Keep – Herkenning, uiterlijk, roep & leefgebied

Zonnebloemzaden zijn geliefd bij overwinterende kepen

De keep (Fringilla montifringilla) is een opvallende wintergast in Nederland. Waar veel zangvogels in de winter juist verdwijnen, arriveert de keep vanuit Noord-Europa om hier de koude maanden door te brengen. Op het eerste gezicht lijkt hij sterk op de gewone vink, maar de warme oranje borst en vooral de opvallende witte stuit verraden zijn identiteit zodra hij opvliegt. In sommige winters verschijnen kepen in grote aantallen, wat ze tot een bijzondere verschijning maakt in bossen en op akkers. In deze blog lees je alles over deze noordelijke vinkachtige.

Inhoudsopgave

Kenmerken van de keep

De keep (Fringilla montifringilla) is een kleurrijke vogel en wordt vaak omschreven als de vink van het noorden. Het is een middelgrote vink, ze bereiken een lichaamslengte van 14 tot 16 centimeter, een spanwijdte van 25 tot 26 centimeter en een gewicht van 23 tot 29 centimeter. Daarmee zijn ze qua grootte en gewicht vergelijkbaar met de vink.

Verenkleed

Kepen zijn contrastrijke vinkachtigen, met een opvallende combinatie van oranje, zwart en wit. Het verenkleed verschilt duidelijk tussen man en vrouw (seksueel dimorfisme) én tussen zomer- en winterkleed. In Nederland zien we de keep meestal in het winterkleed, omdat het met name een wintergast is die in Scandinavië en Rusland broedt.

Mannetje winterkleed

In het winterkleed oogt het mannetje minder diepzwart dan in het voorjaar, maar nog steeds opvallend contrastrijk. De belangrijkste kenmerken zijn:

  • Oranje borst en keel scherp afgetekend tegen lichte buik
  • Witte buik en onderstaartdekveren
  • Kop en nek zwart maar met lichte, bruinige randjes aan de veren waardoor de kop wat geschubd kan lijken
  • Rug donker met lichte veerranden, waardoor een gemarmerd effect ontstaat
  • Opvallend witte vleugelvlekken
  • Witte stuit (goed zichtbaar in vlucht)
  • Gevorkte staart met witte buitenste staartpennen

Dit is hoe we de meeste kepen zien in Nederland, volledig in winterkleed. Er zijn ook jaren dat er enkele kepen broeden in Nederland, maar veruit de grootste kans maak je om de keep in winterkleed te zien.

De keep is een kleurrijke wintergast
De keep is een kleurrijke wintergast, ook in winterkleed heeft deze nog een contrastrijk verenkleed

Mannetje zomerkleed

Het zomerkleed van de mannetjes kepen is nog spectaculairder dan het winterkleed. Helaas is dit in Nederland erg weinig zichtbaar, maar niet geheel onmogelijk! De belangrijkste kenmerken van het zomerkleed van de keep zijn:

  • Kop en bovenrug diep zwart
  • Sterk contrast tussen zwart, wit en fel oranje
  • Minder ‘geschubd’ uiterlijk
  • Strakker en contrastrijker silhouet
Keep in zomerkleed (Saxifraga - Joerg Mager)
Mannetje keep in zomerkleed. De diep zwarte kop en bovenrug zijn duidelijk anders dan bij het winterkleed (Saxifraga – Joerg Mager)

Verenkleed vrouwtje

Het verenkleed van het vrouwtje keep is een stuk minder contrastrijk dan dat van mannetjes. Ze zijn echter nog steeds goed herkenbaar als je weet op welke kenmerken je moet lekken. De belangrijkste kenmerken voor vrouwtje keep zijn:

  • Oranje getinte borst, vaak bleker dan bij het mannetje
  • Een witte buik
  • Kop en rug bruin tot grijsbruin, zonder diepzwart
  • Duidelijke witte vleugelvlekken
  • Witte stuit
Verenkleed vrouwtje keep (Saxifraga - Theo Verstrael)
Verenkleed vrouwtje keep (Saxifraga – Theo Verstrael)

Vrouwtjes kepen missen dus de uitgesproken zwarte koptekening die mannetjes kepen in zomerkleed hebben. De typische oranje borst is deels terug te zien bij vrouwtjes, maar een stuk minder fel en opvallend.

Juveniele kepen lijken sterk op vrouwtjes, maar zijn nog iets bruinachtiger en zijn minder contrastrijk. Ze hebben echter wel al de kenmerkende vleugelvlekken.

Vluchtbeeld

In vlucht zijn kepen ook opvallend contrastrijk en goed te herkennen. Vooral de witte stuit valt in vlucht goed op en is onderscheidend ten opzichte van de vink, die deze witte stuit niet heeft. Ook de oranje borst en oranje schouders zijn in vlucht vaak nog goed te zien. Verder valt de zwarte staart op en de typische golvende vlucht.

Snavel

Zoals bij veel vinkachtigen heeft de keep een korte, stevige en kegelvormige snavel, die uitermate geschikt is voor het eten van zaden. In de winter is de snavel vaak wat lichter (hoornkleurig) gekleurd, maar blijft de snavelpunt donker. In het broedkleed wordt de snavel van de keep donkerder, meestal donkergrijs tot zwartachtig. Bij het mannetje kan deze vrijwel zwart ogen.

Verschil keep en vink

Kepen en vinken worden nogal eens door elkaar gehaald. Er zijn echter duidelijke verschillen tussen de twee vinkachtigen op te merken:

  • De keep heeft een opvallend witte buik, bij de vink is deze roze tot roodbruin
  • De keep heeft een oranje borst en schouders, bij de vink is deze warm roodbruin
  • De keep heeft een zwarte kop (zomerkleed) of gebroken zwarte kop (winterkleed), de vink heeft een blauwgrijze kruin en nek
  • De stuit van de keep is wit, bij de vink is deze groenachtig

Op onderstaande afbeeldingen zijn de keep en vink naast elkaar te zien en zijn de verschillen duidelijk.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Keep
Wetenschappelijke naam Fringilla montifringilla
Kenmerken Mannetje zwarte kop, oranje borst en schouders en witte stuit. Vrouwtje oranje tint op borst en witte stuit, verder meer bruin
Zang Monotoon “zziiihh”, roep meer te horen in Nederland, “kè-èèhhp”
Habitat Gemengde bossen en naaldbossen, in winter ook op akkers, beukenbossen en in bosranden in grote groepen
Broeden in NL Uiterst schaars
Broedparen 0-5

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Zang en roep

In Nederland wordt de roep van de keep veel vaker gehoord dan de zang. Om een keep in Nederland te ontdekken is het dus vooral belangrijk om de roep van deze zangvogel goed te herkennen. Je hoort ze immers vaker voordat je ze ziet.

De roep van de keep is een nasaal “’tsjèèh” of “kè-èèhhp”. Het is een langgerekte, bijna licht klagende roep. Als je goed luistert hoor je dat de keep zijn eigen naam roept, dit wordt ook wel een onomatopee genoemd. De roep van de keep is vaak hoorbaar wanneer er grote groepen vinken in de winter overvliegen. Als je de roep dus herkent kun je gemakkelijk bepalen of er ook kepen tussen vliegen.

Roep keep (Xeno Canto – Lars Edenius)

De zang van de keep is veel minder vaak te horen in Nederland. De zang wordt vooral gebruikt in het broedseizoen en omdat kepen dus bijna niet broeden in Nederland is deze dus minder vaak te horen in ons land. Het beste kan de zang worden omschreven als een monotoon “zzziiihh”. Deze is een stuk minder melodieus dan veel andere vinken zoals de zang van de vink of de distelvink. De zang van de keep lijkt daarentegen wel iets op die van de groenling.

Zang keep (Xeno Canto – Ulf Elman)

Gedrag

Kepen zijn actieve en aanwezige zangvogels. Ze zijn vooral van oktober tot en maart in ons land te zien als doortrekkers en als wintergasten. Vooral het wintergedrag van deze vinkachtige is dus te zien in Nederland en in veel mindere mate het broedgedrag.

Een van de belangrijkste kenmerken van het wintergedrag van de keep is dat ze vaak in grote groepen te vinden zijn. Deze groepen bestaan uit veel verschillende soorten zangvogels, waaronder diverse soorten vinkachtigen zoals vinken, groenlingen en distelvinken. Deze groepen kunnen bestaan uit enkele tientallen individuen, maar kunnen ook gemakkelijk oplopen tot enkele honderdtallen, afhankelijk van de hoeveelheid voedsel die beschikbaar is.

De aantallen kepen die in ons land overwinteren is trouwens sterk afhankelijk van de weersomstandigheden en het voedselaanbod in het oorspronkelijke broedgebied: Scaninavië en Rusland. Daarnaast wordt dit bepaald door goede en slechte beukenjaren in de overwinteringsgebieden.

Foerageergedrag

Beukenzaden vormen namelijk een van de belangrijkste voedselbronnen voor de keep. Foerageren doen ze dan vaak op de grond in een bos. Naast beukenzaden worden ook zaden van andere bomen gegeten. Daarnaast zoeken ze ook voedsel op (speciaal ingerichte) akkers, vaak dicht tegen een bos- of natuurgebied aangelegen, waar nog zaden van granen, onkruiden en cultuurgewassen te vinden zijn. Ook voedertafels worden in de winter soms bezocht. Vooral voedertafels in tuinen die gelegen zijn in of tegen een bos aan worden bezocht. Kepen komen hier dan om zich te goed te doen aan zaden zoals zonnebloempitten.

