen enkel op de Veluwe, Oostvadersplassen en in het Weerterbos voor. Reeën en damherten komen meer algemeen verspreid voor.

Hoe maakt een spin een spinnenweb?

Spinnenweb

Als je in de natuur bent, zie je ze overal terugkomen: spinnenwebben. Spinnenwebben zijn er in allerlei soorten en maten. Sommige zijn zo volmaakt dat het bijna kunstwerken zijn, andere zo fragiel dat er iedere dag een nieuwe gemaakt dient te worden. Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke grote bouwwerken maken, met een materiaal dat in verhouding sterker is dan staal? Het antwoord op deze prangende vraag heeft de wetenschap tot op heden nog maar deels kunnen ontrafelen. In deze blog gaan we kijken hoe een spin van niets tot een volmaakt spinnenweb komt, en dat vaak in een tijdsbestek van een uurtje.

Alleen de familie ‘echte spinnen’ maken spinnenwebben. Dit doen ze met behulp van spinnenrag, of spinnendraad. Er is gewone spinnendraad en kleverige spinnendraad. De spin laat eerst een draad door de wind meevoeren naar een tak. Vervolgens wordt een soort Y-vorm gemaakt. Vervolgens worden vanuit het midden de spaken van het web gevormd. Het web wordt afgemaakt door spiraalsgewijs nog draad te spannen.

Wie maakt een spinnenweb?

Niet alle spinnen maken spinnenwebben. Binnen de klasse ‘spinachtigen’, waar onder andere ook de teken en schorpioenen tot behoren, is alleen de orde ‘echte spinnen’ verantwoordelijk voor het maken van spinnenwebben. Andere ordes zoals de ‘hooiwagens’ en ‘zweepspinnen’ hebben niet het vermogen om spinnendraad te produceren, wat noodzakelijk is voor het maken van een web.

De orde ‘echte spinnen’ is een grote orde waarin al meer dan 50.000 soorten zijn beschreven (en waarbij er nog jaarlijks nieuwe soorten worden beschreven). De meest algemene spinnen zoals de huisspin, kraamwebspin en kruisspin behoren tot deze orde. Veel van deze spinnen hebben insecten als prooidieren, waardoor ze erg nuttig kunnen zijn in en rondom het huis. We hebben immers vaak last van bijvoorbeeld muggen en vliegen, de favoriete prooien van deze spinnen. Meer van deze spinnen in en rondom het huis zorgt dus voor minder overlast van vliegen en muggen.

Voorjaarshooiwagen
Enkel de orde echte spinnen maken spinnenwebben. Deze voorjaarshooiwagen (behorend tot de orde ‘hooiwagens’) kan dus geen spindraad produceren

Waarom maakt een spin een spinnenweb?

Spinnen maken een spinnenweb om hun prooi mee te vangen. Dit gebeurt op zeer uiteenlopende manieren. De meeste spinnen die dit doen, zijn passieve jagers. Ze maken een web en wachten tot er een prooidier in verstrikt raakt. Sommige soorten lopen er dan direct op af om de prooi in te pakken met extra spindraad, zodat deze zeker niet los kan komen. Andere bouwen een net met zulke fijne en kleverige draden dat dit niet nodig is en de prooi zeker niet los kan komen. Weer andere soorten houden het web vast en wachten tot de prooi voorbij komt. Op het juiste moment laten ze het net dan over de prooi heen vallen, waardoor deze verstrikt raakt. Dit is een meer actieve manier van jagen.


Lees ook: waarom bouwen bevers dammen?


Ook onder de soorten die een echt web maken zijn er verschillen op te merken. Sommige spinnen maken het web laag bij de grond, andere een stuk hoger. Dit heeft alles te maken met het type prooidier welke de spin in kwestie probeert te vangen. Spinnen die het web hoog boven de grond maken jagen op vliegende insecten, zoals juffers en libellen. Spinnen die lager bij de grond een web maken, jagen vooral op springende soorten, zoals bijvoorbeeld sprinkhanen.

