Goudvink – Herkenning, zachte zang, kenmerken & leefgebied

De goudvink, een rustige a-typische vinkachtige

Een van de onopvallendste vinkachtigen is de goudvink. Niet vanwege zijn verenkleed, want dat is – vooral van het mannetje – juist kleurrijk en opvallend, maar vanwege zijn teruggetrokken levenswijze. Goudvinken zijn stille vogels die zich zelden laten zien. Voor de geduldige natuurliefhebber, die ook het geluid van de goudvink kent, ligt een prachtige waarneming verscholen in het struikgewas. In deze blog lees je alles over deze gedrongen vinkachtige, zodat je hem de volgende keer niet ongemerkt voorbijloopt.

Inhoudsopgave

Kenmerken van de goudvink

De goudvink (Pyrrhula pyrrhula) is een kleurrijke vogel en goed te onderscheiden van de andere vinkachtigen. Het is een middelgrote vink met een gedrongen, ronde bouw en een korte staart. Goudvinken hebben een grote kop en een opvallende dikke, korte snavel. Ze ogen een stuk ´zwaarder´ dan andere vinken.

Ze bereiken een lichaamslengte van 14,5 tot 16 centimeter bereikt en een spanwijdte van 22 tot 29 centimeter. Het gewicht varieert van 21 tot 27 gram.

Het mannetje goudvink heeft een kleurrijk verenkleed
Het mannetje goudvink heeft een kleurrijk verenkleed

Het mannetje is een opvallende verschijning met zijn kleurrijke verenkleed. Ze hebben een oranjerode tot roze borst en buik. De kop en snavel zijn zwart en ze hebben een grijze rug. De vleugels zijn zwart met een opvallende witte vleugelstreep. Verder is de staart ook zwart en hebben ze een witte stuit, die vooral in vlucht goed opvalt. De intensiteit van de kleuren (vooral de oranjerode kleur van de borst) verschilt per individu en wordt bepaald door verschillende factoren (voeding, gezondheid, seizoen, etc.)

Bij goudvinken is er sprake van seksueel dimorfisme: mannetjes en vrouwtjes verschillen qua verenkleed duidelijk van elkaar. Het verenkleed van het vrouwtje is wat rustiger. De borst en buik zijn grijsbeige. Net zoals het mannetje heeft het vrouwtje een zwarte kopkap en zwarte vleugels met witte vleugelstreep en een. Het verenkleed is een stuk minder uitbundig als dat van het mannetje, waardoor vrouwtjes gauw over het hoofd worden gezien.

Bij de goudvink is er sprake van seksuele dimorfisme: man en vrouw hebben een verschillend verenkleed
Bij de goudvink is er sprake van seksueel dimorfisme: man en vrouw hebben een verschillend verenkleed

Adult goudvink vs. juveniel goudvink

Een juveniel goudvink is goed te onderscheiden van een volwassen goudvink. Het belangrijkste verschil is de kleur van de kop: deze is bij juveniele dieren nog niet zwart, maar is nog grijsbruin. De rest van het verenkleed lijkt wel op dat het van een volwassen vrouw goudvink, maar is meer grijsbruin en nog minder contrastrijk. Daarnaast hebben ze wel al de dikke, opvallende snavel.

Juveniele goudvinken zijn goed te herkennen, omdat ze nog geen zwarte kop hebben
Juveniele goudvinken zijn goed te herkennen, omdat ze nog geen zwarte kop hebben

Snavel

Opvallend bij de goudvink is de zeer krachtige, kegelvormige snavel. Bij volwassen vogels is de snavel zwart, bij juveniele dieren is deze meestal nog iets lichter en meer donkerbruin gekleurd. De snavel is perfect aangepast op het voedsel dat ze graag eten: knoppen en zaden van planten. Met behulp van de snavel weten ze zaden met gemak open te kraken en kunnen ze moeiteloos plantenknoppen eten.

Vluchtbeeld

In vlucht vallen vooral de witte vleugelstreep en de witte stuit op. Goudvinken kennen een rustige, golvende vlucht en blijven daarbij vaak opvallend laag tussen struiken en bomen. Ze verplaatsen zich meestal over korte afstanden en verdwijnen na een korte vlucht weer snel in de dekking. Hierdoor wordt de goudvink in vlucht vaak slechts kort waargenomen.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Goudvink
Wetenschappelijke naam Pyrrhula pyrrhula
Kenmerken Gedrongen bouw, dikke snavel, mannetje met roze tot oranjerode borst, zwarte kop
Zang Zachte, melancholische fluittonen; kenmerkende zachte roep “djuu” of “piu”
Habitat Bosrijk gebied; loof-, naald- en gemengd bos, struweelranden, parken en rustige, groene tuinen
Broeden in NL Vrij algemeen
Broedparen 25.000-40.000

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Zang en roep

De goudvink staat niet bekend als een uitbundige zanger. Integendeel: de zang van de goudvink is zacht, ingetogen en past perfect bij zijn teruggetrokken levenswijze. Vaak hoor je een goudvink al voordat je hem ziet, maar zelfs dan blijft het geluid subtiel en gemakkelijk te missen tussen andere natuurgeluiden.

De zang bestaat uit korte, zachte fluittonen met weinig variatie. Het zijn geen lange zangreeksen zoals bij veel andere zangvogels, maar eerder losse tonen die rustig worden herhaald. De zang is vooral in het voorjaar te horen, wanneer het mannetje zijn aanwezigheid kenbaar maakt vanuit een dichte struik of een lage boom. Ook dan blijft de goudvink meestal verborgen in het struikgewas.

Zang goudvink (Xeno Canto – Dominique Guillerme)

Minstens zo kenmerkend als de zang is de roep van de goudvink. Deze roep is een zachte, fluitende toon die vaak wordt omschreven als een kort “djuu” of “piu”. Deze contactroep wordt het hele jaar door gebruikt, zowel door mannetjes als door vrouwtjes, om onderling contact te houden. In de herfst en winter is de roep vaak het enige geluid dat een goudvink verraadt.

Roep goudvink (Xeno Canto – Timo Schnabel)

Voor wie de goudvink wil waarnemen, is luisteren dan ook minstens zo belangrijk als kijken. Door even stil te staan en bewust te luisteren, valt het zachte geluid soms ineens op. Pas daarna volgt vaak een korte, stille waarneming van deze bijzondere vinkachtige, voordat hij weer in de dekking verdwijnt.

Gedrag

Goudvinken zijn rustige vogels, die weinig opvallen. Dit zie je vooral terug in het gedrag. Waar andere vinken, zoals distelvinken en groenlingen, zich met hun uitbundige zang en kleurrijke verenkleed door het landschap bewegen, gedraagt de goudvink zich precies het tegenovergestelde. Met weinig geluid houdt de goudvink zich voornamelijk op in het dichte struikgewas en vliegt onopvallend van struik naar struik, op zoek naar voedsel.

Het voedsel wordt vooral gezocht in de lage tot middelhoge struiklagen. Soms gaan ze wat hoger een boom in om daar op zoek te gaan naar knoppen van bomen of bessen die alleen hier hangen, maar meestal blijven ze bij het voedsel dat ze vinden in de struiken. Ze kunnen lange tijd op één vaste plek zitten te eten, goed verscholen in het groen. In de winter kunnen goudvinken nog wel eens aangetroffen worden op de grond, maar dit zullen ze altijd op een enigszins beschutte plek doen.