Waarneming uit het veld

Deze grote groep met vinkachtigen zagen we in november op een niet geoogste akker, aan de rand van een natuurgebied. Het was een enorm grote groep van naar schatting 400 zangvogels, bestaande uit vinken, kepen (duidelijk te herkennen aan de witte stuit in vlucht) en distelvinken (putters). Op de akker waren nog volop zaden te vinden van granen, kruiden en cultuurgewassen, waar deze vinkachtigen dankbaar gebruik van maakte. Verderop was een torenvalk aan het jagen (boven dezelfde akker) en niet veel later dook er kort een vrouwtje blauwe kiekendief op. De aanwezigheid van de kiek zorgde voor paniek onder de zangvogels en duiven, maar na een aantal jachtvluchten vertrok de blauwe kiekendief weer. Het in groepsverband zoeken naar voedsel van de vinkachtige betaalde zich hier uit: samen zijn vinkachtigen alerter en beter beschermd tegen jagende roofvogels dan wanneer ze alleen zouden foerageren.

Een groep met verschillende soorten vinken heeft zich verzameld boven een wintervoedselakker. In deze groep vind je vinken, keepen en distelvinken (de Natuur van hier)
Een groep met verschillende soorten vinken heeft zich verzameld boven een wintervoedselakker. In deze groep vind je vinken, keepen en distelvinken (de Natuur van hier)

Leefgebied en verspreiding

Het broedgebied van de keep beslaat het Noordelijk deel van Europa: Scandinavië, en een groot deel van Rusland (Siberië). Broeden doen ze hier vooral in naaldbossen, maar ook gemengde bossen met berken worden gebruikt als broedgebied. In essentie is het dus een noordelijke bosvogel.

Overwinteren doen ze in Midden- en West-Europa, tot zelfs een stukje in Noord-Afrika en Noord-India. Naast dat ze Nederland in Europa gebruiken als overwinteringsgebied, zijn ze ook elders in Europa dan te vinden, bijvoorbeeld in België, Frankrijk en Duitsland. Meestal zijn ze van oktober tot en met maart te zien in het overwinteringsgebied. De verspreiding in het overwinteringsgebied hangt sterk samen met de voedselbeschikbaarheid in het noorden.

Kepen broeden hoofdzakelijk in Noord-Europa, maar als wintergast zijn ze regelmatig in Nederland te zien
Kepen broeden hoofdzakelijk in Noord-Europa, maar als wintergast zijn ze regelmatig in Nederland te zien

In sommige winters kan er zelfs gesproken worden over irruptiejaren of invasiejaren. Er komen dan enorme aantallen kepen, veel meer dan gemiddeld, naar ons land om te overwinteren. Deze irruptiejaren zijn vrijwel altijd gedreven door een zoektocht naar voedsel en meestal is er dan sprake van zeer slechte beukenjaren (een belangrijke voedselbron) in Scandinavië.

Een irruptiejaar of niet: in het overwinteringsgebied komen kepen vooral voor op plekken waar veel voedsel te vinden is. Ze zoeken dan naar zaden in bossen, parken, bosranden, op akkers en in tuinen met voederplaatsen. De aantallen kepen die overwinteren in ons land verschilt sterk per jaar. Op onderstaande kaart van SOVON is de verspreiding van kepen tijdens de PTT (punt transect tellingen) te zien, die worden opgenomen in de winter.

Voedsel

De keep is, net zoals veel andere vinkachtigen, hoofdzakelijk een zaadeter, maar het dieet verschilt wel per seizoen. Tijdens het broedseizoen wordt er (naast zaden) namelijk meer dierlijk voedsel, in de vorm van insecten (rupsen), gegeten. De jongen kunnen dan het eiwitrijke dierlijke voedsel goed gebruiken om te groeien, maar ook de ouders zelf eten insecten.

In de winter eten ze voornamelijk zaden van bomen (onder ander beuken en lariks) en onkruidzaden, maar wordt het menu ook verder aangevuld met bessen. Het belangrijkste voedsel in de winter zijn beukennootjes, wat ook de belangrijkste drijvende krachtis achter het trekgedrag van de kepen. In mastjaren, wanneer er veel beukennootjes zijn, blijven kepen over het algemeen noordelijker overwinteren. In jaren dat er weinig beukennootjes te vinden zijn, is de trek sterker en kunnen we meer kepen in Nederland verwachten. Hierdoor fluctueren aantallen overwinterende kepen in Nederland per jaar dus flink.

Kepen foerageren voornamelijk op de grond en vaak (in de winter) in grote groepen. Het foerageren in grote groepen zorgt ervoor dat ze minder gemakkelijk ten prooi vallen aan predatoren.

Zonnebloemzaden zijn geliefd bij overwinterende kepen
Zonnebloemzaden zijn geliefd bij overwinterende kepen

Kepen in de tuin

Kepen kunnen ook in hun zoektocht naar voedsel tuinen bezoeken. Vooral tuinen die in een bosrijke omgeving liggen zijn in trek bij overwinterende kepen. Omdat ze voornamelijk op de grond foerageren, eten ze aangeboden vogelvoer voornamelijk vanaf een voedertafel of vanaf de grond, maar kepen hangend aan voedersystemen worden desondanks ook wel eens waargenomen. Wil je vogelvoer aanbieden voor kepen, ga dan voor zaden zoals zonnebloempitten. Kies wel altijd voor biologisch vogelvoer, omdat dit vrij is van pesticiden. Dit is milieuvriendelijk geproduceerd en niet giftig voor kepen en andere vogels die erop af komen.

Voortplanting

In principe behoort Nederland niet tot het vaste broedgebied van de keep. Ze broeden hoofdzakelijk in de bossen Scandinavië en Siberië. Desondanks zijn er toch in sommige jaren enkele broedgevallen bekend in Nederland, maar het aantal is minimaal.

Kepen broeden vanaf half mei. Hoe noordelijker ze broeden, hoe later in het seizoen ze beginnen met broeden. Het broeden wordt zo getimed dat het uitkomen van de jongen uitkomt met voldoende aanbod van insecten op dat moment. Meestal hebben kepen één legsel per jaar, bij goede omstandigheden kunnen dit soms twee legsels worden.

Het nest wordt gemaakt in een boom, meestal een spar of een berk. Hier wordt op een beschutte en stevige plek een komvormig nestje gemaakt van takjes, gras, mos en veren. Na 11 tot 13 dagen broeden komen de eieren uit. Beide ouders voeren de jongen (insecten) en na nog eens 11 tot 13 dagen zijn de jongen groot genoeg om het nest te verlaten.

Veelgestelde vragen over de keep

Is de keep zeldzaam in Nederland?

Nee, de keep is niet zeldzaam, maar wel onregelmatig. In sommige winters zijn er weinig te zien, terwijl er in andere jaren plotseling grote aantallen aanwezig zijn. Dit hangt vooral samen met het voedselaanbod in Noord-Europa.

Wanneer zie je de meeste kepen?

De meeste kepen zijn in Nederland aanwezig tussen oktober en maart. In zachte winters of jaren met voldoende voedsel in Scandinavië kunnen de aantallen lager zijn.

Wat is het verschil tussen een keep en een vink?

De keep heeft een opvallend witte buik en een witte stuit, terwijl de Vink een roze buik en groenachtige stuit heeft. Ook klinkt de roep van de keep nasaler en slepender dan die van de vink.

Komt de keep ook in tuinen voor?

Ja, vooral in de winter. De keep bezoekt tuinen waar voedsel beschikbaar is, zoals zonnebloempitten of strooivoer. Meestal foerageert hij op de grond onder voederplaatsen.

Waarom zie je in sommige winters ineens veel kepen?

Dat heeft te maken met zogenaamde irruptiejaren. Wanneer er weinig beukennootjes zijn in het noorden, trekken grote aantallen kepen zuidwaarts op zoek naar voedsel. In zulke winters kunnen ze massaal aanwezig zijn.

Broedt de keep in Nederland?

Nee, de keep broedt niet standaard in Nederland. Het broedgebied ligt in Noord-Europa en Rusland, voornamelijk in uitgestrekte naald- en berkenbossen. Desondanks worden er sommige jaren enkele broedgevallen in Nederland geregistreerd.

Hoe herken je een keep in vlucht?

Let op de opvallend witte stuit en grote witte vleugelvlekken. Vooral wanneer een groep opvliegt, valt het wit sterk op.

Wat eet de keep het liefst?

In de winter eet de keep vooral zaden, met name beukennootjes. Tijdens het broedseizoen bestaat het dieet grotendeels uit insecten.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Goudvink – Herkenning, zachte zang, kenmerken & leefgebied

De goudvink, een rustige a-typische vinkachtige

Een van de onopvallendste vinkachtigen is de goudvink. Niet vanwege zijn verenkleed, want dat is – vooral van het mannetje – juist kleurrijk en opvallend, maar vanwege zijn teruggetrokken levenswijze. Goudvinken zijn stille vogels die zich zelden laten zien. Voor de geduldige natuurliefhebber, die ook het geluid van de goudvink kent, ligt een prachtige waarneming verscholen in het struikgewas. In deze blog lees je alles over deze gedrongen vinkachtige, zodat je hem de volgende keer niet ongemerkt voorbijloopt.

Inhoudsopgave

Kenmerken van de goudvink

De goudvink (Pyrrhula pyrrhula) is een kleurrijke vogel en goed te onderscheiden van de andere vinkachtigen. Het is een middelgrote vink met een gedrongen, ronde bouw en een korte staart. Goudvinken hebben een grote kop en een opvallende dikke, korte snavel. Ze ogen een stuk ´zwaarder´ dan andere vinken.

Ze bereiken een lichaamslengte van 14,5 tot 16 centimeter bereikt en een spanwijdte van 22 tot 29 centimeter. Het gewicht varieert van 21 tot 27 gram.

Het mannetje goudvink heeft een kleurrijk verenkleed
Het mannetje goudvink heeft een kleurrijk verenkleed

Het mannetje is een opvallende verschijning met zijn kleurrijke verenkleed. Ze hebben een oranjerode tot roze borst en buik. De kop en snavel zijn zwart en ze hebben een grijze rug. De vleugels zijn zwart met een opvallende witte vleugelstreep. Verder is de staart ook zwart en hebben ze een witte stuit, die vooral in vlucht goed opvalt. De intensiteit van de kleuren (vooral de oranjerode kleur van de borst) verschilt per individu en wordt bepaald door verschillende factoren (voeding, gezondheid, seizoen, etc.)