Kruisspinnen moeten na iedere vangst het web repareren. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web
Kruisspinnen moeten na iedere vangst het spinnenweb repareren omdat het zo fragiel is. Ze maken zelfs iedere dag een nieuw web

Andere toepassingen van spinnenrag

Naast het maken van een spinnenweb gebruiken spinnen het spinnenrag ook voor andere doeleinden. Lijmspuiters gebruiken het namelijk ook om een prooi mee te vangen, maar doen dit op een andere manier. Ze spuiten hun kleverige spinnenrag van dichtbij op hun prooi, waardoor deze verstrikt raakt.

Sommige spinnen gebruiken het spinnenrag om er een cocon van te maken, waar de eitjes in worden gelegd. Er zijn spinnen bekend die het hol voorzien van een laag spinnenrag en mannetjes die het sperma erin verpakken (een zogeheten spermatofoor).

Hoe maakt een spin een spinnenweb?

Maar hoe kan het dat zulke (relatief) kleine dieren zulke bouwwerken kunnen maken? En hoe kan het dat zulke dunne draad zulke grote prooien kan vangen, zonder dat het breekt en de prooi kan ontsnappen? Vragen die in de loop der jaren beantwoord zijn door wetenschappers en die nog relevant kunnen zijn voor onze eigen vooruitgang in technologie.


Lees ook: waarom kwaken kikkers?


Materiaal

Spinnen maken het spinnenrag, dat ze gebruiken om een web te maken, van een mengsel van eiwitten. Het spinsel wordt gemaakt door de spinklieren die zich bevinden in de spindoppen. De spindoppen zitten op de spintepels die verbonden zijn aan het achterlichaam. Voor iedere soort draad is een andere spinklier verantwoordelijk. Zo zijn er spinklieren die loopdraad produceren, maar ook spinklieren die voor de kleefdraden zorgen.

De benaming van de soorten draad zorgt meteen voor de verklaring ervan. Er worden draden geproduceerd met en zonder kleefstof. De kleefdraden zijn voorzien van kleverige druppels (kleefstof) die op een bepaalde afstand van elkaar over de draad verdeeld zijn. De spin stapt hier zelf makkelijk overheen, waardoor deze ook over de kleefdraden kan lopen zonder zelf vast te komen zitten. De loopdraden zijn echter bedoelt om snel door het web te kunnen manoeuvreren.

De productie

De spintepels zijn enkel de dragers van de spindoppen. De meeste spinnen hebben zes spintepels, maar ook twee, vier of acht stuks komen voor. Op de spintepels bevinden zich de spindoppen. Deze komen vaak in meerder aantallen bij elkaar voor. De spindoppen zijn onafhankelijk van elkaar te gebruiken.

De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin
De spintepels bevinden zich op het grote achterlichaam van de spin

Soorten spinnenwebben

Niet iedere spin maakt eenzelfde web. Zoals zo vaak zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden, dit geldt ook voor spinnen. De meest bekende soort spinnenweb is het wielweb. Wielwebben zijn over het algemeen groot en rond gevormd. Wielwebben hebben een signaaldraad die trilt wanneer er een prooi in het web zit en de spin alarmeert.

Waar wielwebben over het algemeen mooi gevormd en gestructureerd zijn, zijn kaardewebben dat juist totaal niet. Kaardespinnen maken hele onregelmatige webben, waarbij alle draden kriskras door elkaar lopen. Met hun stijve haren achter op het lichaam maken ze een soort inkepingen in de draad, waardoor insecten sneller verstrikt raken.

Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.
Voor kaardewebben worden vaak uitgebloeide bloemen gebruikt waarin de draden kriskras door elkaar worden gespannen.

Tenslotte zijn er nog de matwebben en hangmatwebben. Deze bestaan uit meerdere horizontale lagen van spinsel, vaak in het gras, die onderling met verticale draden verbonden zijn. Een wirwar aan spinsel waarin lopende en springende insecten verstrikt raken. De meeste huisspinnen maken zulke webben. Hieraan vast zit vaak nog een trechtervormig web, waarin ze schuilen bij gevaar.