Alhoewel ze in het broedseizoen een duidelijk territorium hebben, zijn goudvinken over het algemeen weinig territoriaal en niet agressief of luidruchtig . Buiten het broedseizoen leven ze in paartjes en soms in kleine groepen. Vaak zijn man en vrouw goudvink samen foeragerend te zien. In tegenstelling tot veel andere vinken zijn goudvinken zelden in grote zwermen te zien.

In de winter trekken goudvinken soms in kleine groepjes rond
In de winter trekken goudvinken soms in kleine groepjes rond

Trekgedrag

In het voorjaar zijn goudvinken iets actiever en zichtbaarder dan in de winter. Het zijn in Nederland geen trekvogels, al kunnen ze in de winter wel rondtrekken, op zoek naar voedsel. Wel krijgen we in de winter bezoek van meer noordelijk en oostelijk broedende individuen, al is dit ook beperkt. In sommige jaren kan er sprake zijn van een invasie van de ondersoort de Noordse goudvink (Pyrrhulla pyrrhulla pyrrhulla).

Waarneming uit het veld

Onze eerste goudvinken zagen we niet in Nederland, maar in België. En zoals het eigenlijk hoort bij de goudvink, hoorden wij ze ook eerst voordat we ze zagen. Het was op een koude winterdag tijdens een wandeling in de Ardennen. In het rustige en sobere landschap liepen we via een onverhard pad richting een typisch Ardennenbos. Het pad werd omzoomd door twee houtwallen, met dichte struiken en opgaande bomen.

Opeens hoorden we vanuit het dichte struikgewas een kort en zacht geluid, alsof de vogel die het geluid maakte zich bijna bezwaard voelde te laten horen. Meteen trok dit onze aandacht en wisten we dat we hier met een goudvink te maken hadden.

Na ons een korte tijd verdekt opgesteld te hebben, liet hij zich zien: een prachtig mannetje goudvink. En hij was niet alleen, want vrijwel direct volgde het vrouwtje. Kort lieten ze zich beide zien en gingen zelfs even op het pad zitten. Vrijwel direct verdwenen ze weer in de houtwal en lieten ze zich niet meer horen of zien. Wij vervolgden vol enthousiasme onze weg, een ervaring rijker!

Leefgebied en verspreiding

De goudvink is een bewoner van bossen. Loofbossen, naaldbossen en gemengde bossen kunnen allen een geschikt leefgebied zijn voor de goudvink. Ook zijn ze te vinden in bosranden en in overgangsgebieden naar bos. Een van de belangrijkste eisen die ze stellen aan het leefgebied is dat er voldoende ondergroei en struiken te vinden zijn. In deze struiklaag vinden ze beschutting, voedsel en kunnen ze broeden.

Bossen en landschapselementen met veel ondergroei zijn een geschikt leefgebied voor de goudvink (de Natuur van hier)
Bossen en landschapselementen met veel ondergroei zijn een geschikt leefgebied voor de goudvink (de Natuur van hier)

Daarnaast kun je goudvinken ook tegenkomen in een halfopen landschap met voldoende landschapselementen zoals heggen, houtwallen en struwelen. Het kleinschalig cultuurlandschap kan daarom ook geschikt zijn als leefgebied. Goudvinken houden niet van open, kale gebieden.

Verder zijn goudvinken ook nog aan te trekken in parken en soms in grote tuinen. Ook hier is het belang van voldoende ondergroei en dichte struiken essentieel. Daarnaast is rust een belangrijke factor, zeker bij tuinen is dit het geval. In grote, groene tuinen die in een geschikt leefgebied van de goudvink liggen kunnen (zeker in de winter) met bijvoeren van bijvoorbeeld zonnebloempitten nog weleens goudvinken worden gespot.

Goudvink eet zonnebloempitten in een tuin
Het is geen typische tuinvogel, maar in grote tuinen met voldoende dekking en rust kunnen soms goudvinken gezien worden

Verspreiding in Nederland

In Nederland tref je de goudvink voornamelijk aan in het oosten en zuiden van het land. Op onderstaande kaart van SOVON is dit goed zichtbaar. Dit is goed verklaarbaar omdat dit deel van ons land veel meer bebost is en hier een meer halfopen landschap te vinden is. In het westen en noorden van het land wordt het landschap voornamelijk gedomineerd door open landbouwgebieden en kusstreken, daar voelt de goudvink zich minder thuis. Enige uitzondering hierop zijn de duingebieden, waar meer dekking te vinden is in de vorm van struwelen en duinbossen.

Voedsel

De afgeronde snavel van de goudvink is perfect voor het eten van plantaardig voedsel. Ze eten zaden van verschillende soorten planten en knoppen en bessen van bomen. Het voedsel is bijna volledig plantaardig. Vooral in het voorjaar worden knoppen van bomen gegeten. De knoppen van esdoorns en fruitbomen zoals pruimen en kersen worden graag gegeten. Om deze reden zien fruittelers dan ook liever geen goudvinken in hun boomgaarden verschijnen.

Naast knoppen van bomen worden ook zaden en bessen gegeten. Bessen van meidoorn, liguster, kamperfoelie en andere soorten worden hoofdzakelijk in het najaar gegeten. Zaden lusten ze zowel van bomen (denk aan esdoorn en meidoorn) als van planten zoals distels, brandnetel en paardenbloemen.

Het eten wordt op een typische goudvinken manier verzameld: rustig en goed verscholen in het struikgewas of in de bomen. Vaak zitten ze dan ook redelijk laag bij de grond. Ze laten zich dan ook een stuk minder snel zien bij voedertafels in tuinen dan andere vinkachtigen.

Goudvink eet van paardenbloem
Op het menu van de goudvink staan zaden, bessen en knoppen van planten en bomen

Voortplanting

Goudvinken vormen vaak al in de herfst of in de winter een paar. Tijdens het broedseizoen blijven ze hun partner trouw en zorgen ze samen voor de jongen. Wanneer beide vogels overleven, kunnen paren meerder jaren bij elkaar blijven. Veldonderzoek heeft dit aangetoond. Dit levert de goudvink ook een voordeel op: ze kunnen al vroeg in het voorjaar starten met paren en nestbouw, terwijl veel andere soorten dan nog bezig zijn met paargedrag.

Het broedseizoen van de goudvink loopt over het algemeen van april tot en met juli. In een dichte struik of lage boom wordt goedverscholen een compact nest gebouwd. Vaak wordt het nest niet hoger dan een paar meter van de grond gemaakt. Het vrouwtje maakt het nest van takjes, gras, mos en veertjes.

Meestal hebben goudvinken 2 legsels per jaar, soms 3, dat bestaat uit 4 tot 6 lichtblauw/groenig gekleurde eieren met donkere stippen. Het vrouwtje broedt de eieren uit in meestal 13 tot 14 dagen. Het mannetje voert ondertussen voedsel aan voor het vrouwtje. Als de jongen goudvinken uit het ei zijn gekomen, krijgen ze insecten (eiwitrijk) en zachte plantendelen te eten. Na 16 tot 18 dagen zijn ze groot genoeg om uit te vliegen. Ze worden vervolgens nog 2 a 3 weken bijgevoerd door beide ouders.

Achteruitgang en bedreigingen

De goudvink is in Nederland geen uitgesproken zeldzame soort, maar de populatie kent door de jaren heen wel schommelingen. In sommige regio’s is zelfs sprake van een lichte afname. De goudvink kan lokaal minder worden door verlies van structuurrijke bosranden en heggen, maar er is geen brede landelijke achteruitgang zoals bij sommige andere soorten.