Bij goudvinken is er sprake van seksueel dimorfisme: mannetjes en vrouwtjes verschillen qua verenkleed duidelijk van elkaar. Het verenkleed van het vrouwtje is wat rustiger. De borst en buik zijn grijsbeige. Net zoals het mannetje heeft het vrouwtje een zwarte kopkap en zwarte vleugels met witte vleugelstreep en een. Het verenkleed is een stuk minder uitbundig als dat van het mannetje, waardoor vrouwtjes gauw over het hoofd worden gezien.

Bij de goudvink is er sprake van seksuele dimorfisme: man en vrouw hebben een verschillend verenkleed
Bij de goudvink is er sprake van seksueel dimorfisme: man en vrouw hebben een verschillend verenkleed

Adult goudvink vs. juveniel goudvink

Een juveniel goudvink is goed te onderscheiden van een volwassen goudvink. Het belangrijkste verschil is de kleur van de kop: deze is bij juveniele dieren nog niet zwart, maar is nog grijsbruin. De rest van het verenkleed lijkt wel op dat het van een volwassen vrouw goudvink, maar is meer grijsbruin en nog minder contrastrijk. Daarnaast hebben ze wel al de dikke, opvallende snavel.

Juveniele goudvinken zijn goed te herkennen, omdat ze nog geen zwarte kop hebben
Juveniele goudvinken zijn goed te herkennen, omdat ze nog geen zwarte kop hebben

Snavel

Opvallend bij de goudvink is de zeer krachtige, kegelvormige snavel. Bij volwassen vogels is de snavel zwart, bij juveniele dieren is deze meestal nog iets lichter en meer donkerbruin gekleurd. De snavel is perfect aangepast op het voedsel dat ze graag eten: knoppen en zaden van planten. Met behulp van de snavel weten ze zaden met gemak open te kraken en kunnen ze moeiteloos plantenknoppen eten.

Vluchtbeeld

In vlucht vallen vooral de witte vleugelstreep en de witte stuit op. Goudvinken kennen een rustige, golvende vlucht en blijven daarbij vaak opvallend laag tussen struiken en bomen. Ze verplaatsen zich meestal over korte afstanden en verdwijnen na een korte vlucht weer snel in de dekking. Hierdoor wordt de goudvink in vlucht vaak slechts kort waargenomen.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Goudvink
Wetenschappelijke naam Pyrrhula pyrrhula
Kenmerken Gedrongen bouw, dikke snavel, mannetje met roze tot oranjerode borst, zwarte kop
Zang Zachte, melancholische fluittonen; kenmerkende zachte roep “djuu” of “piu”
Habitat Bosrijk gebied; loof-, naald- en gemengd bos, struweelranden, parken en rustige, groene tuinen
Broeden in NL Vrij algemeen
Broedparen 25.000-40.000

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Zang en roep

De goudvink staat niet bekend als een uitbundige zanger. Integendeel: de zang van de goudvink is zacht, ingetogen en past perfect bij zijn teruggetrokken levenswijze. Vaak hoor je een goudvink al voordat je hem ziet, maar zelfs dan blijft het geluid subtiel en gemakkelijk te missen tussen andere natuurgeluiden.

De zang bestaat uit korte, zachte fluittonen met weinig variatie. Het zijn geen lange zangreeksen zoals bij veel andere zangvogels, maar eerder losse tonen die rustig worden herhaald. De zang is vooral in het voorjaar te horen, wanneer het mannetje zijn aanwezigheid kenbaar maakt vanuit een dichte struik of een lage boom. Ook dan blijft de goudvink meestal verborgen in het struikgewas.

Zang goudvink (Xeno Canto – Dominique Guillerme)

Minstens zo kenmerkend als de zang is de roep van de goudvink. Deze roep is een zachte, fluitende toon die vaak wordt omschreven als een kort “djuu” of “piu”. Deze contactroep wordt het hele jaar door gebruikt, zowel door mannetjes als door vrouwtjes, om onderling contact te houden. In de herfst en winter is de roep vaak het enige geluid dat een goudvink verraadt.

Roep goudvink (Xeno Canto – Timo Schnabel)

Voor wie de goudvink wil waarnemen, is luisteren dan ook minstens zo belangrijk als kijken. Door even stil te staan en bewust te luisteren, valt het zachte geluid soms ineens op. Pas daarna volgt vaak een korte, stille waarneming van deze bijzondere vinkachtige, voordat hij weer in de dekking verdwijnt.

Gedrag

Goudvinken zijn rustige vogels, die weinig opvallen. Dit zie je vooral terug in het gedrag. Waar andere vinken, zoals distelvinken en groenlingen, zich met hun uitbundige zang en kleurrijke verenkleed door het landschap bewegen, gedraagt de goudvink zich precies het tegenovergestelde. Met weinig geluid houdt de goudvink zich voornamelijk op in het dichte struikgewas en vliegt onopvallend van struik naar struik, op zoek naar voedsel.

Het voedsel wordt vooral gezocht in de lage tot middelhoge struiklagen. Soms gaan ze wat hoger een boom in om daar op zoek te gaan naar knoppen van bomen of bessen die alleen hier hangen, maar meestal blijven ze bij het voedsel dat ze vinden in de struiken. Ze kunnen lange tijd op één vaste plek zitten te eten, goed verscholen in het groen. In de winter kunnen goudvinken nog wel eens aangetroffen worden op de grond, maar dit zullen ze altijd op een enigszins beschutte plek doen.

Alhoewel ze in het broedseizoen een duidelijk territorium hebben, zijn goudvinken over het algemeen weinig territoriaal en niet agressief of luidruchtig . Buiten het broedseizoen leven ze in paartjes en soms in kleine groepen. Vaak zijn man en vrouw goudvink samen foeragerend te zien. In tegenstelling tot veel andere vinken zijn goudvinken zelden in grote zwermen te zien.

In de winter trekken goudvinken soms in kleine groepjes rond
In de winter trekken goudvinken soms in kleine groepjes rond

Trekgedrag

In het voorjaar zijn goudvinken iets actiever en zichtbaarder dan in de winter. Het zijn in Nederland geen trekvogels, al kunnen ze in de winter wel rondtrekken, op zoek naar voedsel. Wel krijgen we in de winter bezoek van meer noordelijk en oostelijk broedende individuen, al is dit ook beperkt. In sommige jaren kan er sprake zijn van een invasie van de ondersoort de Noordse goudvink (Pyrrhulla pyrrhulla pyrrhulla).

Waarneming uit het veld

Onze eerste goudvinken zagen we niet in Nederland, maar in België. En zoals het eigenlijk hoort bij de goudvink, hoorden wij ze ook eerst voordat we ze zagen. Het was op een koude winterdag tijdens een wandeling in de Ardennen. In het rustige en sobere landschap liepen we via een onverhard pad richting een typisch Ardennenbos. Het pad werd omzoomd door twee houtwallen, met dichte struiken en opgaande bomen.

Opeens hoorden we vanuit het dichte struikgewas een kort en zacht geluid, alsof de vogel die het geluid maakte zich bijna bezwaard voelde te laten horen. Meteen trok dit onze aandacht en wisten we dat we hier met een goudvink te maken hadden.

Na ons een korte tijd verdekt opgesteld te hebben, liet hij zich zien: een prachtig mannetje goudvink. En hij was niet alleen, want vrijwel direct volgde het vrouwtje. Kort lieten ze zich beide zien en gingen zelfs even op het pad zitten. Vrijwel direct verdwenen ze weer in de houtwal en lieten ze zich niet meer horen of zien. Wij vervolgden vol enthousiasme onze weg, een ervaring rijker!

Leefgebied en verspreiding

De goudvink is een bewoner van bossen. Loofbossen, naaldbossen en gemengde bossen kunnen allen een geschikt leefgebied zijn voor de goudvink. Ook zijn ze te vinden in bosranden en in overgangsgebieden naar bos. Een van de belangrijkste eisen die ze stellen aan het leefgebied is dat er voldoende ondergroei en struiken te vinden zijn. In deze struiklaag vinden ze beschutting, voedsel en kunnen ze broeden.

Bossen en landschapselementen met veel ondergroei zijn een geschikt leefgebied voor de goudvink (de Natuur van hier)
Bossen en landschapselementen met veel ondergroei zijn een geschikt leefgebied voor de goudvink (de Natuur van hier)

Daarnaast kun je goudvinken ook tegenkomen in een halfopen landschap met voldoende landschapselementen zoals heggen, houtwallen en struwelen. Het kleinschalig cultuurlandschap kan daarom ook geschikt zijn als leefgebied. Goudvinken houden niet van open, kale gebieden.

Verder zijn goudvinken ook nog aan te trekken in parken en soms in grote tuinen. Ook hier is het belang van voldoende ondergroei en dichte struiken essentieel. Daarnaast is rust een belangrijke factor, zeker bij tuinen is dit het geval. In grote, groene tuinen die in een geschikt leefgebied van de goudvink liggen kunnen (zeker in de winter) met bijvoeren van bijvoorbeeld zonnebloempitten nog weleens goudvinken worden gespot.

Goudvink eet zonnebloempitten in een tuin
Het is geen typische tuinvogel, maar in grote tuinen met voldoende dekking en rust kunnen soms goudvinken gezien worden

Verspreiding in Nederland

In Nederland tref je de goudvink voornamelijk aan in het oosten en zuiden van het land. Op onderstaande kaart van SOVON is dit goed zichtbaar. Dit is goed verklaarbaar omdat dit deel van ons land veel meer bebost is en hier een meer halfopen landschap te vinden is. In het westen en noorden van het land wordt het landschap voornamelijk gedomineerd door open landbouwgebieden en kusstreken, daar voelt de goudvink zich minder thuis. Enige uitzondering hierop zijn de duingebieden, waar meer dekking te vinden is in de vorm van struwelen en duinbossen.