Gewone doolhofspin
De gewone doolhofspin is een soort die een matweb maakt, met daaraan vast een trechtervormig web als schuilplaats

De uitvoering

Als we kijken naar de klassieke spinnenwebben dan zijn spinnen ware ingenieurs dat ze zo een web bouwen. Maar hoe komen ze tot dit bouwwerk? Het begint allemaal met een beetje hulp van de wind. De wind zorgt ervoor dat de eerste draad uit de spintepel wordt getrokken. Deze slingert door de lucht totdat het een tak (of iets anders) te pakken krijgt, waaraan deze blijft kleven. De eerste draad wordt vervolgens verstevigd voordat de spin verder gaat met de rest van het web.

Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur
Het maken van een spinnenweb gaat volgens een precieze manier en duurt vaak niet langer dan een uur

Vervolgens wordt er een losse draad getrokken van het ene naar het andere punt. Vanuit het midden van deze losse draad wordt weer een strakke draad naar beneden getrokken, waardoor er een soort Y-vorm ontstaat. Het midden van de Y-vorm wordt ook het midden van het spinnenweb. Vanuit hier kan de spin verder met de drie buitenste punten verder met elkaar te verbinden.

Vanuit het midden worden nu steeds draden naar de buitenkant gespannen, waardoor het web steeds meer op een fietsenwiel met spaken begint te lijken. Daarna begint de spin (vanuit de kern van het web) spiralen te vormen, wat het spinnenweb stevigheid geeft. Tussen de spiralen die voor stevigheid zorgen, worden ook nog kleverige spiralen gespannen. Deze zullen uiteindelijk essentieel zijn om hun prooi mee te vangen. Het spinnenweb is nu klaar voor gebruik. Bewonderenswaardig is het dat de meeste spinnen dit hele proces binnen een uur kunnen voltooien.


Lees ook: wat zijn invasieve exoten?


Een geheime truc

Doordat de spin kleverige draad toepast in zijn web, blijven prooien plakken en raken ze verstrikt. Hierdoor heeft de spin de tijd om naar de prooi te lopen en deze te injecteren met gif, waarna het de prooi leeg zuigt. De kleverige draad is echter niet de enige reden waarom de jachttechniek van spinnen zo succesvol is. Het geheime wapen heeft met de elektrische lading te maken.

Onderzoekers ontdekten dat wanneer ze dode insecten van een elektrische lading voorzagen en deze richting het web gooiden, het web richting het dode insect bewoog. Met uitstekende apparatuur lukte het de onderzoekers dit fenomeen vast te leggen. Vliegende insecten bouwen een elektrische lading op (door wrijving tussen de vleugels en de lucht dier er langs stroomt), en spinnen hebben zich hier evolutionair uitstekend op aan weten te passen. In onderstaande video is dit verschijnsel duidelijk te zien.

Hoe sterk is een spinnenweb?

We weten inmiddels dat een spinnenweb een uitmuntend bouwwerk is, maar het is ook nog eens ontzettend sterk. De draad waarmee het net gemaakt wordt, spinnenrag, is in verhouding sterker dan staal. Vijf keer sterker dan staal zelfs. Wetenschappers weten nog niet precies hoe dit kan. Het is dan ook bewonderenswaardig te noemen dat zo’n klein dier, zo’n belachelijk sterk materiaal kan produceren.

Dit kan dus ook voor onze technologie en vooruitgang ontzettend waardevol zijn. Als we het geheim van de spin kunnen ontrafelen, dan zou er een wereld voor ons open gaan. We zouden het voor een legio aan mogelijkheden kunnen gebruiken, voor bruggen en andere staalconstructies, maar ook voor bijvoorbeeld kogelwerende vesten. Opnieuw een goede reden om de algehele biodiversiteit te beschermen, omdat we zelfs van de kleinste dieren nog ontzettend veel kunnen leren.

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!