De belangrijkste oorzaak ligt in het verdwijnen van kleinschalige landschapselementen. Houtwallen, struweelranden en dicht begroeide perceelsgrenzen zijn op veel plekken verdwenen. Juist deze structuurrijke overgangen tussen bos en open terrein vormen het ideale leefgebied voor de goudvink. Zonder voldoende dekking en voedselrijke struiken wordt een gebied al snel minder geschikt.

Bij de goudvink is geen uitgesproken sterke landelijke achteruitgang te zien in Nederland (al is sinds 2019 de broedvogeltrend wel licht negatief), maar de beschikbaarheid van geschikte structuurrijke bossen blijft belangrijk voor de soort. In sommige regio’s, zoals Vlaanderen, blijkt de soort wel achteruit te gaan en staat zij op de Rode Lijst.

In Vlaanderen staat de goudvink als  'bijna in gevaar' op de Rode Lijst
In Vlaanderen staat de goudvink als ‘bijna in gevaar’ op de Rode Lijst

Veelgestelde vragen

Is de goudvink zeldzaam in Nederland?

Nee, de goudvink is geen zeldzame vogel, maar wel minder algemeen dan bijvoorbeeld de vink of groenling. In bosrijke gebieden komt hij vrij regelmatig voor, terwijl hij in open landbouwgebieden minder vaak wordt gezien. In Vlaanderen staat de goudvink wel op de Rode Lijst.

Wanneer kun je de goudvink het beste zien?

Goudvinken zijn het hele jaar aanwezig, maar in de winter zijn ze vaak iets zichtbaarder. Dan foerageren ze in kleine groepjes en zoeken ze soms parken of rustige tuinen op.

Waarom zie je goudvinken zo weinig?

Goudvinken leven teruggetrokken en houden zich graag schuil in dicht struikgewas. Vaak hoor je ze eerst – hun zachte, fluitende roep – voordat je ze daadwerkelijk ziet.

Wat eet een goudvink?

Goudvinken eten vooral knoppen van bomen en struiken, zaden en soms bessen. In het voorjaar kunnen ze knoppen van fruitbomen eten, wat hen vroeger minder populair maakte bij fruittelers.

Is de goudvink een trekvogel?

In Nederland is de goudvink voornamelijk een standvogel. Wel kunnen vogels uit noordelijker gebieden in de winter zuidwaarts trekken, waardoor het aantal goudvinken tijdelijk kan toenemen.

Zijn goudvinken monogaam?

Ja, goudvinken vormen meestal een vaste paarband. Vaak blijven koppels meerdere seizoenen bij elkaar en trekken ze ook buiten het broedseizoen samen op.

Komt de goudvink in tuinen voor?

Alleen in rustige, groene tuinen met voldoende struiken en beschutting. In dichtbebouwde of sterk opgeruimde tuinen is de kans klein dat je een goudvink ziet.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Groenling – Herkenning, zang, kenmerken & leefgebied

De kleurrijke vinkachtige de groenling

Als je denkt aan opvallende vogels in het Nederlandse landschap, denk je al snel aan de groenling. Deze opvallende vinkachtige kleurt tuinen en het landschap met zijn verenkleed in tinten groen en geel. In deze blog duiken we in de wereld van de groenling en bespreken we zijn kenmerken, zang en leefgebied. Ook ontdek je wat de groenling graag eet en hoe je deze naar je tuin kunt lokken. Lees verder en ontdek alles over deze bijzondere vogel!

Inhoudsopgave

Kenmerken van de groenling

De groenling (Chloris chloris) is een opvallende verschijning en goed te onderscheiden van de andere vinkachtigen. Groenlingen bereiken een lichaamslengte van 14,5 tot 16 centimeter en hebben een spanwijdte van 25 tot 27 centimeter. Het gewicht van volwassen groenlingen ligt meestal tussen de 25 en 35 gram.

De groenling, vooral het mannetje, is een opvallende verschijning met een verenkleed dat bestaat uit verschillende tinten groen en gele delen op de handpennen en staart.
De groenling, vooral het mannetje, is een opvallende verschijning met een verenkleed dat bestaat uit verschillende tinten groen en gele delen op de handpennen en staart.

Vooral het mannetje valt op door zijn verenkleed, dat bestaat uit verschillende tinten groen met opvallende gele delen. De randen van de handpennen zijn helder geel, net als de buitenste staartpennen. Deze gele accenten maken de groenling, zeker in vlucht, goed herkenbaar.

Het vrouwtje is minder bont gekleurd en heeft een meer bruingrijs verenkleed. Ook bij het vrouwtje zijn gele delen op de vleugels en staart zichtbaar, maar deze zijn duidelijk minder fel dan bij het mannetje.

Vluchtbeeld

In vlucht zijn groenlingen goed te herkennen aan de gele vleugelstrepen en het geel in de staart. Daarnaast hebben ze een kenmerkende golvende vlucht wanneer ze zich door het landschap verplaatsen.

Adult groenling vs. juveniel groenling

Juveniele groenlingen lijken qua verenkleed enigszins op het vrouwtje, maar zijn over het algemeen grijzer van kleur. Ze hebben bovendien een duidelijk gestreept verenkleed, wat vooral zichtbaar is aan de onderzijde. De snavel is bij juveniele vogels donkerder en nog niet zo krachtig en kegelvormig als bij volwassen groenlingen.

Snavel

De groenling heeft een krachtige, kegelvormige snavel, die uitstekend geschikt is voor het eten van harde zaden. Mannetjes hebben vaak een bleke, hoornkleurige snavel, die extra goed opvalt door het groene verenkleed. Bij vrouwtjes is de snavel doorgaans iets donkerder en minder opvallend, doordat deze minder contrasteert met het verenkleed. Juveniele dieren hebben een duidelijk donkerdere snavel, grijsbruine snavel.

Groenlingen hebben een stevige snavel, waarmee ze harde zaden gemakkelijk kunnen kraken (de Natuur van hier)
Groenlingen hebben een stevige snavel, waarmee ze harde zaden gemakkelijk kunnen kraken (de Natuur van hier)

De kleur van de snavel kan echter variëren per individu en per seizoen. Het is daarom geen sluitend determinatiekenmerk. maar wel een nuttige aanwijzing in combinatie met andere kenmerken.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Groenling
Wetenschappelijke naam Chloris chloris
Kenmerken Geelgroen verenkleed, zware snavel, geel in vleugel/staart
Zang Zware, nasale roep “tsjriep”; zang rollend en nasaler
Habitat Halfopen landschap; bosranden, bos met open plek, nabij stedelijke omgeving
Broeden in NL Zeer talrijk
Broedparen 58,000-90,000

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Zang en roep

De zang van de groenling is minder melodieus dan die van andere vinkachtigen, maar daardoor juist goed herkenbaar. Het is een raspend en schurend geluid, dat vaak wat metaalachtig aandoet. De zang bestaat uit rollende, trillende tonen die worden afgewisseld met korte fluittonen. Mannetjes kunnen deze langere tijd volhouden, vaak vanaf een hoge zangpost zoals een boomtop, struik of dakrand.

Wie de zang eenmaal kent, herkent de groenling snel. De klank kan op het eerste gehoor wat monotoon lijken, maar is zeer kenmerkend en onderscheidt zich duidelijk van de meer melodieuze zang van bijvoorbeeld de vink of distelvink.

Zang groenling (Xeno Canto – Jack Berteau)

Naast de zang laat de groenling regelmatig een korte roep horen. Deze roep klinkt scherp en wordt vaak omschreven als een “dzjèè” of “dju”. Je hoort deze roep vooral wanneer groenlingen in groepjes rondvliegen, bij contact tussen soortgenoten of bij lichte onrust.