Voedsel

De afgeronde snavel van de goudvink is perfect voor het eten van plantaardig voedsel. Ze eten zaden van verschillende soorten planten en knoppen en bessen van bomen. Het voedsel is bijna volledig plantaardig. Vooral in het voorjaar worden knoppen van bomen gegeten. De knoppen van esdoorns en fruitbomen zoals pruimen en kersen worden graag gegeten. Om deze reden zien fruittelers dan ook liever geen goudvinken in hun boomgaarden verschijnen.

Naast knoppen van bomen worden ook zaden en bessen gegeten. Bessen van meidoorn, liguster, kamperfoelie en andere soorten worden hoofdzakelijk in het najaar gegeten. Zaden lusten ze zowel van bomen (denk aan esdoorn en meidoorn) als van planten zoals distels, brandnetel en paardenbloemen.

Het eten wordt op een typische goudvinken manier verzameld: rustig en goed verscholen in het struikgewas of in de bomen. Vaak zitten ze dan ook redelijk laag bij de grond. Ze laten zich dan ook een stuk minder snel zien bij voedertafels in tuinen dan andere vinkachtigen.

Goudvink eet van paardenbloem
Op het menu van de goudvink staan zaden, bessen en knoppen van planten en bomen

Voortplanting

Goudvinken vormen vaak al in de herfst of in de winter een paar. Tijdens het broedseizoen blijven ze hun partner trouw en zorgen ze samen voor de jongen. Wanneer beide vogels overleven, kunnen paren meerder jaren bij elkaar blijven. Veldonderzoek heeft dit aangetoond. Dit levert de goudvink ook een voordeel op: ze kunnen al vroeg in het voorjaar starten met paren en nestbouw, terwijl veel andere soorten dan nog bezig zijn met paargedrag.

Het broedseizoen van de goudvink loopt over het algemeen van april tot en met juli. In een dichte struik of lage boom wordt goedverscholen een compact nest gebouwd. Vaak wordt het nest niet hoger dan een paar meter van de grond gemaakt. Het vrouwtje maakt het nest van takjes, gras, mos en veertjes.

Meestal hebben goudvinken 2 legsels per jaar, soms 3, dat bestaat uit 4 tot 6 lichtblauw/groenig gekleurde eieren met donkere stippen. Het vrouwtje broedt de eieren uit in meestal 13 tot 14 dagen. Het mannetje voert ondertussen voedsel aan voor het vrouwtje. Als de jongen goudvinken uit het ei zijn gekomen, krijgen ze insecten (eiwitrijk) en zachte plantendelen te eten. Na 16 tot 18 dagen zijn ze groot genoeg om uit te vliegen. Ze worden vervolgens nog 2 a 3 weken bijgevoerd door beide ouders.

Achteruitgang en bedreigingen

De goudvink is in Nederland geen uitgesproken zeldzame soort, maar de populatie kent door de jaren heen wel schommelingen. In sommige regio’s is zelfs sprake van een lichte afname. De goudvink kan lokaal minder worden door verlies van structuurrijke bosranden en heggen, maar er is geen brede landelijke achteruitgang zoals bij sommige andere soorten.

De belangrijkste oorzaak ligt in het verdwijnen van kleinschalige landschapselementen. Houtwallen, struweelranden en dicht begroeide perceelsgrenzen zijn op veel plekken verdwenen. Juist deze structuurrijke overgangen tussen bos en open terrein vormen het ideale leefgebied voor de goudvink. Zonder voldoende dekking en voedselrijke struiken wordt een gebied al snel minder geschikt.

Bij de goudvink is geen uitgesproken sterke landelijke achteruitgang te zien in Nederland (al is sinds 2019 de broedvogeltrend wel licht negatief), maar de beschikbaarheid van geschikte structuurrijke bossen blijft belangrijk voor de soort. In sommige regio’s, zoals Vlaanderen, blijkt de soort wel achteruit te gaan en staat zij op de Rode Lijst.

In Vlaanderen staat de goudvink als  'bijna in gevaar' op de Rode Lijst
In Vlaanderen staat de goudvink als ‘bijna in gevaar’ op de Rode Lijst

Veelgestelde vragen

Is de goudvink zeldzaam in Nederland?

Nee, de goudvink is geen zeldzame vogel, maar wel minder algemeen dan bijvoorbeeld de vink of groenling. In bosrijke gebieden komt hij vrij regelmatig voor, terwijl hij in open landbouwgebieden minder vaak wordt gezien. In Vlaanderen staat de goudvink wel op de Rode Lijst.

Wanneer kun je de goudvink het beste zien?

Goudvinken zijn het hele jaar aanwezig, maar in de winter zijn ze vaak iets zichtbaarder. Dan foerageren ze in kleine groepjes en zoeken ze soms parken of rustige tuinen op.

Waarom zie je goudvinken zo weinig?

Goudvinken leven teruggetrokken en houden zich graag schuil in dicht struikgewas. Vaak hoor je ze eerst – hun zachte, fluitende roep – voordat je ze daadwerkelijk ziet.

Wat eet een goudvink?

Goudvinken eten vooral knoppen van bomen en struiken, zaden en soms bessen. In het voorjaar kunnen ze knoppen van fruitbomen eten, wat hen vroeger minder populair maakte bij fruittelers.

Is de goudvink een trekvogel?

In Nederland is de goudvink voornamelijk een standvogel. Wel kunnen vogels uit noordelijker gebieden in de winter zuidwaarts trekken, waardoor het aantal goudvinken tijdelijk kan toenemen.

Zijn goudvinken monogaam?

Ja, goudvinken vormen meestal een vaste paarband. Vaak blijven koppels meerdere seizoenen bij elkaar en trekken ze ook buiten het broedseizoen samen op.

Komt de goudvink in tuinen voor?

Alleen in rustige, groene tuinen met voldoende struiken en beschutting. In dichtbebouwde of sterk opgeruimde tuinen is de kans klein dat je een goudvink ziet.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Groenling – Herkenning, zang, kenmerken & leefgebied

De kleurrijke vinkachtige de groenling

Als je denkt aan opvallende vogels in het Nederlandse landschap, denk je al snel aan de groenling. Deze opvallende vinkachtige kleurt tuinen en het landschap met zijn verenkleed in tinten groen en geel. In deze blog duiken we in de wereld van de groenling en bespreken we zijn kenmerken, zang en leefgebied. Ook ontdek je wat de groenling graag eet en hoe je deze naar je tuin kunt lokken. Lees verder en ontdek alles over deze bijzondere vogel!

Inhoudsopgave

Kenmerken van de groenling

De groenling (Chloris chloris) is een opvallende verschijning en goed te onderscheiden van de andere vinkachtigen. Groenlingen bereiken een lichaamslengte van 14,5 tot 16 centimeter en hebben een spanwijdte van 25 tot 27 centimeter. Het gewicht van volwassen groenlingen ligt meestal tussen de 25 en 35 gram.

De groenling, vooral het mannetje, is een opvallende verschijning met een verenkleed dat bestaat uit verschillende tinten groen en gele delen op de handpennen en staart.
De groenling, vooral het mannetje, is een opvallende verschijning met een verenkleed dat bestaat uit verschillende tinten groen en gele delen op de handpennen en staart.

Vooral het mannetje valt op door zijn verenkleed, dat bestaat uit verschillende tinten groen met opvallende gele delen. De randen van de handpennen zijn helder geel, net als de buitenste staartpennen. Deze gele accenten maken de groenling, zeker in vlucht, goed herkenbaar.

Het vrouwtje is minder bont gekleurd en heeft een meer bruingrijs verenkleed. Ook bij het vrouwtje zijn gele delen op de vleugels en staart zichtbaar, maar deze zijn duidelijk minder fel dan bij het mannetje.

Vluchtbeeld

In vlucht zijn groenlingen goed te herkennen aan de gele vleugelstrepen en het geel in de staart. Daarnaast hebben ze een kenmerkende golvende vlucht wanneer ze zich door het landschap verplaatsen.

Adult groenling vs. juveniel groenling

Juveniele groenlingen lijken qua verenkleed enigszins op het vrouwtje, maar zijn over het algemeen grijzer van kleur. Ze hebben bovendien een duidelijk gestreept verenkleed, wat vooral zichtbaar is aan de onderzijde. De snavel is bij juveniele vogels donkerder en nog niet zo krachtig en kegelvormig als bij volwassen groenlingen.

Snavel

De groenling heeft een krachtige, kegelvormige snavel, die uitstekend geschikt is voor het eten van harde zaden. Mannetjes hebben vaak een bleke, hoornkleurige snavel, die extra goed opvalt door het groene verenkleed. Bij vrouwtjes is de snavel doorgaans iets donkerder en minder opvallend, doordat deze minder contrasteert met het verenkleed. Juveniele dieren hebben een duidelijk donkerdere snavel, grijsbruine snavel.

Groenlingen hebben een stevige snavel, waarmee ze harde zaden gemakkelijk kunnen kraken (de Natuur van hier)
Groenlingen hebben een stevige snavel, waarmee ze harde zaden gemakkelijk kunnen kraken (de Natuur van hier)

De kleur van de snavel kan echter variëren per individu en per seizoen. Het is daarom geen sluitend determinatiekenmerk. maar wel een nuttige aanwijzing in combinatie met andere kenmerken.

Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Groenling
Wetenschappelijke naam Chloris chloris
Kenmerken Geelgroen verenkleed, zware snavel, geel in vleugel/staart
Zang Zware, nasale roep “tsjriep”; zang rollend en nasaler
Habitat Halfopen landschap; bosranden, bos met open plek, nabij stedelijke omgeving
Broeden in NL Zeer talrijk
Broedparen 58,000-90,000

Op zoek naar een ander soort uit de vinkenfamilie? Kijk dan eens op de overzichtspagina van de vinken, hier vind je alle soorten vinken die in Nederland voorkomen!