Roep Groenling (Xeno Canto – Jordi Calvet)

De zangperiode van de groenling begint meestal al in februari en bereikt een piek in het voorjaar, van maart tot en met mei. Vooral in de vroege ochtend laten mannetjes zich dan horen. Ook buiten het broedseizoen kun je soms zang horen, maar dan minder frequent en intens.

Groenlingen zingen vaak vanaf een hoge zangpost
Groenlingen zingen vaak vanaf een hoge zangpost

Gedrag

Groenlingen zijn actieve vogels die hun voedsel zowel op de grond als laag in de vegetatie zoeken. Ze eten voornamelijk zaden, knoppen, bessen en jonge plantendelen en zijn daarbij vaak alert, maar niet bijzonder schuw. In groene tuinen, parken en halfopen landschap laten ze zich dan ook vaak goed bekijken.

Tijdens de broedperiode vertonen mannetjes territoriaal gedrag. Ze verdedigen hun territorium vooral door middel van zang, waarmee ze zowel soortgenoten op afstand houden als vrouwtjes proberen aan te trekken. Ook visueel laten mannetjes groenlingen zich zien: met wijd gespreide vleugels en staart blijven ze in de lucht hangen, waarbij het felle geel op vleugels en staart extra opvalt. Dit gedrag dient zowel om rivalen te imponeren als om vrouwtjes aan te trekken.

Buiten het broedseizoen verandert het gedrag duidelijk. Groenlingen trekken dan vaker in kleine groepen rond, soms samen met andere vinkachtigen en mezen. Dit gedrag zie je vooral in de winter, wanneer voedselplekken gedeeld worden en de korte, scherpe roepjes helpen om contact te houden binnen de groep.

Groenlingen maken dankbaar gebruik van aangeboden vogelvoer in tuinen
Groenlingen maken dankbaar gebruik van aangeboden vogelvoer in tuinen

Bij de voedertafel zijn groenlingen soms vaste gasten. Ze komen graag af op zaden zoals zwarte zonnebloempitten en kunnen richting kleinere vogels soms dominant zijn. Het gezamenlijk foerageren bij voedertafels maakt de groenling voor veel mensen een herkenbare en opvallende tuinvogel.

Waarneming uit het veld

Als wij aan groenlingen denken, dan denken we automatisch aan het voorjaar. Tijdens een van de eerste zonnige lentedagen, wanneer we door het ruige, halfopen landschap van de Grensmaas struinen, is het vaak een kwestie van tijd voordat de kenmerkende zang van een groenling klinkt. Hoog in een rozenstruik of meidoorn zit dan een mannetje te zingen, zichtbaar aanwezig en duidelijk bezig zich te tonen aan de vrouwtjes.

Wie vervolgens even onopvallend plaatsneemt achter een struik of boom, hoeft meestal niet lang te wachten. De groenling laat zich zien en toont zijn groene verenkleed, waarbij het geel op vleugels en staart extra opvalt. Op zo’n moment weet je: het voorjaar is echt begonnen!

Het halfopen landschap van de Grensmaas is een uitstekend leefgebied voor de groenling. Hier vinden ze dekking en voldoende voedsel en hebben ze tal van broedmogelijkheden (de Natuur van hier)
Het halfopen landschap van de Grensmaas is een uitstekend leefgebied voor de groenling. Hier vinden ze voldoende dekking. voedsel en talloze mogelijkheden om te broeden – precies wat de soort nodig heeft om zich thuis te voelen (de Natuur van hier)

Leefgebied en verspreiding in Nederland & België

Groenlingen houden van een halfopen landschap, waarin een mozaïek van struiken, bomen en open plekken te vinden is. Voorbeelden van geschikte leefgebieden zijn dorpsranden, groene tuinen, parken, houtwallen, rivierlandschappen en overgangszones naar bos (met een halfopen karakter).

De groenling is wijdverspreid, zowel in Nederland als in België. Regionaal is de groenling minder te vinden in het open agrarisch gebied waar geen structuur te vinden is. Op onderstaande kaart van SOVON is de verspreiding van de groenling duidelijk te zien.

In Nederland is de groenling overwegend een standvogel. In de winter vormen ze echter wel groepen en trekken ze gezamenlijk door het landschap. Sommige individuen trekken (vooral bij strengere winters) iets zuidelijker, meestal tot in Frankrijk, maar veruit de meeste blijven in ons land. in de winter krijgen we in Nederland wel bezoek van Scandinavische groenlingen, die hier overwinteren.

Leefgebied door het jaar heen

In het voorjaar en in de zomer broeden groenlingen in een struik of boom en leven dan meer in paarverband of leven dan in kleine groepjes. Gedurende het najaar en de winter zijn ze meer op voedsel vinden gericht en vormen ze grote groepen. In deze periode zoeken ze ook gezamenlijk naar voedsel op akkers of komen ze in tuinen om voedertafels te bezoeken.

Groenling in cultuurlandschap en tuinen

Aan de ene kant profiteren groenlingen van het door de mens gecreëerde landschap, maar aan de andere kant heeft het ook een negatief effect op ze. De aanleg van groene tuinen en parken heeft een positieve werking op de groenling, omdat ze hier een geschikt leefgebied vinden, waarin ze kunnen broeden en voedsel en beschutting vinden.

Daarnaast zijn ze ook kwetsbaar voor het menselijk landschap. Denk dan vooral aan de monoculturen in de landbouw, waar groenlingen simpelweg te weinig voedsel en structuur (zoals struiken en bomen) vinden. Daarnaast kunnen voederplaatsen in tuinen en parken een bron zijn van ziekteoverdracht. Het is dus belangrijk om deze altijd goed schoon te houden. Verderop in de blog vertellen we hier nog meer over.

Voedsel

De groenling is een echte zaadeter. Ze eten hoofdzakelijk zaden van kruiden en grassen. Ze zijn daarom ook vaak te vinden op plekken met ruigtes en veel zaaddragende planten. Onder andere zaden van paardenbloem, distels, weegbree en grassen worden gegeten. In het voorjaar en in de zomer worden daarnaast ook jonge plantendelen gegeten en worden er ook insecten gevangen in de broedtijd (voor de jongen). In het najaar en in de winter worden hoofdzakelijk zaden gegeten, maar ook in kleine hoeveelheden bessen. Zo komen groenlingen af op de rozenbottels in tuinen, hagen en bosschages.

Groenlingen zijn, zeker in de winter, ook graag geziene tuingasten. Ze struinen in groepjes dan de groene tuinen af en bezoeken dankbaar de voedertafels. Vooral zaden zoals zonnebloempitten zijn geliefd bij groenlingen, maar ook kwalitatief goede voedermengsels met veel oliehoudende zaden vallen in de smaak. Voer wel altijd biologisch vogelvoer, zo weet je zeker dat het niet giftig is voor de groenlingen en andere vogels die er op af komen.

Vooral in de winter komen groenlingen in groepjes af op voedertafels
Vooral in de winter komen groenlingen in groepjes af op voedertafels

Ze eten echter niet alles wat in de tuin wordt aangeboden. Vetbollen met weinig zaden laten ze links liggen en ook stukjes brood worden niet gegeten. Het zijn ook zeker geen typische insecteneters zoals bijvoorbeeld mezen dat (grotendeels) wel zijn.

Voortplanting

De broedperiode van groenlingen loopt van eind maart tot augustus. In het vroege voorjaar laten mannetjes hun baltszang veelvuldig horen, vaak vanuit een hoge zangpost zoals een struik of boom. Daarnaast toont het mannetje zijn prachtig gekleurde verenkleed aan het vrouwtje. Op basis van de zang en het gedrag van het mannetje kiest het vrouwtje een partner.