Zang en roep

De zang van de groenling is minder melodieus dan die van andere vinkachtigen, maar daardoor juist goed herkenbaar. Het is een raspend en schurend geluid, dat vaak wat metaalachtig aandoet. De zang bestaat uit rollende, trillende tonen die worden afgewisseld met korte fluittonen. Mannetjes kunnen deze langere tijd volhouden, vaak vanaf een hoge zangpost zoals een boomtop, struik of dakrand.

Wie de zang eenmaal kent, herkent de groenling snel. De klank kan op het eerste gehoor wat monotoon lijken, maar is zeer kenmerkend en onderscheidt zich duidelijk van de meer melodieuze zang van bijvoorbeeld de vink of distelvink.

Zang groenling (Xeno Canto – Jack Berteau)

Naast de zang laat de groenling regelmatig een korte roep horen. Deze roep klinkt scherp en wordt vaak omschreven als een “dzjèè” of “dju”. Je hoort deze roep vooral wanneer groenlingen in groepjes rondvliegen, bij contact tussen soortgenoten of bij lichte onrust.

Roep Groenling (Xeno Canto – Jordi Calvet)

De zangperiode van de groenling begint meestal al in februari en bereikt een piek in het voorjaar, van maart tot en met mei. Vooral in de vroege ochtend laten mannetjes zich dan horen. Ook buiten het broedseizoen kun je soms zang horen, maar dan minder frequent en intens.

Groenlingen zingen vaak vanaf een hoge zangpost
Groenlingen zingen vaak vanaf een hoge zangpost

Gedrag

Groenlingen zijn actieve vogels die hun voedsel zowel op de grond als laag in de vegetatie zoeken. Ze eten voornamelijk zaden, knoppen, bessen en jonge plantendelen en zijn daarbij vaak alert, maar niet bijzonder schuw. In groene tuinen, parken en halfopen landschap laten ze zich dan ook vaak goed bekijken.

Tijdens de broedperiode vertonen mannetjes territoriaal gedrag. Ze verdedigen hun territorium vooral door middel van zang, waarmee ze zowel soortgenoten op afstand houden als vrouwtjes proberen aan te trekken. Ook visueel laten mannetjes groenlingen zich zien: met wijd gespreide vleugels en staart blijven ze in de lucht hangen, waarbij het felle geel op vleugels en staart extra opvalt. Dit gedrag dient zowel om rivalen te imponeren als om vrouwtjes aan te trekken.

Buiten het broedseizoen verandert het gedrag duidelijk. Groenlingen trekken dan vaker in kleine groepen rond, soms samen met andere vinkachtigen en mezen. Dit gedrag zie je vooral in de winter, wanneer voedselplekken gedeeld worden en de korte, scherpe roepjes helpen om contact te houden binnen de groep.

Groenlingen maken dankbaar gebruik van aangeboden vogelvoer in tuinen
Groenlingen maken dankbaar gebruik van aangeboden vogelvoer in tuinen

Bij de voedertafel zijn groenlingen soms vaste gasten. Ze komen graag af op zaden zoals zwarte zonnebloempitten en kunnen richting kleinere vogels soms dominant zijn. Het gezamenlijk foerageren bij voedertafels maakt de groenling voor veel mensen een herkenbare en opvallende tuinvogel.

Waarneming uit het veld

Als wij aan groenlingen denken, dan denken we automatisch aan het voorjaar. Tijdens een van de eerste zonnige lentedagen, wanneer we door het ruige, halfopen landschap van de Grensmaas struinen, is het vaak een kwestie van tijd voordat de kenmerkende zang van een groenling klinkt. Hoog in een rozenstruik of meidoorn zit dan een mannetje te zingen, zichtbaar aanwezig en duidelijk bezig zich te tonen aan de vrouwtjes.

Wie vervolgens even onopvallend plaatsneemt achter een struik of boom, hoeft meestal niet lang te wachten. De groenling laat zich zien en toont zijn groene verenkleed, waarbij het geel op vleugels en staart extra opvalt. Op zo’n moment weet je: het voorjaar is echt begonnen!

Het halfopen landschap van de Grensmaas is een uitstekend leefgebied voor de groenling. Hier vinden ze dekking en voldoende voedsel en hebben ze tal van broedmogelijkheden (de Natuur van hier)
Het halfopen landschap van de Grensmaas is een uitstekend leefgebied voor de groenling. Hier vinden ze voldoende dekking. voedsel en talloze mogelijkheden om te broeden – precies wat de soort nodig heeft om zich thuis te voelen (de Natuur van hier)

Leefgebied en verspreiding in Nederland & België

Groenlingen houden van een halfopen landschap, waarin een mozaïek van struiken, bomen en open plekken te vinden is. Voorbeelden van geschikte leefgebieden zijn dorpsranden, groene tuinen, parken, houtwallen, rivierlandschappen en overgangszones naar bos (met een halfopen karakter).

De groenling is wijdverspreid, zowel in Nederland als in België. Regionaal is de groenling minder te vinden in het open agrarisch gebied waar geen structuur te vinden is. Op onderstaande kaart van SOVON is de verspreiding van de groenling duidelijk te zien.

In Nederland is de groenling overwegend een standvogel. In de winter vormen ze echter wel groepen en trekken ze gezamenlijk door het landschap. Sommige individuen trekken (vooral bij strengere winters) iets zuidelijker, meestal tot in Frankrijk, maar veruit de meeste blijven in ons land. in de winter krijgen we in Nederland wel bezoek van Scandinavische groenlingen, die hier overwinteren.

Leefgebied door het jaar heen

In het voorjaar en in de zomer broeden groenlingen in een struik of boom en leven dan meer in paarverband of leven dan in kleine groepjes. Gedurende het najaar en de winter zijn ze meer op voedsel vinden gericht en vormen ze grote groepen. In deze periode zoeken ze ook gezamenlijk naar voedsel op akkers of komen ze in tuinen om voedertafels te bezoeken.

Groenling in cultuurlandschap en tuinen

Aan de ene kant profiteren groenlingen van het door de mens gecreëerde landschap, maar aan de andere kant heeft het ook een negatief effect op ze. De aanleg van groene tuinen en parken heeft een positieve werking op de groenling, omdat ze hier een geschikt leefgebied vinden, waarin ze kunnen broeden en voedsel en beschutting vinden.

Daarnaast zijn ze ook kwetsbaar voor het menselijk landschap. Denk dan vooral aan de monoculturen in de landbouw, waar groenlingen simpelweg te weinig voedsel en structuur (zoals struiken en bomen) vinden. Daarnaast kunnen voederplaatsen in tuinen en parken een bron zijn van ziekteoverdracht. Het is dus belangrijk om deze altijd goed schoon te houden. Verderop in de blog vertellen we hier nog meer over.

Voedsel

De groenling is een echte zaadeter. Ze eten hoofdzakelijk zaden van kruiden en grassen. Ze zijn daarom ook vaak te vinden op plekken met ruigtes en veel zaaddragende planten. Onder andere zaden van paardenbloem, distels, weegbree en grassen worden gegeten. In het voorjaar en in de zomer worden daarnaast ook jonge plantendelen gegeten en worden er ook insecten gevangen in de broedtijd (voor de jongen). In het najaar en in de winter worden hoofdzakelijk zaden gegeten, maar ook in kleine hoeveelheden bessen. Zo komen groenlingen af op de rozenbottels in tuinen, hagen en bosschages.

Groenlingen zijn, zeker in de winter, ook graag geziene tuingasten. Ze struinen in groepjes dan de groene tuinen af en bezoeken dankbaar de voedertafels. Vooral zaden zoals zonnebloempitten zijn geliefd bij groenlingen, maar ook kwalitatief goede voedermengsels met veel oliehoudende zaden vallen in de smaak. Voer wel altijd biologisch vogelvoer, zo weet je zeker dat het niet giftig is voor de groenlingen en andere vogels die er op af komen.

Vooral in de winter komen groenlingen in groepjes af op voedertafels
Vooral in de winter komen groenlingen in groepjes af op voedertafels

Ze eten echter niet alles wat in de tuin wordt aangeboden. Vetbollen met weinig zaden laten ze links liggen en ook stukjes brood worden niet gegeten. Het zijn ook zeker geen typische insecteneters zoals bijvoorbeeld mezen dat (grotendeels) wel zijn.

Voortplanting

De broedperiode van groenlingen loopt van eind maart tot augustus. In het vroege voorjaar laten mannetjes hun baltszang veelvuldig horen, vaak vanuit een hoge zangpost zoals een struik of boom. Daarnaast toont het mannetje zijn prachtig gekleurde verenkleed aan het vrouwtje. Op basis van de zang en het gedrag van het mannetje kiest het vrouwtje een partner.

In een dichte struik of boom (bijvoorbeeld een hulst, meidoorn of conifeer) wordt goed verscholen een komvormig nestje gemaakt van takjes, grasjes, veertjes en mos. Het nest wordt gemaakt door het vrouwtje, terwijl het mannetje aandachtig de omgeving in de gaten houdt.

Meestal hebben groenlingen in een seizoen 2 legsels, soms (bij goede omstandigheden) 3. Er worden per legsel 4 tot 5 lichtblauwe tot witte eieren gelegd. Deze worden, hoofdzakelijk door het vrouwtje in 11 tot 14 dagen uitgebroed. Zodra de jongen uit het ei komen, zijn ze volledig afhankelijk van de ouders (het zijn nestblijvers en ze zijn kaal en blind bij de geboorte). Beide ouders zorgen voor voedsel voor de kleine groenlingen. Ze krijgen zachte zaden en insecten te eten. Na 13 tot 15 dagen vliegen de jongen uit. Ze worden dan nog een tijdje bijgevoerd door de ouders.

Groenlingen broeden graag in dichte struiken of bomen, zoals coniferen
Groenlingen broeden graag in dichte struiken of bomen, zoals coniferen

Achteruitgang van de groenling

De groenling was lange tijd een algemene en vertrouwde verschijning in het Nederlandse landschap en in tuinen. Sinds het begin van deze eeuw is daar echter verandering in gekomen. Vanaf ongeveer 2007 is er sprake van een sterke achteruitgang van de populatie, waarbij lokaal zelfs complete verdwijningen zijn waargenomen. De belangrijkste oorzaak hiervan is een infectieziekte die vooral groenlingen zwaar treft: trichomoniasis, ook wel bekend als geelknobbelziekte.

Deze ziekte wordt veroorzaakt door de eencellige parasiet Trichomonas gallinae, die het slijmvlies van de keel en slokdarm aantast. Besmette vogels krijgen moeite met slikken, vermageren snel en sterven vaak binnen korte tijd. Groenlingen zijn extra kwetsbaar doordat zijn van nature sociaal zijn en zich graag in groepjes ophouden, vooral bij voedselbronnen. Hierdoor kan de ziekte zich snel verspreiden, met name op plekken waar veel vogels samenkomen, zoals voedertafels en drinkplaatsen.

Het is belangrijk om te benadrukken dat het bijvoeren van vogels niet de oorzaak van de ziekte is, maar wel kan bijdragen aan de verspreiding ervan wanneer de hygiëne wordt verwaarloosd. Besmetting vindt plaats via speeksel en voedselresten, waardoor slecht schoongemaakte voedersilo’s en waterbakken een rol kunnen spelen. Ook in de natuur zelf kan de ziekte worden overgedragen, bijvoorbeeld bij natuurlijke voedselplekken of drinkpoelen.

Naast ziekte spelen mogelijk ook andere factoren een rol in de achteruitgang van de groenling, zoals verandering in het landschap en afname van zaaddragende kruiden. Toch wordt trichomoniasis gezien als de belangrijkste en meest actuele bedreiging voor de soort. Inmiddels lijkt de populatie zich voorzichtig te stabiliseren, maar het niveau van vóór 2007 is nog lang niet bereikt.

De groenling laat hiermee zien hoe kwetsbaar zelfs algemene vogelsoorten kunnen zijn wanneer ziekte en menselijk gebruik van het landschap samenkomen.

Wat kun je doen om de groenling te helpen?

Om de groenling te helpen kun je een aantal maatregelen nemen in je tuin. Uiteraard kun je in de herfst en in de winter bijvoeren, maar kies dan wel het juiste voedsel. Ga altijd voor biologisch voedsel omdat dit niet schadelijk is voor de leefomgeving én voor groenlingen. Laat goedkoop voer liever staan, dit is vaak van mindere kwaliteit en zit vaak vol met bestrijdingsmiddelen.

Net zo belangrijk is de hygiëne op de voederplekken en bij de drinkplaatsen, om te voorkomen dat de geelknobbelziekte zich onder de vogels verspreid. Maak daarom met regelmaat voederplekken, voedersilo’s, etc. grondig schoon. Ververs ook dagelijks het drinkwater. En als je een zieke vogel ziet: stop dan tijdelijk met bijvoeren zodat de ziekte zich (minder snel) verspreid.

Je tuin inrichten voor de groenling

Kijk ook eens kritisch naar de inrichting van je tuin, hier is vast ook nog wel wat verbetering aan te brengen voor de groenling en voor andere vogels. Laat bijvoorbeeld op een of meerdere plekjes wat rommelige hoekjes ontstaan en laat het hier verruigen. Laat zaaddragend planten zoals distels en paardenbloem staan. En als je gras hebt, maai dan niet alles in één keer.

Zorg daarnaast voor beschutting in je tuin. Groenlingen maken geen gebruik van nestkasten, maar wel van dichte bomen en struiken. Plant je tuin dus aan met inheemse struiken, bomen en klimplanten. Ook een inheemse, gemengde haag kan zeer interessant zijn voor groenlingen. Wij hebben bijvoorbeeld in onze natuurtuin veel klimop, sleedoorn, gele kornoelje en diverse rozen. Daarnaast is de hele tuin omzoomd door een brede gemengde haag. We zien hier dagelijks veel vogelsoorten (waaronder de groenling) gebruik van maken. Rust en beschutting is enorm belangrijk voor groenlingen.

Gebruik tot slot geen bestrijdingsmiddelen. Dit is giftig voor insecten en andere dieren die leven in je tuin. Ook vogels hebben last van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Laat deze middelen dus weg en geniet van de rijke biodiversiteit in je tuin! Dan volgen de groenlingen vanzelf.

De aanplant van inheemse struiken in tuinen kan de groenling helpen
De aanplant van inheemse struiken in tuinen kan de groenling helpen

Veelgestelde vragen

Hoe herken je de groenling?

De groenling is een middelgrote vink met een stevig, groen verenkleed. Mannetjes zijn opvallender gekleurd dan vrouwtjes en hebben felgele randen aan de vleugels en staart. In vlucht vallen vooral deze gele accenten en de golvende vlucht op. De krachtige, kegelvormige snavel is aangepast aan het eten van zaden.

Wat is het verschil tussen een mannetje en vrouwtje groenling?

Het mannetje groenling is helderder groen gekleurd en heeft duidelijker gele delen op vleugels en staart. Het vrouwtje is meer bruingrijs en minder contrastrijk. Ook is de snavel van het mannetje vaak iets bleker dan die van het vrouwtje, al is dit geen betrouwbaar determinatiekenmerk.

Waar leeft de groenling?

Groenlingen leven in halfopen landschappen met struiken, hagen en bomen. Ze komen voor in tuinen, parken, landbouwgebieden en natuurgebieden met ruigte. In Nederland is de groenling een standvogel, wat betekent dat hij het hele jaar door te zien is.

Wat eet een groenling?

De groenling eet vooral zaden van kruiden, grassen en bomen. Favorieten zijn onder andere zonnebloempitten, distelzaden en hennepzaad. Tijdens het broedseizoen eten groenlingen ook kleine insecten, vooral om hun jongen te voeren.

Waarom is de groenling achteruit gegaan?

Sinds het begin van deze eeuw is de groenling sterk in aantal afgenomen, vooral door de geelknobbelziekte (trichomoniasis). Deze ziekte verspreidt zich snel op plekken waar veel vogels samenkomen, zoals bij voedertafels. Slechte hygiëne kan de verspreiding versnellen.

Gebruikt de groenling een nestkast?

Nee, groenlingen maken geen gebruik van nestkasten. Ze bouwen hun nest liever in dichte struiken, hagen of klimop. Rust, beschutting en een natuurlijke tuin zijn belangrijker voor de groenling dan kunstmatige nestgelegenheid.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Vink – Herkenning, zang, kenmerken & leefgebied

De vink is een van de algemeenste vogels van ons land en daardoor vergeten we soms hoe wonderschoon ze zijn (de Natuur van hier)

De eerste vink die je hoort in februari, terwijl de lucht nog koud is, is het teken dat de lente voor de deur staat. Dit kleine, compacte en kenmerkende zangvogeltje is een typisch beeld voor veel Nederlanders. Het is dan ook de meeste geziene vinkachtige van Nederland. In deze blog verdiepen we ons in de herkenning, de zang en gedrag van deze vrolijke vogels. Daarnaast vind je verderop in de blog een handige kenmerkentabel. Kortom: je komt alles te weten over de vink. Dus de volgende keer dat je een vogel ziet en je blik valt op de witte vleugelstrepen, dan weet je: dit is een vink.

Omslagfoto: de Natuur van hier

Inhoudsopgave

Kenmerken van de vink

We beginnen met het beschrijven van de vink (vogel), ook wel bekend als botvink, bokvink of boekvink. De wetenschappelijke naam van de vink is Fringilla coelebs. De vink is de meest algemene vinkachtige in Nederland. Vooral het mannetje is een opvallende verschijning, zowel qua verenkleed als geluid. Vinken bereiken een lichaamslengte van ongeveer 15 centimeter en een spanwijdte van 25 tot 28 centimeter. Volwassen vogels wegen zo’n 21 gram.

De witte vleugelstrepen zijn een van de opvallendste kenmerken van vinken (de Natuur van hier)
De witte vleugelstrepen zijn een van de opvallendste kenmerken van vinken (de Natuur van hier)

Snavel

Opvallend bij de vink (en vele andere vinkensoorten) is de korte, dikke en kegelvormige snavel. Deze krachtige snavel gebruiken ze om zaden open te breken, die boordevol zitten met eiwitten, vetten, vezels en mineralen. De snavel is grijs van kleur en hoewel deze gemaakt is om zaden open te breken, is deze tijdens de broedperiode ook verrassend handig voor insecten.

Vinken hebben net zoals andere in de familie een grote, stevige snavel (de Natuur van hier)
Vinken hebben net zoals andere in de familie een grote, stevige snavel (de Natuur van hier)

Verenkleed man

Vooral de mannetjes van de vinken zijn een opvallende verschijning. Net zoals bij veel andere vinkensoorten is er bij de vink ook sprake van seksuele dimorfisme: mannetjes en vrouwtjes van dezelfde soort verschillen duidelijk van elkaar in verenkleed. Het mannetje vink herken je onder andere aan het blauw-grijsachtige petje en oranje borst en wangen. In het voorjaar, tijdens de broedperiode, is het blauwgrijze petje feller dan de rest van het jaar. Ze hebben daarnaast zwarte staartveren, behalve de opvallende buitenste staartpen, deze is wit. De rest van het lichaam is overwegend bruin gekleurd.