In een dichte struik of boom (bijvoorbeeld een hulst, meidoorn of conifeer) wordt goed verscholen een komvormig nestje gemaakt van takjes, grasjes, veertjes en mos. Het nest wordt gemaakt door het vrouwtje, terwijl het mannetje aandachtig de omgeving in de gaten houdt.

Meestal hebben groenlingen in een seizoen 2 legsels, soms (bij goede omstandigheden) 3. Er worden per legsel 4 tot 5 lichtblauwe tot witte eieren gelegd. Deze worden, hoofdzakelijk door het vrouwtje in 11 tot 14 dagen uitgebroed. Zodra de jongen uit het ei komen, zijn ze volledig afhankelijk van de ouders (het zijn nestblijvers en ze zijn kaal en blind bij de geboorte). Beide ouders zorgen voor voedsel voor de kleine groenlingen. Ze krijgen zachte zaden en insecten te eten. Na 13 tot 15 dagen vliegen de jongen uit. Ze worden dan nog een tijdje bijgevoerd door de ouders.

Groenlingen broeden graag in dichte struiken of bomen, zoals coniferen
Groenlingen broeden graag in dichte struiken of bomen, zoals coniferen

Achteruitgang van de groenling

De groenling was lange tijd een algemene en vertrouwde verschijning in het Nederlandse landschap en in tuinen. Sinds het begin van deze eeuw is daar echter verandering in gekomen. Vanaf ongeveer 2007 is er sprake van een sterke achteruitgang van de populatie, waarbij lokaal zelfs complete verdwijningen zijn waargenomen. De belangrijkste oorzaak hiervan is een infectieziekte die vooral groenlingen zwaar treft: trichomoniasis, ook wel bekend als geelknobbelziekte.

Deze ziekte wordt veroorzaakt door de eencellige parasiet Trichomonas gallinae, die het slijmvlies van de keel en slokdarm aantast. Besmette vogels krijgen moeite met slikken, vermageren snel en sterven vaak binnen korte tijd. Groenlingen zijn extra kwetsbaar doordat zijn van nature sociaal zijn en zich graag in groepjes ophouden, vooral bij voedselbronnen. Hierdoor kan de ziekte zich snel verspreiden, met name op plekken waar veel vogels samenkomen, zoals voedertafels en drinkplaatsen.

Het is belangrijk om te benadrukken dat het bijvoeren van vogels niet de oorzaak van de ziekte is, maar wel kan bijdragen aan de verspreiding ervan wanneer de hygiëne wordt verwaarloosd. Besmetting vindt plaats via speeksel en voedselresten, waardoor slecht schoongemaakte voedersilo’s en waterbakken een rol kunnen spelen. Ook in de natuur zelf kan de ziekte worden overgedragen, bijvoorbeeld bij natuurlijke voedselplekken of drinkpoelen.

Naast ziekte spelen mogelijk ook andere factoren een rol in de achteruitgang van de groenling, zoals verandering in het landschap en afname van zaaddragende kruiden. Toch wordt trichomoniasis gezien als de belangrijkste en meest actuele bedreiging voor de soort. Inmiddels lijkt de populatie zich voorzichtig te stabiliseren, maar het niveau van vóór 2007 is nog lang niet bereikt.

De groenling laat hiermee zien hoe kwetsbaar zelfs algemene vogelsoorten kunnen zijn wanneer ziekte en menselijk gebruik van het landschap samenkomen.

Wat kun je doen om de groenling te helpen?

Om de groenling te helpen kun je een aantal maatregelen nemen in je tuin. Uiteraard kun je in de herfst en in de winter bijvoeren, maar kies dan wel het juiste voedsel. Ga altijd voor biologisch voedsel omdat dit niet schadelijk is voor de leefomgeving én voor groenlingen. Laat goedkoop voer liever staan, dit is vaak van mindere kwaliteit en zit vaak vol met bestrijdingsmiddelen.

Net zo belangrijk is de hygiëne op de voederplekken en bij de drinkplaatsen, om te voorkomen dat de geelknobbelziekte zich onder de vogels verspreid. Maak daarom met regelmaat voederplekken, voedersilo’s, etc. grondig schoon. Ververs ook dagelijks het drinkwater. En als je een zieke vogel ziet: stop dan tijdelijk met bijvoeren zodat de ziekte zich (minder snel) verspreid.

Je tuin inrichten voor de groenling

Kijk ook eens kritisch naar de inrichting van je tuin, hier is vast ook nog wel wat verbetering aan te brengen voor de groenling en voor andere vogels. Laat bijvoorbeeld op een of meerdere plekjes wat rommelige hoekjes ontstaan en laat het hier verruigen. Laat zaaddragend planten zoals distels en paardenbloem staan. En als je gras hebt, maai dan niet alles in één keer.

Zorg daarnaast voor beschutting in je tuin. Groenlingen maken geen gebruik van nestkasten, maar wel van dichte bomen en struiken. Plant je tuin dus aan met inheemse struiken, bomen en klimplanten. Ook een inheemse, gemengde haag kan zeer interessant zijn voor groenlingen. Wij hebben bijvoorbeeld in onze natuurtuin veel klimop, sleedoorn, gele kornoelje en diverse rozen. Daarnaast is de hele tuin omzoomd door een brede gemengde haag. We zien hier dagelijks veel vogelsoorten (waaronder de groenling) gebruik van maken. Rust en beschutting is enorm belangrijk voor groenlingen.

Gebruik tot slot geen bestrijdingsmiddelen. Dit is giftig voor insecten en andere dieren die leven in je tuin. Ook vogels hebben last van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Laat deze middelen dus weg en geniet van de rijke biodiversiteit in je tuin! Dan volgen de groenlingen vanzelf.

De aanplant van inheemse struiken in tuinen kan de groenling helpen
De aanplant van inheemse struiken in tuinen kan de groenling helpen

Veelgestelde vragen

Hoe herken je de groenling?

De groenling is een middelgrote vink met een stevig, groen verenkleed. Mannetjes zijn opvallender gekleurd dan vrouwtjes en hebben felgele randen aan de vleugels en staart. In vlucht vallen vooral deze gele accenten en de golvende vlucht op. De krachtige, kegelvormige snavel is aangepast aan het eten van zaden.

Wat is het verschil tussen een mannetje en vrouwtje groenling?

Het mannetje groenling is helderder groen gekleurd en heeft duidelijker gele delen op vleugels en staart. Het vrouwtje is meer bruingrijs en minder contrastrijk. Ook is de snavel van het mannetje vaak iets bleker dan die van het vrouwtje, al is dit geen betrouwbaar determinatiekenmerk.

Waar leeft de groenling?

Groenlingen leven in halfopen landschappen met struiken, hagen en bomen. Ze komen voor in tuinen, parken, landbouwgebieden en natuurgebieden met ruigte. In Nederland is de groenling een standvogel, wat betekent dat hij het hele jaar door te zien is.

Wat eet een groenling?

De groenling eet vooral zaden van kruiden, grassen en bomen. Favorieten zijn onder andere zonnebloempitten, distelzaden en hennepzaad. Tijdens het broedseizoen eten groenlingen ook kleine insecten, vooral om hun jongen te voeren.

Waarom is de groenling achteruit gegaan?

Sinds het begin van deze eeuw is de groenling sterk in aantal afgenomen, vooral door de geelknobbelziekte (trichomoniasis). Deze ziekte verspreidt zich snel op plekken waar veel vogels samenkomen, zoals bij voedertafels. Slechte hygiëne kan de verspreiding versnellen.