Verenkleed vrouw

Het vrouwtje vink ziet er dus anders uit dan het mannetje vink. Vinkenvrouwtjes hebben een veel bruiner en opvallender verenkleed dan het mannetje vink. Het belangrijkste kenmerk om een vrouwtjesvink te herkennen zijn de twee witte vleugelstrepen. Hiermee zijn ze goed te onderscheiden van andere bruine vogels. De onderzijde van het verenkleed is grijsbruin gekleurd, de bovenzijde is donkerder, meer olijfgroen van kleur.

Het vrouwtje vink heeft een duidelijk ander verenkleed dan mannetje vink (de Natuur van hier)
Het vrouwtje vink heeft een duidelijk ander verenkleed dan mannetje vink (de Natuur van hier)

Adult vink vs. juveniel vink

Ook tussen juveniele vinken en adulte vinken zijn er duidelijke verschillen op te merken. Zo is er een duidelijk kleurenverschil in verenkleed. Volwassen dieren zijn veel helderder en contrastrijker gekleurd. Jonge dieren hebben vaak een vaal en gestreept verenkleed, waardoor ze minder opvallen en minder gauw gezien worden door predatoren.

Daarnaast ontbreekt bij juveniele vinken de kop- en borsttekening en zijn de kenmerkende vleugelstrepen valer. Ook de snavel is bleker van kleur. Een jonge vink is daarnaast te herkennen aan het gedrag: bedelen (snel en kort met de vleugels slaan) bij de ouders om voedsel. In de overgang naar het eerste winterkleed kunnen jonge dieren sterk op vrouwtjes lijken, omdat ze dan al een deel van het volwassen kleed ontwikkeld hebben.

Vluchtbeeld

Ook in vlucht zijn er een aantal kenmerken waarop je vinken gemakkelijk kunt herkennen. Zo vallen vooral de witte vleugelstrepen in vlucht op. Daarnaast zijn de buitenste staartpennen ook wit, de rest van de staartveren zijn zwart. Door deze twee duidelijke kenmerken zie je een vink al van ver aankomen.

In onderstaande tabel vind je de belangrijkste kenmerken van de vink overzichtelijk bij elkaar.


Logo De Natuur van hier
Nederlandse naam Vink
Wetenschappelijke naam Fringilla coelebs
Kenmerken Mannetje roodbruine borst en blauwgrijze kop, wit in vleugels; vrouwtje grijzer/bruiner
Zang Korte, felle “pink pink” roep; zang met vaste slottriller (vinkenslag)
Habitat Groene gebieden met beschutte plekken en voedsel
Broeden in NL Uiterst talrijk
Broedparen 400,000-500,000

Zang en roep

Naast het verenkleed zijn vinken (en vogels in het algemeen) natuurlijk ook te herkennen op zang en geluid. De zang van de vink is het beste te omschrijven als een zachte, energieke en aflopende strofe. De zang eindigt vrijwel altijd met de typische vinkenslag. Meestal begint de zang met een aantal snelle, rollende tonen dat vervolgens afloopt in toonhoogte. De zang eindigt met een fel en ritmisch trillertje. De zang is meestal al vanaf half februari te horen en gaat vaak door tot in juni.

Vink zang (Xeno Canto – Mannuel Grosselet)

De meest gebruikte roep van de vink klinkt als een metaalachtig “pink!”. De roep van de vink is vaak te horen vanuit een struik of boom in een tuin of park, of in de bosranden. In vlucht heeft de vink een iets andere roep, deze is zachter en klinkt meer als “tsjip”. Tijdens vlucht kunnen ze op deze manier met elkaar blijven communiceren. Wil je meer vogelgeluiden leren herkennen van algemene tuinvogels? Lees (en luister) dan deze blog!

Vink roep (Xeno Canto – Mannuel Grosselet)

Gedrag

Vinken zijn levendige en aanwezige zangvogels. Vanaf half februari zingt het mannetje volop, waarmee deze zijn territorium verdedigt. Andere mannetjes die in het territorium van een zingend mannetje terecht komen weten op deze manier dat dit territorium al bezet is. Als het tweede mannetje niet meteen zal vertrekken na het horen van de zang, dan schuwt het eerste mannetje niet om het tweede mannetje actief te verjagen.

Paargedrag en nestbouw

Met de typische zang probeert het mannetje het vrouwtje te verleiden. Daarnaast gebruikt hij zijn opvallende rode/oranje borst om het vrouwtje te verleiden. Door deze op te zetten laat het mannetje aan het vrouwtje zien hoe sterk en gezond hij is. Door subtiele lichaamstaal weet het mannetje of het vrouwtje bereid is om te paren (lees hier hoe vogels paren).

Het vrouwtje bouwt hoofdzakelijk het nest. Ze maakt een komvormig nestje met behulp van gras, kleine takjes, mos, haren van zoogdieren en veren van andere vogels. Het nest wordt gemaakt in een dichte struik of boom. Dit is ook de plek waar vinken een veilig plekje vinden om te slapen.

Vinken foerageren graag op de grond (de Natuur van hier)
Vinken foerageren graag op de grond (de Natuur van hier)

Foerageergedrag en voedselkeuze

Vinken foerageren veel op de grond. Hier zoeken ze, al hippend op en neer, naar zaden van planten, struiken en bomen en in tuinen naar vogelvoer. In het voorjaar eten vinken meer insecten, deze bevatten veel eiwitten en zijn daarom dus een goede energiebron voor de jongen. Ook kunnen de ouders zelf in deze drukke tijd de eiwitten goed gebruiken. In de winter eten ze vooral knoppen en zaden van planten, struiken en bomen. In tuinen komen vinken af op vogelvoer zoals zonnepitten en gemengd strooivoer.

In de winter laten vinken hun territorium los en zoeken ze elkaar op. Ze vormen dan samen met andere vinkachtigen (zoals groenlingen, sijzen, kepen en distelvinken) grote groepen. Gezamenlijk zoeken ze dan naar voedsel op akkers. Hier zijn vaak nog oogstresten te vinden, of foerageren ze op speciaal ingerichte akker (met overstaande zaden en zaadvormende kruiden). Ook in bosranden, houtwallen, parken en groene tuinen wordt gezamenlijk naar voedsel gezocht.

Het samentrekken in groepen doen vinken om verschillende redenen. In groepen zijn ze minder kwetsbaar voor roofvogels zoals kiekendieven. Ze kunnen daarnaast sneller voedsel vinden en verspillen minder energie tijdens het vinden van voedsel, doordat ze samen rusten en opvliegen.

Buiten het broedseizoen leven vinken vaak in grote gropen, vaak met andere soorten zoals distelvinken en keepen
Buiten het broedseizoen leven vinken in grote groepen, vaak met andere soorten zoals distelvinken en kepen (de Natuur van hier)

Waarneming uit het veld

Deze grote groep met vinken zagen we in november op een niet geoogste akker, aan de rand van een natuurgebied. Het was een enorm grote groep van naar schatting 400 zangvogels, bestaande uit vinken, kepen en distelvinken (putters). Op de akker waren nog volop zaden te vinden van granen, kruiden en cultuurgewassen, waar deze vinkachtigen dankbaar gebruik van maakte. Verderop was een torenvalk aan het jagen (boven dezelfde akker) en niet veel later dook er kort een vrouwtje blauwe kiekendief op. De aanwezigheid van de kiek zorgde voor paniek onder de zangvogels en duiven, maar na een aantal jachtvluchten vertrok de blauwe kiekendief weer. Het in groepsverband zoeken naar voedsel van de vinkachtige betaalde zich hier uit: samen zijn vinkachtigen alerter en beter beschermd tegen jagende roofvogels dan wanneer ze alleen zouden foerageren.

Leefgebied en verspreiding

De vink is in Nederland een zeer algemene broedvogel. Ze komen voor in veel verschillende leefgebieden. De belangrijkste voorwaarden zijn dat er veel bomen en struiken zijn en er voldoende voedsel te vinden is. Voorbeelden van leefgebieden zijn tuinen, parken en bosranden.

Typische leefgebieden

Vinken leven dus in gebieden waar veel groen te vinden is. Veel mensen kennen de vink als tuinvogel. Belangrijke eis om een vink in je tuin te zien is wel dat dit een groene tuin is met veel struiken en het liefst ook één of meerdere bomen (lees hier hoe je een boom aanplant en hier vind je meer tips voor inheemse struiken).

Naast tuinen vind je vinken ook in parken en op landgoederen waar vaak veel oude bomen te vinden zijn. Verder houden vinken zich ook op in bossen en bosranden. Dit gaat dan hoofdzakelijk om loof- en gemengde bossen. Ook zijn vinken (soms) in het agrarisch landschap te vinden. Een vereiste is dan wel dat er voldoende houtwallen, (struweel)hagen en bomen te vinden zijn.

Tot slot zijn vinken ook in overgangszones te vinden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan overgang van bosrand naar het open veld of van park naar grasland. Vaak is in deze overgangszones het meeste voedsel te vinden en is er voldoende dekking.

Regionale verspreiding binnen Nederland

De vink is zeer talrijk in Nederland, maar er zijn wel duidelijke regionale verschillen zichtbaar. Zo is de vink algemener in het oosten van ons land en is deze duidelijk minder aanwezig in de open polders en verstedelijkte omgevingen met te weinig groen. Op onderstaande kaart van SOVON is de verspreiding in Nederland goed zichtbaar.

Seizoensverschillen in leefgebied

Het leefgebied van de vink is daarnaast ook seizoensafhankelijk. In het voorjaar en de zomer zijn vinken territoriaal en verdedigen ze hun eigen plekje in een bosrand, park of tuin. In het najaar laten ze het territorium (tijdelijk) los en houden ze zich steeds meer op in grotere groepen met soortgenoten en andere vinkachtigen. Gezamenlijk zoeken ze dan naar voedsel in open terreinen, akkers en ruigtes.

Europese verspreiding

In Europa is de vink ook goed vertegenwoordigd. De vink komt voor in grote delen van West-Europa en tot ver in Oost-Europa. Vinken die in Noord-Europa broeden trekken in de winter (deels) naar het zuiden. Soorten die zuidelijker broeden zijn over het algemeen standvogels.