Gebruikt de groenling een nestkast?

Nee, groenlingen maken geen gebruik van nestkasten. Ze bouwen hun nest liever in dichte struiken, hagen of klimop. Rust, beschutting en een natuurlijke tuin zijn belangrijker voor de groenling dan kunstmatige nestgelegenheid.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Distelvink (Putter) – Herkenning, zang, kenmerken & leefgebied

Distelvink (putter) soortpagina. Hier vind je alles over deze vinkachtige (de Natuur van hier)

De distelvink (putter) is een kleurrijke zangvogel uit de familie vinkachtigen die in grote delen van Nederland voorkomt. Met zijn rode masker en gele vleugelstrepen is het een van de meest opvallende vinken in ons landschap. Je ziet hem vooral in bloemrijke graslanden, in akkerranden en in tuinen met veel zaaddragende planten. Op deze pagina lees je hoe je de distelvink herkent, waar hij van leeft en hoe je distelvinken kunt helpen.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Kenmerken van de distelvink (putter)

De distelvink is bij de meeste mensen beter bekend onder de naam putter. De wetenschappelijke naam is Carduelis carduelis. De distelvink (putter) heeft zich de laatste jaren goed weten aan te passen aan het menselijke landschap, waardoor het goed gaat met deze vinkachtige in Nederland. Het is een opvallende verschijning, zowel qua verenkleed als qua zang. Distelvinken bereiken een lichaamslengte van 10,5 tot 13,5 centimeter en een spanwijdte van 21 tot 25 centimeter. Volwassen vogels wegen 14 tot 19 gram.

De distelvink (putter) heeft een kleurrijk verenkleed
De distelvink (putter) heeft een kleurrijk verenkleed

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Verenkleed man en vrouw

Waar er bij de vink sprake is van seksuele dimorfisme (een duidelijk verschil in verenkleed tussen man en vrouw), is dit bij de distelvink niet het geval. Man en vrouw distelvink (putter) lijken namelijk sterk op elkaar en hebben dus beide een kleurrijk verenkleed.

Distelvinken hebben een rood masker, met verder een zwart-witte kop. Ze hebben verder zwarte vleugels, met een opvallende gele vleugelstreep die vooral in vlucht erg goed opvalt. De slagpennen hebben witte toppen. Daarnaast hebben ze een zwarte staart met witte vlekken. De bovenzijde is overwegend bruin. Bij de borst wordt het verenkleed grijzer en de onderzijde is meer wit gekleurd.

Geslachtsonderscheid

Onderscheid tussen man en vrouw is dus minder goed zichtbaar als bij sommige andere vinken. Mannetjes en vrouwtjes zijn echter uit elkaar te houden, voor degene die goed kijken. Het opvallendste verschil zit hem in het rode masker. Bij mannetjes loopt het rood door tot achter het oog, bij vrouwtjes loopt het rood tot halverwege het oog. Mannetjes hebben daarnaast in het zomerkleed een dieper gekleurd masker en dieper gekleurde gele vleugelstreep. Tot slot hebben mannetjes over het algemeen een grotere snavel.

Bij mannetjes distelvinken loopt het rode masker door tot achter het oog, bij vrouwtjes tot halverwege het oog. Daarnaast is het rode masker bij mannetjes feller gekleurd en hebben ze een iets grotere snavel. Op deze foto zijn de verschillen tussen mannetje en vrouwtje goed te zien (de Natuur van hier)
Bij mannetjes distelvinken loopt het rode masker door tot achter het oog, bij vrouwtjes tot halverwege het oog. Daarnaast is het rode masker bij mannetjes feller gekleurd en hebben ze een iets grotere snavel. Op deze foto zijn de verschillen tussen mannetje en vrouwtje goed te zien (de Natuur van hier)

Adult distelvink vs. juveniel distelvink

Waar man en vrouw distelvink lastig uit elkaar te houden zijn, zijn juveniele distelvinken goed te onderscheiden van de volwassen dieren. Juveniele distelvinken hebben een meer grijsbruin verenkleed met kleine zwarte vlekken. Ze hebben daarnaast een effen bruine kop. Wel hebben ze net zoals de volwassen exemplaren de zwarte vleugels met opvallende, gele vleugelstrepen. Hieraan kun je dus goed herkennen dat je met een (juveniele) distelvink te maken hebt.

Snavel

Distelvinken hebben een vrij lange en spitse snavel waarmee ze goed zaden kunnen eten (zelfs zaden die voor veel andere soorten onbereikbaar zijn, zoals de zaden van de kaardenbol). De snavel is in het zomerkleed volledig wit, in de winter wordt de snavelpunt donkerder. Mannetjes hebben verder nog een iets grotere snavel dan vrouwtjes.

Vluchtbeeld

In vlucht is de distelvink goed te herkennen aan de opvallende gele vleugelstrepen, die duidelijk afsteken tegen de zwarte vleugels. Het geel licht vooral op wanneer de vogel van plek naar plek vliegt. De vlucht is licht en golvend, met snelle vleugelslagen afgewisseld door korte glijmomenten. Distelvinken vliegen vaak in kleine groepjes en laten zich daarbij regelmatig horen met hun kenmerkende roep.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Distelvink
Wetenschappelijke naam Carduelis carduelis
Kenmerken Rood gezicht, zwart-witte kop, gele vleugelstrepen
Zang Vrolijk geratel met heldere fluittonen, vaak vloeiend
Habitat Platteland bij dorpen en boerderijen en in buitenwijken van steden
Broeden in NL Talrijk
Broedparen 46,000-58,000

Waarom heet de distelvink ook wel putter?

De naam putter wordt vaak verklaard vanuit het geluid dat de distelvink maakt: een helder, klingelend “put-put” dat vooral tijdens de vlucht te horen is. In de loop der tijd raakte deze naam ook verbonden met een minder fraai verleden, waarin distelvinken veelvuldig in kooitjes werden gehouden.
Omdat de naam distelvink verwijst naar het natuurlijke voedsel en gedrag van de vogel, gebruiken wij bij voorkeur deze benaming, met putter als aanvullende naam.

Zang en roep

De distelvink heeft een helder en levendig geluid, dat goed past bij zijn actieve en beweeglijke gedrag. De roep is een scherp, klingelend “tieteliet’ of “put-put”, vaak te horen wanneer de vogel overvliegt en contact houdt met soortgenoten.

Roep distelvink (Xeno-canto – Lee Alder)

De zang bestaat uit snelle reeksen trillers en heldere tonen, soms afgewisseld met korte pauzes. Vooral in het voorjaar zingen mannetjes er op los, vaak vanaf een hoge zangpost zoals een boomtop of een struik. Distelvinken zingen ook regelmatig in vlucht, wat bijdraagt aan hun opvallende aanwezigheid in het landschap.

Zang distelvink (Xeno-canto – Francesco Sottile)

Meer vogelgeluiden leren herkennen? Lees dan eens onze blog vogelgeluiden leren herkennen om de geluiden van de meest algemene tuinvogels te herkennen!

Mannetjes distelvinken gebruiken vaak een hoge boomtop of struik om vanuit daar hun melodieuze zang te laten horen, die zich wijd door het landschap versprijd (de Natuur van hier)
Mannetjes distelvinken gebruiken vaak een hoge boomtop of struik om vanuit daar hun melodieuze zang te laten horen, die zich weid door het landschap verspreid (de Natuur van hier)

Gedrag

Distelvinken zijn sociale vogels die buiten de broedtijd vaak in groepen te zien zijn. Gezamenlijk trekken ze door het landschap en zoeken ze naar voedsel. Dit doen ze al kwetterend en zingend, en vliegen zo van de ene plek naar de andere plek.

Paargedrag en nestbouw

In grote wintergroepen worden vaak al paartjes gevormd (al gebeurt dit soms ook in het vroege voorjaar). Het vrouwtje begint dan vervolgens met het maken van een nest in een boom of struik . Als nestmateriaal wordt van alles gebruikt: bladeren, grassen, mossen, korstmossen en veertjes. Het vrouwtje maakt zelf het nest, het mannetje draagt echter wel nestmateriaal aan. Meestal worden er twee legsels per seizoen gemaakt door de distelvink, soms drie. Per legsel worden er 4 tot 6 eieren gelegd die in ongeveer 10 dagen worden uitgebroed. Na 13 tot 18 dagen vliegen de jongen uit. De jongen worden dan nog een á twee weken bijgevoerd door de ouders.

Foerageergedrag en voedselkeuze

Het is seizoensafhankelijk hoe distelvinken naar voedsel zoeken. In de winter foerageren distelvinken vaak in grote, losse groepen, die regelmatig gemengd zijn met andere vinkachtigen, zoals vinken en kepen. Buiten de winter zoeken ze doorgaans in kleinere groepjes of paartjes naar voedsel. Tijdens de broedperiode is het foerageergedrag meer territoriaal en beperken distelvinken zich vooral tot de omgeving van het nest. Het voedsel (hoofdzakelijk zaden) wordt voornamelijk gezocht in open gebied, zoals bermen, graslanden en akkers met granen en onkruiden.

Een (deel van een) grote groep vinkachtigen in de winter, gezamenlijk op zoek naar voedsel op een akker met granen en kruiden die nog vol met zaden zitten. De totale groep bevatte minimaal 400 vogels en bestond onder ander uit distelvinken (putter), kepen en vinken (de Natuur van hier)
Een (deel van een) grote groep vinkachtigen in de winter, gezamenlijk op zoek naar voedsel op een akker met granen en kruiden die nog vol met zaden zitten. De totale groep bevatte minimaal 400 vogels en bestond onder andere uit distelvinken (putters), kepen en vinken (de Natuur van hier)

Distelvinken eten dus voornamelijk zaden. Vooral zaden van composietplanten zoals paardenbloem, distels en zonnebloemen worden gegeten. Ook kaardenbol is favoriet bij distelvinken. Met hun lange en spitse snavel kunnen ze goed bij de moeilijk bereikbare (voor veel andere vogels) zaden. In de winter eten ze daarnaast ook zaden van bomen zoals berk en els. Daarnaast bezoeken ze in de winter ook regelmatig voedertafels in tuinen, op zoek naar zonnebloempitten of andere zaden. De jongen krijgen veel insecten als voedsel. Dit is een belangrijke eiwitbron en energiemotor voor de jongen distelvinken die zo snel groeien.

Waarneming uit het veld

In onze natuurtuin is de distelvink een graag geziene gast. In ieder seizoen zien we de distelvinken terug in onze tuin en meestal zijn ze op zoek naar voedsel. Al druk roepend en zingend komen ze in paartjes of in kleine groepen de natuurtuin in en gaan dan op zoek naar zaaddragende planten. Achterin de tuin hebben we grote kaardenbol staan en dit is een ware distelvink magneet. Na de bloei in de zomer, blijven de stekelige bloemkoppen staan, die dan nog vol zitten met zaden. De distelvinken blijven terugkomen naar deze bloemkoppen en eten deze leeg tot de laatste zaden die erin zitten opgegeten zijn. Hiervan kunnen we vaak tot diep in de winter genieten (laat uitgebloeide bloemen dus altijd staan gedurende de winter!).

Maar ook de paardenbloem is geliefd bij distelvinken. Deze bloeit rijkelijk in ons kruidenrijk grasland en uitgebloeide paardenbloemen zijn een waar feestje voor de distelvinken. Onderstaande foto hebben we kunnen maken vanuit onze keuken. De distelvink kwam af op de uitgebloeide paardenbloem, die nog geen meter van het keukenraam stond. Door rustig vanaf de keukenvloer te kijken, konden we de distelvink aandachtig bekijken en fotograferen, terwijl deze zijn natuurlijke gedrag vertoonden. Fantastisch om dit vanuit je eigen huis te kunnen bekijken!

Distelvinken kunnen met hun lange, spitse snavel goed bij zaden bij composietplanten en andere zaaddragende planten (de Natuur van hier)
Distelvinken kunnen met hun lange, spitse snavel goed bij zaden bij composietplanten en andere zaaddragende planten (de Natuur van hier)

Leefgebied en verspreiding

De distelvink is een vogel van het open tot halfopen landschap, waar voldoende zaaddragende planten aanwezig zijn. Oorspronkelijk was de soort vooral te vinden in bloemrijke graslanden, langs bosranden en in open struweel. Tegenwoordig profiteert de distelvink ook van het door de mens gevormde landschap en is hij op veel meer plekken te zien.

In Nederland komt de distelvink vooral voor in agrarische gebieden met kruidenrijke akkerranden, in extensief beheerde graslanden, langs wegbermen en dijken, maar ook in tuinen, parken en buitenwijken. Voorwaarde is wel dat er voldoende natuurlijke voedselbronnen aanwezig zijn, zoals distels, paardenbloemen, kaardenbol en andere zaaddragende planten. Monotone, intensief beheerde graslanden zonder bloeiende kruiden zijn niet geschikt als leefgebied.

Kruidenrijke grasland vormt een belangrijk leefgebied voor de distelvink, vanwege de vele zaaddragende planten die erin voorkomen (de Natuur van hier)
Kruidenrijke grasland vormt een belangrijk leefgebied voor de distelvink, vanwege de vele zaaddragende planten die erin voorkomen (de Natuur van hier)

Tijdens de broedperiode zoekt de distelvink beschutting in struiken, hagen en kleine bomen, waar goed verborgen een nest kan worden gemaakt. Daarbij wordt vaak gekozen voor locaties in de buurt van open terrein, zodat voedsel gemakkelijker bereikbaar blijft. Buiten de broedtijd zijn distelvinken minder plaatsgebonden en zwerven ze door het landschap op zoek naar plekken met veel zaden.

De distelvink is in heel Nederland een algemene broedvogel, met hogere dichtheden in kleinschalige landbouwgebieden en in landschappen met veel groene structuren. Ook in stedelijke gebieden is de soort de laatste decennia duidelijk toegenomen, mede dankzij natuurrijke tuinen en het aanbieden van zaden bij voedertafels. Op onderstaande afbeelding van SOVON is de verspreiding van de distelvink in Nederland te zien.

Op Europese schaal komt de distelvink voor in grote delen van Europa, Noord-Afrika en West-Azië. In het noorden en oosten van Europa zijn distelvinken vaker trekvogels, terwijl populaties in Zuid- en West-Europa grotendeels standvogel zijn. Nederland ligt in een overgangsgebied, waar zowel standvogels als overwinterende vogels uit noordelijker gebied voorkomen.

Voortplanting

Distelvinken broeden van april tot en met juli en hebben meestal 2 en soms 3 legsels per jaar (afhankelijk van het aanbod insecten, hoofdvoedsel voor de jongen, gedurende het seizoen). Het nest wordt gemaakt in struiken, hagen of bomen, die in open of halfopen gebied staan. Voorbeelden van geschikte locaties om een nest te maken zijn tuinen, groene erven, parken, bosranden en houtwallen, in de buurt van open terrein om gemakkelijk en snel voedsel te kunnen vinden. Het vrouwtje bouwt een komvormig nest op een goed verscholen plek in de vegetatie. Het mannetje voert verschillend soort nestmateriaal aan: grassen, mossen, korstmossen en veertjes.