Habitatseisen

Samenvattend kunnen we dus stellen dat er een aantal habitatseisen zijn waaraan het leefgebied van een vink moet voloden:

  • De aanwezigheid van voldoende bomen en struiken: om te gebruiken als zangpost, beschutting en om een nest in te maken.
  • Voldoende open plekken: om te kunnen foerageren, vinken foerageren vaak op de grond.
  • Rustige plekken: tijdens het broedseizoen.

Als een tuin of gebied aan deze voorwaarden voldoet dan is de kans groot dat een vink zich er zal vestigen. Op deze manier kunnen vinken dus ook profiteren van het menselijk landschap, wanneer tuinen groen worden ingericht en er in steden voldoende parken en landgoederen te vinden zijn. Ook de aanleg van landschapselementen zoals gemengde hagen kan hier een positieve bijdrage aan leveren.

Groene tuinen zijn een geschikt leefgebied voor vinken (de natuur van hier)
Groene tuinen zijn een geschikt leefgebied voor vinken (de Natuur van hier)

Voortplanting

Vinken zijn een van de talrijkste broedvogels van ons land. Over het algemeen geldt: hoe groener de omgeving, hoe meer vinken er zullen broeden. In dit hoofdstuk bespreken we de voortplanting van de vink in Nederland.

Broedseizoen

Er wordt over het algemeen gebroed vanaf half maart tot uiterlijk half juli. De mannetjes zijn dan al vaak in februari te horen met hun bekende vinkenslag om hun territorium af te bakenen en om vrouwtjes te verleiden. Het broedseizoen van de vinken is afgestemd op het insectenaanbod. Ze weten het zo te timen dat wanneer de jongen uit het ei komen er voldoende insecten te vinden zijn om de jongen te voorzien van de nodige eiwitten.

Het nest van de vink

Als nestplaats wordt meestal een (oude) boom of stevige struik uitgekozen staande in een bosrand, park of tuin. Op een hoogte tussen de 1 en 5 meter wordt goed verscholen een compact, maar stevig nestje gemaakt.

Vaak wordt de vork (splitsing van twee takken) van een boom of struik als basis genomen. Met behulp van takjes, gras, mos, veren en haren van andere dieren maakt (hoofdzakelijk) het vrouwtje een compact nest. Door het groene mos in het nest, de compacte vorm en de bladeren aan de bomen is het nest nauwelijks zichtbaar voor mensen en predatoren (zoals bijvoorbeeld huiskatten, kraaien of eekhoorns).

Dieren zoals eekhoorns, kraaien en huiskatten kunnen niet goed verscholen nesten van de vink roven (de Natuur van hier)
Dieren zoals eekhoorns, kraaien en huiskatten kunnen niet goed verscholen nesten van de vink roven (de Natuur van hier)

Legsel, broeden en jongen

Meestal heeft een vinkenpaar 1 legsel per seizoen maar soms 2. Er worden zo’n 3 tot 5 eieren gelegd per legsel. De eieren zijn glad en licht glanzen en kunnen sterk variëren qua kleur. In 10 tot 14 dagen worden de eieren door het vrouwtje uitgebroed.

De jongen zijn nestblijvers en blijven zo’n 12 tot 15 dagen op het nest. In deze tijd worden ze vooral, door man en vrouw, rupsen gevoerd. Na het uitvliegen blijven de jongen nog weken bij de ouders.

Tijdens de broedperiode krijgen de jongen vinken hoofdzakelijk insecten zoals rupsen gevoerd. Deze zijn eiwitrijke en bevorderen de groei. Later in het seizoen zullen ze steeds meer overstappen op een dieet wat meer uit zaden bestaat.

Verstoringsgevoeligheid

Het broedseizoen is voor vogels de belangrijkste én drukste periode van het jaar. Ze moeten in deze periode niet alleen voor zichzelf zorgen, maar hebben ook een aantal jongen groot te brengen. Dit zorgt ervoor dat vinken ieder uur daglicht in deze periode dienen te benutten en verstoring kan dan ook al gauw fatale gevolgen hebben voor één of meerdere jongen.

Het is dan ook absoluut aan te raden om tijdens het broedseizoen (van half maart tot half juli) geen snoeiwerkzaamheden uit te voeren en zoveel mogelijk andere manieren van verstoring te beperken. Snoei dus geen struiken en bomen in deze periode. En weet je of er ergens vinken zitten te broeden? Vermijd deze plek dan zoveel mogelijk voor een tijdje, zodat ze in alle rust kunnen zorgen voor de jongen.

De meeste vinken die broeden in Nederland zijn standvogels, maar een deel trekt ook naar het zuiden (de Natuur van hier)
De meeste vinken die broeden in Nederland zijn standvogels, maar een deel trekt ook naar het zuiden (de Natuur van hier)

Trekgedrag

De vink is in Nederland grotendeels een standvogel. Een klein deel van de vinken trekt echter wel weg in de winter, dit verschilt dus per populatie. Vinken die broeden in Noord- en Oost-Europa zijn wel meer uitgesproken trekvogels. Een deel hiervan brengt de winter ook in Nederland door. Nederlandse vinken die trekken, trekken over het algemeen niet heel ver naar het zuiden.

Tijdens de najaarstrek kunnen in september en oktober trekkende vinken worden waargenomen. De trek gebeurt vooral in grote groepen, vaak samen met andere vinkachtigen, gorzen en soms ook lijsters.

Vinken die overwinteren in Nederland vertonen iets ander gedrag dan tijdens het broedseizoen. Territoria worden minder/niet verdedigd en individuen zoeken vaak de bescherming van grote groepen op. In deze periode wordt er ook gezamenlijk in grote groepen gefoerageerd op akkers en in bosranden.

Vanaf half februari zoeken overwinteraars weer hun territorium op en komen trekvogels langzaam weer terug (voornamelijk in maart en april). Zo raken langzaam alle territoria weer gevuld en begint er weer een nieuw broedseizoen.

Vinken in de tuin

De vink is een graag gezien tuingast, mits je tuin goed is ingericht voor vinken. Vinken houden van tuinen waarin veel groen te vinden is, het liefst gelegen aan de rand van een dorp of in de buurt van een park. Te veel versteende tuinen en omgevingen worden gemeden door vinken.

Heb je nog geen vink in je tuin, maar wil je deze wel graag zien als tuinvogel? Plant dan inheemse struiken zoals meidoorn, sleedoorn, gewone vlier of hazelaar. Of plant een inheemse boom zoals veldesdoorn of boswilg. Via Sprinklr zijn deze struiken en bomen te verkrijgen. Deze zijn biologisch gekweekt, dus vrij van pesticiden waardoor deze niet giftig zijn voor insecten (en dus ook niet voor vinken).

Zorg er daarnaast ook voor dat er voldoende inheemse planten in je tuin staan. Deze trekken insecten aan, die belangrijk zijn als voedsel voor vinken in de broedperiode. Ook een gemengde haag van inheemse soorten zorgt voor meer insecten in je tuin.

Naast aanplanten van inheemse planten, struiken en bomen is het ook belangrijk om een of meerdere open plekjes te behouden in de tuin. Vinken foerageren namelijk graag op de grond. Op deze open plek (of op een voedertafel) kun je eventueel ook vogelvoer bijvoeren. Voer biologisch vogelvoer en ga voor gemengde zaden (eventueel gemengde met zonnepitten en granen). Gemengd vogelvoer en zonnepitten zijn biologisch verkrijgbaar bij Vivara. Met je aankoop draag je ook nog eens bij aan verschillende groene projecten verspreid door heel Europa! Zorg ervoor dat voeder plekken altijd schoon zijn en vrij van schimmels!

Gedrag van vinken in de tuin

Omdat de vink een veel voorkomende tuinvogel is, kun je verschillende soorten gedrag observeren van deze vogel. Zo kun je vinken foeragerend op de grond waarnemen. In het voorjaar maak je kans op een luid zingend mannetje, vanuit een hoge zangpost in je tuin.

Ook kan een vink natuurlijk in je tuin gaan broeden. Vinken broeden niet in nestkasten maar in een dichte struik of boom. Snoei daarom niet tijdens het broedseizoen (half maart-half juli). Katten kunnen een gevaar vormen voor broedende vinken. Maak je tuin dus onaantrekkelijk voor katten. Gebruik tot slot geen pesticiden in je tuin, dit is ook giftig voor vinken en andere vogels!

Welk gedrag van vinken heb jij gezien in je tuin? Laat het ons weten onderaan deze blog in de comments, of tag ons op Facebook of Instagram. Wij zijn erg benieuwd naar jouw verhaal!

Veelgestelde vragen

Hoe herken ik een man en of vrouw van de vink?

Het mannetje heeft een roodbruine borst en een blauwgrijze kop. Het vrouwtje is grijzer en bruiner, maar heeft net als het mannetje twee witte vleugelstrepen.

Wat eet de vink het liefst?

Vinken eten vooral zaden, granen en noten. In het voorjaar schakelen ze over op insecten, die belangrijk zijn voor het grootbrengen van de jongen.

Zie je vinken ook in de winter?

Ja, veel vinken blijven ’s winters in Nederland. Ze zijn dan vaak in groepen te zien op akkers, bosranden en in tuinen.

Meer vinken

Meer lezen over de familie vinkachtigen? Klik dan hieronder verder naar een specifieke soortpagina of lees in deze blog alles over de familie vinken in het algemeen.

Tot slot

Heb jij alle vinkensoorten in Nederland al gezien?! Laat het ons weten door een comment achter te laten, of laat het ons weten via Instagram (@denatuurvanhier). We zijn erg benieuwd!

Wil je meer weten over vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vlinders in Nederland? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. Zo blijf je op de hoogte van nieuwe blogs, praktische natuurtuin tips en winacties!

Niets meer missen? Volg ons op onze socials!

Zoeken

Categorieën

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!