Meestal worden er 4 tot 6 eieren gelegd. De eieren zijn lichtblauw van kleur met donkere vlekken. Na 10 tot 12 dagen komen de eieren uit. Het vrouwtje broedt de eieren uit, het mannetje houdt de omgeving in de gaten en levert voedsel aan. Als de jongen geboren zijn dan krijgen ze hoofdzakelijk eiwitrijke insecten als voedsel. Na 13 tot 18 dagen vliegen de jongen uit. Ze worden dan nog ongeveer 2 weken bijgevoerd.

In stand houden van de populatie

Een bloemrijke omgeving is cruciaal voor het grootbrengen van de jongen. Nectarbloemen trekken immers insecten aan, het voedsel waar de jongen op worden grootgebracht. Belangrijkste redenen waarom nesten mislukken zijn dan ook een voedseltekort, aangestuurd door een insectenarme omgeving of door aanhoudende slechte weersomstandigheden. Daarnaast kan verstoring er ook voor zorgen dat een nest mislukt. Door verstoring kan het zijn dat de ouders onvoldoende voedsel aangevoerd krijgen, waardoor één of meerdere jongen het niet redden.

Essentieel is het voor de populatie distelvinken dat ieder paartje minimaal 2 en in sommige jaren 3 succesvolle legsels hebben. Niet alle jongen zullen volwassen worden en zelf ook aan broeden toekomen. Voor die tijd zal een deel van de nieuwe aanwas al uitgevallen zijn door verschillende redenen. Een deel van de jongen valt ten prooi aan predatoren (kiekendieven, boomvalken, huiskatten, etc.) en sommige komen om door voedselgebrek (op trek of doordat ze geen eigen territorium kunnen vinden).

Trekgedrag van de distelvink

De distelvink is een gedeeltelijke trekvogel. Een deel van de Nederlandse populatie blijft het hele jaar in ons land, terwijl andere distelvinken in de herfst en winter zuidelijker trekken of rondzwerven op zoek naar voedsel.

Vooral in de winter kunnen grote aantallen distelvinken worden gezien, soms aangevuld met vogels uit Noord- en Oost-Europa. Deze wintergroepen zwerven door het landschap en verzamelen zich op plekken waar veel zaden beschikbaar zijn.

In het voorjaar keren de trekkende distelvinken terug naar hun broedgebieden. De trekafstanden zijn over het algemeen beperkt en sterk afhankelijk van de weersomstandigheden en voedselbeschikbaarheid. Hierdoor verschilt het trekgedrag per jaar en per individu.

Distelvinken in de tuin

Distelvinken zijn steeds vaker bezoekers van tuinen, mits deze aan een aantal voorwaarden voldoen. Vooral groene tuinen met bloemen, kruiden en zaden worden bezocht. Daarnaast komen ze soms ook af op voedertafels, maar natuurlijke voedselbronnen zijn belangrijker voor ze.

Wil je dus distelvinken in je tuin, zorg dan eerst dat je de natuurlijke voedselbronnen op orde krijgt. Plant zaadplanten aan (of laat ze staan als ze spontaan opkomen), zoals grote kaardenbol, distels (zoals akkerdistel, kruisdistel en speerdistel), paardenbloemen, zonnebloemen, grote klit en teunisbloemen. Belangrijk hierbij is dat je uitgebloeide planten tot na de winter laat staan, zodat ze voldoende voedsel in de winter kunnen vinden. Zorg er dus voor dat je tuin niet te opgeruimd is. Als je planten gaat aanplanten, kies dan altijd voor biologische planten. Deze bevatten geen pesticiden en zijn dus niet giftig voor insecten en vogels!

Daarnaast kun je natuurlijk ook nog bijvoeren, zeker in de winterperiode. Distelvinken zijn gek op zonnebloempitten. Verder zou je ook nog een zadenmix kunnen aanbieden. Kies wederom voor biologisch vogelvoer, dan weet je zeker dat het de vogels niet schaadt!

Biedt het voer aan in een voedersilo of op een voedertafel. Heb je een wat grotere tuin? Maak dan meerdere voederplekken en kies rustige plekken uit waar je het voer aanbiedt. Zorg tot slot ook nog voor een aantal struiken en bomen in je tuin, zodat ze een veilige plek hebben.

Interessante weetjes

Tot slot hebben we nog een aantal interessante weetjes over distelvinken (putters) op een rijtje gezet:

  • Distelvinken zijn gespecialiseerd in het eten van zaden van composietplanten, zoals distels en kaardenbol, waar veel andere vogels moeilijk bij kunnen.
  • De soort zingt niet alleen vanaf een zangpost, maar laat ook regelmatig zijn zang horen tijdens de vlucht.
  • Juveniele distelvinken missen het kenmerkende rode masker en hebben een meer onopvallend bruin verenkleed.
  • Distelvinken vormen buiten de broedtijd vaak grote groepen, soms samen met andere vinkachtigen.
  • De naam putter is afgeleid van de heldere roep die distelvinken laten horen tijdens de vlucht.
  • Distelvinken profiteren sterk van natuurrijke tuinen en bloemrijke bermen.
  • In de winter kunnen distelvinken uit Noord- en Oost-Europa in Nederland overwinteren.

Veelgestelde vragen

Is de distelvink een standvogel?

De distelvink is een gedeeltelijke trekvogel. Een deel van de Nederlandse distelvinken blijft het hele jaar in ons land, terwijl andere vogels in de winter zuidelijker trekken of rondzwerven op zoek naar voedsel. In de winter worden Nederlandse vogels vaak aangevuld met distelvinken uit Noord- en Oost-Europa.

Wat eet een distelvink in de winter?

In de winter bestaat het voedsel van de distelvink vooral uit zaden. Vooral zaden van distels, kaardenbol, paardenbloem, zonnebloem en bomen zoals berk en els worden gegeten. Ook biologisch vogelvoer, zoals zonnebloempitten en nigerzaad, wordt in tuinen graag benut.

Wanneer broedt de distelvink?

Distelvinken broeden meestal van april tot en met juli. In deze periode kunnen zij twee, en soms zelfs drie legsels grootbrengen. De timing hangt sterk samen met het voedselaanbod en de weersomstandigheden.

Waarom zie ik distelvinken vaak in groepen?

Buiten de broedtijd zijn distelvinken sociale vogels die graag in groepen leven. Door samen te foerageren vergroten ze de kans op het vinden van voedsel en zijn ze beter beschermd tegen predatoren. In de winter kunnen deze groepen behoorlijk groot worden.

Hoe kan ik distelvinken naar mijn tuin lokken?

Distelvinken voelen zich vooral thuis in tuinen met veel bloeiende en zaaddragende planten. Door planten zoals kaardenbol, distels en paardenbloemen te laten staan, bied je een natuurlijke voedselbron. In de winter kun je dit aanvullen met biologisch vogelvoer, zoals zonnebloempitten of nigerzaad.

Wat is het verschil tussen een distelvink en een putter?

Er is geen verschil: distelvink en putter zijn twee namen voor dezelfde vogelsoort. De naam putter is afgeleid van de kenmerkende roep van de vogel, terwijl de naam distelvink verwijst naar het voedsel en leefgedrag.

Is de distelvink een beschermde vogel?

Ja, de distelvink is in Nederland een beschermde inheemse vogelsoort. Het is niet toegestaan om de vogels, hun nesten of eieren te verstoren, te vangen of te verhandelen.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!